Dagboek Raphaël Waterschoot
 (TEXTES OFFICIELS door mij aangepast na omzetting)

Gesetz- und Verordnungsblatt fur die okkupierten Gebiete Belgiens
Bulletin officiel des Lois et Arrêtés pour le territoire belge occupé
Wet- en verordeningsblad voor de bezette streken van België
Législation Allemande pour le Territoire Belge Occupé
Textes officiels rédigée par
CHARLES HENRY HUBERICH docteur en droit, ancien professeur de droit a l’universié Stanford Californie , membre du barreau de la cour supreme des Etats Unis de L’Amerique, avocat La Haye Paris Berlin Hambourg
ALEXANDER NICOL-SPEYER Docteur en doit, avocat a la cour de cassation des Pays Bas La Haye


SEIZIÈME SERIE Flandre:
3 Juillet-28 Septembre 1918 (Nos. 64—88)
Wallonie: 2 Juillet— 27 Septembre 1918 (Nos. 54—79)
LA HAE MARTINUS NIJHOFF 1918 Flandre 1 1-400 Wallonie P401-649 Gesetzund Verordnungsbiatt fur Flandern
Wet en Verordeningsblad voor Vlaanderen


No. 64. 3. juli 1918.
Verordening -uithangen betreffende drijfriemen en drijfkabels.
§ 1, Drijfriemen en drijfkabels, die overeenkomstig de Verordeningen van 27 September 1916 (Wet en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, hl. 2781) en van 27 juni 1917 (Wet en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, hl. 3955) moesten worden aangegeven, zijn, op algemene of bijzondere uitnodiging van de Abteilung fur Handel und Gewerbe" (Afdeling voor handel en nijverheid), op de door haar te bepalen tijdstippen en plaatsen tegen vergoeding af te leveren. Al de na 10 oktober 1916 in bewaring of in gebruik genomen drijfriemen en drijfkabels moeten eveneens afgeleverd worden.

§ 2. Zijn voorlopig van de afleveringsverplichting ontslagen : de nijverheidsbedrijven, die van de ,,Abteilung fur Handel und Gewerbe" de toelating hebben bekomen tot het uitoefenen van hun bedrijf, alsmede de bedrijven van hierna vermelden aard, zover zij reeds in werking zijn : 1. steenkolenmijnen en koksovens, 2. gasfabrieken waterwerken, elektriciteitleveringswerken, die uitsluitend in het openbaar belang werken, 3. fosfaatgroeven en -fabrieken, 4. buurtspoorwegen, 5. tramwegen, 6. schouwburgen en kinemas, zover hun bedrijfskracht niet tevens voor andere nijverheidsbedrijven benuttigd wordt. De ontslaging van de afleveringsverplichting is beperkt tot de werkelijk in gebruik zijnde drijfriemen en drijfkabels.

§ 3. Ingeval aan de uitnodiging tot aflevering geen of geen regelmatig gevolg gegeven wordt, kan, onverminderd de strafrechtelijke vervolging, tot het weghalen zonder vergoeding worden overgegaan.

§ 4, De,Abteilung fûr Handel und Gewerbe is gemachtigd, ter uitvoering dezer Verordening, alsook der verordeningen van 27 September 1916 en 27 juni 1917, uitvoeringsbepalingen uit te vaardigen Zij kan uitzonderingen op de afleveringsverplichting toestaan.

§ 5, Overtredingen dezer Verordening of der daartoe uitgevaardigde uitvoeringsvoorschriften worden overeenkomstig §7 en 8 der Verordening van 27 September 1916, betreffende drijfriemen en drijfkabels (Wet en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, blz 2781 en overeenkomstig de Verordening van 17 juni 1917, houdende uitbreiding der in verband met de oorlogseconomie uitgevaardigde Verordeningen (Wet en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, bl. 3926) gestraft.
Brussel, den 20 juni 1918.
No. 64. 3. juli 1918.
Bekendmaking. -uithangen Overeenkomstig Artikel 2 der beschikking van 25 April 1918 van den heer Generaalgouverneur (Generaal Gouverneur) Wet en Verordeningsblad, hl. 448, wordt hierin het navolgende ter kennis gebracht : Het Kaiserliche Bezirksgerichf en de Staatsanwalt (de keizerlijke distriktrechtbank en het parket) te Hasselt, zullen hun ambtsbezigheden met ingang van 24 juni 1918 aanvaarden. De dienstlokalen zijn gevestigd in het paleis van Justitie,
Brussel , den 20 juni 1918.

No. 64. 3. juli 1918.
Bekendmaking. Bij besluit van 8 juni 1918 van den heer Generaalgouverneur (Generaal Gouverneur) in België, zijn de wijzigingen, toegebracht aan de Artikels Vh, c, XL 3°, XLII, XLIII 5° der statuten van de onderlinge maatschappij Paardenverzekering Sint-Maurus, gevestigd te Holsbeek, goedgekeurd,
Brussel den 20 juni 1918.
No. 64. 3. juli 1918.
Bekendmaking. De kandidaten, die bereid zijn het eerste examen voor den ziekenverplegingsdienst of voor den dienst in zinnelozengestichten af te leggen, kunnen zich op 5 of 12 juli 1918, van 2 tot 4 uur namiddag, laten inschrijven te Gent, Jozef Plateaustraat 91. Zij moeten bij de inschrijving de vereiste papieren overleggen. De examens zullen vermoedelijk op 1 Augustus 1918 afgenomen worden.
Brussel den In juli 1918.
No. 65. 6. juli 1918.
Verordening houdende wijziging der wet van 15 juni 1914 tot regeling van het Lager Onderwijs. De wet op het lager onderwijs wordt voor Vlaanderen als volgt gewijzigd:

Art. 1. Artikel 5 van de wet luidt voortaan als volgt: Ten blijke van het nakomen van den wettelijke leerplicht worden, zonder onderscheid tussen openbaar en privaat onderwijs, twee getuigschriften van lager onderwijs ingesteld : het een, voor alle kinderen na het doorlopen van den derden graad; het ander, voor de kinderen die geen middelbare studiën doen, na het doorlopen van den vierden graad. Getuigschriften van den derden graad worden voor het eerst uitgereikt op het einde van het schooljaar 1918/19, getuigschriften van den vierden graad, op het einde van het schooljaar 1919/20; waar de vierde graad later ingericht wordt, op het einde van het tweede schooljaar na de inrichting. De getuigschriften bevestigen, dat het onderwijs 1. gedurende den opgelegde tijd en met de voorgeschreven regelmatigheid werd genoten (Art. 3 en 6 der wet van 15 juni 1914) ; 2. de vakken omvat heeft, die zijn opgesomd onder lid 1 van Artikel 17 der wet van 15 juni 1914, zoals dit bij deze Verordening gewijzigd wordt ;ten laatste sedert 1 September 1918 in de landstaal, het Nederlands, werd verstrekt, in zover niet volgens Artikel 20 der wet van 15 juni 1914, gewijzigd bij deze Verordening, een andere voertaal toegelaten is. Voor de kinderen, die, na zes jaar regelmatig schoolbezoek, het einde van den 3en graad, of, na acht jaar regelmatig schoolbezoek, het einde van den 4en graad, niet konden bereiken, mogen de getuigschriften niet deze titel dragen : Getuigschrift van den derden graad of Getuigschrift van den vierden graad. De getuigschriften worden ondertekend
a) voor de lagere scholen van Staat en gemeente, de aangenomen lagere scholen en de voorbereidende afdelingen der officiële of officieel ondersteunde middelbare scholen, door den burgemeester of een lid van het schepencollege, het hoofd der school en, waar het mogelijk is, door een of twee leden van het onderwijzend personeel ;
b) voor de aanneembare lagere scholen, de gans vrije lagere scholen en de voorbereidende afdelingen der gans vrije middelbare scholen, door een lid van het besturend of beschermend komiteit der school, het hoofd der school en, waar het mogelijk is, door een of twee leden van het onderwijzend personeel ;
c) voor kinderen die huisonderwijs genieter of door de ouders of den voogd en door de lesgevers, Deze kinderen dienen daarenboven een bijzonder examen af te leggen over het Nederlands dit examen wordt hij het einde van elk schooljaar, door een afgevaardigde van den Minister van Wetenschappen en Kunsten afgenomen. Is de uitslag van het examen gunstig, zo zal de afgevaardigde op het getuigschrift bevestigen dat het kind het Nederlands voldoende machtig is en deze bevestiging eigenhandig ondertekenen. De vorm der getuigschriften van lager onderwijs wordt door den Minister van Wetenschappen en Kunsten nader bepaald, Het opgeven van onjuiste gegevens in de getuigschriften, alsook het gebruik van onjuiste getuigschriften, vallen onder de toepassing van Boek II, Titel 3, Artikel 4 van het Strafwetboek.
Art. 2. Aan Artikel 6 wordt volgend slotlid toegevoegd : Verandering van sclool is enkel hij het begin van een nieuw schooljaar en verder slechts hij verhuizing toegelaten. Uitzonderingen kunnen, in bijzondere gevallen, door den kantonnale schoolopziener toegestaan worden.
Art. 3. Artikel 8, lid 3, luidt voortaan als volgt : De waarschuwing en de kaarten brengen uitdrukkelijk in herinnering, dat het gezinshoofd vrij is zijn kinderen te zenden naar de school welke hij verkiest, indien deze met de bepalingen der wet van 15 juni 1914 in den vorm van deze Verordening overeenkomt en dat het verboden is, enigen dwang op hem uit te oefenen om hem een school op te dringen, welke niet de school zijner keuze mocht zijn. Bovendien wordt er uitvoerig in de waarschuwing en kortbondig op de kaarten gewezen op het belang van de getuigschriften van lager onderwijs, alsook op de gevolgen, die het plichtverzuim in dit opzicht voor de gezinshoofden en dezer kinderen i\a zich sleept (Art. 11,lid der wet van 15 juni 1914 in den vorm dezer Verordening en Art. 3 der Verordening van heden, betreffende den toegang tot openbare ambten).
Art. 4. Aan Artikel 11, lid 4, wordt het volgende toegevoegd : Bij herhaling kan een geldboete tot 50 frank uitgesproken worden. Bovendien wordt aan Artikel 11 volgend slotlid toegevoegd : De gezinshoofden, die verzuimen hun kinderen op den gepasten tijd de vereiste getuigschriften van lager onderwijs te laten verwerven, worden door den kantonnale schoolopziener bij den vrederechter aangeklaagd. De leden 1—8 van dat Artikel worden ook in dit geval toegepast.
Art. 5. Aan Artikel 13 wordt volgend slotlid toegevoegd: De gemeenten zijn er toe verplicht, voor de inrichting van kindertuinen (bewaarscholen) en scholen voor voortgezet lager onderwijs (scholen voor volwassenen) te zorgen, indien de regering oordeelt, dat daaraan behoefte bestaat.
Art. 6. Artikel 14, eerste lid, luidt voortaan als volgt : De gemeentelijke lagere onderwijsinrichtingen worden, onder toezicht van den Staat, door de gemeenten bestuurd. Het laatste lid van gemeld Artikel 14 vervalt.
Art. 7. Artikel 15, 2°, leden 1 en 2, luidt voortaan als volgt : Onder voorbehoud der tot op 1 januari 1914 bekomen vergunningen, moeten de leden van het onderwijzend personeel Staatsburgers zijn en,ofwel een
Art. 8. Artikel 17, eerste lid, luidt voortaan als volgt : Het lager onderwijs omvat noodzakelijk de volgende vakken : Godsdienst en zedenleer, de landstaal, d.i. het Nederlands,lezen,schrijven, de grondbeginselen der rekenkunde, het wettelijk stelsel van maten en gewichten aardrijkskunde, vaderlands geschiedenis, tekenen, de beginselen der gezondheidsleer, muziek en gymnastiek. Het onderwijs in andere talen dan het Nederlands mag eerst in den vierden graad verstrekt worden en zulks maar gedurende ten hoogste drie uren in de week voor elke taal. Het lager onderwijs omvat daarenboven
Art. 9. Artikel 20 luidt voortaan als volgt : In alle lagere scholen van Staat en gemeente, in alle aangenomen en aanneembare lagere scholen, alsook in alle openbare en uit openbare middelen ondersteunde kindertuinen (bewaarscholen), scholen van voortgezet lager onderwijs avondscholen en bijzondere leergangen, wordt het onderwijs in de landstaal, het Nederlands, gegeven. In de gemeenten Anderlecht-Kuregem Brussel , Elsene, Etterbeek Sint-Gillis, Sint-Pieters-Jette, Sint-Joost-ten Node, Koekelberg, Laken, Sint-Jans-Molenbeek, Schaarbeek Ukkel en Vorst, alsook in de gemeenten op de taalgrens die in het aanhangsel van deze verordening vernoemd worden, wordt deze bepaling met de volgende afwijkingen toegepast : L De Minister van Wetenschappen en Kunsten kan, voor een overgangstijd tot 1 September 1926, bijzondere inrichtingen of bijzondere afdelingen van lager onderwijs met het Frans als voertaal toelaten voor kinderen, waarvan het bewezen is, dat zij het onderwijs door middel van het Nederlands niet kunnen volgen. Het bewijs voor de opneming in deze inrichtingen of afdelingen vereist, kan enkel door een verklaring vanwege den Minister van Wetenschappen en Kunsten verstrekt worden. In al de *Klassen de 2e rinrichtingen, moet het Nederlands, als vak, gedurende ten minste zes uren in de week onderwezen worden.
2. Buiten deze specifiek toegekende inrichtingen en afdelingen, wordt, hij het begin van het schooljaar 1918/ 19, het Nederlands als voertaal ingevoerd, in de kindertuinen en ten minste in de drie eerste studiejaren van het lageronderwijs. De kinderen, die hij het begin van het schooljaar 1918/ 19, gedurende minder dan drie studiejaren van het hoger onderwijs, onderricht met het Frans als voertaal genoten hebben, worden hij de onder 1 vermelde bijzondere inrichtingen of afdelingen ingedeeld, indien het bewezen is, dat zij het onderwijs door middel van het Nederlands niet kunnen volgen.
3. Voor de kinderen, die hij het begin van het schooljaar 1918/19 reeds gedurende drie studiejaren van het lager onderwijs, onderricht met het Frans als voertaal genoten hebben, kan de Franse voertaal behouden blijven. Voor deze kinderen moet het Nederlands, als vak, gedurende ten minste zes uren in de week onderwezen worden ; ook moet de vaderlandse geschiedenis in het Nederlands onderwezen worden. In zover dienvolgens het Nederlands nog niet de voertaal is, wordt het, van het schooljaar 1919/20 af, telken jare in een volgend studiejaar ingevoerd.
4. Leerkrachten, die, volgens de bovenstaande leden, onderwijs met het Nederlands als voertaal moeten verstrekken en geen diploma hebben van een normaalschool met het Nederlands als voertaal, moeten volgens de nader door den Minister van Wetenschappen en Kunsten te treffen bepalingen, zonder uitstel in een bijzondere leergang in de Nederlandse taal, de bekwaamheid tot onderwijs geven in deze taal ver werven. Indien zij het Nederlands voldoende machtig zijn, kunnen zij, op hun verzoek, door den Minister van de verplichting tot het volgen van den leer gang vrijgesteld worden. Tegen leerkrachten, die stelselmatig weigeren zich te onderwerpen aan de verplichting tot het volgen van den leer gang, kan gehandeld worden volgens Artikel 25, lid 5, der wet.
Art. 10. artikel 24, aanvang, luidt voortaan als volgt: Als gemeenteonderwijzers kunnen enkel staatsburgers aangesteld worden houders van
Art. 11, Aan Artikel 11 wordt volgens slotlid toegevoegd : Aan de hoofdopzieners en aan de kantonnale opzieners hoofden sekretarissen toegevoegd, wier jaarwedde en bevoegdheid door den Minister van Wetenschappen en Kunsten geregeld worden.
Art. 12. In Artikel 41 wordt iusschen de eerste en de tweede zinsnede ingevoegd : De voeriaal is het Nederlands.
Art. 13. Artikel 43 luidt voortaan als volgt : De provinciale, de gemeentelijke, alsook de vrije normaalscholen, ontvangen geen staatstoelagen en kunnen geen wettelijke diplomas uitreiken, indien zij zich niet aan het staatstoezicht onderwerpen, het Nederlands niet als voertaal gebruiken en indien hun onderricht niet van aard is om onderwijzers te vormen, bekwaam om onderwijs te geven in de lagere scholen, die naar de eisen dezer wet ingericht zijn.
Art. 14. In Artikel 45, laatste lid, wordt het woord , jaarwedde door vergoeding vervangen.
Art. 15. Deze Verordening wordt op 1 september 1918 van kracht. De voorbereidende maatregelen dienen zonder uitstel getroffen te worden.
Art. 16. De Minister van Wetenschappen en Kunsten wordt met de uitvoering van deze Verordening belast. Hij kan, in zeer dringende gevallen, uitzonderingen op de bepalingen dezer Verordening toestaan, echter niet voor een langere termijn dan drie jaar, te rekenen van het inwerking treden dezer Verordening.
Art. 17. Al de met de voorschriften van deze Verordening strijdige bepalingen zijn met ingang van 1 September 1918 ignetrokken.
Brussel , den 4 juni 1918.
No. 65. 6. juli 1918.

Aanhangsel van de Verordening houdende wijzignDg der wet op het lager onderwijs. Lijst der aan de taalgrens gelegen gemeenten in het gebied dat tot de bevoegdheid van het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten te Brussel behoort.

I. Provincie Limburg: Bitsingen, Herstappe, Ehen-Emaal, Kruisworm, Otringen, Bukkelingen aan den Jeker, Ter Naaien, Wonk,

II. Provincie Brabant: Bierk, Lettelingen, Mark (enkei het gehucht Aheel
e) (Lahliau), Neerheilisem, Opheilisem, Sinte-Benelde, Sluizen,

III. Provincie Oost-Vlaanderen: Twee Akkers, Orroir, Amougies, Bozenaken, Bonse (enkel het gehucht Deurne) (Durenne).

IV. Provincie West-Vlaanderen: Dottenijs, Herseeuw, Lowingen, Moeskroen NeerWaasten, Ploegsteert, Waasten. 2.
No. 65. 6. juli 1918.

Verordening betreffende de voertaal in de middelbare onderwijsinrichting. Onder opheffing der artikelen 1 tot en met 5 der wet van 15 juni 1883 op het gebruik der Nederlandse taal hij het middelbaar onderwijs in Vlaanderen en der wetten 12 Mei 1910, rakende de studie der nieuwere uren in het middelbaar onderwijs, hogere graad verorden ik het volgende :
Art. 1. In al de onderwijsinrichtingen die onder toepassing vallen van de wetten van 1 juni 1850 en 15 juni 1881, met inbegrip der daaraan verbonden kindertuinen voorbereidende en andere afdelingen, wordt het onderwijs in alle vakken in de landstaal, het Nederlands, gegeven, met uitzondering van de nieuwe vreemde talen, welke door middel van deze talen zelf kunnen onderwezen worden. In de gemeenten Anderlecht-Kuregem, Brussel , Elsene, Etterbeek, Sint-Gillis, Sint-Pieters-Jette, Sint-J oost-ten Noode, Koekelberg, Laken, Sint-Jans-Molenbeek, Schaarbeek, Ukkel en Vorst, wordt deze bepaling met de volgende afwijkingen toegepast :
1. De Minister van Wetenschappen en Kunsten kan, voor een overgangstijd tot 1 september 1925, speciale inrichtingen of speciale afdelingen met het frans als voertaal toelaten voor kinderen, waarvan het bewezen is dat zij het onderwijs door middel van het Nederlands niet kunnen volgen. Het bewijs tot opneming in deze inrichtingen of afdelingen vereist, kan enkel door een verklaring vanwege den Minister van Wetenschappen en Kunsten verstrekt worden. In al de *Klassen dezer inrichtingen of afdelingen dient het Nederlands, als vak, gedurende ten minste zes uren in de week onderwezen te worden,
2. Buiten deze bijzonder toegelaten inrichtingen of afdelingen, wordt, hij het begin van het schooljaar 1918 — 1919, het Nederlands als voertaal ingevoerd in de kindertuinen, in de drie eerste studiejaren der voorbereidende afdelingen van de middelbare onderwijsinrichtingen, in het eerste studiejaar der middelbare onderwijsinrichtingen, lageren graad, in de drie eerste studiejaren der middelbare onderwijsinrichtingen, hogere graad, en in de bestaande Vlaamse afdelingen. De kinderen, die, bij het begin van het schooljaar 1918/ 1919, minder dan drie studiejaren in de voorbereidende afdelingen der middelbare onderwijsinrichtingen of minder dan een studiejaar in de middelbare onderwijsinrichtingen, lageren graad, of minder dan drie studiejaren in de middelbare onderwijsinrichtingen, hogere graad, onder richt met het Frans als voertaal genoten hebben, worden bij de onder 1 vermelde bijzondere inrichtingen of afdelingen ingedeeld, indien bewezen dat zij niet hij machte zijn het onderwijs door middel van het Nederlands te volgen,
3. Voor kinderen die bij het begin van het schooljaar 191811919, reeds gedurende de onder 2, in den eersten jaren, vermelde studiejaren, onderwijs met het Frans (als voertaal genoten hebben, kan het Frans als voertaal behouden blijven. Voor deze kinderen moet het Nederlands , als vak gedurende ten minste 6 uren in de week onderwezen worden. In zover di£n volgens het Nederlands nog niet de voertaal is, wordt het, van het schooljaar 1919 1920 af, telken jare in een volgend studiejaar ingevoerd.
Art. 2. Het onderricht in een tweede of meer talen, mag eerst in het eigenlijk middelbaar onderwijs, niet reeds in de voorbereidende afdeling, gegeven worden.
Art. 3. Van 1 januari 1919 af wordt enkel toegelaten lot de examens van : kandidaat in de wijsbegeerte en letteren, kandidaat-notaris, kandidaat in de natuurwetenschappen, kandidaat in de wis en natuurkunde, kandidaat ingenieur wie, ofwel
1. houder is van een goedgekeurd getuigschrift van volledige middelbare studiën, hogere graad, uitgereikt door een inrichting, waar het onderwijs volgens de voorschriften van artikelen 1 en 2 van deze Verordening gegeven wordt, oftewel
2. het voorbereidend examen, bij artikelen 10 en 12 der wet van l0 april 1890 voorgeschreven, in het Nederlands afgelegd heeft.
Art. 4, Deze Verordening wordt op 1 september 1918 van kracht. Voorbereidende maatregelen dienen zonder uitstel getroffen te worden.
Art. 5. De Minister van Wetenschappen en Kunsten wordt met de uitvoering van deze
Verordening belast Hij kan, in zeer dringende gevallen, uitzonderingen op de bepalingen der Verordening toestaan echter niet voor een langere termijn dan drie jaar, te rekenen van het in werking treden dezer Verordening.
Art. 6. Al de met deze Verordening strijdige bepalingen zijn met ingang van 1 septemher 1918 ingetrokken.
Brussel , den 4 juni 1918,
No. 65. 6. juli 1918.
Verordening betreffende den toegang tot Openbare Ambten. Onder wijziging van artikel 49 der wet van o t i on verorden ik het volgende :
Art. 1. Van 1 januari 1919 af, wordt tot een openbaar ambt van Staat, provincie of gemeente, waartoe het afleggen van een wetenschappelijk of deskundig examen vereist «, enkel toegelaten, wie het bedoeld examen geheel in het Nederlands afgelegd heeft, of wie door een speciaal examen het bewijs levert, dat hij het Nederlands voldoende machtig is om zijn ambt te vervullen.
Art. 2, De verdere voorschriften, rakende de inrichting van het in Artikel 1 hedoeld speciaal examen en de aanstelling van de juri worden door den Minister van Wetenschappen en Kunsten vastgesteld.
Art. 3. In zover voor den toegang tot openbare ambten het afleggen van examens volgens Artikel 1 niet vereist is, behoren de kandidaten, die lagere studiën van den derden graad in 1919 of later voleind hebben, het getuigschrift van den derden graad over te leggen, dat voorzien is hij de Verordening van heden, houdende wijziging der wet van 15 juni 1914 tot regeling van het lager onderwijs ; van 1 september 1916 af, behoort bovendien het getuigschrift van den vierden graad overgelegd te worden, tenzij een getuigschrift van middelbare studiën wordt overgelegd.
Art. 4. Diplomas, waarbij den houder op grond van de desbetreffende bepalingen gehele of gedeeltelijke vrijstelling van een of ander examen wordt verleend, komen in den zin dezer Verordening slechts in aanmerking, in zover zij uitgereikt worden door inrichtingen met het Nederlands als voertaal.
Brussel , den 4 juni 1918.

No. 65. 6. juli 1918
Verordening betreffende de inbeslagneming en de afleveringsverplichting van verlichtingstoestellen en andere voorwerpen uit koper, nikkel, geelkoper, brons of tombak in huishoudingen, alsook in en aan gebouwen.
Art. 1. De Verordening van 13 december 1916, betreffende de inbeslagneming en afleveringsverplichting van huishoudelijke voorwerpen uit koper, tin, nikkel, geelkoper, brons of tombak (Wet en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, nr. 293), wordt hierbij toepasselijk verklaard op de hiernavolgende soorten van voorwerpen uit koper, nikkel, geelkoper, brons of tombak :
1. bevestigde verlichtingstoestellen, de geelkoper en delen van gasbranders er hij begrepen ;
2. afvoerkranen van waterleidingen ;
3. al de metalen delen van brandweertoestellen en sproeislangen, zoals hidranten, kleppen, koppelingen, mondstukken enz. ;
4. uitvloeibuizen (tuiten) van huishoudelijke waterpompen ;
5. al de vastgeklonken, gewelde of op andere wijze vastgemaakte handgrepen van vensters, alsook knoppen van kachels, haardvuren enz.
De hiervoren opgesomde voorwerpen zijn in beslag genomen en moeten afgeleverd worden, ook dan, wanneer zij niet in huishoudingen in engeren zin, maar in en aan bewoonde en onbewoonde openbare of private gebouwen aanwezig zijn (bv. in dienstlokalen van overheden, ekonomaten en spijslokalen van fabrieken, trapzalen).
Art. 2. Zijn niet in beslag genomen en moeten niet afgeleverd worden :
1. met koper, brons of geelkoper overtrokken (hv. gegalvaniseerde of geplatteerd
e) voorwerpen, die uit ijzer of uit een andere niet in beslag genomen stof vervaardigd zijn ;
2. voorwerpen in en aan kerken, andere gebouwen en lokalen die tot godsdienstige doeleinden dienen ;
3. de in Artikel 2, cijfer 1, (opgesomde voorwerpen, die ten minste voor de helft bestaan uit niet in beslag genomen stoffen ; hierbij worden de verlichtingsglazen (bv. ballons, lampekappen schalen walmvangers), alsook parelfranjes beschouwd als niet tot de verlichtingstoestellen behorende ;
4. de in Artikel 1, van cijfer 2 tot 5, opgesomde voorwerpen, die voor ten minste drie vierden uit niet in beslag genomen stoffen bestaan en waarvan de afzonderlijke delen onscheidbaar met elkander zijn verbonden (bv. vastgeklonken, aaneengeperst, geweld enz.) ;
5. eenlichtsgasverlichtingstoestellen, die minder dan 5 kilogram wegen ;
6. elektrische geleidingsdraden in en aan in beslag genomen verlichtingstoestellen, die ter plaatse nodig zijn voor de inrichting ener nieuwe verlichting. De ,Abteilung fur Handel und Gewerbe Rohstoffver waltungsstelW (Afdeling voor Handel en Nijverheid, kantoor voor grondstoffen) zal in laatsten aarleg beslissen, of de voorwaarden van dit Artikel in gegeven gevallen aanwezig zijn.
Art. 3. De in Artikel 1 bedoelde voorwerpen moeten op een door de Abteilung fiir Handel und Gewerbe, Rohstoffverwaltungsstelle** vast te stelen tijdstip afgenomen en afgeleverd worden.
Art. 4. De Abteilung fiir Handel und Gewerbe, Rohstoffverwalungsstelle\ Kunstherlevingslaan 30 te Brussel , alsook de nog aan te duiden afleveriujs kantoren verstrekken inlichtingen nopens het aanschaffen van vervangingsartikelen voor de voorwerpen, die krachtens deze Verordening moeten worden afgeleverd. Het is verboden, zonder toelating van de bevoegde overheid, vervangingsartikelen voor de af te leveren voorwerpen in de fabrieksnijverheid te vervaardigen. De voorwerpen, die in strijd met dit verbod vervaardigd zijn, kunnen zonder vergoeding worden weggenomen. Dit verbod is evenwel niet toepasselijk op vervangingsartikelen, die in de ambachtsnijverheid vervaardigd en zonder tussenhandelaar aan den verbruiker geleverd worden. De ,,Abteilung fiir Handel und Gewerbe, Bohstoffverwaltungsstelle, zal in laatsten aanleg beslissen, of de voorwaarden van dit Artikel in gegeven gevallen aanwezig zijn.
Art. 5. Onderstaande prijzen worden met gereed geld betaald voor de in Artikel 1, cijfer 1, 2 en 3, opgesomde voorwerpen, die op de voorgeschreven wijze af geleverd zijn: voor voorwerpen vrij van voor voorwerpen met vreemde bestanddelen: vreemde bestanddelen: per kg. roodkoper, geelkoper, brons of tombak 10.— fr. 7.50 fr. per kg. nikkel 13.— 10. —
Onderstaande prijzen worden met gereed geld betaald voor de in Artikel 1, cijfers 4 en 5 opgesomde voorwerpen, die op de voorgeschreven wijze af geleverd zijn : voor voorwerpen vrij van voor voorwerpen met vreemde bestandelen: vreemde bestanddelen: per kg. roodkoper 7.— fr. 5.20 fr. per kg. geelkoper of brons 6.— 4.50
Art. 6. De ,,Abteilung fur Handel und Gewerbe is met de uitvoering van deze
Verordening belast en gemachtigd, de daartoe vereiste uitvoeringsvoorschriften uit te vaardigen.
Art. 7. De voorschriften der Verordening G. €. 7 Fa 23418 van 13 december 1916, alsook de voorschriften der Verordening van 17 juni 1917, houdende uitbreiding van de strafbepalingen der in verband met de oorlogseconomie uitgevaardigde Verordeningen, zijn, voor zover in deze Verordening niet anders is bepaald, voor het overige toepasselijk,
Brussel den 8 juni 1918.
No. 65. 6. juli 1918.
Verordening -uithangen houdendc inbeslagneming van moutkiemen. Voorhet bestuursgebied Vlaanderen verorden ik het navolgende :

Art. 1. Al de moutkiemen in het bestuursgebied Vlaanderen zijn hierbij in beslag genomen. De inbeslagneming omvat de versgewonnen moutkiemen zodra de kieming voltrokken is. De inbeslagneming is niet toepasselijk op moutkiemen die uit het buitenland ingevoerd werden.

Art. 2. Wie in beslag genomen moutkiemen bezit of voortbrengt, is verplicht de bij hem aanwezige voorraden aan te geven bij de Gerstenzentrale der Verwaltungschefs fiir Flandern und Wallonien (Gerstcenlrale der Hoofden van het burgerlijk bestuur voor Vlaanderen en Wallonië) ; hij moet de lasthebbers van de Gerslenzenlrale* toegang verlenen lot al de plaatsen, waar moutkiemen worden voortgebracht of in bewaring gehouden, hun zijn zakenboeken overleggen en hun alle inlichtingen verstrekken inzake de voortbrengst en de gebruikmaking van de moutkiemen. Op iedere 100 kg. toebedeelde gerst moeten ten minste 2 kg. goede en gezonde moutkiemen worden voorgebracht.

Art. 3. De ,Gerstenzentrale der Verwaltungschefs fur Flandern und Wallonien is alleen gemachtigd de in beslag genomen moutkiemen op te kopen. De moutkiemen moeien op uilnodiging, aan deze instelling of aan de door haar aangeduide afnemers worden geleverd. De gerstencentrale** stelt den te betalen prijs vast, daarbij rekening houdende in hoever de moutkiemen stofvrij en anderszins bruikbaar zijn ; in geen geval wordt echter meer betaald dan 45 frank per 100 kg. art, 4. Moutkiemen mogen alleen met een door de 9, Gerstencentrale af geleverd vervoerbewijs vervoerd worden.

Art. 5. Het is verboden, in beslag genomen moutkiemen onbevoegd achter te houden, ze te beschadigen, te vernielen, te verwerken of te verbruiken ; het is eveneens verboden ze te kopen of te verkopen of er op een andere wijze over te beschikken. Deze bepalingen zijn ook toepasselijk op moutkiemen, die door de Gerstenzentrale tot verdere bewerking werden toebedeeld.

Art. 6. In gemeen overleg met de Branntweinzentrale (Brandewijncentrale verkoopt de Gerstenzentrale de door haar aangekochte moutkiemen ter vervaardiging van gist. De verkoopprijs wordt berekend naar den inkoopprijs, vermeerderd met een passende toeslag tot dekking der bedrijfskosten.

Art. 7. Elke betwisting met betrekking tot den aankoop of den verkoop, alsook tot de verwerking van moutkiemen, wordt door het bij Verordening van 16 juni 1917, houdende inbeslagneming van de gerst (Wet en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, bl. 3909), ingesteld scheidsgerecht beslecht.

Art. 8. Wie deze Verordening overtreedt, wordt met een geldboete van ten hoogste 20.000 mark en met een gevangenisstraf van ten hoogste 5 jaar of met een dezer straffen gestraft. De poging tot overtreden is strafbaar. Bovendien is de verbeurdverklaring uit te spreken van de voorwerpen, waarmede de strafbare handeling werd begaan, of die tot het ongeoorloofd vervoer hebben gediend. De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.

Brussel , den 20 juni 1918.
No. 65. 6. juli 1918.
Bekendmaking betreffende de liquidatie van Franse ondernemingen. Met toestemming van den heer Generaal Gouverneur in België heb ik, overeenkomstig de Verordeningen van 29 Augustus 1916 en van 15 April 1917, over de liquidatie van vijandelijke ondernemingen (Wet en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, Nr. 253 van 13 September 1916 en Nr. 335 van 19 April 1917), de liquidatie bevolen van het in België voorhanden zijnde vermogen van de Franse firma Osseine et Engrais de Setzaete S. A.\ fabriek van scheikundige voortbrengselen te Zelzate. De heer Dr. Lepsius, Krijgsschool te Brussel , is tot liquidator benoemd. De liquidator verstrekt nadere inlichtingen.
Brussel den 26 juni 1918.
No. 65. 6. juli 1918.
Terechtbrenging. Op bladzijde 581 van Wet Wet en Verordeningsblad voor Vlaanderen, Nr. 61 van 22 juni 1918, bekendmaking Nr, 7 van 13 juni 1918, C. FI. VIIR 1069, eerste regel, is in plaats van Theodoor Minnaert te lezen : Theoduul Minnaert.
Brussel , den 29 juni 1918,
affiches uit de collectie KOKW
No. 66. 10. juli 1918
Verordening over het heffen van de rechtstreekse belastingen, tolrechten en accijnzen en van de proincietaxes in de gemeenten, die bij
Verordening van 15 december 1918, ter wijziging van provinciegrenzen, van Wallonië afgescheiden en bij Vlaanderen ingedeeld werden. Aangezien hij
Verordening van 15 december 1917 (Wet en Verordeningsblad voor Vlaanderen, nr. 11 van 4 februari 1918), enkele gemeenten van de provincies Henegouwen en Luik werden afgescheiden en hij de provincies Brabant, Oost Vlaanderen en Limburg ingedeeld, verorden ik het navolgende :
Art. 1.
§ 1. Te rekenen van 1 januari 1918, zijn al de bevoegdheden en verplichtingen van de Bestuurders der belastingen voor de provincies Henegouwen en Luik en van de hun ondergeschikte ambtenaren en beambten, inzake het beheer der rechtstreekse belastingen, tolrechten en accijnzen, voor het gebied der in de hiervoren vermelde
Verordening opgesomde gemeenten, overgedragen op de Bestuurders der belastingen voor de provincies Brabant, Oost -Vlaanderen en Limburg en op de hun ondergeschikte ambtenaren en beambten,
§ 2. Met ingang van 1 januari 1918, zijn de Bestuurders der belastingen voor de provincies Brabant, Oost-Vlaanderen en Limburg en de hun ondergeschikte ambtenaren en beambten uitsluitend en alleen bevoegd, inzake de op de hierbij bedoelde gemeenten betrekking hebbende aangelegenheden van het beheer der rechtstreekse belastingen, tolrechten en accijnzen. Dit geldt evenzeer voor de aangelegenheden, die zich eerst na bedoeld tijdstip voordoen, cds voor die welke reeds vroeger in behandeling genomen en thans nog aanhangig zijn, inzonderheid voor achterstallige aanslagen, alsmede voor de rechtspleging inzake bezwaar en verhaal.
Art, 2.
§ 1. De provincietaxen die voor de provincies Brabant, Oost-Vlaanderen en Limburg gelden, zowel de opcentiemen van de staatsbelastingen als de bijzondere taxen zijn reeds van 1 januari 1918 af voor de hierbij bedoelde gemeenten geldig.
§ 2. De bestendige afvaardigingen van de provincies Brabant, Oost-Vlaanderen en Limburg zijn, met betrekking tot deze gemeenten, bevoegd te beslissen inzake het verhaal tegen den aanslag in de provinciale bijzondere taxen over het jaar 1918.

Brussel , den 29 juni 1918,

No. 66. 10. juli 1918
Verordening betreffende de Scholen met het Duits als voertaal.
In aansluiting aan de Verordeningen van heden, houdende wijziging der wet van 15 juni 1914 tot regeling van het hoger onderwijs betreffende de voertaal in de middelhare onderwijsinrichtingen en betreffende den toegang tot openbare ambten verorden ik het volgende :

Art. 1. De getuigschriften der lagere en middelbare scholen met het Duits als voertaal, worden met de getuigschriften der Vlaamse scholen gelijkgesteld. In deze scholen kunnen kinderen van Duitse afkomst aangenomen worden ; kinderen van andere nationaliteit echter slechts in beperkt aantal, De houders van getuigschriften dezer scholen moeten om tot een openbaar ambt benoemd te kunnen worden, door een examen er van doen blijken, dat zij de vereiste kennis van het Nederlands bezitten, in zover tot het betreden van het betrokken ambt, het afleggen van een wetenschappelijk of deskundig examen Art. 1 der Verordening van heden, betreffende den toegang tot openbare ambten), niet voorgeschreven is.

art . 2. De Minister van Wetenschappen en Kunsten wordt met de uitvoering van deze Verordening belast.
Brussel , den 4 juni 1918.
No. 67. 13. juli 1918.
Bij besluit van 29 juni 1918 van den heer Generaal Gouverneur, is de heer Huibrecht Harrewijn, burgerlijk ingenieur te Ekeren, benoemd tot hoofdopziener van den technische gezondheidsdienst bij het ministerie van Binnenlandse Zaken.
Brussel , den 3 juli 1918.
No. 68. 17. juli 1918.
Verordening houdende opheffing van vroegere broodkorenverordcningen.
De Verordeningen van 19 juli 1917 over de inbeslagneming van het broodkoren (Wet en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, hl. 4012/13), betreffende de Erntekommissionen (Oogstkommissies) (Wet en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, hl. 401516) en de uitvoeringsbepalingen tot deze Verordening (Wet en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, hl. 4018/20), over het malen en vervoeren van broodkoren (Wet en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, hl. 4024), houdende verbod om banketbakkerijwaren te bakken (Wet en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, de Verordeningen van 23 februari 1918 over het malen en vervoeren van broodkoren (Wet en Verordeningsblad voor Vlaanderen, hl. 192) en houdende verbod om bakkerijwaren te bakken (Wet en
Verordeningsblad voor Vlaanderen, hl. 193) zijn hierbij opgeheven. De bepalingen van de hierbij opgeheven Verordeningen zijn toepasselijk op strafbare handelingen, begaan voor de uitvaardiging van deze Verordening Hetzelfde geldt wat betreft de vrijverklaring van de hoeveelheden koren uit den oogst 1917, die tot eigen verbruik van de verbruikers bestemd zijn.
Brussel , den 4 juli 1918.
No. 68. 17. juli 1918.
Verordening houdende inbeslagneming van bet broodkoren.
§ 1. Het broodkoren van om het even welke soort, namelijk rogge, tarwe en spelt, zowel ongemengd als met andere planten of stoffen vermengd, dat gedurende het oogstjaar 1918 binnen het gebied van het Generaal Gouvernement verbouwd werd, is hierhij, van zodra het afgemaaid wordt, ten bate van de burgerlijke bevolking van het Generaal Gouvernement in beslag genomen. De inbeslagneming omvat ook het uit in beslag genomen koren gemalen meel om het even of het ongemengd of met andere stoffen vermengd is,ende daaruit bereide bakkerijen deegwaren. De inbeslagneming is voor het stro opgeheven hij het uitdorsen, voor de zemelen bij het uitmalen. De inbeslagneming omvat het koren en meel uit vroegere oogstjaren, ook zover dit hetzij voor eigen voeding van den verbouwer, hetzij voor zaaigoed bestemd was, doch daartoe niet werd gebruikt.
§ 2. Zover door de hiernavolgende bepalingen geen andere schikkingen worden getroffen is het verboden aan de in beslag genomen voorraden wijzigingen toe te brengen of er bij overeenkomst verdrag, panding of verpanding over te beschikken.
§ 3. De bezitter van in beslag genomen voorraden is gerechtigd en verplicht al de tot het behoud der voorraden vereiste maatregelen te nemen ; hij is gerechtigd en verplicht ze te dorsen.
§ 4. In geval de bezitter van in beslag genomen voorraden een tot het behoud daarvan ver eiste maatregel niet neemt binnen den termijn, die hem door de bevoegde overheid voorgeschreven werd, kan de overheid die maatregel op kosten van den bezetter door een derden persoon laten uitvoeren, Hetzelfde geschiedt, wanneer de bezetter het broodkoren niet dorst binnen den termijn, die hem door de bevoegde Provinzial-Ernte-Kommission (provinciale Oogstkommissie) werd voorgeschreven.
§ 5. De bezitter van in beslag genomen broodkoren is verplicht, waarachtige aangiften te doen over de in zijn bezit zijnde en de hem toebehorende voorraden en over den werkelijke toestand, op grond waarvan het broodkoren voor het eigen verbruik zal vrijverklaard worden, alsook over de wijzigingen, die naderhand in dien toestand voorkomen,
§ 6. Het in beslag genomen broodkoren zal tegen gereed geld aangekocht en, als brood, meel en zemelen, ter beschikking gesteld worden van de hbvolking van het Generaal Gouvernement. Voor het gebruik van vrijverklaard broodkoren tot andere doeleinden dan tot het bereiden van brood is, zover bij Verordening niet anders wordt bepaald, in elk afzonderlijk geval de goedkeuring der Zentral-Ernte-Kommission" (centrale Oogstkommissie) nodig.

§7, Aan het Nationaal Hulpen Voedingskomiteit verleen ik het uitsluitend recht, de in beslag genomen voorraden ook uit den broodkorenoogst van 1918, en de mogelijke overschotten aan broodkoren uit vroegere oogstjaren, tegen een door mij vast te stellen eenheidsprijs op te kopen. De inbeslagneming wordt door dezen aankoop niet opgeheven.
§ 8. Ik behoud mij het recht voor, desnoods een hoeveelheid van ten hoogste 10.000 ton van het in beslag genomen koren toe te wijzen aan de door mij aan te duiden belanghebbenden, ten einde er moutkoffie van te maken.
§ 9.
a) Wie in beslag genomen voorraden onbevoegd van de hand doet of ze onbevoegd verwijdert uit de gemeente, waarin ze in beslag genomen zijn, wie ze beschadigt, vernielt, verheelt, onbevoegd verwerkt, vervoedert of anderszins verbruikt,
b) Wie in beslag genomen voorraden onbevoegd verkoopt, koopt, pandt, verpandt of op enige andere wijze vervreemdt of verwerft
c) tot de verplichtingen onder § 3 en 5 dezer verordening niet nakomt, wordt met ten hoogste 5 jaar gevangenis of met ten hoogste 100.000 mark geldboete gestraft ; ook kunnen gevangenisstraf en geldboete te zamen worden uitgesproken. De voorraden en inrichtingen, die voor strafbare handelingen bestemd waren of gediend hebben, moeten verbeurdverklaard worden. De poging tot overtreden is strafhaar. Indien de overtreding is begaan met het inzicht, een ongeoorloofde winst op te strijken, kan naast de gevangenisstraf ook een geldboete worden uitgesproken, ten belope van tienmaal den hoogsten prijs voor elk kilogram broodkoren of meel, dat het voorwerp van de overtreding uitmaakt. De geldboete mag niet meer dan 100.000 mark en niet minder dan 25 mark bedragen. De verbeurdverklaarde voorraden moeten, door tussenkomst van de Provinzial ErnteKommission\ aan het bevoegd provinciaal Komtieit worden toegewezen. Dit koren volt ook na de toewijzing onder toepassing van de
Verordeningen over de inbeslagneming, Het Komiteit betaalt de verbeurdverklaarde waren aan de Provinzial Ernte-Kommission. Deze stort het daarvoor ontvangen bedrag niet in de krijgsschatkist, maar staat het af aan de bestendige afvaardigingen, om het voor menslievende doeleinden binnen de provincies te gebruiken. De Duitse krijgsbevelhebbers en krijgsrechtbanken zijn tot oordeelvellen bevoegd.
§ 10. Het uitvaardigen van uitvoeringsbepalingen blijft voorbehouden.
Brussel , den 4 juli 1918.
No. 68. 17. juli 1918.
Verordening betreffende de Erntekommissionen" (Oogstkommissies)
§ 1. De Zentral-Ernte-Kommission" (centrale Oogstkommissie) en de Provinzial-Ernte-Kommissionen (provinciale Oogstkommissies) blijven dis overheden bestaan.
§ 2. De ,Zentral-ErnteKommission is een rechtstreeks onder mij staande overheid ; haar voorzitter, haar leden en dezer bestendige plaatsvervangers worden door mij benoemd. Het voorzitterschap is opgedragen aan een vertegenwoordiger van het Generaal Gouvernement. De leden van de commissie zijn :
a) de Verwaltungschefs (Hoofden van het burgerlijk bestuur) voor Vlaanderen en voor Wallonië ; het ondervoorzitterschap is aan een van heide opgedragen ; een vertegenwoordiger van :
b) de Politische Abteilung (Politieke Afdeling),
c) den Generalkommissar fur die Banken* (Algemene Kommissaris voor de banken),
d) de Armee intendantur des Generalgouvememenis (Intendantie van het leger hij het Generaal Gouvernement),
e) de Veterinarabteilung des Generalgouvemements (Veeartsenijkundige Afdeling hij het Generaal Gouvernement),
f) het Nationaal Komiteit,
g) de Commission for Relief.
Bij staking van stemmen beslist de stem van den voorzitter. De voorzitter heeft het recht, deskundigen met raadplegende stem op de zittingen uit te nodigen. De besprekingen geschieden in de Duitse taal.
§ 3. De Erntekommission voor elke provincie bestaat uit :
a) den Prasident der Zivilverwaltung (Voorzitter van het burgerlijk bestuur) of dezes plaatsvervanger, cds voorzitter ;
b) twee officieren of ambtenaren, leden van de Ftrtschaftsaiisschuss (Economische Kommissie) der provincie ;
c) een lid van de Bestendige Afvaardiging ;
d) een vertegenwoordiger van den graanhandel der provincie ;
e) een vertegeriwoordiger van den landbouw der provincie. De leden vermeld onder otoie mogen in den regel niet tergelijkertijd leden van het Nationaal Hulpen Voedingskomiteit zijn. De Gouverneur der provincie benoemt de leden der kommissie, evenals een bestendigen plaatsvervanger voor elk lid. Bij staking van stemmen beslist de stem van den voorzitter. De voorzitter is bevoegd deskundigen met raadplegende stem op de zittingen uit te nodigen. De voorzitter heeft het recht tegen de besluiten der kommissie verzet aan te tekenen en, door tussenkomst van den Verwaltungsclief en van de Zentral-Ernte-Kommission\ mijn beslissing in te roepen.
§ 4. De ,,Zentral-Ernte-Kommission heeft te bepalen welke hoeveelheden telkens van de inbeslagneming vrijgegeven en ter beschikking der bevolking gesteld mogen worden. Zij oefent toezicht uit op de broodbevoorrading van de Belgische bevolking en moet inzonderheid er voor zorgen, dat van den gehele Belgische broodkorenoogst van 1918, na afhouding van het vereiste zaaikoren, maandelijks niet meer dan 1/12 verbruikt wordt. Zij heeft bovendien besluiten te nemen inzake de rantsoenen per kop van de bevolking, de inkoopprijzen van het gedorst broodkoren, het malen en de hoogste prijzen voor den verkoop van gedorst koren, van meel, zemelen en brood. De besluiten moeten door mij goedgekeurd worden. De ,,Zentral-Ernte-Kommission" geeft, door tussenkomst van den Verwaltungschef\ de nodige aanwijzingen aan de ProvinzialErnte-Kommission ; vraagpunten van zeer groot belang onderwerpt zij vooraf aan mijn beslissing ; zij oefent toezicht uit op de uitvoering van haar aanwijzingen.
§ 5. De Erntekommission van elke provincie is belast met de maandelijkse vrijverklaring van het broodkoren. De vrijverklaring geschiedt op grond van de statistieken ; deze moeten door haar opgemaakt en bestendig bijgehouden worden. De kommissie oefent toezicht uit op de eigene en, desvoorkomend, op de uit andere provincies aangevoerde voorraden, op het in acht nemen der vastgestelde prijzen en op het nakomen der uitgevaardigde Verordeningen en bepalingen, evenals over het algemeen, op al de bedrijfshandelingen van het bijzonder kantoor, dat door het Nationaal Komiteit in elke provincie voor aankoop en bedeling van het inlands broodkoren zal worden opgericht. De werking van dit bijzonder kantoor moet met den werkkring van de betrokken Provincial-Ernte-Kommission overeenkomen. Zij is gerechtigd te dien einde aan de Belgische gemeenten aanwijzingen te geven ; zij is inzonderheid alleen bevoegd wat betreft de onder § 4 van de Verordening, houdende inbeslagneming van het broodkoren, vermelde schikkingen,
§ 6. Wie de tot de uitvoering van deze Verordening uitgevaardigde voorschriften en aanwijzingen niet nakomt, wordt gestraft overeenkomstig § 9 van de
Verordening houdende inbeslagneming van het broodkoren.
§ 7. Ik behoud mij het uitvaardigen van uitvoeringsbepalingen voor,
Brussel , den 4 juli 1918.
No. 68. 17. juli 1918
Uitvoeringsbepalingen tot de verordening van 4 juli 1918 betreffende de Erntekommissionen* (Oogstkommissies).
I Vaststelling van den voorraad broodkoren.
1. De ..Provimial-Erntekommissionen* (Pr.-fi.-K.) (provinciale Oogstkommissies) stellen vast, hoeveel broodkoren (naar soorten ingedeeld) bij elke landbouwer en in elke gemeente aanwezig is,
2, De zentral-Ernte-Kommission** (Z.-E.-E.) (centrale Oogstkommissie) stelt op grond van de haar door de Pr.-E.K, of elke provincie aangegeven etappe en op grond van een door mij bevolen opneming van den oogst, de in het ganse gebied van het Generaal Gouvernement aanwezige hoeveelheid broodkoren vast.
3. Het Nationaal Hulpen Voedingskomiteit (N. K.) mag kennis nemen van de ingezamelde gegevens.
II. Aankoop van het in beslag genomen broodkoren,
1. De prijs per 100 kg. inlands broodkoren mag hij den verkoop door den verbouwer voor tarwe 48 frank spelt 39 rogge. 43 masteluin 47 niet overtreffen.
Het koren moet van goede hoedanigheid en droog zijn, Voldoet het niet aan deze voorwaarden, zo moet de prijs verlaagd worden. Kan men het niet eens worden, dan beslist het Centraal Oogstkantoor (Bureau central des Recoltes) te Brussel. De hoogste prijzen gelden voor leveringen zonder zak. De verbouwer moet het koren op den spoorwagen op het dichtst hij zijn boerderij gelegen station, of in de naaste opslagplaats van het N, K. leveren.
2. leder landhouwer is er persoonlijk voor verantwoordelijk, dat de hij hem ingeoogste hoeveelheid broodkoren, met afhouding van de tot eigen verbruik en als zaaikoren vrijverklaarde hoeveelheden, op de door de bevoegde Pr.-E.-K. bepaalde termijnen, aan het N. K, afgeleverd wordt. Behalve den belanghebbenden landhouwer, zijn al de andere landhouwers, die de gemeente bewonen, alsook de gemeente zelf mede verantwoordelijk. Ingeval de maatregelen, welke de Pr.-E.-K. geschikt achten om het koren op te eisen, tot geen uitslag leiden, zijn de voorzitters van de Pr.-E.-K. gerechtigd : voor dk ontbrekend kilogram broodkoren van bestuurswege een bedrag tot 10 mark in te vorderen ten laste van den oorspronkelijk in gebreke gebleven zijnde landbouwer, of ten laste van de met hem verantwoordelijk zijnde personen of van de gemeente, den betrokken landbouwer, of verschillende of al de landhouwers, die in de gemeente wonen, het recht te onttrekken om in het eigen verbruik te voorzien en ze voor hun voeding naar het N, K te verwijzen. De ten gevolge daarvan vrij gekomen hoeveelheden broodkoren zijn door de Pr.-E.-K. tegen den hoogsten prijs op te eisen.
c) de hoeveelheden broodkoren, die binnen een door den voorzitter van de Pr.-E.-K, bepaalden termijn niet geleverd worden, zonder betaling verbeurd te verklaren. De bepalingen van § 9 der Verordening houdende inbeslagneming van broodkoren, zijn toepasselijk op de naar hand van vorenstaande bepalingen verbeurdverklaarde voorraden of ingevorderde geldsommen,
3. Het N. K, is verplicht van het koren, dat niet voor zaaikoren of tot eigen verbruik vrijverklaard is, binnen de door de voorzitters van de Pr.-E.-K, vastgestelde termijnen op te kopen. Het moet het aangekocht koren naar de opslagplaatsen en molens voeren en het aldaar opstapelen. Het N. K. moet het koren volgens de door mij, op voorstel van de Z.-E.-K. bepaalde maalgraden, laten malen, Het moet het koren in de opslagplaatsen voor bederf bewaren. Het koren moet zo bewaard worden, dat de stapels te allen tijde aan een onderzoek kunnen onderworpen worden,
4, De inbeslagneming blijft ook ten aanzien van hei N. K, van kracht, Het N. K, is niet gerechtigd over het broodkoren of over het meel te beschikken, alvorens het door de Pf,-E,-K, vrijverklaard is. De voorzitter van de Pr,-E,-K, is gerechtigd, met het oog op het toezicht over de opneming en ter uitvoering van den opkoop al de vereiste schikkingen te treffen.
III. Vrijverklaring van de inbeslagneming.
1, De vrijverklaring van de inbeslagneming geschiedt door de Pr.-E.-K.
2. De vrijverklaring van het zaaikoren en van het koren voor eigen verbruik, geschiedt onder de volgende voorwaarden :
a) Op grond van de opneming der akkervlakten in het jaar 1918 zal, ten voordele van de landhouwers, van elke soort koren per hektaar als zaaikoren worden vrijverklaard : rogge 175 kg. wintertarwe 190 zomertarwe 200 spelt • 250 masteluin 185 Ingeval de akkervlakte van het aanstaande jaar of de verdeling er van ten opzichte van het voor gaande jaar een wijziging ondergaat, moet de betreffende landbouwer daarvan, ten laatste op 1 november een door zijn burgemeester gewaarmerkte aangifte aan de bevoegde Pr.-E.-K. doen geworden. Deze is bevoegd, de hoeveelheid vrij te verklaren zaaigoed in overeenstemming te brengen met de voorgestelde wijziging. De Pr.-E.-K. zullen te dien opzichte nadere bepalingen treffen. Indien een landhouwer, ter verbetering van zijn zaaikoren, beter zaaigoed wenst aan te schaffen, moet hij, door bemiddeling van den burgemeester zijner gemeente, ten laatste op 1 november 1918, een desbetreffende aanvraag bij de bevoegde Pr.-E.-K. indienen. Verleent deze laatste haar toestemming, dan kan de landhouwer het verlangd zaaigoed bekomen van de voor het N. K. vrijverklaarde hoeveelheden koren, en wel tegen een prijs, die met den alsdan vastgestelde hoogsten prijs uit opslagplaats of molen kan gelijk staan. De landbouwer moet de hoeveelheden broodkoren van eigen voortbrengst, die hij ten gevolge van het bijkopen van zaaikoren in zijn bedrijf over heeft, aan het N, K. afleveren. De Pr.-E.-K. zal den Landbouwer laten weten in hoever hij, ten gevolge van den aankoop van zaaikoren, meer te leveren heeft aan de opkopers van het N. K.
b) De ondernemers van landbouwbedrijven met een gezamenlijke akkervlakte van ten minste 1 hektaar, mogen uit hun voorraden voor de voeding der personen van hun bedrijf, het personeel inbegrepen, per hoofd en per nuland 10 kg. tarwe, rogge en masteluin of 13,5 kg. spelt gebruiken. De nodige hoeveelheid voor heel het jaar blijft bij de bewaarnemers in bewaring. Bij de toewijzing van broodkoren voor eigen verbruik van den verbouwer moet in de eerste plaats spelt, dan masteluin en ten slotte tarwe worden vrijverklaard, en wel in de hier aangeduide volgorde. De vrijverklaring van broodkoren voor het eigen verbruik van den verbouwer zal, behoudens afwijkende bepaling, op 15 van elke volgende maand in dezelfde hoeveelheden en op gelijke wijze geschieden, zoals de Pr.E.-K, of de eerste maal voor den tijd van 15 September tot 15 oktober 1918 zullen bepalen. De ondernemers van landbouwbedrijven met een gezamenlijke akkervlakte van minder dan 1 hektaar, mogen de in hun bedrijf verbouwde hoeveelheden broodkoren uitsluitend voor hun eigen verbruik bezigen, maar niet verkopen. De Pt.E.K,, die met het toezicht over het gebruik van den oogst dezer landbouwers belast zijn, zullen te dien opzichte nadere bepalingen treffen, dit geldt eveneens voor de regeling van het arenlezen en de behandeling van de daaruit genomen voorraden, Wanneer het aan der in aanmerking komende personen, notas het werd vastgesteld op den grondslag van de uitkomsten der bij Verordening van 20 April 1918 Wet en Verordeningsblad voor Vlaanderen, hl. 419/20) bevolen opneming, in den loop van het jaar vermindert, mag ook slechts een naar verhouding kleinere hoeveelheid koren worden verbruikt
Dergelijke wijzigingen moeten binnen een week ter kennis worden gebracht van den burgemeester der gemeente. Deze moet de mededeling onverwijld overmaken aan de Pr.-E.-K., die alsdan de voor het eigen verbruik van den landbouwer vrijverklaarde hoeveelheid doet wijzigen en voor het invorderen van het overschot zorgt.
c) De Pr.-E.-K. zullen aan elken landbouwer, die meer dan 1 hektaar akkervlakte bebouwt, afzonderlijk mededelen hoeveel koren hij als zaaigoed en voor eigen verbruik mag overhouden. Al het broodkoren, dat de landbouwer in zijn bedrijf meer verbouwt, dan hem als zaaigoed en voor eigen verbruik werd vrijverklaard, moet hij aan het Nationaal Hulpen Voedingskomiteit verkopen.
3. Voor het overige stelt de Z.-E.-K., in overeenstemming met het N. K., maandelijks de hoeveelheid koren of meel vast, die in elke provincie voor het verbruik vrij te verklaren is.
4. De Pr.-E.-K. verlenen het N. K. machtiging, om over de in de provincie vrijverklaarde hoeveelheden broodkoren te beschikken. Het N. K. moet kunnen bewijzen, uit welke stapels het de vrijverklaarde hoeveelheden afhaalt.
IV. Verkoopprijzen.
1. Ik bepaal elke maand, op voorstel van de Z.-E.-K., de door het N. K. te berekenen verkoopprijzen voor gedorst broodkoren, meel, zemelen en brood.
2. De Z.-E.-K. neemt den aankoopprijs van het inlands koren, alsmede den prijs van het ingevoerd koren, dien het N. K. haar onder overlegging van bewijsstukken moet mededelen tot grondslag voor de door haar voorgestelde verkoopprijzen waarbij een bij overeenkomst te bepalen toeslag toegelaten is. De overeen te komen toeslag is bestemd om een risicofonds samen te stellen. De Z.-E.-K. stelt het hoogste bedrag vast, waaruit dit fonds mag bestaan. Bereikt het fonds een hoger dan het vastgesteld bedrag, dan moet het overschot gebruikt worden om in den eerstvolgende termijn den broodprijs ie verminderen.
3. Het N. K. is verplicht de aankoopprijzen, onder overgave van de bewijsstukken in de te delen.
V. Bepalingen betreffende het toezicht.
1, De burgemeesters zijn er voor verantwoordelijk, dat op het gebied van hun gemeenten niet in strijd met de inbeslagneming gehandeld wordt.
2, De Pr.-E. K. laten door geschikte personen nagaan, of niet onbevoegd over het in beslag genomen koren beschikt wordt en of alleen de vrijverklaarde hoeveelheden aan de verbruikers ten goede komen. De personen, die daarmede belast zijn, moeten hun opdracht door een getuigschrift van den voorzitter der Pr.-E.-K. kunnen bewijzen ; zij hebben te allen tijde toegang tot alle opslagplaatsen, zolders en molens, om zich van den omvang en den toestand der voorraden, alsook van de manier waarop deze bewaard worden, te komen overtuigen.
3, Het N. K. moet boekhouden over den aankoop, den afzet en de berging van de aan gekochte hoeveelheden koren, evenals over het malen en over de voorraden meel en zemelen. De boeken moeten nauwkeurige gegevens bevatten over al wat er binnenkomt en uitgaat en te allen tijde een klaar overzicht geven over de in de verschillende omschrijvingen aanwezige voorraden en over de wijzigingen die daaraan werden toegebracht
4. Op dezelfde wijze moet worden boekgehouden over de gezamenlijke uitgaven, welke door aankoop, afzet, bergen, malen en verdelen of door andere oorzaken ontstaan. De boeken moeten ook doorlopend de ontvangsten, voortkomend van den verkoop van gedorst broodkoren, van meel, zemelen of door andere oorzaken ontstaan, bevatten.
5. Over de aangekochte en aan de opslagplaatsen, molens, enz. voortgeleverde hoeveelheden koren moeten bijzondere lijsten opgemaakt worden, die de soort, het gewicht, den eenheidsprijs en het betaald bedrag dienen te vermelden. Van deze lijsten moet een afschrift aan de verkopers en een aan de Pr.-E.-K. afgeleverd worden.
6. Het N. K. moet verder den 15 en den laatsten van elke maand verzamelstaten over al de binnen de betreffende provincie aangekochte en aan de opslagplaatsen, molens, enz. geleverde hoeveelheden koren, volgens gemeenteomschrijvingen gerangschikt, in twee exemplaren bij de Pr.E.-K. inleveren. De bergplaatsen moeten daarop aangeduid staan. De Pr.-E.-K. moet nagaan, of de verzamelstaten met de lijsten [zie nummer 5) overeenkomen. De Pr.-E.-K. levert een afschrift van de verzamelstaten aan de Z.-E.-K., die deze staten in daartoe bestemde boeken zal inschrijven.
7. De Z.-E.-K. bepaalt, in overeenstemming met het N. K., de hij het boekhouden in acht te nemen grondslagen, evenals de bijzonderheden over vorm en inhoud van de met het oog op het toezicht dienende lijsten en staten. Zij neemt in elk afzonderlijk geval de vereiste maatregelen voor de uitvoering van de gezamenlijke toezichtswerkzaamheden.
8. Het N. K. is verplicht, te allen tijde de over den aankoop, den afzet en de berging gehouden boeken en lijsten, evenals de over de ontvangsten en uitgaven gehouden boeken te laten inzien en de juistheid er van te laten onderzoeken. De Z.-E.-K. is met het toezicht belast.
VI. Overschotten. De overschotten, die het N, K. bij den aan en verkoop van broodkoren overhoudt, en die hij het beëindigen van den oorlog nog voorhanden zijn, moeten ter beschikking van de bestendige afvaardigingen gesteld worden, naar verhouding van de in elke provincie voor het verbruik vrijverklaarde hoeveelheden broodkoren of meel (nr, III, 3) ; deze overschotten zijn voor menslievende doeleinden binnen de provincies te gebruiken.
VII. Slotbepaling. De beheerkosten van de Z.-E -K. en van de Pr.-E.-K, worden beschouwd als staatsuitgaven.
Brussel, den 4 juli 1918,
No. 68. 17. juli 1918.
Verordening –uithangen
betreffende het bereiden van meel en het vervoeren van broodkoren.
§ 1. Het bereiden van meel en het uitbuilen van het meel mag alleen geschieden in molens, die tot hoofdbedrijf dienen en die een maalverlof van de Provinzial-Ernte-Kommission provinciale Oogstkommissie) verkregen hebben. Het maalverlof is herroepelijk en kan aan voorwaarden verbonden worden. Maaltoestellen die, volgens aard en omvang, als bijbedrijf dienen van een andere nijverheid, mogen mits goedkeuring van de bevoegde ,,Provinzial-Ernte-Kommission" in gang gehouden worden.
§ 2. Het is verboden, om het even welke handmolens en toestellen, die voor het malen van koren geschikt en tot het uitoefenen van een huis of bijbedrijf bestemd zijn, te vervaardigen, aan te bieden, te koop te stellen en te verkopen, te kopen of anderszins te verwerven.
§ 3. De maalgraad, zowel voor het inlands als voor het ingevoerd koren, blijft tot nader bericht op ten minste 97 % vastgesteld. Deze maalgraad is zo te verstaan, dat al het broodkoren, met de zemelen, geheel moet worden uitgemalen. De vastgestelde maalgraad geldt eveneens voor het koren, dat voor de voeding van de verbouwers zelf dient. De molens, die de toelating hebben om broodkoren te malen, zijn verantwoordelijk voor het nakomen van bovenstaand voorschrift betreffende den maalgraad. De voorgeschreven vaststelling van den maalgraad geldt niet voor het koren, dat uitsluitend voor het verbruik in het Etappenen Operatiegebied gemalen wordt. Het Nationaal Komiteit moet aan de bevoegde Provinzial-Ernte-Kommissionen" de molenaars bekendmaken, die gerechtigd zouden zijn van deze uitzonderingsbepaling gebruik te maken. Deze zijn aan een nauwkeurig toezicht van de bevoegde Provinzial-Ernte Kommissionen onderworpen. Dit toezicht zal uitgeoefend worden overeenkomstig de onderrichtingen, die de .Zentral-Ernte-Kommission (centrale Oogstkommissie) te dien einde zal geven.
§ 4. De voorzitters van de Provinzial-Ernte-Kommissionen" zijn gemachtigd, met het oog op de rechtstreekse levering van meel, alsook met het oog op de bereiding van gebak, voor zieke en zwakke personen of tot godsdienstige doeleinden, aan de molens te dien einde door het Nationaal Komiteit aangeduid, vergunning te geven om op een geringere dan den bij deze Verordening vastgestelde maalgraad te malen. Het Nationaal Komiteit moet de hoeveelheden koren die in de bedoelde molens voor een fijner gemaal nodig zijn, ter beschikking stellen van de bevoegde ,Provinzial-ErnteKommissionen. De Provinziallernte-Kommissionen hebben er voor te zorgen, dat het op last van het Nationaal Komiteit fijner gemalen meel, enkel en alleen gebruikt wordt om er in de door de voorzitters van de Provinzialernte-Kommissionen* bij wijze van uitzondering toegelaten bakkerijbedrijven gebak van te maken voor zieke en zwakke personen en tot godsdienstige doeleinden, ofwel om als meel aan zieke en zwakke personen of tot godsdienstige doeleinden te worden afgeleverd.
§ 5. Het maalverlies mag bij het bereiden van med niet meer dan 2 % bedragen.
§ 6. Voor ieder vervoer van broodkoren is een vervoer bewijs vereist.
§ 7, De Provinzialernte-Kommissionen mogen hun omschrijvingen binnen de grenzen van de bepalingen dezer Verordening, uitvoeringsbepalingen en, inzonderheid de met het oog op het uitoefenen van toezicht op de molens en voor het vervoer vereiste voorschriften uitvaardiigen.
§ 8. Overtredingen van deze bepalingen worden gestraft met de straffen, voorzien in *§9 van de Verordening, houdende inbeslagneming van het broodkoren. Inzonderheid bij verheling of ongeoorloofde benutting, tekoopstelling of verwerving van maaltoestellen, moet de verbeurdverklaring of de onbruikbaarmaking van deze voorwerpen uitgesproken worden. De verbeurdverklaring van in strijd met het verbod gemalen en gebuild meel moet eveneens worden uitgesproken. De Duitse krijgsbevelhebbers en krijgsrechtbanken zijn tot oordeelvellen bevoegd.
Brussel , den 4 juli 1918.
No. 68. 17. juli 1918.
Verordening –uithangen betreffende de bakkerijwaren.
§ 1. Het is verboden meel en meelachtige stoffen te gebruiken om van beroepswege banketbakkerijwaren te bakken. Het is eveneens verboden deze waren te koop te stellen.
§2. Al banketbakkerijwaar in den zin van deze verordening wordt beschouwd alle gebak, dat meel of meelachtige stoffen bevat en dat door toevoeging van andere bestanddelen van om het even welken aard, h.v. van vet, zoetende middelen, honig, fruit, eiwit, chokolade, amandels, of door een bijzondere wijze van bakken, de kentekenende eigenschappen van gewoon brood verloren heeft,
§ 3. Dit verbod geldt voor alle beroeps en nijverheidsbedrijven, inzonderheid voor banketbakkerijen, biscuit-, cakes-, beschuiten koekjesfabrieken, gasthoven, dranken spijshuizen, gaarkeukens, verversing- en verenigingslokalen,
§ 4. De voorzitters van de Provinzial-Ernte-Kommissionen (provinciale Oogstkommissies) kunnen uitzonderingen toestaan voor de fabrieken, die gebak voor zieke en zwakke personen en tot godsdienstige doeleinden maken.
§ 5. De voorzitters van de Provinzial-Ernte-Kommissionen zijn bevoegd :
a) met het oog op de uitvoering dezer Verordening, al de nodige vaststellingen te doen,
b) buiten de straffen voorzien onder § 6, 1. zakenhuizen, bakhuizen en bakinrichtingen, die in strijd met het verbod gemalen meel gebruiken of op ongeoorloofde wijze banketbakkerijwaren maken, alsook verkoophuizen, die in strijd met het verbod gebakken brood of op ongeoorloofde wijze gemaakte banketbakkerijwaren te koop stellen, te sluiten,( het in strijd met het verbod gebakken brood, cd de op ongeoorloofde wijze gemaakte banketbakkerijwaren en al de medevoorraden, die tot het maken van verboden brood of banketbakkerijwaren bestemd zijn, zonder betaling verbeurd te verklaren. De verbeurdverklaarde voorwerpen moeten ten bate van de bevolking gebruikt worden.
§ 6. Wie de bepalingen van deze Verordening overtreedt, wordt met ten hoogste 6 maand gevangenis en met ten hoogste 2.000 mark geldboete of met een van deze beide straffen gestraft. Bij het opleggen van de geldboete, moet de straf vastgesteld worden op het meervoud van de waarde van het in strijd met het verbod bereid gebak. De poging tot overtreden is strafbaar. De Duitse krijgsbevelhebbers en krijgsrechtbanken zijn tot oordeelvellen bevoegd.
Brussel den 4 juli 1918,
No. 68. 17. juli 1918.
Verordening betreffende de liquidatie van percelen. Nadat de liquidatie van een perceel bevolen is, kan de liquidator te allen tijde de overeenkomsten inzake de gebruikmaking van dat perceel, inzonderheid huren pachtovereenkomsten, met inachtneming van een opzegging termijn van 3 weken opzeggen, zonder daarbij rekening te houden met den voorzien en geldigheidstermijn dier overeenkomsten.
Brussel , den 4 juli 1918,
No. 68. 17. juli 1918.
Ik heb opdracht gegeven, van de ambtelijke lijst der gemeenten (vgl. mijn besluit van 26 April 1916, M. V. Bl. Nr. 55, ht. 1260) een tweede, gewijzigde uitgave te doen verschijnen. Duitse diensten moeten voor de schrijfwijze van de gemeenten van Vlaanderen zich richten naar deze nieuwe lijst der gemeenten ; de vet gedrukte naam is daarbij te gebruiken. De andere, in de lijst in gewonen druk aangegeven namen van gemeenten, mogen alleen dan gebruikt worden, wanneer bijzondere redenen daartoe aanleiding geven. De uitgave van een lijst der plaatsen, die geen gemeenten zijn, blijft voorbehouden.

Brussel, den 29 juni 1918.
No. 69. 20. juli 1918.
Verordening houdende wijziging van het koninklijk besluit van 15 juni 1897, betreffende de inrichting der provinciale gouvernementen, alsmede van het koninklijk besluit van 16 juni 1897, betreffende de inrichting der arrondissementskommissariaten.
Art. 1. Voor de benoeming der ambtenaren en beambten van bureeloverste af naar beneden, kan voorshands worden afgeweken van de bepalingen onder Artikel 8, lid 2 en 3 van het koninklijk besluit van 15 juni 1897 betreffende de inrichting der provinciale gouvernementen, in de bewoording der koninklijke besluiten van 10 Augustus 1911 en van 11 Mei 1912, alsmede van de voorwaarden gesteld in Artikel 7, lid 1 en 2, van het koninklijk besluit van 16 juni 1897, betreffende de inrichting der arrondissementskommissariaten, in de bewoording van het koninklijk besluit van 10 Augustus 1911.
Art. 2. De Verwaltungschef (Hoofd van het burgerlijk bestuur) is gemachtigd, uitvoeringsbepalingen uit te vaardigen. Grosses Hauptquartier, den 24 juni 1918.
No. 69. 20. juli 1918.
Verordening betreffende het aangaan van leningen door de stad Gent Op grond van de door den burgemeester der stad Gent, na raadpleging der schepenen, genomen besluiten i. van 29 April 1918, betreffende het aangaan eener lening van 15 miljoen frank, ter bestrijding van inkwartieringsonkosten, door uitgifte van 30.000 kasbons 4 % van 500 frank, terugbetaalbaar op 1 juni 1924, 2. van 5 Met 1918, betreffend de uitgifte van 313.600 kasbons van 5 frank, terugbetaalbaar op 1 januari 1920, ter betaling der lopende uitgaven en voor inkwartieringsonkosten, wordt het gemeentebestuur der stad Gent hierbij gemachtigd bedoelde leningen aan te gaan,
Brussel , den 20 juni 1918.
No. 69. 20. juli 1918.
Verordening houdende verlenging van een lening der stad Gent. De gemeenteraad der stad Gent heeft den 7 mei 1917 besloten, hij de Maatschappij van het Gemeentekrediet, voor den duur van den oorlog, een lening aan te gaan van een miljoen frank per maand en, den 24 september 1917, het maandelijks bedrag dier lening te verhogen op anderhalf miljoen. Bij mijn besluiten C. FI. V 4394 van 7 juli 1916 en C. FI. V 2655 van 11 April 1918, heb ik bedoelde lening voor een termijn gaande tot 30 juni 1918 goedgekeurd. Hierbij wordt de goedkeuring tot het aangaan van een maandelijkse lening van anderhalf miljoen frank verlengd voor een termijn gaande tot 30 juni 1919.
Brussel , den 20 juni 1918.
No. 69. 20. juli 1918.
Beschikking. art, 1. De hierna vermelde personen zijn benoemd tot leden van de jury die dit jaar belast is met het afnemen van het examen van leraar en van lerares in de gymnastiek hij het middelbaar en middelhaar normaal onderwijs : Verbeke Robrecht, opziener van het onderwijs in de gymnastiek bij de inrichtingen van middelbaar onderwijs (voorzitter) ; Bezio, leraar aan het koninklijk Atheneum te
Antwerpen (sekretaris) ; Dr. Seuntjes, te Brussel ; Melemans, leeraar aan de Rijks lagere Jongensnormaalschool te Lier ; Van Breedam, lerares aan de Rijkslagere Meisjesnormaalschool te Laken.
Art. 2. De Verwaltungschef (Hoofd van het burgerlijk bestuur) is gemachtigd, afwezige leden te doen vervangen. De voorzitter van de jury moet de leden van de jury en de kandidaten oproepen.
art, 3, De Verwaltungschef voor Vlaanderen is met de uitvoering van deze beschikking belast.
Brussel , den 29 juni 1918.
No. 69.-20. juli 1918.
Beschikking. Ari, 1. De hierna vermelde personen zijn benoemd tot leden van de jury, die dit jaar beiast is met het afnemen van hei examen van leraar en van lerares in de lichamelijke opvoeding hij het middelbaar onderwijs : Voorzitter : Verbeke, Robrecht, opziener van het middelhaar onderwijs. Leden : Dr. Douss, docent aan de Universiteit te Gent ; Robeius Julius leraar aan het koninklijk Atheneum te Gent ; Verdonck, M., leraar aan de Rijks middelbare Normaalschool te Gent ; Van Driessche, leraar aan de Rijks middelbare Jongensschool te Ronse.
Art. 2. De Verwaltungschef (Hoofd van het burgerlijk bestuur) voor Vlaanderen is gemachtigd, afwezige leden te doen vervangen.
Art. 3. De jury duidt onder haar leden een sekretairis aan.
Art. 4. De voorzitter van de jury moet de leden van de jury en de kandidaten oproepen.
Art. 5. De Verwaltungschef voor Vlaanderen is met de uitvoering van deze Beschikking belast,
Brussel den 6 juli 1918.
No. 69. 20. juli 1918.
Verordening houdende oprichting van een Hogeren Raad der instellingen van vooruitzicht in Vlaanderen. Onder inwerkingstelling van Artikelen 7 en 46 der verordening van 14 Maart 1918, betreffende de verzekering tegen ziekte, vroegtijdige gebrekkelijkheid en ouderdom in Vlaanderen (Wet en Verordeningsblad voor Vlaanderen, Nr. 38, hl. 371), verorden ik het navolgende :
Art. 1. Bij het ministerie van Nijverheid en Arbeid wordt een Hogere Raad der instellingen van vooruitzicht opgericht. De Hogere Raad verricht de werkzaamheden, die hem door wetten en besluiten opgelegd worden (zie inzonderheid Artikel 9, lid 5, Artikel 15, lid 2, Artikel 27, lid cijfer 4, Artikelen 28 en 30 der Verordening van 14 maart 1918). Hij oefent voor het overige slechts een raadgevende werking uit in zover geen andere voorschriften getroffen worden. De Hogere Raad wordt door de regering geraadpleegd over aangelegenheden van algemeen belang inzake sociale verzekering, namelijk bij de voorbereiding en de ten uitvoer inbrengen der wetten en besluiten betreffende de verzekering tegen ziekte, vroegtijdige gebrekkelijkheid en ouderdom. Hij kan eveneens aan de regering wijzigingen of aanmeldingen der wetten en besluiten beide en de de sociale verzekering voorstellen,
art, 2, De Hogere Raad is samengesteld uit 13 leden. De aangenomen verzekeringsinstellingen en de gewestelijke kassen van vooruitzicht wijzen daarvan, telkens voor den duur van zes jaar, zeven leden aan ; de regering benoemt de anderen; onder deze laatsten moet ten minste een actuaris een geneesheer en een apotheker zijn. De regering benoemt voorlopig al de leden van den Hogere Raad, totdat de eerste verkiezingen hebben plaats gehad ( Artikel 46 van de Verordening van 14 maart 1918). Bij deze benoeming wordt bepaald, wie na deze verkiezingen zal aftreden.
Art. 3. De Hogere Raad heeft een voorzitter en een bestendigen verslaggever. Zij worden door de regering onder de leden voor den duur van zes jaar benoemd. De voorschriften betreffende de gedeeltelijke vernieuwing van de leden (artikel 5) zijn niet toepasselijk op den voorzitter en den bestendigen verslaggever. De Hogere Raad verkiest uit zijn midden een ondervoorzitter. Het ministerie van Nijverheid en Arbeid kan aan den Hogere Raad secretarissen toevoegen ; zij zijn geen leden van den Hogere Raad,
Art. 4. De verkiezingen voor den Hogere Raad zijn geheim, Zij worden gehouden volgens een door den Hogere Raad op te maken verkiezingsreglement, het welk aan de goedkeuring onderworpen is van het ministerie van Nijverheid en Arbeid, dat tevens voor de ambtelijke bekendmaking er van te zorgen heeft voor de verkozenen is het vereist aantal plaatsvervangers te verkiezen.
Art. 5. Alle drie jaar wordt tot een gedeeltelijke vernieuwing van den Hogere Raad overgegaan. Na het verstrijken van de drie eerste jaren treedt de helft of, in de gegeven omstandigheden, de kleinste groep der gekozen en benoemde leden af ; drie jaar later de andere leden, en zo voort. De volgorde waarin de leden aftreden wordt de eerste maal door het lot aangeduid. De aftredende leden blijven hun ambt waarnemen, totdat hun opvolgers hun ambt aanvaard hebben. Aftredende leden kunnen herkozen of herbenoemd worden.
Art. 6. De voorzitter stelt de dagorde der zittingen vast Hij opent, leidt en sluit de besprekingen. Is hij verhinderd, dan wordt hij door den ondervoorzitter of, zo ook deze verhinderd is, door den oudste van de ter zitting aanwezige leden vervangen.
Art. 7, De bestendige verslaggever voert de lopende zaken en bewaart de akten. Hij geeft in de zittingen verslag over de punten die op de dagorde staan en stelt over elke zitting een geschreven verslag op, dat aan de goedkeuring van den voorzitter moet onderworpen worden en aan het ministerie van Nijverheid en Arbeid over te leggen is.
Art. 8. De Hogere Raad houdt eenmaal per jaaar, in den regel gedurende de maand mei, zijn gewone zitting. Hij kan te allen tijde door de regering of door den voorzitter tot een buitengewone zitting opgeroepen worden.
Art. 9. Afgezien van spoedeisende gevallen, moet de dagorde ten minste veertien dagen voor de zitting aan de leden worden medegedeeld. Zij moet terzelfder tijd aan het ministerie van Nijverheid en Arbeid overgelegd worden. Zo nodig kunnen er afschriften der bescheiden, die tot grondslag zullen dienen bij de besprekingen, worden bijgevoegd.
Art. 10. De Hogere Raad is bevoegd geldige besluiten te nemen wanneer ten minste zeven leden aanwezig zijn. De besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen van de ter zitting aanwezige leden. Staking van stemmen geldt als verwerping van het voorstel. Indien geteld minder dan zeven leden aanwezig zijn, wordt de zitting verdaagd. De niet opgekomen leden worden alsdan nogmaals uitgenodigd. Bij de nieuwe beraadslaging wordt over de vroegere dagorde gestemd en een geldig besluit genomen, onverschillig hoeveel leden er aanwezig zijn.
Art. 11. Er wordt een raadgevende commissie van vijf leden samengesteld, om de bij den Hogere Raad in te dienen overeenkomsten van de verzekeraars met geneesheren en apothekers ( Artikel 7, lid 5, van de Verordening van 14 maart 1918) te onderzoeken. De bestendige verslaggever, alsook een geneesheer en een apotheker, beide laatsten door de regering benoemd ( Artikel 2, lid 1, dezer *Verordening), maken deel uit van de raadgevende commissie. De twee overige leden worden door den Hogere Raad uit zijn midden verkozen. De leden der commissie duiden een voorzitter aan. De commissie staat door bemiddeling van den bestendigen verslaggever rechtstreeks in verbinding met de verzekerden en hun bonden, alsook net de geneesheren, apothekers en hun beroepsverenigingen. De commissie kan tussen de verzekerden en de geneesheren en apothekers gerezen geschillen door een scheidsrechterlijke uitspraak beslechten, wanneer zij daartoe door de partijen wordt uitgenodigd.
Art. 12. In zover de standregelen van de verzekerden of van hun bonden voor de beslechting der geschillen betreffende de verzekeringsbijdragen geen scheidsrechterlijke rechtspleging voorzien, beslist de Hogere Raad als scheidsgerecht binnen de perken zijner bevoegdheid ( Artikel 30 van de verordening van 14 maart 1918) en regels van de daarbij te volgen rechtspleging. De beslissing kan worden opgedragen aan een uitpraakkommissie, bestaande uit drie leden. In zover de Hogere Raad in deze gevallen niet zelf beslist, zorgt hij ervoor, binnen de perken zijner bevoegdheid, dat de scheidsrechterlijke rechtspleging doorgevoerd en, dat de aan den rechthebbende toegekende schadevergoeding uitbetaald wordt.
Art. 13. De regering kan naar de zittingen van den Hogere Raad een of meer vertegenwoordigers afvaardigen, die, wanneer zij den wens daartoe te kennen geven, steeds moeten worden gehoord. De Hogere Raad kan een dergelijke afvaardiging aanvragen. Hij kan ook andere personen, inzonderheid vertegenwoordigers der verzekerden of hunner bonden, alsook andere belanghebbenden, tot zijn besprekingen ontbieden en rechtstreeks horen.
Art. 14. De Hogere Raad kan nadere bepalingen uitvaardigen nopens den gang zijner werkzaamheden.
Art. 15. Aan de leden van den Hogere Raad, de secretarissen en de in Artikel 13 bedoelde personen, worden vergoedingen voor reis en verblijfkosten, alsook zitpenningen toegekend. Bovendien worden de bestendige verslaggever en de secretarissen voor hun werkzaamheden vergoed. Het bedrag dier vergoedingen en zitpenningen wordt door de regering bepaald.
Art. 16. De kosten van den Hogere Raad vallen ten laste van den Staat. Zij worden geboekt op Artikel 27a der begroting van het ministerie van Nijverheid en Arbeid.
Art. 17. Het ministerie van Nijverheid en Arbeid en het ministerie van Financiën zijn met de uitvoering dezer
Verordening belast.
Brussel , den 4 juli 1918.
No. 69. 20. juli 1918.
Verordening houdende wijziging der Verordening van februari 1918, waarbij een ambtelijke aangevingsplaats is aangeduid.
Enig Artikel. De Verordening van 21 februari 1918 (Wet en Verordeningsblad voor Vlaanderen, nr. 23, voor Wallonië nr. 20), waarbij de Hauptkasse fur Handel und Gewerbe bei dem Generalgouvemeur in Belgien** (Hoofdkas van de Afdeling voor Handel en Nijverheid bij den Generaal Gouverneur in België) als ambtelijke bewaargevingsplaats is aangeduid, geldt alleen voor bezittingen en geldswaardig papier, voortkomende van dwangbeheren en van liquidaties, die van de bevoegdheid der Abteilung fur Handel und Gewerbe** afhangen.
Brussel, den 21 Maart 1918.
No. 69. 20. juli 1918.
Verordening houdende wijziging van Artikel 68 der Verordening van 9 juli 1917, waarbij een belasting op het roerend vermogen wordt gevestigd.
Enig Artikel.
Artikel 68 der Verordening van 29 juli 1917, waarbij een belasting op het roerend vermogen wordt gevestigd, wordt als volgt gewijzigd : De aanslag van een persoon voor het dienstjaar 1917 wordt, in den zin van het eerste lid van Artikel 32, beschouwd als achterwege gebleven, wanneer bij ontstentenis ener aangifte, welke de heffing der belasting kan rechtvaardigen, de aanslag niet ten laatste op 31 decemher 1918 ;is gevestigd.
Grosses Hauptquartier, den 4 juli 1918.
No. 69. 20. juli 1918.
Verordening –uithangen betreffende het kopen, verkopen en aanschaffen op enige andere wijze van militaire uitrustingsstukken, enz.
§ 1. Het is de bewoners van het bezet gebied verboden uniformstoffen, uniformen en delen daarvan, alsook militaire uitrustingsstukken van om het even welken aard te kopen, te verkopen, of op enige andere wijze, ook zonder vergoeding, aan te schaffen. Alleen de Gouvernementen en Kommandanturen kunnen voor afzonderlijke personen en handelszaken, tegen bijzondere voorwaarden, uitzonderingen toelaten op deze bepaling.
§ 2. Wie de bepalingen van § 1 overtreedt, wordt met een gevangenisstraf van ten hoogste 3 jaar en met een geldboete van ten hoogste 5000 mark of met een van deze straffen gestraft, in zover door de algemene strafbepalingen geen zwaarder straf is voorzien. Bovendien kan de verbeurdverklaring der door den overtreder in strijd met het verbod aangeschafte voorwerpen uitgesproken worden. De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.
§ 3. Door ondergeschikte bevelhebbers, Gouvernementen, enz. uitgevaardigde voorschriften, waarvan de bepalingen verder zouden reiken dan de bepalingen dezer Verordening, blijven van kracht.
Brussel , den 9 juli 1918.
No. 69.-20. juli 1918.
Bekendmaking betreffende de liquidatie van Franse ondernemingen. Met toestemming van den heer Generaal Gouverneur in België, heb ik, overeenkomstig de Verordeningen van 29 Augustus 1916 en van 15 April 1917 over de liquidaties van vijandelijke ondernemingen (Wet en Verordeningsblad voor de bezette streken van België Nr. 253 van 13 September 1916 en Nr. 335 van 19 April 1917), de liquidatie bevolen van het in België voorhanden zijnde vermogen der Franse firma La Manufacture Belge de Textilose S. A\ textulosefabriek te Mechelen, De heer Ch. O. Schulz, Meir 14 te Antwerpen, is tot liquidator benoemd. De liquidator verstrekt nadere inlichtingen.
Brussel , den 13 juli 1918.
No. 70. 24. juli 1918.
Beschikking. Overeenkomstig artikel 4 der Verordening C C. lllb 2384 van 20 juni 1917, betreffende de voorwaarden tot aanvaarding en de toegangsexamens aan de hij de Staatsuniversiteit te Gent toegevoegde Hogere Landen Tuinbouwschool alsmede Artikel 7 der Verordening C. C. Illh 2389 van 20 juni 1917, betreffende de examens tot den graad van landbouwingenieur en tuinbouwingenieur aan voornoemde Hogere School, bij wijziging der beschikking Illh 248 van 29 augustus 1917, bepaal ik :
Art. 1. De examencommissie, belast in juli en oktober 1918 met het afnemen, aan de bij de Staatsuniversiteit te Gent toegevoegde Hogere Landen Tuinbouwschool, van de navermelde examens, zijn samengesteld als volgt :
1. Commissie voor het toegangsexamen. De heren : C. De Bruker, professor aan de Universiteit te Gent, bestuurder der Hogere Landen Tuinbouwschool, voorzitter ; R. J. Kortmulder, professor aan de Universiteit te Gent ; J. Mees, professor aan de Universiteit te Gent ; M, Minnaert, docent aan de Universiteit te Gent ; P. Thihau, docent aan de Universiteit te Gent ; R. Van Sint Jan, docent aan de Hogere School voor Handelswetenschap ; A. Vlamnck, docent aan de Universiteit te Gent.
2. Commissie voor het examen tot den graad van landbou\\ingenieur.
a) Voor het eerste examen gedeelte. De heren : C.DeBruker, professor aan de Universiteit te Gent bestuurder der Hogere Landen Tuinbouwschool, voorzitter ; H. E. Boeke, professor aan de Universiteit te Gent ; M. Minnaert, docent aan de Universiteit te Gent ; F, Stober, professor aan de Universiteit te Gent ; J, J. P. ValeUm, professor aan de Universiteit te Gent ; T. Vemieuwe, ere-professor aan de Universiteit te Gent ; J, Verslus, professor aan de Universiteit te Gent ; E. C. Witsenburg, professor aan de Universiteit te Gent.
b) Voor het tweede examengedeelte. De heren: C.DeBruker, professor aan de Universiteit te Gent, bestuurder der Hogere Land en Tuinbouwschool, voorzitter ; H. E. Boeke, professor aan de Universiteit te Gent; R. Claes, professor aan de Universiteit te Gent ; P. De Caluwe, professor aan de Hogere Land en Tuinbouwschool ; A. De Jaegere, docent aan de Hogere Landen Tuinbouwschool ; B. Kimpe, docent aan de Hogere Landen Tuinbouwschool scheel ; M. Minnaert docent aan de Universiteit te Gent ; F, Sandbergen, docent aan de Hogere School voor Handelswetenschap ; R. Tritsmans, docent aan de Hogere Landen Tuinbouwschool ; J. Verslus, professor aan de Universiteit te Gent,
3. Commissie voor het examen tot den graad van landbouwingenieur.
a) Voor het eerste examengedeelte. De heren : C De Bruker, professor aan de Universiteit te Gent,bestuurder der Hogere Landen Tuinbouwschool, ; H. E. Boeke, professor aan de Universiteit te Gent ; R. J. Kortmulder, professor aan de Universiteit te Gent ; J. Mees, professor aan de Universiteit te Gent ; M. Minnaert, docent aan de Universiteit te Gent; P. Thibau, docent aan de Universiteit te Gent ; B. Van Sint Jan, docent aan de Hogere School voor Handelswetenschap ; T. Vernieuwe, ereprofessor aan de Universiteit te Gent ; J. Verslus, professor aan de Universiteit te Gent.
b) Voor het tweede examengedeelte. De heren : G. De Bruker, professor aan de Universiteit te Gent, bestuurder der Hogere Landen Tuinbouwschool, voorzitter ; H. E. Boeke, professor aan de Universiteit te Gent ; R. Claes, professor aan de Universiteit te Gent ; P. De Caluwe, professor aan de Hogere Landen Tuinbouwschool ; A. De Jaegere, docent aan de Hogere Landen Tuinbouwschool ; R. Kimpe, docent aan de Hogere Landen Tuinhouwschool ; M. Minnaert, docent aan de Universiteit te Gent ; F. Sandhergen, docent aan de Hogere School voor Handelswetenschap ; F. Stoher, professor aan de Universiteit te Gent ; R. Tritsmans, docent aan de Hogere Landen Tuinhouw* school ; T. Vernieuwe, ereprofessor aan de Universiteit te Gent ; J. Verslus, professor aan de Universiteit te Gent
Art. 2. Iedere commissie stelt uit haar midden een secretaris aan.
Art. 3. De bestuurder der Hogere Land en Tuinbouwschool is belast met de uitvoering van deze beschikking.
Brussel, den 12 juli 1918.
No. 70. 24. juli 1918.
Bekendmaking. Bij besluit van 11 Juli 1918 van den heer Generaal Gouverneur zijn benoemd : de heer Frans Vanderperren voormalig agent der Schatkist te Sint-Niklaas, tot bestuurder aan het Vlaams ministerie van Financien, afdeling Beheer der Thesaurie en der openbare Schuld ; de heer arthur Vanlierde, voormalig bureeloverste bij het gemeentebestuur der stad Sint Niklaas, te Sint-Niklaas, tot agent der Schatkist aldaar,
Brussel den 15 juli 1918
No. 70. 24. juli 1918.
Bij besluit van 13 juli 1918 van den heer Generaal Gouverneur, is de heer Hendrik, Martinus Sterkmans, landbouwer, tot burgemeester der gemeente Zonhoven (provincie Limburg) benoemd.
Brussel , den 15 juli 1918.
No. 70. 24. juli 1918.
Beschikking. Mijn beschikkingen lllo. 1208 van 28 februari 1918 en 1I1& 3196 van 10 juni 1918 worden als volgt gewijzigd : De heer Declercq, kantonaal schoolopziener te Zottegem, is, ter vervanging van den heer Claes, kantonnaal schoolopziener, benoemd tot lid van de jury, belast met het afnemen van het onderwjzeressen examen in het Etappen en Operatiegebied. Mevrouw Vanherstraeten, opzienster van het huishoudkundig onderwijs bij het lager normaal onderwijs te Gent, is benoemd tot plaatsvervangend lid van genoemde jury
Brussel den 16 juli 1918,
No. 70.-24. juli 1918.
Bekendmaking betreffende de liquidatie van Franse ondernemingen. Met toestemming van den heer Generaal Gouverneur in België, heb ik, overeenkomstig de Verordeningen van 29 Augustus 1916 en van 15 april 1917, over de liquidaties van vijandelijke ondernemingen (Wet en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, Nr, 253 van 13 september 1916 en Nr. 335 van 19 april 1917), de liquidatie bevolen van het in België voorhanden zijnde grondeigendom der Franse firma Etablissements Dehra (Victor Mahieux)*, koffiebranderij te Antwerpen, De heer H. de Bar, Meir 14, te Antwerpen, is tot liquidator benoemd. De liquidator verstrekt nadere inlichtingen,
Brussel , den 17 juli 1918.
No. 70. 24. juli 1918.
Bekendmaking. -uithangen op grond mijner Verordening van 19 juli 1917, betreffende de Ernte-Kommissionen (Oogstkommissies) , evenals der uitvoeringsbepalingen van 19 juli 1917 tot deze Verordening, heb ik, op voorstel der Zentral-ErnteKommission (centrale Oogstkommissi
e), de hoogste prijzen voor den verkoop van gedorst broodkoren, zemelen, meel en brood voorshands als volgt vastgesteld :
voor tarwe (mengtarwe) uit stapelplaat of molen geleverd frank 78.11 per 100 kg. voor rogge (inlandse) uit stapelplaats of molen geleverd 41.93
voor ongepelde spelt uitstapelplaats of molen geleverd 46.95 ,,
voor masteluin uit stapelplaats of molen geleverd 45.92
voor zemelen uit stapelplaats of molen geleverd 21.50
voor tarwemeel aan hakkers of verbruikers geleverd 88.13
voor roggemeel aan bakkers of verbruikers geleverd 50.83
voor masteluinmeel aan hakkers of verbruikers geleverd 54.94
voor tarwebrood aan verbruikers geleverd 0.73 kg.
Deze hoogste prijzen worden op 1 Augu stv 1918 van kracht. De Provinzial-Ernte-Kommissionen (provinciale Oogstkommissies) zijn hevoegd, voor de omschrijving van afzonderlijke gemeenten, op verzoek of na raadpleging van de burgemeesters, telkens een lageren hoogsten prijs voor Zie blz. 1. 120
*No. 70. 24. juli 1918. brood, tot het bereiden waarvan roggemeel wordt gebruikt vast te stellen. Voor den verkoop van koren door de verbouwers aan het Nationaal Hulp en Voedingskomiteit, blijven de hoogste prijzen, vastgesteld in de uitvoeringsbepalingen tot de Verordening van 19 juli 1917, betreffende de Ernte Kommissionen* van kracht.
Brussel den 18 juli 1918
No. 71. 27. juli 1918.

Uitvoeringsbepalingen tot de Verordening van 1 Februari 1918, houdende inbeslagneming van gerst enz. Ter uitvoering van de Verordening van 21 Februari 1918, houdende inbeslagneming van gerst enz., bepaal ik voor Vlaanderen het navolgende :
Art. 1. De Gerstenzentrale der Verwaltungschefs fur Flandern und Wallonien {Gerstcentrale hij de Hoofden van het burgerlijk bestuur voor Vlaanderen en Wallonie) te Brussel verkrijgt het uitsluitend recht om zomer en wintergerst op te kopen. De vastgestelde prijs : 46 fr. per 100 kg., is te verstaan voor levering zonder zak, vrachtvrij op de door de Gerstenzentrale* daartoe aangeduide afleveringsplaats {spoorwegstation, scheepsladingsplaats, opslagplaatsen, afnemers) ; ingeval de afstand naar de aangeduide afleveringsplaats meer dan 15 km. bedraagt, wordt een bijzondere vergoeding betaald volgens het ter plaatse gebruikelijk voerloon. De prijs voor gerst van middelmatige hoedanigheid. De Gerstenzentrale* bepaalt, behoudens de beslissing van het ,,Gerstenschiedsgericht* (scheidsgerecht voor de gerst), den prijs voor gerst van mindere hoedanigheid. De Gerstencentrale* is gerechtigd, voor gerst, die binnen den bepaalden termijn niet geleverd is, kleinere prijzen te betalen.

Art. 2. De ,,Gerstenzentrale" stelt de leveringsplicht vast overeenkomstig § 3 der Verordening van 21 februari 1918, houdende inbeslagneming van gerst. De gemeente regelt, behoudens de beslissing van den Zivilkommissar (burgerlijke Kommissaris) , de verdeling van de te leveren hoeveelheden over de afzonderlijke landbouwers der gemeente. Het zaaigoed voor den volgenden oogst is niet uitgesloten van de leveringsplicht. De ,gerstenzentrale" levert het eventueel terug aan de gemeenten, die het, volgens een bijzonder verdelingsplan, aan de landhouwers zullen onderverdelen. De landbouwers moeten de af te leveren gerst regelmatig oogsten en bewaren, de hun opgelegde te leveren hoeveelheden op de daartoe door de Prasidenten der Zivilverwaltung (Voorzitters van het burgerlijk bestuur) gestelde termijnen dorsen en ze, op de door de Gerstenzentrale" daartoe gestelde termijnen, afleveren. Het is verboden gerstvelden om te ploegen, gerst te snijden op den halm alvorens tot den oogst wordt overgegaan, gerst te beschadigen, te vernielen, te verwerken of te gebruiken, inzonderheid ongedorste, gedorste, geruwde of gemalen gerst te vervoederen. Het is eveneens verboden gerst, het zaaigoed er bij begrepen, dat den landbouwer beschikbaar gelaten is, te verkopen, te kopen of op om het even welke andere wijze van de hand te doen of aan te schaffen, alsook gerst te verwerken tot mout. Dit verbod geldt evenzeer voor de gerst, die met liet oog op de verwerking toebedeeld was {met uitzondering van afval van gerst), voor toebedeelden mout of voor moutkiemen. Wordt tot de verwerking tot mout van de toebedeelde gerst om een of andere reden niet overgegaan, bv. wegens sluiting der bedrijven, dan moeten de aldaar aanwezige voorraden, tegen terugbetaling van den koopprijs of ingeval een waardevermindering is ingetreden, tegen betaling van een dienovereenkomstig lageren prijs aan de Gerstenzentrale teruggegeven worden. Overeenkomstig artikel 3, lid 3, der Verordening van 21 februari 1918, mogen de landbouwers vrij beschikken over de gerst, die zij overhouden, nadat zij zich door bemiddeling der gemeente van hun leveringsplicht hebben gekweten. De Gerstenzentrale* is gerechtigd uitzonderingen toe te laten op de bepalingen van dit artikel. Voor het verwerken van gerst tot mout is in ieder geval de toelating van de Gerstenzentrale vereist.

Art. 3. Gedorste of ongedorste gerst, afval van gerst, gerstemeel, mout en moutkiemen, ook wanneer deze voortbrengselen niet uit het gebied van het Generaal Gouvernement afkomstig zijn, m ogen alleen m£t een vervoerbewijs vervoerd worden. Gerst, afval van gerst en gemouten gerst in hoeveelheden van ten hoogste 5 kg. zonder vervoerbewijs worden vervoerd. De vervoerbewijzen worden door de Gerstencentrale" afgeleverd.Deze is gerechtigd,de bevoegdheid tot het afleveren dier bewijzen over te dragen ov de Zivilkommissare** , alsook de kantons, die zich van de hun opgelegde leveringsplicht hebben gekweten, te ontslaan van de verplichte vervoerbewijzen.

Art. 4. Worden, overeenkomstig § der Verordening van 21 Fehruari 1918, andere veldvruchten onteigend in plaats van de te leveren doch niet geleverde gerst, of wordt er, overeenkomstig § 4, tot de verbeurdverklaring van gerst overgegaan, dan worden de onteigende veldvruchten tegen betaling van de passende prijswaarde aan de Gerstenzentrale overgelaten, die ze ten bate van de burgerlijke bevolking zat gebruiken.

Art. 5. De leden van deGerstenzentrale met uitzondering van de vertegenwoordigers van de Zivilverwaltung* (burgerlijk bestuur), ontvangen een vergoeding van 25 frank voor elke dag, waarop een zitting plaats heeft, benevens de terugbetaling der reiskosten ; de vergoeding der gerstkommissionnarissen is bepaald op 50 centiem voor elke 100 kg. gerst, die uit hun werkkring aan de Gerstenzentrale" afgeleverd zijn. Bovendien is de Gerstenzentrale" gerechtigd, voor bijzondere diensten een toelage toe te kennen. Voor mouterijresten, wordt de prijs vastgesteld op 9 frank per 100 kg. droog gewicht van de veraccijnsde, voor het brouwen benuttigde grondstof, af brouwerij.

Art. 6. leder landbouwer die gerst verbouwd heeft, is verplicht, aan de gemeente alsook aan de lasthebbers der Duitse overheid, naar Arbeid al de nodige aangiften te doen, en de door hem gedorste gerst, onmiddellijk na het dorsen aan te geven, ter inschrijving in een oogstboek, dat de gemeenten, volgens nadere bepaling van de gerstenzentrale verplicht zijn te houden. De lasthebbers der Duitse overheid hebben toegang tot al de plaatsen der boerderij ; zij mogen inzage nemen van mogelijk gehouden zakenboeken, Verder moet aan de lasthebbers der ,,Gerstenzentrale* of der Zivilkommissare toegang worden verleend tot al de plaatsen, waar gerst, moutkiemen of mout worden vervaardigd, bewaard of verwerkt.

Art. 7. De Prasidenten der Zivilverwaltung zijn gemachtigd de hun krachtens 4 der Verordening van 21 februari 1918 toegekende bevoegdheden op de Zivil kommissare over te dragen. De gemeente en de met de levering in gebreke gebleven zijnde landbouwers kunnen gezamenlijk worden verantwoordelijk gesteld voor de nakoming der verplichtingen. Aan de gemeenten, die de opgelegde leveringsplicht niet nakomen, kan opgedragen worden, de ontbrekende hoeveelheid uit de hand op te kopen uit de overschotten, waarover de landbouwers beschikking gelaten werd.
Brussel den 9 juli 1918

No. 71. 27. juli 1918.
Uitvoeringsbepalingen –uithangen betreffende de inbeslagneming der cichoreiwortelen (suikerwortelen). Ter uitvoering der Verordening van 21 Fehruari 1918 van den heer Generaal Gouverneur, houdende inbeslagneming van de gerst, de haver, de aardappelen, de tabak en de cichorei {suikerij), bepaal ik voor Vlaanderen het navolgende:

Art. 1. Alle cichoreiwortelen, met inbegrip der wortelen van witloof, zijn in beslag genomen. De in beslag genomen cichoreiwortelen moeten regelmatig geoogst worden, Zij mogen niet verbruikt, inzonderheid niet vervoerd of vervoerd worden ; ook mag er nieti door overeenkomst over beschikt worden. Nadat zij zich van de hem opgelegde leveringsverplichting heeft gekweten, mag de verbouwer vrij beschikken over de overblijvende hoeveelheden. Zonder toelating van de Zichorienabteilung* (Cichorei afdeling) van de Zentral-Einkaufs-Geseilschaft* (Centrale Aankoopmaatschappij) te Brussel, is het branden van de cichoreiwortelen verboden.
Art. 2. De ZichorienAbteilung* stelt de te leveren hoeveelheden vast op den grondslag van ten hoogste 15.000 kg. per hektaar voor wortelen van witloof en 21.000 kg, per hektaar voor andere cichoreiwortelen.
Art. 3. De Zichorien Abteilung der Zentral Einkaufs Gesellschaff te Brussel is alleen gemachtigd de in beslag genomen cichoreiwortelen op te kopen. Zij gebruikt ze ten bate der burgerlijke Belgische bevolking. De opkoop geschiedt met gereed geld door de opkopers der ,,Zichorxenabteilung die te dien einde door deze afdeling voorzien zijn van een schriftelijk bewijs. De Zichorienabteilung* is gemachtigd, de cichoreiwortelen die. Binnen een door den bevoegdenZivilkommissar burgerlijken Kommissaris) vastgestelden termijn niet geleverd zijn, tegen de helft van den vastgestelde prijs over te nemen.
Art. 4. Zonder vervoerbewijs mogen binnen het Generaal Gouvernement geen cichoreiwortelen worden vervoerd. De Zichorienabteilung* is belast met het af leveren der vervoerbewijzen.
Art. 5. De Prasidenten der Zivilverwalturig* (Voorzitters van het burgerlijk bestuur) zijn gemachtigd, de kun krachtens § 4 der Verordening van 21 februari 1918 toegekende bevoegdheden over te dragen op de Zivilkommissare".
Brussel , den 13 juli 1918.

No. 71. 27. juli 1918.
Verordening -uithangen betreffende beperking in het verbruik van gas en elektriciteit De bepalingen van Artikel 2 der Verordening van 22 september 1917 (Wet en Verordeningsblad voor de bezette streken van België betreffende de beperking in het verbruik van gas en elektriciteit, luiden met ingang van 1 augustus 1918 als volgt: art, 2. De prijzen, voor den verbruiker, zijn als volgt vastgesteld:
Gas: voor elk doeleinde op 45 centiem per kubieken meter;
Elektriciteit : voor verlichting, op 80 centiem per kilowattuur; voor andere doeleinden moet per maand 35 centiem per kilowattuur voor de eerste 2000 kilowattuur worden berekend. De prijzen bij overeenkomst voor een bepaalde som vastgesteld zijn naar verhouding te verhogen. De tussenhandelaars voor de levering van gas en elektriciteit moeten aan de leverende fabrieken, tot dekking van de verhoogde zelfkosten, een vergoeding betalen waarvan het bedrag geval van betwisting door de Hauptstelle fur Gas, Wasser und Elektrizitat (Hoofdkantoor voor gas, water en elektriciteit) te Brussel, wordt vastgesteld. De Verordening van 23 Mei 1918 (Wet en Verordeningsblad voor Vlaanderen, hl 521, voor Wallonië, 61. 425) betreffende hetzelfde onderwerp, wordt hierdoor niet gewijzigd.
Brussel , den 18 juli 1918.

No. 71. 27. juli 1918.
Bekendmaking betreffende de liquidatie van Franse ondernemingen. Met toestemming van den heer Generaal Gouverneur in België, heb ik, overeenkomstig de Verordeningen van 29 Augustus 1916 en van 15 April 1917, over de liquidatie van vijandelijke ondernemingen {Wet en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, Nr. 253 van 13 September 1916 en Nr. 335 van 19 April 1917), de liquidatie bevolen van het in België gelegen grondeigendom van de Franse weduwe Auguste (Eugenie) Martin Martin Lierse Steenweg 18, te Morsel bij Antwerpen De heef Dr. Ochwadt, Meir 14, te Antwerpen, is tot liquidator benoemd. De liquidator verstrekt nadere inlichtingen.
Brussel, den 20 juli 1918.
No. 72.-31. juli 1918.
Besluit De Prasident der Kaiserlich Deutschen Postund Telegraphenverwaltung in Belgien" (Voorzitter van het Keizerlijk Duits Beheer van Posterijen en Telegrafen in België), belast met de waarneming van de rechten en verplichtingen van den Belgische Minister van Zeewezen, Posterijen en Telegrafen, besluit:
Art. 1, Zijn benoemd: L bij het Hoofdbeheer van Posterijen voor Vlaanderen, te Brussel:
a) met ingang van 1 April 1918: tot klerk 1 klasse, de heer G. E. Verstraeten, ordeklerk, van Gent;
b) met ingang van 1 Mei 1918: tot klerk 2e klasse, de heer L. Lepoutre, ordeklerk, van Haacht;
c) met ingang van 1 juni 1918: tot klerk 2e klasse, de heer H. Lambau ordeklerk, van Heverlee;
d) met ingang van 1 juli 1918: tot klerk 2e Klasse,
de heren G. A. Massa, van Sint-Truiden, C. F. Neels van Schaarbeek, C. L. Becker s, van Borgerhout en L. P, M. Debuck, van Gent; tot klasseerder,
de heren J. J, 0. C.Camerlnck, van Alveringem en L, Van Bo, te Brussel; 2. bij het Algemeen Sekretariaat van het Ministerie van Zeewezen, Posterijen en Telegrafen, te Brussel: met ingang van 1 juli 1918: tot klerk 2e klasse, de heren J. B. Van Tricht, van Tessenderloo en G, H, Becker s, van Borgerhout,
Art. 2. Is bevorderd: hij het Algemeen Sekretariaat van het Ministerie van Zeewezen, Posterijen en Telegrafen, te Brussel: met ingang van 1 juli 1918: tot klerk le klasse, de heer A. Gysels, klerk 2e klasse te Brussel ,
Brussel , den 20 juli 1918,
No. 72.-31. juli 1918.

Verordening –uithangen betreffende de aflevering van de rekgombanden der rijwielen, die tot het verkeer toegelaten zijn. Ingevolge de Verordening Vlh 17751 /T van 22 augustuS 1916 en de aanvullende Verordening van 9 december 1916, moeten al de rekgombanden (buiten en binnenbanden, alsook darmen), der in Groot-Brussel en in de provincie Brabant tot het verkeer toegelaten rijwielen, ten laatste op 15 Augustus 1918, tegen betaling worden afgeleverd aan de Bereifungseinkaufsstelle des Kraftwagenparks fur Belgien (Rijwielbanden-aankoopkantoor van het Motorwagenpark voor België, Nerviërslaan (Museum) te Brussel. De handen van de dienstrijwielen van de bezettingstroepen, van de Duitse overheden, van de Militarpolizei (militaire politie), van de Postund Telegraphenverwaltung (Beheer der Posterijen en Telegrafen) en van de .Miliiar-GeneralDirektion der Eisenbahnen* (Mlitair Hoofdbeheer der Spoorwegen), moeten niet worden afgeleverd. De Gesellschaft filr Ersatzhereifung (Maatschappij voor vervangingsbanden), Waschhuisstraat 11 te
Brussel , stelt, ter vervanging van de afgeleverde rekgombanden, op vertoon van het door de Bereifungseinkaufstelle* overhandigd afleveringsbewijs tegen de door de Leitung des Kraft] ahrwesens (Bestuur van den Motorwagendienst) vastgestelde prijzen, rijwielbanden ter beschikking,
Brussel 23 juli 1918.


No. 72.-31. juli 1918.
Verordening houdende verlenging van gemeenteambten. Ter duiding, alsmede der aanvulling der Verordening van 16 juni 1915, houdende buitenkrachtstelling van de bepalingen der verkiezingswetten, betreffende de jaarlijkse herziening van de verkiezingsiijsten (Wet en Verordeningsblad voor de bezette streken van België hl, 718) wordt bepaald, dat de ambten van de burgemeesters, schepenen en gemeenteraadsleden, die op 1 januari 1916 moesten aftreden, te beschouwen zijn als zijnde voorshands verlengd.
Brussel , den 15 Jvli 1918,

No. 72.-31. juli 1918.
Verordening op de begroting voor Vlaanderen voor het dienstjaar 1918.

art, 1. De gewone ontvangsten van den Staat in het Vlaams bestuur gebied voor het dienstjaar 1918 worden geraamd op tweehonderd vier en twintig miljoen zeshonderd vijf en dertig duizend frank (224.635.000 fr.).

Art. 2. De uitgaven van den Staat in het Vlaams bestuur gebied voor het dienstjaar 1918 worden vastgesteld op het gezamenlijk bedrag van tweehonderd vier en twintig miljoen zeshonderd vijf en dertig duizend frank (224.635.000 fr.), en wel:

voor de openbare schuld, twee en twintig miljoen zeshonderd twee en vijftig duizend vierhonderd vijftig frank (22.652.450 fr.),

voor de dotaties, zevenhonderd twee en tachtig duizend honderd vijftig frank (782.150 fr.),

voor het ministerie van Justitie, zes en twintig miljoen zevenhonderd zes en tachtig duizend negenhonderd frank (26.786.900 fr.),

aan gewone uitgaven en twee miljoen zeshonderd duizend frank (2.600.000 fr )
aan uitzonderlijke uitgaven, samen negen en twintig miljoen driehonderd zes en tachtig duizend negenhonderd frank (29.386.900 fr.),

voor het ministerie van Binnenlandse Zaken, tien miljoen drie en tachtig duizend frank (10.283.000 fr.) aan gewone uitgaven en honderd tien duizend frank (110.000 142 /f ) aan uitzonderlijke uitgaven, samen tien miljoen driehonderd drie en negentig duizend frank (10.393.000 fr.),

voor het ministerie van Wetenschappen en Kunsten, drie en dertig miljoen acht en tachtig duizend frank [33.088.000 fr.)

aan gewone uitgaven en twee miljoen tweehonderd vijftig duizend frank (2.250.000 fr.) aan uitzonderlijke uitgaven, samen vijf en dertig miljoen driehonderd acht en dertig duizend frank (35.338.000 fr.),

voor het ministerie van Nijverheid en Arbeid, negen miljoen acht en zestig duizend frank (9.068.000 fr.)

aan gewone uitgaven en vijf en negentig duizend frank (95.000 fr,)
aan uitzonderlijke uitgaven, samen negen miljoen honderd drie en zestig duizend frank (9.163.000 fr.),

voor het ministerie van Financiën, een en negentig miljoen achthonderd twee en zestig duizend honderd frank (91.862.100 fr.),
voor het ministerie van Landbouw en Openbare Werken, twee en twintig miljoen negenhonderd twee en veertig duizend vierhonderd frank (22.942 400 fr.)
aan gewone uitgaven en driehonderd acht duizend frank (308.000 fr.) aan uitzonderlijke uitgaven, samen drie en twintig miljoen tweehonderd vijftig duizend vierhonderd frank (23.260.400)
voor onwaarden en terugbetalingen, een miljoen achthonderd zeven duizend frank (1.807.000 fr.).
Brussel, den 25 juli 1918.

No. 72.-31. juli 1918.
Bekendmaking betreffende de likwidatie van Britsche en Franse deelhebbingen. In plaats van den heer Weinkrantz, heb ik den heer v, Baerensprung te Brussel ,,BankAbteilung* (Bankafdeling) Wetstraat 28, tot liquidator benoemd van de in België voorhanden zijnde Franse en Britse deelhebbingen (akties) aan de Societe Anonme des Hauts-Fourneaux et Acieries de Èumelange-St -Ingbert (Bilmelinger und St Ingberter Hochofenund Stahlwerke Akt,-Ges.) te RûTtielingen-St.-Ingbert,
Brussel , den 23 juli 1918,
No. 73. 3. augustus 1918.
Overeenkomstig betreffende de midden-juri voor Hoger onderwijs, beschik ik:
Art. 1. De midden-juri voor Hoger onderwijs voor den eersten regelmatige zittijd van dit jaar, wordt voor het Vlaams bestuursgebied samengesteld als volgt:
Voorzitter: de heer Josson, Maurits, bestuurder in het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten,
Leden: I. FACULTEIT DER WIJSBEGEERTEN EN LETTEREN.
a) Candidaatsexamen voorbereidend tot de rechtsgeleerdheid. De heren: De Decker, professor aan de Universiteit te Gent Godee-Molsbergen Lohherion, Menzerath, Tack, Bridez, docent Jacob, Vlamnck,
Secretaris: de heer Brûlez, docent.
1.b) Candidaatsexamen voorbereidend tot het doctoraat in de Germaanse filologie. De heren: De Vreese, professor aan de Universiteit te Gent , Godee-Molsbergen, Kossmann, Menzerai professor aan de Universiteit te Gent ; Tack, L. Bruuz, docent Jacob, Vlaminck,
Secretaris: de heer Jacob, docent.
2.FACULTEIT DER RECHTSGELEERDHEID.
Eerste gedeelte van het doctoraal examen. De heren: Claes professor aan de Universiteit te Gent ; Henderickx, Jonckx, Van Binsbergen,
Secretaris: de heer Jonckx, professor.

III. FACULTEIT DER WISKUNDE EN DER NATUURWETENSCHAPPEN.
1.a) Eerste gedeelte van het candidaatsexamen in de natuurwetenschappen voorbereidend tot de geneeskunde. De heren: Vauton, professor aan de Universiteit te Gent ; Verslus, L. Bridez, docent Minnaert,
Secretaris: de heer Minnaert, docent.
2.b) Candidaatsexamen in de natuurwetenschappen voorbereidend tot het doctoraat of tot de artsenijkunde. De heren: De Bruke professor aan de Universiteit te Gent; Menzeraih Stober, Valeton, VersluS Boeke, docent L. Bruiez, Minnaert,
Secretaris: de heer Minnaert, docent,
3.c) Examen van candidaat-ingenieur. professor aan de Universiteit te Gent; De heren: F. Bruiez, Haerens, KortmxddeT, Valeton, Vollgraff, Jacob, Minnaert,
Secretaris: de heer Minnaert, docent. docent
4.PACULTEIT DER GENEESKUNDE.
5.a) Tweede gedeelte der verenigde candidaatsexamens in de natuurwetenschappen en in de geneeskunde. De heren: Forster, Martens, professor aan de Universiteit te Gent; professor aan de Universiteit te Gent; Menzerath, Picard, Verslus,
Secretaris: de heer Picard, professor,
6.b) Tweede gedeelte van het doctoraal examen in de genees-, heelen verloskunde. De heren: professor aan de Universiteit te Gent; Borms, Clans, De Keersmaecker, Laqueur, Schoeneld, Speleers, ten Hom,
Secretaris: de heer ten Hom, professor.
7.e) Derde gedeelte van het doctoraal examen in de genees-, heel- en verloskunde. De heren: professor aan de Universiteit te Gent; Clans, De Keersmaecker, Mariens, Picard, Schoeneld, Speleers, ten Hom, Van Bockstaele,
Secretaris: de heer Picard, professer.
8.d) Derde gedeelte van het apothekersexamen. De heren: Laqtteur, professor aan de Universiteit te Gent, Speleers, Vaieton, Witsenburg, Alleman, docent
Secretaris: de heer Valeton, professor.

Art. 2. De eerste regelmatige zittijd van dit jaar der midden-jury voor Hoger onderwijs zal geopend worden op Woensdag 7 Augustus 1918, in de lokalen der Universiteit te Gent.

Art. 3. De voorzitter der midden-jury voor Hoger onderwijs wordt gemachtigd zijn plaatsvervanger aan te duiden en gepast desvoorkomend te voorzien in de vervanging van leden die zouden verhinderd zijn.
Brussel , den 29 juli 1918.
No. 74. 7. augustus 1918.
Voor het hestuursgebied Vlaanderen bepaal ik het navolgende : Ingevolge Artikel 7 der Verordening van 27 Maart 1916, betreffende den verkoop van kunstmeststoffen, is, te rekenen van 3 juni 1918, de prijs voor den verkoop van kali niet, basis 12,4 % zuiver kali, binnen het gebied van het Generaal Gouvernement vastgesteld op 11.15 frank per 100 kg., los, vrij spoorwegwagen of schip te Antwerpen.
Brussel , den 24 Juii 1918.
No. 74. 7. augustus 1918.
Bij besluit C. FI. V 5851 van 25 juli 1918 van den heer Generaal Gouverneur, is de heer Damianus NiUens, brouwer, tot burgemeester van de gemeente Bree (provincie Limburg) benoemd.
Brussel , den 2 juli 1918.
No. 74. 7. augustus 1918.
Bij besluit van 25 juli 1918 van den heer Generaal Gouverneur, is de heer Mathijs Boelens, landbouwer, tot burgemeester van de gemeente Rosmeer (provincie Limburg) benoemd.
Brussel , den 26 juli 1918,
No. 74. 7. augustus 1918.
Bij besluit C, FI F. 5888 van 25 juli 1918 van den heer Generaal Gouverneur, is de heer Oskar Thomas, fabrikant, tot burgemeester der stad Ronse (provincie Oost-Vlaanderen) benoemd.
Brussel , den 26 juli 1918.
No. 74. 7. augustus 1918.
Bekendmaking betreffende de liquidatie van Franse ondernemingen. Met toestemming van den heer Generaal Gouverneur in België, heb ik, overeenkomstig de Verordeningen van 29 Augustus 1916 en van 15 April 1917 over de liquidaties van vijandelijke ondememingen (Wet en Verordeningsblad voor de bezette streken van België Nr, 253 van 13 September 1916 en Nr. 335 van 19 April 1917), de liquidatie bevolen van de Franse gas en elektriciteitsmaaischappij Societe de Gaz et d’electricite du Hainaut Societe Anonme, te Brussel. De heer Rittmeister Heineken, te Brussel, is tot liquidator benoemd. De likwidator verstrekt nadere inlichtingen, Brussel den 2 juli 1918.
No. 74. 7. augustus 1918.
Bekendmaking betreffende de likwidatie van Franse ondernemingen. Met toestemming van den heer Generaal Gouverneur in België, heb ik, overeenkomstig de Verordeningen van 29 Augustus 1916 en van 15 April 1917 , over de liquidatie van vijandelijke ondernemingen (Wet en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, Nr. 253 van 13 September 1916 en Nr. 335 van 19 April 1917), de liquidatie bevolen van het in België voorhanden zijnde vermogen van de Franse gasmaatschappij .Compagnie Generale pour Eclairage et le Chauffage par le Gaz, S. A.\ te Brussel. De heer Rittmeister Heineken, te Brussel , is tot liquidator benoemd. De likwidator verstrekt nadere inlichtingen, Brussel den 25 juli 1918*,
No. 74. 7. augustus 1918.
Bekendmaking betreflende de liquidatie van Franse ondernemingen. Met toestemming van den heer Generaal Gouverneur in Belgie heb ik, overeenkomstig de Verordeningen van 29 Augustus 1916 en van 15 April 1917 , over de likwidatie van vijandelijke ondernemingen (Wet en Verordeningsblad voor de bezette streken van Belgie, Nr. 253 van 13 September 1916 en Nr. 335 van 19 April 1917), de liquidatie betreffende van de Franse gasmaatschappij .Societe Anonime du Gaz de Namur\ te Namur. De heer Rittmeister Heineken, te Brussel, tot liquidator benoemd. De liquidator verstrekt nadere inlichtingen.
Brussel , den 25 Juii 1918,
No. 74. 7. augustus 1918.
Bekendmaking betreffende de likwidatie van Fransehe ondernemingen. Met toestemming van den heer Gêner aal Gouverneur in België, heb ik, overeenkomstig de Verordeningen van 29 Au gustus 1916 en van 15 April 1917, over de likwidatie van vijandelijke ondernemingen (Wet en Verordeningsblad voor de bezette streken van België Nr. 263 van 13 September 1916 en Nr. 335 van 19 April 1917), de liquidatie bevolen van het in België voorhanden zijnde vermogen van de Franse gasmaatschappij .Societe du Gaz Franco-Belge, Robert Lesage & Co., (Paris\ te Nivelles (Nijvel). De heer Rittmeister Heineken, te Brussel , is tot liquidator benoemd. De liquidator verstrekt nadere inlichtingen.
Brussel , den 25 juli 1918,
No. 74. 7. augustus 1918.
Beschikking. Overeenkomstig Artikel 7 van de .wet van 3 juli 1891 artikel 18, lid 3, en Artikel 19 van het koninklijk besluit van 14 oktober 1890, gewijzigd bij Verordening C. C. Illa. 3387 van 13 juni 1917, betreffende de getuigschriften van middelbare studiën en de voorbereidende examens, beschik ik het navolgende :
Art. 1. De jury, die in Vlaanderen belast is met de goedkeuring van de getuigschriften van middelbare studiën en met het afnemen van de voorbereidende examens tot het Hoger onderwijs, is voor de zitting 1918 als volgt samengesteld : Voorzitter : Frans Beinhard, gepensionneerd ambtenaar te Brussel , leden : Dr. Arm. Smedts, leraar in de Germaansche talen aan het koninklijk atheneum te Antwerpen, Maes, leraar in de natuurwetenschappen aan het koninklijk atheneum te Leuven, Dr. Geerts, leraar in de kJassieke talen aan het koninklijk atheneum te Antwerpen, 11 Sekretaris : Dr. Van den Bossche, leraar in de wiskunde aan het koninklijk atheneum te Brussel , Plaatsvervangende leden : Dr. G. Verhuck, leraar in de Germaanse talen aan het koninklijk atheneum te Antwerpen, Dr. Shaw, leraar in de natuurwetenschappen aan het koninklijk atheneum te Brussel , Hoebanx, Wemer, Dr. in de klassieke philologie en leraar in de klassieke talen, te Antwerpen, Dr. Lagee, leraar in de wiskunde aan het koninklijk atheneum te Leuven.
Art. 2. De Verwaltungschef (Hoofd van het burgerlijk bestuur) voor Vlaanderen is met de uitvoering van deze Beschikking belast. Brussel den 25 juli 1918.
No. 74. 7. augustus 1918.
Beschikking. Krachtens de grond Verordening van 25 April 1905 van het Hoger Handelsgesticht te Antwerpen, beschik ik het navolgende :
Art. I. Den heer Ernest Dubois, bestuurder van het Hoger Handelsgesticht te Antwerpen, wordt op zijn verzoek ontslag uit zijn ambt verleend.
Art. II. De heer Antoon Moortgat, voorheen leraar aan het atheneum, wordt tot bestuurder van het Hoger Handelsgesticht te Antwerpen benoemd, met een jaarwedde van 12.000 frank.
Art. III. De Prasident der Zivilverwaltung (Voorzitter van het burgerlijk bestuur) voor de provincie Antwerpen is met de uitvoering van deze beschikking belast,
Brussel , den 27 juli 1918.
No. 75. 10. augustus 1918.
Verordening houdende verlening aan de rechtspersoonljjkheid aan de vereniging Volksopbeuring Aan de maatschappij tot nut van Het algemeen Volksopbeuring, vereniging tot stoffelijke, zedelijke en maatschapjpelijke volksverheffing hebbende haar zetel te Brussel , wordt de rechtspersoonlijkheid verleend. A. H. Q., den 18 juli 1918,
No. 75. 10. augustus 1918.
Bekendmaking. Op grond der Verordening van 18 Februari 1918, verschenen in het Wet en Verordeningsblad voor Vlaanderen nr. 28 van 22 Maart 1918, en in het Wet en Verordeningsningsblad voor Wallonie, nr. 23 van 22 Maart 1918, zijn, in vervanging van de aandelen der Compagnie Generale pour Eclairage et le Chauffage par le Gaz", te Brussel , dragende de nummers 1570, 6784, 14939, 481, 20731, 20389, 17002, 7398, 14239, 12732, in vervanging van de aandeelen. dragende de nummers 8309, 14459, 7196, 14004, 8010, 7195, 21441, 14011, 14012, 14013, en in vervanging van de aandelen, dragende de nummers 24183, 24184, 24185, bewijsstukken afgeleverd, die den houder er van machtigen, al de rechten te, doen gelden, voor welker uitoefening hij de oorspronkelijke aandelen of de daaraan gehechte winstaandeelkoepons of de vernieuwingsbladen zou hebben moeten overleggen of inleveren. De hiervoren genoemde oorspronkelijke aandelen en de daaraan gehechte winstaandeelkoepons of de vernieuwingsbladen hebhen alle rechten verloren.
Brussel , den 29 juli 1918,
No. 75. 10. augustus 1918.
Verordening betreffende inbeslagnemingen en onteigeningen Ik machtig hierbij de Abteilung fur Handel und Geiverhe (Afdeling voor handel en nijverheid) de binnen haar werkkring vallende inbeslagnemingen en onteigeningen te doen, alsook voor de onteigende waren Empfangsscheine (ontvangsibewijzen) en ertreibungsanerkenntnisse (opvorderingsbewijzen) af fe leveren.
Brussel den In Augustiis 1918.
No. 75. 10. augustus 1918.
Bekendmaking. Bij besluit van 1 Augustus 1918 van den heer Generaal Gouverneur, is de heer Constant Simons, voormalig hoofdklerk aan het ministerie van Spoorwegen benoemd tot onderbestuurder bij het algemeen sekretariaat van het ministserie van Financiën,
Brussel , den 2 Augustus 1917

No. 76. 14. augustus 1918.

Beschikking.

Art. 1. De personen, in de hierbij gevoegde lijst vermeld, zijn benoemd tot leden van de jury die in 1918 belast is met het afnemen van de examens van kandidaat-onderwijzer en kandidaat-onderwijzeres en van leraar en lerares bij het middelbaar onderwijs van den lageren graad, alsook met het afnemen van de examens over de Germaanse talen in de Rijks middelbare normaalscholen te Gent en te Brussel.

Art. 2. De voorzitter van de jury bepaalt den dag, waarop de examens zullen beginnen. Hij duidt onder de leden van de jury een secretaris aan en roept de juryleden en de kandidaten ter zitting op. De bestuurder, de bestuurster en de leraar in den godsdienst van de onderwijsinrichting, voor dewelke een jury werd aangesteld, maken deel uit van de jury. De bestuurder en de bestuurster hebben enkel recht op vergoeding wanneer zij als leraar of als lerares in hun onderwijsinrichting werkzaam zijn en zelf de kandidaten ondervragen. De leraar in den godsdienst heeft recht op vergoeding voor elke kandidaat, waarvan hij het examen afneemt. Voor het afnemen van examen in het tekenen kan de leraar in het tekenen van de betreffende onderwijsinrichting aan de jur worden toegevoegd.

Art. 3. De voorzitter is gemachtigd, de leerstof waarover het examen loopt, onder de juryleden te verdelen.

Art. 4. De Verwaltungschef (Hoofd van het burgerlijk bestuur) voor Vlaanderen is gemachtigd, verhinderde leden te doen vervangen

Art. 5. De Verwaltungschef voor Vlaanderen is met de uitvoering van deze beschikking belast.

Brussel , den 27 juli 1918.

No. 76. 14. augustus 1918.

Lijst van de leden der jury, belast met het afnemen van de examens van kandidaat-onderwijzer en kandidaat-onderwijzeres en van leraar en lerares, alsook van het examen over Germaanse talen, aan de Rijks middelbare normaalscholen te Gent en te Brussel.

ZITTING 1918, RIJKS MIDDELBARE N0RMAALSCHOOL VOOR JONGENS, TE GENT.

Voorzitter : de heer Dr, Brabants, (opziener van het middelbaar onderwijs en, bij dezes ontstentenis professor Dr, De Brucker hoogleraar te Gent, Examen van kandidaat-onderwijzer.

Leden : A, recipiendi, die niet tot de Afdeling Germaanse talen behoor en. de heer J, Lefèvre, D, Daeleman, Van Laar R, Rens, A, Wijgaerts, E. Alleman en O. Van Hautcaert leraren aan de middelbare normaalschool, de heer T, De Vaere, leraar aan het koninklijk atheneum te Gent ; de heer Vlaminck, professor aan de Universiteit te Gent, B, Recipiendi, die tot de Afdeling Germaanse talen behoren. de heer J. Lefèvre, D. Daeleman, A, Van Laar, R, Rens, A, Wijgaerts, E, Alleman en 0. Van Hauwaert, leeraren aan de middelbare normaalschool ; de heer Van Sint-Jan, leraar aan het koninklijk atheneum te Gent; de heer Vlaminck professor aan de Universiteit te Gent

Examen van leraar.
1.Letterkundige Afdeling. de heer J. Lefèvre en D, Daeleman, leraar aan de middelbare normaalschool ; de heer Vlaminck professor aan de Universiteit te Gent Ingeval zich kandidaten voor de Duitse en Engelse talen aanbieden, wordt de jury aangevuld met : den heer O. Van Hauwaert, leraar aan de middelbare normaalschool ; den heer Van Sint-Jan, leraar aan het koninklijk atheneum te Gent.
2.Wetenschappelijke Afdeling. de. heer J. Lefèvre, D. Daeleman, R. Bens, J. Hermanne, E. Alleman en A. Wijgaerts, leraren aan de middelbare normaalschool ; de heer T. De Vaere, leraar aan het koninklijk atheneum te Gent.
3.Afdeling Germaanse talen. de heer J. Lefèvre, D. Daeleman en O. Van Hauwaert leraren aan de middelbare normaalschool ; de heer Van Sint-Jan, leraar aan het koninklijk atheneum te Gent.

RIJKS MIDDELBARE NORMAALSCHOOL VOOR MEISJES, TE GENT.

Voorzitter: de heer Dr. Brabants, opziener van het middelbaar onderwijs en, hij dezes ontstentenis, de heer professor De Brucker, hoogleraar te Gent.

Examen van kandidaat-onderwijzeres.
1.Recipiendae, die niet tot de Afdeling Germaanse talen behoren. Leden : Mevr. Lefèvre-De Rijcke, M., Mej. Herrmann, A., Mej. Verherckt, J., Mevr. Hoste-Van den Berghe, E., Mevr. Vlamnck-Lefèvre, A., Mej. Alzado, M. en Mej. De Cavel, leraressen aan de middelbare normaalschool ; de heer Sandberge Fr., leraar aan de middelbare normaalschool; de heer De Vaere, leraar aan het koninklijk atheneum te Gent ; de heer Vlaminck, professor aan de Universiteit te Gent.
2.Recipiendae, die tot de Afdeling Germaanse talen behoren. Leden : Mevr. Lefèvre-De Rijcke, M., Mej. Herrmann, A., Mej. Verherckt, J., Mevr. Hoste-Van den Berghe, E., Mevr. Vlaminck-Lefèvre, A. en Mej. Alzado, M., leraressen aan de middelbare. normaalschool ; de heer Sandbergen, leraar aan de middelbare normaalschool, de heer Van Sint-Jan, leraar aan het koninklijk atheneum te Gent ; de heer Vlaminck, professor aan de Universiteit te Gent.

Examen van lerares. A, Letterkundige Afdeling. Leden : Mevr. Lefèvre-De Rijcke, M., Mevr. Martens-Vercouillie, J., Mej. Verherckt, J. en Mevr. Vlaminck-Lefèvre A., leraressen aan de middelbare. normaalschool; de heer Vlaminck, professor aan de Universiteit te Gent.

B, Wetenschappelijke Afdeling. Leden : Mevr. Lefèvre-De Bijcke, M., Mevr. Martens-Vercouiilie, J., Mej. Verherckt, J., Mej. Alzado, M. en Mej. Mah H., leraressen aan de middelbare normaalschool; de heer Sandhergen F., leraar aan de middelbare normaalschool ; de heer De Vaere, T., leraar aan het koninklijk atheneum te Gent.
1. Afdeling Germaanse talen. Leden : Meir. Lefèvre-De Rijcke, Mevr. Martens-Vercouillie, Mej. Verherckt en Mevr. Hoste-Van den Berghe, leraressen aan de middelbare. normaalschool ; de heer Van Sint-Jan, leraar aan het koninklijk atheneum te Gent.

RIJKS MIDDELBARE NORMAALSCHOOL VOOR MEISJES, TE BRUSSEL.

Voorzitter : De heer Dr. J. H. Quanjel, opziener van het middelbaar onderwijs.

Examen van kandidaat-onderwijzer en van kandidaat-onderwijzeres. Leden :
1.Recipiendi, die niet tot de Afdeling Germaanse talen behoren. Mej. De Wever en Van Driessche, leraressen aan de middelbare normaalschool ; de heren Houben, De Decker, Jansens, Verwaest, Buckx en Lams, leraren aan de middelbare normaalschool ; de heren Peeters en Verreth, leraren aan het koninklijk. atheneum te Antwerpen.
2.Recipiendi, die tot de Afdeling Gertmaanse talen behoren. Mej. De Wever en Van Driessche, lerares aan de middelbare normaalschool; de heren Houben, De Decker, Jansens, Verwaesi, Buxjckx en Lams, leeraren aan de middelbare normaalschool ; de heer Verreth leraar aan het koninklijk atheneum te Antwerpen ; de heer Offergdt, leraar aan het koninklijk atheneum te Leuven.

Examen van leraar en van lerares. Leden :
1.Letterkundige Afdeling. Mej. De Wever, lerares aan de middelbare normaalschool ; de heren Houben, Jansens en Verwaest, leeraren aan de middelbare normaalschool ; de heer Verreth leraar aan het koninklijk atheneum te Antwerpen.
2.Wetenschappelijke Afdeling. Mej. De Wever, lerares aa7i de middelbare normaalschool ; de heren Houben, Jansens Buickx en Lam£, leraren aan de middelbare normaalschool ; de heer Peeters, leraar aan het koninklijk atheneum te Antwerpen.

C, Afdeling Germaanse talen. Mej. De Wever, lerares aan de middelbare normaalschool ; de heren Houben, Mirgain, Brou en Jansens, leraren aan de middelbare normaalschool; de heer Sterckx, leraar aan het koninklijk atheneum te Antwerpen ; de heer Offergelt, leraar aan het koninklijk atheneum te Leuven.

No. 76. 14. augustus 1918.
Verordening -uithangen betreffende de inbeslagneming van de haver uit het oogstjaar 1918.
Art. 1. De hoeveelheden haver, die overeenkomstig § 3 van de Verordening van 21 februari 1918, gerst, haver, enz., mogen alleen verkocht worden aan personen, die daartoe van den Kreischef** een toelating hebben bekomen en die houder zijn van een desbetreffende bewijskaart.

Art. 2, De Kreischefs kunnen toelaten, dat de af te leveren hoeveelheden, in zover het voederhaver betreft, niet uit zuivere haver moeten bestaan, doch in een nader te bepalen verhouding met wissen mogen vermengd zijn.

Art. 3. De prijs van 40 frank per 100 kg. geldt voor haver van goede marktschone hoedanigheid wegende ten minst 44 kg. per hectoliter. Voor minderwaardige of met vissen gemengde haver wordt, zo nodig op advies van een door den Kreischef aangestelde deskundige, een lageren prijs in overeenstemming met de mindere hoedanigheid vastgesteld. De zak is in den prijs niet begrepen. De prijs geldt met dien verstande, dat de afleveraar het laden op spoorwegwagen in de dichtst bij zijn onderneming gelegen statie, of het laden in schip op de dichtstbij gelegen aanlegplaats op zich neemt.

Art. 4. De landbouwers zijn verplicht er voor te zorgen, dat de haver regelmatig geoogst wordt, Zij moeten de geoogste haver, zolang de gemeente zich niet van de opgelegde afleveringsverplichting heeft gekozen, zorgvuldig en doelmatig behandelen. Zij mogen, zonder toelating von den Kreischef* aan de in beslag genomen haver geen wijzigingen toebrengen, noch er door overeenkomst of verdrag ten gunste van derde personen over beschikken, hij voorbeeld door verkoop, verpanding, ruil, weggeven, tenzij op de wijze in Artikel 2 voorzien. Zolang de gemeente zich niet van de opgelegde leveringsverplichting heeft gekweten mogen zij de haver maar vervoederen in de volgende hoeveelheden : ten hoogste 1500 gram per dag aan elk paard; mits toelating van den ,,Kreischef ten hoogste 5000 gram per dag, aan gekeurde dekhengsten, aan mijnpaarden die onder den grond werken en aan zware, in steengroeven en in bossen werkende paarden, alsook aan paarden waarop entstof genomen wordt ; mits toelating van den Kreischef ten hoogste 2500 gram per dag, aan andere zware paarden, aan paarden die ten dienste van het algemeen welzijn gebruikt worden, zoals paarden van geneesheren, veeartsen, aannemers van vervoer, huurhouders, vrij grote verbruiksinrichtingen, Kadaververwertungsanstallen" (inrichtingen voor krengbenuttiging) , alsook aan moeder en teeltmerries. Zolang de gemeente zich niet van de opgelegde leveringsverplichting heeft gekweten, kan de Kreischef voor paarden, die een groot deel van het jaar op de weide lopen, het dagelijks rantsoen haver met een derde verminderen, en het tijdelijk geheel afschaffen. Zolang de gemeente zich niet van de opgelegde leveringsverplichting heeft gekweten, is het alleen met toestemming van de Arme intendantur (Leger intendantie) toegelaten aan springstieren, trekossen en trekkoeien haver te vervoederen ; de toestemming mag alleen voor geringe hoeveelheden worden verleend, wanneer aanzienlijke havervoorraden beschikhaar zijn. Zolang de gemeente zich niet van de opgelegde leveringsverplichting heeft gekweten, mogen alleen de door den Kreischef daartoe opgegeven hoeveelheden haver als zaaigoed worden gebruikt.

Art. 5. Zolang de gemeente zich niet van de opgelegde leveringsverplichting heeft gekweten, is het aan de landhouwers verboden haver, anders dan in Artikel 4 is toegelaten, te vervoederen of anderszins te gebruiken. Bezitters van paarden mogen de hun door den Kreischef vrijgegeven haver slechts vervoederen in de door dezen toegelaten dagelijkse hoeveelheden ; het is hun verboden deze haver op welke andere wijze ook te gebruiken.

Art. 6. De haveropkopers moeten de opgekochte hoeveelheden haver beheren overeenkomstig de door den Krelschef met hen afgesloten overeenkomsten ; zij mogen die haver slechts in de door den Kreischef vastgestelde hoeveelheden afleveren aan de door dezen aangeduide paardenbezitters of aan de inrichtingen, die gelast zijn de haver tot voedings artikelen te verwerken.

Art. 7. Afgezien van het vervoer van het veld naar de boerderij van de boerderij naar de dorsmachien en van de dorsmachien naar de hoederij, mag geen haver vervoerd worden dan op grond van een vervoerbewijs, afgeleverd door den Kreischef in wiens ambtsgebied het vervoer begint, of door zijn lasthebber. Voor de haver waarover de landbouwers vrij mogen beschikken, nadat de gemeente zich van de opgelegde leveringsverplichting heeft gekweten, moet op verlangen een vervoerbewijs worden afgeleverd. In het vervoerbewijs moet worden aangegeven dat het haver betreft, waarover de bezitter vrij mag beschikken.

Art. 8. De Kreischefs" hebben het recht, te allen tijde 4e voorraden haver door lasthebbers te laten nazien en er stalen uit te lichten, alsook elk vervoer van haver door hen te laten onderzoeken, met het oog op de vervoerbewijzen en op al de andere verrichtingen en rechtsverhoudingen die op het vervoer betrekking hebben. Al de bezitters van haver zijn verplicht, op uitnodiging van de Kreischef te allen tijde naar loa Arbeid gegevens te verstrekken aangaande de voorraden die zij in hun bezit hebben, aangaande de werkelijke verhoudingen die tot grondslag dienen voor de vrijverklaringen, alsook aangaande de veranderingen die zich naderhand in deze verhoudingen voordoen. Ingeval een landbouwer een tot het regelmatig oogsten of tot de behoorlijke behandeling van de geoogste haver vereiste handeling, die hem krachtens artikel 4 (lid 1 en Z) die opgelegd niet ten uitvoer brengt binnen een door den Kreischef of door diens lasthebber vastgestelde termijn, of zo hij die behandeling op ondoelmatige wijze uitvoert, doet de Kreischef of diens lasthebber de handeling door derden uitvoeren, op kosten van den bezetter der haver.

Art. 9. De burgemeesters zijn verplicht er over te waken dat geen haver in strijd met het in Artikel 4 en 5 vervatte verbod wordt vervoederd of anderszins gebruikt ; zij zijn eveneens gehouden, iedere te hunner kennis komende overtreding van Artikel 5 hij den Kreischef aan te geven.

Art. 10. De bevoegdheden, die de Prasidenten der Zivilverwaltung (Voorzitters van het burgerlijk bestuur) toekomen, krachtens § 3 en4 der Verordening van 21 februari 1918, houdende inbeslagneming van gerst, haver, enz., worden voor zover zij de haver betreffen, overgedragen op de Armeeintendantur des Generalgouvernements en op de Kreischefs\

Art. 11. De Armeeintendantur stelt ten hoogste 60.000 ton van den haver oogst van 1918, voor de verwerking tot voedingsartikelen, ter beschikking van den Vorsitzenden der Zentral-Ernte-Kommission (Voorzitter van de centrale Oogstkommissie) , en wel in maandelijkse hoeveelheden, volgens een door haar vast te stellen verdelingsrooster ; voormelde Vorsitzender is belast met het toezicht over de nijverheid en de verdeling der uit haver gewonnen voedingsartikelen.

Art. 12. Wie de bepalingen dezer Verordening overtreedt, wordt, krachtens § 7 der Verordening van 21 februari 1918, met een geldboete van ten hoogste 20.000 mark of met een gevangenisstraf van ten hoogste 5 jaar gestraft. Beide straffen kunnen te gelijker tijd worden uitgesproken. De poging tot overtreden is strafhaar. Bovendien is de verbeurdverklaring uit te spreken der voorwerpen, waarmede de strafbare handeling werd begaan of die tot het ongeoorloofd vervoer van de haver hebben gediend. Is de overtreding begaan met het inzicht een ongeoorloofde winst op te strijken, zo met een gevangenisstraf van ten minste een week of een geldboete, die ten minste het tienvoudige van den volgens § 2der Verordening van 21 Februari 1918 toepasselijke prijs, in geen geval echter minder dan 25 mark bedraagt, uitgesproken worden. De verbeurdverklaarde voorraden en inrichtingen worden verkocht. De Kreischef kan uit de verkoop een beloning van ten hoogste 4 frank per 100 kg. opgespoorde haver toekennen aan de personen, die zich tot het opsporen der haver verdienstelijk hebben gemaakt. Het overblijvende van deze som wordt ter beschikking gesteld van het Wohlfahrtsfonds bei dem Verwaltungschef fur Flandern (Liefdadigheidsfonds van het Hoofd van het burgerlijk bestuur voor Vlaanderen) De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.

Art. 13. In plaats van de Kreischefs treden op: in het versterkt gebied Antwerpen, het Gouvernement ; in het gebied der Kommandantuur Beverlo en in de gemeenten van Groot Brussel de Kommandantuur ; in de arrondissementen Mons (Bergen) Ath, Arel en Virton, de Zivillkommissar* (burgerlijke Kommissaris).

Brussel , den 30 juli 1918.

No. 76. 14. augustus 1918.

Verordening –uithangen waar de verplichting wordt opgelegd het afsluiten van overeenkomsten op het vervoer te water aan een voorafgaande toelating te onderwerpen.

Art. I. Het afsluiten van overeenkomsten betreffende het verhuren van private schepen of betreffende het aangaan van goederenvervoer te water (huur-, vrachten sleepovereenkomsten), is onderworpen aan de toelating van het Generalgouvernement, Abteilung Ih (Wassertransporte (Generaal Gouvernement, Afdeling Ih [Vervoer te water]) of van een van het Generalgouvernement afhangend Hafenamt (Havenambt). leder der verdragsluitende partijen is er voor verantwoordelijk, dat de te sluiten overeenkomsten, met het oog oj) de verkrijging der toelating, aan een der hiervoren bedoelde diensten worden voorgehouden.

Art. II. Aan diensten van het Generalgouvernemten of aan afzonderlijke vervoerondernemingen kan, doch uitsluitend door het Generalgouvernement een algemene toelating worden verleend lot het af sluiten van dergelijke overeenkomsten.

Art. III. Het afsluiten van overeenkomsten betreffende het vervoer van stukgoederen is niet aan een toelating onderworpen.

Art. IV. Wie de bepaling van Artikel I overtreedt, wordt met een gevangenisstraf van ten hoogste 6 maanden of met een geldboete van ten hoogste 50.000 mark gestraft ; beide straffen kunnen ook te gelijkertijd uitgesproken worden.

Art. V. De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd. Brussel, den 30 juli 1918

No. 76. 14. augustus 1918.

Verordening. Artikel 1 der Verordening van 3 April 1917 (Wet en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, Nr. 331, hl. 3558), over het verborgen houden van wapens en schietvoorraad, luidt voortaan als volgt : Het is aan de bevolking verboden wapens te vervaardigen en in bezit te houden. Het Generalgouvernement (Generaal Gouvernement) behoudt zich het recht voor uitzonderingen toe te staan. Brussel, den 30 juli 1918,

No. 76. 14. augustus 1918.
Verordening ??* houdende inrichting van een dienstelle der Sittenpolizei fiir Gross-Brussel (bijgevoegde dienst van de zedenpolitie voor Groot-Brussel) te Halle. Ter aanvulling van mijn Verordening van 13 Februari 1915, houdende inrichting van een zedenpolitie te Groot Brussel , bepaal ik het navolgende : Te Halle wordt voor het gebied der gemeente een Neberistelle der Sittenpolizei fur Gross-Brussel ingericht. De kosten vallen ten laste van de gemeente Halle.

Brussel den In Augustus 1918,

No. 77. 17. augustus 1918.

Verordening -uithangen tot de Verordening van S5 April 1918, over de benuttiging van boter en melk. Ter uitvoering van de Verordening van 25 April 1918, over de benutting van boter en melk ( Artikelen 9, 10 en 11) verorden ik voor Vlaanderen het navolgende:

Art. 1. Om de twee maanden bepaalt de bevoegde Zivilkommissar (burgerlijke Kommissaris) , welke hoeveelheid boter en melk de gemeente te leveren heeft Die hoeveelheid wordt vastgesteld op grond van het aantal melkkoeien der gemeente, zonder dat daarbij de tijdelijk droogstaande koeien in mindering worden gebracht. De omslag der af te leveren hoeveelheid op de afzonderlijke bezitters van koeien geschiedt door den burgemeester der gemeente, met de medewerking en onder het toezicht van den Zivilkommissar Het aandeel der droogstaande koeien moet over de melkgevende koeien verdeeld worden. Het is geoorloofd, de daaruit voortvloeiende afleveringsverplichting der onderscheiden bezitters van koeien verschillend vast te stellen, derwijze dat de bezitters van een klein aantal koeien in verhouding een geringer aandeel hebben af te leveren, terwijl de bezitters van een groter aantal koeien dienovereenkomstig meer wordt ten laste gelegd. Indien een gemeente de haar opgelegde hoeveelheid boter en melk niet aflevert, moet zij eerst haar verplichting dienaangaande nakomen, alvorens zij het recht kan verlangen in het verbruik van haar inwoners te voorzien.

Art. 2, De prijzen zijn voorshands als volgt vastgesteld:
A, voor boter, per kg. 1. ongezouten boter met ten hoogste 18 % vreemde bestanddelen fr, 7.70 *
2. gezouten boter met ten hoogste 18 % vreemde bestanddelen 7.30
3. melkerijboter, voorzien van het ambtelijk kontroolmerk en met ten hoogste 18 % vreemde bestanddelen 8.70
4. ongezouten boter met meer dan 18 % doch niet meer dan 50 % vreemde bestanddelen 3.90
5. gezouten boter, met meer dan 18 % doch niet meer dan 50 % vreemde bestanddelen 3.60 *
De prijzen gelden voor boter ter plaats van vooribrer ging genomen, met inbegrip van de gebruikelijke verpakking in perkamentpapier. De groothandelaar en de kleinhandelaar mogen bij den verkoop van de boter 40 centiem, doch in het geheel niet meer dan 80 centiem per kilogram als bijslag voor den voortverkoop in rekening brengen. De onder 3 vermelde melkerijboter moet, in zover zij wordt afgeleverd (Art. 4), volgens nadere aanduiding van den Staatskommissar des Belgischen Buttervertriebsverhandes** (Stoatskommissaris van den Belgischen Boterbond) van een kontroolmerk te voorzien zijn.
2.voor voile melk, afgehaald ter leveringsplaats (melkerijen), 45 centiem fer Hier melk met een vetgehalte van ten minste 2.6 %. De Zivilkommissar is gerechtigd, naar gelang van de plaatselijke verhoudingen, den prijs tot 50 centiem te verhogen, of tot 40 centiem te verlagen. Hij i& verder gerechtigd voor melk, met een geringer dan het voorgeschreven vetgehalte, den prijs overeenkomstig te verlagen.

Art. 3. Het is verboden boter te verwerken, inzonderheid boter te gebruiken tot het vervaardigen van zeep. Voor de bereiding van kaas blijft de bepaling vervat in Artikel 6 der Verordening van 25 April 1918 van kracht.

Art. 4. De landbouwer kan, nadat hij zich van de hem opgelegde leveringsverplichting heeft gekweten, viij over de hem overblijvende melk en boter beschikken. Hij is niet verplicht, daarbij de in Artikel 2 vastgestelde prijzen in acht te nemen; hij kan die prijzen overschrijden in zover hij de bepalingen van de Verordening van 10 juni november 1917 tegen den woekerhandel in dagelijkse Artikelen niet overtreedt. Voor het vervoer van boter of melk zijn geen vervoer of toelatingsbewijzen vereist.

Art. 5. Voor den beroepshandel in melk en boter is een bijzondere toelating van den Zivilkommissar van de plaats waar de handel gevestigd is, vereist. Het toelatingsbewijs moet voorzien zijn van den stempel van den Zivilkommissar en van dien van den Staatskommissar des Belgisch en Buttervertriehsverhandes . Voor de leden van den Belgischen Buttervertriehsverhand" (Belgischen Boterhond) is de hiervorenvermelde toelating niet vereist. De opneming van nieuwe leden in den Buttervertriehsverhand kan enkel met toestemming van den Staatskommissar geschieden.

Art. 6. De Prasidenten der Zivilverwaltung (Voorzitters van het burgerlijk bestuur) zijn gemachtigd het hun krachtens Artikel 8 der Verordening van 25 April 1918 toegekend recht, om de gemeenten of de voortbrengers van boter of melk geldboeten op te leggen, op de Zivilkommissare over te dragen. Die geldboeten kunnen opgelegd worden met de verplichting, dat zij door de gemeenten en de afzonderlijke aan de afleveringsverplichting onderworpen bezetters van koeien gezamenlijk verschuldigd zijn.

Brussel , den 24 juli 1918.

No. 77. 17. augustus 1918.

Verordening. Met wijziging van Artikel 5, hoofdstuk 2, van het Koninklijk besluit van 30 Augustus 1888, verorden ik voor Vlaanderen het navolgende:

Art. 1, Om in de zevende klas te worden opgenomen, moet de leerling ten laatste op 1 Oktober van het lopend jaar ten volle 11 jaar oud geworden zijn. De beheerraad kan vrijstelling van die voorwaarde verlenen. Voor een vrijstelling over meer dan drie maanden is de toestemming van het ministerie vereist. De studieprefekt moet in ieder geval worden gehoord. Om in de zevende klas te worden opgenomen, moet de leerling met goed gevolg een examen over de navolgende vakken hebben afgelegd:
1.a) de beginselen der Nederlandse taal, Voor de inrichtingen of afdelingen, die overeenkomstig Artikel 1, lid 2, van de Verordening van 4 juni 1918, betreffende de voertaal in de middelbare onderwijsinrichtingen, in het bijzonder toegelaten zijn, de beginselen der Franse taal,
2.b) spraakleer.
3.c) de grondbeginselen van de aardrijkskunde van België,
4.d) de hoofdbewerkingen der rekenkunde, toegepast op gehele getallen en op tiendelige breuken; het wettelijk stelsel van maten en gewichten. Op snel en nauwkeurig hoofdrekenen moet in het bijzonder nadruk gelegd worden. Al de kandidaten moeten een diktaat leesbaar en zonder fouten kunnen schrijven.

Art, 2. De Verwaltungschef* (Hoofd van het burgerlijk bestuur) voor Vlaanderen is met de uitvoering van deze Verordening belast.

Brussel den 1 Augustus 1918.

No. 77. 17. augustus 1918.
Beschikking.

Art. 1. De hiernavermelde personen zijn benoemd tot leden van de jury, die in 1918 belast is met h et afnemen van het examen van lerares in de nuttige handwerken bij het middelbaar onderwijs:

Voorzitster: Mevrouw Sondervorst-VerJiuck, (opzienster van het huishoudkundig onderwijs en de nuttige handwerken bij het middelbaar onderwijs.

Leden: 1. Mevrouw de Muter-Van de Wiele, opzienster van het vakonderwijs te Brussel. 2. Mevrouw Primo, lerares te Gent. 3. Mej. Brabants, bestuurster der Rijks Middelbare Meisjesschool te Lier. 4. Mej. Burssuns, lerares te Bonheiden.

Art. 2. De Verwaltungschef (Hoofd van het burgerlijk bestuur) is gemachtigd, afwezige leden te doen vervangen.

Art. 3. De jury duidt onder haar leden een sekretaresse aan.

Art. 4. De voorzitster van de jury zal de juryleden en de kandidaten ter zitting oproepen.

Art. 5. De Verwaltungschef voor Vlaanderen is met de uitvoering van deze beschikking belast.

Brussel , den In augustus 1918.

No. 77. 17. augustus 1918.

Bekendmaking. Bij Verordening van 28 juli 1918 van den heer Generaal Gouverneur in België, zijn in het Vlaams bestuursgebied de in onderstaande lijst opgesomde Belgische postontvangers bevorderd tot den dienstgraad, aangegeven in de 3e kolom :

Post Ontvangerij Naam Dienstgraad

Antwerpen 7 Stickers, P. 0. eerataanw. postontvanger
Antwerpen 8 Hellinrk , P. V. postontvanger le Uasae
Antwerpen 10 Schevenhela, J. B. eerataanw. postontvanger
Antwerpen 11 Stroobants, M. C. postontvanger 3e Klasse
Balen(bij Geel) Vaessens, F. J. E. postontvanger 3e klasse
Berchem (Antwerpen) Van Schooten, F. postontvanger 2e klasse
Boom Theunen, G. postontvanger le klasse
Dtumt 1Govaerts, F. J. postontvanger 3e klasse
Duffel Lortioiê, E. E. P. postontvanger 3e Klasse
Oeel Picard, 0. E. postontvanger 3e *Klasse
IaUo Hesse, A postontvanger 3e *Klasse
Mersem ArUeuniê, C. eerstaanw. postontvanger
Niel Everê, J. T. postontvanger 3e Klasse
Rupelmonde De Leender, A. V. J. postontvanger 3e Klasse
Sint Niklaas (Waas) 1 Deumlf, D. J. eerstaanw. postontvanger
Temse Primo, E, P. postontvanger 3e Klasse
Brussel 6 De WvlU C. H, postontvanger 3e *Klasse
Buitbeek De Leeuvo, H. C. M. postontvanger 2e klasse
Evert Oud, J. P. F. J. postontvanger 3e Klasse
Schaarbeek 1 Van Oijêel, J. A. A. eerstaanw. postontvanger
Schaarbeek 3 Mah, 0. J. postontvanger 3e klasse
Schuurbeek Duparque, E.F.V.M. postontvanger 3e Klasse
Sint Gillis (bij Brussel) Verel, E. C. A. postontvanger 2e klasse
Sint Jans Molenbeek 1 Verachwerm, B, postontvanger le Klasse
Sint Joost ten Node 1 Schepens, J. 0. eerstaanw postontvanger

Post. ontvangerij naam Dienstgraad

Vorst (bij Brussl) Renier, H. D. postontvanger le klasse
Aarschot Delmè, F. postontvanger le klasse
Heverlee VantveU, G. postontvanger Se klasse
Hoegaarden Denruter, L. postontvanger 3e *Klasse
Hoevaart Minders, J. L. postontvanger 3e *Klasse
Neder-OverHeenbeek Dekeser, J. G. postontvanger 3e *Klasse
Overijsche Rigaux, E. J. J. postontvanger 2e *Klasse
Ruisbroek Vandermot, R. J. postontvanger 3e *Klasse
Saventhem Straetmans, P. H. postontvanger 3e *Klasse
Scherpenheuvei Peeters, V. postontvanger 3e *Klasse
Sint-Genesius Rode Lejeune, A. L. J. postontvanger 3e *Klasse
Tervuren Verdonck J. H. J. postontvanger 2e *Klasse
Tienen 1 Wijgmcud (Brabant) Van Cutsen, J. B. postontvanger le *Klasse
Otte, L. J. J. B. postontvanger 3e Klasse
Zoutleeuw Naveau, T. A. postontvanger 3e *Klasse
Borgloon Philips, J. L. postontvanger 3e *Klasse
Genk Kusters, L. V. H. postontvanger 3e *Klasse
Hasselt Gobin, R. A. eerstaanw. postontvanger
Lanklaar Swartenbroecks. J. H. postontvanger 2e *Klasse
Tongeren Vanderborgh, J. postontvanger le *Klasse

Brussel , den 3 augustus 1918.

No. 77. 17. augustus 1918.

Verordening –uithangen betreffende groenten en peulvruchten.

Art. 1. Al de koopverdragen, afgesloten over nog niet geoogste groenten en peulvruchten, zijn hierbij van nul en gener waarde verklaard. Het is verboden nieuwe koopverdragen af te sluiten. De Presidenten der Zivilverwaltung (Voorzitters van het burgerlijk bestuur) zijn gerechtigd, uitzonderingen toe te laten inzake reeds afgesloten of nog af te sluiten koopverdragen.

Art. 2. De Verwaltungschef (Hoofd van het burgerlijk bestuur) voor Vlaanderen is gemachtigd, voor de voornaamste voortbrengstgebieden, het vervoer per spoorweg, buurtspoorweg, schip of wagen van groenten en peulvruchten afhankelijk te maken van een toelating.

Art. 3. De Verwaltungschef voor Vlaanderen is gemachtigd, uitvoering Verordeningen tot deze Verordening uit te vaardigen.

Art. 4. Wie deze Verordening of de ter uitvoering er van uitgevaardigde schikkingen overtreedt, die inzonderheid verboden koopverdragen afsluit, ongeldige koopverdragen nakomt of tot het vervoer van groenten of peulvruchten hetzij aanleiding geeft, hetzij er zelf toe overgaat, zonder daartoe de vereiste toelating te hebben, wordt gestraft met een geldboete van ten hoogste 10.000 mark en met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of met een van deze straffen. Veldvruchten, waarop zulke koopverdragen betrekking hebben, zijn verbeurd te verklaren. Ook kunnen de Presidenten der Zivilverwaltung dergelijke vruchten ten hate van de burgerlijke bevolking in België, tegen passende. prijzen onteigenen, zolang er nog geen gerechtelijke uitspraak tot verbeurdverklaring is geveld. De krijgsrechtbanken en de krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.

Art. 5. Deze Verordening treedt den dag harer afkondiging in werking.

Brussel den 8 augustus1918.

No. 78. 18. augustus 1918.

Bekendmaking. De vertegenwoordiging voor de firma E. L. J. Empain, te Brussel , heb ik opgeheven.

Brussel , den 9 augustus 1918,

No. 78. 18. augustus 1918.
Beschikking.

Art. 1. Een tijdelijke normaalleergang voor het onderwijs in de huishoudkunde en de huishouding zal van 16 tot 31 augustus aan de onderwijzeressen gegeven worden in de Rijksnormaalschool te Laken.

Art. 2. Het getal onderwijzeressen, die tot die leergang kunnen toegelaten worden, is vastgesteld op ten hoogste 30.

Art. 3. De leergang omvat het theoretisch onderwijs en de praktische wenken hierna vermeld.
1.Theoretisch, aanschouwelijk en betogend onderwijs.
1. De huishoudkunde en de beginselen der gezondheidsleer.
2. Begrippen van tuinhouw.
B. Praktische werken.
1. Burgeren werkmans-keuken; bereiding van een reeks afgewisselde middagen avondmalen.
2. Reinhouding der woning, onderhouden van meubelen en van het keukengerief.
3. Wassen, bleken en strijken van het linnen.
4. Praktische tuinbouwwerken.

Art, 4. Het beheer van den leergang is opgedragen aan Mevr. Lams, bestuurster van de Rijksnormaalschool te Laken. Worden belast met het onderwijs en de praktische werken: de heer Dr. Leemans, geneesheer te Laken, voor de gezondheidsleer, de heer Husmans, leraar aan de Rijksnormaalschool te Lier, voor tuin-, landhouwen dierkunde, Mevrouw Lams, bestuurster van de Rijksnormaalschool te Laken, voor de huishoudkunde en de huishouding, Mej. Van Eck, studiemeesteres, als bewaakster.

Art. 5. Het programma der lessen en oefeningen, opgesteld door de personen, die met het onderwijs belast zijn, werd aan de goedkeuring van het Beheer van het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten onderworpen.

Art. 6. Dr. Leemans geniet een vergoeding van 50 fr. per dag en per voordracht. De twee andere leden bekomen 25 fr, per dag. Aan de bewaakster wordt 50 fr. toegestaan. De verblijfkosten worden vastgesteld op 20 frank daags,

Brussel den 9 Augustus 1918.
No. 79. 24. augustus 1918.
verordening waar de Verordeningen van 3 februari 1915, van 13 oktober 1915 en van 15 mei 1916, over de oprichting van scheidsgerechten, opgeheven worden.
Art. 1. De Verordening van 3 februari 1915, houdende wijziging van het decreet van 10 Vendémiaire van het jaar IV (2 oktober 1795) over de verantwoordelijkheid der gemeenten voor diefstallen, plunderingen en gewelddaden, de Verordening van 13 oktober 1915 houdende gedeeltelijke wijziging en aanvulling der Verordening van 3 februari 1915, alsook de Verordening van 27 Mei 1916, houdende wijziging van het decreet van 10 Vendémiaire van heit jaar IV worden hierbij opgeheven.
Art. 2. Voor het nemen van een beslissing inzake de verplichting tot schadevergoeding, in de gevallen voorzien onder Titel IV Artikel 1 en Titel V Artikel 1 van het decreet van 10 Vendémiaire van het jaar IV, zijn de op grond der Verordening van 6/7 April 1918, houdende instelling van Duitse rechtbanken voor burgerlijke rechtsgedingen, ingestelde [keizerlijke distriktrechtbanken (Afdeling voor burgerlijke zaken)] bevoegd, naar den maatstaf van Artikel 10 dezer Verordening.
Art. 3. Titel V, Artikelen 2—8, van het decreet van 10 Vendémiaire van het jaar IV zijn op dergelijke aanspraken niet toepasselijk.
Art. 4. De voorschriften der Verordening van 6/7 april 1918 zijn, zover hieronder niet anders is bepaald, toepasselijk op de rechtspleging voor het Kaiserliches BezirksgerichV\
Art. 5. Artikel 21, lid 3, der Verordening van 6/7 AprU 1918 is op deze aanspraken niet toepasselijk. Artikel 21, lid 1, en Artikel 22, lid 1, van genoemde verordening, zijn slechts met dien verstande toepasselijk, dot, in zover de eiser afgewezen wordt, alleen de hare voorschotten voor het geding en van den rechterlijk commissaris dienovereenkomstig te zijnen laste vallen, geen taksen en de overige, door een verliezende partij te dragen onkosten, door de staatskas overgenomen worden.
Art. 6. Artikel 23 der Verordening van 6/7 april 1918 is dienovereenkomstig toepasselijk op aanspraken, die op 1 Augustus 1918 bij de scheidsgerechten aanhangig zijn.
Art. 7. Deze Verordening treedt op 1 Augustus 1918 in werking.
Brussel , den In Augustus 1918.

No. 79. 24. augustus 1918.
Verordening (er uitvoering van Artikel 9 der Verordening van 4 juni 1918, houdende wijzigiug der wet van 15 juni 1914 tot regeling van het lager onderwijs. Op grond van Artikelen 15 en 16 der Verordening van 4 juni 1918, houdende wijziging der wei van 15 juni 1914 tot regeling van het lager onderwijs, worden hierbij onderstaande schikkingen getroffen.
Artikel 20 der wet van 15 juni 1914, tot regeling van het lager onderwijs, gewijzigd bij Verordening van 4 juni 1918, bepaalt, dat in de gemeenten van Groot-Brussel en in de gemeenten van de taalgrens, bij den aanvang van het schooljaar 1918/19, het Nederlands als voertaal wordt ingevoerd in alle uit openbare middelen ondersteunde kindertuinen en ten minste in de drie eerste studiejaren van de uit openbare middelen ondersteunde lagere scholen. Alleen die anderen, waarvan het bewezen is, dat zij het onderwijs door middel van het Nederlands niet kunnen volgen, mogen, op grond van een door den minister van Wetenschappen en Kunsten verstrekt bewijs, in Klassen met het Frans als voertaal onderwezen worden. In overeenstemming met dit voorschrift bepaal ik het navolgende:
I. De gemeentebesturen en de hoofden van uit openbare middelen ondersteunde kindertuinen en lagere scholen moeten de vereiste maatregelen met het oog op de invoering van het Nederlands als voertaal, in,de uit openbare middelen ondersteunde kindertuinen en in de drie eerste studiejaren van de uit openbare middelen ondersteunde lagere scholen, voorbereiden en ten uitvoer doen brengen.
II. De hoofden der scholen worden hierbij aangemaand, ten laatste op 10 September 1918, aan den bevoegden schoolopziener de namen op te geven van de kinderen, die 1. bij den aanvang van het schooljaar 1918/19, gedurende twee studiejaren, uitsluitend door middel van het Frans als voertaal, onderwijs genoten hebben, en die, naar de gewetensvolle mening van het hoofd der school, niet in staat zijn, bij den aanvang van het schooljaar 1918/19 het onderwijs door middel van het Nederlands te volgen. 2. reeds gedurende drie studiejaren of langer onderwijs genoten hebben door middel van het Frans, doch bekwaam geacht worden in de toekomst het onderwijs door middel van het Nederlands te volgen.
III. Op 1 november 1918 moeten de hoofden der scholen dan den bevoegden schoolpziener de namen opgeven van de kinderen, die hij den aanvang van het schooljaar 1918/19 aan den leerplicht beginnen te voldoen, en die volgens de ervaring gedurende de eerste maand opgedaan, niet in staat zijn, het onderwijs door middel van het Nederlands te volgen.
Brussel, den 5 augustus 1918.
No. 79. 24. augustus 1918.
Verordening ter uitvoering van Artikel 1 der Verordening van 4 juni 1918, betreffende de voertaal in de middelbare onderwijsinrichtingen. Op grond van artikelen 4 en 5 der Verordening van 4 juni 1918, betreffende de voertaal in de middelbare onderwijsinrichtingen worden hierbij onderstaande schikkingen getroffen:
Artikel 1 der Verordening van 4 juni 1918, betreffende de voertaal in de middelbare onderwijsinrichtingen, bepaalt voor alle middelbare onderwijsinrichtingen van Staat, provincie en gemeente, dat bij den aanvang van het schooljaar 1918/19, in de gemeenten van Groot-Brussel , het Nederlands als voertaal wordt ingevoerd, in al de aan voornoemde middelbare onderwijsinrichtingen verbonden kindertuinen, in de drie eerste studiejaren van de voorbereidende afdelingen van de middelbare onderwijsinrichtingen, in het eerste studiejaar van de middelbare onderwijsinrichtingen, lageren graad, in de drie eerste studiejaren van de middelbare onderwijsinrichtingen, hogere graad, en in do bestaande Vlaamse afdelingen. Alleen die kinderen, waarvan het bewezen is, dat zij het onderwijs door middel van het Nederlands niet kunnen volgen, mogen, op grond van een door den minister van Wetenschappen en Kunsten verstrekt bewijs, in Klassen met het Frans als voertaal onderwezen worden. In overeenstemming mei dit voerschrift bepaal ik het navolgende:

i. De provincie en de gemeenten, alsook de besturen van alle midelbare scholen van Staat, provincie en gemeente, moeten de vereiste maatregelen met het oog op de invoering van het Nederlands als voertaal in de bedoelde studiejaren en in de aan Hogervermelde scholen verbonden inrichtingen, voorbereiden en ten uitvoer doen brengen.

II. De hoofden der scholen worden hierbij aangemaand, ten laatste op 10 september 1918, aan den bevoegden schoolopziener de namen op te geven van de kinderen, die

1. bij den aanvang van het schooljaar 1918/19, gedurende twee studiejaren in de voorbereidende afdelingen van de middelbare onderwijsinrichtingen, hogere graad, onderwijs genoten hebben door middel van het Frans als voertaal en die, naar de gewetensvolle mening van het hoofd der school, niet in staat zijn, hij den aanvang van het schooljaar 1918/19 het onderwijs door middel van het Nederlands te volgen,

2. reeds gedurende drie studiejaren in de voorbereidende afdelingen der middelbare onderwijsinrichtingen, gedurende een studiejaar in de middelbare onderwijsinrichtingen, lageren graad, of gedurende drie studiejaren in de middelbare onderwijsinrichtingen, hogere graad, of langer, onderwijs genoten hebben door middel van het Frans, doch bekwaam geacht worden in de toekomst het onderwijs door middel van het Nederlands te volgen.

III. Op 1 november 1918 moeten de hoofden der scholen aan den bevoegden schoolopziener de namen opgeven van de kinderen, die hij den aanvang van het schooljaar 1918/19 hun middelbare studiën hebben begonnen,en die volgens de ervaring gedurende de eerste maand opgedaan,niet in staat zijn, het ondenwijs door middel van het Nederlands te volgen.
Brussel , den 5 Augustus 1918.
No. 79. 24. augustus 1918.
Bekendmaking. Hierbij wordt de aandacht gevestigd op Artikel 9 der verordening van 4 juni 1914, houdende wijziging der wet van 15 juni 1914 tot regeling van het hoger onderwijs.
Luidens bedoeld Artikel wordt, bij den aanvang van het schooljaar 1918/19, in alle lagere scholen van Staat en gemeente, in alle aangenomen en aanneembare lagere scholen, alsook in alle openbare en uit openbare middelen ondersteunde kindertuinen (bewaarscholen), scholen voor voortgezet hoger onderwijs, avondscholen, en bijzondere leergangen, het onderwijs uitsluitend in de landstaal, het Nederlands, gegeven. De gemeentebesturen, de schoolbesturen en de hoofden van onderwijsinrichtingen moeten de daartoe vereiste maatregelen door geposte voorstellen uitlokken en door eigen schikkingen voorbereiden.
Brussel , den 5 Augustus 1918,
No. 79. 24. augustus 1918.
Bekendmaking. Hierbij wordt de aandacht gevestigd op Artikel 1 der verordening van 4 juni 1918, betreffende de voertaal in de middelbare onderwijsinrichtingen. Luidens bedoeld Artikel wordt, hij den aanvang van het schooljaar 1918/19, in al de middelbare onderwijsinrichtingen van Staat, provincie en gemeente, met inbegrip van de daaraan verbonden kindertuinen en voorbereidende afdelingen, het onderwijs in alle vakken uitsluitend in de landstaal, het Nederlands, gegeven, met uitzondering van de nieuwe vreemde talen, welke door middel van deze talen zelf kunnen onderwezen worden. De provinciebesturen, de gemeentebesturen en de schoolhoofden van alle middelbare onderwijsinrichtingen van Staat provincie en gemeente, moeien de daartoe vereiste maatregelen door gepaste voorstellen aan het ministerie uitlokken en door eigen schikkingen voorbereiden.
Brussel , den 5 augustus 1918,
No. 79. 24. augustus 1918.
Beschikking.
Art. 1. Gedurende het groot verlof 1918 zullen te Brussel tijdeiijk voorbereidende leergangen tot het examen van kantonnaal schoolopziener worden gegeven.
Art. 2. Alleen de onderwijzers en leraars,diezich,naar het oordeel van het schooltoezicht, in de uitoefening van hun ambt onderscheiden door hun werkzaamheid en beroepsbekwaamheid kunnen tot bedoelde leergangen toegelaten worden. Om deze leergangen te volgen is bovendien vereist:
1. Dat de kandidaat het wettelijk getuigschrift van onderwijzer of van leraar bij het middelbaar onderwijs van den lageren graad bezit.
2. Dat hij gedurende ten minste 10 jaar werkzaam is geweest in een der hieronder opgesomde onderwijsinrichtingen: Gemeentescholen, door de gemeenten aangenomen scholen, bijzondere scholen, voorbereidende afdelingen bij de Rijks middelbare scholen, gemeentelijke middelbare scholen en bijzondere middelbare onderwijsinrichtingen, Rijksnormaalscholen en oefeningsscholen, door de regering erkende norm scholen en oefeningsscholen.
Art. 3. De aanvragen om tœlating tot de leergangen en de in Artikel 2, lid 2, bedoelde bewijsstukken, moeten voor 15 Augustus 1918 op het ministerie van Wetenschappen en Kunsten ingediend zijn.
Art. 4. De leergangen omvatten: 1.
a) de grondbeginselen der zielkunde en harfirhfifrrlhiruj tot de opvoedkunde;
b) bei beredeneerd onderzoek van de opvoedings sUilseU der opvoedkundigen, wier namen voorkomen op het programma van de geschiedenis der opvoedkunde (koninklijk besluit van 1 februari 1896,
c) opvoedingsleer;
d) fonetiek en beschaafde uitspraak.
e) Ontleding van het model-programma der lagere scholen en van het programma der oefeningen en bezigheden in de bewaarscholen,
f). De uitlegging van de wet tot regeling van het lager onderwijs en van de algemene beschikkingen en bepalingen, die ter uitvoering dier wet uitgevaardigd zijn.

Art. 5. De leraars, die met het geven van de hiervoren bedoelde leergangen belast zijn, ontvangen 25 frank vergoeding per les, alsmede een vergoeding voor reiskosten ten bedrage van 2 frank per vijf kilometer gewonen weg en van 1.25 frank per vijf kilometer spoorweg.
Art. 6. De Verwaltungschef (Hoofd van het burgerlijk bestuur) voor Vlaanderen is met de uitvoering van deze beschikking belast.
Brussel , den 8 Augustus 1918.
No. 79. 24. augustus 1918.
Beschikking.
Art. 1. Ter vervanging van wijlen den heer Michot Uf Stingihamber Nerincx en Collart, zijn benoemd tot leden *van de kommissie van toezicht aan het koninklijk muziekkonservatorium te Brussel de heren: Dr. Karel Hendrickx, algemeen sekretaris aan het ministerie van Binnenlandse Zaken, Dr. Karel Borms, algemeen bestuurder (van het ministerie «an Binnenlandse Zaken Hendrik Jacobs, bestuurder aan het ministerie van Zeewezen, Posterijen en Telegrafen. Hektor Van de Velde, hoofdbouwmeester aan het ministerie van Zeewezen, Posterijen en Telegrafen.
Art. 2. De Verwaltungschef (Hoofd van het burgerlijk bestuur) voor Vlaanderen is met de uitvoering van deze *Beschikking belast.
Brussel , den 8 Augustus 1918.
No. 79. 24. augustus 1918.
Verordening.
Art. 1. Artikel 1 der Verordening C. C. Illa, 3387 van 13 juni 1917 wordt als volgi aangevuld: Aan elke jury wordt door het ministerie voor Wetenschappen en Kunsten een bestendig sekretaris toegevoegd. art,
2. De ,Verwaltungschefs (Hoofden van het burgerlijk bestuur) voor Vlaanderen en voor Wallonië zijn met de uitvoering van deze Verordening belast,
Brussel , den 8 Augicstus 1918,
No. 79. 24. augustus 1918.

Verordening betreffende de begeving van een leidende post bij het Belgisch beheer van Posterijen voor het Vlaams bestuursgebied.

Enig Artikel. Met ingang van 1 augustus 1918 wordt benoemd tot algemeen bestuurder hij het Algemeen Sekretariaat van het ministerie van Zeewezen, Posterijen en Telegrafen voor het Vlaams bestuursgebied, te Brussel , de heer H. E. Jacobs, bestuurder van beheer aldaar. De Prasident der Kaiserlich Deutschen Postund Telegraphenverwaliung in Belgien" (Voorzitter van het keizerlijk Duits beheer van Posterijen en Telegrafen in België) is met de uitvoering van deze Verordening belast.
Brussel , den 9 augustus 1918.
No. 79. 24. augustus 1918.
Beschikking. Ter uitvoering der Verordening van 8 Augustus 1918 van den heer Generaal Gouverneur, houdende instelling van een bijzondere kommissie hij het ministerie van Welenschappen en Kunsten, die belast is met de uitvoering van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in de nieuwe onderwijs
Verordeningen, van welke kommissie de heer Richard De Cneudt, afdelingsoverste, hij Beschikking van 15 Augustus 1918 van den heer Generaal Gouverneur, tot hoofd werd benoemd, met den persoonlijken titel van bestuurder aan voornoemd ministerie, beschik ik het navolgende: Tot leden der kommissie zijn benoemd:
a) voor Groot-Brussel : de heren Vrijdaghs en Qu njel, opzieners bij het middelbaar ondervrijs, de heren Schaeps, Tijck, De Paepe en Bouts, schoolopzieners bij het lager onderwijs, ver der de heren Josson, advokaat, Reinhard, Barba en Cortebeek. 230
b) voor de provincies Oosten West-Vlaanderen : de heren van Caneghem, hoofdopziener, Lefèvre, leraar en Dr. Vlaming.
c) voor de provincies Lâmburg en Antwerpen: de heren De Meer, hoofdopzieneff Van Laer, schooiopziener, Gos studieprefekt en Goris Thees, gepensionneerd ondencijzer (Kontich),
Brussel , den 15 Augustus 1918.
No. 79. 24. augustus 1918.
Bekendmaking. –uithangen
Op grond mijner Verordening van 4 juli 1918, betreffende de ,,Ernte-Kommissionen (Oogstkommissies), evenals der uitvoeringsbepalingen van 4 juli 1918 tot deze verordening, heb ik, op voorstel der Zentral Ernte-Kommission (Centrale Oogstkommissie) , de hoogste prijzen voor den verkoop van gedorst koren, zemelen, meel en brood voorshands als volgt vastgesteld:
voor tarwe (mengtarwe) uit stapelplaats of molen geleverd frank 89.48 per 100 kg.
voor rogge (inlandse) uit stapelplaats of molen geleverd 52.20
voor ongepeide spelt uii stapelplcMts of moien geleverd frank 48.20 per 100 kg, voor masteluin uit stapelplaats of molen geleverd 66.20
voor zemelen uit stapelplaats of of molen geleverd * 21.50
voor tarwemeel aan bakkers of verbruikers geleverd 112.47
voor roggemeel aan bakkers of verbruikers geleverd 61.10
voor masteluinmeel aan bakkers of verbruikers geleverd 65.22
voor tarwebrood aan verbruikers geleverd —.86 kg,
Deze hoogste prijzen worden op 1 Septemher 1918 van kracht.
De (provinciale Oogstkommissies) zijn bevoegd, voor de omschrijving van afzonderlijke gemeenten, op verzoek of na raadpleging van de burgemeesters, telkens een lageren hoogsten prijs voor brood, tot het bereiden waarvan roggemeel wordt gebruikt, vast te stellen, Voor den verkoop van koren door de verbouwers aan het Nationaal hulpen Voedingskomiteit blijven de hoogste prijzen, vastgesteld in de uitvoeringsbepalingen tot de verordening van 4 juli 1918, betreffende Ernte-Kommissionen*, van kracht
Brussel, den 15 Augustus 1918,
No. 80. 28. augustus 1918.
Verordening. Onder gedeeltelijke buitenkrachtverklaring van artikel 66, lid 1, der provinciale wet van 30 April 1836, en ter aanvulling mijner
Verordeningen van 17 maart 1917 en 7 februari 1918, betreffende het overdragen van bevoegdheden der Belgische provinciale raden op de Prasidenten der Zivilverwaltungen* (Voorzitters van het burgerlijk bestuur) (Wet en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, hl. 3460, en Wet en Verordeningsblad voor Vlaanderen, hl. 88), worden de . Prasidenten der Zivilvenoaltungen der provincies van het Vlaams bestuursgebied gemachtigd, in vervanging der provinciale raden, na raadpleging van de bestendige afvaardigingen, voor zover deze hun werkzaamheden uitoefenen, de rekeningen van de inkomsten en uitgaven ook voor de jaren voorafgaande aan het dienstjaar 1915 vast te stellen.

Brussel den 6 juli 1918, De hierbovenstaande Verordening wordt voor het Belgisch Etappengebied van kracht verklaard.

Grosses Hauptquartier, den 30 juli 1918.
No. 80. 28. augustus 1918.
Verordening houdende Instelling van een bijzondere Commissie bij het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten.
Art, 1, Bij het ministerie van Wetenschappen en Kunsten wordt een bijzondere commissie ingesteld, die belast is met de uitvoering van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in de Verordening van 4 juni 1918 j houdende wijziging der wet van 15 juni 1914 tot regeling van het hoger onderwijs, en in de Verordening van dezelfden datum betreffende de voertaal in de middelbare onderwijsinrichtingen.
Art. 2. De commissie staat onder de leiding van een bijzonder hoofd, dat den persoonlijke titel voert van bestuurder aan het ministerie. Zij is verder samengesteld uit het vereist aantal leden, die dit ambt ofwel als bijbetrekking uitoefenen ofwel eershalve bekleden, benevens het nodig ondergeschikt personeel. Het hoofd der commissie geniet een maandelijkse vergoeding van 200 frank ; de leden, die hun ambt als bijbetrekking uitoefenen, genieten een maandelijkse toelage van 100 frank ; die, welke hun ambt eersthalve bekleden, een maandelijkse vergoeding van 120 frank.
Art. 3. Behoudens het recht der algemene bestuurders van het middelbaar en van het lager onderwijs om de commissie opdrachten te geven, en den plicht van het hoofd der commissie om aan beide algemene bestuurders verslag te doen, staat de commissie zelfstandig naast de afdelingen van middelbaar en lager onderwijs. Ten einde de algemene bestuurders in kennis te stellen met alle aangelegenheden, die hun afdelingen betreffen, wordt de briefwisseling van de commissie met derde personen of met overheden aan de algemene bestuurders van het middelbaar en van het lager onderwijs ter inzage medegedeeld.
Art. 4. De schoolopzieners moeten voor de gemeenten van Groot-Brussel en van de taalgrens (vgl. Artikel 9 der Verordening van 4 juni 1918, houdende wijziging der wet tot regeling van het lager onderwijs, en Artikel 1 der verordening van 4 juni 1918, betreffende de voertaal in de middelbare onderwijsinrichtingen) aan het hoofd der commissie de namen opgeven van de kinderen, die volgens de verklaring van de hoofden der scholen het onderwijs met het Nederlands als voertaal niet kunnen volgen. Elk dezer kinderen wordt door twee leden van de commissie ondervraagd. Het Hoofd van de commissie maakt de lijst van de kinderen, die volgens den uitslag van de ondervraging, het onderwijs met het Nederlands als voertaal niet kunnen volgen voor de wettelijke erkenning aan den minister over.
Art. 5. Op voorstel van het hoofd der commissie, kunnen telkens twee leden van de commissie worden afgevaardigd om door het bijwonen van het onderwijs en het stellen van vragen, toezicht uit te oefenen op het naleven van de voorschriften betreffende het gebruik der talen in de Klassen der scholen, vermeld in Artikel 9 van de Verordening van 4 juni 1918 het lager onderwijs, en in Artikel 1 der Verordening van dezelfden datum, betreffende de voertaal in de middelbare onderwijsinrichtingen. Het hoofd der commissie brengt regelmatig verslag uit over den uitslag dezer schoolbezoeken. Er zal geen inmenging in de bevoegdheden van het algemeen schooltoezicht plaats hebben.
Art. 6. Alle bestuurs- en gemeenteoverheden evenals de schoolbesturen, schoolopzieners en onderwijzer zijn verplicht aan de uitvoering dezer Verordening m de te werken en aan de leden van de commissie iedere vereiste hulp te verlenen, inzonderheid de gewenste inlichtingen te verschaffen.
Art. 7. De .Verwaltungschef (Hoofd van het burgerlijk bestuur) voor Vlaanderen is met de uitvoering dezer verordening belast.
Brussel, den 8 Augustus 1918,
No. 80. 28. augustus 1918.
Beschikking betreffende de benoeming der leden van de hogere Raad der instellingen van vooruitzicht in Vlaanderen. Op grond van Artikel 7 en 46 der Verordening van 14 maart 1918, betreffende de verzekering tegen ziekte, vroegtijdige gebrekkelijkheid en ouderdom in Vlaanderen (Wet en Verordeningsblad voor Vlaanderen, Nr. 38, hl. 371) en van Artikelen 2 en 3 der Verordening van 4 juli 1918, houdende oprichting van een Hogere Raad der instellingen van vooruitzicht in Vlaanderen (Wet en Verordeningsblad voor Vlaanderen, Nr. 69, hl. 662), beschik ik het navolgende :
Art. 1. Tot leden van den Hogere Raad, zijn voor de eerste maal benoemd, de heren :
1, J. fi. Bellefroid, beheerder van instellingen van vooruitzicht, te Antwerpen.
2 A. Brijs, beheerder van instellingen van vooruitzicht, bijgevoegd volksvertegenwoordiger, te Brussel.
3. E. Busson, beheerder van instellingen van vooruitzickt, te Antwerpen.
4. E, Everaerts, beheerder van instellingen van vooruitzicht, stadsbibliothekaris, te Oostende.
5. E, Goossens, voorzitter van een verbond van onderlingen bijstand, gewezen gemeenteraadslid, te Gent.
6. J. Impe, opziener der apotheken, te Brussel,
7. L. Masfranckx, bestuurder van verzekeringen en ociuafis, te Brussel ,
8 E. Primo, beheerder van instellingen van vooruitzicht, te Temse.
9. J. Rasschaert, nijveraar, te Wetteren.
10. L. Steven beheerder van instellingen van vooruitzicht, bijgevoegd volksvertegenwoordiger, te Brussel.
11. Dr. E. Verhees, algemeen secretaris van het ministerie van Nijverheid en Arbeid, te Brussel.
12. H. A, Vloemans, beheerder van instellingen van vooruitzicht, gewezen gemeenteraadslid, te Antwerpen.
13. Dr. J. Vogels, geneesheer, te Turnhout.
De heer Verhees is tot voorzitter, de heer Brijs tot bestendig verslaggever van den Hogere Raad der instellingen van vooruitzicht benoemd. Nadat de eerste verkiezing voor den Hogere Raad heeft plaats gehad, treden de onder cijfers 1, 3, 4, 8, 9, 10 en 12 genoemde leden af, indien zij niet verkozen worden.
Art. 2. Het ministerie van Nijverheid en Arbeid is met de uitvoering dezer beschikking belast.
Brussel , den 8 Augustus 1918.
No. 80. 28. augustus 1918.
Beschikking. Krachtens artikel 14, 21 en 22 van het koninklijk besluit van 6 oktober 1855, betreffende de ambtelijke ijking der maten en gewichten, wordt besloten : Bij het ijken van de maten, gewichten en weegtoestellen, die gedurende het dienstjaar 1919 aan de ijking onderworpen zijn, zullen de ijkers, overeenkomstig de bestaande bepalingen, volgende ijken bezigen :
1, de thans gebruikte bestendige merken,
2. de periodieke letter u (omega) voor de maten en gewichten, en het cijfer 19 (negentien) voor de weegtoestellen.
Brussel , den 15 Augustus.
No. 80. 28. augustus 1918.
Verordening betreffende de academische wettelijke graden en diploma's van kandidaat en doctor in de wijsbegeerte en letteren, Groep: Archeologie en Kunstgeschiedenis. Voor het Vlaams bestuursgebied bepaal ik :
art 1. Artikel 13 der wet van 10 April 1891, betreffende de begeving der wettelijke graden en het programma der examens van Hoger onderwijs, wordt aangevuld als volgt : Het examen tot den graad van kandidaat in de wijsbegeerte en letteren omvat : Voor de recipiendi, die zich voorbereiden tot den graad van Docter in de wijsbegeerte en letteren : C. kandidaten die zich voorbereiden tot de bijzondere studie van de archeologie en de kunstgeschiedenis : 1. Vertaling en verklaring van Latijnse schrijvers ; 2. Vertaling en verklaring van Duitse, Franse, Engelse of Italiaanse schrijvers (ten minste twee van de vier moderne talen komen in aanmerking) ; 3. Geschiedenis der Nederlandse letterkunde ; 4. Kort begrip der algemene letterkunde ; 5. Terminologie der kunstwetenschap ; 6. Overzicht van de kunstgeschiedenis der Oudheid ; 7. Overzicht van de kunstgeschiedenis van Europa.
Het examen omvat bovendien :
a) voor hen, die meer in het bijzonder de archeologie bestuderen : 1, Vertaling en verklaring van Griekse schrijvers ; 2, Geschiedenis der Oudheid ; 3, Aardrijkskunde der Oudheid;
b) voor hen, die meer in het bijzonder de kunstgeschiedenis bestuderen : 1, Vertaling en verklaring van Nederlandse schrijvers ; 2, Vaderlandse geschiedenis ; 3. Vaderlandse kunst topografie ; 4. Anthropogeographie van den Nederlandsen stam.
De vermelde vakken vereisen ten minste twee jaar studie; het examen wordt in twee gedeelten afgenomen ; de vermelde vakken gelden voor beide studiejaren, uitgenomen het kort begrip der algemene letterkunde, dat voorbehouden is voor het tweede studiejaar, en de anthropogeographie van de Nederlandse stam, die enkel voor het eerste studiejaar geldt. Bij ieder examengedeelte wordt een schriftelijk examen afgelegd ; dit examen omvat een opstel over de terminologie der kunstwetenschappen,
a) voor hen, die meer in het bijzonder de archaeologie bestuderen: een opstel over een onderwerp uit de kunstgeschiedenis der Oudheid ;
b) voor hen, die meer in het bijzonder de kunstgeschiedenis bestuderen : een opstel over een onderwerp uit de kunstgeschiedenis van Europa. Bij ieder examengedeelte behoort ook een proeve in de tekenkunst.
Art. 2. In Artikel 14 der wet van 10 april 1890/3 juli 1891, wordt voor de Staatsuniversiteit te Gent, een nieuwe groep aan de reeds bestaande vijf groepen toegevoegd, namelijk de groep : F. Archeologie en Kunstgeschiedenis.
De groep omvat volgende vakken :
a) voor hen, die meer in het bijzonder de archeologie bestuderen : 1. Encyclopedie der klassieke oudheidkunde ; 2. systeem en terminologie der kunstwetenschap ; 3. Kunstgeschiedenis der gehele Oudheid (Egypte, het oude Oosten, Griekenland, Rome) ; 4. Grondige verklaring van Nederlandse schrijvers ; 5. Grondige verklaring van Latijnse schrijvers (hoofdzakelijk bronnen van de kunstgeschiedenis der Oudheid) ; 6. Grondige verklaring van Griekse schrijvers (als onder 5); 7. Prehistorie ; 8. Ethnographie en kunst der natuurvolken ; 9. Esthetica ; 10. Psychologie ;
Of hen, die meer in het bijzonder de kunstgeschiedenis bestuderen : 1. Encylopedie der kunstgeschiedenis ; 2. Systeem en terminologie der kunstwetenschap ; 3. Kunstgeschiedenis der volken van Europa ; 4. Grondige kennis van de Nederlandse letterkunde ; 5. Vertaling en verklaring van laat-Latijnse schrijvers (hoofdzakelijk bronnen der middeleeuwse kunstgeschiedenis) ; 6. Grondige verklaring van Duitse, Franse, Engelse Italiaanse of Spaanse schrijvers (ten minste twee van de vijf moderne talen komen in aanmerking) ; 7. Kunst topografie van Europa ; 8. Kunstgeschiedenis van de volken van Voor-Azië ; 9. Esthetica ; 10. Psychologie. De vermelde vakken vereisen ten minste twee jaar studie. Het examen kan in eens of in twee gedeelten afgelegd worden. De slotbepalingen van Artikel 14, betreffende het indienen en verdedigen van een academisch proefschrift, gelden eveneens voor groep F.
Brussel , den 15 Augustv 1918.
No. 80. 28. augustus 1918.
Verordening betreffende de academische wetenschappelijke graden en diploma's van kandidaat en licentiaat in de archeologie en de kunstgeschiedenis.
Art. 1. In aansluiting aan de Verordening van heden, betreffende de academische wettelijke graden en diploma's van kandidaat en doctor in de wijsbegeerte en letteren, Groep : Archeologie en Kunstgeschiedenis worden, bij de Faculteit der wijsbegeerte en letteren van de Staatsuniversiteit te Gent de academische wetenschappelijke graden en diploma's van kandidaat en licentiaat in de archeologie en de kunstgeschiedenis ingesteld.
Art. 2. Het onderwijs behelst de volgende vakken : 1. De oude en nieuwe kunstgeschiedenis; 2. De systematiek en terminologie der kunstwetenschap; 3. De kunst topografie; 4. De Latijnse taal; 6. De Nederlandse taal en letterkunde; 6. De algemene letterkunde; 7. De moderne vreemde talen; 8. De oude geschiedenis en aardrijkskunde; 9. De vaderlandse geschiedenis; 10. De prehistorie en de ethnographie; 11. De anthropogeographie; 12. De Estietica en de psychologie; 13. Het tekenen.
Art. 3. Niemand wordt tot het examen van licenciaat toegelaten, indien hij niet den graad van kandidaat verkregen heeft; niemand wordt tot het examen van kandidaat toegelaten, indien hij niet voldoet aan de voorwaarden, gesteld in hiernavolgend Artikel 4.
Art. 4. Tot de colleges in de archeologie en de kunstgeschiedenis, tot de academische wetenschappelijke graad van kandidaat in de archeologie en de kunstgeschiedenis, worden toegelaten:
a) de houders van een der goedgekeurde getuigschriften van volledig middelbaar onderwijs van den hogere graad, voorzien hij de Artikelen 5 lot 7 der wet van 10 April 1890/3 juli 1891, of, hij gebreke daarvan, van een getuigschrift van een der met goed gevolg afgelegde voorbereidende examens, voorzien hij de Artikelen 10 en 12 van voornoemde wet;
b) de houders van het eindgetuigschrift van de handelsafdeling aan een atheneum van het land, of aan een gemeentelijk of vrij onderwijsgesticht van dezelfde graad;
c) de houders van het einddiploma van een staatsmiddelbare normaalschool of van een middelbare normaalschool, die door den Staat erkend is;
d) zij, die met goed gevolg het toegangsexamen, voorzien hij hiernavolgend Artikel 5, hebben afgelegd, ten overstaan van een aan de Faculteit der wijsbegeerte en letteren ingesteld de commissie. In zover de diploma's of getuigschriften waarvan sprake in lit. a), b), c) niet bewijzen, dat de houder een genoegzame kennis van het Latijn bezit, moet hij een aanvullend examen over dit vak afleggen. De hierboven bedoelde getuigschriften, moeten te rekenen van 1 januari 1920 door een onderwijsgesticht afgeleverd zijn, waar het onderwijs overeenkomstig de voorschriften van Artikelen 1 en 2 der Verordening van 4 juni 1918 ingericht is; de hierboven bedoelde examens moeten te rekenen van 1 januari 1920 in de Nederlandse taal afgelegd worden. Op voorstel van de Faculteit van wijsbegeerte en letteren, kan het ministerie van Wetenschappen en Kunsten vrijstelling van deze voorwaarden verlenen.
Art. 5. Het toegangsexamen, voorzien hij Artikel 4, lit. d), loopt over de volgende vakken: 1. De Nederlandse taal en, naar keus van den kandidaat twee der volgende talen: Duits, Frans, Engels, Italiaans; 2. De Latijnse taal; 3. De grondbegrippen der planimetrie en der stereometrie; 4. De grondbegrippen der algemene aardrijkskunde; 5. De algemene en de vaderlandse geschiedenis. Over de hierboven genoemde vakken wordt de kandidaat mondeling ondervraagd. Bovendien moet hij een schriftelijk examen afleggen, dat omvat: 1. Een vertaling uit het Latijn in het Nederlands; 2. Een vertaling uit het Duits Frans Engels of Italiaans in het Nederlands; 3. Een opstel over een onderwerp, rakende de kunstliteratuur of de geschiedenis.
Art. 6. Het examen tot den academische wetenschappelijke graad van kandidaat in de archeologie en de kunstgeschiedenis behelst de volgende vakken : 1. Vertaling en verklaring van Latijnse schrijvers; 2. Vertaling en verklaring van Nederlandse schrijvers; 3. Vertaling en verklaring van Duitse, Franse Engelse of Italiaanse schrijvers (ten minste twee van de vier moderne talen komen in aanmerking); 4. Geschiedenis der Nederlandse letterkunde; 5. Kart begrip der algemene letterkunde; 6. Terminologie der kunstwetenschap; 7. Overzicht van de kunstgeschiedenis der Oudheid; 8. Overzicht van de kunstgeschiedenis van Europa; 9. Geschiedenis en aardrijkskunde der Oudheid; 10. Vaderlandse geschiedenis en kunst topografie; 11, Anthropogeographie van den Nederlandse stam. De vermelde vakken vereisen ten minste twee jaar studie; het examen wordt in twee gedeelten afgelegd; de opgesomde vakken gelden voor beide studiejaren, uitgenomen het kort begrip der algemene letterkunde, dat voorbehouden is voor het tweede studiejaar en de anthropogeographie van den Nederlandse stam, die enkel geldt voor het eerste studiejaar. Bij ieder examengedeelte wordt een schriftelijk examen afgelegd; dit examen omvat:
a) Een opstel over de terminologie der kunstwetenschap;
b) Een opstel over een onderwerp uit de oude of nieuwe kunstgeschiedenis. Bij ieder examengedeelte behoort ook een proeve in de tekenkunst.

art, 7. Het examen tot den academische wetenschappelijke graad van licenciaat in de archeologie en de kunstgeschiedenis behelst de volgende vakken: 1. Systeem en terminologie der kunstwetenschap; 2. Oude en nieuwe kunstgeschiedenis ; 3. Verklaring van Latijnse schrijvers; 4. Grondige verklaring van Nederlandse schrijvers; 5. Verklaring van Duitse, Franse, Engelse, Italiaanse of Spaanse schrijvers (ten minste twee der vijf moderne talen komen in aanmerking); 6. Prehistorie; 7. Ethnographie; 8. Esthetica; 9. Psychologie; 10. Tekenen.
De vermelde vakken vereisen ten minste een jaar studie. Het examen wordt in eens afgenomen. Bij het examen behoort een schriftelijke verhandeling over een opgegeven onderwerp uit de oude of de nieuwe kunstgeschiedenis; de tijdsduur voor deze verhandeling bedraagt tweemaal 24 uren.
Art. 8. De examens (toegangsexamen, overgangsexamen, eindexamen) worden jaarlijks in twee zittingen, de eerste in juli, de tweede in oktober afgenomen. De inschrijvingen worden door het secretariaat der Universiteit aanvaard voor 1 juli, respectievelijk voor 1 oktober. Bij de inschrijving moet het examengeld ten bedrage van 36 frank voor het toegangsexamen, 50 frank voor de overgangsexamens en het eindexamen, alsmede 5 frank voor den dienst der examens, betaald worden.
Art. 9. De commissie die belast is met het afnemen der examens, bestaat uit ten minste 7 leden. Zij worden, op voorstel van de Faculteit, door het ministerie van Wetenschappen en Kunsten, voor een jaar benoemd. Het ministerie van Wetenschappen en Kunsten duidt onder de 7 leden den voorzitter aan. In geval van verhindering van een der leden, draagt de voorzitter zorg voor geschikte plaatsvervanging.
Art. 10. De examens worden in het openbaar gehouden. Zij worden ten minste acht dagen te voren in een plaatselijk blad en ad valvas in de Universiteit aangekondigd.
Art. 11. Ten bewijze dat het examen met goed gevolg is afgelegd, wordt aan den geëxamineerde een getuigschrift afgeleverd. Het formulier van dit getuigschrift wordt door het ministerie van Wetenschappen en Kunsten vastgesteld.
Art. 12. Voor het overige zijn de bepalingen van het koninklijk besluit van 29 juli 1869, betreffende de academische wetenschappelijke en de eerstegraden toepasselijk.
Brussel , 8 augustus 1918.
No. 80. 28. augustus 1918.
Bekendmaking betreffende het buiten koers stellen van de nikkelen vijfentwintig pfennigmuntstukken. Bij bekendmaking van 1 augustus 1918 van den heer Reichskanzler (Rijkskanselier) (B. G. Bl, U. 990) zijn de nikkelen vijfentwintigp fennigstukken buiten koers gesteld. Te rekenen van 1 oktober 1918 zijn zij niet meer te beschouwen als wettig betaalmiddel. Binnen het Duits Rijk aanvaarden de Reichs und Landeskassen (rijks en landskassen) nog ten laatste tot 1 januari 1919 nikkelen vijfentwintigpfennigstukken tegen de wettige waarde hetzij in betaling, hetzij ter uitwisseling met Reichsbanknoten (rijksbankbriefjes), met Reich kassenscheine (rijkskasbons), met Darlehenskassenscheine (voorschotkasbons) of, voor bedragen van minder dan 1 mark met klinkende munt. Binnen het gebied van het Generaal Gouvernement in België worden nikkelen vijfentmntigjpfennigstukken ten laatste tot 1 januari 1919 in betaling of ter uitwisseling aangenomen door al de openbare Duitse kassen. Deze kassen zijn echter niet verplicht doorboorde of op andere wijze dan door den gewone omloop aan gericht verminderde alsook nagemaakte muntstukken in betaling of ter uitwisseling te aanvaarden.
Brussel , den 17 augustus 1918,
No. 80. 28. augustus 1918.
Verordening ter uitvoering van Artikel 9 der Verordening van 4 juni 1918, houdende wijziging van de wet van 15 juni 1914 op het lager onderwijs. De termijn (10 September 1918), bepaald in de verordening van 5 Augustus 1918 (C. FI. Illa, 4799, Wet en Verordeningsblad, hh 760), cijfer II, wordt tot op 15 oktober 1918 uitgesteld.
Brussel , den 27 augustus 1918
No. 81. 31. augustus 1918.
Verordening ter uitvoering van artikel 1 der Verordening van 4 juni 1918, betreffende de voertaal in de inrichtingen voor middelbaar onderwijs. De termijn (10 September 1918), bepaald in de verordening van 5 Augustus 1918 (C. FI Ille 4800, Wet en Verordeningsblad, bl 761) wordt tot op 15 oktober 1918 uitgesteld.
Brussel den 27 augustus 1918.
No. 81. 31. augustus 1918.
Bekendmaking betreffend het bekleden van ambten b de Duitse gerechtsoverheden in Vlaanderen.
De heer Generaal Gouverneur heeft benoemd:
1. tot Prâsident des Kaiserlichen Obergerichts" (Voorzitter van het Keizerlijk Opperste Gerechtshof) voor Vlaanderen te Brussel: den heer Koenige, Beichsgerichtsrat;
2. bij het KaiserHches Bezirksgericht" (Keizerlijke distriktrechtbank) te Brussel: tot toezichtvoerend Bezirksrichter (distriktrechtet): den heer Dr. Forstmann, Koniglich Pre,ssischen Landgerichtsdirektor, Geheimen Ju tizrat; tot , .Bezirksrichtem : den heer Dr. Hesleneld, Konigiich Baerischen Oherlandesgerichtsrai; den heer Dr, Wrede, Kânigiich Preussischen Landgerichtsrat; den heer Hetihner, Konigiich Sachsischen Oberamts richter; den heer Dr, Wolfhard, Grossherzoglich Badischen Landgerichtsrat;
3. bij de Staatsanwaltschaft" (parket) te Brassel: tot Ersten Staatsanwalt" (eerste lid van het parket): den heer Dr. Tittei, Konigiich Sachsischen Oberstaatsanwalt; iot Siaatsanwalten\ den heer Dr. Kaiser, Konigiich Sachsischen Staatsanwalt; den heer Dr, Hesse, Konigiich Preussischen AmtS richter; den heer Bendheim, Hessischen Rechtsanioalt; den heer Dr. Wunderlich, Preiissischen Rechtsanwalt; den heer Ritter, Konigiich Baerischen Amtsanwalt; den heer Kuttig, Konigiich Preussischen Gerichtsassessor; den heer Strzoda, Konigiich Preussischen Gerichts assessor;
4. tot Justizkommissaren** (rechterlijke kommissarissen) te Bnissel: bij het Jv tizkommis$ariat F* (gerechtelijk kommissariaat I): den heer Dr, Dealer, Wûrttemhergischen BechtsanwaXt; den heer Goldmann, Preussischen RechUanicalt und Notar; bij het Justizkommissari€U IF: den heer Ju stizrat MarxJieimer, Preustisehen Rechtsanuxilt; den heer Ullmer, Badischen Rechtsanwalt;
5. bij het Kaiserliches Bezirksgericht" te Antwerpen : tot toezichtvoerend Be2irksrichter\den heer Dr. BartelS Rat am Hanseatischen Oberlandesgericht Hamburg; tot Bezirksrichtern" : den heer Dr. Schuherg, Grossherzogiich Badischen Landgerichtsrat; den heer Keuneke, Hamburgischen Amtsrichter; den heer Kuntze, Konigiich Preussischen Landgerichtsrat;
6. bij de Staatsanwaltschaft" te Antwerpen: tot Ersten Staatsanwalt" : den heer Dr. Hollaender, Konigiich Preussischen Landgerichtsdirektor; tot ,,Staatsanwalten" : den heer Dr. Fromm, Hamburgischen Landrichter; den heersteinhomer, Liibeckischen Bechtsanwalt; den heer Klockgether, Bremischen Amtsrichter;
7. tot Justizkommissar" te Antwerpen: den heer Daugardt, Reichslandischen Rechtsanwalt;
8. bij het Kaiserliches Bezirksgericht" te Leuven: tût toezichtvoerend Bezirksrichter*: den heer Hertzog, Konigiich Baerischen Oheramtsrichter;
9. bij de Staatsanwaltschaft" te Leuven: tot toezichtvoerend StaatsanwalV : den heer Schumacher Konigiich Baerischen Oheramtsrichter; tot Staatsanwalf\den heer Dr. Borner, Konigiich Preussischen Gerichtsassessor;
10. bij het Kaiserliches Bezirksgericht* te Hasselt: tot toezichtvoerend Bezirksrichter*\ den heer List, Konigiich Baerischen Amtsrichter; IL bij de Staat8anwaltschaft* te Hasselt: tot toezichivoerend StaatsanwalV\den heer Dr. Mielke, Koniglich Pretissùchen Landrichter; tot SUiatsanwalV\ den heer Dr. Erich Schulz, Koniglich Preussischen Gerichtsassessor.
Brussel, den 16 augustus 1918.
No. 81. 31. augustus 1918.
Beschikking. art, 1. In uitvoering van Artikel 2 der Verordening Illdk van 8 Augustus 1918 van den heer Generaal Gouverneur, is de heer Richard De Cneudt, afdelingsoverste aan het ministerie van Wetenschappen en Kunsten, benoemd tot hoofd der hij het Hoger vermeld ministerie ingestelde bijzondere kommissie, die belast is met de uitvoering van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in de nieuwe onderwijsverordeningen, Hij voert den persoonlijke titel van bestuurder aan het ministerie van Wetenschappen en Kunsten en geniet, benevens zijn huidige wedde, een maandelijkse vergoeding van 200 frank (tweehonderd frank), waarop geen afhouding mag worden gedaan.
Art. 2. De Verwaltungschef (Hoofd van het burgerlijk bestuur) voor Vlaanderen is met de uitvoering dezer beschikking belast,
Brussel , den 17 Augustus 1918.
No. 81. 31. augustus 1918.
Beschikking.
Art. 1. Zijn benoemd tot leden van de jury, die dit jaar belasti is met het afnemen, te Gent, van het examen van lerares in de huishoudkunde hij het middeibaar onderwijs en met de leergangen voorbereidend tot dat examen:
Voorzitster: Mevr. Sondervorst Verhuch, opzienster van het middelbaar onderwijs; Secretaresse: Mej. È. De Guchtenaere, bestuurster der Rijks Middelbare Meisjesnormaalschool te Gent;
Leden: 1. Mevr. Schram-Van de Wal, lerares te Schaarbeek; 2. Mevr. Van Herstraeten, lerares te Gent; 3. de heer Dr. jur. Van Acker, leraar aan de Rijks Middelbare Normaalschool te Brussel.
Art. 2. De Verwaltungschef* (Hoofd van het burgerlijk bestuur) voor Vlaanderen is gemachtigd afwezige juryleden te doen vervangen.
Art. 3. De secretaresse van de jury roept de leden van de jury alsook de kandidaten ter zitting op.
Art, 4. De Verwaltungschef voor Vlaanderen is met de uitvoering dezer *Beschikking belast.
Brussel , den 17 Augustus 1918.
No. 81, 31. augustus 1918.
Bekendmaking. Bij Verordeningen van 30 juli en 5 augustus 1918 van den heer Generaal Gouverneur in België, zijn in het Vlaams bestuursgebied de in onderstaande lijst opgesomde Belgische postbeambten en -bedienden bevorderd tot den dienstgraad, aangegeven in de 3e kolom:

Postontvangerij naam Dienstgraad
Mechelen 2 Daemêf J. eerstaanw. hoofdbesteller
Brussel Hoofd beheer der Posterijen Stnavt L. 0, bureeloverste
Brussel 1 Coeman, A. J, L, eerstaanw. hoofdbesteller
Brussel 1 Verbist, A. eerstaanw. hoofdbesteller
Brussel 1 Bacu, J. F. eerstaanw. hoofdbesteller
Brussel 1 Vanderwaeren, P. eerstaanw. hoofdbesteller
Brussel 1 Prince, V. eerstaanw. hoofdbesteller
Brussel 1 Hoders, J. eerstaanw. hoofdbesteller
Brussel 1 De Pauto, P. J. eerstaanwezend. hoofdbesteller
Brussel Patrie, V. J. 0. Le Brun, A, J, eerstaanwezend hoofdbesteller

postontvangerij naam Dienstgraad
BrussdiDienst der Spaarkas) Simon, V. J. hoofdklerk
BrussdiDienst der Spoorwegkantoren) Danhier, A. 0. F. hoofdklerk
Aniwerpen 1 Klebanck, F. J. H. bureeloverste
Antwerpen 1 Naets, P. A. hoofdklerk
Antwerpen 1 Ceulemans, J. A, hoofdklerk
Antwerpen 7 Cleman, E. J. hoofdklerk
Boom Van Uffelen, J. L. hoofdklerk
Lier VandenBusch,A.A.F. bureeloverste
Sint-Niklaas Metsers, H. H. M. hoofdklerk
Brussel 1 Blanjean, G. J. hoofdklerk
Brussel 1 Dubois, 0. D. J. hoofdklerk
Laken 1 Van Musen, J. M. bureeloverste
Ukkel 1 Thidmans, C. H. hoofdklerk
Leuven 1 Dekeser, J. B. hoofdUerk
Leuven 1 WUmes, C. J, E. hoofdklerk
Brussel den 14 Augustus 1918.
No. 81. 31. augustus 1918.
Bekendmaking. De heer Generaal Gouverneur heeft, hij beschikking van 17 Augustus 1918, het aan Professor Dr. Hoffmann, rector der Universiteit te Gent, verleend verlof tot een jaar verlengd; diens vervanging als rector blijft opgedragen aan Professor Dr. Speleers.
Brussel , den 17 Augustus 1918.
No. 82. 4. september 1918.
Verordening betreffende de oprichting eener Technische Hogeschool bij de Staatsuniversiteit te Gent
Art. 1. De Technische Scholen, ingericht krachtens de organische wet van 15 juli 1849 de koninklijke besluiten van 25 januari 1897 en 30 oktober 1900, de ministeriële Beschikkingen van 30 januari 1897 en 14 november 1900 en de Verordening van 21 februari 1918 en toegevoegd aan de faculteit der wiskunde en der natuurwetenschappen der Universiteit te Gent, worden ingericht tot een Technische Hogeschool bij de Staatsuniversiteit te Gent.
Art. 2. Het onderwijs wordt gegeven in het Nederlands. Bij het onderwijs in de moderne talen kunnen echter ook deze talen gebruikt worden.
Art. 3. De Technische Hogeschool omvat de volgende vijf afdelingen:
I. de afdeling der burgerlijke bouwkunde;
II. de afdeling der bouwkunst;
III. de afdeling der werktuigbouwkunde der scheepsbouwkunde en der electrotechniek;
IV, de afdeling der nijverheidskundige en der scheikundige technologie:
V. de afdeling der mijnbouwkunde.
Art. 4. Het onderwijs in elk dezer afdelingen behelst: A. de voorbereidende studie; B. de eigenlijke vakstudie.
A. DE VOORBEREIDENDE STUDIE. Hiertoe behoort de volgende leerstof:
1 de wiskundige analyse;
2. de waarschijnlijkheidsrekening;
3. de analytische meetkunde;
4. de beschrijvende meetkunde;
5. de theoretische mechanica (statica; dynamica);
6. de grafostatica en de nomografie;
7. de hoofdbegrippen der sterrenkunde en der aardmeetkunde;
8. de proefondervindelijke natuurkunde en de beginselen der theoretische natuurkunde;
9. de anorganische en de organische scheikunde;
10. de werktuigkundige technologie;
11. de toegepaste mechanica (kynematica; dynamica);
12. het handtekenen en het technisch tekenen;
13. taaloefeningen.
Daarenboven: I. In de afdeling der burgerlijke bouwkunde:
14. de toepassingen der beschrijvende meetkunde;
15. de perspectief;
16. de kennis van bouwstoffen;
17. de beginselen der bouwkunst;
18. de algemene delfstof kunde.

II In de afdeling der bouwkunde:
19. de toepassingen der beschrijvende meetkunde;
15. de perspectief;
16. de kennis van bouwstoffen;
17. de bouwkunst.
III. In de afdeling der werktuigbouwkunde, der scheepsbouwkunde en der elektrotechniek :
14. de toepassingen der beschrijvende meetkunde;
15. de beginselen der bouwkunst.
IV. In de afdeling der nijverheidskundige en der scheikundige technologie:
14. de analytische scheikunde en de docimasie;
15. de physische scheikunde;
16. de kennis van bouwstoffen;
17. de beginselen der paleontologie;
18. de algemene delfstofkunde.
V. In de afdeling der mijnbouwkunde:
14. de analytische scheikunde en de docimasie;
15. de physische scheikunde;
16. de beginselen der bouwkunst;
17. de beginselen der paleontologie;
18. de algemene delfstofkunde.
Het leerplan voor de wis en natuurkundige vakken der voorbereidende studie wordt, krachtens wederzijdse overeenstemming tussen de Technische Hogeschool en de faculteit der wiskunde en der natuurwetenschappen, door deze laatste ten uitvoer gebracht.
B. DE EIGENLIJKE VAKSTUDIE.

Hiertoe behoort de volgende leerstof:
I. In de afdeling der burgerlijke bouwkunde:
1, de toegepaste mechanica (leer der vastheid hydraulica);
2. de kennis van bouwstoffen en de technologie der ambachten;
4. Het landmeten en waterpassen;
4. de burgerlijke bouwkunde (aanleg van schouwkunde; brugbouw);
6. de bouwkunst (woningen en bedrijfsgebouwen); de werktuigbouwkunde (beschrijving en toepassing der werktuigen; werktuigonderdelen, werktuigkundige technologie);
7. de delfstofkunde en de aardkunde;
8. de technische natuurkunde;
9. de technische scheikunde;
10. de metallurgie;
11. de elektrotechniek;
12. het spoorwegwezen;
13. de bedrijfsleer (economisch en psychotechnisch);
14. de staats en maatschappijleer (staathuishoudkunde; bestuurswetenschap; sociale wetgeving);
15. de technische hygiëne;
16. de geschiedenis der bouwkunst.
II In de afdeling der bouwkunst:
1. de toegepaste mechanica (leer der vastheid; hydraulica);
2. de kennis van bouwstoffen en de technologie der ambachten;
3. het landmeten en waterpassen;
4. de burgerlijke bouwkunde (aanleg van wegen; funderingen; brugbouw);
5. de bouwkunst (woningen; monumentale gehouwen; bedrijfsgebouwen);
6. de stedenhouw, de landelijke houwkunst en de parken tuinaanleg);
7. de kunstgeschiedenis;
8. de vormenleer, stijlleer en compositie;
9. de bouwstijlen, meer in het bijzonder de Nederlandse en de hedendaagse bouwstijlen;
10. de aardkunde;
11. de technische natuurkunde;
12. de technische scheikunde;
13. de bedrijfsleer (economisch en psychotechnisch);
14. de staats en maatschappijleer (staathuishoudkunde; bestuurswetenschap; wetgeving op de bebouwing; sociale wetgeving; handelsrecht);
15. de technische hygiëne.
III. In de afdeling der werktuigbouwkunde, der scheepsbouwkunde en der elektrotechniek :
1. de toegepaste mechanica (leer der vastheid; hydraulica);
2. de kennis van bouwstoffen;
3. de werktuigbouwkunde (beschrijving en toepassing der werktuigen; werktuigonderdelen; werktuigkundige technologie);
4. de technische natuurkunde;
5. de technische scheikunde;
6. de metallografie;
7. de metallurgie;
8. de elektrotechniek inzonderheid de elektromotoren;
9. de bedrijfsleer (economisch en psychotechnisch);
10. de staats en maatschappijleer [staathuishoudkunde; bestuurswetenschap; sociale wetgeving; handelsrecht;
11. de technische hygiëne.
Daarenboven:
a) voor de studenten in de werktuigbouwkunde:
12. nadere onderwerpen uit de werktuigbouwkunde;
13. de mechanische warmteleer;
14. de mechanische meettechniek;
15. de bedrijfsgebouwen.
b) voor studenten in de scheepsbouwkunde:
12. de scheepsbouwkunde;
13. bijzondere onderwerpen uit de werktuigbouwkunde (bouw en toepassing van scheepswerktuigen en van hulpwerktuigen op schepen);
14. de toepassing der elektriciteit op schepen;
15. de inrichting van havens en waterwegen, scheepswerven en droogdokken;
16. de zeevaartkunde en de maritieme meteorologie;
17. de economische aardrijkskunde;
18. het volkenrecht.
c) voor studenten in de elektrotechniek:
12. de mechanische warmteleer;
13. de elektrische meettechniek;
14. de bouw der elektrische werktuigen;
15. de berekening en de aanleg van elektrische inrichtingen;
16. de zwakstroomtechniek;
17. de elektrochemie en de elektro metallurgie;
18. de toepassing der elektriciteit in de hygiëne;
19. de meteorologie;
20. de bedrijfsgebouwen.
IV. In de afdeling der nijverheidskundige en der scheiktindige technologie:
1. de hdraulica;
2. de werktuigbouwkunde (beschrijving en toepassing der werktuigen; werktuigonderdelen; werktuigkundige technologie);
3. de physische scheikunde;
4. de mechanische warmteleer;
5. de technische natuurkunde;
6. de technische scheikunde;
7. de metllographie;
8. de metallurgie;
9. de elektrotechniek;
10. de elektrochemie;
11. de technologie der ambachten;
12. de bedrijfsgebouwen;
13. de bedrijfsleer (economisch en psychotechnisch);
14. de staats en maatschappijleer (staathuishoudkunde, sociale wetgeving, handelsrecht);
15. de technische hygiëne;
16. de economische aardrijkskunde.
Daarenboven:
a) voor studenten in de nijverheidskundige technologie :
17. de leer der vastheid;
18. bijzondere onderwerpen uit de werktuigbouwkunde (verbrandingsmotoren en gasgeneratoren; stoomturbines; gereedschapswerktuigen; regulateurs; elektromotoren) ;
19. de mechanische meettechniek;
20. de nijverheidskunde.
b) voor studenten in de scheikundige technologie:
17. de analytische scheikunde;
18. de delfstofkunde;
19. de microbiologie;
20. de microscopische anatomie;
21. de scheikundige technologie.
V. In de afdeling der mijnbouwkunde:
1. de toegepaste mechanica (leer der vastheid; hydraulica);
2. de kennis van bouwstoffen;
3. het landmeten en waterpassen;
4. de werktuigbouwkunde (beschrijving en toepassing der werktuigen; werktuigonderdelen; werktuigkundige technologie);
5. de physische scheikunde;
6. de analytische scheikunde;
7. de delfstofkunde (met inbegrip der petrografie) en de aardkunde (met inbegrip der formatiën en der ertslagenkunde);
8. de technische natuurkunde;
9. de technische scheikunde;
10. de metallurgie;
11. de mijnbouwkunde (waaronder mijn meten en karteren, ontwerpen van mijn werken, mijnontginning);
12. de bedrijfsgebouwen;
13. de elektrotechniek;
14. het spoorwegwezen;
15. de bedrijfsleer (economisch en psychotechnisch);
16. de staats en maatschappijleer (staathuishoudkunde; bestuurswetenschap; sociale wetgeving; mijnrecht; statistiek);
17. de technische hygiëne;
18. de economische aardrijkskunde.
Verdere uitwerking en nadere wijziging van dit leerplan blijven voorbehouden.
Art. 5. De Technische Hogeschool verleent de academische wettelijkè graden en diplomas van:
1. kandidaat ingenieur;
2. ingenieur der burgerlijke bouwkunde;
3. mijningenieur.
Art. 6. De Technische Hogeschool verleent de academische wetenschappelijke graden en diploma's van:
1. kandidaat-ingenieur;
2. ingenieur der burgerlijke bouwkunde;
3. bouwkundig ingenieur;
4. werktuigkundig ingenieur;
5. scheepsbouwkundig ingenieur;
6. elektrotechnisch ingenieur;
7. nijverheidskundig ingenieur of technoloog;
8. scheikundig ingenieur of technoloog;
9. mijningenieur.
Art. 7. De Technische Hogeschool heeft het recht, de academische graad en het diploma te verlenen van : doctor in de technische wetenschap (doctor-ingenieur).
Art. 8. De Technische Hogeschool verleent de wetenschappelijke graden en diplomas van:
1. kandidaat bouwleider;
2. gediplomeerd bouwleider. Deze treden in de plaats der tot nu toe bestaande graden en diploma's van leerling-civiel conducteur en civiel-conducteur.
Art. 9. Het diploma van den academische wettelijke graad van kandidaat-ingenieur, vermeld onder 1 in artikel a wordt uitgereikt na ten minste twee jaren voorbereidende studie volgens leerplan vastgesteld voor de afdelingen der burgerlijke bouwkunde en der mijnbouwkunde, en na het afleggen van een examen in twee gedeelten. De diploma s van de academische wettelijke graden van ingenieur der burgerlijke bouwkunde en van mijningenieur vermeld onder 2 en 3 in Artikel 5, worden uitgereikt aan kandidaat-ingenieurs van den academische wettelijke graad na ten minste drie jaren vakstudie, volgens leerplan vastgesteld voor de afdelingen der burgerlijke bouwkunde en der mijnbouwkunde, en na het afleggen van een examen in drie gedeelten.
Art. 10. Het diploma van den academische wetenschappelijke graad van kandidaat-ingenieur, vermeld onder 1 in Artikel 6, wordt uitgereikt na ten minste twee jaren voorbereidende studie, volgens leerplan vastgesteld voor de onderscheiden afdelingen der Technische Hogeschool en na het afleggen van een examen in twee gedeelten.

De diploma s van de academische wetenschappelijke graden van ingenieur der burgerlijke bouwkunde, bouwkundig ingenieur, werktuigkundig ingenieur, scheepsbouwkundig ingenieur elektrotechnisch ingenieur , nijverheidskundig ingenieur of technoloog, scheikundig ingenieur of technoloog en mijningenieur, vermeld onder 2 tot 9 in Artikel 6, worden uitgereikt aan kandidaat-ingenieurs van den academische wettelijke of van den academische wetenschappelijke graad, na ten minste drie jaren vakstudie, volgens leerplan vastgesteld voor de onderscheiden afdelingen der Technische Hogeschool, en na het afleggen van een examen in drie gedeelten.
Art. 11. Het diploma van doctor in de technische wetenschap kan aan ingenieurs van een der academische wettelijke graden of der academische wetenschappelijke graden, vermeld in Artikels 5 en 6, worden uitgereikt op grond van een wetenschappelijk werk over een theoretisch of praktisch onderwerp uit de techniek, gedurende of na den regelmatige studietijd op te stellen, en een daarbij aansluitende wetenschappelijke bespreking.
Art. 12. Het diploma van den wetenschappelijke graad van kandidaat-bouwleider, vermeld onder 1 in Artikel 8, wordt uitgereikt na ten minste een jaar voorbereidende studie, volgens daarvoor vastgesteld leerplan, en na het afleggen van een examen in cens. Het diploma van den wetenschappelijke graad van gediplomeerd bouwleider, vermeld onder 2 in Artikel 8, wordt aan kandidaat-bouwleiders uitgereikt na ten minste twee jaren vakstudie, volgens daarvoor vastgesteld leerplan, en na het afleggen van een examen in twee gedeelten.
Art. 13. Met het onderwijs aan de Technische Hogeschool zijn belast, hoogleraren en docenten aan die Hogeschool zelve, alsmede hoogleraren en docenten in de faculteiten der Universiteit of aan de andere hij de Universiteit bestaande Hogere Scholen. De aan de onderscheiden hoogleraren en docenten der Technische Hogeschool opgedragen leerstof en toegekende bezoldigingen worden door de regering vastgesteld.
Daarnevens worden hoofdassistenten, assistenten en technische hulpleerkrachten naar behoefte aangesteld. Bovendien kunnen voor enkele voordrachten ook worden aangewezen, mannen van bijzondere verdienste op het gebied van wetenschap of techniek, en staande buiten de Hogeschool. Tot de Technische Hogeschool worden toegelaten, naar gelang van hunne voorbereiding en het doel hunner studiën:
a) gewone studenten;
b) vrije studenten;
c) toehoorders.
Alleen de gewone studenten worden toegeiaten tot de examens bedoeld in de Artikelen 9 tot 12.
Art. 15. Afzonderlijke regelingen zullen verschijnen:
1. betreffende de leerkrachten der Hogeschool, betreffende het bestuur der Hogeschool en betreffende de betrekking der Hogeschool tot de Universiteit;
2. betreffende rechten en plichten der studenten;
3. betreffende de vereisten voor de toelating en de toelatingsexamens;
4. betreffende de examens ter verkrijging der graden en het formulier der getuigschriften en diploma's;
5. betreffende college en examengelden en verdere stortingen, vereist voor het bezoeken der Hogeschool en het deelnemen aan de examens;
6. betreffende het besturend personeel,
OVERGANGSBEPALINGEN.
Art. 16. De Technische Hogeschool kan aan studenten, die in den loop van het academisch jaar 1918—1919 of vroeger hunne technische studiën aan een Hogeschool hebben aangevangen, onder de vroegere voorwaarden, de tot nog toe voorziene wetenschappelijk graden en diploma's van :
1 leerling-ingenieur;
2, civiel-ingenieur;
3. werktuigkundig ingenieur;
4. scheepshouwkundig ingenieur;
5. elektrotechnisch ingenieur;
6. nijverheidskundig ingenieur of technoloog;
7. scheikundig ingenieur of technoloog tot nadere regeling nog verlenen.
Art. 17. Bovenstaand leerplan wordt naar de mate der voorhanden erkende behoeften geleidelijk ten uitvoer gebracht. Het stadium van ontwikkeling blijkt telkens uit het jaarlijks opgemaakt programma der lessen der Universiteit te Gent.
Brussel, den 15 Augustus 1918,
No. 83. 7. september 1918.

Verordening betreffende de borgstelling van onder toezicht staande of onder dwangbeheer geplaatste verzekeringsondernemingen.
Enig Artikel. De Abteilung fur Handel und Gewerbe** (Afdeling voor Handel en Nijverheid) bij den Generaal Gouverneur in België is gerechtigd, van de verzekeringsondernemingen, die krachtens de Verordeningen van 26 november 1914 (Wet en Verordeningsblad voor de bezette gebieden van België, bl. 49), van 17 februari 1915 (Wet en Verordeningsblad, bl. 178) of van 23 juni 1917 (Wet en Verordeningsblad, bl. 3921) onder toezicht of dwangbeheer geplaatst zijn, met het oog op de levering van de bepalingen dezer Verordeningen, alsmede van de op grond dezer Verordeningen getroffen schikkingen, borgtocht en te eisen. De ,,Abteilung fiir Handel und Gewerbe** kan bedoelde borgtochten geheel of ten dele ten bate van het Duits Rijk vervallen verklaren, wanneer leden van den raad van beheer, bestuurders of aangestelden een overtreding begaan, Verdere maatregelen tegen de overtreders blijven voorbehouden,
Bruussel, den 23 Met 1918
No. 83. 7. september 1918.
Verordening tot verhoging van de porten en rechten op binnenlandse postverzendingen en telegrammen. Met ingang van 1 oktober 1918 gelden de porten en rechten, vermeld in de hiernavolgende label, voor binnenlandse postverzendingen en telegrammen,
Brussel 20 Augustus 1918.
TABEL van de porten en rechten, die met ingang van 1 oktober 1918 gelden voor binnenlandse postverzendingen en telegrammen.
Nummer Voorwerp Gewicht of bedrag Porten en rechten centiem
1 Brieven (zonder beperking van gewicht) tot 20 gr. 20 voor iedere 20 gr. meer 10
2 Postkaarten, en brief 10 met antwoord — 20
3 Onbedrukte stukken * (drukwerk tot 1kg.) to S Ogr 5 meer dan 50 en tot 100 gr. 10 100 250 15 250 500 30 500 1000 45
4 Opschreven stukken (zaakpapieren)(tot 1 hg.) tot 250 gr. 15 meer dan 250 en tot 500 gr. 30 meer dan 500 en tot 1000 gr. 45
5 Stalen van koopwaren (tot 350 gr.) tot 100 gr. 10 meer dan 100 en tot 250 gr. 15 meer dan 250 en tot 350 gr. 30
6 Paketten (tot 5 kg.) tot 5 kg. 75
7 Invorderingswaar zonder onderscheid van geden wicht 45
8 Postwissels(tot 800 mark) tot 5 mark 15 meer dan 5 en tot 100 M. 30 100 ,, 200 M. 45 200 ,, 400 M. 60 400 600 M. 75 600 ,, 800 M. 85
9 Telegrammen per woord 15(mtn. bedr.lfr.)
No. 83. 7. september 1918.
Verordening. De Artikelen 8 en 9 der wet van 15 juni 1914 tot regeling van het lager onderwijs, gewijzigd bij Artikel 3 der verordening van 4 juni 1918 houdende wijziging van Hogervermelde wet, worden voor het jaar 1918 door volgende bepalingen vervangen:
Art. 8. In de tweede helft van de maand augustus, moeten de gemeentebesturen de lijst van de schoolplichtige kinderen overmaken aan den kantonnale schoolopziener. Zij zullen daarvoor het formulier gebruiken dat tot dusver te dien einde voorgeschreven was. In de eerste helft van de maand september, wordt in iedere gemeente door de gemeenteoverheid een oproep, die door den bevoegden kantonnale schoolopziener ondertekend w, bij plakbrief ter algemene kennis gebracht, aan de gezinshoofden et aan te herinneren welke verplichting de wet hun oplegt en welke gevolgen het niet nakomen dezer verplichting na zich sleept. In dezen oproep dient de aandacht er nadrukkelijk op te worden gevestigd, dat het ieder gezinshoofd vrij staat, zijn kinderen te zenden naar de school welke hij verkiest (op voorwaarde nochtans, dat deze school voldoet aan de voorschriften der wet van 15 juni 1914, zoals die is gewijzigd bij Verordening van 4 juni 1918), en, dat het verboden is enigerlei dwang uit te oefenen om hem een school op te dringen, welke niet de school zijner keuze zou zijn. In den oproep dient verder uitvoerig de hoofden gewezen op de betekenis der getuigschriften van hoger onderwijs en op de gevolgen van het niet verwerven dezer getuigschriften voor het gezinshoofd en voor de kinderen ( Artikel 11, laatste lid, der wet van 15 juni 1914, zoals die is gewijzigd bij Verordening van 4 juni 1918, en Artikel 3 der Verordening van 4 juni 1918, betreffende den toegang tot openbare ambten), Er worden geen onderrichtingen noch aanmeldingskaarten meer gezonden, zoals dat tot dusver het geval is geweest. In vervanging van de aanmeldingskaarten, moeten de hoofden van scholen, 8 dagen na het hervatten der leergangen, den kantonnale schoolopziener een lijst overmaken van de kinderen, die het onderricht in hun school volgen.
Art. 9. Gezinshoofden, die binnen 8 dagen na de heropening van de scholen in de gemeeente, waar zij verblijf houden, hun kinderen noch in een gemeenteschool, noch in een aangenomen of aanneembare school hebben aangegeven, noch den kantonnale schoolopziener hebben medegedeeld waar zij liun kinderen laten onderwijzen, moeten door den kantonnale schoolopziener met de post schriftelijk worden aangemaand, binnen 8 dagen het bewijs te leveren, dat zij aan de verplichting, hun door Artikel 1 der wet van la juni 1914 tot regeling van het lager onderwijs opgelegd, voldoen. Is die aanmaning bij het verstrijken van den termijn zonder gevolg gebleven, dan moet de kantonnale schoolopziener de nalatige gezinshoofden, wegens het niet nakomen der hun door Artikel 1 der wet opgelegde verplichting, bij de voor de bestraffing van schoolverzuimen bevoegde overheid aanklagen.
Brussel , den 22 Augustus 1918.

No. 83. 7. september 1918.
Verordening.
Art, 1, Voor de huishoudscholen van den lageren graad en de kinderkribben binnen het Vlaams bestuursgebied, die een staatstoelage genieten, wordt een staatstoezicht ingesteld, Een opzienster zal met het toezicht belast worden.
Art. 2, De opzienster pleegt overleg met de besturen der betreffende inrichtingen en bezoekt ten minste tweemaal jaars de huishoudscholen en kinderkribhen, die haar door het bestuur van het hoger onderwijs worden aangewezen. Om de drie maanden brengt zij aan het ministerie van Wetenschappen en Kunsten verslag uit over den toestand der inrichtingen en over haar bevindingen, gedurende de schoolbezoeken opgedaan. Artikelen 2,7 en 9 van de Algemene Verordening op het schooltoezicht van 21 September 1884, zijn dienovereenkomstig van toepassing inzake bevoegdheid, benoeming en ontslag.
Art. 3. De toezichtsdienst omvat 3 klassen. De wedde, aan iedere klasse verbonden, is vastgesteld als volgt : le*Klasse 3500-4000 frank 2e 3000-3300 3e 2500-2800 De verhogingen van wedden worden verleend na 4 jaren onberispelijken dienst. De opzienster le klasse, die gedurende 4 jaren de hoogste wedde van 4000 frank genoten heeft, kan een buitengewone verhoging van 500 frank bekomen.
Art. 4. De vergoedingen voor reis en verblijfkosten worden vastgesteld overeenkomstig de bepalingen, die bij koninklijk besluit van 30 April 1885 voor de 4e klasse getroffen zijn, met inachtneming van mijn Verordening van 30 maart 1918.
Art. 5. De Verwaltungschef (Hoofd van het burgerlijk bestuur) voor Vlaanderen is met de uitvoering dezer verordening belast.
Brussel , den 22 Augustus 1918.
No. 83. 7. september 1918.
Verordening betreffende de vergoeding voor dienstreizen.
Art. 1, De in de bestaande tarieven voorziene vergoedingen voor reis en verblijfkosten wegens dienstreizen van staatsambtenaren en bedienden en van andere in het belang van den Staat werkzame personen, zijn voor het gebied van het Belgisch Beheer van Posterijen voor het Vlaams bestuursgebied, voorshands algemeen met 50 % verhoogd.
Art. 2. De ,Kaiserlich Deutsche Postund Telegraphenverwaltung in Belgien (keizerlijk Duits Beheer van Posterijen en Telegrafen in België) is gemachtigd zelfstandig andere hoogste en geraamde bedragen vast te stellen dan die, welke naar de bestaande bepalingen voor reis en verblijfkosten bij dienstreizen vastgesteld zijn of vastgesteld kunnen worden.
Art. 3. De bepalingen van deze Verordening zijn met terugwerkende kracht toepasselijk op dienstreizen, die sedert 1 oktober 1917 ondernomen werden.
Art. 4. De Prasident der Kaiserlich Deutschen Postund Telegraphenverwaltung in Belgien (Voorzitter van het keizerlijk Duits Beheer van Posterijen en Telegrafen in België) is met de uitvoering dezer Verordening belast.
Brussel, 22 Augustus 1918.
No. 83. 7. september 1918.
Bekendmaking. De heer Generaal Gouverneur heeft bij beschikking van 24 Augustus 1918 de heer B. J. Hubreghts, buitengewoon professor in de faculteit der Rechtsgeleerdheid bij de Universiteit te Gent, op zijn verzoek uit zijn ambt van beheerder der Universiteit te Gent ontslagen en hoofdingenieur professor E. P. Van den Berghe, bestuurder der aan de Universiteit te Gent toegevoegde Technische Hogeschool tot beheerder benoemd.
Brussel den 24 Augustus 1918,
No. 83. 7. september 1918.
Beschikking, betreffende de bevoegdheid der twee provinciale opzieners van het Beheer der rechtstreekse belastingen en en accijnzen in Brabant. Aangezien bij Verordening van 13 April 1917 (Wet en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, nr. 335 hl. 3597 en vlg.), het arrondissement Nijvel van de provincie Brabant gescheiden en aan de provincie Henegouwen toegevoegd werd; Aangezien verder bij Verordening van 19 januari 1918 (Wet en Verordeningsblad voor Vlaanderen, nr. lO bl. 88 en vlg.) de nodige schikkingen getroffen zijn, met het oog op het heffen der staats en provincie belastingen in het arrondissement Nijvel; Aangezien eindelijk bij besluit van 25 April 1918 van den heer Generaal Gouverneur (Wet en Verordeningsblad nr. 44 bl. 432 en vlg.), de inrichting van het Beheer der rechtstreekse belastingen, tollen en accijnzen in de provinciën Brabant en Henegouwen dienovereenkomstig gewijzigd werd: Beschik ik, op grond van Art. 9 van het koninklijk besluit van 30 december 1913 (Staatsblad van 7 januari 1914, nr. 7), met betrekking op de bevoegdheden der provinciale opzieners van het Beheer der rechtstreekse belastingen, tollen en accijnzen, in Brabant, met wijziging van Art. 2, leden 11 en 111, van het besluit van 22 oktober 1912, van den Minister van Financiën, v. 3031 [zie bijlage B van voornoemd koninklijk besluit t van 30 december 1913), het navolgende:
Enig Artikel.
De Inspectie-Noord omvat: de gebieden der belastingcontroles Aarschot, Diest, Laken, Leuven (le Afd.), Leuven (2e Afd.), Sint-Jans-Molenbeek, Sint Joost-ten-Noode, Schaarbeek, Tienen (le Afd.), Tienen (2e Afd.) en VUvoorde. De Inspektie-Zuid omvat:
1) de gebieden der heUuting controles: Anderlecht, Assche, Brussel (le Afd.), Brussel (2e Afd.), Brussel (3e Afd.), Brussel (4e Afd.), Elsene, Halle, Leerbeek, Sint-GUlis en Ukkel;
2) de tolinspektie Brussel.
Brussel , den 29 Augustus 1918
No. 83. 7. september 1918.
Uitvoeringsbepalingen –uithangen tot de Verordening, houdende inbeslagneming van gerst, haver, rogge en late aardappelen, tabak en chicorei (suiker) uit den oogst van 1918.
Ter uitvoering der Verordening van 21 februari 1918, houdende inbeslagneming van gerst, enz. uit den oogst van 1918, bepaal ik voor Vlaanderen, betreffende de benuttiging van de late aardappelen, het navolgende:
Art. 1. De bevoegde ,,Zivilkommissar (burgerlijke Kommissaris) bepaalt welke hoeveelheid ieder gemeente af te leveren heeft. De verdeling der te leveren hoeveelheden over de verschillende landbouwers geschiedt door de gemeente, onder het toezicht van den Zivilkommissar\ Landbouwers, die niet meer aardappelen hebben verbouwd dan 1 are per kop van hun gezin, kunnen door de gemeente van de afleveringsverplichting ontslagen worden; ook kan de gemeente, bij de verdeling van de af te leveren hoeveelheden, rekening houden met het verschil in het voortbrengingsvermogen van den grond, met de algemene uitgestrektheid van het aardappelland, met het aantal personen waaruit een gezin bestaat en met andere soortgelijke omstandigheden; een en ander evenwel onder het beding, dat de hoeveelheid, die de gemeente in het gebied af te leveren heeft, daardoor niet verminderd wordt, Zolang overeenkomstig Artikel 3, de vrije koop en verkoop in een arrondissement niet toegelaten mogen de aardappelen alleen opgekocht worden door de ,,Kartoffel versorgungsstelle der Verwaltungschefs fur Flandern und Wallonien (Aardappelbevoorradingskantoor bij de Hoofden van het burgerlijk bestuur voor Vlaanderen en voor Wallonië), te Brussel. Het opkopen, laden en verzenden der aardappelen geschiedt hetzij door de bevoegde Zivilcommisareen hun opkopers, hetzij door de anderszins door de Kartoffelversorgungsstelle gemachitigde opkoopkantoren.
Art. 2. De afleveringsplichtige moet de hem opgelegde hoeveelheden afleveren, tenzij hij bewijst dat hij, buiten zijn schuld, daartoe niet in staat is. De Zivilkommissare zijn gerechtigd, termijnen voor te schrijven voor het indienen van bezwaren tegen de vastgestelde te leveren hoeveelheid en de behandeling der bezwaren te regelen; zij zijn ook bevoegd, de gemeente of den afzonderlijke verbouwer een geldboete van 1 tot 10 mark op te leggen voor ieder kilogram, dat te weinig wordt afgeleverd. De gemeente en de te weinig leverende landbouwers kunnen voor de betaling dier geldboete hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld. De Zivilkommissare" zijn bovendien gerechtigd, nadere schikkingen uit te vaardigen, betreffende den aard der leveringen en het tijdstip waarop zij behoren te geschieden; zij zijn inzonderheid ook gemachtigd gedeeltelijke leveringen te gelasten en den inkoopprijs te verlagen voor de aardappelen, die niet binnen den door hen voorgeschreven termijn afgeleverd werden. De inkoopprijs bedraagt, overeenkomstig § 2 van de verordening van 21 februari 1918, 25 frank per 100 kg. De af te leveren aardappelen moeten goed uitgezocht worden; zij moeten, zorgvuldig van aarde ontdaan, ten minste 3x4 cm dik zijn . De gemeenten zijn gerechtigd, bij den verkoop der aardappelen aan de verbruikers, tot dekking van de onkosten een passende bijslag te doen betalen. Winst mogen zij daarbij niet verwezenlijken. art, 3. Zolang al de gemeenten van een arrondissement de hun opgelegde afleveringsverplichting niet nagekomen zijn of de vervulling er van niet gewaarborgd hebben, is het verboden binnen het arrondissement aardappelen te kopen of te verkopen of er op eenige andere wijze over te beschikken; voor het vervoer van aardappelen is alsdan een vervoerbewijs vereist. Dit geldt ook voor voorgewende overschotten.
De Zimlkommissar is gerechtigd, reeds op een vroeger tijdstip den handel en het vervoer vrij te verklaren in gedeelten van het arrondissement of in gemeenten die zich van hun afleveringsverplichting gekweten hebben. Alle verdragen, in strijd met deze bepaling gesloten, zijn ongeldig. De termijn, waarop al de gemeenten van een arrondissement worden aanzien als hebbende hun aflevering gedaan of gewaarborgd, wordt door den Zivilkommissar in het arrondissement of in de gemeente bij plakbrief ter openbare kennis gebracht. Van dan af mogen de aardappelen binnen het arrondissement zonder de minste beperking gekocht, verkocht en vervoer d worden. Voor het vervoer naar een ander arrondissement, is de toelating vereist van den Zivilkommissar* van het arrondissement van herkomst, tenzij de handel in beide arrondissementen vrijverklaard is.
Art. 4. Het rantsoen voor verbruikers die hun aardappelen niet zelf hebben verbouwd, is vastgesteld op 200 gr. per kop en per dag. De gemeenten zijn gerechtigd, uit de hoeveelheden, die zij overeenkomstig Artikel 1 moeten opbrengen, met inachtneming van dit rantsoen, te voorzien in de behoefte van de eigen verbruikers, die zelf geen aardappelen hebben verbouwd. De bevoorrading binnen de gemeente geschiedt door bemiddeling van den burgemeester. Deze geeft de vervoertoelating door het afleveren van vervoerbewijzen.
Art. 5. In zover een gemeente, die de benodigde hoeveelheid aardappelen voor haar inwoners niet kan winnen op eigen gebied, doch de ontbrekende hoeveelheid uit een andere gemeente van hetzelfde arrondissement kan betrekken, geschiedt haar bevoorrading door bemiddeling van den Zivilkommissar Deze geeft de vervoertoelating binnen het arrondissement door het afleveren van vervoerbewijzen.
Art. 6. Inzover een arrondissement de benodigde hoeveelheid aardappelen niet uit eigen voorraden kan betrekken (verbruiksarrondissementen), geschiedt de bevoorrading door de arrondissementen, waar de aardappelverbouw de behoeften van het arrondissement overtreft (lever end arrondissement) en wel door bemiddeling van de Kartoffelversorgungsstelle Deze geeft de vervoertoelating door het afleveren van vervoerbewijzen of door het afstempelen van vrachtbrieven.
Art. 7. Het is verboden:
a) aardappelen voor nijverheidsdoeleinden te gebruiken of uit inlandse aardappelen gewonnen voortbrengselen te koop te stellen of te verkopen;
b) aardappelen te vervoederen, vooraleer het arrondissement de opgelegde hoeveelheid heeft afgeleverd ( Artikel 3),
Art. 8. Van de aardappelen, die den landbouwer overblijven nadat de afleveringsverplichting is nagekomen, moet hij vooreerst het nodige plantgoed voor den verbouw in het jaar 1919 afnemen. De voor plantgoed bestemde hoeveelheid is te bepalen volgens de oppervlakte, die in 1918 met aardappelen beplant was, en wel tegen 2000 kg. per ha. De Zivilkommissar is gerechtigd, de voor plantgoed bestemde hoeveelheid te verhogen, volgens een door de gemeente op te maken verdelingsrooster. Het is verboden plantgoed te verbruiken of er anderszins over te beschikken. Nopens het ruilen van plantgoed worden nadere bepalingen uitgevaardigd.
Art. 9. De burgemeester kan, zelfs alvorens de gemeente zich van de haar opgelegde leveringsverplichting heeft gekweten, den uitvoer toestaan van de voortbrengst van 1 are per hoofd van het gezin, aan personen die niet in de gemeente woonachtig zijn, doch er aardappelen verbouwd hebben. Aanvragen tot vervoer van aardappelen van eigen gewin moeten, op het daartoe voorgeschreven formulier, gericht worden aan den burgemeester der gemeente waar zij werden gewonnen. De formulieren zijn verkrijghaar hij de Zivilkommissare De Zivilkommissar bepaalt of en in welke mate de leveringsverplichting van de gemeente ten gevolge van dezen uitvoer wordt verminderd.
Art. 10. De verbruiksgemeenten en de leverende gemeenten zijn verplicht, op aanzegging van de Kartoffelversorgungsstelle de vereiste opslagplaatsen in onberispelijke toestand ter beschikking te stellen voor de door de voortbrengers geleverde aardappelen. De gemeenten hebben het recht, te dien einde, zich op hun gebied bevindende opslagplaatsen in gebruik te nemen. De .Zivilkovimissaf stelt de daarvoor te betalen vergoeding vast ingeval geen overeenkomst getroffen wordt.
Art. 11. Personen die daartoe van de Kartoffeiversorgungsstelle of van de Zivilkommissare machtiging hebben bekomen, zijn gerechtigd percelen en lokalen van leveringsplichtigen te betreden, en de bebouwde oppervlakte alsook de aanwezige voorraden vast te stellen. Zij zijn eveneens gerechtigd reeds voor het einde van den oogst, den omvang van den gedeeltelijke oogst vast te stellen en het bewijs te vorderen waar het geoogste gedeelte zich bevindt.
Art. 12. Betwistingen betreffende leveringen van aardappelen worden uitsluitend door een scheidsgerecht beslecht, voor het tot elk nadere bepalingen voorbehouden blijven.
Art. 13. De aandacht van de belanghebbenden worden er op gevestigd, dat, wie de bepalingen dezer Verordening of de ter uitvoering er van uitgevaardigde aanwijzingen en schikkingen overtreedt, overeenkomstig § 7 der Verordening van 21 februari 1918, houdende inbeslagneming van gerst enz., met een geldboete van ten hoogste 20.000 mark of met een gevangenisstraf van ten hoogste 5 jaar wordt gestraft. Ook kan de verbeurdverklaring der voorwerpen waarmede de strafbare handeling werd begaan of die tot het ongeoorloofd vervoer van in beslag genomen veldvruchten hebben gediend, uitgesproken worden
Brussel den 11 september 1918,
No. 84. 11. september 1918.
Verordening –uithangen betreffende de aangifte van slachtingen.
Artikel, 1. Ter uitbreiding der verplichting tot de aangifte van slachtingen aan huis en van noodslachtingen verordening 3534 van 7 juni 1917, betreffende het slachten aan huis van rundvee, kalveren, varkens, schapen en geiten (Wet en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, hi. 3867) — verorden ik hierbij, dat ook elke andere slachting van slachtvee [runderen (kalveren er hij begrepen), varkens, schapen, geiten] binnen 24 uren, onder opgave van de diersoort, schriftelijk moet worden aangegeven bij den bevoegden burgemeester, die, zoals tot dusver, de aangiften aan den Kreischef overmaakt.
De houder van de slachterij en de onderzoekende veearts of keurmeester zijn verplicht de aangifte te doen. Slachtingen in openbare slachthuizen zijn aan te geven aan het bestuur van het slachthuis, dat deze aangiften, op de daartoe bestemde lijst.en overgedragen, regelmatig aan den burgemeester moet mededelen.
Artikel. 2. Overtredingen worden met een gevangenisstraf van ten minste een maand en ten hoogste een jaar en met een geldboete van ten minste 1000 mark en ten hoogste 10.000 mark of met een dezer straffen gestraft. Bovendien kan de verbeurdverklaring van het dier, dat geslacht is zonder dat de voorgeschreven aangifte gedaan werd, of van de opbrengst van den verkoop uitgesproken worden. - De poging tot overtreden is strafbaar. De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.
Art. 3. Deze Verordening wordt 3 dagen na haar bekendmaking van kracht.
Brussel , den 27 Augustus 1918.

No. 84.-11. september 1918.
Verordening -uithangen betreffende de verplichting te slachten in openbare slachthuizen en in bijzonder toegelaten private slachter||en, alsmede betreffende de keuring van ingevoerd vlees.
Art. 1. Slachtvee [runderen (kalveren er bij inbegrepen) , varkens, schapen, geiten] mag alleen in openbare slachthuizen of in bijzonder toegelaten private slachterijen worden geslacht. In gemeenten waar geen openbare slachthuizen bestaan, bepalen de Kreischefs na de Kreisveterinare (arrondissementsveeartsen) te hebben gehoord, waar het vee moet geslacht worden. Waar geen openbare slachthuizen bestaan, zullen zoveel doenlijk slechts de slachterijen worden toegelaten van slachters, die regelmatig het bedrijf uitoefenen. De Gouverneure (gouverneurs) kunnen voorschrijven, dat het openbaar slachthuis een gemeente ook door de slachters van naburige gemeenten, tegen betaling van de geldende rechten, moet gebruikt worden. De aldus aangewezen slachterijen moeten in de betrokken gemeenten ter algemene kennis worden gebracht. Het is verboden in andere slachterijen te slachten. Deze schikking is niet toepasselijk op noodslachtingen en slachtingen aan huis, die overeenkomstig de Verordening van 7 juni 1917, betreffende het slachten aan huis van rundvee, kalveren, varkens, schapen en geiten (Wet en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, bl. 3867), gedaan worden. De slachter moet over alle slachtingen boekhouden overeenkomstig bijgaand model.
Art. 2. De Gouverneurs kunnen beschikken, dat het in bepaalde gemeenten ingevoerd vlees dadelijk na den invoer naar een keurdienst wordt gebracht en dat het slechts in den handel mag komen, nadat het door dun dienst vrijgegeven is. art,

Art. 3. Wie deze Verordening of de grond et van uitgevaardigde schikkingen overtreedt, wordt met een gevangenisstraf van ten minste 1 maand en ten hoogste jaar en met een geldboete van ten minste 1000 en ten hoogste 10.000 mark, of met een dezer straffen gestraft. Daarenboven kan het vlees dat voortkomt van in strijd met het verbod geslachte dieren, of in strijd met de getroffen schikkingen in den handel wordt gebracht, of de opbrengst van den verkoop, verbeurdverklaard worden. De poging tot overtreden is strafbaar. De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.
Art. 4. Deze Verordening wordt van kracht 3 dagen na de bekendmaking van de toegelaten slachterijen,
Brussel, den 27 Augustus 1918.
No. 84. 11. september 1918.
Opmerkingen uitgevoerd naar Ter plaatse verkocht
Levend gemerkt en prijs van het dier
Naam en adres van den vroegeren bezitter
Geiten Schapen Varkens i 1
Kalveren tot 5 maanden
Jonge runderen van 3 m. tot 2 j.
Koeien Ossen Stieren ¦1 i 1 1

No. 84. 11. september 1918.
Verordening betreffende de bescherming van inrichtingen voor elektrische lichten drijfkrachtoverbrenging. art, L Wie binnen het gebied van het Generaal Gouvernement inrichtingen voor elektrische overbrenging met opzet beschadigt of verstoort, wordt met een gevangenisstraf van ten hoogste 10 jaar gestraft, zover volgens de bestaande wetten en verordeningen, geen zwaardere straf is voorzien.
Benevens de gevangenisstraf kan een geldboete van ten hoogste 25.000 mark opgelegd worden. De poging tot overtreden is strafbaar.
Slechts op verzoek van de Hauptstelle fur Gas, Wasser und Elektrizitat (Hoofdkantoor voor gas, water en elektriciteit) te Brussel, wordt een vervolging ingesteld.
Art. 2. De krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.
Art. 3. Wordt de dader niet ontdekt, dan heeft de gemeente, op welker gebied de beschadiging of de bedrijfsstoring werd gepleegd, zich aan geldboeten of aan andere straffen te verwachten.
Brussel, den 29 augustus 1918
No. 84. 11. september 1918.
Verordening betreffende de voorwaarden tot aanvaarding en de toegangsexamens aan de Technische Hogeschool b|j de Staatsuniversiteit te Gent Overeenkomstig Artikel 15 der Verordening van 15 Augustus betreffende de oprichting een Technische Hogeschool hij de Staatssuniversiteit te Gent, worden, aangaande de voorwaarden tot aanvaarding en de toegangsexamens aan deze Hogeschool, volgende bepalingen uitgevaardigd:
Art. 1. Als gewone studenten der Technische Hogeschool kunnen door den Rector der Universiteit worden ingeschreven personen, die in het bezit zijn van een getuigschrift van bekwaamheid tot de studie aan die Hogeschool en het voornemen te kennen geven, de door het gewoon programma voor elk regelmatig examen tot het bekomen van de verschillende graden en diploma's voorgeschreven colleges en oefeningen te volgen. art, 2. Het door Artikel 1 vereiste getuigschrift wordt verkregen door het met goed gevolg afleggen van een toegangsexamen, ten overstaan van een hij de Technische Hogeschool ingestelde commissie of ten overstaan van de goedkeuringsjury (voorzien hij Artikel 7 en volgende der wet van 10 April 1890—3 juli 1891, gewijzigd bij Verordening van 13 juli 1917 — C. C. nu 3387). Dit toegangsexamen wordt afgenomen volgens een der hiernavolgende programma's A, B, C en I).
A. Het examen volgens het programma A geeft toegang tot het eerste studiejaar in de afdelingen: 1, der burgerlijke bouwkunde; III. der werktuigbouwkunde,IV der scheepsbouwkunde en der elektrotechniek; V. der mijnbouwkunde.

Het loopt over de volgende vakken:
a) de Nederlandse taal en letterkunde;
b) drie andere talen, door den examinandus te kiezen uit de volgende: Duits, Engels, Frans, Italiaans, klassieke talen;
c) de geschiedenis en de aardrijkskunde;
d) de rekenkunde en de stelkunde;
e) de meetkunde;
f) de driehoeksmeting;
g) de analytische meetkunde van het platte vlak;
h) de beschrijvende meetkunde met toepasselijk tekenen;
i) de natuurkunde; k) het handtekenen. 344
Het examen volgens programma A treedt in de plaats van het voorbereidend examen tot verwerving van den wettelijke graad van kandidaat-ingenieur voorzien bij artikel 12 der wet van 10 April 1890.
B. Het examen volgens programma B geeft toegang tot het eerste studiejaar in de afdeling: II. der bouwkunst. Het loopt over de volgende vakken:
a) de Nederlandse taal en letterkunde;
b) drie andere talen, door den examinandus te kiezen uit de volgende: Duits, Engels, Frans, Italiaans, klassieke talen;
c) de geschiedenis en de aardrijkskunde;
d) de rekenkunde en de stelkunde;
e) de meetkunde;
f) de driehoeksmeting;
h) de beschrijvende meetkunde met toepasselijk tekenen;
i) de natuurkunde;
k) het handtekenen
l) het ornamenttekenen,
C. Het examen volgens programma C geeft toegang tot het eerste studiejaar in de afdeling: V. der nijverheidskundige en der scheikundige technologie. Het loopt over de volgende vakken:
a) de Nederlandse taal en letterkunde;
b) drie andere talen, door den examinandus te kiezen uit de volgende: Duits, Engels, Frans, Italiaans, klassieke talen;
c) de geschiedenis en de aardrijkskunde;
d) de rekenkunde en de stelkunde;
e) de meelkunde;
f) de driehoeksmeeting;
h) de beschrijvende meetkunde met toepasselijk tekenen;
i) de natuurkunde;
j) de scheikunde;
k) het handtekenen.
D. Het examen volgens programma D geeft toegang tot de studie voor den graad van kandidaat bouwleider. Het loopt over de volgende vakken:
a) de Nederlandse taal;
b) twee andere talen, door den examinandus te kiezen uit de volgende: Duits, Engels, Frans, Italiaans, Latijn;
c) de geschiedenis en de aardrijkskunde;
d) de rekenkunde en de stelkunde;
e) de meetkunde;
f) de driehoeksmeting;
h) de beschrijvende meetkunde met toepasselijk tekenen;
i) de natuurkunde;
k) het handtekenen.

De houders van een bekrachtigd getuigschrift, waaruit blijkt, dat zij met vrucht een zesjarigen cursus van de Grieks-Latijnse van de Latijnse of van een der beide afdelingen van de moderne humaniora tot en met de klasse der Retorica hebben gevolgd, zijn vrijgesteld van het gedeelte van het toegangsexamen, aangeduid met de letters h) en c) der onderscheidene programma’s. Op verzoek van den belanghebbende kan, in uitzonderlijke gevallen, door den voorzitter der commissie worden toegestaan:
1. Het vak
a) van een der programma's A, B, C o/ D te vervangen door een andere taal en letterkunde dan de Nederlandse, mits het Nederlands worden opgenomen onder de drie (of twee) talen, waarin volgens letter h) examen moet worden afgelegd;
2, Voor een der drie (of twee) te kiezen talen een andere taal op te geven dan de onder h) opgenoemde. De uitvoerige omschrijving van de onderscheiden programma s der toegangsexamens wordt bij Verordening van den Minister van Wetenschappen en Kunsten geregeld.
Art. 3. De toegangsexamens worden jaarlijks in twee zittijden afgenomen, waarvan de eerste in augustus en de tweede in oktober plaats heeft. In bijzondere omstandigheden kan door den Minister van Wetenschappen en Kunsten op andere tijdstippen een buitengewone zittijd worden bepaald. De aanvangsdag van elke zittijd wordt, ten minste een maand te voren, in het Wet en Verordeningsblad, benevens in twee plaatselijke Gentse bladen bekend gemaakt, en in de Universiteitsgebouwen uitgehangen. Tegelijk wordt te kennen gegeven, waar en wanneer gelegenheid bestaat tot inschrijven . Bij deze inschrijving behoort te worden aangegeven volgens welk der programma's A, B, C en D, alsook in welke der talen, opgesomd onder b) in die programma s, men examen wenst af te leggen.
Art. 4. De commissie, belast met het afnemen van de examens, bestaat uit ten minste vijf leden. Voorzitter er van is de bestuurder der Technische Hogeschool of zijn plaatsvervanger. De overige leden worden op voorstel van den Raad van Professoren door den Minister van Wetenschappen en Kunsten voor een jaar benoemd. De voorzitter draagt, bij verhindering van een der leden, zorg voor geschikte plaatsvervanging, benevens bij gebleken noodzakelijkheid voor het examen in vreemde talen, voor geschikte aanvulling.
Art. 5. Het examen in ieder vak moet zoveel mogelijk afgenomen worden door den professor of docent die aan de Hogeschool in dat vak onderwijs geeft. Behalve professoren en docenten aan de Technische Hogeschool kunnen, zo nodig, ook professoren en docenten in de faculteiten of aan de andere bij de Universiteit bestaande hogere scholen tot de commissie behoren en met het afnemen van de examens belast worden.
Art. 6. De examens worden voor een gedeelte schriftelijk, voor een gedeelte mondeling afgenomen. Het mondeling gedeelte heeft plaats in het openbaar. Examinandi mogen bij het examen geen toehoorders zijn. De overige bepalingen betreffende de wijze, waarop de examens zijn af te nemen, worden vastgesteld in een reglement, dat door den Raad van Professoren wordt opgemaakt. Dit reglement behoeft de goedkeuring van den Minister van Wetenschappen en Kunsten.
Art. 7. De uitslagen der examens voor ieder vak worden door de betreffende examinatoren vastgesteld. Voor ieder ingeschreven kandidaat beslist de examencommissie bij meerderheid van stemmen der leden, die aan de ondervraging hebben deelgenomen, alsmede van den voorzitter, of het examen al dan niet met goed gevolg is afgelegd. Bij staking van stemmen wordt de uitslag als ongunstig beschouwd.
Art. 8. Aan elke geëxamineerde, die het examen met goed gevolg heeft afgelegd, wordt een getuigschrift afgeleverd. Het formulier hiervan wordt bij ministeriële verordening vastgesteld.
Art. 9. Jonge lieden die de vereiste voorwaarden om als gewone studenten te worden aangenomen niet ten volle vervullen, maar toch kunnen bewijzen, voldoende bekwaamheid te bezetten om de studiën, waarin zij meldng stellen, met vrucht te volgen, kunnen door den Rector der Universiteit als vrije studenten der Technische Hogeschool worden ingeschreven. Het onderzoek naar hun bekwaamheid is opgedragen aan de examencommissie vernoemd in Artikel 4, die over hare beslissing verslag uitbrengt aan de Rector.
Art. 10. Personen van rijpere leeftijd kunnen tot afzonderlijke colleges of oefeningen door den Rector der Universiteit als toehoorders aan de Technische Hogeschool worden toegelaten, mits goedvinden van de betreffende professoren of docenten en op gunstig advies van den Raad van Professoren der Hogeschool, Overgangsbepalingen .
Art. 11. Tot het eerste studiejaar in de onderscheiden afdelingen der Technische Hogeschool kunnen, in het academisch jaar 1918—1919, als gewone studenten worden toegelaten ook degenen, die voor de bevoegde commissie bij de Staatsuniversiteit te Gent met goed gevolg examen hebben afgelegd volgens het programma, tot nog toe geldende voor het voorbereidend examen tot den wettelijke graad van kandidaat ingenieur en omschreven in het ministerieel besluit van 30 januari 1897.
Art. 12. Tot het eerste studiejaar voor den wetenschappelijke graad van leerling-ingenieur ( Artikel 16 der verordening van 15 augustus 1918, C. FI. lllh 1854/18) en van kandidaat-bouwleider ( Artikel 12 der zelfde verordening) kunnen, in het academisch jaar 1918—1919, als gewone studenten worden toegelaten degenen, die voor de bevoegde commissie bij de Staatsuniversiteit te Gent met goed gevolg examen hebben afgelegd volgens het programma, tot nog toe geldende voor het toegangsexamen tot de studie voor den graad van leerling-ingenieur en van leerling civiel conducteur, en omschreven in het ministerieel besluit van 20 januari 1897.
Art. 13. Alle gewone of vrije studenten der voormalige technische scholen bij de Staatsuniversiteit te Gent kunnen, in het academisch jaar 1918—1919, hunne studiën aanvangen of voortzetten als gewone of vrije studenten in de overeenkomstige afdeling der Technische Hogeschool, mits zich ie gedragen naar de aanwijzingen van den Raad van Professoren.
Art. 14. Voor alle verdere aangelegenheden, in verband met de toelating tot de Technische Hogeschool, waarin vooralsnog geen regeling is getroffen, gelden de wettelijke voorschriften en reglementen betreffende de voormalige technische scholen, toegevoegd aan de faculteit der Wiskunde en der Natuurwetenschappen der universiteit te Gent.
Brussel den 29 Augustus 1918
No. 85. 14. september 1918.
Verordening houdende splitsing van den dienst der elektriciteit van het Belgisch Bestuur van Bruggen en Wegen.
Art. 1. De bij koninklijk besluit van 27 februari 1905 voor het gebied van het Bestuur van Bruggen en Wegen te Brussel ingestelde studie en toezichtdienst der toepassingen van elektriciteit die van het ministerie van Landbouw en Openbare Werken afhangt is te rekenen van 1 Augustus 1918 gesplitst voor de beide bestuursgebieden Vlaanderen en Wallonië. Van dit tijdstip af is de bevoegdheid van de bestaande dienst beperkt tot het Vlaams bestuursgebied; de voor Wallonië in te richten bijzondere dienst van de afdeling der burgerlijke gebouwen wordt aan het ministerie van Landbouw en Openbare Werken te Namen toegevoegd.
Art. 2. De ,,Verwaltungschefs" (Hoofden van het burgerlijk bestuur) voor Vlaanderen en Wallonië zijn met de uitvoering dezer Verordening belast,
Brussel , den 22 Augustus 1918.

No. 85. 14. september 1918.

Verordening betreffende de vergoeding voor dienstreizen.
Art. 1. De in de bestaande tarieven voorziene vergoedingen voor reis en verblijfkosten wegens dienstreizen van staatsambtenaren en -bedienden en van andere in het belang van den Staat werkzame personen, zijn voor het gebied van het Vlaams ministerie van Financiën voorshands algemeen met 50 % verhoogd.
Art. 2. De .Verwaltungschef (Hoofd van het burgerlijk bestuur) voor Vlaanderen en de ,,Leiter der Finanzahtei lung (leider van de Afdeling van Financiën) zijn gemachtigd, elk voor zijn bestuursgebied, zelfstandig andere hoogste en geraamde bedragen vast te stellen dan die.welke naar de bestaande bepalingen voor reis en verblijf kosten bij dienstreizen vastgesteld zijn of vastgesteld kunnen worden.
Art. 3, De bepalingen van deze Verordening zijn met terugwerkende kracht toepasselijk op dienstreizen, die sedert 1 oktober 1917 ondernomen werden.
Art. 4. De Verwaltungschef voor Vlaanderen en de Leiter der Finanzabteilung zijn, elk voor zijn bestuursgebied, met de uitvoering dezer verordening belast.
Brussel , den 22 Augustus 1918.

No. 85. 14. september 1918.
Verordening houdende wijziging der voorwaarden tot aanvaarding aan de Hogere School voor Handelswetenschap en aan de Hogere Land en Tuinbouwschool bij de Staatsuniversiteit te Gent. In aansluiting aan Artikel 3 der Verordening C. FI. Illa. 1803 van 4 juni 1918, betreffende de voertaal in de middelbare onderwijsinrichtingen, bepaal ik het navolgende:
Enig Artikel. Artikel 1 van elk der beide Verordeningen C. C. Illh 2383 en 2384 van 20 juni 1918, betreffende de voorwaarden tot aanvaarding en de toegangsexamens aan de Hogere School voor Handelswetenschappen aan de Hogere Land en Tuinbouwschool bij de Staatsuniversiteit te Gent is aangevuld als volgt: De hiervoren vermelde getuigschriften moeten afgeleverd zijn door een onderwijsinrichting, waar het onderwijs volgens de voorschriften van Artikelen 1 en 2 der Verordening C. FI. Illo, 1803 van 4 juni 1918 is ingericht. De hiervoren vermelde examens moeten in het Nederlands worden afgelegd. Deze voorwaarden zijn toepasselijk van 1 januari 1920 af; het ministerie van Wetenschappen en Kunsten kan, op voorstel van het leraarskorps, in afzonderlijke gevallen vrijstelling verlenen.
Brussel , den 29 Augustus 1918.

No. 85. 14. september 1918.
Beschikking. art, 1. Op grond van Artikel 7 van het koninklijk besluit van 21 September 1884, wordt voor het jaar 1918 een jury ingesteld die belast is met het afnemen van het examen van kantonnaal schoolopziener.
Art. 2. Om tot het examen te worden toegelaten, moeten de kandidaten:
1) houder zijn van een wettig diploma van hoger onderwijzer of van buitengewoon leraar van middelbaar onderwijs, lageren graad;
2) ten minste tien jaar dienst hebben in een der hiernavermelde lagere onderwijsinrichtingen: gemeentescholen, aangenomen scholen, vrije scholen, voorbereidende afdelingen bij de Rijksmiddelbare scholen, gemeente en vrije scholen van middelbaar onderwijs, Rijks en aangenomen normaalscholen en de daaraan toegevoegde oefenscholen.
Art. 3. De Verwaltungschef (Hoofd van het burgerlijk bestuur) voor Vlaanderen is met de uitvoering van deze beschikking belast.
Brussel , den 31 Augustus 1918.
No. 85. 14. september 1918.

Beschikking. De hij beschikking Illa 3892 van 23 juli 1918 van den heer Verwaltungschef (Hoofd van het burgerlijk bestuur) voor Vlaanderen ingestelde jury, belast met het afnemen van het ingangsexamen en van het overgangsexamen van hei eerste naar het tweede jaar in de Rijksmiddelbare Jongens en Meisjesnormaalscholen te Gent en te Brussel , is gemachtigd het examen van kandidaat-lerares af te nemen van Mej. Craha, Lacdle.
Brussel , den 31 augustus 1918.

No. 85. 14. september 1918.
Uitvoeringsbepalingen
Verordening van 8 Augustus 1918, betreffende groenten en peulvruchten. Ter uitvoering der Verordening van 8 Augustus-1918, betreffende groenten en peulvruchten, verorden ik voor Vlaanderen het navolgende:
Art. 1. De Prasident der Zivilverwaltung** (Voorzitter van het burgerlijk bestuur) der provincie waar de groenten en peulvruchten verbouwd worden, is bevoegd tot het toelaten van de uitzonderingen, voorzien in Artikel 1 van de Verordening van 8 augustus 1918, Het toelaten der uitzonderingen kan afhankelijk gemaakt worden van bepaalde voorwaarden en verplichtingen. Worden ook aanzien als koopverdragen over niet afgeleverde groenten of peulvruchten, in den zin van Artikel 1 der Verordening van 8 augustus 1918, overeenkomsten die als huurovereenkomsten zijn aangeduid, ten gevolge waarvan echter de verpachter voor de bewerking van de verhuurde percelen heeft te zorgen. De Prasidenten der Zivilverwaltung zijn gerechtigd de hun toegekende bevoegdheid tot het toelaten van uitzonderingen over te dragen op den bevoegden Zivilkommissar" (burgerlijke Kommissaris).
Art. 2. Om het even welke peulvruchten evenals witte, rode en groene kolen, mogen zonder toelating (Art. 3) niet vervoerd worden:
a) per spoorweg, buurtspoorweg of schip, ook als stukgoed, in de provincies Brabant en Antwerpen,
b) per voertuig van om het even welken aard, in de provincie Antwerpen, evenals in de arrondissementen Brussel rand en Leuven. De Zivilkommissare zijn gerechtigd binnen een arrondissement uitzonderingen toe te laten voor bepaalde soorten van peulvruchten of groenten of voor bepaalde gebieden.
Art. 3. De Zivilkommissar in wiens ambtsgebied het vervoer aanvang neemt, is bevoegd tot het verlenen der toelating tot vervoer. De toelating kan afhankelijk worden gemaakt van bepaalde voorwaarden en verplichtingen.
Art. 4. De aandacht der belanghebbenden wordt er op gevestigd, dat overtredingen der bepalingen van deze verordening worden gestraft, overeenkomstig Artikel 4 der Verordening van 8 augustus 1918, met een geldboete van ten hoogste 10.000 mark en met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of met een van beide straffen en dat de veldvruchten, waarover verboden verdragen werden afgesloten, door de Prasidenten der Zivilverwaltung worden verbeurdverklaard of onteigend.
Brussel , den In september 1918.

No. 85. 14. september 1918.

Verordening -uithangen betreffende het kopen, verkopen en aanschaffen op enige andere wijze van militaire uitrustingsstukken, enz. Onder opheffing der Verordening G, G. III, T. L 1466IIV& 1817. 18. B. 0. van 9 juli 1918, bepaal ik het navolgende:
§ 1. Het is de bewoners van het bezet gebied verboden uniformstoffen uniformen en delen daarvan, alsook militaire uitrustingsstukken van om het even welken aard te kopen, te verkopen, of op enige andere wijze, ook zonder vergoeding, aan te schaffen. Alleen de Gouvernementen en Kommandanturen kunnen voor afzonderlijke personen en handelszaken, tegen bijzondere voorwaarden uitzonderingen toelaten op deze bepaling. Het is den bewoners van het bezet gebied eveneens verboden, van militairen levens en genotmiddelen te kopen of ze van hen op enige andere wijze aan te schaffen. Ook de poging om een der Hogervermelde handelingen uit te voeren, inzonderheid het aanspreken van Duitse militairen met het doel zich Hogervermelde voorwerpen aan te schaffen en soortgelijke handelingen, vallen onder deze bepalingen.
§ 2. Wie de bepalingen van § 1 overtreedt, wordt met een gevangenisstraf van ten hoogste 3 jaar en met een geldboete van ten hoogste 5000 mark of met een van deze straffen gestraft, in zover door de algemene strafbepalingen geen zwaarder straf is voorzien. Bovendien kan de verbeurdverklaring der door den overtreder in strijd met het verbod aangeschafte voorwerpen uitgesproken worden. De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.
§ 3. Door ondergeschikte bevelhebbers, Gouvernements enz. uitgevaardigde voorschriften, waarvan de bepalingen verder zouden reiken dan de bepalingen dezer Verordening, blijven van kracht
Brussel , den 3 September 1918.

No. 85. 14. september 1918.

Verordening -uithangen betreffende de wachten over de velden.
§ 1. In al de gemeenten, waar dat nog niet het geval is, moeten zonder uitstel volgens nadere schikkingen van de burgemeesters uit de inwoners nachtwachten worden samengesteld om de veldvruchten te bewaken. leder mannelijk inwoner in den ouderdom van 17 tot 50 jaar is verplicht, aan de wacht deel te nemen, en de bevelen, die hem in verband daarmede door den burgemeester gegeven worden, onvoorwaardelijk na te komen. leder afzonderlijk inwoner mag maar om de 10 dagen tot den dienst worden opgeroepen. Zijn van de wacht vrijgesteld: geneesheren, veeartsen, apothekers, in functie zijnde geestelijken staats-, gemeente en bos-beambten, benevens de werklieden die zware Arbeid verrichten in militaire en toegelaten bedrijven.
§ 2. Alle verkeer buiten de aaneengebouwde gedeelten der gemeente is tussen 11 uur s avonds en 5 uur s morgens verboden. De burgemeester kan in gevallen van dringende noodwendigheid een bewijs afleveren, dat den houder er van machtigt zich gedurende een daarin bepaalden nacht te verplaatsen. Alleen de Zivilkommissar (burgerlijke Kommissaris) kan in bijzondere uitzonderingsgevallen bewijzen afleveren voor een langer tijdsbestek. De belanghebbende moet het bewijs steeds bij zich dragen. Binnen de 24 uren moet telkenmale aan de betreffende plaatselijke Kommandantur een lijst worden ingeleverd van de personen die een bewijs hebben bekomen.
§ 3. Wie vorenstaande bepalingen overtreedt, wordt met een gevangenisstraf van ten hoogste 6 maanden en met een geldboete van ten hoogste 3000 mark of met een dezer straffen gestraft,
De krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebhers zijn tot oordeelvellen bevoegd.
Brussel , den 7 September 1918.

No. 85. 14. september 1918.
Verordening betreffende het verstrekken van inlichtingen.
§ 1. Het Entschadigungsamt (Kantoor tot regeling van de schadeloosstellingen) bij den heer Generaal Gouverneur in België en de in het gebied van het Generaal Gouvernement aangestelde Kommissare der Reichsentschadigungskommission (Kommissarissen van de Rijkskommissie tot regeling van de schadeloosstellingen) zijn gemachtigd, inzake aangelegenheden die tot hun bevoegdheid behoren, hetzij inlichtingen te vorderen betreffende de rechtsverhoudingen van in beslag genomen goederen, of betreffende de economische verhoudingen van goederen van den aard der in beslag genomen goederen, hetzij met het oog op de vaststelling van juiste opgaven, inzage te nemen van zakenbrieven en -boeken, alsook lokalen van handelsondernemingen en bedrijfsinrichtingen te bezichtigen.
§ 2. Wordt met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en met een geldboete van ten hoogste 10.000 mark — tienduizend mark — of met een dezer straffen gestraft:
1. wie met opzet of uit nalatigheid de inlichtingen, die hij overeenkomstig § 1 bij machte is te geven, niet binnen den gestelden termijn verstrekt, of willens en wetens onjuiste of onvolledige opgave doet;
2. Wie in strijd met het voorgeschrevene in § 1 weigert, hetzij inzage te laten nemen van zakenbrieven of boeken, hetzij lokalen van handelsondernemingen en bedrijfsinrichtingen te laten bezichtigen, of poogt de image te bemoeilijken of te verijdelen;
3. wie tot het begaan der onder 1 en 2 aangehaalde strafbare handelingen aanmaant of aanzet. De Duitse krijgsrechtbanken en krijgshevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.
Brussel, den 22 augustus 1918.
No. 86. 18. september 1918.
Verordening van 13 April 1917, betreffende de afscheiding van het arrondissement Nivelles (Nijvel) van de provincie Brabant (Wet en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, hl. 3597), keur ik hierbij goed de hiernavolgende vermogensrechtelijke verdeling tussen de provincies Brabant en Henegouwen, die mij door de Verwaltungschefs (Hoofden van het burgerlijk bestuur) voor Vlaanderen en Wallonië werd voorgelegd, en verorden ik dat volgens deze wordt te werk gegaan.
Brussel , den 29 Augustus 1918.
No. 86. 18. september 1918.

Vermogensrechtelijke verdeling tussen de provincies Brabant en Henegouwen, naar aanleiding van de afscheiding van het arrondissement Nivelles (Nijvel) van de provincie Brabant.
Art. 1. Te rekenen van 1 januari 1917, zijn al de inkomsten, die de provincie Brabant op grond der Artikelen 3-17, 22-27, 33, 38, 40 en 42 van haar begroting voor het jaar 1917 — hieronder steeds begroting genoemd —, gerechtigd was in het arrondissement Nivelles (Nijvel) te heffen, aan de provincie Henegouwen afgestaan. In zover de provincie Brabant reeds inkomsten in het arrondissement Nivelles heeft geheven, is zij verplicht deze aan de provincie Henegouwen over te maken.
Art. 2. De provincie Henegouwen bekomt 1/10 van het aandeel van den Staat in de onkosten ontstaan uit de inrichting van voordrachten bestemd voor de vroedvrouwen der provincie, voorzien in Artikel 32 der begroting.
Art. 3. De provircie Henegouwen maakt geen aanspraak op de inkomsten, voorzien in Artikelen 1, 2, 19, 20, 21, 28-31, 35, 36, 37, 39, 43, 46 en 47 van de begroting. Betreffende de opbrengst der buurtspoorwegen waarvan de provincie aandeelhoudster is ( Artikel 18 der begroting) wordt naar Artikel 10 dezer verdeling verwezen.
Art. 4. De sommen, die werkelijk betaald werden uit het staatsaandeel van 200.000 frank in de gewone onderhoudskosten der wegen van groot verkeer ( Artikel 41 der begroting), moeten tussen de provincies Henegouwen en Brabant worden verdeeld naar verhouding van de lengte dezer verkeerswegen in het arrondissement Nivelles en in de provincie Brabant (zonder Nivelles).
Art. 5. De provincie Brabant moet de sommen, die door de gemeenten van het arrondissement Nivelles moeten worden gestort voor de onkosten van den burgerlijke stand ( Artikel 44 der begroting), voor het gehele jaar 1917 innen, doch anderzijds de daarmede overeenstemmende uitgaven ( Artikel 143 der begroting) voor dit arrondissement bestrijden.
Art. 6. Het gemeen fonds van de provincie Henegouwen int voor geheel het jaar 1917 de stortingen toeUce door de gemeenten van het arrondissement Nivelles moeten gedaan worden voor de verzameling van het gemeen fonds ( Artikel 46 der begroting), Het heeft anderzijds de uitgaven voor dit arrondissement te zijnen laste.
Art. 7. In zover in Artikelen 5 en 10 van deze verdeling niet anders is bepaald, vallen te rekenen van 1 januari 1917 ten laste van de provincie Henegouwen, al de uitgaven die het provinciaal bestuur voor het arrondissement Nivelles te doen heeft, inzonderheid die, welke de provincie Brabant, op grond van haar begroting, verplicht was te doen voor het tijdperk ingaande met 1 januari 1917, De uitgaven voor het arrondissement Nivelles, die dientengevolge ten laste van de provincie Henegouwen komen, doch reeds door de provincie Brabant zijn gedaan, moeten aan deze laatste worden terugbetaald. Daarentegen moet de provincie Henegouwen, in zover niet anders is bepaald in Artikelen 16, 17 en 18 van deze verdeling, niet bijdragen tot de andere uitgaven, die de provincie Brabant nog op grond van haar begroting voor het jaar 1917 te doen heeft.
Art. 8. De percelen, gebouwen, straten en wegen met den aankleve daarvan, die in het arrondissement Nivelles gelegen zijn en tot heden aan de provincie Brabant toebehoorden alsook de daaraan verbonden rechten en verplichtingen, benevens alle andere in dit arrondissement aanwezige voorwerpen die op 1 januari 1917 het eigendom waren van de provincie Brabant, worden beschouwd als zijnde van dit tijdstip af in het uitsluitend eigendom- en beschikkingsrecht van de provincie Henegouwen overgegaan. De provincie Brabant kan uit hoofde van de overdracht dezer percelen, gebouwen, straten, wegen en voorwerpen, geen aanspraken op schadeloosstelling ten laste van de provincie Henegouwen doen gelden. De provincie Henegouwen kan van de provincie Brabant voor het verder onderhoud en beheer geen bijdrage vergen. Te rekenen van 1 januari 1917, neemt de provincie Henegouwen de door de provincie Brabant aangegane verplichtingen inzake het bouwen van de inrichting voor zwakzinnige kinderen te Waterloo over; zij moet aan de provincie Brabant 9/10 der door deze voor het gebouw bestede uitgaven, waaronder is begrepen de koopprijs van den grond, terugbetalen.
Art. 9. De percelen, gebouwen, straten en wegen met den aankleve daarvan, die in de arrondissementen Brussel 876 en Leuven gelegen zijn en het eigendom uitmaken der provincie Brabant, alsook de daaraan verbonden rechten en verplichtingen, benevens allle verdere voorwerpen die aan die provincie toebehoren en in deze beide arrondissementen gelegen zijn, blijven het uitsluitend eigendom der provincie Brabant. De provindeHenegouwkan geen rechten als medeeigenares noch aanspraak op schadeloosstelling doen gelden. De provinde Brabant kan van de provincie Henegouwen voor het verder onderhoud en beheer geen bijdrage vergen.
Art. 10. De rechten en verplichtingen van de provincie Brabant inzake de in het arrondissement Nivelles gelegen buurtspoorwegen: Wavre (Waver Jodoigne (Geldenaken) Braine-l'Alleud (Eigen-Brakel) -Wavre Waterloo-Mont-Saint Jean worden geheel op de provincie Henegouwen overgedragen. De rechten en verplichtingen der provincie Brabant inzake de deels in het arrondissement Nivelles en deels in de provincie Brabant gelegen buurtspoorwegen: Brussel-Kleine Hut en uitloper Leuven Jodoigne TervurenTienen Braine-l'alleud-Halle Nivelles-Braine-l'alleud-Rebecq-Eogrum Brainele Comte 's Graven-Brakel) Braine-le-Conte-Soignies (Zinnik)-Rebecq-Bognon Soignies-NiveUes CourceUes-Iruxmrt-Gembloux (Gembioers) Jodoigne Tienen-Sint Truiden zijn gescheiden naar evenredigheid van de lengte der baanvakken die in het arrondissement Nivelles en in de provincie Brabant — in hun nieuwe grenzen — gelegen e%jn. Als dag der scheiding is de 1eJuni 1917 vastgesteld,Det grondbeainsd is ook van toepassing op de tot nu toe reeds voldane bdoften van betaling.
Art. 11. Het baar vermogen der provincie Brabant bestaat uit:
1. Een tegoed der provincie hij de Algemene Spaar en Lijfrentkas ten belope van ongeveer 124.000 frank.
2. Een inschrijving van 890.000 frank op het Belgisch Grootboek der Openbare Schuld.
3. Een inschrijving van 675.000 frank op het Belgisch Grootboek der Openbare Schuld. De provincie Brabant moet van het bedrag onder cijfer 1 Vio afstaan aan de provincie Henegouwen. Over de bedragen onder cijfers 2 en 3 kan op het ogenblik niet worden beschikt, aangezien de betreffende bescheiden niet ter plaatse zijn. In zover de provincie Brabant later over het bedrag onder cijfer 2 weder kan beschikken, moet zij daarvan 1/10 afstaan aan de provincie Henegouwen. Tegenover het tegoed onder cijfer 3, staat een schuld der provincie Brabant van ongeveer hetzelfde bedrag, die voortspruit uit een bouwovereenkomst en waarover nog een rechtsgeding aanhangig is. Dit tegoed blijft onverdeeld onder het beheer der provincie Brabant, totdat het rechtsgeding is leslist. Blijft er alsdan een overschot, zo is de provincie Brabant verplicht daarvan 1/10 aan de provincie Henegouwen te betalen. Wordt echter de provincie Brabant veroordeeld tot betaling ener som die, te samen met de kosten, meer bedraagt dan het tegoed, dan is de provincie Henegouwen verplicht 1/10 van het ontbrekende te haren laste te nemen. Verder bestaat er geen baar vermogen dat moet worden verdeeld. Blijft er na de definitieve vaststelling der rekeningen van inkom ten en uitgaven der provincie Brabant voor het jaar 1916 een overschot in kas, dan moet daarvan aan de provincie Henegouwen 1/10 worden uitgekeerd. Is er een tekort, dan is de provincie Henegouwen verplicht, daarvan 1/10 aan de provincie Brabant te betalen. De provincie Brabant heft in het arrondissement Nivelles de achterstallige provinciebelastingen, rechten en alle andere inkomsten tot de definitieve vaststelling der rekeningen van inkomsten en uitgaven der provincie Brabant voor het jaar 1916. Van dan af heft de provincie Henegouwen in het arrondissement Nivelles de nog achterstallige gelden, terwijl de provincie Brabant beschikt over de achterstallige belastingen uit de arrondissementen Brussel en Leuven, die naderhand binnenkomen.
Art. 12. De provincie Brabant behoudt het legaat Victor Mabille ten behoeve der arme blinden. De inwoners van het arrondissement Nivelles behouden echter hun recht op ondersteuning uit het legaat.
Art. 13. De schulden van de provincie Brabant bestaan uit een in het jaar 1895 bij de Algemene Spaar en Lijfrentkas aangegane lening van 11.285.000 frank, waarvoor jaarlijkst 2 1/2% interest te betalen en tot ten laatste op 31 Decemher 1925 alle jaren 1/30 van het oorspronkelijk opgenomen bedrag af te lossen is. Op 1 januari 1917 beliep het op die lening nog verschuldigde bedrage. 298.000frank; hiervan komen ten laste der provincie Henegouwen 429.800 frank. Te rekenen van 1 januari 1917 moet de provincie Henegouwen, door bemiddeling van de kas der provincie Brabant op elken vervaldag de op haar aandeel vallende interesten en aflossing betalen.
Art. 14. De ambtenaren, beambten en bedienden van de provincie Brabant, die den dag van de afscheiding van het arrondissement Nivelles aldaar hun standplaats hadden, worden beschouwd als zijnde in dienst van de provincie Henegouwen te rekenen van 1 januari 1917. Hun aanspraak tegenover de provincie Brabant op wedde en pensioen en op verzorging van hun achtergelaten betrekkingen blijft bestaan en moet door de provincie Henegouwen worden vervult te rekenen van 1 januari 1917 is de verplichting tot bijdrage in de pensioenkas van Brabant overgedragen van de provincie Brabant op de provincie Henegouwen, Deze laatste zal de betreffende ambtenaren, beambten en bedienden regelmatig hun bijdrage te storten in de pensioenkas van Brabant.
Art. 15. De provincie Henegouwen neemt geen deel aan de betaling der wedden en der later toe te kennen pensioenen of aan de verzorging der nagelaten betrekkingen enz. van alle ambtenaren, beambten en bedienden der provincie Brabant, die niet onder toepassing vallen van Artikel 14.
Art. 16. Zover voormalige ambtenaren en beambten der provincie Brabant of hun nagelaten betrekkingen onmiddellijk uit de kas der provincie Brabant pensioen ontvangen, moet de provincie Henegouwen van 1 januari 1917 af aan de provincie Brabant op het einde van elk jaar, 1/10 van de uitgekeerde gelden terugbetalen.
Art. 17. Zolang het arrondissement Nivelles nog tot het ambtsgebied van den provincialen veearts van Brabant behoort, moet de provincie Henegouwen 1/10 van dezes bezoldiging te haren laste nemen.
Art. 18. De studiebeurzen, toelagen en aanmoedigingen, die de provincie Brabant op grond van de Artikelen 51, 58, 72, 79 en 80 van de begroting voor het jaar 1917 verleent aan leerlingen, normalisten enz. in het arrondissement Nivelles, zijn voor dit jaar ten laste van de provincie Henegouwen.
Art. 19. Heeft deze verdeling voor een van beide provincies de verplichting tot uitkering van een kapitaal ten gevolge, dan volstaat het dat het aandeel der schuld, dat volgens Artikel 13 te haren laste valt, dienovereenkomstig wordt verhoogd.
Art. 20. Betwistingen betreffende de uitvoering dezer verdeling, worden door een scheidsgerecht, bestaande uit drie leden, beslecht; de bestendige afvaardigingen van beide provincieraden benoemen daartoe elk een scheidsrechter. Deze scheidsrechters kiezen een hoofd. Kunnen zij het over de keus niet eens worden, dan stelt elk van hen een persoon als hoofd voor; in dat geval beslist het lot, getrokken door den provincialen sekretaris, die de oudste in dienst is.
No. 86. 18. september 1918.
Bekendmaking. –uithangen
In uitvoering van Artikel 4 der Verordening van Z5 April 1918 van den heer Generaal Gouverneur en ter wijziging van Artikel 2 der uitvoeringsverordening van 24 juli 1918 tot deze verordening, worden hierbij de prijzen, die te rekenen van 15 September 1918 voor 1 kg. boter aan den voortbrenger worden betaald, als volgt vastgesteld: 1. ongezouten boter, met ten hoogste 18% vreemde bestanddelen fr. 10.25 2. gezouten boter, met ten hoogste 18% vreemde bestanddelen fr. 9.75 3. melkerijboter, voorzien van het ambtelijk kontroolmerk en met ten hoogste 18% vreemde bestanddelen fr. 11.50 4. ongezouten boter, met meer dan 18% doch niet meer dan 50% vreemde bestanddelen fr. 5.25 5. gezouten boter, met meer dan 18 % doch niet meer dan 50% vreemde bestanddelen fr. 4.75 De prijzen gelden ter plaats van voortbrenging, met inbegrip van de gebruikelijke verpakking in papier. De bijslag voor den voortverkoop der boter door den groothandelaar en den kleinhandelaar , mag voor elk van hen niet meer dan 60 centiem, dus in t geheel niet meer dan 1.20 frank per kg., bedragen.
Brussel , den 5 september 1918.
No. 86. 18. september 1918.
Verordening betreffende de aansprakelijkheid van de ondernemers van buurtspoorwegen inzake ongeoorloofd vervoer.
Enig Artikel
In zover bij Verordening straffen zijn voorzien op het vervoer van levensmiddelen en veldvruchten en zonder bijzondere toelating, zijn die straffen, behalve op den dader zelf, ook toepasselijk op den ondernemer van den buurtspoorweg, waarop het ongeoorloofd vervoer geschiedt, tenzij bewezen is dat een schuldige handeling of een verzuim vanwege den ondernemer of zijn aangestelden niet aanwezig is. De Militairgouvemeur (Krijgsgouverneurs) zijn gerechtigd, de ondernemers van buurtspoorwegen met een grote boete te bedreigen voor elk geval, dat een ongeoorloofd vervoer met behulp van den buurtspoorweg mogelijk wordt gemaakt door schuldige handelingen of verzuimen vanwege den ondernemer of zijn aangestelden, en, zodra na de bedreiging een ongeoorloofd vervoer plaats vindt, deze boeten vast te stellen en in te vorderen.
Brussel , den 5 september 1918.
No. 87. 21. september 1918.
Verordening betreffende huishuurvergoeding aan het onderijzend personeel der Rijksnormaalscholen en de daaraan verbonden oefenscholen. Ter aanvulling van het koninklijk besluit van 14 juni 1911 verorden ik het navolgende :
Enig Artikel. Te rekenen van 1 januari 1918 betreffende de leraars, leraressen, onderwijzers en onderwijzeressen van de Rijks lagere normaalscholen, alsook van de daaraan verbonden voorbereidende afdelingen, oefenscholen en kindertuinen, een huishuurvergoeding berekend als volgt : in gemeenten met 5.000 inwoners of minder 150 fr. in gemeenten met 5.001 tot 40.000 inwoners . . . 200 van gemeenten met 40.001 tot 100.000 inwoners..,. 300 in gemeenten met meer dan 100.000 inwoners 400 Deze huishuurvergoeding wordt verdubbeld :
a) voor de gehuwde onderwijzers alsook voor weduwnaars en echtgenoot met kinderen,
b) voor leraars en leraressen, die met de leiding van een oefenschool benut zijn.
De rangschikking der gemeenten geschiedt op grond van het bevolkingscijfer der laatste algemene volkstelling. Wanneer man en vrouw in dezelfde gemeente verbonden zijn aan lagere scholen, normaalscholen of oefenscholen, hebben zij slechts aanspraak te maken op een huishuurvergoeding, waarvan het bedrag verdubbeld is. Wie over een vrije dienstwoning beschikt, bekomt geen huishuurvergoeding ; wanneer een der echtelingen van gehuwde leerkrachten, die in dezelfde gemeente in dienst zijn, over een vrije dienstwoning beschikt, bekomt ook de andere echtgenoot geen huishuurvergoeding.
Brussel , den 22 juni 1918.
No. 87. 21. september 1918.
Verordening –uithangen houdende inbeslagneming van gerst, haver, vroege en late aardappelen, tabak en cichorei (suikerij) uit den oogst van 1919 in Vlaanderen.
Art. 1. Zomeren winter gerst, haver, vroege en late aardappelen, tabak en cichorei (suikerij) uit den oogst van 1919 zijn in beslag genomen. Voor suikerbeten blijven de thans bestaande bepalingen toepasselijk. Voor broodkoren — rogge, tarwe, spelt — zullen nog bepaalde onderrichtingen gegeven worden.

Art. 2. De diensten, die alleen toegelaten zijn tot het opkopen, zullen bij uitvoeringsverordening voor elke der in Artikel 1, lid 1, opgesomde veldvruchten worden aangewezen; een bijzondere dienst, die daarmede zal worden belast, zal voor iedere gemeente de hoeveelheid vaststellen die zij te leveren heeft. Voor deze vaststelling zal rekening worden gehouden, enerzijds met de bebouwde oppervlakte, anderzijds met een te bepalen hoeveelheid per hectare van ieder vruchtensoort, zodat de landbouwer vrije beschikking houdt over een deel van de door hem geoogste vruchten. Hierbij wordt de bebouwde oppervlakte, aangegeven in de Belgische statistiek van het jaar 1910, doch verminderd met 25 % (voor cichorei, de in 1916 bebouwde oppervlakte), tot grondslag genomen. Voor tabak wordt, in plaats van de bebouwde oppervlakte het aantal tabaksplanten tot grondslag genomen. De Prasident der Zivilverwaltung (Voorzitter van het burgerlijkbestuur) kan uitzonderingen toestaan. Ieder gemeente is gerechtigd vast te stellen, welk aandeel in de door haar te leveren hoeveelheden ten laste komt van elke landbouwer, die op haar gebied land bebouwt. Maakt een landbouwer bezwaar tegen de hem opgelegde levering, dan beslist de Zivilkommissar (burgerlijke Kommissaris), zoveel mogelijk na Belgische deskundigen te hebben gehoord, Nadat zij zich van de hun opgelegde leveringsverplichting hebben gekweten, zijn de landbouwers gerechtigd vrij U beschikken over de veldvruchten, die zij nog bezetten, en ze, overeenkomstig de later uit te vaardigen bepalingen ( Artikel 7), in den vrij en handel van de hand te doen, zonder aan de in Artikel 3 vastgestelde prijzen te zijn gebonden.

Art. 3. Voor de af te lever en vruchten worden onderstaande prijzen betaald : voor gerst fr. 46.— , vroege aardappelen 25.— , late aardappelen 26.— \ per 100 kg. , haver 40.— , cichorei 8.— , tabak, naar gelang van de hoedanigheid, van 200 fr, tot 400 fr. per 100 kg., vermeerderd met een premie, die tot 100 fr. kan bedragen voor 100 kg. bijzonder goed verzorgde planten. De Verwaltungschef (Hoofd van het burgerlijk bestuur) is gerechtigd lagere prijzen vast te stellen voor veldvruchten die niet binnen een bepaalden termijn geleverd zijn. De Armeeintendantur (Legerintendantie) heeft dezelfde bevoegdheid voor wat de haver betreft.

Art. 4. De bevoorrading van afzonderlijke verbruiksgemeenten of inrichtingen tot nut van algemeen met taie aardappelen van eigen verbouw of van gehuurden grond, is toegelaten uit bepaalde gebieden die door de kartoffelversorgungsstelle der Verwaltungschefs fiir Flandem und WalIonien (Aardappelbevoorradingskantoor bij de Hoofden van het burgerlijk bestuur voor Vlaanderen en Wallonië) aan de aanvragers worden aangewezen op grondslag een bebouwde oppervlakte van 1 are per hop van den verbruiker. Overeenkomsten betreffende de bevoorrading zijn aan de goedkeuring van de Kartoffelversorgungsstelle onderworpen ; de goedkeuring kan van bepaalde voorwaarden of verplichtingen afhankelijk gemaakt worden.

Art. 5. De Prasidenten der Zivilverwaltung zijn bevoegd, de gemeenten of de landbouwers, die de hun opgelegde levering niet of niet bijtijds gedaan hebben, een geldboete van 1 tot 20 mark (voor tabak tot 100 mark) op te leggen voor ieder kilogram, dat niet of niet bijtijds geleverd werd en, in plaats van of samen met de geldboete, de onteigening van andere door den landbouwer verbouwde veldvruchten uit te spreken. De onteigening geschiedt, tegen passende prijzen, ten gunste van de Belgische burgerlijke bevolking. Zij is niet toegelaten, zover de landbouwer de vruchten voor zich zelf en voor zijn bedrijf nodig heeft. Veldvruchten, die binnen een vastgestelde termijn niet geleverd zijn of die verborgen gehouden worden, kunnen door de Prasidenten der Zivilverwaltung" verbeurdverklaard worden. De Verwaltungschef beschikt over de door den verbruiker betaalde koopsom tot liefdadige doeleinden.

Art. 6. De Prasidenten der Zivilverwaltung zijn bevoegd de gemeenten, die daartoe de aanvraag doen, te machtigen de door den eigenaar of de pachters onbebouwd gelaten stukken grond te verpachten of voor eigen rekening te bewerken.

Art. 7. De Verwaltungschef is met de uitvoering dezer Verordening belast. Hij is gerechtigd uitvoeringsbepalingen tot deze Verordening uit te vaardigen en al de nodige schikkingen te treffen, met het oog op de uitvoering van de verordening en op de regeling van den handel en het vervoer der in beslag genomen vruchten. De Armee intendantur" heeft dezelfde bevoegdheid voor wat de haver betreft. De Verwaltungschef is gerechtigd verschillende gemeenten te verenigen tot leveringsgroepen, die overeenkomstig artikel 3, in plaats van ieder gemeente afzonderlijk, de leveringsplicht op zich zullen nemen. Hij is eveneens gerechtigd de Prasidenten der Zivilverwaltung te machtigen de bevoegdheden waarmede deze krachtens Artikel 3 tot 6 bekleed zijn, op andere diensten over te dragen.

Art. 8. Wie de bepalingen van deze Verordening of van de ter uitvoering er van uitgevaardigde onderrichtingen en bevelen ( Artikel 7) overtreedt, wordt met een geldboete van ten hoogste 50.000 mark of met een gevangenisstraf van ten hoogste 5 jaar gestraft. Beide straffen kunnen ook te zamen worden uitgesproken. De poging tot overtreding is strafbaar. Bovendien is de verbeurdverklaring uit te spreken van de voorwerpen, waarmede de strafbare handeling is begaan of die tot het ongeoorloofd vervoer van in beslag genomen veldvruchten hebben gediend. Is de overtreding begaan met het inzicht een ongeoorloofde winst op te strijken, dan moet ten minste een week gevangenzitting of een geldboete, die ten minste tienmaal de prijzen overeenkomstig Artikel 3, in geen geval echter minder dan 25 mark bedraagt, uitgesproken worden. De krijgsrechtbanken en de krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.
Brussel de 15 September 1918.
No. 87. 21. september 1918.
Bekendmaking betreffende de liquidatie an Franse ondernemingen. Met toestemming van den heer Generaal Gouverneur in België, heb ik, overeenkomstig de Verordeningen van 29 Augustus 1916 en van 15 april 1917, over de liquidatie van vijandelijke ondernemingen (Wet en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, nr 253 van 13 september 1916 en nr 335 van 19 April 1917), de liquidatie bevolen van het in België voorhanden zijnde vermogen der Franse firma Marius Bonnard, woonhuis en fabriek, De Bosnestraat 16, Sint-Jans-Molenbeek. De heer J. Welker, Oude Kleerkoopersstraat 24 te Brussel , is tot likwidator benoemd. De likwidator verstrekt nadere inlichtingen.
No. 87. 21. september 1918.
Bekendmaking. –uithangen Op grond mijner Verordening van 4 juli 1918, betreffende de Ernte Kommissionen" (Oogstkommissies), evenals der uitvoeringsbepalingen van 4 juli 1918 tot deze Verordening, heb ik, op voorstel der Zentral-Ernte-Kommission (centrale Oogstkommissie), de hoogste prijzen voor den verkoop van gedorst koren, zemelen, meel en brood voorshands als volgt vastgesteld :
voor tarwe (mengtarwe) uit stapelplaats of molen geleverd . . frank 92.19 per 100 kg.
voor rogge (inlandse) uit stapelplaats of molen geleverd . . 52.20 100
voor masteluin uit stapelplaats of molen geleverd 56.20 100
voor ongepelde spelt uit stapelplaats of molen geleverd ... 48.20 100
voor zemelen uit stapelplaats of molen geleverd 21.50 100 voor tarwemeel aan bakkers of verbruikers geleverd 105.03 100
voor roggemeel aan hakkers of verbruikers geleverd 63.34 100
voor masteluinmeel aan bakkers of verbruikers geleverd 67.47 100
voor tarwebrood aan verbruikers geleverd —,89 kg, -uithangen
Deze hoogste prijzen worden op 1 oktober 1918 van kracht.
De Provinzial-Ernte-Kommissionen (jprovinciale OogsU kommissies) zijn bevoegd, voor de omschrijving van afzonderlijke gemeenten, op verzoek of na raadpleging van de burgemeesters, telkens een hoger en hoogsten prijs voor brood, tot het bereiden waarvan roggemeel wordt gebruikt, vast te stellen. Voor den verkoop van koren door de verbouwers aan het Nationaal Hulpen Voedingskomiteit, blijven de hoogste prijzen, vastgesteld in de uitvoeringsbepalingen tot de verordening van 4 juli 1918, betreffende de ErnteKommissionen van kracht.
Brussel , den 14 september 1918.
No. 87. 21. september 1918.
Verordening van 31 augustus 1918 van den heer Generaal Gouverneur in België, zijn in het Vlaams bestuursgebied de in onderstaande lijst opgesomde Belgische postambtenaren bevorderd tot den dienstgraad, aangegeven in de 3e kolom : Standplaats. Naam. Dienstgraad. Antwerpen ( Post eerstaanwezend Postdirektion) Hallemans, J. A. bureeloverste. Antwerpen (Postdirektion) Baet, E. P. M. E. bureeioverste. Brussel (Algemeen Sekretariaat van het ministerie van Zeewezen, Posterijen en Telegrafen) Backer-Overbeek, J. hoofdklerk.
Brussel , den 19 september 1918.
No. 88. 26. september 1918.
Verordening. Ter aanvulling mijner Verordening C. FI. Ilisi 1211 van 22 juni 1918, verorden ik het navolgende : Voor de berekening van de huishuurvergoeding, toegekend aan de leerkrachten der inrichtingen, die gelegen zijn in de gemeenten waarvan sprake in Artikel IV der verordening van 9 Augustus 1917, is het bevolkingscijfer der gemeente Brussel tot grondslag te nemen.
Brussel , den 22 Augusstus 1918,
No. 89. 26. september 1918.
Art. 1. Het Beheer der rechtstreeksche belastingen, tollen en accijnzen kan, zonder meer, achterstallige tolrechten en accijnzen, die binnen den door de bevoegde overheid voor elk afzonderlijk geval vastgestelden termijn niet gestort zijn, door dwangmiddelen invorderen.
Art. 2. Het Beheer der rechtstreekse belastingen, tollen en accijnzen kan, op dezelfde wijze, de straffen voltrekken, die door de Bezirksgerichte" (distriktrechthanken) werden uitgesproken wegens overtreding van de wetten op de tolrechten en accijnzen, in zover het geldboeten en de verbeurdverklaring van in beslag genomen voorwerpen betreft.
Art. 3. Klachten betreffende de uitvoering der dwangmiddelen ( Artikelen 1 en 2) mogen alleen hij den bevoegden Verwaltungschef (Hoofd van het burgerlijk bestuur) worden ingediend. Het indienen van een klacht werkt niet opschortend. De beslissing van den Verwaltungschef is zonder verhaal.
Art. 4. Artikel 133 der wet van 15 April 1896, betreffende de vervaardiging en den invoer van alcohol, is opgeheven.
Art. 5. Vorenstaande bepalingen zijn ook toepasselijk op gevallen die voor de uitvaardiging van deze Verordening zijn ontstaan.
Brussel , den 20n September 1918.

 

 
 

Vorige pagina    Indexpagina volgende pagina

OF GA TERUG MET DE BACKTOETS


Kent U de v.z.w. KONINKLIJKE OUDHEIDKUNDIGE KRING VAN HET LAND VAN WAAS
(afgekort K.O.K.W.)

niet, of wil je meer weten over de doelstelling
en werking van deze kring, klik dan
"hier voor Werking K.O.K.W".

DOCUMENTATIE CENTRUM
M.Z. Zamanstraat 49 9100 Sint-Niklaas
Zaterdagen 9u30 tot 12u30
Documentatie centrum
gesloten in juli en aug.