Dagboek Raphaël Waterschoot
 (TEXTES OFFICIELS door mij aangepast na omzetting)

Gesetz- und Verordnungsblatt fur die okkupierten Gebiete Belgiens
Bulletin officiel des Lois et Arrêtés pour le territoire belge occupé
Wet- en verordeningsblad voor de bezette streken van België
Législation Allemande pour le Territoire Belge Occupé
Textes officiels rédigée par
CHARLES HENRY HUBERICH docteur en droit, ancien professeur de droit a l’universié Stanford Californie , membre du barreau de la cour supreme des Etats Unis de L’Amerique, avocat La Haye Paris Berlin Hambourg
ALEXANDER NICOL-SPEYER Docteur en doit, avocat a la cour de cassation des Pays Bas La Haye

 
QUATORZIEME SERIE

Flandre: 3 Janvier— 30 Mars 1918 (Nos. 1—31)

Wallonie: 3 Janvier— 29 Mars 1918 (Nos. 1—25)

No. I. — 3. januari 1918.

Verordening *** over het vervoer van fruit per as.

Ter uitvoering van artikel 3 der verordening van 5 oktober *** Bij de met drie sterretjes gemerkte Verordeningen worden ook door middel van aanplakbrieven bekendgemaakt. Alle andere Verordeningen moeten door de gemeenteoverheid volgens de gebruikelijke wijze van bekendmaken vooral aan de belanghebbenden medegedeeld worden.

No. 1. – 3. januari 1918.

1917 van den heer Generaal Gouverneur, betreffende het vervoer van fruit, wordt het navolgende verordend: In de gebieden Groot-Brussel, Brussel-Rand, alsook in de arrondissementen Mechelen, Charleroi, Verviers en Nijvel is het vervoer van fruit per as tot nader bericht geen toelating vereist

Brussel, den 2n december 1917.

No. 1. - 3. januari 1918.

Verordening over het slaan van zinkmunt van 50 centiem. Om de in verschillende streken van het land heersende schaarste aan pasmunt te keer te gaan, heb ik ter aanvulling van mijn verordening van 7 augustus 1915, betreffende het slaan van zinkmunt van 5, 10 en 25 centiem (Wet- en verordeningsblad voor de bezette streken van België, No. 109 van 26 augustus 1915), besloten zinkmunt van 50 centiem te laten slaan en bepaal ik het navolgende:

1. Er wordt zinkmunt van 50 centiem geslagen.

2. De muntstukken hebben in het midden een rond gat van 4 1/2 millimeter middellijn. Op de ene zijde dragen deze muntstukken een vijfstralige ster, het opschrift „België— Belgique'' en het jaartal; op de andere zijde, links, een lauwertak en daarboven een schild met een leeuw, rechts de vermelding van de waarde. De muntstukken hebben een gladden rand. S. Het gewicht is vastgesteld op 5 gram. Het verschil in gewicht, naar onder of naar hoven, mag niet meer bedragen dan 15 duizendste.

4. De middellijn van de muntstukken is vastgesteld op 24 millimeter.

5. Niemand is verplicht, voor meer dan 25 frank zinkmunt van 50 centiem in betaling te aanvaarden.

6. De zinkmunt van 50 centiem wordt tegen wettelijke betaalmiddelen in bedragen van ten minste 100 frank ingewisseld bij de kassen, die de Generaal Commissaris voor de Banken in België zal aanduiden.

7. De uitvoeringsbepalingen tot deze verordening worden uitgevaardigd door den Generaal Commissaris voor de Banken in België.

Brussel, den 20n december 1917.

No. 1. - 3. januari 1918.

Verordening *** betreffende den aankoop van de nog voorhanden zijnde voorraden aan koren en meel uit het oogstjaar 1917 en uit vroegere oogstjaren.

§ 1. Al de landbouwers moeten hun "koren ten laatste (op 15 februari uitgedorst hebben en het ter beschikking houden van de opkopers van het Nationaal Komiteit, § 2.

Het Nationaal Komiteit is verplicht al het koren en meel van den oogst van 1917 en van vroegere oogstjaren, dat nog in handen is van de landbouwers en niet voor eigen gebruik afgestaan werd, ten laatste op 28 februari op te kopen, het naar de bergplaatsen en molens te vervoeren en het op te stapelen. Ingeval het Nationaal Komiteit ten laatste op 28 februari niet tot den aankoop of het vervoer is overgegaan, moeten de eigenaars al de hiervoren bedoelde voorraden, die zij nog in hun bezit of elders ondergebracht hebben, ten Iaatste op 15 maart bij den burgemeester van hun gemeente schriftelijk aangeven. De burgemeester moet de aangiften ten Iaatste op 16 maart aan de bevoegde provinciale Oogstkommissie (Provinzial-Ernte-Kommission) overmaken.

§ 3. Koren, dat na 15 februari niet uitgedorst is, of koren en meel, dat na 15 maart niet afgeleverd of aangegeven is, wordt, zoover het niet voor het eigen verbruik van den landbouwer afgestaan werd, zonder schadeloosstelling verbeurdverklaard. De voorzitter van de provinciale Oogstkommissie spreekt de verbeurdverklaring uit. Verbeurdverklaard koren en meel wordt aan het Nationaal Komiteit toegekend. Het Nationaal Komiteit moet de verbeurdverklaarde stapels betalen, rekening houdende met de geldende hoogste prijzen. De daarvoor betaalde sommen zullen door den voorzitter der provinciale Oogstkommissie aan de bestendige afvaardigingen, voor liefdadige werken binnen de provincies, overgemaakt worden.

Met verbeurdverklaarde stapels koren en meel zal op dezelfde wijze worden te werk gegaan, alsof die stapels door het Nationaal Komiteit bij den landbouwer aangekocht waren.

§ 4. De voorzitter van de provinciale Oogstkommissie is gemachtigd, met het oog op de uitvoering van deze verordening, geschikte onderrichtingen en aanwijzingen uit te vaardigen.

§ 5. Wie de bepalingen van § 1 en van § 2, lid 2, 1 zin, alsmede de overeenkomstig § à dezer verordening uitgevaardigde onderrichtingen en aanwijzingen van den voorzitter der provinciale Oogstkommissie overtreedt, wordt gestraft met ten hoogste 1 jaar gevangenis of met ten hoogste 20 000 mark boete. Ook kunnen gevangenisstraf en geldboete te gelijkertijd worden uitgesproken. Bovendien moeten de meel- of korenstapels, die het voorwerp van de strafbare handeling uitmaken, verbeurdverklaard worden, zoover de verbeurdverklaring niet reeds van ambtswege is geschied

overeenkomstig § 3. Is de overtreding begaan met het inzicht een ongeoorloofde winst op te strijken, zoo moet met de gevangenisstraf ook een geldboete worden uitgesproken, die voor ieder kg. koren of meel, dat het voorwerp der overtreding uitmaakt, het tienvoud van den hoogsten prijs bedraagt. De geldboete mag niet meer dan het in het 1e lid bepaalde bedrag van 20 000 mark, en niet minder dan 25 mark belopen. Het koren of het meel, dat gerechtelijk verbeurdverklaard is, is te gebruiken zoals in § 3 is aangegeven.

§ 6. Al de dors' en leveringstermijnen, die vroeger door de provinciale Oogstkommissie en door de „Kreischefs'' vastgesteld werden, blijven bestaan, indien zij niet na de hij deze verordening bepaalde termijnen vallen, Brussel, den 20n december 1917.

No. 2. - 5. januari 1918.

Beschikking

betreffende de Koninklijke bibliotheek te Brussel. Onder wijziging van de Koninklijke besluiten van 30 december 1912 en 22 oktober 1913, alsook van het ministerieel besluit van 23 oktober 1913, bepaal ik het navolgende,

dat op 1 januari 1918 in werking treedt:

Art. 1. Aan de Koninklijke bibliotheek te Brussel is de betrekking van bestuurder ingesteld. De betrekkingen van hoofdconservator en van opziener van beheer zijn afgeschaft. Al de rechten en plichten van den voormalige hoofdconservator en van den voormalige opziener van beheer gaan over op den bestuurder; de jaarwedde van bestuurder wordt van geval tot geval in het bijzonder vastgesteld. Aan de Koninklijke bibliotheek wordt eveneens een verdere betrekking van conservator ingesteld; de titularis zal in de eerste plaats den bestuurder behulpzaam zijn hij de leiding van de beheerszaken. De raad van toezicht hij de Koninklijke bibliotheek zal zijn werkzaamheden schorsen, zolang de hij beschikking van heden benoemde bestuurder zijn ambtsbezigheden zal uitoefenen, art van 30 december 1912 Artikel 33 van net reglement van 22 oktober 1913 tot inrichting van de Koninklijke bibliotheek, wordt in dier voege gewijzigd, dat de bestuurder, in overleg met de afzonderlijke afdelingsoversten, te beschikken heeft over de middelen, die aan de afzonderlijke afdelingen toegewezen zijn.

Art. 2. De bibliotheek van het muziekconservatorium te Brussel, wordt hij de Koninklijke bibliotheek aangesloten en is in de lokalen van die instelling onder te brengen. Samen met het Fetis-fonds maakt zij een afzonderlijke afdeling van de Koninklijke bibliotheek uit. De werken, die voor het geven van het onderricht in het conservatorium rechtstreeks nodig zijn, blijven in de klassen van het conservatorium, onder toezicht van den bestuurder dezer instelling.

Art. 3. Het hoofd van het burgerlijk bestuur voor Vlaanderen (Verwaltungschef) is belast met de uitvoering van deze beschikking,

Brussel, den 15n december 1917.

No. 2. - 5. januari 1918.

Verordening

betreffende de vervaardiging van en den handel in bijtende soda, bijtende sodaloog en vetloze wasmiddelen

Art. 1, Te rekenen van den dag der bekendmaking van deze verordening is het verboden, zonder toelating van de Abteilung für Handel und Gewerbe, Bonstoffvenvaltungstelle (Afdeling voor Handel en Nijverheid, Kantoor van grondstoffen) bijtende soda en bijtende sodaloog te vervaardigen en te verhandelen, alsook vetloze wasmiddelen te vervaardigen. Al de tot nog toe verleende toelatingen tot het vervaardigen en verhandelen dier voortbrengselen zijn ingetrokken. De afgeleverde desbetreffende bewijsstukken moeten onverwijld teruggezonden worden aan de Afdeling voor Handel en Nijverheid, Kantoor voor grondstoffen.

Art, 2. Als bijtende sodaloog, onverschillig uit welke andere stoffen zij nog is samengesteld, zijn te beschouwen al de vloeistoffen, die bijtende soda bevatten, inzonderheid zulke vloeistoffen, die benevens uit bijtende soda voor het merendeel uit koolzure of zwavelzure soda of kali bestaan. Onder wasmiddelen zijn naar den zin van deze ver ordening te verstaan al de vaste, halfvaste en vloeibare was- en reinigingsmiddelen, alsook al de was- en reiniging middelen in poeder, die geen vetbestanddelen bevatten.

Art. 3, Personen en vennootschappen, die handel drijven in vetloze wasmiddelen, mogen deze voortbrengselen alleen betrekken van personen en fabrieken, die de toelating verkregen hebben om dezelve te vervaardigen. Zij zijn verplicht hoek te houden over elke aanschaffing; zij moeten eveneens de herkomst van de te koop gestelde voortbrengselen aan de hand van regelmatige rekeningen kunnen bewijzen. Vetloze wasmiddelen mogen slechts verkocht worden in een verpakking, waarop aan den buitenkant de nauwkeurige samenstelling van den inhoud en de juiste kleinhandelsprijs aangeduid is. De verkoop van nog bestaande voorraden aan vetloze wasmiddelen, waarvan de verpakking niet voldoet aan dit voorschrift, is nog toegelaten tot 1 februari 1918.

Art. 4. Wie de bepalingen van deze verordening over- treedt, wordt, zoover een andere strafwet geen zwaardere straf voorziet met ten hoogste 2 jaar gevangenis en met ten hoogste 25 000 mark boete, of met een dezer straffen gestraft. Bovendien kan in ieder geval tot de verbeurdverklaring overgegaan worden van de voortbrengselen, waarop de strafbare handeling betrekking heeft, als ook van de inrichtingen die tot de vervaardiging dienen; in geval van opzettelijke overtreding moet de verbeurdverklaring steeds worden uitgesproken. De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd. Brussel, den 15n december 1917,

 

No. 2. - 5. januari 1918.

Verordening

betreffende de fondsenbeurzen.

Art. 1. De Generaal Commissaris voor de Banken in België is belast met het toezicht over de fondsenbeurzen en gelijkaardige verenigingen en vergaderingen van om het even welke soort, alsook over al de inrichtingen of instellingen en gebouwen, die op beurshandelingen betrekking hebben. Aïs verhandeling ter fondsenbeurzen is, naar den zin dezer verordening te beschouwen: de handel in muntspeciën en- edele metalen, in bankbrieven, in papieren geld, in voor het handelsverkeer geschikte geldswaardige papieren van den Staat en andere, intrestkoepons, dividendbewijzen, winst- aandeelkoepons, wissels, checks, aanwijzingen en betalingen.

Art. 2. De Generaal Commissaris voor de Banken in België zal de voorschriften uitvaardigen, die voor de regeling en de bewaking van de beurshandelingen met de in lid 2 van artikel 1 bedoelde voorwerpen nodig zijn. De organen en personen, die aan de beurshandelingen deelnemen of zich er mede bezighouden, moeten zich gedragen naar de onderrichtingen en bevelen van den Generaal Commissaris voor de Banken. Deze is inzonderheid ook bevoegd, vergaderingen en verenigingen van om het even welke soort die zich met verhandelingen bezighouden zoals de onder Iid 2 van artikel 1 bedoelde, te verbieden en bepaalde firma's of personen van de deelneming aan de beurshandelingen uit te sluiten.

Art. 3. Wie de voorschriften, onderrichtingen of hevelen overtreedt, welke de Generaal Commissaris voor de Banken in België op grond van artikel 2 uitvaardigt of wie een overtreding helpt begaan, wordt met ten hoogste een jaar gevangenis en met ten hoogste vijftig duizend mark boete of met een van deze straffen gestraft. De poging tot overtreding is strafbaar. De firma's of personen, wier vertegenwoordigers, beheerders of aangestelde in deze hoedanigheid een strafbare handeling hebben begaan, zijn samen met de veroordeelden verantwoordelijk voor de betaling van de geldboete. De krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.

Art. 4. Zolang de Generaal Commissaris voor de Banken in België met de regeling der beurshandelingen belast is, blijven al de bepalingen die in strijd zijn met de door hem uitgevaardigde voorschriften buiten kracht.

Brussel, den 20n december 1917,

No. 2. - 5. januari 1918.

Verordening

betreffende het begeven van leidende posten bij het Belgisch beheer van Posterijen voor het Vlaamse bestuursgebied. In aansluiting aan mijn verordening van 6 december 1917 over hetzelfde onderwerp (Wet- en Verordeningsblad, hl. 4883), verorden ik het navolgende: Enig artikel. Aan het Algemeen Secretariaat van Zee- wezen, Posterijen en Telegrafen voor het Vlaams bestuursgebied zijn met ingang van 1 januari 1918 benoemd:

a) de heer J. T. Slachmuylders, bureeloverste bij het huidig Algemeen Secretariaat van Zeewezen, Posterijen en Telegrafen, te Brussel, tot bestuursopziener;

b) de heer M. A. A. Coenen, eerstaanwezend vertaler bij het Algemeen Secretariaat van Spoorwegen, te Brussel, tot afdelingsoverste 2e klasse;

c) de heer A. H. L. Van Hentenrijk, vertaler 1e klasse bij het Algemeen Secretariaat van Spoor- wegen, te Brussel, tot afdelingsoverste-2e klasse

d) de heer A, C. Caspers, vertaler te klasse bij het huidig Algemeen Secretariaat van Zeewezen, Posterijen en Telegrafen, te Brussel, tot bureeloverste. De Voorzitter van het keizerlijk Duits beheer van Posterijen en Telegrafen (Pràsident der Kaiserlich Deutschen Post- und Telegraphenverwaltung) in België is belast met de uitvoering van deze verordening.

Brussel, den 22n december 1917,

No. 2. - 5. januari 1918.

Bij beschikking van 15 december 1917 van den heer Generaal Gouverneur y is de heer Leo Stainier, opziener van beheer bij de Koninklijke bibliotheek te Brussel met ingang van 1 januari 1918 in het belang van den dienst op wachtgeld gesteld. De heer De Vreese, gewoon hoogleraar aan de Universiteit te Gent, is tot bestuurder van de Koninklijke bibliotheek benoemd; hij blijft gewoon hoogleraar te Gent, doch wordt ontslagen uit zijn ambt van bibliothecaris der universiteitsbibliotheek aldaar,

Brussel, den 18n december 1917,

No. 3. - 8. januari 1918.

Verordening

betreffende het opzicht over het turnonderwijs.

Het opzicht over het turnonderwijs, bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 31 december 1902, wordt afzonderlijk voor het Vlaams en voor het Waals bestuursgebied ingesteld. Brussel, den 3n september 1917»

No. 3. - 8. januari 1918.

Beschikking.

Krachtens mijn verordening van heden is [de bevoegdheid van den heer Bollansee, opziener over het turnonderwijs tot het Waals bestuursgebied beperkt. De heer Verbeke Bobrecht, leraar in het turnen, ie Leuven, is benoemd tot opziener over het turnonderwijs voor het Vlaams bestuursgebied.

Brussel, den 3n september 1917.

No. 3. - 8. januari 1918.

Verordening

houdende wijziging van de verordening van 10 februari 1915, betreffende de oprichting van scheidsgerechten voor huuraangelegenheden (Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, No. 39, blz. 163).

Enig artikel. Artikel 13 van de verordening van 10 februari 1915, betreffende de oprichting van scheidsgerechten voor huuraangelegenheden, luidt voortaan als volgt:

Artikel 13: De partijen moeten persoonlijk verschijnen. Wordt een partij ten gevolge van ziekte belet te verschijnen, zoo kan zij zich laten vertegenwoordigen door een persoon, die van een schriftelijke volmacht is voorzien. De volmacht mag op ongezegeld papier of op de dagvaarding geschreven worden. Advocaten en zaakwaarnemers van beroep zijn ter verhandeling niet toegelaten. De Hoofden van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschef) voor Vlaanderen en voor Wallonië zijn gemachtigd ieder voor zijn bestuursgebied, uitzonderingen toe te laten op deze bepalingen, Het gerecht kan in ieder geval gehuwde vrouwen machtiging verlenen om voor den rechter te verschijnen; zij kan eveneens een bijzondere voogd aanstellen om een minderjarige, wiens vader of voogd afwezig of belet is, voor den rechter te vertegenwoordigen.

Brussel, den 20n december 1917,

No. 3. - 8. januari 1918.

Bekendmaking

betreffende het buiten koers stellen van de tweemark- stukken.

Bij bekendmaking van 12 juli 1917 van den heer Rijkskanselier (R. G. BL, blz. 625) zijn de twee-mark stukken [met uitzondering van de in vorm van gedenkpenning aangemunte stukken) buiten koers gesteld. Te rekenen van 1 januari

1918 zijn zij niet meer te beschouwen als wettig betaalmiddel Binnen het Duitse Rijk aanvaarden de rijks- en lands- kassen nog ten laatste tot 1 juli 1918 twee-markstukken tegen de wettige waarde hetzij in betaling, hetzij ter uit- wisseling met rijksbankbriefjes (Reischbanknoten) , met rijkskasbons (Reichskassenscheine) of met voorschot kasbons (Darlehenskassenscheine) . Binnen het gebied van het Generaal Gouvernement in België worden twee-markstukken ten laatste tot 1 juli 1918 in betaling of ter uitwisseling aangenomen door al de openbare Duitse kassen, Deze laatste kassen zijn echter niet verplicht doorboorde of op andere wijze dan door den gewone omloop aan ge- wicht verminderde, alsook nagemaakte muntstukken in betaling of ter uitwisseling te aanvaarden, Brussel, den 31n december 1917,

No. 3. - 8. januari 1918.

Bekendmaking.

Bij besluit van den heer Generaal Gouverneur zijn de navermelde personen aangesteld om, ieder voor den duur van driejaar, het ambt van onderzoeksrechter waar te nemen: Voor namen zie Duits,

 

Van den Hove, Turnout, 27. maart 1915

Van Danune, Brussel, 31. maart 1915

Castagne, Marche, 14. april1915

Groulard, Dinant 14 april 1915

Gregoire, Denis, Antwerpen, 14. april 1915

Van Dam Huy Charleroi 22. mei 1915

Cappellen, Castagne, 29. mei 1915

No. 3. – 8. januari 1918.

Name: Dienststellung : m

Eichter am Gericht Entlassung:

 Maes, Lôwen, 2. juni 1915

Sosset, Mons, 16. juni 1915

Bilaut, Brûssel, 30. juni 1915

Lejeune, Arel, 30. juni 1915

Adam, Charleroi, 4. august 1915

Babut du Mares , Brussel , 6. oktober 1915

Delaruwiere, Brussel , 6. oktober 1915

Toussaint, Verviers, 6. oktober 1915

De Froidmont, Nivelles, 6. oktober 1915

Buydens, Brussel , 29. oktober 1915

Chevalier, Mons, 29. oktober 1915

Devos, Brussel , 23. december 1915

Lamproye, Antwerpen, 17. januari 1916

Steyaert, Antwerpen, 29. januari 1916

Winckelmans, Tournai, 25. maart 1916

Simon, Lôwen, 25. maart 1916

Bourlart, Neufchâteau, 5. april 1916

Coibray, Brussel, 22. april 1916

De Landtsheer, Brussel , 22. april 1916

De Tender, Mons, 22. april 1916

De Behr, Liittich, 6. mei 1916

Genart, Namur, 13. mei 1916

De Heyn-Woeste !, Brussel , 31. mei 1916

Loslever, Liittich, 24. juni 1916

Barbe, Antwerpen, 8. juli 1916

Semai, Charleroi, 25. oktober 1916

Pollet, Verviers, 15. november 1916

.Taquet, Antwerpen, 9. december 1916

Bamps, Hasselt, 17. december 1916

Thomas, Brussel , 30. december 1916

-Hellemans, Mechelen, 7. januarie 1917

No. 3. - 8. januari 1918.

Bekendmaking

betreffende de liquidatie van Franse ondernemingen. Met toestemming van den heer Generaal Gouverneur in België, heb ik overeenkomstig de verordeningen van 29 augustus 1916 en van 15 april 1917, over de liquidaties van vijandelijke ondernemingen (Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, No. 253 van 13 september 1916 en No, 335 van 19 april 1917), de liquidatie bevolen van het in België voorhanden zijnde vermogen van de firma „La Compagnie Anglaise, Choque e Zorn'' te Brussel, Brouckere Plaats 7 en 9. De heer luitenant M aas, te Brussel, is tot liquidator benoemd. De liquidator verstrekt nadere inlichtingen» Brussel, den 31n december 1917,

No. 3. - 8. januari 1918.

Beschikking.

Art. I, Op grond van de algemene bepalingen op de

Rijkslagere normaalscholen en van de verslagen der jury,

die voor het schooljaar 1917 1918 belast is met het afnemen

der toegangsexamens tot de Rijksnormaalschool te Laken,

zijn de hiernavermelde kandidaten toegelaten tot de lagere

afdeling (le schooljaar) van de Rijksnormaalschool te Laken.

Voor namen zie Duits.

1. Maurissens, Marguerite, Kuregem (Brabant)

2. Parmentier, Julienne, Laken (Brabant)

3. Chrispeels, Wilhelmine, Laken (Brabant)

4. Olsen, Madeleine, Antwerpen (Antwerpen)

5. Vermeiren, Josephine, St.-Pieters-Jette (Brabant)

6. Pardon, Jeanne, Eppegem (Brabant)

7. Tesseur, Jeanne, Vilvoorde (Brabant)

8. Van de Vondel, Albertine, Antwerpen (Antwerpen)

9. Eabiot, Justine, Willebroek (Antwerpen)

10. Verheven, Maria, Ukkel (Brabant)

1 1 . De Coninck, Louise, Willebroek (Antwerpen)

12. Peremans, Julia, St.-Pieters-Jette (Brabant)

13. De Meyer, Therese, Antwerpen (Antwerpen)

14. Goyvaerts, Maria, Mecheln (Antwerpen)

15. Verleyen, Elza, St.-Pieters-Jette (Brabant)

16. De Coninck, Josephine, Willebroek (Antwerpen)

17. Vervloet, Martha, Borgerhout (Antwerpen)

18. Jottier, Johanna, Schaarbeek (Brabant)

19. Dusessoi, AHce Schaarbeek (Brabant)

20. Declercq, Lucienne, St.-Pieters-Kapelle (Hennegau)

21. Couwenbergh, Albertine, Leopoldsburg (Limburg)

 

Art. II. De bestuurster zal de hiervoren genoemde leerlingen uitnodigen om den dag voor de opening der lessen in de normaalschool aanwezig te zijn. Het uitnodigingsschrijven zal tevens al de voorwerpen aanduiden, waarvan de leerlingen overeenkomstig de bepalingen moeten voorzien zijn.

Brussel, den 2n januari 1918.

No. 3. - 8. januari 1918.

Bekendmaking. ***

Met ingang van 15 januari 1918 y 10 uur 's voormiddag wordt de landtong van Gwet (het Frans gebied rondom Gwet en Fumay) afgestaan aan de Etappen-Inspektie van het 1e leger. De achterwaartse grens van het Etappengebied, van het 1e leger, tussen dat gebied en het Generaal Gouvernement, volgt de vroegere Belgisch-Franse grens van Fumay tot Hautes-Rwieres. De bekendmaking van 19 december 1915 la Nr. 14881, Wet- en Verordeningsblad, hl. 1436, wordt hierbij dienovereenkomstig gewijzigd.

Brussel, den 5n januari 1918,

No. 4. - 11. januari 1918.

Beschikking.

Art. I. Op grond van artikel 7 van het koninklijk besluit van 2 april 1887, wordt de wetenschappelijke en opvoedkundige leiding van het Nationaal Schoolmuseum opgedragen aan den Heer J. Libbrecht, algemenen bestuurder aan het ministerie voor Wetenschappen en Kunsten te Brussel.

Art, II, Het Hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschef) voor Vlaanderen wordt met de uitvoering van deze beschikking belast,

Brussel, 3 januari 1918.

No. 6. - 14. januari 1918.

Verordening ** houdende inbeslagneming van straatstoomlocomotieven.

(Zie Militar-Verordnungsblatt'' Nr. 78 van 7 oktober 1916 alsook „Wet en Verordeningsblad”, Nr. 265 van 15 oktober 1916).

A. Wijziging van de Verordening van 25 september 1916, betreffende de stapelopneming van machines met hun toebehoren.

 

Artikel 3, lid 1, wordt aangevuld als volgt: Machines waarvan tot nog toe geen aangifte is gedaan en die onder klasse 2* opgesomd staan, moeten ten laatste op 25 januari 1918 schriftelijk aangegeven worden hij de „Leitung des Kraftfahrwesens*\ Wetenschapstraat 35, Brussel.

 

Artikel 8, lid 2, wordt als volgt gewijzigd: Elke bezitsverandering en ieder vervoer van de onder klasse i, 5, 4. 5, 6, 7,8 en 9 opgesomde voorwerpen is, zonder de toelating van den „Stabsoffizier der Pioniere Nr. 164 beim General-gouvernement en, van de onder klasse 2* opgesomde voorwerpen, zonder de toelating van de „Leitung des Kraftfahrwesens beim ' Generalgouvernement'' verboden.

 

Artikel 4 wordt aangevuld als volgt : De aangifte moet ingediend worden : voor de voorwerpen opgesomd onder klasse 1, 3, 4, 5, 6, 7,8 en 9 bij den „Stabsoffizier der Pioniere Nr. 164 beim Generalgouvernement" onder klasse 2* hij de „Leitung des Kraftfahrwesens beim Generalgouvernement

 

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd: Wie verzuimt de voorgeschreven aangifte te doen of een onvolledige of valse aangifte indient, alsook wie de bedoelde voorwerpen zonder toelating van den „Stabsoffizierder Pioniere Nr. 164" onderscheidenlijk van de „Leitung des Kraftfahrwesens'' van bezitter doet veranderen of vervoert, wordt gestraft met ten hoogste 6 maand gevangenis of met ten hoogste 20000 mark geldboete. Ook kunnen beide straffen te gelijkertijd worden uitgesproken. Voorwerpen, die, hoewel onder toepassing van deze verordening vallende, niet worden Klasse 2 bevat: alle niet op sporen lopende vrachtlocomotieven en vracht- motorwagens door stoom of elektriciteit gedreven, dus ook stoomrolblokken, trekmachienen voor stoomploegen en andere dergelijke trektoestellen. aangegeven, kunnen ten bate van het Duitse leger- bestuur verbeurdverklaard worden.

 

Artikel 8 luidt voortaan als volgt: De „Stabsoffizier der Pioniere Nr. 164 beim General- gouvernement, onderscheidenlijk "de Leitung des Kraftfahrwesens'' is gerechtigd, uitvoeringsbepalingen tot deze verordening uit te vaardigen.

 

B. Uitbreiding der Verordening van 25 september 1916, betreffende de stapelopneming van machines met alle toebehoren".

1. Inbeslagneming. De voorwerpen van klasse 2: alle niet op sporen lopende vrachtlocomotieven en vrachtmotorwagens door stoom of elektriciteit gedreven, dus ook stoomrolblokken, trekmachienen voor stoomploegen en andere dergelijke trektoestellen zijn hierbij in beslag genomen.

Zonder de toelating van de „Leitung des Kraftfahrwesens" mag er op generlei wijze over worden beschikt: zij mogen bij gevolg noch verhuurd, noch verkocht, noch veranderd worden. Het gebruik van de betrokken voorwerpen is alleen geoorloofd, wanneer het Generaal Gouvernement daartoe, overeenkomstig § 3 der verordening van 26 mei 1915, over het verkeer van private motorvoertuigen in België, de toelating verleend heeft.

2. Verplichting tot aflevering. De bezitters van bedoelde voertuigen zijn verplicht, deze desverlangend aan het legerbestuur af te staan.

3. Overheid, die met de inbeslagneming belast is. De „Leitung des Kraftfabricesens beim Generaal-Gouvernement" is belast met de uitvoering van deze aanvullende verordening. Deze dienst zal de nodige bepalingen uitvaardigen.

4. Strafbepalingen. Wie de voorschriften van deze verordening overtreedt, wordt gestraft met ten hoogste 2 jaar gevangenis en met ten hoogste 20000 mark geldboete, of met een van deze straffen, bijaldien een andere strafwet geen zwaarder straf voorziet. Naast de straf is tevens de verbeurdverklaring van de voertuigen waarop de strafbare handeling betrekking heeft, in ieder geval toegelaten; in geval van opzettelijke overtreding moet de verbeurdverklaring steeds worden uitgesproken,

Overigens zijn de bepalingen der verordening van 17 juni 1917, houdende uitbreiding van de strafbepalingen der in verband met de oorlogseconomie uitgevaardigde verordeningen, toepasselijk. De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.

Deze verordening treedt onmiddellijk in werking,

Brussel, den 8 januari 1918.

No. 7. - 19. januari 1918.

Verordening betreffende de begeving van leidende posten bij het Belgisch beheer van Posterijen voor het Vlaams bestuursgebied. In aansluiting aan mijn verordening van 22 december 1917 (Wet en Verordeningsblad voor Vlaanderen, blz. 10), over hetzelfde onderwerp, verorden ik het navolgende:

Enig artikel. Met ingang van 1 januari 1918 zijn voor het Vlaams bestuursgebied benoemd: a) Bij het Hoofdbeheer van Posterijen te Brussel:

de heer J. A. van der Velden, dienstbestuurde te Brugge, tot algemeen bestuurder,

de heer B.C. De Boom, klerk 1 klasse,

de heer L. C. Vigneron, klerk—2e klasse en

de heer F. De Grauwe, vertaler aan het ministerie van Spoorwegen, alle te Brussel, tot bureeloversten.

b) Bij de dienstbesturen:

te Brussel, de heer A. J. Vierstraete, controleur 2e klasse te Brugge, te Gent, de heer E. V. Van der M eer en, controleur-2e klasse aldaar, te Brugge, de heer E. C. Delbecq, controleur2e klasse aldaar tot dienstbestuurders.

De Voorzitter van het Keizerlijk Duits Beheer van Posterijen en Telegrafen in België is met de uitvoering van deze verordening belast.

Brussel, den 12n januari 1918.

 

No. 7. - 19. januari 1918

Besluit.

De Voorzitter van het Keizerlijk Duits Beheer van Posterijen en Telegrafen in België, die belast is met de waanneming der rechten en verplichtingen van den Belgischen minister van Zeewezen, Posterijen en Telegrafen, besluit:

Enig artikel. Met ingang van 1 januari 1918 zijn benoemd:

a) de heer J. Backer-Overbeek, aangenomen vertaler bij het Algemeen Secretariaat van Zeewezen, Posterijen en Telegrafen, te Brussel, tot klerk 1e klasse bij het Algemeen Secretariaat van Zeewezen Posterijen en Telegrafen voor het Vlaams bestuursgebied;

b) de heer A. Ghysels, klerk op de proef hij het Algemeen Secretariaat van Zeewezen, Posterijen en Telegrafen, te Brussel, tot klerk 2e klasse hij het Algemeen Secretariaat van Zeewezen, Posterijen en Telegrafen voor het Vlaams bestuursgebied. Brussel den 19n december 1917,

No. 7. - 19. januari 1918.

 

Besluit.

De Voorzitter van het Keizerlijk Duits Beheer van Posterijen en Telegrafen in België, die belast is met de waarneming der rechten en verplichtingen van den Belgische Minister van Zeewezen, Posterijen en Telegrafen,

Besluit:

Enig artikel. Met ingang van 1 januari 1918 zijn aan het Algemeen Secretariaat van Zeewezen, Posterijen en Telegrafen voor het Vlaams bestuursgebied benoemd: tot deurwaarder: de heer F, F. Cortvrient, vroeger wachtend sorteerder, tot bode: de heer J. C. Vincent, vroeger telegrambesteller, tot schoonmaaksters: vrouw A. Motheu en vrouw M.E.A. Momhaerts, geh. Michelits, alle te Brussel.

Brussel, den 12n januari 1918,

 

No. 7. - 19. januari 1918.

Bekendmaking

betreffende de liquidatie van Franse ondernemingen. Met toestemming van den heer Generaal Gouverneur in België, heb ik, krachtens de verordening van 15 april 1917 over de liquidatie van Franse ondernemingen (Wet- en Verordeningsblad, hl. 3598), de liquidatie bevolen van de in België voorhanden zijnde Franse deelhebbingen aan de „Vega'' Societe Anonyme Roumaine pour le Raffinage du Petrole („Vega'' Rumànische Petroleum-Raffinerie-Aktien- gesellschaft), te Boekarest, en den heer Rechtsanwalt Dr. Einhom Bankabteilung y Wetstraat 28, te Brussel, tot liquidator benoemd,

Brussel, den 15n januari 1918.

No. 7. - 19. januari 1918.

Bekendmaking. ***

Op grond mijner verordening van 19 juli 1917, betreffende de Oogstkommissies (Ernte-Kommissionen), evenals der uitvoeringsbepalingen van 19 juli 1917 tot deze verordening, heb ik, op voorstel der centrale Oogstkommissie (Zentral-Emte-Kommission), de hoogste prijzen voor den verkoop van gedorst koren, meel, zemelen en brood voorshands als volgt vastgesteld:

voor tarwe uit stapelplaats of molen geleverd frank 72.56 per 100 kg.

rogge uit stapelplaats of molen geleverd „ 37.27 „ „ „

masteluin uit stapelplaats of molen geleverd, 39.53 „ „ „

ongepelde spelt uit stapelplaats of molen geleverd „ 36.78 „ „ „

zemelen uit stapelplaats of molen geleverd „ 21.50 „ „ „

tarwemeel aan bakkers of verbruikers geleverd „ 80.51 „ „ „

roggemeel aan bakkers of verbruikers geleverd „ 44.13 „ „ „

masteluinmeel aan bakkers of verbruikers geleverd „ 46.46 „ „ „

tarwebrood aan verbruikers geleverd 0,68 per stuk

Deze hoogste prijzen worden op 1 februari 1918 van kracht. De provinciale Oogstkommissies (Provinzial-Emte- Kommissionen) zijn bevoegd, voor de omschrijving van afzonderlijke gemeenten, op verzoek of na raadpleging van de burgemeesters, telkens een lagere hoogsten prijs voor brood, tot het bereiden waarvan roggemeel wordt gebruikt, vast te stellen. Voor den verkoop van koren door de verbouwers aan het Nationaal Hulp- en Voedingskomiteit, blijven de hoogste prijzen, vastgesteld in de uitvoeringsbepalingen tot de verordening van 19 juli 1917, betreffende de Oogstkommissies, van kracht,

Brussel, den 12n januari 1918.

 

No. 7. - 19. januari 1918.

Verordening ***

betreffende het getuig voor voertuigen en de uitrustingen voor rijpaarden. Artikel 4 der verordening van 30 juni 1917 betreffende het getuig voor voertuigen en de uitrustingen voor rijpaarden wordt als volgt aangemeld:

Art. 4a. Bijaldien geen onderhandse aankoop tot stand komt, kunnen de bedoelde voorwerpen onteigend worden tegen betaling van de geschatte waarde. Ingeval de afleveraar weigert den uit te betalen prijs aan te nemen, wordt hem een ontvangstbewijs afgeleverd met opgave van de hoeveelheid, de soort en de geschatte waarde der voorwerpen. Om naderhand de uitbetaling te bekomen van de geschatte waarde, wende men zich schriftelijk en onder bijvoeging van het ontvangstbewijs tot den bevoegden Kreis-Chef (Kommandant).

Brussel, den 15n januari 1918.

No. 7. - 19. januari 1918.

Beschikking

Betreffende de hervorming van de bonsomschrijvingen in het arrondissement Nijvel.

Art 1. Op grond van artikel a van het Boswetboek, worden de boswachterijen Grez-Doiceau, diaumont- GisUmx, Court-St-Etienne, Monstreicx, Virginal en Klabeek afgescheiden van het kantonnement Leuven (Inspectie Brussel) en bij het kantonnement Charleroi (Inspectie Henegouwen) gevoegd.

Art. 2. De Hoofden van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschefs) voor Vlaanderen en voor Wallonië zijn met de uitvoering van deze beschikking belast,

Brussel den 10 januari 1918,

No. 8. - 23. januari 1918.

Verordening. Overeenkomstig de verordening van 9 augustus 1917, over de ambtelijke taal in Vlaanderen; Overeenkomstig de verordening van 13 juni 1917 (C. G. 111 3386), Wordt bepaald: Enig artikel. De getuigschriften en diploma*s, af te leveren door de Middenjury voor hoger onderwijs voor het Vlaams bestuursgebied aangesteld ter begeving van de wettelijke graden 1. van kandidaat en van doctor in de verschillende faculteiten (A, B, C, D) en II. van kandidaat-ingenieur en van ingenieur in technische vakken, zijn op te maken overeenkomstig de hiernavolgende modellen:

FORMULIEREN DER GETUIGSCHEIFTEN EN DIPLOMA'S.

A. FACULTEIT DER WIJSBEGEERTE EN LETTEREN.

1) Getuigschrift van het eerste gedeelte van het kandidaatsexamen in de wijsbegeerte en letteren. Middenjury voor hoger onderwijs ter begeving der wettelijke graden. Vlaanderen. Wij, Voorzitter secretaris en leden der Middenjury door de Regering helast met het afnemen van het eerste gedeelte van het kandidaatsexamen in de wijsbegeerte en letteren; Gezien de wet van 10 april 1890, betreffende de begeving der wettelijke graden en het programma der examens van hoger onderwijs; Aangezien de heer (naam en voornamen), geboren te, houder is van een getuigschrift van volledige humaniora vereist hij artikel 5 der wet van 10 april 1890, welke getuigschrift behoorlijk werd goedgekeurd door de jury ingesteld hij Koninklijk besluit van 14 oktober 1890 ter uitvoering van artikel 11 dier wet. (Desvoorkomend „ Aangezien de heer, geboren te, houder is van een getuigschrift waaruit blijkt dat hij het voorbereidend examen, hij artikel 10 der wet van 10 april 1890 bepaald, met goed gevolg heeft afgelegd"). Aangezien hij (waarde van het examen) examen heeft afgelegd in de volgende vakken (vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde), welke vakken het eerste gedeelte van het kandidaatsexamen in de wijsbegeerte en letteren [vermelden: „voorbereidend tot de rechtsgeleerdheid'' of „voorbereidend tot het doctoraat in de wijsbegeerte en letteren, groep " groep aanduiden volgens artikel 14 der wet van 10 april 1890” uitmaken. Verklaren dat de heer (naam en voornamen) tot de verdere examens vmg worden toegelaten, Ten oorkonde waarvan wij hem dit getuigschrift hebben afgeleverd, tevens getuigende dat de voorschriften van de wet van 10 april 1890 betreffende de openbaarheid der examens, werden nageleefd.

Aldus gedaan te De Secretaris, den, De Voorzitter, De Examinatoren, (Handtekening van den houder van het getuigschrift of diploma.) (Bekrachtigingformulier).

2) Diploma van kandidaat in de wijsbegeerte en letteren. Middenjury voor hoger onderwijs ter begeving der wettelijke graden. Vlaanderen.

Wij, voorzitter, secretaris en leden der Middenjury door de Regering helast met het afnemen van het tweede gedeelte van het kandidaatsexamen in de wijsbegeerte en letteren; Gezien de wet van 10 april 1890, betreffende de begeving der wettelijke graden en het programma der examens van hoger onderwijs; Aangezien de heer (naam en voornamen), geboren te, een getuigschrift heeft overgelegd, afgeleverd den (datum) door en waaruit blijkt dat hij (waarde van het examen) examen heeft afgelegd in de volgende vakken (vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde), welke vakken het eerste gedeelte van het kandidaatsexamen in de wijsbegeerte en letteren [(vermelden: voorbereidend M de rechtsgeleerdheid'' of voorbereidend tot het doctoraat in de wijsbegeerte en letteren, groep. ." (groep aanduiden volgens artikel 14 der wet van 10 april 1890) uitmaken: Aangezien hij (waarde van het examen) examen heeft afgelegd in de volgende vakken (vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde), welke vakken het tweede gedeelte van het kandidaatsexamen in de wijsbegeerte en letteren, groep " (groep aanduiden volgens artikel 14 der wet van 10 april 1890) uitmaken; Hebben verleend en verlenen den heer (naam en voornamen) den graad van kandidaat in de wijsbegeerte en letteren. Ten oorkonde waarvan wij hem dit diploma hebben afgeleverd, tevens getuigende dat de voorschriften van de wet van 10 april 1890, betreffende den duur der studie en de openbaarheid der examens, werden nageleefd. Aldus gedaan te, den (Handtekeningen: zie formulier 1),

8) Getuigschrift van het eerste gedeelte van het Doctoraal examen in de wijsbegeerte en letteren.

Middenjury voor hoger onderwijs ter begeving der wettelijke graden, Vlaanderen. Wij, voorzitter, secretaris en leden der Middenjury door de Regering belast met het afnemen van het eerste gedeelte van het doctoraal examen in de wijsbegeerte en letteren; Gezien de wet van 10 april 1890 betreffende de begeving der wettelijke graden en het programma der examens van hoger onderwijs; Aangezien de heer (naam en voornamen)f geboren te, een diploma heeft overgelegd van kandidaat in de wijsbegeerte en letteren voorbereidend tot het doctoraat in de wijsbegeerte en letteren groep (groep aanduiden volgens artikel 14 der wet van 10 april 1890) afgeleverd den (datum) door en behoorlijk bekrachtigd den (datum); Aangezien hij (waarde van het examen) examen heeft afgelegd in de volgende vakken: (vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde) (en des voorkomend bijvoegen: „en in, door den examinandus gekozen vak'')y welke vakken het eerste gedeelte van het doctoraal examen in de wijsbegeerte en letteren groep. (groep aanduiden volgens artikel 14 der wet van 10 april 1890) uitmaken; Verklaren dat de heer (naam en voornamen) tot het eindexamen mag worden toegelaten. Ten oorkonde waarvan wij hem dit getuigschrift hebben afgeleverd, tevens getuigende dat de voorschriften van de loet van 10 april 1890, betreffende de openbaarheid der examens, werden nageleefd. Aldus gedaan te, den (Handtekeningen: zie formulier 1).

 

4)Diploma van doctor in de wijsbegeerte en letteren.

a) Afgeleverd na het afleggen van het examen in twee gedeelten.

Middenjury voor hoger onderwijs ter begeving der wettelijke graden. Vlaanderen.

Wijf voorzitter secretaris en leden der Middenjury door de Regering helast met het afnemen van het tweede gedeelte van het doctoraal examen in de wijsbegeerte en letteren; Gezien de wet van 10 april 1890, betreffende de begeving der wettelijke graden in het programma der examens van hoger onderwijs; Aangezien de heer (naam en voornamen), geboren te, een getuigschrift heeft overgelegd, afgeleverd den door en waaruit blijkt dat hij (waarde van het examen) examen heeft afgelegd in de volgende vakken: (vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde), welke vakken het eerste gedeelte van het doctoraal examen in de wijsbegeerte en letteren, groep (groep aanduiden volgens artikel 14 der wet van 10 april 1890) uitmaken; Aangezien hij (waarde van het examen) examen heeft afgelegd in de volgende vakken: (vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde) (desvoorkomend bijvoegen: „en in, door den examinandus gekozen vak"), welke vakken het tweede gedeelte van het doctoraal examen in de wijsbegeerte en letteren, groep. (groep aanduiden volgens artikel 14 der wet van 10 april 1890) uitmaken; Aangezien hij een proefschrift over, weienschappelijk vraagstuk in verhand met voormelde groep, heeft ingediend en in het openbaar verdedigd; Aangezien hij een openbare les heeft gegeven over onderwerp door de Faculteit of commissie opgegeven (desvoorkomend weg te laten); Hebben verleend en verlenen den heer (naam en voornamen) den graad van doctor in de wijsbegeerte en letteren. Ten oorkonde waarvan wij hem dit diploma hebben afgeleverd, tevens getuigende dat de voorschriften van de wet van 10 april 1890, betreffende den duur der studie en de openbaarheid der examens, werden nageleefd, Aldus gedaan te, den (Handtekeningen: zie formulier 1),

6)Afgeleverd na het afleggen van een enig examen.

Middenjury voor hoger onderwijs ter begeving der wettelijke graden. Vlaanderen.

Wij, voorzitter, secretaris en leden der Middenjury door de Regering helast met het afnemen van het doctoraai examen in de wijsbegeerte en letteren; Gezien de wet van 10 april 1890, betreffende de begeving der wettelijke graden en het programma der examens van hoger onderwijs; Aangezien de heer (naam en voornamen ), geboren te, een diploma heeft overgelegd, van kandidaat

in de wijsbegeerte en letteren, voorbereidend tot het doctoraat in de wijsbegeerte en letteren, groep (groep aanduiden volgens artikel 14 der wet van 10 april 1890) afgeleverd den (datum) door en behoorlijk bekrachtigd den (datum); Aangezien hij (waarde van het examen) examen heeft afgelegd in de volgende vakken (vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde) en in, door den examinandus gekozen vak, welke vakken het doctoraal examen in de wijsbegeerte en letteren, groep (groep aanduiden volgens artikel 14 der wet van 10 april 1890) uitmaken; Aangezien hij een proefschrift over, wetenschappelijk vraagstuk in verhand met voormelde groep, heeft ingediend en in het openhaar verdedigd; Aangezien hij een openbare les heeft gegeven over, onderwerp door de Faculteit of commissie opgegeven (desvoorkomend weg te laten); Hebben verleend en verlenen den heer (naam en voornamen) den graad van doctor in de wijsbegeerte en letteren. Ten oorkonde waarvan wij hem dit diploma hebben afgeleverd, tevens getuigende dat de voorschriften van de wet van 10 april 1890, betreffende den duur der studie en de openbaarheid der examens, werden -nageleefd. Aldus gedaan te, den (Handtekeningen: zie formulier 1).

B. FACULTEIT DER RECHTSGELEERDHEID.

5) Diploma van kandidaat in de rechtswetenschap. Middenjury voor hoger onderwijs ter begeving der wettelijke graden, Vlaanderen. Wij, voorzitter, secretaris en leden der Middenjury door de Regering helast met het afnemen van het kandidaatsexamen in de rechtswetenschap; Gezien de wet van 10 april 1890, betreffende de begeving der wettelijke graden en het programma der examens van hoger onderwijs; Aangezien de heer (naam en voornamen), geboren te, een diploma heeft overgelegd van kandidaat in de wijsbegeerte en letteren voorbereidend tot de rechtsgeleerdheid, afgeleverd den (datum) door, en behoorlijk bekrachtigd den (datum); Aangezien hij (waarde van het examen) examen heeft afgelegd in de volgende vakken: (vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde), welke vakken het kandidaatsexamen in de rechtsgeleerdheid uitmaken; Hebben verleend en verlenen den heer (naam en voornamen) den graad van kandidaat in de rechtsgeleerdheid. Ten oorkonde waarvan wij hem dit diploma hebben afgeleverd tevens getuigende dat de voorschriften van de wet van 10 april 1890, betreffende den duur der studie en de openbaarheid der examens, werden nageleefd, Aldus gedaan te, den (Handtekeningen: zie formulier 7).

6) Getuigschrift van het eerste gedeelte van het doctoraal examen in de rechtswetenschap. Middenjury voor hoger onderwijs ter begeving der wettelijke graden. Vlaanderen. ij, voorzitter, secretaris en leden der Middenjury door de Regering belast met het afnemen van het eerste gedeelte van het doctoraal examen in de rechtswetenschap; Gezien de wet van 10 april 1890, betreffende de begeving der wettelijke graden en het programma der examens van hoger onderwijs; Aangezien de heer (naam en voornamen), geboren te, een diploma heeft overgelegd van kandidaat in de rechtswetenschap afgeleverd den (datum) door, en behoorlijk bekrachtigd den (datum); Aangezien hij (waarde van het examen) examen heeft afgelegd in de volgende vakken: (vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde), welke vakken het eerste gedeelte van het doctoraal examen in de rechtswetenschap uitmaken; Verklaren dat de heer (naam en voornamen) tot de verdere examens mag worden toegelaten. Ten oorkonde waarvan wij hem dit getuigschrift hebben afgeleverd, tevens getuigende dat de voorschriften van de wet van 10 april 1890, betreffende de openbaarheid der examens, werden nageleefd. Aldus gedaan te, den. (Handtekeningen: zie formulier).

7) Getuigschrift van het tweede gedeelte van het doctoraal examen in de rechtswetenschap.

Middenjury voor hoger onderwijs ter begeving der wettelijke graden, Vlaanderen. Wij, voorzitter, secretaris en leden der Middenjury door de Regering helast met het afnemen van het tweede gedeelte van het doctoraal examen in de rechtswetenschap; Gezien de wet van 10 april 1890, betreffende de begeving der wettelijke graden en het programma der examens van hoger onderwijs; Aangezien de heer (naam en voornamen), geboren te, een getuigschrift heeft overgelegd, afgeleverd den (datum) door en waaruit blijkt dat hij (waarde van het examen) examen heeft afgelegd in de volgende vakken: (vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde), welke vakken het eerste gedeelte van het doctoraal examen in de rechtswetenschap uitmaken; Aangezien hij (waarde van het examen) examen heeft afgelegd in de volgende vakken: [vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde), welke vakken het tweede gedeelte van het doctoraal examen in de rechtswetenschap uitmaken; Verklaren dat de heer (naam en voornamen) tot het eindexamen mag worden toegelaten. Ten oorkonde waarvan wij hem dit getuigschrift hebben afgeleverd, tevens getuigende dat de voorschriften van de wet van 10 april 1890, betreffende de openbaarheid der examens, werden nageleefd. Aldus gedaan te, den (Handtekeningen: zie formulier 1).

8) Diploma van doctor in de rechtswetenschap.

Middenjury voor hoger onderwijs ter begeving der wettelijke graden. Vlaanderen. voorzitter, secretaris en leden der Middenjury door de Regering belast met het afnemen van het derde gedeelte van het doctoraal examen in de rechtswetenschap; Gezien de wet van 10 april 1890, betreffende de begeving der wettelijke graden en het programma der examens van hoger onderwijs; Aangezien de heer (naam en voornamen), geboren te, twee getuigschriften heeft overgelegd, afgeleverd door en waaruit blijkt dat hij respectievelijk den (datum) (waarde van het examen) en den (datum) (waarde van het examen), het eerste en het tweede gedeelte van het doctoraal examen in de rechtswetenschap heeft afgelegd, waarvan het eerste gedeelte de volgende vakken omvat (vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde) en het tweede de volgende (vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde); Aangezien hij (waarde van het examen) examen heeft afgelegd in de volgende vakken (vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde), welke vakken het derde gedeelte van het doctoraal examen in de rechtswetenschap uitmaken;

Hebben verleend en verlenen den heer (naam en voornamen) den graad van dokter in de rechtswetenschap. Ten oorkonde waarvan wij hem dit diploma hebben afgeleverd, tevens getuigende dat de voorschriften der wet van 10 april 1890, betreffende den duur der studie en de openbaarheid der examens, werden nageleefd. Aldus gedaan te, den (Handtekeningen: zie formulier I),

9) Getuigschrift van het eerste gedeelte van het examen van kandidaat-notaris.

Middenjury voor hoger onderwijs ter begeving der wettelijke graden, Vlaanderen.

Wij, voorzitter, secretaris en leden der Middenjury door de Regering helast met het afnemen van het eerste gedeelte van het examen van kandidaat-notaris; Gezien de wet van 10 april 1890, betreffende de begeving der wettelijke graden en het programma der examens van hoger onderwijs; % Aangezien de heer (naam en voornamen), geboren te, houder is van een getuigschrift van volledige humaniora vereist bij artikel 5 der wet van 10 april 1890, welk getuigschrift behoorlijk werd goedgekeurd door de jury ingesteld bij Koninklijk besluit van 14 oktober 1890 ter uitvoering van artikel 11 dier wet; (desvoorkomend, Aangezien de heer (naam en voornamen), geboren te houder is van een getuigschrift, waaruit blijkt dat bij het voorbereidend examen, bij artikel 10 der wet van 10 april 1890 bepaald, met goed gevolg heeft afgelegd.") Aangezien hij (waarde van het examen) het eerste gedeelte van het examen van kandidaat notaris heeft afgelegd hetwelk de volgende vakken omvat: wakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde), alsook oplossingen van vraagstukken uit de praktijk en ontwerpen van notariële akten. (Vermelden: 1° de vakken waarover deze vraagstukken en ontwerpen notariële akten hebben gelopen, 2° of de akten in het Nederlands of in het Frans, in beide talen, of ook in het Duits werden opgesteld); Verklaren dat de heer (naam en voornamen) tot de verdere examens mag worden toegelaten. Ten oorkonde waarvan wij hem dit getuigschrift hebben afgeleverd, tevens getuigende dat de voorschriften van de wet van 10 april 1890, betreffende de openbaarheid der examens, werden nageleefd. Aldus gedaan te, den (Handtekeningen: zie formulier 1),

10) Getuigschrift van het tweede gedeelte van het examen van kandidaat-notaris.

Middenjury voor hoger onderwijs ter begeving der wettelijke graden. Vlaanderen.

Wij, voorzitter, secretaris en leden der Middenjury door de Regering belast met het afnemen van h et tweede gedeelte van het examen van kandidaat-notaris; Gezien de wet van 10 april 1890, betreffende de begeving der wettelijke graden en het programma der examens van hoger onderwijs; Aangezien de heer (naam en voornamen), geboren te, een getuigschrift heeft overgelegd, afgeleverd den (datum) door en waaruit blijkt dat hij (waarde van het examen) examen heeft afgelegd in de volgende vakken (vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde), inbegrepen het oplossen van vraagstukken uit de praktijk en ontwerpen van notariële akten, welke vakken het eerste gedeelte van het examen van kandidaat-notaris uitmaken; Aangezien hij (waarde van het examen) examen heeft afgelegd in de volgende vakken: (vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde; vakken vermelden waarover de opgeloste vraagstukken uit de praktijk en ontworpen notariële akten hebben gelopen), alsook oplossingen van vraagstukken uit de praktijk en ontwerpen van notariële akten. (Vermelden: 1° de vakken waarover deze vraagstukken en ontworpen notariële akten hebben gelopen, 2° of de akten in het Nederlands of in het Frans, in beide talen, of ook in het Duits werden opgesteld, en desvoorkomend bijvoegen: „zoals bij het vorige gedeelte''), welke vakken het tweede gedeelte van het examen van kandidaat-notaris uitmaken; Verklaren dat de heer (naam en voornamen) lot het eindexamen mag worden toegelaten. Ten oorkonde waarvan wij hem dit getuigschrift hebben afgeleverd, tevens getuigende dat de voorschriften der wet van 10 april 1890, betreffende de openbaarheid der examens, werden nageleefd, Aldus gedaan te , den (Handtekeningen: zie formulier 1),

11) Diploma van kandidaat-notaris.

Middenjury voor hoger onderwijs ter begeving der wettelijke graden, Vlaanderen. Wij, voorzitter, secretaris en leden der Middenjury door de Regering helast met het afnemen van liet der de gedeelte van het examen van kandidaat-notaris; Gezien de wet van 10 april 1890 betreffende de begeving van wettelijke graden en het programma der examens van hoger onderwijs; Aangezien de heer (naam en voornamen), geboren te, twee getuigschriften heeft overgelegd, afgeleverd door en waaruit blijkt dat hij respectievelijk den. . . . (datum) (waarde van het examen) en den (datum) (waarde van het examen) j het eerste en het tweede gedeelte van het examen van kandidaat-notaris heeft afgelegd, waarvan het eerste gedeelte de volgende vakken omvat: (vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde), en het tweede de volgende: (vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde), en heide examens, het oplossen van vraagstukken uit de praktijk en ontwerpen van notariële akten; Aangezien hij (waarde van het examen) examen heeft afgelegd in de volgende vakken: (vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde; de vakken vermelden waarover de opgeloste vraagstukken uit de praktijk en de ontworpen notariële akten hebben gelopen), alsook het oplossen van vraagstukken en het ontwerpen van notariële akten, (vermelden: 1° de vakken waarover deze vraagstukken en ontworpen notariële akten hebben gelopen; 2° of de akten in h et Nederlands of in het Frans, in beide talen, of ook in het Duits werden opgesteld, en desvoorkomend bijvoegen: „zoals hij de vorige gedeelten''), welke vakken het derde gedeelte van het examen van kandidaat-notaris uitmaken; Hebben verleend en verlenen den heer (naam en voornamen) den graad van kandidaat-notaris, Ten oorkonde waarvan wij hem dit diploma hebben afgeleverd, tevens getuigende dat de voorschriften der wet van 10 april 1890, betreffende den duur der studie en de openbaarheid der examens, werden nageleefd, Aldus gedaan te, den (Handtekeningen: zie formulier 1).

12) Diploma van doktor in de rechtswetenschap en van kandidaat-notaris.

Middenjury voor hoger onderwijs ter begeving der wettelijke graden. Vlaanderen.

Wij, voorzitter, secretaris en leden der Middenjury door de Regering belast met het afnemen van het derde gedeelte van het examen van doctor in de rechtswetenschap en van het examen van kandidaat-notaris (bijzonder examen); Gezien de wet van 10 april 1890, betreffende de begeving der wettelijke graden en het programma der examens van hoger onderwijs; Aangezien de heer (naam en voornamen), geboren te, twee getuigschriften heeft overgelegd, afgeleverd door en waaruit blijkt dat hij respectievelijk den (datum) (waarde van h et examen) en den (datum) (waarde van liet examen) het eerste en het tweede gedeelte van liet doctoraal examen in de rechtswetenschap heeft afgelegd, waarvan het eerste gedeelte de volgende vakken omvat: (vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde) en het tweede de volgende: (vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde); Aangezien hij (waarde van het examen) examen heeft afgelegd in de volgende vakken: (vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde), welke vakken het derde gedeelte van het doctoraal examen in de rechtswetenschap uitmaken, en in de volgende vakken: (opsommen, in de door de wet aangeduide volgorde, de vakken van het examen van kandidaat-notaris, die geen deel uitmaken van het kandidaats of van het doctoraal examen in de rechtswetenschap), welke vakken het bijzonder examen van kandidaat-notaris uitmaken, ingesteld hij artikel 16 der wet van 10 april 1890; Aangezien in dit bijzonder examen hij de vakken, onder nrs. 4 tot 9 van artikel 17 der wet van 10 april 1890 voorzien, waren hegrepen het oplossen van vraagstukken uit de praktijk en het ontwerpen van notariële akten, daartoe behorende; Hebben verleend en verlenen den heer (naam en voornamen) de graden van doctor in de rechtswetenschap en van kandidaat-notaris, Ten oorkonde waarvan wij hem dit diploma hebben afgeleverd, tevens getuigende dat de voorschriften der wet van 10 april 1890, betreffende den duur der studie en de openbaarheid der examens, werden nageleefd. Aldus gedaan te, den (Handtekeningen: zie formulier 1).

c. FACULTEIT DER WISKUNDE EN DER NATUURWETENSCHAPPEN.

13) Getuigschrift van het eerste gedeelte van het kandidaatsexamen in de wis en natuurkunde.

Middenjury voor hoger onderwijs ter begeving der wettelijke graden. Vlaanderen. Wij, voorzitter, secretaris en leden der Middenjury door de Regering helast met het afnemen van het eerste gedeelte van het kandidaatsexamen in de wis en natuurkunde; Gezien de wet van 10 april 1890, betreffende de begeving der wettelijke graden en het programma der examens van hoger onderwijs; Aangezien de heer (naam en voornamen), geboren te, houder is van een getuigschrift van middelbare studiën, vereist hij artikel 5 der wet van 10 april 1890, welk getuigschrift behoorlijk werd goedgekeurd door de jury ingesteld hij Koninklijk besluit van 14 Oktober 1890 ter uitvoering van artikel 11 dier wet (desvoorkomend: „ Aangezien de heer geboren te, houder is van een getuigschrift, waaruit blijkt dat hij het voorbereidend examen, hij artikel 12 der wet van 10 april 1890 vereist, met goed gevolg heeft afgelegd; Aangezien hij (waarde van het examen) examen heeft afgelegd in de volgende vakken: (vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde), welke vakken het eerste gedeelte van het kandidaatsexamen in de wis en natuurkunde uitmaken (desvoorkomend bijvoegen: „en hij een praktisch examen in de proefondervindelijke natuurkunde heeft afgelegd’’); Verklaren dat de heer (naam en voornamen) tot de verdere examens mag worden toegelaten. Ten oorkonde waarvan wij hem dit getuigschrift hebben afgeleverd, tevens getuigende dat de voorschriften van de wet van 10 april 1890, betreffende de openbaarheid der examens, werden nageleefd. dus gedaan te. , den (Handtekeningen: zie formulier 1),

 14) Diploma van kandidaat in de wis en natuurkunde.

Middenjury voor hoger onderwijs ter begeving der wettelijke graden. Vlaanderen.

Wij, voorzitter, secretaris en leden der Middenjury door de Regering helast met het afnemen van het tweede gedeelte van het kandidaatsexamen (paf „het kandidaatsexamen'', in de wis en natuurkunde; Gezien de wet van 10 april 1890, betreffende de begeving der wettelijke graden en het programma der examens van hoger onderwijs; Aangezien de heer (naam en voornamen), geboren te, een getuigschrift heeft overgelegd, afgeleverd den (datum) door en waaruit blijkt dat hij (waarde van het examen) examen heeft afgelegd in de volgende vakken: (vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde), welke vakken het eerste gedeelte van het kandidaatsexamen in de wis en natuurkunde uitmaken; (voor het geval van een enig examen wordt deze overweging vervangen door de volgende: „Aangezien de heer (naam en voornamen), geboren te. . . , houder is van een getuigschrift van middelbare studiën vereist bij artikel 5 der wet van 10 Afril 1890, welk getuigschrift behoorlijk werd goedgekeurd door de jury ingesteld hij Koninklijk besluit van 14 oktober 1890 ter uitvoering van artikel 11 dier wet of door de volgende: Aangezien de heer (naam en voornamen), geboren te, houder is van een getuigschrift, waaruit blijkt dat hij het voorbereidend examen, hij artikel 12 der wet van 10 april 1890 bepaald, met goed gevolg heeft afgelegd’’); Aangezien hij (waarde van het examen) examen heeft afgelegd in de volgende vakken: (vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde), welke vakken het tweede gedeelte van het kandidaatsexamen (of, volgens het geval: „het kandidaatsexamen'') in de wis en natuurkunde uitmaken; (desvoorkomend bijvoegen, en hij een praktisch examen in de proefondervindelijke natuurkunde heeft afgelegd”); Hebben verleend en verlenen den heer (naam en voornamen) den graad van kandidaat in de wis en natuurkunde. Ten oorkonde waarvan wij hem dit diploma hebben afgeleverd, tevens getuigende dat de voorschriften van de loet van 10 april 1890, betreffende den duur der studie en de openbaarheid der examens, werden nageleefd, Aldus gedaan te, den (Handtekeningen: zie formulier 1),

15) Getuigschrift van het eerste gedeelte van het doctoraal examen in de wis en natuurkunde.

Middenjury voor hoger onderwijs ter begeving der wettelijke graden, Vlaanderen.

Wij, voorzitter, secretaris en leden der Middenjury door de Regering helast met het afnemen van het gedeelte van het doctoraal examen in de wis en natuurkunde; Gezien de wet van 10 april 1890, betreffende de begeving der wettelijke graden en het programma der examens van hoger onderwijs; Aangezien de heer (naam en voornamen), geboren te, een diploma heeft overgelegd van kandidaat in de wis en natuurkunde, afgeleverd den (datum) door en behoorlijk bekrachtigd den (datum); Aangezien hij (waarde van het examen) examen heeft afgelegd in de volgende vakken: (vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde), welke vakken het eerste gedeelte van het doctoraal examen in de wis en natuurkunde uitmaken; Verklaren dat de heer (naam en voornamen) tot het eindexamen mag worden toegelaten. Ten oorkonde waarvan wij hem dit getuigschrift hebben afgeleverd, tevens getuigende dat de voorschriften der wet van 10 april 1890 betreffende de openbaarheid der examens, werden nageleefd. Aldus gedaan te, den (Handtekeningen: zie formulier i).

16) Diploma van doctor in de wis- en natuurkunde.

Middenjury voor hoger onderwijs ter begeving der wettelijke graden. Vlaanderen. Wijf voorzitter, secretaris en leden der Middenjury door de Regering belast met het afnemen van het tweede gedeelte van het doctoraal examen (of het „doctoraal examen'') in de wis' en natuurkunde. Gezien de wet van 10 april 1890, betreffende de begeving der wettelijke graden en het programma der examens van hoger onderwijs; Aangezien de heer (naam en voornamen), geboren te, een getuigschrift heeft overgelegd, afgeleverd den (datum) door en waaruit blijkt dat hij (waarde van het examen) examen heeft afgelegd in de volgende vakken: (vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde), welke vakken het eerste gedeelte van het doctoraal examen, in de wis en natuurkunde uitmaken; (voor het geval van een enig examen, wordt deze overweging door de volgende vervangen) Aangezien de heer (naam en voornamen), geboren te, een behoorlijk bekrachtigd diploma heeft overgelegd van kandidaat in de wis en natuurkunde, afgeleverd den (datum) door “); Aangezien hij (waarde van het examen) examen heeft afgelegd in de volgende vakken: (vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde), en verder een grondig examen (voor groep D mathematische sterrenkunde en aardmeetkunde) en voor groep E proefondervindelijke natuurkunde en mathematische natuurkunde) bijvoegen: „alsook een praktisch examen'') in de vakken van groep (groep aanduiden volgens artikel 19 van de wet van 10 april 1890), welke vakken het laatste gedeelte van liet doctoraal examen (of het doctoraal examen'') in de wis- en natuurkunde uitmaken; : „Aangezien de heer (waarde van het examen) een grondig examen (desvoorkomend bijvoegen, in geval van groep E en groep D: alsook een praktijkexamen") heeft afgelegd in de vakken van groep (groep aanduiden volgens artikel 19 van de wet van 10 april 1890), welke vakken het tweede gedeelte van het doctoraal examen in de wis- en natuurkunde uitmaken;") Aangezien hij een proefschrift over, wetenschappelijk vraagstuk (of vraagstukken) tot voornoemde groep behorende, heeft ingediend en in het openbaar verdedigd; Aangezien hij twee openbare lessen heeft gegeven, de ene in de wiskunde over, de tweede in de proefondervindelijke natuurkunde over, ontwerpen door de Faculteit of commissie aangeduid. (Desvoorkomend deze overweging weglaten). Hebben verleend en verlenen den heer (naam en voornam n) den graad van doctor in de wis- en natuurkunde, Ten oorkonde waarvan hem dit diploma hebben afgeleverd, tevens getuigende dat de voorschriften der wet van 10 april 1890, betreffende den duur der studie en de openbaarheid der examens, werden nageleefd, Aldus gedaan te, den (Handtekeningen: zie formulier 1),

17) Getuigschrift van het eerste gedeelte van het kandidaats examen i n de natuurwetenschappen, voorbereidend tot het doctoraat in de natuurwetenschappen of tot de geneeskunde of de artsenijbereidkunde.

Middenjury voor hoger onderwijs ter begeving der wettelijke graden. Vlaanderen. Wij voorzitter, secretaris en leden der Middenjury door de Regering helast m t het afnemen van het eerste gedeelte van het kandidaatsexamen in de natuurwetenschappen voorbereidend tot het doctoraat in de natuurwetenschappen of tot de artsenijbereidkunde; Gezien de wet van 10 april 1890, betreffende de begeving der wettelijke graden en het programma der examens van hoger onderwijs; Aangezien de heer (naam en voornamen), geboren te, houder is van een getuigschrift van volledige humaniora, vereist bij artikel 5 der wet van 10 april 1890, welk getuigschrift behoorlijk werd goedgekeurd door de jury ingesteld hij Koninklijk besluit van 14 Oktober 1890, ter uitvoering van artikel 11 dier wet; [desvoorkomend wordt deze overweging door de volgende vervangen: , Aangezien de heer (naam en voornamen), geboren te, houder is van een getuigschrift, waaruit blijkt dat hij het voorbereidend examen, hij artikel 10 der wet van 10 april 1890 bepaald, met goed gevolg heeft afgelegd’’;] Aangezien hij (waarde van het examen) examen heeft afgelegd in de volgende vakken: (vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde), welke vakken het eerste gedeelte van het kandidaatsexamen in de natuurwetenschappen voorbereidend tot het doctoraat in de natuurwetenschappen of tot de artsenijbereidkunde, uitmaken; (desvoorkomend bijvoegen: „en hij een microscopische demonstratie heeft gehouden;") Aangezien hij ook examen heeft afgelegd over de bijgevoegde lessen, vereist hij artikel 20 der wet van 10 april 1890; Verklaren dat de heer tot de verdere examens mag worden toegelaten, Ten oorkonde waarvan wij hem dit getuigschrift hebben afgeleverd, tevens getuigende dat de voorschriften der wet van 10 april 1890, betreffende de openbaarheid der examens, werden nageleefd, Aldus gedaan te, den (Handtekeningen: zie formulier 1).

18) Diploma van kandidaat in de natuurwetenschappen, voorbereidend tot het doctoraat in de natuurwetenschappen of tot de geneeskunde of de artsenijbereidkunde.

Middenjury voor hoger onderwijs ter begeving der wettelijke graden. Vlaanderen. Wij voorzitter, secretaris en leden der Middenjury door de Regering belast met het afnemen van het tweede gedeelte van het kandidaatsexamen (of „het kandidaatsexamen'') in de natuurwetenschappen, voorbereidend tot het doctoraat in de natuurwetenschappen of tot de artsenijbereidkunde; Gezien de wet van 10 april 1890, betreffende de begeving van wettelijke graden en het programma der examens van hoger onderwijs. Aangezien de heer (naam en voornamen), geboren te, een getuigschrift heeft overgelegd, afgeleverd den (datum) door en waaruit blijkt dat hij (waarde van het examen) examen heeft afgelegd in de volgende vakken: (vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde), welke vakken het eerste gedeelte van het kandidaatsexamen in de natuurwetenschappen voorbereidend tot het doctoraat in de natuurwetenschappen of tot de artsenijbereidkunde, uitmaken; voor het geval va7i een enig examen, wordt deze overweging vervangen door de volgende: „ Aangezien de heer (naam en voornamen), geboren te, houder is van een getuigschrift van volledige humaniora, vereist hij artikel 5 der wet van 10 april 1890, welk getuigschrift behoorlijk werd goedgekeurd door de jury ingesteld hij Koninklijk besluit van 14 oktober 1890, ter uitvoering van artikel 11 dier wet;" of door de volgende: „ Aangezien de heer (naam en voornamen), geboren te, houder is van een getuigschrift, waaruit blijkt dat hij het voorbereidend examen, hij artikel 10 der wet van 10 april 1890 bepaald, met goed gevolg heeft afgelegd’’;] Aangezien hij (waarde van het examen) examen

heeft afgelegd in de volgende vakken: (vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde), welke vakken het tweede gedeelte van het kandidaatsexamen (of, het kandidaatsexamen'') in de natuurwetenschappen, voorbereidend tot het doctoraat in de natuurwetenschappen of tot de artsenijbereidkunde uitmaken; Aangezien hij een praktisch examen in de scheikunde heeft afgelegd en een microscopische demonstratie heeft gehouden; Aangezien hij ook examen heeft afgelegd over de bijgevoegde lessen vereist hij artikel 20 der wet van 10 april 1890; Hebben verleend en verlenen den heer (naam en voornamen) den graad van kandidaat in de natuurwetenschappen. Ten oorkonde waarvan wij hem dit diploma hebben afgeleverd, tevens getuigende dat de voorschriften der wet van 10 april 1890, betreffende den duur der studie en de openbaarheid der examens, werden nageleefd. dus gedaan te, den (Handtekeningen zie formulier 1).

19) Diploma van kandidaat in de natuurwetenschappen, voorbereidend tot de geneeskunde (enig examen).

Middenjury voor hoger onderwijs tot begeving der wettelijke graden. Vlaanderen, Wij, voorzitter, secretaris en leden der Middenjury door

de Regering helast met het afnemen van het kandidaatsexamen in de natuurwetenschappen, voorbereidend tot de geneeskunde; Gezien de wet van 10 april 1890, betreffende de begeving der wettelijke graden en het programma der examens van hoger onderwijs; Aangezien de heer (naam en voornamen), geboren te, houder is van een getuigschrift van volledige humaniora, vereist hij artikel 5 der wet van 10 april 1890 y welk getuigschrift behoorlijk werd goedgekeurd door de jury ingesteld hij Koninklijk besluit van 14 Oktober 1890, ter uitvoering van artikel 11 dier wet [desvoorkomend: , Aangezien de heer (naam. en voornamen), geboren te, houder is van een getuigschrift, waaruit blijkt dut hij het voorbereidend examen, hij artikel 10 der wet van 10 april 1890 bepaald, met goed gevolg heeft afgelegd";'} Aangezien hij (waarde van het examen) examen heeft afgelegd in de volgende vakken: (vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde), welke vakken het kandidaatsexamen in de natuurwetenschappen, voorbereidend tot de geneeskunde, uitmaken; Aangezien hij een praktisch examen in de scheikunde heeft afgelegd en een microscopische demonstratie heeft gehouden; Hebben verleend en verlenen den heer (naam en voornamen) den graad van kandidaat in de natuurwetenschappen. Ten oorkonde waarvan wij hem dit diploma hebben afgeleverd, tevens getuigende dat de voorschriften der wet van 10 april 1890, betreffende den duur der studie en de openbaarheid der examens, werden nageleefd. Aldus gedaan te, den (Handtekeningen: zie formulier 1).

 20) G e t u i g s c h r i f t van het eerste gedeelte van het doctoraal examen in de natuurwetenschappen.

Middenjury voor hoger onderwijs ter begeving der wettelijke graden, Vlaanderen. Wij, voorzitter, secretaris en leden der Middenjury door de Regering helast met het afnemen van het eerste gedeelte van het doctoraal examen in de natuurwetenschappen; Gezien de wet van 10 april 1890, betreffende de begeving der wettelijke graden en het programma der examens van hoger onderwijs; Aangezien de heer (naam en voornamen), geboren te, een diploma heeft overgelegd van kandidaat in de, natuurwetenschappen voorbereidend tot het doctoraat in de natuurwetenschappen of tot de artsenijbereidkunde, afgeleverd den (datum) door en behoorlijk bekrachtigd den (datum); Aangezien hij ( waarde van het examen) examen heeft afgelegd in de volgende vakken: (vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde) van groep (groep aanduiden volgens artikel 21 der wet van 10 april 1890), welke vakken het eerste gedeelte van het doctoraal examen in de natuurwetenschappen uitmaken; (desvoorkomend bijvoegen: „en hij een praktisch examen heeft afgelegd in de vakken dezer groep’’); Verklaren dat de heer (naam en voornamen) tot het eindexamen mag worden toegelaten. Ten oorkonde waarvan wij hem dit getuigschrift hebben afgeleverd, tevens getuigende dat de voorschriften der wet van 10 april 1890, betreffende de openbaarheid der examens, werden nageleefd. Aldus gedaan te, den (Handtekeningen: zie formulier 1). 21) Diploma van doctor in de natuurwetenschappen.

Middenjury voor hoger onderwijs ter begeving van wettelijke graden. Vlaanderen.

Wij, voorzitter, secretaris en leden der Middenjury door de Regering helast met het afnemen van het tweede gedeelte van het doctoraal examen (of: „het doctoraal examen'') in de natuurwetenschappen; Gezien de wet van 10 april 1890, betreffende de begeving der wettelijke graden en het programma der examens van hoger onderwijs; Aangezien de heer (naam en voornamen), geboren te, een getuigschrift heeft overgelegd, afgeleverd den (datum) door, en waaruit blijkt dat hij (waarde van het examen) examen heeft afgelegd in de volgende vakken: (vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde) van groep (groep aanduiden volgens artikel 21 der wet van 10 april 1890), welke vakken het eerste gedeelte van het doctoraal examen in de natuurwetenschappen uitmaken; [voor het geval van een enig examen, wordt deze overweging door de volgende vervangen: „ Aangezien de heer (naam en voornamen), geboren te, een diploma heeft overgelegd van kandidaat in de natuurwetenschappen, voorbereidend tot het doctoraat in de natuurwetenschappen of tot de artsenijbereidkunde, afgeleverd den (datum) door en behoorlijk bekrachtigd den (datum;] Aangezien hij (waarde van het examen) examen heeft af gelegd in de volgende vakken: (vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde) van groep (groep aanduiden volgens artikel 21 der wet van 10 april 1890), welke vakken het laatste gedeelte van het doctoraal examen (of „het doctoraal examen'') in de natuurwetenschappen uitmaken, en hij een praktisch examen in de vakken dezer groep heeft af gelegd; Aangezien hij een proefschrift heeft ingediend over. . . . , vraagstuk (of vraagstukken) behorende tot de vakken van het examen; Hebben verleend en verlenen den heer (naam en voornamen) den graad van doctor in de natuurwetenschappen. Ten oorkonde waarvan wij hem dit diploma hebben afgeleverd, tevens getuigende dat de voorschriften der wet van 10 april 1890, betreffende den duur der studie en de openbaarheid der examens, werden nageleefd, Aldus gedaan te, den (Handtekeningen: zie formulier 1).

D. FACULTEIT DER GENEESKUNDE. 22) Getuigschrift van het eerste gedeelte van het kandidaatsexamen in de genees-, heel- en verloskunde.

Middenjury voor hoger onderwijs ter begeving der wettelijke graden. Vlaanderen. Wij, voorzitter, secretaris en leden der Middenjury door de Regering belast met het afnemen van het eerste gedeelte van het kandidaatsexamen in de genees- , heel- en verloskunde; Gezien de wet van 10 april 1890, betreffende de begeving der wettelijke graden en het 'programma der examens van hoger onderwijs; Aangezien de heer (naam en voornamen), geboren te een diploma heeft overgelegd van kandidaat in de natuurwetenschappen, afgeleverd den (datum) door en behoorlijk bekrachtigd den (datum); Aangezien hij (waarde van het examen) examen heeft afgelegd in de volgende vakken: (vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde), welke vakken het eerste gedeelte van het kandidaatsexamen in de genees- , heel- en verloskunde uitmaken; (desvoorkomend bijvoegen: „en hij een praktisch examen heeft afgelegd, bestaande in gewone of microscopische en in microscopische demonstraties’’); Verklaren dat de heer [naam en voornamen) tot de verdere examens mag worden toegelaten. Ten oorkonde waarvan wij hem dit getuigschrift hebben afgeleverd, tevens getuigende dat de voorschriften der wet van 10 april 1890, betreffende de openbaarheid der examens, werden nageleefd. Aldus, gedaan te, den (Handtekeningen: zie formulier 1).

23) Diploma van kandidaat in de genees, heel- en verloskunde.

Middenjury voor hoger onderwijs ter begeving der wettelijke graden. Vlaanderen.

Wij, voorzitter, secretaris en leden der Middenjury door de Regering helast met h et afnemen van h et tweede gedeelte van het kandidaatsexamen in de genees- , heel- en verloskunde Gezien de wet van 10 april 1890, betreffende de begeving van wettelijke graden en het programma der examens van hoger onderwijs ; Aangezien de heer (naam en voornamen), geboren te , een getuigschrift heeft overgelegd, afgeleverd den (datum) door en waaruit blijkt dat hij (waarde van het examen) examen heeft afgelegd m de volgende vakken : (vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde), welke vakken het eerste gedeelte van het kandidaatsexamen in de geneeskunde uitmaken, en hij een praktisch examen heeft afgelegd, bestaande in gewone of macroscopische en in microscopische demonstraties ; Aangezien hij (waarde van het examen) examen heeft afgelegd in de volgende vakken : (vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde), welke vakken het laatste gedeelte van het kandidaatsexamen in de genees- , heel- en verloskunde uitmaken, en hij een praktisch examen heeft afgelegd, bestaande in gewone of macroscopische en in microscopische ontleedkundige demonstraties ; Hebben verleend en verlenen den heer (naam en voornamen) den graad van kandidaat in de genees- , heel- en verloskunde. Een oorkonde waarvan wij hem dit diploma hebben afgeleverd, tevens getuigende dat de voorschriften der wet van 10 april 1890, betreffende den duur der studie en de openbaarheid der examens, werden nageleefd. Aldus gedaan te, den (Handtekeningen: zie formulier 1),

24) Getuigschrift van het eerste gedeelte van het doctoraal examen in de genees- , heel- en verloskunde.

Middenjury voor hoger onderwijs ter begeving der wettelijke graden. Vlaanderen. Wij, voorzitter, secretaris en leden der Middenjury door de Regering helast met het afnemen van het eerste gedeelte van het doctoraal examen in de genees- , heel- en verloskunde; Gezien de wet van 10 april 1890, betreffende de begeving der wettelijke graden en het programma der examens van hoger onderwijs; Aangezien de heer (naam en voornamen), geboren te, een diploma heeft overgelegd van kandidaat in de genees- , heel- en verloskunde, afgeleverd den (datum) door en behoorlijk bekrachtigd den (datum); Aangezien hij (waarde van het examen) examen heeft afgelegd in de volgende vakken: (vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde), welke vakken het eerste gedeelte van het doctoraal examen in de genees- , heel- en verloskunde uitmaken, en hij een praktisch examen heeft afgelegd, bestaande in microscopische demonstraties van pathologische ontleedkunde; Verklaren dat de heer (naam en voornamen) tot de verdere examens mag worden toegelaten. Ten oorkonde waarvan wij hem dit getuigschrift hebben afgeleverd, tevens getuigende dat de voorschriften der wet van 10 april 1890, betreffende den duur der studie en de openbaarheid der examens, werden nageleefd, aldus gedaan te, den

(Handtekeningen: zie formulier 1),

25) Getuigschrift van het tweede gedeelte van het doctoraal examen in de genees- , heel- en verloskunde.

Middenjury voor hoger onderwijs ter begeving der wettelijke graden.

Vlaanderen. Wij, voorzitter, secretaris en leden der Middenjury door de Regering helast met het afnemen van h et tweede gedeelte van h et doctoraal examen in de genees- , heel- en verloskunde; Gezien de wet van 10 april 1890, betreffende de begeving der wettelijke graden en het programma der examens van hoger onderwijs; Aangezien de heer (naam en voornamen), geboren te, een getuigschrift heeft overgelegd, afgeleverd den (datum) door, en waaruit blijkt dat hij (waarde van het examen) examen heeft afgelegd in de volgende vakken: (vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde), welke vakken het eerste gedeelte van het doctoraal examen in de genees- , heel- en verloskunde uitmaken, en hij een praktisch examen heeft afgelegd, bestaande in microscopische demonstraties van pathologische ontleedkunde; Aangezien hij (waarde van het examen) examen heeft afgelegd in de volgende vakken: (vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde), welke vakken het tweede gedeelte van het doctoraal examen in de genees- , heel- en verloskunde uitmaken; Verklaren dat de heer (naam en voornamen) tot het eindexamen mag worden toegelaten. Ten oorkonde waarvan wij hem dit getuigschrift hebben afgeleverd, tevens getuigende dat de voorschriften der wet van 10 april 1890, betreffende de openbaarheid, werden nageleefd. Aldus gedaan te, den (Handtekeningen: zie formulier 1),

26) Diploma van doctor in de genees- heel- en verloskund e.

Middenjury voor hoger onderwijs ter begeving der wettelijke graden. Vlaanderen. Wij, voorzitter, secretaris en leden der Middenjury door de Regering helast met het afnemen van het der de gedeelte van het doctoraal examen in de genees- , heel- en verloskunde; Gezien de wet van 10 april 1890, betreffende de begeving der wettelijke graden en het programma der examens van hoger onderwijs; Aangezien de heer (naam en voornamen), geboren te, twee getuigschriften heeft overgelegd, afgeleverd door, en waaruit blijkt dat hij respectievelijk den [datum) (waarde van het examen) en den (datum) (waarde van het examen) het eerste en het tweede gedeelte van het doctoraal examen in de genees- , heel- en verloskunde heeft afgelegd, welke gedeelten omvatten, het eerste, de volgende vakken (vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde), alsook een praktisch examen bestaande in microscopische demonstraties van pathologische ontleedkunde, het tweede, de volgende: (vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde); Aangezien hij. . . . (waarde van het examen) examen heeft afgelegd in de volgende vakken: (vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde), welke vakken het derde gedeelte van het doctoraal examen in de genees- , heel- en verloskunde uitmaken, en hij daarenboven twee praktische examens heeft afgelegd, bestaande: het eerste in macroscopische demonstraties van pathologische ontleedkunde, het tweede in demonstraties van plaatsbeschrijvende ontleedkunde; Aangezien hij door getuigschriften (of: „door een getuigschrift, waarvan het ernstig karakter wordt bevestigd door de geneeskundige commissie der provincie (provincie aanduiden of „door den algemenen opziener van den gezondheidsdienst des legers'') heeft bewezen dat hij, gedurende ten minste twee jaar na het bekomen van den graad van kandidaat in de genees- , heel- en verloskunde, met vlijt en goed gevolg, de geneeskundige, de heelkundige, de oogheelkundige en de verloskundige kliniek heeft bezocht; Hebben verleend en verlenen den heer (naam en voornamen) den graad van doctor in de genees- , heel- en verloskunde. Ten oorkonde waarvan wij hem dit diploma hebben afgeleverd, tevens getuigende dat de voorschriften der wet van 10 april 1890, betreffende den duur der studie en de openbaarheid der examens, werden nageleefd, Aldus gedaan te, den (Handtekeningen: zie formulier 1).

27) Getuigschrift van het eerste gedeelte van het apothekersexamen.

Middenjury voor hoger onderwijs ter begeving der wettelijke graden. Vlaanderen.

Wij, voorzitter, secretaris en leden der Middenjury door de Regering helast met het afnemen van het eerste gedeelte van het apothekersexamen; Gezien de wet van 10 april 1890, betreffende de begeving der wettelijke graden en het programma der examens van hoger onderwijs; Aangezien de heer (naam en voornamen), geboren te, een diploma heeft overgelegd van kandidaat in de natuurwetenschappen, voorbereidend tot het doctoraat in de natuurwetenschappen of tot de artsenijbereidkunde, afgeleverd den (datum) door en behoorlijk bekrachtigd den (datum); Aangezien hij (waarde van het examen) het eerste gedeelte van het apothekersexamen heeft afgelegd, hetwelk de volgende vakken omvat: (vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde); Verklaren dat de heer (naam en voornamen) tot de verdere examens mag worden toegelaten. Ten oorkonde waarvan wij hem dit getuigschrift hebben afgeleverd, tevens getuigende dat de voorschriften der loet van 10 april 1890, betreffende de openbaarheid der examens, werden nageleefd, Aldus gedaan te, den (Handtekeningen: zie formulier 1),

28) Getuigschrift van het tweede gedeelte van het apothekersexamen.

Middenjury voor hoger onderwijs ter begeving der wettelijke graden. Vlaanderen.

Wij, voorzitter, secretaris en leden der Middenjury door de Regering helast met het afnemen van het tweede gedeelte van het apothekersexamen; Gezien de wet van 10 april 1890, betreffende de begeving der wettelijke graden en het programma der examens van hoger onderwijs; Aangezien de heer (naam en voornamen), geboren te, een getuigschrift heeft overgelegd, afgeleverd den (datum) door en waaruit blijkt dat hij (waarde van het examen) examen heeft afgelegd in de volgende vakken: (vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde), welke vakken het eerste gedeelte van het apothekersexamen uitmaken; Aangezien hij (waarde van het examen) het tweede gedeelte van het apothekersexamen heeft afgelegd, hetwelk omvat de volgende praktische examens: twee scheikundige bewerkingen, een algemene analyse, een toxicologisch onderzoek, een onderzoek van aard om de vervalsing van genees of levensmiddelen vast te stellen en een microscopisch onderzoek; Aangezien hij een kwantitatieve bepaling omtrent de tweede of der de of vierde analytische bewerking heeft gedaan; Verklaren dat de heer (naam en voornamen) tot het eindexamen mag worden toegelaten. Ten oorkonde waarvan wij hem dit getuigschrift hebben afgeleverd, tevens getuigende dat de voorschriften der wet van 10 april 1890, betreffende de openbaarheid der examens, werden nageleefd. Aldus gedaan te, den (Handtekeningen: zie formulier 1).

29) Diplom a van apotheker.

Middenjury voor hoger onderwijs ter begeving der wettelijke graden, Vlaanderen.

Wijf voorzitter, secretaris en leden der Middenjury door de Regering belast met het afnemen van het derde gedeelte van het apothekersexamen; Aangezien de heer (naam en voornamen) twee getuigschriften heeft overgelegd, afgeleverd door, en waaruit blijkt dat hij respectievelijk den (datum) (waarde van het examen) en den (datum) (waarde van het examen) het eerste en het tweede gedeelte van het apothekersexamen heeft afgelegd, waarvan het eerste gedeelte omvat de volgende vakken: (vakken opsommen in de door de het aangeduide volgorde), het tweede de volgende praktische examens: (vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde); Aangezien hij, (waarde van het examen) het derde gedeelte van het apothekersexamen heeft afgelegd, hetwelk de volgende vakken omvat: (vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde), alsook een praktisch examen, bestaande in twee officinale en drie magistrale artsenijbereidingen; Aangezien hij heeft bewezen door driemaandelijkse getuigschriften, behoorlijk gelegaliseerd en afgeleverd door een>en apotheker, die zijn ambt openhaar uitoefent (of: „doof een getuigschrift, afgeleverd door den algemenen opziener van den gezondheidsdienst des legers") dat hij, na het afleggen van het tweede gedeelte van het apothekersexamen, een jaar proeftijd in een apothekerei heeft doorgebracht; Hebben verleend en verlenen den heer (naam en voornamen) den graad van apotheker. Ten oorkonde waarvan wij hem dit diploma hebben afgeleverd, tevens getuigende dat de voorschriften der wet van 10 april 1890, betreffende den duur der studie en de openbaarheid der examens, loerden nageleefd. Aldus gedaan te, den (Handtekeningen: zie formulier 1).

E. TECHNISCHE VAKKEN. 30) Getuigschrift van het eerste gedeelte van het examen van kandidaat ingenieur.

Middenjury voor hoger onderwijs ter begeving der wettelijke graden. Vlaanderen.

Wij, voorzitter, secretaris en leden der Middenjury door de Regering belast met het afnemen van het eerste gedeelte van het examen van kandidaat-ingenieur; Gezien de wet van 10 april 1890, betreffende de begeving van wettelijke graden en het programma der examens van hoger onderwijs; Aangezien de heer (naam en voornamen), geboren te, houder is van een getuigschrift, waaruit blijkt, dat hij met goed gevolg het voorbereidend examen heeft afgelegd, voorzien bij artikel 12 dezer wet; Aangezien hij (waarde van het examen) examen heeft afgelegd in de volgende vakken: (vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde), welke vakken het eerste gedeelte van het examen van kandidaat-ingenieur uitmaken; Aangezien hij grafische werken heeft uitgevoerd in verband met (vakken aanduiden); Verklaren dat de heer (naam en voornamen) tot de verdere examens mag worden toegelaten; Ten oorkonde waarvan wij hem dit getuigschrift hebben afgeleverd tevens getuigende dat de voorschriften der wet van 10 april 1890, betreffende de openbaarheid der examens, werden nageleefd. Aldus gedaan te, den (Handtekeningen: zie formulier 1).

31) Diploma van kandidaat n g en i e u r.

Middenjury voor hoger onderwijs ter begeving der wettelijke graden. Vlaanderen, Wij, voorzitter, secretaris en leden der Middenjury door de Regering helast met het afnemen van het tweede gedeelte van het examen van kandidaat-ingenieur; Gezien de wet van 10 april 1890, betreffende de begeving der wettelijke graden en het programma der examens van hoger onderwijs; Aangezien de heer (naam en voornamen), geboren te, een getuigschrift heeft overgelegd, afgeleverd den, door en waaruit blijkt dat hij (waarde van het examen) examen heeft afgelegd in de volgende vakken: (vakken opsommen), welke vakken het eerste gedeelte van het examen van kandidaat-ingenieur uitmaken; Aangezien hij (waarde van het examen) examen heeft afgelegd in de volgende vakken: (vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde), welke vakken het tweede gedeelte van het examen van kandidaat-ingenieur uitmaken; Aangezien hij een praktisch examen heeft afgelegd in de algemene scheikunde en grafische werken heeft uitgevoerd in verband met (vakken aanduiden); Hebben verleend en verlenen den heer (naam en voornamen) den graad van kandidaat-ingenieur. Ten oorkonde waarvan wij hem dit diploma hebben afgeleverd, tevens getuigende dat de voorschriften der wet van 10 april 1890, betreffende den duur der studie en de openbaarheid der examens, werden nageleefd. Aldus gedaan te, den (Handtekeningen: zie formulier 1).

32) Getuigschrift van het eerste gedeelte van het examen van burgerlij k mijningenieur r.

Middenjury voor hoger onderwijs ter begeving der wettelijke graden, Vlaanderen.

Wij, voorzitter, secretaris en leden der Middenjury door de Regering helast met het afnemen van het eerste gedeelte van het examen van burgerlijk mijningenieur; Gezien de loet van 10 april 1890, betreffende de begeving der wettelijke graden en het programma der examens van hoger onderwijs; Aangezien de heer (naam en voornamen), geboren te, een diploma van kandidaat ingenieur heeft overgelegd, afgeleverd den door en behoorlijk bekrachtigd den; Aangezien hij (waarde van het examen) examen heeft afgelegd in de volgende vakken: (vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde) welke vakken h t eerste gedeelte van het examen van burgerlijk mijningenieur uitmaken; Aangezien hij een praktisch examen heeft afgelegd in de analytische scheikunde en grafische werken heeft uitgevoerd in verhand met (vakken aanduiden); Verklaren dat de heer (naam en voornamen) tot de verdere examens mag worden toegelaten. Ten oorkonde waarvan wij hem dit getuigschrift hebben afgeleverd, tevens getuigende dat de voorschriften der wet van 10 april, betreffende de openbaarheid der examens, werden nageleefd. Aldus gedaan te, den (Handtekeningen

zie formulier 1).

33) Getuigschrift van het tweede gedeelte van het examen van burgerlijk mijningenieur.

Middenjury voor hoger onderwijs ter begeving der wettelijke graden, Vlaanderen.

Wij, voorzitter, secretaris en leden der Middenjury door de Regering belast met het afnemen van het tweede gedeelte van het examen van burgerlijk mijningenieur; Gezien de wet van 10 april 1890, betreffende de begeving der wettelijke graden en het programma der examens van hoger onderwijs; Aangezien de heer (naam en voornamen), geboren te, een getuigschrift heeft overgelegd, afgeleverd den door. . . , en waaruit blijkt dat hij. (waarde van het examen) examen heeft afgelegd in de volgende vakken: (vakken opsommen), welke vakken het eerste gedeelte van het examen van burgerlijk mijningenieur uitmaken; Aangezien hij (waarde van het examen) examen heeft afgelegd in de volgende vakken: (vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde), welke vakken het tweede gedeelte van het examen van burgerlijk mijningenieur uitmaken; Aangezien hij een praktisch examen heeft afgelegd in de nijverheidsscheikunde en hij grafische werken heeft uitgevoerd in verhand met (vakken aanduiden); Verklaren dat de heer (naam en voornamen) tot het eindexamen mag worden toegelaten. Ten oorkonde waarvan wij hem dit getuigschrift hebben afgeleverd, tevens getuigende dat de voorschriften der wet van 10 april 1890, betreffende de openbaarheid der examens, werden nageleefd, Aldus gedaan te, den (Handtekeningen: zie formulier).

34) Diploma van burgerlijk mijningenieur.

Middenjury voor hoger onderwijs ter begeving der wettelijke graden, Vlaanderen. Wij, voorzitter, secretaris en leden der Middenjury door de Regering helast met het afnemen van het derde gedeelte van het examen van burgerlijk mijningenieur; Gezien de wet van 10 april 1890, betreffende de begeving der wettelijke graden en het programma der examens van hoger onderwijs; Aangezien de heer (naam en voornamen), geboren te, twee getuigschriften heeft overgelegd, afgeleverd door, en waaruit blijkt dat hij respectievelijk den (datum) (waarde van het examen) en den. . . (datum) (waarde van het examen), het eerste en het tweede gedeelte van het examen van burgerlijk mijningenieur heeft afgelegd, waarvan het eerste gedeelte de volgende vakken omvat: (vakken opsommen), en het tweede de volgende: (vakken opsommen); Aangezien hij (waarde van het examen) examen heeft afgelegd in de volgende vakken: (vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde), welke vakken het derde gedeelte van het examen van burgerlijk mijningenieur uitmaken, en hij grafische ¦ werken heeft uitgevoerd in verhand met (vakken aanduiden); Hebben verleend en verlenen den heer (naam en voornamen) den graad van burgerlijk mijningenieur. Ten oorkonde waarvan wij hem dit diploma hebben afgeleverd, tevens getuigende dat de voorschriften van de wet van 10 april 1890, betreffende den duur der studie en de openbaarheid der examens, werden nageleefd. Aldus gedaan te, den (Handtekeningen: zie formulier 1).

 35) Getuigschrift van het eerste gedeelte van het examen van ingenieur van burgerlijke bouwkunde.

Middenjury voor hoger onderwijs ter begeving der wettelijke graden. Vlaanderen. Wij, voorzitter, secretaris en leden der Middenjury door de Regering helast met het afnemen van liet eerste gedeelte van het examen van ingenieur van burgerlijke houwkunde; Gezien de wet van 10 april 1890, betreffende de begeving der wettelijke graden en het programma der examens van hoger onderwijs; Aangezien de heer (naam en voornamen), geboren te, een diploma van kandidaat-ingenieur heeft overgelegd, afgeleverd den door en behoorlijk bekrachtigd den; Aangezien hij (waarde van het examen) examen heeft afgelegd in de volgende vakken: (vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde), welke vakken het eerste gedeelte van het examen van ingenieur van burgerlijke bouwkunde uitmaken, en hij grafische werken heeft uitgevoerd in verband met (vakken aanduiden); Verklaren dat de heer (naam en voornamen) tot de verdere examens mag worden toegelaten. Ten oorkonde waarvan wij hem dit getuigschrift hebben afgeleverd, tevens getuigende dat de voorschriften der wet van 10 april 1890, betreffende de openbaarheid der examens werden nageleefd. Aldus gedaan te, den (Handtekeningen: zie formulier 1),

36) Getuigschrift van het tweede gedeelte van het examen van ingenieur van burgerlijke bouwkunde.

Middenjury voor hoger onderwijs ter begeving der wettelijke graden. Vlaanderen. Wij, voorzitter, secretaris en leden der Middenjury door de Regering helast met het afnemen van het tweede gedeelte van het examen van ingenieur van burgerlijke houwkunde; Gezien de wet van 10 april 1890, betreffende de begeving der wettelijke graden en het programma der examens van hoger onderwijs; Aangezien de heer (naam en voornamen), geboren te, een getuigschrift heeft overgelegd, afgeleverd den door, en waaruit blijkt dat hij (waarde van het examen) examen heeft afgelegd in de volgende vakken (vakken opsommen), welke vakken het eerste gedeelte van het examen van ingenieur van burgerlijke houwkunde uitmaken; Aangezien hij (waarde van het examen) examen heeft afgelegd in de volgende vakken: (vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde), welke vakken het tweede gedeelte van het examen van ingenieur van burgerlijke houwkunde uitmaken, en hij grafische werken heeft uitgevoerd, in verhand met (vakken aanduiden); Verklaren dat de heer (naam en voornamen) tot het eindexamen mag worden toegelaten. Ten oorkonde waarvan wij hem dit getuigschrift hebben afgeleverd, tevens getuigende dat de voorschriften der wet van 10 april 1890, betreffende de openbaarheid der examens, werden nageleefd. Aldus gedaan te, de7i (Handtekeningen: zie formulier 1).

37) Diploma van ingenieur van burgerlijke bouwkunde

Middenjury voor hoger onderwijs ter begeving der wettelijke graden. Vlaanderen. Wij, voorzitter, secretaris en leden der Middenjury door de Regering helast met liet afnemen van het derde gedeelte van het examen van ingenieur van burgerlijke houwkunde; Gezien de wet van 10 april 1890, betreffende de begeving der wettelijke graden en het programma der examens van hoger onderwijs; Aangezien de heer (naam en voornamen), geboren te, twee getuigschriften heeft overgelegd, afgeleverd door en waaruit blijkt dat hij respectievelijk den. . . . (waarde van het examen) en den (waarde van het examen) het eerste en het tweede gedeelte van het examen van ingenieur van burgerlijke houwkunde heeft afgelegd, waarvan het eerste gedeelte de volgende vakken omvat. (vakken opsommen) en het tweede de volgende: (vakken opsommen); Aangezien hij (waarde van het examen) examen heeft afgelegd in de volgende vakken: (vakken opsommen in de door de wet aangeduide volgorde), welke vakken het derde gedeelte van het examen van ingenieur van burgerlijke houwkunde uitmaken, en hij grafische werken heeft uitgevoerd in verhand met (vakken aanduiden); Hebben verleend en verlenen den heer (naam en voornamen) den graad van ingenieur van burgerlijke houwkunde; Ten oorkonde waarvan wij hem dit diploma hebben afgeleverd, tevens getuigende dat de voorschriften der wet van 10 april 1890, betreffende den duur der studie en de openbaarheid der examens, werden nageleefd. Aldus gedaan te, den (Handtekeningen: zie formulier 1). Brussel, den 14n januari 1918.

 

No. 9. - 27. januari 1918.

Beschikking.

Op grond van de wetten van 1 juni 1850, 15 juni 1881, 19 mei 1914, van het koninklijk besluit van 24 december 1912 en van mijn verordening van 10 november 1917, beschik ik het navolgende:

Art. 1. Te Gent wordt een Rijksmiddelbare meisjes-normaalschool met voorbereidende afdeling opgericht. In beide scholen is het Nederlands de voertaal van het onderwijs.

Art. 2. De Rijks middelbare Meisjesnormaalschool omvat drie afdelingen, te weten: een letterkundige afdeling, een wetenschappelijke afdeling en een afdeling voor Germaanse talen.

Art. 3. In de laagste klas van de voorbereidende afdeling worden bij het begin van het eerste schooljaar leerlingen aanvaard, die met goed gevolg het uitgangsexamen hebben doorstaan aan een Rijks of gemeentelijke middelbare school, of die met goed gevolg een toelatingsexamen hebben afgelegd over de leerstof van het leerplan der middelbare scholen. In de hoogste klas worden de leerlingen aanvaard, die met goed gevolg het examen hebben doorstaan over de leerstof van de laagste klas der voorbereidende afdeling. De examens worden afgenomen door een jury, samengesteld uit leden van het onderwijzend personeel; de bestuurster der school neemt het voorzitterschap waar; zij stelt tevens de jury samen en roept deze ook bijeen. De bestaande verordeningen zijn van toepassing op de examens die later zullen worden afgenomen.

Art. 4. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschef) voor Vlaanderen wordt met de uitvoering van deze beschikking belast.

 

Brussel, den 10 november 1917.

No. 9. - 27. januari 1918.

Beschikking.

Art. 1. Op grond van de wetten van 1 juni 1850, 15 juni 1881 en 19 mei 1914, wordt te Gent een Rijks middelbare Meisjesschool met voorbereidende afdeling opgericht.

Art. 2. Bedoelde onderwijsinstelling is onmiddellijk na de afkondiging van deze beschikking te openen.

Art. 3. Het ministerie van Wetenschappen en Kunsten zal de vereiste maatregelen treffen, om de uitvoering te verzekeren van artikel 9 der wet van 15 juni 1881, ter zake van de verplichtingen der gemeente Gent.

Art. 4. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschef) voor Vlaanderen wordt met de uitvoering van deze beschikking belast.

Brussel, den 10 november 1917,

No. 9. - 27. januari 1918.

Bekendmaking. ***

Met ingang van 1 februari 1918 zijn binnen het gebied van het Generaal Gouvernement tot inbeslagnemingen en tot het doen van de daartoe vereiste vaststellingen alleen gerechtigd, de houders van een bewijskaart van het hieronder- staande model, die op hun naam opgemaakt, met dienstzegel en dienststempel voorzien is en bovendien de opgave van den geldigheidsduur draagt. Elk misbruik van deze kaarten zal zwaar gestraft worden.

Brussel, den 8n januari 1918,

 

No. 9. - 27. januari 1918.

 

Beschikking. Onder opheffing van de beschikking van 3 april 1915 (Wet- en Verordeningsblad, hl. 417), bepaal ik op grond van artikel 2 der verordening van 3 februari 1915, betreffende wijziging der wet van 10 Vendemiaire van het jaar, over de verantwoordelijkheid der gemeenten voor diefstallen, plunderingen en gewelddaden, het navolgende:

De heer Dr. Paul Helers, Rechtsanwalt te Hamburg, wordt tot voorzitter benoemd van het overeenkomstig de hiervoren bedoelde verordening ingestelde scheidsgerecht. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschef) voor Vlaanderen wordt met de uitvoering van deze beschikking belast.

Brussel, den 12n januari 1918.

No. 9. - 27. januari 1918.

Verordening houdende verlening van de rechtspersoonlijkheid aan de „Deutsche Schulverein" te Brussel.

Art. 1. Aan de Deutsche Schulverein'' te Brussel worden de rechten van een rechtspersoon toegekend.

Art. 2, Het Hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschef) voor Vlaanderen is met de uitvoering van deze verordening belast.

Brussel, den 17n januari 1918.

No. 10. - 31. januari 1918.

Verordening ***

betreffende de aangifte en de inbeslagneming van telefoonschakelborden in het gebied van het Generaal gouvernement in België.

1. Al de telefoonschakelborden, met behulp waarvan ten minste 10 telefoonposten kunnen aangesloten worden, zijn aan te geven.

2. De aangifte moet ten laatste op 15 februari 1918, met opgave van soort en herkomst (Staats- of privaatinrichtingen) en aanduiding van het perceel (naar gemeente, straat en huisnummer) op hetwelk de telefooninrichting zich bevindt, schriftelijk gedaan zijn bij de „Kaiserlich Deutsche Post- und Telegraphenverwaltung in België" (Keizerlijk Duits Beheer van Posterijen en Telegrafen in België), Hertogstraat 4, te Brussel.

3. Tot de voorgeschreven aangifte zijn verplicht:

a) de eigenaar,

b) al wie de telefooninrichtingen in bewaring heeft (bezitter, beheerder),

c) al wie tot eigen baat of tot andermans baat gerechtigd is over de telefooninrichtingen te beschikken, Wanneer een hunner op regelmatige wijze aangifte doet, zijn de anderen van deze verplichting ontslagen.

4. De onder cijfer 1 bedoelde telefooninrichtingen worden hierbij in beslag genomen. Om het even welke beschikking daarover, hetzij door handel, verwerking, gebruik of vernieling, is verboden.

5. Wie de bepalingen van deze verordening opzettelijk of uit nalatigheid overtreedt, wordt gestraft met ten hoogste 2 jaar gevangenis en met ten hoogste 20 000 mark geldboete, of met een dezer straffen, zover een andere strafwet geen zwaarder straf voorziet. Bovendien is verbeuring in geval van nalatigheid toegelaten; in geval van opzettelijke overtreding is zij geboden. De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.

Brussel, den 18 januari 1918,

No. 10. - 31. januari 1918.

Verordening over het heffen van de staatsbelastingen en van de provincietaksjes in het arrondissement Nijvel.

 Aangezien het arrondissement Nijvel bij verordening van 13 april 1917 (Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, Nr. 335 van 19 april 1911) opgehouden heeft deel uit te maken van de provincie Brabant en bij de provincie Henegouwen ingedeeld is, verorden ik het navolgende:

Art. I. § 1. Met ingang van 1 januari 1918 gaan, inzake het beheer der rechtstreekse belastingen, tolrechten en accijnzen voor het gebied van het arrondissement Nijvel, al de bevoegdheden en ambtswerkzaamheden van den Bestuurder der belastingen voor de provincie Brabant en van dezes ondergeschikte beambten over op den Bestuurder der belastingen voor de provincie Henegouwen, en op dezes ondergeschikte beambten.

§ 2. Al de ambtsverrichtingen en maatregelen van beheer, die op het arrondissement Nijvel betrekking hebben en door den Bestuurder der belastingen voor de provincie Brabant en dezes ondergeschikte beambten voor 1 januari 1918 getroffen zijn, blijven rechtsgeldig.

§ 3. Met ingang van 1 januari 1918, is de Bestuurder der belastingen voor de provincie Henegouwen uitsluitend en alleen bevoegd inzake de op het arrondissement Nijvel betrekking hebbende aangelegenheden van het beheer der rechtstreekse belastingen, tolrechten en accijnzen. Dit geldt evenzeer voor de eerst na bedoeld tijdstip vervallende zaken, als voor de reeds vroeger in behandeling genomen, nog hangende aangelegenheden, inzonderheid ook voor achterstallige aanslagen, alsmede voor de rechtspleging inzake bezwaarschriften en verhaal.

Art. II. § 1. De provincietaksen, die voor de provincie Henegouwen gelden, zowel de opcentiemen van de staatsbelastingen als de bijzondere taksen, worden in het arrondissement Nijvel eerst van af 1 januari 1918 gelieven. In het arrondissement Nijvel zijn voor het dienstjaar 1917 de provincietaksen der provincie Brabant nog geldig.

§ 2. De bestendige afvaardiging van de provincie Henegouwen is, met betrekking tot het arrondissement Nijvel, bevoegd te beslissen inzake het verhaal tegen den aanslag in de provinciale bijzondere taksen over het jaar 1917.

Brussel, den 19 januari 1918. 

No. 11. - 4. februari 1918.

Verordening ter wijziging van provinciegrenzen.

Art. 1. Worden van de provincie Henegouwen afgescheiden:

1. de gemeenten Bever, Edingen, Lettelingen, Mark en Sint-Pieters-Kapelle; zij worden bij de provincie Brabant (arrondissement Brussel) ingedeeld;

2. de gemeenten Everbeek en Twee Akkers; zij worden bij de provincie Oost-Vlaanderen (arrondissement Aalst) ingedeeld.

Art. 2. Worden van de provincie Luik afgescheiden:

de gemeenten Attenhoven, Elisem, Laar, Landen, Neerliespen, Neerlanden, Neerwinden, Overhespen, Ovenvinden, Rumsdorp, Waasmond, Wals-Houthem, Walshets, Wange en Wezeren; zij worden bij de provincie Limburg (arrondis- sement Hasselt) ingedeeld. j

Art. 3. De daarbij betrokken provincies zullen overgaan tot de vermogensrechtelijke verdeling, waarvan ik mij de goedkeuring voorbehoud.

Art. 4. De Hoofden van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschefs) voor Vlaanderen en voor Wallonië zijn met de uitvoering van deze verordening belast.

Brussel, den 15n december 1917.

No. 12. - 4. februari 1918.

Bij besluit van 8 december 1917 van den heer Generaal Gouverneur in België is de heer Tanghe, veearts, tot veeartsopziener benoemd hij den Gezondheidsdienst van het Vlaams ministerie van Binnenlandse Zaken.

Brussel, den 25n januari 1918,

 

No. 12. - 8. februari 1918.

Verordening betreffende de onteigening ten algemenen nutte in dringende gevallen. Art. 1. Wanneer tot een onteigening ten algemenen nutte hij dringendheid moet worden overgegaan, zijn de bestaande wetten en verordeningen, mits de hiernavolgende wijzigingen, toepasselijk:

Art. 2. Het bestaan van de dringendheid wordt vastgesteld hij het overeenkomstig artikel 1 der wet van 27 mei 1870 uit te vaardigen besluit.

Art. 3. Het hij artikel 2 der wet van 17 april 1835 voorgeschreven exploot bevat vooreerst slechts een dagvaarding voor de rechtbank ten einde vast te stellen, of de wettelijk voorgeschreven pleegvormen inzake onteigeningen in acht genomen zijn. Voor het overige zijn de voorschriften van artikelen 2 tot en met 6 der wet van 17 Afril 1835 dienovereenkomstig van toepassing. Het voorschrift van artikel 8, lid 1, der wet van 17 april 1835 is dienovereenkomstig toepasselijk op de beslissing van de rechtbank, genomen overeenkomstig artikel 4 der wet van 17 april 1835 ten einde vast te stellen, of de wettelijk voorgeschreven pleegvormen inzake onteigeningen in acht genomen zijn.

Art. 4. Beslist de rechtbank dat de wettelijk voorgeschreven pleegvormen in acht genomen zijn en, wordt binnen den overeenkomstig artikel 6 der wet van 17 april 1835 bepaalden termijn geen beroep ingesteld, of blijkt op grond der beslissing van het Hof van Beroep, dat de wettelijk voorgeschreven pleegvormen inzake onteigeningen in acht genomen zijn, zoo zal de voorzitter der rechtbank, binnen drie dagen na het verstrijken van den termijn voor het beroep bepaald, respectievelijk bijaldien beroep ingesteld is, vijf dagen na het uitbrengen der beslissing van het Hof van Beroep, op aanzoek van de onteigenende partij, drie deskundigen benoemen, die hij den eed zal doen afleggen, dat zij de hun opgedragen taak goed en getrouw zullen vervullen. De deskundigen moeten ter plaatse de nodige waarnemingen doen en over den uitslag verslag opmaken, waarin inzonderheid te vermelden zijn de wezenlijke kenmerken van de percelen, erbij hegrepen de daarop voorkomende aanplantingen, gebouwen, omheiningen en andere toebehoren. Deze kenschetsing van den toestand moet uitvoerlijk genoeg behandeld zijn, om aïs grondslag te kunnen dienen voor de schatting van den bodem, evenals desvoorkomend van de huurwaarde, alsook van de schadeloosstelling wegens veranderingen, inzonderheid wegens beschadigingen des eigendom. Zij moet alles samen al de vereiste gegevens bevatten voor de vaststelling van een volledige en billijke vergoeding. De deskundigen moeten in hun verslag de door hen geschatte waarde van ieder perceel aanduiden en tevens de redenen opgeven waarop al hun schattingen steunen, Het verslag moet binnen een passende, door den voorzitter te bepalen termijn, die, ingaande op den dag der benoeming der deskundigen, niet meer mag bedragen dan twintig dagen, bij de rechtbank ingediend worden. Op aanzoek van een der partijen, zal over het advies der drie deskundigen, dat aan geen verdere pleegvormen en voorschriften onderworpen is, een mondelinge verhandeling plaats hebben. De termijn voor deze verhandeling, die binnen tien dagen na de indiening van het advies moet vallen, zal door den voorzitter vastgesteld worden. Binnen een verderen termijn van vijf dagen na den behandelingstermijn, bepaalt de voorzitter, rekening houdende met het advies der deskundigen en met de beweegredenen der partijen, het bedrag dat, naar zijn mening door de onteigenende partij voorlopig als vergoeding ten voordele van de onteigende te storten is in de Staatsconsignatiekas. De onteigenende partij moet, naast de hoofdsom, een bedrag ten belopen van de wettelijke intresten dezer hoofdsom voor twee jaar storten, Op vertoon van het bewijs der bewaargeving stelt de voorzitter de onteigenende partij in bezit van het perceel (Bespoedigde inbezitstelling in dringende gevallen) en bepaalt een termijn van ten hoogste veertien dagen, binnen dewelke de feitelijke bezitters gedwongen zijn de percelen te ontruimen. De onteigenende partij moet de feitelijke bezitters der percelen kennis geven van deze beschikking en van de termijnbepaling. De onteigenende partij neemt met deze inbezitstelling alleen de verantwoordelijkheid op zich voor al de kosten en vergoedingen.

Art. 5. De overeenkomstig vorenstaande artikel 4 uitgevaardigde beschikkingen van den voorzitter gelden dis eindbeschikking.

Art. 6, Nadat de bespoedigde inbezitstelling overeenkomstig artikel 4 dezer verordening heeft plaats gehad, wordt er overgegaan tot de eindvaststelling van de vergoeding, waarbij te werk dient te worden gegaan overeenkomstig de bepalingen van artikelen 2 en 3 der wet van 17 april 1835. Het exploot, voorgeschreven onder artikel 2, zal nu een dagvaarding voor de rechtbank bevatten om de vergoeding vast te stellen. Is de rechtbank van oordeel, dat het bedrag der vergoeding kan worden vastgesteld op grond van de te dien einde overgelegde oorkonden, of op grond van de adviezen der drie door den voorzitter aangestelde deskundigen, dan beslist de rechtbank onmiddellijk over het bedrag der vergoeding. Is zulks niet het geval, dan zijn de bepalingen van artikel 7 en volg. der wet van 17 april 1835 dienovereenkomstig op de verdere handelingen met dien verstande toepasselijk, dat, overeenkomstig artikel 12 der wet van 17 april 1835 slechts een bewaargeving vereist is, in geval de wettelijk vastgestelde vergoeding meer bedraagt dan de door den voorzitter voor de bespoedigde inbezitstelling voorlopig vastgestelde vergoeding. In dat laatste geval is artikel 18 der wet van 17 april 1835 dienovereenkomstig toepasselijk.

Art. 7. De voorschriften van het koninklijk besluit van 24 september 1907, houdende vaststelling der aanspraken en vergoedingen van deskundigen naar aanleiding der onteigeningen ten algemenen nutte, zijn, in het geval voorzien onder artikel 4 dezer verordening (bespoedigde inbezitstelling in dringende gevallen) dienovereenkomstig van toepassing.

 Brussel dn 17 n januari 1918.

 

No. 12. - 8. februari 1918.

Verordening betreffende het verkeer van voertuigen op de stedelijke en landelijke openbare wegen van het Generaal Gouvernement België, ter beveiliging van bet verkeer van militaire voertuigen.

Art. 1. De door Duitse soldaten geleide voertuigen met inbegrip van de motorwagens, hebben op de stedelijke en op de landelijke openbare wegen den voorrang op alle andere voertuigen.

Art. 2. Al de voertuigen (met uitzondering van de door Duitse soldaten geleide voertuigen en van de motorwagens, die voorzien zijn van de door de “Leitung des Kraftfahrwesens beim Generaal-Gouvernement Belgien” opgegeven herkenningsletters en -nummers, moeten van voren of op den linkerkant in duidelijke, tegen het weer hestand zijnde lettertekens den naam en de woonplaats van den bezitter dragen.

Art. 3, De voerlieden moeten onderweg voortdurend in het bereik van het gespan blijven, zodat zij steeds in staat zijn, het voertuig met zekerheid te mennen. Hetzelfde geldt dienovereenkomstig voor de geleiders van vrije gespannen en van lastdieren.

Art. 4. Het is verboden, behoudens een bijzondere toelating, hespannen of niet hespannen voertuigen, gespannen of lastdieren op den openharen weg te laten staan, tenzij voor het laden en het lossen, of om enige andere steekhoudende reden. In zulke gevallen mogen de voertuigen enz. slechts zoo danig geplaatst worden, dat het openhaar verkeer daardoor op generlei wijze gestremd kan worden.

Art. 5. Het plaatsen en het verkeer van voertuigen enz. op stoepen (trottoirs), rijwielwegen en ruiterpaden is verboden.

Art. 6. Voertuigen enz. moeten rechts uitwijken; evenzo moeten zij den rechterkant van den weg nemen, wanneer andere voertuigen enz. ze voorbijrijden. Een voertuig dat een tweede voorbijrijdt, moet links van dit tweede voertuig voorbijrijden. Voor kruisende of voorbijrijdende voertuigen en motorwagens van het Duits legerbestuur is de weg in ieder geval onmiddellijk vrij te laten, ook dan wanneer vrachtwagens te dien einde den steen- of kasseiweg moeten verlaten. De voerlieden moeten goed letten op de seinen door motorwagens gegeven.

Art. 7. Op verkeerwegen die een steen- of kasseiweg hebben van meer dan 5 meter breedte, moeten al de voertuigen enz. op den rechterkant van dezen rijweg blijven.

Art. 8. Overtreders worden met hechtenis, arrest of gevangenzetting van ten hoogste een jaar, of met ten hoogste 4000 mark boete gestraft, zoover andere wettelijke bepalingen geen zwaarder straf voorzien.

Art. 9. H et hier te lande als wet geldende „Algemeen reglement op de Politie van het Vervoer en van het Verkeef blijft naast de voorschriften van deze verordening in zijn vollen omvang van kracht.

Art. 10. De Duitse krijgsbevelhebbers en krijgsrechtbanken zijn bevoegd de overtredingen van vorenstaande verordening te bestraffen, zoover de Belgische overheid niet reeds een passende straf heeft opgelegd.

Brussel, den 22 januari 1918.

 

No. 12. - 8. februari 1918.

 Beschikking. Ten einde de studenten, die zich uit hoofde van de bestaande moeilijkheden in het verkeer, niet konden aanbieden op den regelmatige Oktoberzittijd van de jury, belast met het afnemen der ' examens eveneens in de gelegenheid te stellen, het voorbereidend examen tot den wettelijke graad van kandidaat-ingenieur af te leggen, wordt er besloten:

Art. 1. In den loop van de maand februari 1918 zal de jury, belast met afnemen van het voorbereidend examen tot den wettelijke graad van kandidaat-ingenieur aan de bij de Staatsuniversiteit te Gent toegevoegde Technische Scholen, een buitengewone zittijd houden.

Art. 2. Dezelfde jury, die bij artikel 1, cijfer 1, der beschikking van 20 juni 1917 is aangesteld voor het afnemen van het voorbereidend examen, blijft voor dezen buitengewone zittijd bevoegd; professor Haerens zal evenwel vervangen worden door professor Van den Berghe, den nieuwen bestuurder der Technische Scholen.

Art. 3. Voor de studenten, die gedurende dezen buitengewone zittijd het voorbereidend examen zullen hebben afgelegd, wordt, met het oog op de wetsbepalingen betreffende den wettelijke duur der studiën, het tijdsverloop tot den examenzittijd van juli 1918 aan de Universiteit te Gent aïs een volledig academisch jaar aangezien. Art. 4, Het Hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschef) voor Vlaanderen is belast met de uitvoering van deze beschikking. Brussel, den 19n januari 1918,

No. 12. - 8. februari 1918.

 Beschikking. Overeenkomstig artikel 4 der beschikking van 19 januari 1918 van den heer Generaal Gouverneur in België, wordt er hesloten:

Art. 1. De zittijd van de jury, belast met het afnemen van het voorbereidende examen tot den wettelijke graad van kandidaat ingenieur, zal dinsdag, 12 februari 1918, van af 9 uur 's voormiddag gehouden worden in het gebouw der Technische Scholen, Flateausiraat te Gent De inschrijvingen worden aldaar tot 11 februari 1918 aangenomen.

Art. 2. De Beheerder-Opziener der Universiteit te Gent is helast met de uitvoering van deze beschikking, Brussel, den 23n januari 1918.

 

No. 12. - 8. februari 1918.

 Besluit. Of grond der organische wet van 15 juli 1849 op het hoger onderwijs, wordt er besloten:

Art. 1. De hij besluit van 31 januari 1917 benoemde docent aan de hij de Universiteit te Gent toegevoegde Hogere School voor Handelswetenschap K ar el De Vriese, wordt, nadat hij bij besluit van 30 augustus tot opziener in het Ministerie van Nijverheid en Arbeid is benoemd geworden, uit zijn ambt als docent aan de hij de Universiteit te Gent toegevoegde Hogere School voor Handelswetenschap, met werking van af 30 november 1917, ontslagen.

Art. 2. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschef) voor Vlaanderen is belast met de uitvoering van dit besluit. Brussel, den 24n januari 1918.

No. 13. - 10. februari 1918.

Bij besluit van 24 januari 1918 van den heer Generaal Gouverneur is de heer Jan Pieter van Roey tot burgemeester van de gemeente Rijkevorsel (provincie Antwerpen) benoemd. Brussel, den 25n januari 1918.

No. 13. -.10. februari 1918.

Dekreet.

Art I. De Raad van Vlaanderen verkiest onder zijn leden elf gevolmachtigden, die met de verantwoordelijke leiding en vertegenwoordiging van den Raad belast zijn. De keus der gevolmachtigden is aan mijn bekrachtiging onderworpen.

Art. II. De gevolmachtigden zijn geroepen om de aan den Raad van Vlaanderen opgedragen beraadslagende medewerking uit te oefenen aan mijn wetgeving voor Vlaanderen. De beraadslagende medewerking strekt zich niet uit tot wetgevende maatregelen van militair belang.

Brussel den 18n januari 1918.

No. 13. -.10. februari 1918.

De namen van de door den heer Generaal Gouverneur bekrachtigde gevolmachtigden zijn:

Dr. P. Tack, Generaaldirektor im Ministerium fur Kunst und Wissenschaft und Universiteitsprofessor,

B r i j s, Kaufmann,

Dr. A. T. M. J o n c k X, Universiteitsprofessor,

Mr. F. Heuvelmans, Generalsekretaris in Justizministerium,

 Mr. K. H e y n d r i c k X, Generalsekretar im Ministerium des Innem und Universiteitsprofessor,

Leo Meert, Fabriekbezitter,

Dr. J. De Decker, Universiteitsprofessor,

Dr. E. Verhees, Generalsekretaris im Ministerium fur Industrie und Arbeit,

T. Vernieuwe, Generalsekretar im Ministerium fur Ackerbau und Universiteitsprofessor,

F. Brûlez, Ingenieur, Universiteitsprofessor,

Dr. August Borms, Direktor im Ministerium fur Kunst und Wissenschaft.
Brussel, den 28n januari 1918.

No. 13. - 10. februari 1918.

Bij beschikking van 20 december 1917 van den heer Generaal Gouverneur is de heer Haerens, gewoon professor aan de Staatsuniversiteit te Gent, met ingang van 1 januari 1918 tot algemeen bestuurder van bruggen en wegen benoemd aan het Vlaams ministerie van Landhouw en Openbare werken,
Brussel, den 26n januari 1918.

 

No. 13. - 10. februari 1918.

Bekendmaking
Met ingang van 1 februari 1918 is het arrondissement Ath en het noordwestelijk gedeelte van het arrondissement Zinnik (streek rondom Lessen) tot aan de lijn, gevormd door de gemeente Bever (met uitsluiting van deze gemeente) en de gemeente Bois-de-Lessines (met inbegrip van deze gemeente), afgestaan aan het Etappengebied. De bekendmaking van 19 december 1915 Nr. 14881 (Wet- en Verordeningsblad, blz. 1436) wordt hierbij dienovereenkomstig gewijzigd,
Brussel, den 4n februari 1918.

No. 14. - 13. februari 1918.

Verordening betreffende het verbod van betaling tegenover Brazilië en het verbod om over het vermogen te beschikken tegenover onderdanen van Brazilië.

Art. 1. De voorschriften van de verordening van 8 november 1914, betreffende het verbod van betaling tegenover Engeland en Frankrijk, gewijzigd bij de verordeningen van 12 augustus 1915 en 16 augustus 1917 (Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, bh 28, 907 en 448S), zijn bij dezen van vergelding ook toepasselijk verklaard op Brazilië.

De toepassing is aan volgende beperkingen onderworpen: 1. Voor de vraag, of het verbod van betaling en de schorsing tegenover den overnemer geldt of niet (artikel 2, 2e lid, van de verordening), komt niet de woonplaats of de zetel van den overnemer in aanmerking, maar enkel en alleen het feit of de overneming na of voor 26 oktober 1917 heeft plaats gehad.

2. De aanduidingen omtrent de tijdsbepaling van het van kracht worden der verordening van 3 november 1914 worden vervangen door de tijdsbepaling van het in werking treden dezer verordening.

Art. 2. Brazilië is eveneens te beschouwen als vijandelijke Staat in den zin van de verordening van 5 mei 1916, betreffende het vermogen van onderdanen van vijandelijke Staten (Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, blz. 2133), met dien verstande, dat 26 oktober 1917 de in artikel 1 aangegeven tijdsbepaling 9 oktober 1915 vervangt. Brussel, den 31n januari 1918.

No. 14. - 13. februari 1918.

Bij besluit van 19 januari 1918 C. FI. V 143 van den heer Generaal Gouverneur is de heer Karel Van Olmen, eerste schepen, tot burgemeester der gemeente Veerle (provincie Antwerpen) benoemd,

Brussel, den 2n februari 1918.

No. 14. - 13. februari 1918.

Bij besluit van 15 januari 1918 C. FI. V 495 van den heer Generaal Gouverneur is de heer Cl. Vanroye, landhouwer, tot burgemeester der gemeente Rijkel (provincie Limburg) benoemd.

Brussel, den 3n februari 1918,

 

No. 15. - 15. februari 1918.

Bij besluit van 24 januari 1918 van den heer Generaal Gouverneur zijn benoemd: De heer Hendrik Quakkelaar, advocaat te Antwerpen, tot voorzitter van de politierechtbank voor het kanton Antwerpen, ter vervanging van den heer Heuvelmans, die tot algemenen secretaris van het Vlaams ministerie van Justitie is benoemd.

De heer Leo Vandorpe, advocaatpleitbezorger te Kortrijk, bijgevoegd rechter bij de rechtbank van eersten aanleg te Kortrijk, vroeger bijgevoegd rechter bij het vredegerecht van het 1e kanton Kortrijk, tot vrederechter bij het vredegerecht van het 1e kanton Kortrijk, ter vervanging van wijlen den heer Peel.

De heer R. Robelus, advocaat bij het Hof van beroep te Gent, tot vrederechter bij het vredegerecht van het kanton Nazareth, ter vervanging van wijlen den heer de Drijver, Brussel, den In februari 1918.

No. 15. - 15. februari 1918.

Verordening. Overeenkomstig artikel 34, 1e lid, der wet van 10 april 18903 juli 1891, zoomede overeenkomstig der verordening van 13 juni 1917 - C. 0. III& 3386 - , ten einde de studenten, die door de oorlogsomstandigheden verhinderd zijn geweest de wettelijke examens van het hoger onderwijs regelmatig af te leggen, in de gelegenheid te stellen hun studiën voort te zetten en te voleinden, bepaal ik:

Art. 1. De middenjury voor het hoger onderwijs zal in den loop der maanden maart en april van dit jaar een buitengewone zittijd houden. De inschrijvingen voor de examens dienen genomen te worden van maandag 25 februari tot donderdag 7 maart, op het provinciaal bestuur der provincie, waar de kandidaat

woonachtig is, en voor de provincie Brabant insgelijks op het ministerie van Wetenschappen en Kunsten, Afdeling Hoger Onderwijs, Waterwerkstraat 14 te Brussel.

Art. 2. Studenten die gedurende dezen buitengewone zittijd met goed gevolg examen zullen hebben afgelegd, kunnen in bijzondere gevallen ontslagen worden van de wettelijke bepalingen betreffende den duur der studiën met het oog op het afleggen van volgende examens, Het ministerie van Wetenschappen en Kunsten heeft daarover te beslissen, op voorstel van de middenjury, die de bijzondere omstandigheden voor ieder afzonderlijk geval dient na te gaan. Art S. De bepaling van artikel 2 is alleen toepasselijk op de studenten, die voor 1 januari 1916 in het bezit waren van het voor het afleggen van de wettelijke examens van het hoger onderwijs vereiste getuigschrift van middelbare stadiën van den hongeren graad.

Art. 4. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschef) voor Vlaanderen is belast met de uitvoering van deze verordening.

Brussel, den 7n februari 1918,

No. 15. - 15. februari 1918.

Bekendmaking. Aan het licht gekomen misbruiken nopen mij er toe in herinnering te brengen, dot het ongeoorloofd uitoefenen van de geneeskunst, volgens artikel 48 der wet van 10 april 18903 juli 1891 in verbinding met de artikelen 18 en 19 der wet van 12 maart 1818, met geldboete en gevangenisstraf kan gestraft worden. Onder deze bepalingen volt inzonderheid het uitoefenen van de geneeskunst door studenten in de geneeskunde, die hunne studiën nog niet wettelijk hebben voleindigd. De provinciale geneeskundige commissies zijn aangewezen om den tegenwoordige onwettelijke toestand niet verder meer te dulden en tegen elke overtreding op te komen, Ten einde de door deze maatregelen getroffen studenten in de geneeskunde in de gelegenheid te stellen, de wettelijk voorgeschreven examens af te leggen, zal de middenjury voor hoger onderwijs, in de maanden maart en april van dit jaar, een buitengewone zittijd houden. Een bijzondere verordening, met dezelfde dagtekening ah deze bekendmaking, is dienaangaande uitgevaardigd. Het ministerie van Wetenschappen en Kunsten, Waterwerkstraat 14 te Brussel, verstrekt alle nadere desbetreffende inlichtingen,

Brussel, den 7n februari 1918

No. 15. - 15. februari 1918.

Bekendmaking betreffende de liquidatie van Britse ondernemingen.

 Met toestemming van den heer Generaal Gouverneur in België, heb ik, overeenkomstig de verordening van 29 augustus 1916, over de liquidatie van Britse ondernemingen (verschenen in het Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, no, 253 van 13 september 1916) de liquidatie bevolen van het vermogen der firma „The Continental Bodega Company, S, A.' met zetel te Brussel. De heer J. Welker, te Brussel, is tot liquidator benoemd. De liquidator verstrekt nadere inlichtingen.

Brussel, den 7n februari 1918,

No. 15. - 15. februari 1918.

Bekendmaking. Op grond der Verordening van 20 december 1917, betreffende de fondsenbeurzen, bepaal ik het navolgende:

I Te rekenen van 16 februari 1918 mogen beurshandelingen in de onder artikel i, lid 2, der verordening nader aangeduide voorwerpen te Groot-Brussel nog alleen in het gebouw der beurs van Brussel, op het Beursplein, plaats hebben. Alle beurshandelingen in bedoelde voorwerpen op andere plaatsen zijn te Groot-Brussel van 16 februari 1918 af verboden.

II De algemene voorschriften en onderrichtingen, door mij, overeenkomstig artikel 2 der verordening van 20 december 1917, met het oog op Groot-Brussel uit te vaardigen, zullen voortaan bij plakbrief in het gebouw der beurs van Brussel bekendgemaakt worden.

Brussel,10 februari 1918.

No. 16. - 18. februari 1918.

 

Verordening betreffende de goedkeuring van getuigschriften van middelbaar onderwijs, Krachtens artikel 7 der wet van gewijzigd bij de verordening van 13 juni 1917, verorden ik het navolgende:

Art. 1. In de maand april 1918 zal de jury, ingesteld hij de verordening van 8 augustus 1917 een buitengewone zittijd houden; de jury zal gedurende dezen zittijd alleen over de goedkeuring van getuigschriften van middelbare onderwijsinrichtingen te heslissen hebben.

Art. 2. Aanvragen tot goedkeuring van getuigschriften van middelbare onderwijsinrichtingen, waarover gedurende den buitengewone zittijd moet worden beslist, zijn met de wettelijk voorgeschreven bewijsstukken tussen 11 en 21 maar 1918 in te dienen op het provinciaal bestuur der provincie waarin het betreffend getuigschrift werd afgeleverd, voor de provincie Brabant op het ministerie van Wetenschappen en Kunsten, Waterwerkstraat 14 te Brussel.

Art. 3. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschef) voor Vlaanderen is met de uitvoering van deze verordening belast.

Brussel, den 7n februari 1918.

No. 16. - 18. februari 1918.

Bekendmaking betreffende de liquidatie van Franse ondernemingen. Met toestemming van den heer Generaal Gouverneur in België, heb ik, overeenkomstig de verordeningen van 29 augustus 1916 en van 15 april 1917, over de liquidaties van vijandelijke ondernemingen (Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, NR 253 van 13 september 1916 en NR 335 van 19 april 1917), de liquidatie bevolen van het in België voorhanden zijnde vermogen van de firma „Cie Generale du Gaz pour la France et V Etranger'', te Parijs. De heer Ritmeester Heineken te Brussel, is tot liquidator benoemd. De liquidator verstrekt nadere inlichtingen, Brussel, den 6n februari 1918.

No. 16. - 18. februari 1918.

Bekendmaking betreffende de liquidatie van Franse ondernemingen. Met toestemming van den heer Generaal Gouverneur in België, heb ik, overeenkomstig de verordeningen van 29 augustus 1916 en van 15 april 1917, over de liquidaties van vijandelijke ondernemingen (Wei- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, Nr, 253 van 13 september 1916 en Nr. 335 van 19 april 1917), de liquidatie bevolen aan de firma „Cie, An, du Gaz de Saint-Josse-ten-Noode'', te Brussel, De heer Ritmeester Heineken, te Brussel, is tot liquidator benoemd. De liquidator verstrekt nadere inlichtingen.

Brussel, den 6n februari 1918,

No. 16. - 18. februari 1918.

Bekendmaking betreffende de liquidatie van Franse ondernemingen. Met toestemming van den heer Generaal Gouverneur in België, heb ik, overeenkomstig de verordeningen van 29 augustus 1916 en van 15 april 1917, over de liquidaties van vijandelijke ondernemingen (Wet en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, Nr. 253 van 13 september 1916 en Nr, 335 van 19 april 1917), de liquidatie bevolen van het in België voorhanden zijnde vermogen der firma Vve. Fichet, Edouard Pinot e Cie., Succ. te Parijs, bijhuis te Brussel, Storm-straat 7. De heer Rennehaum, bouwkundige te Brussel, is tot liquidator benoemd. De liquidator verstrekt nadere inlichtingen.

Brussel, den 10 februari 1918.

No. 16. - 18. februari 1918.

Bekendmaking betreffende de liquidatie van Franse ondernemingen. Ter vervanging van den heer Dr. Einhorn, Bankabteilung, Wetstraat 28 te Brussel, heb ik den heer Edmund Wilberg, Bankabteilung, Wetstraat 28 te Brussel, tot liquidator benoemd van de in België voorhanden zijnde Franse deelhebbingen aan de „Vega, Societe Anonyme Roumaine pour le Raffinage du Petrole'' („Vega'' Rumanische Petroleum-Raffinerie, Aktiengesellschaft), te Boekarest.

Brussel, den 11 februari 1918.

No. 17. - 21. februari 1918.

Verordening betreffende de bevordering van Belgische postbeambten

Enig Art. De hierna vermelde postbeambten, die hij het Keizerlijk Duits Beheer van Posterijen en Telegrafen in België werkzaam zijn, de nodige dienstjaren tellen om onder den oorlog tot een hogere dienstgraad te worden bevorderd en, zich bereid hebben verklaard om thans een zulkdanige bevordering te aanvaarden, worden met terugwerkende kracht te rekenen van 1 oktober 1917 als volgt bevorderd tot de posten, waarop zij aanspraak kunnen doen gelden: Tot bureelonderoverste bij den Postcheckdienst, de hoofdklerk E. Robert, tot hoofdklerken bij den Postcheckdienst, de eerstaanwezende klerk P. D. Valentin, bij het Postkantoor Brussel I, de eerstaanwezende klerk A. R u v r o y, bij de Afdeling VI A van het Beheer van Posterijen en Telegrafen, de eerstaanwezende klerken T, G. P. Benard en D. I. Hunin, alle te Brussel. De Voorzitter van het Keizerlijk Duits Beheer van Posterijen en Telegrafen in België is met de uitvoering van deze verordening belast.

 

Brussel, den 3n februari 1918.

No. 17. - 21. februari 1918.

Verordening betreffende de begeving van leidende posten bij het Belgisch Beheer van Posterijen voor het Vlaamse bestuursgebied. In aansluiting aan mijn verordening van 12 januari 1918 (Wet- en Verordeningsblad voor Vlaanderen, hl. 51) over hetzelfde onderwerp, verorden ik het navolgende:

Enig Artikel

Art. Bij het Hoofdpijler van Posterijen voor Vlaanderen te Brussel worden benoemd:

 

a) met ingang van 1 januari 1918 tot bestuursopziener de heer B, G. E, Desmedt afdelingsoverste te Brussel,

b) met ingang van 1 februari 1918 tot bureeloverste de heer G. 1, Elias, klerk te klasse te Vilvoorde. De Voorzitter van het Keizerlijk Duits Beheer van Posterijen en Telegrafen in België is met de uitvoering van deze verordening belast.

Brussel, den 3 februari 1918.

No. 17. - 21. februari 1918.

Verordening betreffende de opneming van de Voorhanden klokken en orgelpijpen. Ik bepaal hierbij, dat zal overgegaan worden met de opneming van de in het gebied van het Generaal Gouvernement voorhanden klokken uit gegoten brons, die meer dan 10 kg, wegen, alsook van de stomme en sprekende prospect orgelpijpen uit tin of uit een tinlegering. Ik belast de Afdeling voor Handel en Nijverheid met de uitvoering van deze verordening en met de uitvaardiging van de daartoe vereiste uitvoeringsbepalingen. Deze verordening treedt in werking op den dag hare afkondiging.

Brussel, den 10 n februari 1918,

 

No. 17. - 21. februari 1918.
Bekendmaking. Op grond mijner verordening van 19 juli 1917 betreffende de Oogstkommissies evenals der uitvoeringsbepalingen van 19 juni1917 tot deze verordening, heb ik, op voorstel der centrale Oogstkommissie (Zentral-Ernte-Kommission) de hoogste prijzen voor den verkoop van gedorst koren, meel, zemelen en brood voorshands als volgt vastgesteld:

voor tarwe uit stapelplaats of molen geleverd frank 75.19 per 100 kg. „
rogge uit stapelplaats of molen geleverd „ 37.66
masteluin uit stapelplaats of molen geleverd „ 40.09 „
ongepelde spelt uit stapelplaats of molen geleverd „ 36.48 „
zemelen uit stapelplaats of molen geleverd 21.50 „
tarwemeel aan bakkers of verbruikers geleverd „ 83.74 „
roggemeel aan bakkers of verbruikers geleverd „ 45.05 „
masteluinmeel aan bakkers of verbruikers geleverd „ 47.55 „
tarwebrood aan verbruikers geleverd „ — .70 „ kg.
Deze hoogste prijzen worden op 1 maart 1918 van kracht.
De provinciale Oogstkommissies (Provinzial-EmteKommissionen) zijn bevoegd, voor de omschrijving van afzonderlijke gemeenten, op verzoek of na raadpleging van de burgemeesters, telkens een lagere hoogsten prijs voor brood, tot het bereiden waarvan roggemeel wordt gebruikt, vast te stellen.

Voor den verkoop van koren door de verbouwers aan het Nationaal Hulp- en Voedingskomiteit, blijven de hoogste prijzen, vastgesteld in de uitvoeringsbepalingen tot de verordening van 19 juli 1917, betreffende de Oogstcommissies, van kracht.

Brussel, den 14n februari 1918.

No. 17. - 21. februari 1918.

Bekendmaking betreffende de liquidatie van Britse ondernemingen.

Met toestemming van den heer Generaal Gouverneur in België, heb ik, krachtens de verordening van 29 augustus 1916, over de liquidatie van Britse ondernemingen (Wet en Verordeningsblad, hl, 2611), de liquidatie bevolen van de deelhebbingen van de Banque d'Outremer te Brussel, en van de „Marconi Wireless Telegraph Company Limited te Londen, aan de Duitse „Betriebsgesellschaft fur drahtlose Telegraphie (Deheg te Berlijn). De heer Koenigs, koopman te Berlijn is tot liquidator benoemd,

Brussel, den 14n februari 1918.

No. 17. - 21. februari 1918.

Beschikking van het Beheer van Posterijen en Telegrafen, ter wijziging der indeling naar provincies van de Belgische postomschrijvingen. Ingevolge de verordening van 15 december 1917 van den heer Generaal Gouverneur in België, houdende wijziging der provinciegrenzen (Wet- en Verordeningsblad voor Vlaanderen, blz. 95, Wet- en Verordeningsblad voor Wallonië, hl. 49) ondergaat de beschikking van 20 november 1917 van het Beheer van Posterijen en Telegrafen (Post- und Telegraphenverwaltung) , betreffende de indeling naar provincies van de Belgische postomschrijvingen (Wet- en Verordeningsblad, hl. 4843-4861) de hiernavolgende wijzigingen:

Onder Ilh (Postomschrijving Luik) vallen weg de postkantoren Attenhoven, Landen, Neerhespen, Neerurinden, Wals-Houthem;

Onder Ile (Postomschrijving Bergen) de postkantoren Bever, Edingen (België), Everheek, Sint-Pieters-Kapelle, Twee-Akkers; B.

Onder le (Postomschrijving Brussel) zijn in te lassen de postkantoren Bever, Edingen (België), Sint-Pieters-Kapelle;

Onder Id (Postomschrijving Gent) de postkantoren Everbeek, Twee-Akkers; onder de (Postomschrijving Hasselt) de postkantoren Attenhoven, Landen, Neerhespen, Neerwinden Wals-Houthem.

Brussel, den 14n februari 1918,

No. 18. - 23. februari 1918.

Beschikking.

Artikel 1. Den E. H. Vossen, Edingenstraat 22 te Sint Jans- Molenbeek, wordt op rekening van Hoofdstuk VI, Artikel 71 der begroting van het Vlaams ministerie van Wetenschappen en Kunsten voor het dienstjaar 1917 (tweede helft), ter bestrijding van de buitengewone uitgaven, veroorzaakt door het toenemend aantal schoolkinderen, als buitengewone staatstoelage voor den gewone schooldienst der aanneembare lagere jongensschool Sinte Barbara te Sint Jans-Molenbeek, voor het hoger genoemd dienstjaar een som van twee duizend tweehonderd frank (2. 200 fr.) toegekend.

Art. 2. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwàltungschef) voor Vlaanderen is met de uitvoering van deze beschikking belast.

Brussel, den 7n februari 1918

No. 19. - 26. februari 1918.

Uitvoeringsbepalingen van de verordening van 8 januari 1918

wijziging en uitbreiding van de verordening houdende inbeslagneming van straatstoomlokomotieven (Wet- en Verordeningsblad voor Vlaanderen No. van 11 januari 1918, Wet- en Verordeningsblad voor Wallonië, 5 van 11 januari 1918).

1. Lasthebbers van de „Leitung des Kraftfahrwesens beim Generaal-Gouvernement zullen overgaan tot de bezichtiging en de opneming van de aangegeven en zonder toelating van het Generaal-Gouvernement in gebruik zijnde machines van klasse 2, bijgevolg van al de niet op sporen lopende vrachtlocomotieven en vrachtmotorwagens door stoom of elektriciteit gedreven, alsook van de stroomblokken, trek-machines voor stoomploegen en andere dergelijke trektoestellen. Nadat de opening heeft plaats gehad zal aan de bezitters of aan de personen, die de machines in bewaring hebben, een bewijs van inslagneming overhandigd worden.

2. Aan de lasthebbers die met het bezichtigen en met de opneming van de machines belast zijn, moeten al de gewenste inlichtingen verstrekt worden. Inzonderheid moet hun hij de opneming inzage gegeven worden van al de voorhanden papieren, die een nauwkeurige beschrijving der machine bevatten, en waaruit de eigenschappen derzelve op te maken zijn.

3, Wat betreft de machines, die voor het legerbestuur als bruikbaar bevonden zijn, beslist de „Leitung des Kraftfahrwesens heim Generalgouvernemenf naar gelang van behoefte, of de machines aangekocht dan wel door inbeslagneming wegens onteigening of wegens gebruik voor het legerbestuur overgenomen worden. In dit laatste geval worden de bezitters der machines of de personen die ze in bewaring hebben, ten aanzien van hun aanspraak op vergoeding, verwezen naar de Rijkskommissie tot regeling der schadeloosstellingen.

Brussel, den 4n februari 1918,

No. 19. - 26. februari 1918.

Verordening betreffende den dienst van het opzicht van het middelbaar onderwijs.

Het opzicht over het letterkundig en wetenschappelijk onderricht in de onderwijsinstellingen, die onder de bepalingen vallen der wetten van 1 juni 1850, van 15 juni 1881 en van 6 februari 1887, alsook over de middelbare normaal scholen, die geldige getuigschriften van leraar of van lerares bij het middelbaar onderwijs van den lagere graad afleveren (artikel 2 van het koninklijk besluit van 31 december 1902, gewijzigd bij verordening van 30 september 1917), wordt te rekenen van 15 februari 1918 voor Vlaanderen en voor Wallonië door bijzondere ambtenaren uitgeoefend.

Brussel, den 18 februari 1918.

No. 19. - 26. februari 1918.

Bekendmaking betreffende de liquidatie van Franse ondernemingen.

Met toestemming van den heer Generaal Gouverneur in België, heb ik, overeenkomstig de verordeningen van 29 augustus 1916 en 15 april 1917, over de liquidaties van vijandelijke ondernemingen (Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, Nr. 253 van 13 september 1916 en Nr. 335 van 19 april 1917), de liquidatie bevolen van de aan den Fransman Louis Montupest, te Parijs, toebehorende fabriek „Ocres de Francorchamps'' te Francorchamps, bij Stavelot. De heer Dr. Lepssius, Krijgsschool te Brussel, is tot liquidator benoemd. De liquidator verstrekt nadere inlichtingen.

Brussel, den 18 februari [1918.

No. 30. - 1. maart 1918.

Verordening. In aansluiting aan de verordening van 5 september 1916 betreffende het vervoer van goederen binnen het gebied van het Generaal Gouvernement, wordt de, Grenzbewirtschaftung beim Generaal-Gouvernement'' te Antwerpen gemachtigd, voor het verkeer binnen het gebied van het Generaal Gouvernement, vervoertoelatingen af te leveren voor de goederen, die van haar bevoegdheid afhangen.

Brussel, den 13n februari 1918.

No. 20. - 1. maart 1918.

Bekendmaking. Bij besluit van 14 februari 1918 van den heer Generaal Gouverneur is de heer Lodewijk Hallet, handelaar en landhouwer, tot burgemeester van de gemeente Sluize, provincie Limburg, benoemd,

Brussel, den 17n februari 1918.

No. 20. - 1. maart 1918.

Bij beschuit van den heer Generaal Gouverneur in België zijn benoemd: op 15 november 1917 de heer Willemsen, J, P., onderbureeloverste tot bureeloverste aan het Vlaams ministerie van Landbouw. op 29 september 1917, de heer Jageneau, L. H, M., klerk le klasse, tot bureeloverste bij het beheer der Weldadigheidsgestichten van den Staat. op 31 januari 1918, de heer Dr. Quintens, B., geneesheer te St. Truiden, tot opziener der gestichten en koloniën voor krankzinnigen. op 9 februari 1918, de heer Van Bergen, Jozef, hoofdvertaler van het Wet- en Verordeningsblad voor Vlaanderen, tot bureeloverste aan het Vlaams ministerie van Justitie.

Brussel, den 20n februari 1918.
No. 21. - 3. maart 1918.

Verordening ter aanvulling der verordeningen betreffende verlening van buitengewone duurte bijslagen aan de beambten en bedienden van den Staat.

Art. 1. De verordeningen van 1 februari, 30 mei en 23 augustus 1917, betreffende verlening van buitengewone duurtebijslagen aan de beambten en bedienden van den Staat, worden met volgende bepaling aangevuld: Met ingang van 1 september 1917 bekomen ook deze beambten en bedienden van den Staat een doorlopende duurtebijslag, wier jaarwedde wel is waar meer beloopt dan 2.500 resp. 3.000 frank, doch minder bedraagt dan de som, bestaande uit de wedde vermeerderd met den duurtebijslag, welke een in dezelfde familieverhoudingen zich bevindend, minder bezoldigd beambte ontvangt. De doorlopende duurtebijslag is derwijze te berekenen, dat het verschil vereffend wordt.

 

Art. 2. Aan artikel 1 der verordening van 25 oktober 1917 wordt toegevoegd het geen volgt: Beambten en bedienden van den Staat, wier jaarwedde op 1 juli 1917 meer bedroeg dan 3. 000 frank, bekomen een enigen buitengewone duurtebijslag, die hun bezoldiging naar den stand van 1 november 1917 zodanig aanvult, dat zij niet in het nadeel staan tegenover de beambten, wier jaarwedde op 1 juli 1917 niet meer dan 3.000 frank bedroeg.

Brussel den 14n februari 1918

 

 

No. 21. - 3. maart 1918.

Verordening houdende inbeslagneming van gerst, haver, vroege en late aardappelen, tabak en cichorei (suikerij) uit den oogst van 1918.

Ik verorden voor het Vlaams bestuursgebied het navolgende:

§ 1. Zomer- en winter gerst, haver, vroege en late aardappelen, tabak en cichorei (suikerij) uit den oogst van 1918 zijn in beslag genomen. Voor suikerbieten blijven de thans bestaande bepalingen toepasselijk. Voor broodkoren [rogge, tarwe, spelt) zullen nog bepaalde onderrichtingen gegeven worden,

§ 2. Van de in het Iste lid van § 1 opgesomde veldvruchten zijn zekere hoeveelheden (§ 3) af te staan aan de diensten, die alleen toegelaten zijn om die voortbrengselen op te kopen. Deze diensten zullen onderstaande prijzen betalen: voor gerst jr. 46. — „ vroege aardappelen „ 25. — „ late aardappelen „ 25. — > per 100 kg. „ haver „ 40. — „ cichorei „ 8. — „ tabak, naar gelang van de hoedanigheid van fr. 200. — tot 400. — vermeerderd met een premie, die tot 100 fr. kan bedragen voor 100 kg bijzonder goed bewaarde planten. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschef) voor Vlaanderen is gerechtigd lagere prijzen vast te stellen voor veldvruchten, die niet binnen een bepaalden termijn geleverd werden.

§ 3. De diensten, die daarmede belast zijn, stellen de hoeveelheid vast, die ieder gemeente van ieder der in het 1ste lid van § 1 opgesomde veldvruchten te leveren heeft. Voor deze vaststelling zal rekening worden gehouden enerzijds met de bebouwde oppervlakte, anderzijds met een te bepalen opbrengst per hectare van ieder vruchtensoort, zodat de landbouwer vrije beschikking houdt over een deel van de door hem geoogste vruchten, Hierbij zal voor aardappelen zomergerst en haver de bebouwde oppervlakte, aangegeven in de Belgische statistiek van het jaar 1910, doch verminderd met 25 %, tot grondslag genomen worden, terwijl voor de cichorei de in 1916 bebouwde oppervlakte tot grondslag zal dienen. Ieder gemeente is gerechtigd, de door haar te leveren hoeveelheden te verdelen over de landbouwers, die op haar gebied land bebouwen.

Maakt een landbouwer bezwaar tegen de hem opgelegde levering, dan beslist de burgerlijke Commissaris (Zwilkommissar), zoveel mogelijk na Belgische deskundigen te hebben gehoord, Nadat zij zich van de verplichte levering hebben gekweten, zijn de landhouwers gerechtigd vrij te beschikken over de veldvruchten, die zij nog bezitten en ze, overeenkomstig de later uit te vaardigen bepalingen (§ 6), in den vrij en handel van de hand te doen, zonder aan de prijzen van § 2 gebonden te zijn.

 

§ 4. De Voorzitters van het burgerlijk bestuur (Pràsidenten der Zwilverwaltung) zijn bevoegd, de gemeenten of de landbouwers, die de voorgeschreven levering niet of niet bijtijds gedaan hebben, een geldboete van 1 tot 10 mark op te leggen voor ieder kilogram, dat niet bijtijds of niet geleverd werd en, in plaats van of samen met de geldboete, de onteigening van peulvruchten of van andere door de in gebreke gebleven landbouwers verbouwde veldvruchten uit te spreken. De onteigening zal tegen passende prijzen gedaan worden ten bate van de burgerlijke Belgische bevolking. Zij is echter niet toegelaten, zover de landhouwer de vruchten voor zich zelf en voor zijn bedrijf nodig heeft. Veldvruchten, die binnen een vastgestelde termijn niet geleverd zijn of die verborgen gehouden worden, kunnen door de Voorzitters van het burgerlijk bestuur zonder vergoeding verbeurdverklaard worden ten bate van de Belgische burgerlijke bevolking.

 

§ 5. De Voorzitters van het burgerlijk bestuur zijn bevoegd de gemeenten, die daartoe de aanvraag doen te machtigen, de door de eigenaar of pachters onbebouwd gelaten stukken grond te verpachten of voor eigen rekening te bewerken.

 

§ 6. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur voor Vlaanderen is met de uitvoering van deze verordening belast. Hij is gerechtigd uitvoeringsbepalingen tot deze verordening uit te vaardigen en al de nodige schikkingen te treffen, met het oog op de uitvoering van de verordening en op de regeling van den handel en het vervoer der in beslag genomen vruchten. Hij is gerechtigd verschillende gemeenten te verenigen tot leveringsgroepen, die overeenkomstig § 3, in plaats van ieder gemeente afzonderlijk, de leveringsplicht op zich zullen nemen. Hij is eveneens gerechtigd de Voorzitters van het burgerlijk bestuur te machtigen, de bevoegdheden waarmede deze krachtens § § 3, 4 en 5 bekleed zijn, aan andere diensten op te dragen.

 

§ 7. Wie de bepalingen van deze verordening of van de ter uitvoering er van uitgevaardigde onderrichtingen en bevelen (§ 6) overtreedt, wordt met een geldboete van ten hoogste 20.000 mark of met een gevangenisstraf van ten hoogste 2 jaar gestraft. Beide straffen kunnen ook tesamen worden uitgesproken. De poging tot overtreden is strafbaar. Bovendien is de verbeurdverklaring uit te, spreken van de voorwerpen, waarmede de strafbare handeling is begaan of die tot het ongeoorloofd vervoer van in beslag genomen veldvruchten hebben gediend. Is de overtreding begaan met het inzicht een ongeoorloofde winst op te strijken, dan moet ten minste een week gevangenzetting of een geldboete die ten minste tienmaal de prijzen overeenkomstig § 2, in geen geval echter minder dan 25 mark bedraagt, uitgesproken worden. De krijgsrechtbanken en de krijgsbevelhebbers zijn daartoe bevoegd.

Brussel den 21n februari 1918.

 

No. 21. - 3. maart 1918.

Verordening treffende strovlas, bewerkt vlas en klodden. Onder opheffing der verordening van 10 februari 1917 Wet- en Verordeningsblad 314), bepaal ik het navolgende:

Opgave der voorraden.

Art. 1, Wie voorraden strovlas, bewerkt vlas of klodden in bewaring heeft of na de afkondiging van deze verordening in bewaring neemt, is verplicht van de hoeveelheden waarover hij den In van ieder maand beschikt, met afzonderlijke vermelding van de hoeveelheden ongeroot strovlas, geroot strovlas, bewerkt vlas en klodden, onder aanduiding van den eigenaar en van de bewaarplaats, ten laatste den 3n van ieder maand opgave te doen bij de gemeenteoverheid (burgemeesters of plaatsvervangers) van de bewaarplaats. De burgemeesters of dezer plaatsvervangers moeten de opgaven ten laatste den 8n van ieder maand overmaken aan de „Abteilung fur Handel und Gewerbe, Rohstoffverwaltungsstelle" (Afdeling voor Handel en Nijverheid, Kantoor voor grondstoffen) te Brussel.

Afwerken.

 

Art. 2. Ieder bezitter ven strovlas is verplicht, al het strovlas dat hij in bezit heeft, onmiddellijk te doen roten en bewerken. Is hij niet in staat zulks te doen voor het begin der afwerking van den nieuwen oogst, dan moet hij onverwijld de „ Rohstoffverwaltungsstelle " daarvan verwittigen en haar, desverlangd, het strovlas overeenkomstig de bepalingen van artikel 6 afstaan.

Vervoer.

 

Art. 3. Elk vervoer van ongeroot of geroot strovlas, bewerkt vlas en klodden is zonder toelating van de „Abteilung fur Handel und Gewerbe, Rohstoffverwaltungsstelle" verboden; dit verbod geldt echter niet voor het vervoer dier voortbrengselen van het veld naar de schuur, zover dit vervoer op het gebied der gemeente plaats heeft,

Handel.

 

Art. 4. De handel in ongeroot en geroot strovlas mag alleen gedreven worden door de personen, die daartoe de toelating hebben verkregen van de „Abteilung für Handel und Gewerbe te Brussel, van de „ Kriegsrohstoffahteilung te Gent of van de Vlaskantoren te Kortrijk en te Lokeren. De handel in bewerkt vlas en in klodden is, afgezien van de voorschriften van artikel 5, verboden. ,

 

Verkoop.

Art. 5. Ongeroot en geroot strovlas mag alleen verkocht worden aan: de krachtens artikel 4 toegelaten handelaars,

2, het „Flachsburo der Abteilung fur Handel und Gewerbe, Rohstoffverwaltungsstelle te Brussel,

3. de „Rohstoffabteilung heim Wirtschaftsausscliuss' te Gent,

4. de „Flachsburos des Wirtschaftsausslusses''te Kortrijk en te Lokeren.

Bewerkt vlas en klodden mogen alleen aan de hierboven onder 2,3 en 4 genoemde kantoren verkocht worden.

 

Afstand.

Art. 6. De voorraden ongeroot en geroot strovlas, bewerkt vlas en klodden, zowel van den vorige als van den nieuwen oogst, moeten op uitnodiging van de „Rohstoffverwaltungsstelle te Brussel, aan de in artikel 5, cijfers 2, 3 en 4 genoemde kantoren tegen vergoeding worden afgestaan. Het bedrag der vergoeding wordt bij overeenkomst vastgesteld; voor bewerkt vlas en voor klodden moet men zich houden aan de hoogste prijzen, zoals die zijn vastgesteld in artikel 7. Wordt men het over den verkoopprijs niet eens, dan bepalen de hoger genoemde kantoren dien prijs, na een Belgisch deskundige te hebben gehoord. Indien de leveraar ook deze prijsvaststelling niet aanneemt, kunnen de betrokken stapels door de Afdeling K. B. van het Generaal Gouvernement onteigend worden. In dit geval stelt de „Rijkscommissie lot regeling der schadeloosstellingen" de vergoeding overeenkomstig de bestaande grondregels vast

Hoogste prijzen.

 

Art. 7. Voor den verkoop van bewerkt vlas en klodden zowel van den vorige als van den nieuwen oogst gelden onderstaande hoogste prijzen

1. in water geroot Kortrijks vlas: naar gelang van de hoedanigheid 200 tot 350 fr. per baal van 100 kg. netto;

2. in water geroot vaart vlas (Eekloos vlas): naar gelang van de hoedanigheid 200 tot 315 fr, per haal van 100 kg. netto;

3. Vlaanderen, blauw vlas: naar gelang van de hoedanigheid 190 tot 300 fr. per baal van 100 kg. netto;

4. op gras geroot vlas (veldroten) : naar gelang van de hoedanigheid 130 tot 230 fr. per baal van 100 kg. netto;

5. klodden :

a) 80. fr. voor gezwingelde klodden van beste hoedanigheid

h) 100.— fr. „ zuivere naturen van beste hoedanigheid

c) 120.— fr. „ snuitjes van beste hoedanigheid

d) 140.— fr. „ kammelingen (gehekelde) van beste hoedanigheid.

 

Strafbepalingen.

Art. 8. Wie de voorschriften van deze verordening opzettelijk of uit nalatigheid overtreedt, wordt met ten hoogste 3 jaar gevangenis en met ten hoogste 50.000 mark geldboete, of met een dezer straffen gestraft.

Dezelfde straf treft:

a) degene, die voorraden strovlas, bewerkt vlas en klodden door gebrek aan de nodige zorgvuldigheid hij de behandeling of anderszins vernield of onbruikbaar laat worden,

b) burgemeesters of dezer plaatsvervangers, die stapelopgaven aan de „Rohstoffverwaltungsstelle'' overmaken, hoewel zij weten of door de omstandigheden moeten weten, dat die opgaven vals zijn. Bovendien is de verbeurdverklaring van de voorwerpen, waarop de strafbare handeling betrekking heeft, in ieder geval toegelaten en hij opzettelijke overtreding geboden. De poging tot overtreden is strafbaar. De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.

Brussel, den 21n februari 1918.

No. 21. - 3. maart 1918.

Bekendmaking. Aanvragen tot schadevergoeding voor in België in beslag genomen goederen moeten, bijaldien de inbeslagneming voor 1 januari 1918 heeft plaats gehad, ten laatste op 31 maart 1918, voor de overige gevallen binnen drie maanden na de inbeslagneming, ingediend worden hetzij bij de Reichsentschàdigungskommission Viktoriastr, 34 te Berlijn, hetzij bij een harer buitenlandse kantoren in België (Entschadigungsambt Wetstraat 90, te Brussel;

„Kommissar der Reichsentschadigungskommission' te Gent ;

„Kommissar der Reichsentschadigungskommission te Antwerpen).

Het oorspronkelijk inbeslagnemingsbevel moet bij de aanvraag gevoegd worden.

Aanvragen, die te laat of zonder het inbeslagnemingsbevel binnenkomen, kunnen slechts in aanmerking genomen worden, wanneer de belanghebbende bewijst, dat hij zonder zijn schuld verhinderd was zijn aanvraag binnen den voorgeschreven termijn in te dienen of er het inbeslagnemingsbevel bij te voegen.

Brussel, den 21n februari 1918

 

No. 21. - 3. maart 1918.

Verordening over het malen en vervoeren van broodkoren. § 4 der verordening van 19 juli 1917 over het malen en vervoeren van broodkoren (Wet- en Verordeningsblad, hl. 4024) wordt hierbij gewijzigd en luidt voortaan als volgt:

 

„De voorzitters van de provinciale Oogstcommissies zijn gemachtigd, met het oog op de rechtstreekse levering van meel, alsook op de vervaardiging van gebak voor zieke en zwakke personen of tot godsdienstige doeleinden, aan de molens te dien einde door het Nationaal Komiteit aangeduid, vergunning te geven om op een geringere dan den hij deze verordening vastgestelde maalgraad te malen. Het Nationaal Komiteit moet de hoeveelheden koren, die in de bedoelde molens voor een fijner gemaal nodig zijn, ter beschikking stellen van de bevoegde provinciale Oogstkommissies. De provinciale Oogstkommissies hebben er voor te zorgen, dat het op last van het Nationaal Komiteit fijner gemalen meel, enkel en alleen gebruikt wordt om er, in de door 198 de Voorzitters van de provinciale Oogstkommissies hij wijze van uitzondering toegelaten bakkerijbedrijven, gebak van te maken voor zieke en zwakke personen en tot godsdienstige doeleinden, ofwel om als meel aan zieke en zwakke personen en tot godsdienstige doeleinden te worden afgeleverd'

Brussel, den 23n februari 1918.

No. 21. - 3. maart 1918.

Verordening houdende verbod om banketbakkerswaren te bakken. § 4 der verordening van 19 juli 1917 houdende verbod om banketbakkerijwaren te bakken (Wet- en Verordeningsblad, ) wordt hierbij gewijzigd en luidt voortaan als volgt:

„De voorzitters van de provinciale Oogstkommissies (ProvinzialErnte-Kommissionen) zijn bevoegd uitzonderingen toe te staan voor fabrieken, die gebak voor zieke en zwakke personen en tot godsdienstige doeleinden bakken'\

Brussel, den 23n februari 1918,

No. 21. - 3. maart 1918.

Bekendmaking (voor het ganse gebied van het Generaal Gouvernement).

Onder wijziging van de bepalingen op het paswezen wordt voor het verkeer tussen het arrondissement Verviers en het overige gebied van het Generaal Gouvernement de pasdwang ingevoerd. Deze verordening treedt den dag harre afkondiging in werking.

Brussel, den 27n februari 1918.

No. 22. - 6. maart 1918.

Verordening waarbij de Voorzitters van de burgerlijke besturen bekleed worden met de bevoegdheden der Belgische provincieraden. Onder gedeeltelijke opheffing van artikel 66, lid i, der provinciale wet van 30 april 1836, worden de Voorzitters van de burgerlijke besturen (Präsidenten der Zivilverwaltungen) in het Vlaams bestuursgebied gemachtigd, in plaats van de provincieraden, na de bestendige afvaardigingen zover deze hun ambtsverrichtingen uitoefenen te hebben gehoord, de rekeningen der ontvangsten en uitgaven voor het dienstjaar 1916 vast te stellen, de begroting der uitgaven voor het boekjaar 1918 vast te stellen, alsook inzake het opbrengen der vereiste middelen beslissingen te nemen, Deze verordening treedt onmiddellijk in werking.

Brussel, den 9n februari 1918

No. 22. - 6. maart 1918.

Beschikking.

Art. 1. De hierna vermelde leden van het onderwijzend personeel worden tot lid benoemd van de jury, die dit jaar belast is met het afnemen der examens van turnleraar en turnlerares voor het middelbaar onderwijs: De heren Verbeke, Robert (voorzitter), opziener van het turnonderricht aan de middelste onderwijsinstellingen Dr. Doussy, professor aan de Universiteit te Gent, Eobelus, Julius, leraar aan het atheneum te Gent, Van Driessche, leraar aan de Rijksmiddelbare Jongensschool te Bonse, Verdonck, Maurits, leraar aan de Rijksmiddelbare Normaalschool te Gent.

Art. 2. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschef) voor Vlaanderen is bevoegd, afwezende leden te doen vervangen.

Art. 3. De jury duidt onder haar een secretaris aan.

Art. 4. De voorzitter moet de juryleden en de kandidaten ter zitting oproepen.

Art. 5. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur voor Vlaanderen is met de uitvoering van deze beschikking belast.

Brussel, den 21 februari 1918,

No. 22. - 6. maart 1918.

Verordening betreffende de vergunningen tot het uitbaten van nijverheidsondernemingen.

De Voorzitter van het burgerlijk bestuur (Pràsident der Zivilverwaltung) is bevoegd, in geval van ongegronde weigering vanwege de bevoegde gemeenteoverheid of een anderen dienst, vergunning te geven tot het uitbaten van een nijverheidsonderneming, alsook om den vergunninghouder te machtigen zijn vergunning op een anderen persoon over te dragen. De eindbeslissing inzake de gegrondheid van een weigering berust bij de Hoofden van het burgerlijk bestuur.

Brussel, den 21 februari 1918.

No. 22. - 6. maart 1918.

Verordening betreffende het gebruik van hooi, stro, korenpellen en dorsafval voor matrassen, kussens en peluwen.

§ 1. Het is verboden onbewerkt, gesneden of anderszins bewerkt hooi en stro, als ook pellen en korenkorrels en dorsafval (uitschot kaf) te gebruiken voor het vullen van matrassen, kussens en peluwen

§ 2. Wie de bepalingen van deze verordening overtreedt wordt met een geldboete van ten hoogste 3000 mark of met een gevangenisstraf van ten hoogste 3 maanden gestraft. Ook kunnen beide straffen tesamen, evenals de verbeurd ) De bevolking wordt er opmerkzaam op gemaakt, dat gesneden oud papier de in beslag genomen wol voordelig kan vervangen voor het vullen van matrassen, kussens en peluwen. verklaring van de tot de strafbare handeling dienende of gebruikte voorraden uitgesproken worden. De krijgsrechtbanken en de krijgsbevelhebbers zijn daartoe bevoegd.

Brussel, den 28 februari 1918.

No. 23. - 9. maart 1918.

Verordening betreffende de voorlopige oprichting van een College van Curatoren voor de Universiteit te Gent. Gezien de bijzonder moeilijke, omvangrijke en zeer verantwoordelijke taak, die de Universiteit te Gent tegenwoordig te vervullen heeft, bepaal ik, onder wijziging van artikelen 25-27 der organieke wet van 15 juli 1849, het navolgende:

Art. 1. De Curator (beheerderopziener) van de Universiteit te Gent wordt tot nader bericht vervangen door een College van Curatoren, die de waarneming der beheerszaken van den Curator overneemt, Het aan het ambt van Curator verbonden toezicht wordt onmiddellijk opgedragen aan het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten.

Art. 2. Het College van Curatoren is samengesteld uit: den rector der Universiteit, den laatste nog in dienst zijn den ambtsvoorganger van den rector (den „prorector") en negen andere leden, die onder de (in dienst zijnde en emeriti-) professoren der Universiteit en der daarbij bestaande Hogere Scholen door de regering te benoemen zijn.

Art. 3. De rector roept het College van Curatoren bijeen en neemt het voorzitterschap er van waar. De regering duidt een bestendig plaatsvervangend voorzitter aan.

Art. 4. Aan het College van Curatoren wordt een bezoldigd zaakwaarnemend ambtenaar toegevoegd, die den titel van beheerder" en den rang van gewoon professor voert en die door de regering wordt benoemd. De beheerder woont de zittingen van het College van Curatoren hij als raadgevend lid en maakt het verslag er van op. Hij moet de lopende beheerszaken afdoen; voor het overige worden zijn ambtsverrichtingen door het huishoudelijk reglement geregeld.

Art. 5. Het College van Curatoren maakt een huishoudelijk reglement op, dat aan de goedkeuring van het Ministerie onderworpen is.

Art. 6. Het College van Curatoren kan de uitwerking van zekere aangelegenheden, alsook van afzonderlijke beheerszaken aan ondercommissies opdragen. Het College van Curatoren neemt besluiten bij meerderheid van stemmen; staken de stemmen, dan beslist de stem van den voorzitter. Voor het nemen van geldige besluiten door het College van Curatoren, is de aanwezigheid van ten minste 6 leden vereist.

Art. 7. Over iedere vergadering van het College van Curatoren is verslag op te maken dat, voorgelezen en goedgekeurd, door den voorzitter en den beheerder ondertekend wordt.

Art. 8. Alle stukken, die van het College van Curatoren op dezes verantwoordelijkheid uitgaan, moeten nevens de handtekening van den voorzitter deze van den beheerder dragen.

Art. 9. Het College van Curatoren moet eenmaal in 4 jaar aan het Ministerie verslag uitbrengen over zijn werkzaamheden. (Overgangsbepaling).

Art. 10. Daar er thans geen prorector bestaat, komt in dezes plaats een tiende lid, dat onder de in dienst zijnde en emeriti professoren der Universiteit en de daarbij bestaande Hogere Scholen door de regering te benoemen is.

Art. 11. Deze verordening treedt met ingang van 1 januari 1918 in werking.

Brussel, den 21 februari 1918,

No. 23. - 9. maart 1918.

Verordening betreffende den Raad van Beheer der Universiteit te Gent.

Ter uitvoering der verordening van 25 oktober 1917 betreffende de rechtspersoonlijkheid van de Universiteit te Gent, bepaal ik het navolgende:

Art. 1. De in artikel 2 van genoemde verordening bedoelde Raad van Beheer der Universiteit te Gent is samengesteld uit: den rector, den laatste, nog in dienst zijnde ambtsvoorganger van den rector (den „prorector'') en vier andere vertegenwoordigers van het professorenkorps der Universiteit en der daarbij bestaande Hogere Scholen. De Raad van Beheer kan zijn ledental, door aanvullende verkiezing van personen, die zich inzake de bevordering van de belangen der Vlaamse Universiteit vooral verdienstelijk hebben gemaakt, of wier medewerking in den Raad van Beheer voor de ontwikkeling der Universiteit bijzonder waardevol blijkt te zijn, tot op negen brengen.

Art. 2. Met uitzondering van den rector en van den prorector, worden de vertegenwoordigers van het professorenkorps voor drie jaar verkozen door al de professoren der Universiteit en der daarbij bestaande Hogere Scholen. Bij de verkiezingen wordt er op gelet, dat voor de verschillende belangen een billijke vertegenwoordiging tot stand komen, leder jaar treden twee vertegenwoordigers van het professorenkorps, in overeenstemming met een door het huishoudelijk reglement vast te stellen regel, af, Er zal alsdan tot aanvullende verkiezingen worden overgegaan.

Het mandaat van de door den Raad van Beheer, overeenkomstig artikel 1, gekozen leden is eveneens voor den duur van drie jaar geldig. Aftredende leden zijn herkiesbaar.

Art. 3. Al de verkiezingen in den Raad van Beheer gedaan, zijn aan de bekrachtiging der regering onderworpen.

Art. 4. De rector roept den Raad van Beheer bijeen en neemt het voorzitterschap er van waar. De leden verkiezen een bestendig plaatsvervangend voorzitter. De Raad van Beheer neemt besluiten hij meerderheid van stemmen. Staken de stemmen, dan beslist de stem van den voorzitter. Voor het nemen van geldige besluiten door den Raad van Beheer is de aanwezigheid van meer dan de helft zijner leden vereist.

Art. 5. Aan den Raad van Beheer wordt een bezoldigd zaakwaarnemend ambtenaar toegevoegd als „secretaris van den Raad van Beheer'' die door de regering, Raad van Beheer gehoord, benoemd wordt. De secretaris van den Raad van Beheer woont de zittingen hij als raadgevend lid en maakt het verslag er van op. Hij moet de lopende beheerszaken afdoen; voor het overige worden zijn ambtsverrichtingen door het huishoudelijk reglement geregeld.

Art. 6. De Raad van Beheer stelt een huishoudelijk reglement voor zijn werkzaamheden vast, dat aan de goedkeuring der regering onderworpen is.

Art. 7. Over iedere vergadering van den Raad van Beheer is verslag op te maken dat, voorgelezen en goedgekeurd, door den voorzitter en den secretaris ondertekend wordt.

Art. 8. Voor rechtsakten van den Raad van Beheer, waardoor voor de Universiteit rechten gevestigd of verplichtingen aangegaan worden, is de handtekening van den voorzitter of van zijn plaatsvervanger, alsook de medeondertekening van den secretaris van den Raad van Beheer (in geval de secretaris verhinderd is, van een daartoe aangeduid lid van dien raad) vereist en voldoende.

Art. 9. De Raad van Beheer doet eenmaal in 2 jaar rekening en verantwoording aan de regering en moet daar te dien einde desgewenst inzage van zijn zakenboeken geven. In bijzondere gevallen kan de regering eveneens buitentijds rekening en verantwoording vorderen.

Art. 10. De regering heeft recht van toezicht over de werkzaamheden van den Raad van Beheer. Het toezicht wordt enkel uitgeoefend om er over te waken, dat de Raad van Beheer het vermogen, waarover hij recht van beschikking heeft, uitsluitend gebruikt in het belang der Universiteit als Vlaamse Hogeschool en dat hij zich in alle bijzonderheden aan de bepalingen houdt, die telkenmale voor de aan de Universiteit vermaakte schenkingen verbonden zijn. De regering kan den Raad van Beheer ontbinden, wan neer deze maatregelen neemt in strijd met de grondbeginselen, die voor het gebruik van het vermogen gelden. In dit geval moet aanstonds een nieuwe Raad van Beheer gevormd worden overeenkomstig artikelen 1 en 8.

Art. 11. De Raad van Beheer is gehouden, het College van Curatoren der Universiteit te Gent op de hoogte te houden van zijn maatregelen, die de Universiteit rechtstreeks betreffen en, inzonderheid, een nauwkeurig plan omtrent de ligging van de door hem aangeworven percelen mede te delen. Bij belangrijke beslissingen, inzonderheid inzake de aanwerving van percelen of inzake de oprichting en de uitbreiding van instellingen ten behoeve van het onderwijs en van wetenschappelijke navorsingen mag hij eerst een besluit nemen, na het College van Curatoren te hebben gehoord. (Overgangsbepaling).

Art. 12. Daar er thans geen prorector bestaat, komt in dezes plaats een ander, overeenkomstig artikel 2 te verkiezen vertegenwoordiger van het professorenkorps. Brussel, den 21 februari 1918.

No. 23. - 9. maart 1918.

Beschikking.

Art. 1. De hierna vermelde personen worden benoemd tot leden van de jury, die voor het lopenjaar belast is met het afnemen van het examen van lerares in de huishoudkunde bij het middelhaar onderwijs: Mevrouw Sondervorst-Verhuyck, opzienster van het huishoudkundig onderwijs aan de middelbare scholen (voorzitster), Mevrouw Schram-Van de Wall, lerares te Schaarbeek, Mevrouw De Muyter-Van de Wiele, opzienster van het vakonderwijs, te Laken, Juffrouw Brabants, Bosa, bestuurster van de Rijks middelbare meisjesschool, te Lier, De heer Dr. jurist Van Acker, K, leraar aan de Rijks middelbare normaalschool te Brussel.

Art. 2. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschef) voor Vlaanderen is bevoegd afwezige leden te doen vervangen en de jury aan te vullen.

Art. 3. De jury duidt onder haar leden een secretaresse aan.

Art. 4. De voorzitster van de jury moet de leden van de jury en de kandidaten ter zitting oproepen.

Art. 5. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur voor Vlaanderen is met de uitvoering van deze beschikking belast.

Brussel, den 23n februari 1918.

No. 24. - 11. maart 1918.

Verordening omtrent de Nederlandse Voertaal in de uit openbare middelen ondersteunde Kunstscholen in Vlaanderen.

Art. 1. De verordening van 13 december 1917, omtrent de Nederlandse voertaal in de uit openbare middelen ondersteunde vakscholen in Vlaanderen, is eveneens toepasselijk op de kunst- en kunstvakscholen, inzonderheid op de academiën en tekenscholen, conservatoriums en muziekscholen.

Art. 2. Deze verordening treedt met ingang van 1 maart 1918 in werking.

Brussel, den 21n februari 1918.

No. 24. - 11. maart 1918.

Verordening betreffende het verkeer van reizigers.

1. Wie uit het arrondissement Philippeville uit het gedeelte van het arrondissement Dinant, gelegen bezuiden den spoorweg Sasoye—Yvoir—Leignon—grenspunt tussen de arrondissementen Dinant en Marche, alsook uit het arrondissement Neuf château, met om even welk verkeermiddel of te voet naar de andere streken van het Generaal-Gouvernement wil reizen, moet daartoe tot nader bericht behalve zijn eenzelvigheidsbewijs een reisverlof (Verkehrsschein) hebben. De „Kreischef' of de plaatselijke commandant (Ortskommandant) , handelde in opdracht en onder de verantwoordelijkheid van den,Kreischef is bevoegd bedoeld reisverlof af te lever en.

2. Wie uit het gebied waar geen pasdwang bestaat, naar het onder 1 aangeduid gebied wil reizen om aldaar in een plaats verblijf te nemen, moet daartoe tot nader bericht de voorafgaandelijke toelating van den voor het eindpunt van de reis bevoegden „Kreischef' en een reisverlof hebben. De paskantoren (Passbiiros) van het Generaal-Gouvernement zijn bevoegd bedoeld reisverlof af te leveren. leder aangekomen reiziger moet zich terstond bij den plaatselijke commandant aanmelden. Wie voor het van kracht worden van vorenstaande bepaling reeds in het betroffen gebied aangekomen is, moet dit binnen 24 uren verlaten.

 3. Wie binnen het hiervoren aangeduid afgezonderd gebied, van uit een der opgesomde arrondissementen naar de andere wil reizen, moet eveneens voorzien zijn van zijn eenzelvigheidsbewijs en van een reisverlof.

4. Reisverloven, die niet meer geldig zijn, moeten door de bezitters bij het kantoor van afgifte binnengeleverd worden, en wel:

a) wanneer het verlof voor de heen- en terugreis afgeleverd werd, onmiddellijk na het verstrijken van den geldigheidsduur of, zo de reis vroeger geëindigd is, terstond na de terugkomst;

b) wanneer het alleen voor de heenreis gold, door de post binnen 10 dagen na het verstrijken van den geldigheidsduur.

 5. In het aangeduid gebied mag niemand na het invallen van de duisternis de omgeving ener plaats overschrijden. Overtreders zijn aan te houden en op de plaatselijke Kommandantur te brengen.

6. Overtredingen van vorenstaande bepalingen worden, zover geen andere zwaardere strafbepalingen toepasselijk zijn het hechtenis of met ten hoogste 3 jaar gevangenis of met ten hoogste 20.000 mark boete gestraft. Boete en gevangenisstraf kunnen ook tegelijk worden uitgesproken. De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.

 7. Vorenstaande verordening wordt op den dag hare aanplakking van kracht. Brussel, den 8n maart 1918.

No. 25. - 14. maart 1918.

Verordening voor de inrichting van een mijnbouwkundige afdeling aan de Technische Scholen bij de Universiteit te Gent. Gezien de wet van 10 april 18903 juli 1891, betreffende de academische graden en diploma's, alsook ter uitbreiding van de besluiten van 25 en 30 januari 1897, aangaande de Technische Scholen, toegevoegd aan de Universiteit te Gent, bepaal ik het navolgende:

Art. 1. Aan de School voor Burgerlijke Bouwkunde bij de Universiteit te Gent worden, ten behoeve van de studie in de mijnbouwkunde, de nodige inrichtingen tot stand gebracht.

Art. 2. De Universiteit te Gent verkrijgt terzelfder tijd het recht, den wettelijke graad van burgerlijk mijningenieur te verlenen.

Art. 3. Om tot het examen ter verkrijging van den wettelijke graad van burgerlijk mijningenieur te worden toegelaten, moet men vooraf den wettelijke graad van kandidaat-ingenieur verworven hebben.

Art. 4. Het examen zelf looft over de onderstaande vakken: Toegepaste mechanica (toegepaste kinematika, hydraulica, theorie der bouwconstructies, berekening van het arbeidsvermogen der werktuigen),

Beschrijving, bouw en toepassing der werktuigen, Technische natuurkunde, Technische scheikunde, Analytische scheikunde, inzonderheid analyse van minerale stoffen, Delfstofkunde, aardkunde en beginselen der paleontologie, Landmeten en waterpassen, Spoorwegwezen, Elektriciteitsleer en haar toepassing in de techniek, Mijnwezen, Metallurgie, Fabrieks- en werkplaatsenbouw, Handels- en economische aardrijkskunde, Staathuishoudkunde, Administratief recht, inzonderheid mijnrecht, en nijverheidswetgeving. Bovendien heeft een praktisch examen plaats in de analytische en in de technische scheikunde en zijn hij ieder examengedeelte grafische werken uit te voeren over de leerstof van dit gedeelte. De studiën in de hierboven opgenoemde vakken omvatten ten minste drie jaar. Het examen zelf wordt in drie gedeelten gesplitst.

Art. 5. Krachtens artikel 6 der wet van 15 juli 1849 is de Universiteit ie Gent bevoegd den wetenschappelijke graad van burgerlijk mijningenieur en van mijningenieur te verlenen.

Art. 6. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschef) voor Vlaanderen is met de uitvoering van deze verordening belast.

Brussel, den 21n februari 1918.

 

No. 25. - 14. maart 1918.

Beschikking.

Art. 1. Voor de overeenkomstig het koninklijk besluit van 21 september 1884 (gewijzigd bij verordening van 23 augustus 1917) gehouden onderwijzers- en onderwijzeressenexamens, worden twee onderscheiden jury's ingesteld:

Art. 2. Deze jury' s zijn als volgt samengesteld:

1. De jury, die belast is met het afnemen van het onderwijzersexamen m het gebied van het Generaal-Gouvernement en die hun zetel te Brussel heeft, bestaat uit,

de heren Delpire, gepensioneerd leraar van de Rijksnormaalschool, te Laken (voorzitter) Abeele, opziener van de normaalscholen, te Schaarbeek;

Dumortier, hoofdopziener van de lagere scholen, te Leuven;

Bouts kantonnaal schoolopziener van de lagere scholen, te Vilvoorde;

Voortmans, schoolopziener bij het vrij onderwijs, te Opgrimbi.

De jury houdt haar eerste zitting in den loop der maand maart 1918.

2. De jury, die belast is met het afnemen van het onderwijzeressenexamen in het gebied van het Generaal Gouvernement en die haar zetel heeft te Brussel, bestaat uit:

de heren Brans, gepensioneerd leraar, te Evere (voorzitter);

Vanderperren, hoofdopziener van de lagere scholen, te Mechelen;

Demeyer, hoofdopziener van de lagere scholen, te Antwerpen;

Sak, hoofdopziener bij het vrij onderwijs, te Hechtel;

Vandenweghe, kantonnaal schoolopziener, te Halle.

3. De jury, die belast is met het afnemen van het onderwijzersexamen in het Etappen- en Operatiegebied en die haar zetel heeft te Gent, bestaat uit:

de heren Desmet, ereopziener van het lager onderwijs, te Ledeberg (voorzitter);

Van Caeneghem, hoofdopziener te Gent;

Van de Velde, kantonnaal schoolopziener, te Gent;

Van Overstraeten, kantonnaal schoolopziener, te Aalst;

Van Toortelboom, kantonnaal schoolopziener, te Eeklo.

4. De jury, die belast is met het afnemen van het onderwijzeressenexamen in het Etappen- en Operatiegebied en die haar zetel heeft te Gent, bestaat uit:

de Heren Minnaert, ereleraar van de normaalschool te Gent (voorzitter);

Loos, hoofdschoolopziener, te Aalst;

Claeys, kantonnaal schoolopziener, te Ledeberg;

Callant, kantonnaal schoolopziener te Gent;

Gheysen kantonnaal schoolopziener, te Drongen.

Art. 3. De voorzitter van de jury moet de kandidaten bijtijds oproepen.

Art. 4. Het ministerie van Wetenschappen en Kunsten zal de verdere uitvoeringsmaatregelen treffen.

Brussel, den 28 februari 1918.

No. 26. - 17. maart 1918.

 

Beschikking. Art 1. De verbeteringsraad voor het lager onderwijs in Vlaanderen is als volgt samengesteld:

Mevrouw TSjoen, bestuurster van de Rijksmiddelbare Normaalschool voor onderwijzeressen te Brussel;

De heren Verachtert, Everardus, bestuurder van de Rijksmiddelbare Jongensschool te Mechelen;

Verschoren, Frans, bestuurder van de Rijksmiddelbare Jongensschool te Turnhout; Lambrechts, Gustaaf, leraar aan de Rijksmiddelbare Normaalschool voor Jongens te Gent Mevrouw De Vreese-Martens, opzienster van de lagere normaalscholen;

De heren Abeele, opziener van de lagere normaalscholen, als secretaris;

Loos, hoofdopziener van het lager onderwijs, te Aalst;

Voortmans, opziener bij het vrij onderwijs, te Opgrimbi;

Bossaerts, August, gemeenteonderwijzer, te Antwerpen.

 

Art. 2. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschef) voor Vlaanderen is met de uitvoering van deze beschikking belast.

Brussel, den 19n januari 1918.

 

No. 26. - 17. maart 1918.

Beschikking. Ter uitvoering der verordening van 21 februari 1918 van den heer Generaal Gouverneur, omtrent de Nederlandse voertaal in de uit openbare middelen ondersteunde kunstscholen in Vlaanderen, bepaal ik het navolgende:

Art. 1. De bestuurders der in de verordening van 21 februari 1918 bedoelde kunstscholen, die een ondersteuning van om het even welken aard uit openbare middelen aanvragen, moeten bij hun aanvraag een getuigschrift voegen van het ministerie van Wetenschappen en Kunsten waaruit blijkt, dat hun scholen voldoen aan de eisen gesteld in artikel 1 der verordening van 13 december 1917 (Wet- en Verordeningsblad, bl. 4893).

Art. 2. De getuigschriften worden opgemaakt voor den duur van een dienstjaar, en wel voor de eerste maal van 1 maart 1918 tot 31 december 1918.

Deze getuigschriften moeten de schoolbestuurders en de aan de betrokken school aangenomen leraars bij naam vermelden. Veranderingen van bestuurder en van leraars moeten onmiddellijk ter kennis van het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten worden gebracht.

Brussel, den 4 maart 1918.

 

No. 26. - 17. maart 1918.

Zijn benoemd bij besluit van den heer Generaal Gouverneur: van 31 januari 1918, de heer Van Lancker Albrecht, bediende bij de griffie van de rechtbank van In aanleg te Gent, tot toegevoegd-griffier bij de politierechtbank te Antwerpen, ter vervanging van den heer Janssens, die tot griffier is benoemd hij het vredegerecht van het kanton Berchem. van 31 januari 1918, de heer klasseuw, Edward, kandidaat deurwaarder te Gent, tot griffier hij het vredegerecht van het 2e kanton te Antwerpen, ter vervanging van wijlen den heer Swenne. van 16 februari 1918, de heer van Hoecke, G, A, bouwmeester te Elsene, tot opziener van de gebouwen van 's Rijksstrafinrichtingen.

Brussel, den 6 maart 1918.

 

No. 26. - 17. maart 1918.

Bekendmaking betreffende de liquidatie van Franse ondernemingen. Met toestemming van den heer Generaal Gouverneur in België, heb ik, overeenkomstig de verordeningen van 29 augustus 1916 en van 15 april 1917, over de liquidaties van vijandelijke ondernemingen (Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, nr. 253 van 13 september 1916 en nr. 335 van 19 april 1917), de liquidatie bevolen van de deelhebbing van den heer Kamiel Fischer aan de firma „Fischer Freres", te Brussel. De heer J. Welker Oude Kleerkopers-straat 24, te Brussel, is tot liquidator benoemd De liquidator verstrekt nadere inlichtingen. Brussel, den 7 maart 1918.

No. 26. - 17. maart 1918.

Bekendmaking betreffende de liquidatie van Britse ondernemingen. Met toestemming van den heer Generaal Gouverneur in België, heb ik, overeenkomstig de verordening van 29 augustus 1916, over de liquidaties van Britse ondernemingen (verschenen in No. 253 van 13 september 1916 van het Wet en Verordeningsblad voor de bezette streken van België), de liquidatie bevolen

1) van het in België voorhanden zijnde vermogen der firma John Martin e Co, te Antwerpen,

2) van het in Antwerpen, Everaertstraat 105, gelegen nijverheidsperceel van den Engelsman John Martin.

De heer Dr. Ochwadt, Meir 14, te Antwerpen, is tot liquidator benoemd. De liquidator verstrekt nadere inlichtingen.

Brussel, den 8 maart 1918,

No. 26. - 17. maart 1918.

Beschikking. Enig artikel. Gezien artikel 3 der verordening van 21 februari 1918 — betreffende den Raad van Beheer der Universiteit te Gent, bekrachtig ik hierbij de op 1 maart 1918 gehouden verkiezing der professoren C. De Bruyker, D. De Vries Reilingh, L. Dosfel, B. Speleers, E. P. Van den Berghe tot leden van den Raad van Beheer der Universiteit

Brussel, den 9 maart 1918

No. 26. - 17. maart 1918.

Bekendmaking betreffende pasdwang (voor het ganse gebied van het Generaal Gouvernement). Onder wijziging der bepalingen op het paswezen, wordt met ingang van 15 maart 1918 tot nader bericht het reizen naar het gedeelte van het arrondissement Doornik, dat ten Oosten van de spoorlijn Ronse-Leuze-Peruwelz gelegen is, naar de arrondissementen Ath en Bergen, alsmede naar het gedeelte van het arrondissement Zinnik, dat ten Westen der lijn gaande van de gemeente Bever (niet er bij begrepen) tot de gemeente Bois-de-Lessines (er bij begrepen) gelegen is, aan den pasdwang onderworpen. Overtredingen worden overeenkomstig de strafbepalingen van de voorschriften op het paswezen gestraft. 

Brussel, den 10 maart 1918.

No. 27. - 19. maart 1918.

Bekendmaking betreffende de liquidatie van Franse ondernemingen. De Heer Rechtsanwalt Dr. Probst, Bankabteilung Wetstraat 28 te Brussel, is, ter vervanging van den heer Edmund Wilherg, tot liquidator benoemd van de in België voorhanden zijnde Franse deelhebbingen aan de Vega Societe Anonyme Roumaine pour le Raffinage du Petrole Vega Rumànische Petroleum-Raffinerie-Aktiengesell' schaft, te Boekarest,

Brussel, den 8 maart 1918.

No. 27. - 19. maart 1918.

Bekendmaking betreffende de ongeldigheidverklaring van verloren geraakte bewjjskaarten voor inbeslagnemingen (Ausweiskarten fur Beschlagnahmen). Volgende bewijskaarten voor inbeslagnemingen:

1. Ausweiskarte No. 07317 des Militar-Kontrolleurs No. 27. - 19. maart 1918. 241 Magar (Provinzial-Ernte-Kommission der Provinz Limburg in Hasselt),

2. Ausweiskarte No. 13807 des Landsturmmannes Paul K àseher g (3. Komp. Landsturm-Inf.-Batl. MûlheimRuhr [VIIÔ9]),

3. Aitsweiskarte No. 14132 des Gefreiten Opp ens (1. Komp. Landsturm-Inf.-Batl. Schwerin),

4. Ausweiskarte No. 12542 des Lehensmittelkontrolleurs Heinrich Alert mm Zwilkommissar heim Kaiserl. Kreischef Brussel-Land,

5. Ausweiskarte No. 03148 des Landsturmmannes Stephan Jankowiak 

6. Arheits-Komp., Stahsoffz. der Fuss-Artl. beim General-gouvernement in Belgien),

 

zijn verloren geraakt en ongeldig verklaard. Vorenstaande mededeling wordt hierbij ter algemene kennis gebracht.

Brussel, den 10 maart 1918.

No. 28. - 22. maart 1918.

Verordening ter bescherming van aandeelhouders van Belgische maatschappijen.

1. In geval houders van aandelen, alsook van genotsaandelen van maatschappijen, die haar zetel binnen het gebied van het Generaal Gouvernement in België hebben, de beschikking over hun titels, tegen hun wil, ten gevolge van maatregelen der met Duitsland in oorlog zijnde regeringen hebben verloren, kan de Generaal Commissaris voor de banken (Generalkommissar fur die Banken) den bezitter op diens aanvraag een bewijsstuk afleveren, dat hem machtigt al de rechten te doen gelden, voor welker uitoefening hij deze aandelen of de daaraan gehechte winstaandeelkoepons of de vernieuwingsbladen zou moeten overleggen of inleveren. Dat bewijsstuk geeft inzonderheid het recht, van de maatschappij te verlangen, dat zij de tot dusver geldige titels aan toonder zou vervangen door titels op naam, in zover de omzetting van titels aan toonder in titels op naam wettelijk en door de statuten der maatschappij toegelaten is. De Generaal Commissaris voor de banken bepaalt welke inlichtingen de steller ener aanvraag te doen heeft en welke bewijsstukken daarbij over te leggen zijn. Alvorens het bewijsstuk af te leveren, kan hij een waarborg verlangen, waarvan hij den aard en de voorwaarden der teruggave bepaalt, ]

2. Het bewijsstuk vervangt de aandelen alsook de genotsaandelen. Het kan desgewenst opgemaakt worden als gezamenlijk bewijs voor een zeker aantal aandelen. Het bevat de vermelding, dat de aandelen, die het vervangt, al de daaraan verbonden rechten hebben verloren. De prestaties der maatschappij krachtens het bewijsstuk gedaan, ontslagen haar tegenover iedere derden bezitter, onder voorbehoud der rechten die deze laatste ten laste van den aanvrager zou kunnen doen gelden. De bewijsstukken en de aandelen op naam overeenkomstig nr. 1 afgeleverd ter vervanging van de aandelen aan toonder of van de genotsaandelen, mogen gedurende 3 jaar, ingaande den dag der aflevering, alleen met de toelating van den Generaal Commissaris voor de banken afgestaan worden, tenzij de aanvrager de aandelen, waarvoor het bewijsstuk afgeleverd is, aan de maatschappij teruggeeft.

3. Bij de aflevering van het bewijsstuk verbiedt de Generaal Commissaris voor de banken terzelfder tijd de maatschappij om het even welke prestatie te doen ten voordele van den houder der aandelen, waarvoor het bewijsstuk opgemaakt is. De maatschappij is verplicht de aandelen of de daarbij behorende winst aandeelkoepons en vernieuwingsbladen, die haar zouden aangeboden worden, tegen kwijtschrift in te houden en er den Generaal Commissaris voor de banken verslag over te doen. Dit verbod geldt niet voor de betaling van winstaandeelcoupons, die voor de uitvaardiging van het verbod vervallen waren.

4. De afgifte van een bewijsstuk wordt met nauwkeurige aanduiding van de aandelen, waarvoor het afgeleverd is en op kosten van den aanvrager, bekendgemaakt in het Wet en Verordeningsblad voor Vlaanderen en voor Wallonië. Deze bekendmaking zal tevens vermelden, dat op de betrokken aandelen geen rechten meer kunnen geldend gemaakt worden.

5. Indien een derde persoon den Generaal Commissaris voor de banken de aandelen overlegt, waarvoor een bewijsstuk is afgeleverd, dient dit ter kennis van den aanvrager te worden gebracht. Kunnen deze derde persoon en de aanvrager het niet eens worden, dan stelt de Generaal Commissaris voor de banken een termijn vast, binnen de welke de derde persoon een aanklacht moet indienen tegen den aanvrager. De Generaal Commissaris voor de banken kan, nadat de klacht is ingediend, de maatschappij hevelen al de prestaties in geld, die krachtens het bewijsstuk te doen zijn. ten voordele van de winnende partij in bewaargeving te storten. Hij kan eveneens bevelen dat, zolang geen uitvoerbaar vonnis is geveld, het stemrecht, verleend door het afgeleverd bewijsstuk, niet mag uitgeoefend worden.

6. De Generaal Commissaris voor de banken is gerechtigd, uitvoeringsbepalingen tot deze verordening uit te vaardigen,

Brussel, den 18 februari 1918,

No. 28. - 22. maart 1918.


Bekendmaking. Overeenkomstig artikel 7 der verordening van 27 maart 1916 van het Generaal Gouvernement, betreffende den verkoop van kunstmeststoffen, is de prijs voor in België af te zetten Rhenania-fosfaat te rekenen van 1 maart 1918 vastgesteld op 12,50 fr. in plaats van 10,90 fr, per 100 kg. los verzonden uit Obourg.

Brussel, den 4 maart 1918.

No. 28. - 22. maart 1918.

Verordening houdende verlening van de rechtspersoonlijkheid aan den stichtingsraad der Algemene Duitse School te Antwerpen.

Art. 1. De stichtingsraad der Algemene Duitse School te Antwerpen wordt met de rechten van een rechtspersoon bekleed.

Art. 2. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschef) voor Vlaanderen is met de uitvoering van deze verordening belast,

Brussel den 9 maart 1918.

No. 28. - 22. maart 1918.

Verordening houdende toekenning een vergoeding voor verblijfkosten aan kantonnale schoolopzieners. Onder wijziging van het koninklijk besluit van 28 mei 1912, verorden ik, met werking ingaande op 1 januari 1918, het navolgende:

Art. 1. Aan de opzieners van de schoolkantons Antwerpen-Noord, Antwerpen-Zuid, Brussel, Elsene, Gent Oost, Gent West, Sint-Joost-ten-Node en Sint-Gillis wordt een driemaandelijkse vergoeding voor verblijfkosten ten bedrage van 225 frank toegekend.

Art. 2. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschef) voor Vlaanderen is met de uitvoering van deze verordening belast.

Brussel, den 9 maart 1918.

No. 28. - 22, maart 1918.

Bekendmaking betreffende de liquidatie van Franse ondernemingen. Met toestemming van den heer Generaal Gouverneur in België, heb ik, overeenkomstig de verordeningen van 29 augustus 1916 en van 15 april 1917, over de liquidaties van vijandelijke ondernemingen (Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, Nr, 253 van 13 september 1916 en Nr 335 van 19 april 1917), de liquidatie bevolen van het in België voorhanden zijnde vermogen van de weduwe Niguet te Antwerpen haar industriële eigendommen). De heer Dr. Ochwadt, Meir 14, te Antwerpen, is tot liquidator benoemd. De liquidator verstrekt nadere inlichtingen.

Brussel, den 15 maart 1918.

No. 28. - 22. maart 1918.

Te rekenen van 11 maart 1918 blijven de burelen van het Grootboek der Openbare Schuld tot nader bericht gesloten.

Brussel 15 maart 1918,

No. 29. - 25. maart 1918.

Bekendmaking. Bij verordening van 2 maart 1918 van den heer Generaal Gouverneur in België zijn benoemd:

a) met ingang van 1 februari 1918 tot bureeloverste bij het Hoofd beheer van Posterijen voor Vlaanderen, de heer H. J. M. Spoelbergh, klerk le klasse;

b) met ingang van 1 januari 1918 tot hoofdklerk bij den dienst der Spaarkas van het Beheer van Posterijen en Telegrafen, de heer G. E Petitjean, klerk 

c) met ingang van 1 oktober 1917 tot bureelonderoverste bij den Postcheckdienst, de heer O. I. I. Bebucq tot hoofdklerk, alle te Brussel.

Brussel, den 2 maart 1918.

No. 29. - 25. maart 1918.

Besluit. De Voorzitter van het Keizerlijk Duits Beheer van Posterijen en Telegrafen in België, die met de waarneming der rechten en verplichtingen van den Belgischen minister van Zeewezen, Posterijen en Telegrafen belast is, besluit:

Art 1. Met ingang van 14 januari 1918 is bij het Algemeen Secretariaat van Zeewezen, Posterijen en Telegrafen te Brussel benoemd tot machineschrijfster juffrouw E. H. Beetemé, te Brussel.

Brussel, den 2 maart 1918.

No. 29. - 25. maart 1918.

Benoemingen door den heer Generaal Gouverneur gedaan. Zie Duits. Brussel, den 5 maart 1918.

Emennungen, die vom Hern Generalgouvemeur verfûgt worden sind :

Namen Zum Datum

1 Meulemans, Arthur, Inspektor fur Musik in den staatlichen mittleren Unterrichtsanstalten und den staatlichen und ubernommenen niederen Normalschulen. 13. 10.1917  459

2 Huysmans, J., Kreisschulinspektor 3. Klasse 6.12.1917 1820

3 Simeons, C., Kreisschulinspektor 3. Klasse 6. 12.1917 1824

4 Brabants, Fr., Inspektor des mittleren Unterrichtes. 6. 12.1917  2406

5 De Paepe, Kreisschulinspektor 3. Klasse. 13. 12.1917  4685

6 De Vreese, Direktor der Kôniglichen Bibliothek. 15. 12.1917 3013

7 Dendal, F. M. G., Biireauchef im Ministerium fur Wissenschaft und Kunst. 31. 12.1917 3004

8 Dr. Bertijn, Bureauchef im Ministerium fur Wissenschaft und Kunst. 31. 12.1917 3004

9 Wotquenne, Konservator an der Kônigchen Bibhothek in 10.01.1918. 3228

Brussel, den 5. Màrz 1918.

No. 29. - 25. maart 1918.

Beschikking houdende instelling van een leergang in de Nederlandse uitspraak. Gedurende het aanstaande Paasverlof wordt in de Rijksnormaalschool te Brussel een leergang in de beschaafde Nederlandse uitspraak gegeven voor de leraars en leraressen der Rijks- en aangenomen normaalscholen van het Generaal Gouvernement: De leerkrachten van aangenomen normaalscholen, die den leergang volgen, hebben recht of dezelfde reis- en verblijfkosten als de leden van het onderwijzend personeel der Rijksnormaalscholen.

Brussel, den 13 maart 1918,

No. 29. - 25. maart 1918.

Verordening.

Art. 1. Ten einde de regeling mogelijk te maken van schuldvorderingen, die betrekking hebben op het dienstjaar 1916 en op vroegere dienstjaren, worden rijkskredieten verleend ten gezamenlijke bedrage van vijfhonderd en zesduizend zevenhonderd zes en negentig frank (fr. 506. 796), welke in te lassen zijn in de begrotingen voor de eerste helft van het dienstjaar 1917, te weten:

A. Op de begroting van het ministerie van Wetenschappen en Kunsten onder artikel 5 (Reis- en Verblijfkosten) fr. 360 „ „ 13 (Koninklijke Academie van Wetenschappen, letteren en schone kunsten van België) „ 100 „ „ 29 (Beheerskosten der Universiteiten) „ 38.000 „ „ 44 (Normaalscholen van den middelbaren graad) „ Z.408 „ „ 46 (Examenjury'' s van het middelhaar onderwijs: reiskosten, enz.) „ 3.000 „ „ 47 (Examenjury' 8 van het middelhaar onderwijs: beheerskosten) „ 200 „ „ 69 (Toelagen voor het hoger onderwijs) „ 335.000 256 „ „ Tl (Aanvullende toelagen en buitengewone toelagen te verlenen in geheel bijzondere geschillen, bij toepassing van de organieke wet op het lager onderwijs. (Onbepaald krediet) „ 60.000 „ - 77 (Aandeel van den Staat in de kosten van het godsdienstonderwijs) „ 35 „ „ 78 (Dienst der bewaarscholen en kinderkribben) „ 45.492 „ „ 97 (Beheerskosten voor het museum van het Jubelpark) „ 3.300 „ „ 102 (Koninklijke Commissie voor de Monumenten, aanwezigheidspenningen, enz. ) 1 „ 5. 400 „ „ 103 (Id. Reiskosten, enz.) „ 1.000 „ „ 113& (Onderhoud der universiteiten). . „ 5.000

B. Op de begroting van het ministerie van Landbouw en Openbare Werken,

Tabel A (Diensten van Landbouw) onder

artikel 34 (Hogere raad der bossen) r. 272 „ „ 5

Onderhoud der Staatsbossen). . „ 1.168 „ „ 48

Braakland en domeinbossen: Bebossing, gezondmaking, aanlegging van ruimingswegen) „ 5. 061

Art» 2, De in artikel 1 verleende aanvullende kredieten zijn door de gewone ontvangsten der begroting te dekken.

Art. 3. Deze verordening treedt den dag haar afkondiging in werking.

Brussel den 14 maart 1918.

No. 29. - 25. maart 1918.

Bekendmaking. '' Op grond mijner verordening van 19 juli 1917, betreffende de Oogstkommissies (Ernte-Kommissionen), evenals der uitvoeringsbepalingen van 19 juli 1917 tot deze verordening, heb ik, op voorstel der centrale Oogstkommissie (Zentral-Ernte-Kommission), de hoogste prijzen voor den verkoop van gedorst koren, meel, zemelen en brood voorshands als volgt vastgesteld :

voor tarwe (mengtarwe) uit stapelplaats of molen geleverd frank 73.84 per 100 kg,

- rogge (inlandse) uit stapelplaats of molen geleverd „ 38,20

masteluin uit stapelplaats of molen geleverd „ 40,49

ongepelde spelt uit stapelplaats of molen geleverd – 36,71

zemelen uit stapelplaats of molen geleverd „ 21,50

tarwemeel aan bakkers of verbruikers geleverd „ 82,73

roggemeel aan bakkers of verbruikers geleverd „ 45,99

masteluinmeel aan bakkers of verbruikers geleverd „ 48,35

tarwebrood aan verbruikers geleverd 0,69

Deze hoogste prijzen worden op 1 april 1918 van kracht. De provinciale Oogstkommissies (Provinzial-Ernte-Kommissionen) zijn bevoegd, voor de omschrijving van afzonderlijke gemeenten, op verzoek of na raadpleging van de burgemeesters, telkens een lageren hoogstenprijs voor brood, tot het bereiden waarvan roggemeel wordt gebruikt, vast te stellen.

Voor den verkoop van koren door de verbouwers aan het Nationaal Hulp- en Voedingskomiteit, blijven de hoogste prijzen, vastgesteld in de uitvoeringsbepalingen tot de verordening van 19 juli 1917, betreffende de Oogstkommissies, van kracht. Brussel den 14n maart 1918

No. 29. - 25. maart 1918..

Beschikking. Ter vervanging van juffrouw Brabants, bestuurster van de Rijks middelbare meisjesschool te Lier, om gezondheidsredenen ontslagen van de deelneming aan de hij beschikking Illa, 1050 van 23 februari 1918 van den heer Generaal-Gouverneur ingestelde jury voor het afnemen der examens in de huishoudkunde, is benoemd tot lid van de jury mevrouw Steygers-Lotens, plaatsvervangende bestuurster van de Rijks middelbare meisjesschool te Laken.

Brussel, den 14 maart 1918.

No. 29. - 25. maart 1918.

Bekendmaking betreffende de liquidatie van Franse ondernemingen. Met toestemming van den heer Gouverneur Generaal in België, heb ik, overeenkomstig de verordeningen van 29 augustus 1916 en van 15 april 1917, over de liquidaties van vijandelijke ondernemingen (Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, nr 253 van 13 september 1916 en nr 335 van 19 april 1917), de liquidatie bevolen van het in België voorhanden zijnde vermogen van de firma Maison Erard de Paris, Blondel & Co, Suce, Manufacture de Pianos', te Brussel. De heer luitenant Maas, Oude Kleerkoopersstraat 24, te Brussel, is tot liquidator benoemd. De liquidator verstrekt nadere inlichtingen.

Brussel, den 19 maart 1918.

No. 30. - 26. maart 1918.

Verordening houdende regeling van het geldwezen van het Vlaams en het Waals bestuursgebied.

 

Art. 1, De geldmiddelen van het Vlaams en het Waals bestuursgebied worden met ingang van 1 januari 1918 afzonderlijk beheerd. Van af dien dag zal ieder der twee bestuursgebieden zijn staatsinkomsten zelfstandig heffen en beheren en ze gebruiken overeenkomstig de hiernavolgende bepalingen. Voor ieder der twee bestuursgebieden wordt van af 1 januari 1918 een afzonderlijke begroting opgemaakt. De van af dien dag ontstaande ontvangsten en uitgaven worden voor ieder bestuursgebied afzonderlijk geboekt en verrekend.

 

Art. 2. Onder wijziging van artikel 2 der verordening van 9 juni 1917, betreffende de vorming van twee ministeries van Financiën (Wet- en Verordeningsblad, blz. 3842), worden de werkzaamheden van het onder de leiding van het Vlaams ministerie van Financiën te Brussel staande Beheer der Schatkist (met inbegrip van de Consignatiekas en van den dienst der pensioenen) te rekenen van 1 januari 1918 tot het Vlaams bestuursgebied beperkt. Te rekenen van dezelfden dag wordt voor het Waals bestuursgebied een onder de leiding van het ministerie van Financiën van dat gebied staande Beheer der Schatkist voor genoemde diensten in het leven geroepen.

 

Art. 3. Het Vlaams en het Waals bestuursgebied blijven samen een tol- en handelsgebied uitmaken, omgeven van een gemeenschappelijke tolgrens. Al de voorwerpen, die in een der twee bestuursgebieden in vrij verkeer zijn, mogen in het ander bestuursgebied ingevoerd worden en mogen aldaar aan geen nieuwe staatsrechten onderworpen worden. Voor stukken, die in een der twee bestuursgebieden regelmatig aan het zegel- of registratierecht onderworpen zijn geweest, mag in het ander bestuursgebied geen nieuw zegel- of registratierecht geheven worden.

 

Art. 4. De wetgeving inzake het tolwezen, inzake de heffing van de accijnsrechten, met inbegrip der monopolyen, alsmede inzake de heffing van het zegelrecht en van het registratierecht, zal voor de twee bestuursgebieden gelijkvormig zijn. De bepalingen, naar luid waarvan een deel der opbrengst der tolrechten en der accijnsrechten aan het Gemeentefonds en aan het bijzonder Fonds toe te kennen is, alsmede de voorschriften op het beheer en de verdeling dier fondsen blijven ongewijzigd.

 

Art. 5. De gezamenlijke opbrengst, voortkomend van de tolrechten en van de andere in artikel 4 bedoelde rechten en belastingen, is, na aftrek van

1. de terugbetalingen voor niet verschuldigde heffingen,

2. de op grond van gemeenschappelijke overeenkomsten betaalde vergoedingen en verminderingen van belastingen, de stortingen in het Gemeentefonds en in het bijzonder Fonds Art. 4, lid 2), de kosten van heffing en beheer (Art. 6) bestemd ter bestrijding van de in de twee bestuursgebieden gedane uitgaven voor gemeenschappelijke noodwendigheden (Art. 7).

 

Art. 6. Als kosten ontstaan door de heffing en het beheer van de tolrechten, van de accijnsrechten, van het zegelrecht en van het registratierecht worden voor ieder der twee bestuursgebieden twaalf honderdsten der ruwe ontvangsten van ieder gebied aangerekend.

 

Art. 7. de uitgaven voor gemeenschappelijke noodwendigheden der twee bestuursgebieden gelden voorshands:

 

de uitgaven, die tot dusver op gemeenschappelijke verplichtingen berustten, inzonderheid de uitgaven der Openbare Schuld, met inbegrip der uitgaven voor allerhande pensioenen, om het even of de pensioenen voor 1 januari 1918 of eerst na dien datum vastgesteld zijn, de staatstoelagen aan Pensioen- , Weduwen- , Wezen en Voorzienigheidkassen en aan andere inrichtingen, zolang dezer werkzaamheid de twee bestuursgebieden omvat, de uitgaven ter dekking van vorderingen tegen den Belgische Staat, bestaande voor 1 januari 1918, zover deze uitgaven niet bestreden worden door de ontvangsten voor 31 december 1917 gemaakt;

de uitgaven voor overheden en diensten van den Staat, die, naar luid van de dienaangaande uitgevaardigde beschikkingen, voorlopig nog voor de twee bestuursgebieden gemeenschappelijk zijn; de uitgaven voor de weldadigheidsgestichten en gevangenissen van den Staat, met dien verstande, dat deze gestichten ook verder verplicht zijn desnoods ook personen uit het ander bestuursgebied op te nemen; zij mogen evenwel [onder wijziging van het voorgeschreven in artikel 2, lid 3, der verordening van 9 juni 1917 (W.en V., hl. 3839)] voorshands geen aanspraak maken op een vergoeding voor de daardoor ontstane kosten; de uitgaven voor de kosten van het Duits bestuur in België inzonderheid ook de bijdragen tot de kosten van het Duits Beheer van Posterijen en Telegrafen in België en van het Duits Beheer der Belgische Staatsspoorweg n;

de uitgaven voor den gemeenschappelijke Afrekeningdienst ( Art. 10) en voor de toezichtambtenaren (Art. 9), zover deze uitgaven niet reeds onder (No. 4 vallen; 6. de enige en de doorlopende uitgaven van anderen aard, zover dezer bestrijding uit de voor gemeenschappelijke noodwendigheden bestemde ontvangsten tussen de twee bestuursgebieden overeengekomen of door een bijzondere verordening toegelaten is.

Art. 8. Aan te rekenen op de uitgaven voor gemeenschappelijke noodwendigheden en van de daarvoor betaalde bedragen af te trekken zijn: 

de ontvangsten van de voor gemeenschappelijke rekening gevoerde diensten, inzonderheid de intresten en winstaandelen van de actiën en obligaties van den Staat, het door de provincies en de gemeenten betaald aandeel in de rustgelden der gemeenteleraars en -onderwijzers, de ontvangsten van de weldadigheidsgestichten en gevangenissen;

de rechten op de winsten en op den bankbrievenomloop van de Nationale Bank van België en van de Societe Generale de Belgique'' ;

al de terugbetalingen op de uitgaven, die door gemeenschappelijke middelen gedekt zijn, inzonderheid de ontvangsten voorkomende van vervallen zijnde betalingsbevelen, die ter bestrijding van gemeenschappelijke noodwendigheden uitgegeven werden.

Art. 9. Over de naleving van de in artikel 4 bedoelde tol en belastingwetten, de nauwkeurige heffing van de in artikelen 4 en 8 genoemde ontvangsten en het beheer, in overeenstemming met het belang van het algemeen, van de in artikel 7 bedoelde uitgaven, wordt toezicht geoefend door bijzondere ambtenaren, die door den Generaal Gouverneur in ieder der twee bestuursgebieden aan het ministerie van Financiën en aan de provinciale Besturen der belastingen van het ander bestuursgebied toegevoegd worden. De bevoegdheid van deze ambtenaren wordt hij bijzonder dienstbevel geregeld. Deze toezichtambtenaren zullen de door hen hij de ten uitoverbrenging der tol- en belastingwetten, of hij de heffing der ontvangsten en de vereffening der uitgaven voor gemeenschappelijke rekening vastgestelde onregelmatigheden, zover in overleg met de in de eerste plaats betrokken overheden geen schikking kan getroffen worden, ter kennis brengen van den bestuurder der afdeling van Financiën (Leiter der Finanzahteilung) hij den Generaal Gouverneur in België, die zijn advies te geven en desnoods de beslissing van den Generaal Gouverneur in te roepen heeft. In afwachting van de vooralsnog voorbehouden benoeming der in het Iste lid bedoelde ambtenaren, wordt hun ambtsbediening waargenomen door ambtenaren, die te dien einde in het Vlaams bestuursgebied door het Hoofd van het burgerlijk bestuur voor Wallonië (Verwaltungschef fur Wallonië), in het Waals bestuursgebied door het Hoofd van het burgerlijk bestuur voor Vlaanderen (Verwaltungschef fur Flandern) afgevaardigd worden.

 

Art. 10. De twee bestuursgebieden zullen maandelijks over te gaan hebben tot de af rekening wat betreft de ontvangsten voortkomende van de tolrechten en van de andere in artikel 4 bedoelde rechten en belastingen, alsmede wat betreft de uitgaven wegens gemeenschappelijke noodwendigheden en de daarop in rekening te brengen ontvangsten. Het ministerie van Financiën van ieder bestuursgebied moet dien einde de nodige staten opmaken en dezelve, nadat ze door de toezichtambtenaren (Art. 9) juist bevonden en als dusdanig verklaard zijn, ten laatste den 25n van de volgende maand doen toekomen aan een gemeenschappelijke Afrekeningdienst, voor welken dienst ieder bestuursgebied een ambtenaar dient te benoemen.

 

De werkzaamheden van den Afrekeningdienst worden voorlopig uitgeoefend door de Afdeling van Financiën bij den Generaal Gouverneur in België. In de staten zijn de ontvangsten alleen met de werkelijk geïnde bedragen te vermelden. Bedragen, die wel is waar vervallen zijn, doch waarvoor voorlopig uitstel is verleend of die anderszins achterstallig zijn gebleven, dienen eerst ter afrekening te worden opgenomen in den staat voor de maand, waarin de betaling werkelijk heeft plaats gehad. De uitgaven wegens gemeenschappelijke noodwendigheden zijn in de staten op te nemen met de bedragen, waarvan de betaling is bevolen. Een uitgave is te beschouwen als zijnde te betalen, van het ogenblik dat zij in de boeken van het Beheer der Schatkist van het bevoegd ministerie van Financiën is ingeschreven. Wordt een dusdanig betalingsbevel naderhand om een of andere reden weer ingetrokken, dan moet het bedrag van zulk betalingsbevel in de boeken van het Beheer der Schatkist van de uitgaven afgetrokken worden. De bedragen van vervallen belastingbevelen zijn als ontvangsten aan te tekenen.

 

Art. 11. De Afrekeningdienst onderzoekt de staten en draagt de opbrengst er van over op een algemenen staat. Het overschot of het tekort voortspruitende uit de vergelijking van de op den algemenen staat overgedragen ontvangsten en uitgaven der twee bestuurgebieden, wordt per kop van de bevolking over het Vlaams en het Waals bestuursgebied verdeeld en wel, voorshands, naar de verhouding van 3 tot 2, Het bedrag, waarover de vastgestelde aandelen van de in de staten aangetekende werkelijke overschotten of tekorten verschillen, moet door het bestuursgebied dat een overschot boekt onmiddellijk bijbetaald worden ten voordele van het bestuur dat een tekort heeft Het bedrag der betaling dat voor de afgelopen maand door het een bestuursgebied aan het ander te storten is, wordt voorgoed vastgesteld door den Afrekeningdienst. Waargenomen onnauwkeurigheden in de toegekende bedragen, worden in de volgende staten vereffend. Het ministerie van Financiën van ieder bestuursgebied ontvangt, als bewijsstuk voor de inschrijving in de boeken, een met de toezichtvermelding van den Afrekeningdienst bekleed afschrift der algemene staten.

 

Art. 12. De bedragen der betalingen, tot regeling der rekeningen gedaan, worden, overeenkomstig de posten der begroting, ingeschreven als uitgaven door het bestuursgebied dat de betaling heeft gedaan, als ontvangsten door het bestuursgebied ten voordele waarvan de betaling is geschied. De aandelen die van een algemeen overschot zouden voortkomen, worden gevoegd bij de middelen, bestemd ter bestrijding van de eigen noodwendigheden der bestuursgebieden; de aandelen die van een algemeen tekort zouden voortkomen, moeten gedekt worden door de middelen bestemd ter bestrijding van de eigen noodwendigheden der bestuursgebieden.

 

Art. 13. Het Vlaams ministerie van Financiën te Brussel blijft belast met de rekenplichtigheid over de ontvangsten en uitgaven van de begroting voor het dienstjaar 1917 en van de begrotingen voor vroegere dienstjaren. De bevoegdheid van de plaatselijke overheden inzake de heffing dezer ontvangsten en de vereffening dezer uitgaven wordt in genendele gewijzigd. Aangaande de ontvangsten en uitgaven na 31 december 1917 in het Waals bestuursgebied op rekening van vroegere begrotingen gedaan, moet er maandelijks tot een afrekening worden overgegaan tussen het Vlaams en het Waals bestuursgebied. In geval de ontvangsten de uitgaven overtreffen, zijn de overschotten aan de middelen van het Vlaams bestuursgebied toe te voegen; in geval de, uitgaven de ontvangsten overtreffen, is het tekort uit de middelen van het Vlaams bestuursgebied aan te vullen. Het Vlaams ministerie van Financiën moet inzake de ontvangsten en uitgaven, die na 31 december 1917 op rekening van vroegere begrotingen in het Vlaams bestuursgebied gedaan zijn of van het Waals bestuursgebied overgenomen werden, maandelijks tot een afrekening overgaan met de Afdeling van Financiën. De geldvoorraden, die op het einde van 31 december 1917 in de kassen van het Vlaams en het Waals bestuursgebied voorhanden zijn, worden in de twee bestuursgebieden toegewezen voor de uitgaven op rekening van vroegere begrotingen.

Art. 14. Deze verordening treedt met terugwerkende kracht op 1 januari 1918 in werking. De Bestuurder der Afdeling van Financiën hij den Generaal Gouverneur in België zal, met het oog op de uitvoering der verordening, de nodige schikkingen uitvaardigen.

Brussel, den 24 januari 1918.

No. 30. - 26. maart 1918.

Bekendmaking. De heer Generaal Gouverneur heeft tot leden van het bij verordening van 21 februari 1918 ingesteld College van Curatoren der Universiteit te Gent, aanvankelijk voor den duur van een jaar, benoemd: professor Dr. P. Hoffmann, thans rector der Universiteit, voorzitter, professor Dr. Mr. L. Dosfel, plaatsvervangend voorzitter, professor Dr. J. De Decker, professor Dr. J. Ohrie, professor Dr. J. Versluys, professor Dr. F. Stôher, professor Dr. B. Speleers, professor Dr. H. Schoenfeld, hoofdingenieur-professor E. P. Van den Berghe, professor Dr. E. Cïaeys, professor Dr. C. De Bruyker en, krachtens artikel 4 van dezelfde verordening, de uitoefening van het ambt van ,beheerder'' der Universiteit te Gent voorlopig toevertrouwd aan Mr. B. J. Huyhreghts, buitengewoon professor in de Faculteit der Rechtsgeleerdheid bij de Universiteit.

Brussel, den 15 maart 1918.

No. 30. - 26. maart 1918.

Bekendmaking. De heer Generaal Gouverneur heeft aan de op 1 maart 1918 voltrokken verkiezingen voor den Raad van Beheer der Universiteit te Gent zijn bevestiging verleend en den secretaris van dien Raad van Beheer berwemd. De Raad van Beheer der Universiteit is als volgt samengesteld: professor Dr. P. Hoffmann, rector, voorzitter, professor Dr. C. De Bruyker professor Dr. R. Speleers, professor Dr. D. De Vries Reilingh, professor Mr. L. Dosfel, plaatsvervangend voorzitter, hoofdingenieur professer E. P. Van den Berghe ; tot secretaris van den Raad van Beheer is benoemd professor Dr. J. B. Huyhreghts.

Brussel, den 15 maart 1918.

No. 31. - 30. maart 1918.

Verordening betreffende het gemeentebestuur der stad Gent.
§ 1. De burgemeester der stad Gent Braun en schepen De Weert worden afgezet.
§ 2. Het bestuur der stad Gent wordt, onder gedeeltelijke buiten werking stelling der gemeentewet, opgedragen aan een door den Generaal Gouverneur, in overleg met de Etappeninspektie van het We leger te benoemen burgemeester, met dien verstande echter, dat deze, zover hij (op de medewerking van de schepenen en van den gemeenteraad krachtens de wetten is aangewezen, zijn bevoegdheid uitoefent na die kolleges te hebben gehoord.
§ 3. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschef) voor Vlaanderen wordt gemachtigd, naast de schepenen, schepenencommissarissen aan te stellen en, zo nodig, schepenen af te zetten.
§ 4. De wedde van den nieuwen burgemeester en de bezoldiging der schepenencommissarissen worden door het Hoofd van het burgerlijk bestuur vastgesteld en uit de middelen der stad Gent betaald
§ 5. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur voor Vlaanderen wordt met de uitvoering van deze verordening belast

Tielt, den 18 maart 1918.

No. 31. - 30. maart 1918.

Beschikking. Ingevolge de verordening van 1918 maart 1918 C.  wordt de 2e burgemeester der stad Posen Dr. Kûnzer hiermede tot burgemeestercommissaris der stad Gent benoemd. Gent, den 29n maart 1918.

No. 25. - 29. maart 1918.

Avis. Un service regulier par bateaux pour les transports de marchandises a ete inaugure sur la voie navigable reliant  Antwerpen à Brussel et à Liege et vice-versa. Ce service comprend les deux sections:

1) de Brussel à Liege et vice-versa, 2) d Antwerpen à Brussel et vice-versa. 1er Section. Entrepreneur : Les Messageries Balak à Liege. Bateaux: Les chalands: „Sambre et Meuse 1", „Sambre et Meuse 2", Americain', Jean", L'Ami", „Ernestine", Hortense", „Volksheil", „Willy", „Yvonne". Les remorqueurs: „ Americain", «Rutabaga". Embarcaderes: Huy, Seilles-Andenne, Namur, Charleroi et Brussel. Departs: de Brussel chaque samedi, de Charleroi chaque mercredi, de Namur chaque vendredi, de Huy, chaque lundi,deLiegechaque samedi, de Liege chaque samedi, de Huy chaque lundi, d'Andenne chaque mercredi, de Namur chaque jeudi, de Charleroi chaque mardi. Arrwee à Brussel, chaque jeudi. Agences: à Liege, Les Messageries Balak, reu des Chapelains, 2, à Namur Les Messageries Balak, place de la Monnaie, 1, à Charleroi, Les Messageries Balak, quai de Namur, 31, à Huy, A Wautriche, rue des Malades, 31, à Seilles-Andenne, Moïse Remacle, rue du Rwage 131, à Brussel, Weigel Leygonie et Cie, rue van Meyel, 30, à Antwerpen, L. Ghemar, rue de l'Escaut. Les agences de Brussel et de Charleroi acceptent les marchandises à destination des localites suwantes: L'agence de Brussel: Brussel Ouest, Cinquantenaire, Etterbeek, Brussel-Nord-Ouest, Kuregem, Koekelberg, Laken et Antwerpen. L'agence de Charleroi : Chatelineau, Châtelet, Couillet, Montigny-sur-Sambre, Dampremy, Marchienne-au-Pont, Fontaine-l'Evêque, Monceau-sur-Sambre, Montigny et Neuville. 466

2e Section. Les correspondances d'Antwerpen à Brussel et viceversa sont assurees par le service regulier de transports par bateaux des 4 societes de navigation: L'Union, Soc. an. de navigation fluviale, Louis Ghemar, Simon Smits et Gie, G. L. Ringrose et Cie. Grâce à cette organisation, les marchandises chargees à Antwerpen auront toutes lacilites pour rejoindre les transports de Brussel à Liege. Conformement aux dispositions de l'article 28 du Reglement des voies navigables administrees par l'Etat belge, les bateaux assurant ce service beneficieront de la priorite du passage en quatrieme lieu aux ecluses et aux ponts mobiles, chacun pour un voyage aller et retour par semaine. Namur, le 21 mars 1918.


 

 

Vorige pagina    Indexpagina volgende pagina

OF GA TERUG MET DE BACKTOETS


Kent U de v.z.w. KONINKLIJKE OUDHEIDKUNDIGE KRING VAN HET LAND VAN WAAS
(afgekort K.O.K.W.)

niet, of wil je meer weten over de doelstelling
en werking van deze kring, klik dan
"hier voor Werking K.O.K.W".

DOCUMENTATIE CENTRUM
M.Z. Zamanstraat 49 9100 Sint-Niklaas
Zaterdagen 9u30 tot 12u30
Documentatie centrum
gesloten in juli en aug.