Dagboek Raphaël Waterschoot
Gesetz- und Verordnungsblatt fur die okkupierten Gebiete Belgiens.
Bulletin officiel des Lois et Arrêtés pour le territoire belge occupé.
Wet en Verordeningsblad voor de bezette strekenvan België. (TEXTES OFFICIELS door mij aangepast na omzetting)

RÉDIGÉE PAR CHARLES HENRY HUBERICH

DOCTEUR EN DROIT, ANCIEN PROFESSEUR DE DROIT À L'UNIVERSITÉ STANFORD (CALIFORNIE).
MEMBRE DU BARREAU DE LA COURSUPRÊME DES ÉTATS UNIS DE L'AMÉRIQUE,
AVOCAT LA HAYE • PARIS - BERLIN - HAMBOURG
ET
ALEXANDER NICOL-SPEYER
DOCTEUR EN DROIT, AVOCAT À LA COUR DE CASSATION DES PAYS-BAS
LA HAYE - ROTTERDAM
Nr 12 01 juli 1917 - 28 september 1917
no 363-397
No. 363. - 1. juli 1917.




De met drie sterretjes gemerkte Verordeningen worden ook door middel van aanplakbrieven bekend gemaakt. Alle andere Verordeningen moeten door de gemeente-overheid volgens de gebruikelijke wijze van bekendmaken vooral aan de belanghebbenden medegedeeld worden.

Beschikking Krachtens artikel 1 van mijn Verordening van 2 juni 1917 {Wei- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België bl, 3837), benoem ik hierbijl

a) den heer Dr, Edward Carlebach, keizerlijk notaris en justitieraadsheer, tot ambtenaar voor het opnemen van oorkonden ; l


b) den heer August Chone, keizerlijk opziener van de registratie, tot ambtenaar voor het uitoefenen van de in artikel 3 van de Verordening van 2 juni 1917 bedoeld door de hypotheekbewaarders te vervullen ambtsverrichtingen.

Brussel, den 16n juni 1917.

No. 363. - 1. juli 1917.

Verordening
houdende uitbreiding van de strafbepalingen der in verband met de oorlogsekonomie uitgevaardigde Verordeningen. l

Art. 1. De overtredingen van de bestaande Verordeningen, betreffende de stapelopneming, de inbeslagneming of de onteigening van minerale, dierlijke en plantaardige grondstoffen, halfafgewerkte en afgewerkte voortbrengselen en den afval er van, zijn in dier voege strafbaar gemaakt, dat de verbeurdverklaring van het voorwerp, waarop de strafbare handeling betrekking heeft, ook toegelaten is in al de gevallen waarin de overtreding aan nalatigheid is toe te schrijven. In geval van (opzettelijke overtreding moet steeds, desvoorkomend naast een boete, de verbeurdverklaring en een gevangenisstraf uitgesproken worden.
Art, 2. Ingeval waren, die onder toepassing vallen van een der in artikel 1 genoemde Verordeningen, bij den eigenaar, bewaarder of bergplaatshouder ontvreemd of beschadigd worden, is de betrokken eigenaar, bewaarder of bergplaatshouder wegens tekortkoming aan de verplichting, de waar regelmatig te bewaren en zorgvuldig te behandelen, strafbaar krachtens de strafbepaling van de in aanmerking komende Verordening, tenzij hij kan bewijzen, dat hij alles in het werk heeft gesteld om het verlies of de beschadiging van de waar te verhinderen. Naast de straf moet ook een vergoeding (schadeloosstelling) worden uitgesproken van ten hoogste vijfmaal de waarde, berekend op den vredesprijs van de ontvreemde of beschadigde waar. De rechten op schadeloosstelling en op verzekering, die de beschuldigde wegens diefstal of beschadiging van de waar tegenover derden kan doen gelden, zijn, naast zijn vermogen, borg voor de volvoering van de straf en voor de betaling van de vergoeding en wel in dier voege, dat straf en vergoeding onmiddellijk door middel van bedoelde rechten kunnen worden vereffend. De bevoegde krijgsrechtbanken en krijgsoverheden zijn belast met het invorderen van straf en vergoeding.l

Art. 3. Bijaldien een beschuldigde zich ten aanzien van een hem ten laste gelegde overtreding van de in artikel 1 genoemde Verordeningen er op beroept, dat de waar, die het voorwerp van de hem ten laste gelegde overtreding uitmaakt, krachtens een Verordening vrijverklaard of in de Etappen vrijverklaard en daaruit ingevoerd  s, moet hij daarvan de bewijzen kunnen leveren.
Brussel, den 17n juni 1917.
No. 363. - 1. juli 1917.
Verordening ***
betreffende de uitbreiding van de zedenpolitieomschrijving Groot-Charleroi. Aan de zedenpolitieomschrijving Groot-Charleroi {Verordening van 6 maart 1915, betreffende de inrichting van een zedenpolitie te Groot-Charleroi, Wet- en Verordeningsblad, nr. 52, hl, SOS), worden de hiernavolgende gemeenten toegevoegd :
Bouffioidx, Montignies-îe-TUleid, Fontaine-VEveque, GoutroiLX, Courcelles, Forchies-la-Marche, Roux, Souvret, Trazegnies, Gouylez-Pieton, Pont-à-Celîes, Lutire, Gosselies, Ransart, Farciennes, Pont-le-Ixmp en Fleurus.
Artikel 2 van de Verordening van 6 maart 1915 is, inzonderheid wat de verdeling van de kosten betreft, dienovereenkomstig van toepassing.
Brussel, den 20n juni 1917,
No. 363. - 1. juli 1917.
Verordening ***
betreffende de schatting van den korenoogst in het jaarl

Art. 1. De dagen 9 tot en met 28 Juli 1917 zal overgegaan worden tot de schatting van den oogst van al de met koren {wintertarwe, zomertarwe, rogge, masteluin, spelt, wintergerst, zomergerst, haver) bebouwde gronden.l

Art. 2. De belanghebbenden moeten in al de inlichtingen die zij te geven hebben, de vermoedelijke opbrengst aanduiden in kilogram per hektaar.l

Art. 3, De schatting zal per gemeente gedaan worden door de zorgen van de provinciale Oogstkommissies (Provinzial Emte- Kommissionen). De provinciale Oogstkommissies moeten naar iedere gemeente een Duitser zenden als lasthebber, met opdracht de vermoedelijke opbrengst van elke der hogergenoemde korensoorten vast te stellen, na den korenoogst ter plaatse te hebben bezichtigd en na overleg ie hebben gepleegd met den burgemeester en met enige landbouwers.l

Art. 4. De inlichtingen van de oogstschatters worden op formulieren ingevuld, welke het Kantoor voor Landbouwstatistiek {Agrarstatistisches Bûro) ter beschikking stelt van de provinciale Oogstkommissies. De ingevulde formulieren moeten ten laatste den 30n juli 1917 op het Kantoor voor Landbouwstatistiek binnengekomen zijn.l

Art. 5. Al de burgemeesters en anderepersonen die aangeduid worden om aan de schatting van den oogst deel te nemen, zijn verplicht de Duitse oogstschatters behulpzaam te zijn hij de vervulling van hun taak en hun waarachtige inlichtingen te geven.l

Art. 6. Het Kantoor voor Landbouwstatistiek zal aan de hand van de medegedeelde gegevens de vermoedelijke opbrengst van den oogst vaststellen.l

Art. 7. Wie opzettelijk of uit nalatigheid de inlichtingen
die hij krachtens deze Verordening en de uitvoeringsbepalingen van de provinciale Oogstkommissies moet verstrekken, niet of onjuist of onvolledig geeft, wordt met ten hoogste 6 maanden gevangenis of met ten hoogste 10.000 mark boete gestraft. Ook kunnen boete en gevangenisstraf tegelijk worden uitgesproken.l

Art. 8. De krijgsbevelhebbers en de krijgsrechtbanken zijn tot oordeelvellen bevoegd,
Brussel, den 23n juni 1917,
No. 868. - 1. juli 1917.
Verordening
betreffende het verbod van betaling tegenover Italië. Bij wijze van vergelding wordt het navolgende bepaald :
Enig artikel.
De voorschriften van de Verordening van 3 november 1914, betreffende het verbod van betaling tegenover Engeland en Frankrijk, in de bewoording van de Verordening van 12 autgustus 1915 (Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, Nrs. 10 en 109), worden, zover zulks niet reeds is geschied bij de Verordening van 9 december 1916 {Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, Nr. 290), ook toepasselijk verklaard op italie, op de Italiaanse koloniën en buitenlandse bezittingen, evenals op de gebieden, die door de Italiaanse strijdkrachten bezet zijn.
De toepassing is aan volgende beperkingen onderworpen :
1. Voor de vraag, of het verbod van betaling en de schorsing tegenover den overnemer geldt of niet (artikel 2, 2e lid, van de Verordening van 3 november 1914), komt niet de woonplaats of de zetel van den overnemer in aanmerking, maar enkel en alleen het feit of de overneming na of voor 30 April 1917 heeft plaats gehad, zover overeenkomstig artikel 2 van de Verordening van 9 december 1916 evenwel geen vroegere tijdsbepaling is voorzien.
2, De aanduidingen omtrent de tijdsbepaling van het in kracht treden der Verordening van 3 november 1914, worden vervangen door de tijdsbepaling van het in werking treden van deze Verordening, zover overeenkomstig artikel 2 van de Verordening van 9 december 1916 evenwel geen vroegere tijdsbepaling is voorzien. Brussel, den 25n juni 1917.
No. 368. - 1. juli 1917.
Bekendmaking ***
Op grond mijner Verordening van 8 juni 1916 betreffende de Oogstkommissies, evenals der uitvoeringsbepalingen van 8 Juli 1916 tot deze Verordening, heb ik, op voorstel der Centrale Oogstkommissie (Zentral Emte Kommission), de hoogste prijzen voor den verkoop van gedorst koren, meel, zemelen en brood voorshands als volgt vastgesteld:
voor tarwe uit stapelplaats of molen geleverd frank 50.21 per 100 hgr.
„ rogge uit stapelplaats  of molen geleverd n
„ masteluin uil stapelplaats of molen geleverd
„ ongepelde spelt uit etapeplaats of molen geleverd
„ zemelen uit den molen geleverd . . .
„ tarwemeel aan bakkers of verbruikers geleverd
„ roggemeel aan bakkers of verbruikers geleverd
„ maaluinmeel aan bakkers of verbruikers geleverd
„ tarwebrood aan verbruikers geleverd
Deze hoogste prijzen worden op 16 Juli 1917 van kracht.

De provinciale Oogstkommissies (Prommial-Ernete Kommissionen) zijn bevoegd, voor de omschrijving van afzonderlijke gemeenten, op verzoek of na raadpleging van de burgemeesters, telkens een lageren hoogsten prijs voor brood, tot het bereiden waarvan roggemeel wordt gebruikt, vast te stellen. Voor den verkoop van koren door de voortbrengers aan het Nationaal Hulp- en Voedingskomiteit blijven de hoogste prijzen, vastgesteld in de uitvoeringsbepalingen tot de Verordening van 8 Juli 1916, betreffende de Oogstkommissies, van kracht.
Brussel, den 26n juni 1917,
No. 363. - 1. juli 1917.
Bekendmaking
Ter aanvulling van de Bekendmaking €. €. ma 4#i3. (Wet- en Verordeningsblad Sr, 358). De personen die de eerste of de tweede proeve, voorbereidend tot het examen van aspirante-regentes wensen af te leggen, kunnen zich ook laten inschrijven bij den bestuurder van de vrije middelbare Meisjesnormaalschool te St.- Niklaas (Waas). Na 6 Juli worden geen inschrijvingen meer aanvaard,
Brussel, den 27n juni 1917.
No. 363. - 1. juli 1917.
Verordening
Als vervolg op mijn Verordening van 5 Mei 1917, C. C. 111a 2903 (Wet- en Verordeningsblad, U. 3669), bepaal ik, dat ook het beheer van Openbare Werken met ingang van 1 Juli 1917 door een afzonderlijk ministerie zal worden waargenomen voor het Vlaams en voor het Waals bestuurlijk gebied.
Brussel, den 29n juni 1917.
No. 363. - 1. juli 1917.
Beschikkingl

Art. I. De bevoegdheid van het ministerie van Landbouw en Openbare Werken te Brussel is, krachtens mijn Verordeningen van 5 Mei 1917 {Wet- en Verordeningsblad, bl 3609) en van 29 juni 1917, 0. C. F. T. 269II, met ingang van 1 Juli 1917 wat betreft het beheer van Openbare Werken, beperkt tot het Vlaams bestuurlijk gebied.l

Art. II. Van het personeel van het ministerie van Openbare Werken zijn de hiernagenoemde ambtenaren aangeduid om, te rekenen van 1 Juli 1917, het beheer van Openbare Werken voor het Waals bestuurlijk gebied, van Namen uit, waar te nemen. Bedoelde ambtenaren zijn dienovereenkomstig van dien datum af overgeplaatst naar Namen :
De heer A. Reding, bestuurder ; de heren L. Banneux, A. Stricher en E. Stadeler, afdelingsoversten; de heer L. Puchot, bureeloverste; met terugroeping in werkelijken dienst, de heren E. Lefebvre en C. E. Walin, hoofdingenieur bestuurders; de heer A. Brûle, bestuurder ; de heren L. Bonnet en F. Wilmet, afdelingsoversten.
Brussel, den 30n juni 1917,
No. 363. - 1. juli 1917.
Bekendmaking
Met toestemming van den heer Generalgouvemeur in Belgien heb ik overeenkomstig de Verordening van 17 februari 1915 (Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, Nr. 41 van 20 februari 1915) de Banque Arlonaise, te Aarlen, onder dwangbeheer geplaatst. De heer Otto Kleinstûck te Longwy, w tot dwangbeheerder benoemd,
Brussel, den 25n juni 1917,

No. 364. - 3. juli 1917.
Verordening
Betreffende de verlenging van de mandaten van de griffiers der provincies Luxemburg en Namen.
In aansluiting aan mijn Verordeningen van 9 december 1916 en van 23 december 1916 (Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België bl. 3066 en 3125)  bepaal ik het navolgende : De met 30 juni 1917 aflopende mandaten van den heer Georges Thonon, griffier van de provincie Luxemburg, en van den heer X. Brihosia, griffier van de provincie Namen zijn tot 31 december 1917 verlengd.
Brussel den 23n juni 1917.


No. 364. - 3. juli 1917.
Beschikking
Op grond van mijn Verordening van 12 Mei 1917 (7. C. Illa 2904, V. 3801, benoem ik aan het ministerie van Binnenlandse Zaken voor het Vlaams bestuurlijk gebied te Brussel : den heer A, De Ceuster, onder-bureeloverste, tot afdelingsoverste ; den heer Jozef Wergifosse, doktor in de rechten, tot afdelingsoverste {voorloopige benoeming ; jaarwedde 6500 frank) ; den heer E, Bietjens, kandidaat in de natuurwetenschappen, tot afdelingsoverste (voorlopige benoeming) ; den heer H. Kayenberg, econoom aan de Rijks Normaalschool te Ukkel, tot bureeloverste ; den heer P. van Assche, tot bureeloverste,
Brussel, den 27n juni 1917.

No. 365. - 5. juli 1917.
Bekendmaking ***
Zijne Majesteit de Keizer heeft bij Allerhoogste Kabinetsbevel uit het Groot Hoofdkwartier, in dato 14 juni 1917, den groothertogelijk Badischen Oberamtmann Schaible, tot Hoofd van het burgerlijk bestuur {Verwaltungschef} voor het Vlaams bestuurlijk gebied, met zetel te Brussel, den koninklijk Pruisische Landrat Haniel, tot Hoofd van het burgerlijk bestuur voor het Waals bestuurlijk gebied, met zetel te Namen, en den koninklijk Pruisische Geheimen Ober-Finanzrat L Pochammer tot leider van de Afdeling van Financiën {Leiter der Finanzabteilung) bij den Generaalgouverneur in België, met zetel te Brussel, benoemd. De hiervorengenoemde overheden alsmede de Afdeling voor Handel en Nijverheid {Abteilung fur Handel und Gewerbe) bij den Generaalgouverneur in België zijn, te rekenen van den dag der uitvaardiging van deze bekendmaking 6claM met de uitoefening van de ambtsverrichtingen tot dusver waargenomen door het Hoofd van het burgerlijk bestuur bij den Generaalgouverneur in België. De koninklijk Wurtembergse ministeriebestuurder Dr. von Kohler te Brussel, is de leider van de Afdeling voor Handel en Nijverheid,
Brussel den 4n Juli 1917,


No. 365. - 5. juli 1917.
Verordening ***
betreffende de maten en gewichten.
Krachtens artikel 22 der wet van 1 oktober 1855 op de maten en gewichten, toordi ter aanvulling van de bestaande algemene regeling inzake de samenstelling en den vorm der handelsgewichten, het navolgende verordend :
Enige paragraaf.
De cilindrische gewichten met knopje, begrepen in de wettelijke reeks van af het gram tot het kilogram, en de zeshoekige gewichten, begrepen in de wettelijke reeks van af het half hectogram tot het dubbel kilogram, voor de vervaardiging derwelke het gebruik van geelkoper en gietijzer toegelaten is, mogen insgelijks vervaardigd worden uit zinkmengsels, behorende tot de reeks der „harde zinksoorten'' en die te dien einde door den Dienst der Maten en Gewichten aangenomen zijn.
Onder bijzondere omstandigheden, namelijk wanneer men zich geen hard zink kan verschaffen, kunnen de belanghebbende vervaardigers door den Dienst der Maten en Gewichten tijdelijk gemachtigd worden, die mengsels door gewoon zink van eerste of tweede smelting te vervangen. De onder die omstandigheden vervaardigde gewichten moeten, als onderscheidingsmerk, de letter Z dragen. Bij gebrek aan zink, of wanneer dit metaal te duur wordt, kan de Dienst der Maten en Gewichten zink voor de cilindrische gewichten door ijzer of staal laten vervangen. De voorschriften nopens cilindrische gewichten uit koper met knopje en de zeshoekige gewichten uit gietijzer, zijn onderscheidenlijk van toepassing op de cilindrische gewichten met knopje uit mengsels van hard zink, uit ijzer of uit staal, en op de zeshoekige gewichten uit mengsels van hard zink of uit gewoon zink. De voorschriften betreffende de loodrechte afmetingen, zijn echter in dier voege toe te passen, dat de hoogte van het lichaam der gewichten in zulke mate dient gewijzigd te worden, als door het verschil der dichtheid is opgelegd.
Brussel, den 20n juni 1917.


No. 365. - 5. juli 1917.
Beschikking
De heer Dr. phil. Rene de Clercq is tot konservator van hei Wiertz-museum te Brussel benoemd. Zijn jaarwedde vastgesteld op 6000 frank.
Brussel, den 28n juni 1917.


No. 365. - 5. juli 1917.
Verordening ***
betreffende het getuig van rijtuigen en de uitrustingen van ripaarden.
Art L Al de voorraden aan getuig van rij- en vrachtvoertuigen, alsook de uitrustingen van ripaarden {zadels, tomen, enz.), die op 20 Juli 1917 in het gebied van het Generaal-Gouvernement voorhanden zijn, moeten ten laatste op 30 Juli 1917 hij de ,,Kreischefs'' {Commandanten) aangegeven worden.
l

Art. 2. Al de personen en firmas, die de hierboven bedoelde voorwerpen in bewaring of in gebruik hebben, om het even of zij er eigenaar van zijn of niet, moeten er aangifte van doen. De gemeenten moeten van de aangiften een gezamenlijke lijst opmaken en deze binnen den bepaalden termijn aan de „Kreischefs'' (Commandanten) doen toekomen.
l

Art. 3. De aangiften zijn op de voorgeschreven formulieren in te vullen. Deze formulieren zijn bij den bevoegden „Kreischef' kosteloos verkrijgbaar gesteld.
l

Art. 4. Het legerbestuur is gerechtigd de hiervoren bedoelde voorwerpen aan te kopen.
l

Art. 5. Het is verboden bedoelde voorwerpen anderszins af te gaan.
l

Art. 6. Van deze voorwerpen mag verder hetzelfde gebruik als voorheen worden gemaakt. De bezitter is evenwel verplicht ze tot nader bericht te bewaren en ze zorgvuldig te behandelen.
l

Art. 7. Wie de voorschriften van deze Verordening overtreedt, wordt, zover een andere strafwet geen zwaarder straf voorziet, met ten hoogste 1 jaar gevangenis en ten hoogste 20.000 mark boete, of met een van deze straffen gestraft. Bovendien kan de verbeurdverklaring van de voorwerpen, waarop de strafbare handeling betrekking heeft, uitgesproken worden ; in geval van opzettelijke overtredingen moet de verbeurdverklaring worden uitgesproken. De poging tot overtreding is strafbaar.
l

Art. 8. De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.
Brussel, den 30n juni 1917.

No. 366. - 6. juli 1917.
Verordening ***
betreffende de aangifte en de inbeslagneming van rekgombanden van biljarts en van voertuigen.
Bij uitbreiding van de Verordening van 10 Augustus 1915, betreffende de aangifte van rekgombanden, oude rekgom, rekgomafval, ruwe rekgom en rekgomwaren, gewijzigd bij de Verordeningen van 17 oktober 1916 en 27 februari 1917, bepaal ik het navolgende :

I Verplichting tot aangifte.
1. Moeten aangegeven worden:l

a) al de gebruikte en ongebruikte biljartbanden (van rekgom) y zoowel in gevulkaniseerde als in niet gevulkaniseerde toestand, om het even oj zij aan biljarts of delen van biljarts vastgemaakt zijn of niet.l

b) al de gebruikte en ongebruikte rekgombanden voor wielen van al de voertuigen, onverschillig oj deze gedreven worden door mechanische kracht of door dierlijke kracht Alleen uitgezonderd zijn de banden van in gebruik zijnde ziekenwagens en kinderrijtuigen.

2. De voorwerpen die onder toepassing vallen van deze Verordening en die op het ogenblik van de afkondiging er van binnen het gebied van het Generalgouvernement voorhanden zijn, moeten voor 1 Augustus 1917 aangegeven worden bij het voor de provincie bevoegd Motorwagenkantoor (Kraftwahrstelle). De voorgeschreven formulieren van aangifte zijn op de Motorwagenkantoren kosteloos verkrijgbaar gesteld, Deze kantoren leveren een schriftelijk bewijs als voor elke binnengekomen aangifte.

3. Zijn verplicht op de voorgeschreven wijze aangifte ie doen :l

a) de eigenaar,l

b) de persoon, die de voorwerpen in bewaring heeft {bezitter, stapelhouder)l

c) de persoon, die gerechtigd is voor eigen baat of ten voordele van derden over de voorwerpen ie beschikken. Hujt een der personen die verplicht zijn aangifte te doen zich van dezen plicht op de voorgeschreven wijze gekweten, dan zijn de anderen daarvan ontslagen


II. Inbeslagneming.
De voorwerpen bedoeld onder cijfer 1, zijn hierbij in beslag genomen. Het is verboden er op enige wijze over te beschikken, hetzij door ze te verhandelen, te verwerken, te gebruiken of te vernielen. Het is toegelaten de biljartbanden voor het gebruik hij het spel aan de biljarts te laten en de banden voor het gebruik aan voertuigen te laten, totdat eerstdaags het onteigeningsbevel zal verschijnen.


III. Verplichting tot aflevering. De bezitters en eigenaars van biljartbanden en rijtuigbanden zijn verplicht, dezelve desgewenst aan het legerbestuur af te staan.


IV. Overheid, die met de inbeslagneming belast is. Het bestuur van den Motorwagendienst (Kraftfahrwesen) hij het Generalgouvernement, is belast met de uitvoering van deze Verordening en met den aankoop van de bedoelde voorwerpen. De Motorwagendienst zal met het oog op den aankoop de nodige bepalingen uitvaardigen.


V. Strafbepalingen.
Wie de voorschriften van deze Verordening opzettelijk of uit nalatigheid overtreedt, wordt, bijaldien een andere strafwet geen zwaarder straf voorziet, met ten hoogste 2 jaar gevangenis en met ten hoogste 20.000 mark boete of met een van deze straffen gestraft. Naast de straf is de verbeurdverklaring van de voorwerpen, waarop de strafbare handeling betrekking heeft in al de gevallen van overtreding toegelaten ; is de overtreding opzettelijk begaan, dan moet de verbeurdverklaring steeds uitgesproken worden. Overigens zijn de betalingen van de Verordening van 17 juni 1917, betreffende de uitbreiding van de strafbepalingen der in verband mei de oorlogseconomie uitgevaardigde Verordeningen, toepasselijk. Deze Verordening wordt onmiddellijk van kracht,
Brussel den 26n juni 1917,
No. 366. - 6. juli 1917.
Verordening ***
houdende wijziging en aanvulling;; van de Verordening van 27 september 1916, betreflende drijfriemen en drijfkabels.
Onder wijziging en ter aanvulling van de Verordening van 27 september 1916, betreffende drijfriemen en drijfkabels bepaal ik het navolgende :
l

§ 1. De bedrijven, wier voorhanden zijnde drijfriemen en drijfkabels gezamenlijk minder wegen dan 50 kg., zijn eveneens onderworpen aan de verplichting tot aangifte van drijfriemen en drijfkabels overeenkomstig de Verordening van 27 september 1916, zodat thans al de drijfriemen en -kabels zonder enige uitzondering moeten worden aangegeven.
l

§ 2. De drijfriemen en -kabels moeten ten laatste of 20 Juli aangegeven zijn, zover zulks nog niet geschied is. De aangifte van drijfriemen moet bij de „Kriegsleder-A.-G. Geschàftsstelle BrusseV, Anspachlaan 29, die van drijfkabels bij de „Zentral-Einkaufsgesellschaft, Abteilung Bindegarn'\ Lombardstraat 68 te Brussel, gedaan worden op de daartoe voorgeschreven formulieren. De bevoegdheid, waarmede de „Kriegsleder-A.-G.*' krachtens de Verordening van 27 september 1916 tot dusver bekleed was, gaat, wat de drijfkabels betreft, over op de „Zentral-Einkaufsgesellschaft" .
l

§ 3. De bezitters van drijfriemen en -kabels, die tekort gekomen zijn aan de op grond van de Verordening van 27 september 1916 opgelegde verplichting tot aangifte, kunnen zich ten laatste tot op 20 Juli nog straffeloos van deze verplichting kwijten.
l

§ 4. Bedrijven welke drijfriemen of wisselstukken nodig hebben, mogen zich nog alleen daarvan voorzien bij de „Riemenzuteilung der Rohstoffverwaltungsstelle'', Anspachlaan 29 te Brussel. De Zentral-Einkaufsgeseellschaft, Abteilung Bindegarn Lombardstraat 68 te Brussel, is belast met de toewijzing van drijfkabels.
Brussel, den 27 juni 1917.
No. 366. - 6. juli 1917.
Bekendmaking
Ter aanvulling van de Bekendmaking C, C IIIsl 4063 (Wet- en Verordeningsblad Nr. 358) :
1. De personen, die de eerste of de tweede proeve, voorbereidend tot het examen van aspirante-regentes wensen af te leggen kunnen zich ook laten inschrijven hij het bestuur van de vrije middelbare Meisjesnormaalscholen te 0. L. V. Waver {thans te Mechelen) en te Landen,
2. De inschrijvingen voor de voorbereidende proeven zullen tot 15 augustus aanvaard worden in de vrije middelbare Meisjesnormaalscholen te Sint-Niklaas {Maas), Landen Tumhout en O. L. V. Waver.
3. De inschrijvingen voor de ingangsproeve en voor het overgangsexamen van het eerste naar het tweede studiejaar, in de middelbare afdeling van de Rijks Normaalschool te Gent, zullen door het bestuur van deze school tot 15 Augustus aanvaard worden.
Brussel, den 2n Juli 1917.
No. 366. - 6. juli 1917.
Kennisgeving
Bij besluit van 28 juni 1917 is de Maatschappij van het Gemeentekrediet gemachtigd, voor rekening van verschillende besturen, een lening van tachtig miljoen frank (80.000.000) frank tegen 4 % aan te gaan ; zij heeft deze lening zelf onderschreven met benutting van haar stamkapitaal en van haar steunkapitalen.
No. 367. - 9. juli 1917.
Beschikking
Onder wijziging van de beschikking van 16 januari 1915 van mijn ambtsvoorganger, belast ik, met ingang van heden, den heer Oberamhtmann Schaible te Brussel Hoofd van het burgerlijk bestuur {Verwaltungschef) voor het Vlaams bestuurlijk gebied met de waarneming der rechten en ambtsverrichtingen van de ministers van Binnenlandse Zaken, Landbouw en Openbare Werken, Wetenschappen en Kunsten Justitie en van Nijverheid en Arbeid voor het Vlaams bestuurlijk gebied ; den heer Landrat Daniely te Namen, Hoofd van het burgerlijk bestuur voor het Waals bestuurlijk gebied, met de waarneming van dezelfde rechten en ambtsverrichtingen voor dit laatste gebied. Zover de ministeries te Brussel door mijn Verordeningen van 5 en 12 juni 1917 (Wet- en Verordeningsblad, bl. 3669, 3671, 3675, 3734, 3839), voorlopig ook voor het Waals bestuurlijk gebied belast zijn met het beheer van enkele diensttakken, zal het Hoofd van het burgerlijk bestuur voor het Vlaams bestuurlijk gebied eveneens de rechten en ambtsverrichtingen dier ministers uitoefenen voor het Waals bestuurlijk gebied. Ik belast den heer Geheimen Ober-Finanzrat Fochhammer te Brussel, leider van de afdeling van Financiën {Leiter der Finanzabteilung) bij den Generalgouverneur in België, voorlopig met de waarneming der rechten en ambtsverrichtingen van den minister van Financiën, zowel voor het Vlaams als voor het Waals bestuurlijk gebied.
Brussel, den en Juli 1917.
No. 367. - 9. juli 1917.
Verordening ***
betreffende de aangifte van bet vermogen van onderdanen van bet vijandelijk buitenland in België.l

§ 1. Al de nijverheids en handelsondernemingen, waaraan Engelse of Franse onderdanen deel hebben, evenals onroerende goederen die geheel of gedeeltelijk in eigendom toebehoren aan Engelse of Franse onderdanen, moeten aangegeven worden bij de Afdeling voor Handel en Nijverheid (Abteilung fur Handel und Gewerbe), Wetstraat, 175, te Brussel Aandeelhouders zijn eveneens als deelhebbers in den zin van deze bepaling te beschouwen,l

§ 2. Ondernemingen en onroerende goederen, die reeds onder dwangbeheer of onder toezicht staan, moeten niet worden aangegeven.l

§ 3, De houders en, hij dezer ontstentenis, de leiders of (aangestelden van de betrokken onderneming, alsook de eigenaars of bezitters van de onroerende goederen zijn verplicht de voorgeschreven aangifte te doen. Bijaldien geen van de hiervoren bedoelde personen aanwezig waarvan de betrokken vermogensbeheerders, de met het onderhoud belaste personen, de advocaten of notarissen, aan wier zorgen de ondernemingen of onroerende goederen toevertrouwd zijn, onder de verplichting tot aangifte.l

§ 4, Bestaat er twijfel omtrent het staatsburgerschap van een der in § 1 opgesomde personen, dan moet hij, die aan de verplichting tot aangifte onderworpen is, te werk gaan, alsof ze vijandelijke onderdanen in den zin van deze Verordening waren.l

§ 5. De aangifte moet ten laatste op 10 Augustus 1917 gedaan zijn, Een latere termijn kan daartoe echter worden toegestaan, wanneer hij die aan de verplichting tot aangifte onderworpen is zulks aanvraagt,l

§ 6. Wie verzuimt aangifte te doen of ze niet binnen den voorgeschreven termijn doet, wordt met ten hoogste 100.000 mark boete en met ten hoogste 5 jaar gevangenis of met een van deze straffen gestraft.l

§ 7. De krijgsrechtbanken en de krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.
Brussel, den 4 n Juli 1917,
No. 367. - 9. juli 1917.
Verordening ***
Bij uitbreiding van mijn Verordening van 17 April 1917 verklaar ik, dat, met ingang van den dag der bekendmaking der Verordening, al het gezaagde hout van inlandse herkomst, het kanthout er hij begrepen, evenals al het gezaagd hout —- rond- en kanthout — van uitheemse herkomst in beslag genomen. Door het feit van de inbeslagneming, verliezen de eigenaars het recht te beschikken over de houtstapel, die zij evenwel zorgvuldig moeten bewaren en behoorlijk behandelen, Overtredingen worden met ten hoogste 10.000 mark boete en met ten hoogste 3 jaar gevangenisstraf of met een van deze straffen gestraft. De krijgsrechtbanken en krijgsoverheden zijn tot oordeelvellen bevoegd. Brussel, den 6n Juli 1917. Ik bepaal dat vorenstaande Verordening in de verschillende gemeenten hij openbare aanplakbrief ter kennis moet worden gebracht.
No. 368. - 11. juli 1917.
Verordening **
Betreffende bet opnemen van de in België voorhanden zijnde stapels drogerijwaren en scheikundig-farmaceutische voortbrengselen.
l

§ 1. Wie de in § 2 opgesomde drogerijwaren en scheikundige stoffen in bewaring heeft, is verplicht er aangifte van te doen, met vermelding van de voorhanden zijnde hoeveelheden, De aangifte moet ten laatste op 31 juli 1917 gedaan zijn bij de „Deutsche Amtliche Kontrollstelle fur die Arzneimitieleinfur' Twee Kerkenstraat 26, te Brussel. De stapels moeten aangegeven worden zoals zij op 20 juli 1917 voorhanden zijn.
Al de natuurlijke en rechtspersonen, handelsbedrijven en ondernemingen tot nut van het algemeen, openbaarrechtelijke genootschappen en bonden, die de in paragraaf 2 opgesomde stoffen in bewaring hebben, om het even of zij er al dan niet eigenaar van zijn of het recht hebben er over te beschikken, zijn verplicht aangifte te doen. Voor de handelingen van privaat- of openbaarrechtelijke personen zijn diegenen verantwoordelijke die aangesteld zijn om ze wettelijk te vertegenwoordigen,
l

§ 2. Moeten aangegeven worden :
Agar-Agar
Ipecacuanha-wortel
Aloë, zuiver of vewerkt
Morphine in om het even welken vorm
Anijszaad {ructus anisi vulgaris)
Perubbalsem of vervangende stof
Boorzuren, zuiver of verwerkt
Althaeawortel en athaeabloemen
Rabarberwortel
Salversaan en neosalversaan
Looizuren. Senewortel
Kamfer, zuiver of verwerkt
Senneblad
Carholzuur, zuiver of verwerkt
Zoethoutwortel
Zoethoutsap, zuiver of verwerkt
Cocaïne in om het even welken vorm
Wijnsteenzuren en zouten
Copaiva-balsem
Citroenzuren en de zouten ervan
Creoline
Cresol, zuiver of verwerkt
l

§ 3. leder persoon die tot aangifte verplicht is, moet een register houden waarin elke wijziging in de voorhanden zijnde voorraden, alsook het gebruik dat er van gemaakt werd, dient te worden aangetekend. De lasthebbers van de militaire en burgerlijke overlieden zijn bevoegd te allen tijde inzage te nemen van deze registers, van de zakenboeken en zakenpapieren, alsook de lokalen waar de voorraden geborgen liggen te doorzoeken.
l

§ 4. Alle maanden moeten de nieuw ingeslagen en de afgezette waren aangegeven worden. Deze aangifte is voor de eerste maal te doen op 1 september 1917
l

§ 5. De aangiften mogen slechts op de hiervoren bedoelde ambtelijke bewijzen van aangifte worden gedaan. Deze bewijzen zijn verkrijgbaar op de „Kontrollstelle fur die Arzneimitteleinfur te Brussel, of bij den bevoegden Kreischef
l

§ 6. Alle aanvragen en voorstellen, die betrekking hebben op deze Verordening of op de gebeurlijk daartoe uitgevaardigde uitvoeringsbepalingen, zijn te richten tot de „Deutsche Amtliche Kontrollstelle fur die Arzneimitteleinfuhr" te Brussel en moeten het opschrift „Bestandsaufnahme'' dragen.
l

§ 7. Wie de voorschriften van deze Verordening opzettelijk of uit nalatigheid overtreedt, wordt, zover een andere strafwet geen zwaarder straf voorziet, met ten hoogste 2 jaar gevangenis en met ten hoogste 25.000 mark boete of met een dezer straffen gestraft. Bovendien is de verbeurdverklaring van de voorwerpen, waarop de strafbare handeling betrekking heeft, in al de gevallen van overtreding toegelaten; bijaldien de overtreding opzettelijk is begaan, moet de verbeurdverklaring steeds uitgesproken worden. Overigens zijn de voorschriften van de Verordening van 17 juni 1917 houdende uitbreiding van de strafbepalingen der in verband met de oorlogseconomie uitgevaardigde Verordeningen, van toepassing.
l

§ 8. De voorschriften van § 2,2e zin, §6 en §7,2e zin van het 1e lid en 2e lid van deze Verordening zijn niet toepasselijk op de waren, waarvan bewezen kan worden dat zij op 20 Juni 1917 in het bezit waren van de Commission for Relief in Belgium of van het Nationale Hulp- en Voedingskomiteit,
Brussel den 27  juni 1917.
No. 389. - 14. juli 1917.
Bekendmaking betreffende de liquidatie van Britse ondernemingen.
Met toestemming van den heer Generaalgouverneur in België, heb ik, overeenkomstig de Verordening van 29 augustus 1916, over de liquidaties van Britse ondernemingen {verschenen in nr. 253 van 13 september 1916 van het Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België) de liquidatie bevolen van het in België voorhanden zijnde vermogen van den Engelsen onderdaan John D. Mac. Gregor, Bosmanslei 21 te Antwerpen.
De heer Dr. Lappenberg, te Antwerpen, is tot liquidator benoemd. De liquidator verstrekt nadere inlichtingen, Brussel, den 6 Juli 1917.
No. 369. - 14. juli 1917.
Bekendmaking betreffende de liquidatie van Britse ondernemingen. Met toestemming van den heer Generaalgouverneur in België, heb ik, overeenkomstig de Verordening van 29 augustus 1916, over de liquidaties van Britse ondernemingen (verschenen in nr. 253 van 13 september 1916 van het Weten Verordeningsblad voor de bezette streken van België), de liquidatie bevolen van de Britse deelhebbing aan het in België voorhanden zijnde vermogen van de firma De Bouhaix, Oedenkoven & Cie., te Antwerpen.
De heer Dr, Lappenberg, te Antwerpen is tot liquidator benoemd. De liquidator verstrekt nadere inlichtingen. Brussel, den 8n Juli 1917,
No. 369. - 14. juli 1917.
Bekendmaking betreffende de liquidatie van Franse ondernemingen.
Met toestemming van den heer Generaalgouverneur in België heb ik, overeenkomstig de Verordeningen van 29 augustus 1916 en van 15 April 1917, over de liquidaties van vijandelijke ondernemingen {Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, nr. 253 van 13 september 1916 en nr. 335 van 19 April 1917), de liquidatie bevolen van de Franse deelhebbing aan het in België voorhanden zijnde vermogen van de firma Fabrique de Soie Artificielle de Tubize, te Tweebeek. De heer luitenant Maas, Krijgschool te Brussel, is tot liquidator benoemd. De liquidator verstrekt nadere inlichtingen.
Brussel, 5 Juli 1917,
No. 369. - 14. juli 1917.
Bekendmaking
betreffende de liquidatie van Franse ondernemingen.
Met toestemming van den heer Generaalgouverneur in België, heb ik, overeenkomstig de Verordeningen van 29 Augustus 1916 en van 15 April 1917, over de liquidaties van vijandelijke ondernemingen (Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, nr. 253 van 13 september 1916 en nr. 335 van 19 April 1917), de liquidatie bevolen van het in België voorhanden zijn de vermogen van de Societe Generale des Chaussures Françaises Raoul, Parijs.
De heer luitenant Maas, Krijgsschool te Brussel is tot liquidator benoemd. De liquidator verstrekt nadere inlichtingen,
Brussel, den 8n Juli 1917.

No. 369. - 14. juli 1917.
Bekendmaking ***
Op grond mijner Verordening van 8 Juli 1916, betreffende de Oogstkommissies, evenals der uitvoeringsbepalingen van 8 Juli 1916 tot deze Verordening, heb ik, op voorstel der Centrale Oogstkommissie {Zentral-Ernie-Kommission), de hoogste prijzen voor den verkoop van gedorst koren, meel, zemelen en brood voorshands als volgt vastgesteld : voor tarwe uit stapelplaats of molen geleverd frank 58.09 per 100 kgr.
rogge uit stapelplaats of molen geleverd . „ 30.03 „
masteluin uit standplaats of molen geleverd „ 30.12 „
ongepelde spelt uit stapelplaats of molen geleverd „ 27.14 „
zemelen uit standplaats of molen geleverd „ 21.50 „
tarwemeel aan bakkers of verbruikers geleverd „ 64.80 „
roggemeel aan bakkers of verbruikers geleverd „ 35.87 „
masteluinmeel aan bakkers of verbruikers geleverd „ 35.96 „
tarwebrood aan verbruikers geleverd . . „ —.56 „ kgr.
Deze hoogste prijzen worden op 20 Juli 1917 van kracht. De provinciale Oogstkommissies {Provinzial-Ernte' Kommissionen) zijn bevoegd, voor de omschrijving van afzonderlijke gemeenten, op verzoek of na raadpleging van de burgemeester telkens een lageren hoogsten prijs voor brood, tot het bereiden waarvan roggemeel wordt gebruikt, vast te stellen,
Voor den verkoop van koren door de voortbrengers aan het Nationaal Hulp- en Voedingskomiteit blijven de hoogste prijzen, vastgesteld in de uitvoeringsbepalingen tot de Verordening van 8 Juli 1916, betreffende de Oogstkommissies, van kracht
Brussel, den 5 juli1917,
No. 370. - 17. juli 1917.
Verordening
Tot wijziging van de wet van 17 April 1896, betreffende de rechten op de tabak.l

§ 1, De voorschriften van de hoofdstukken I en II der wet van 17 April 1896 zijn gewijzigd als volgt :

Hoofdstuk I.
Rechten op de buitenlandse tabak.l

Art. 1, Behoudens het aanvullend tolrecht, voorzien hij de Verordening van 4 april 1917, betreffende de heffing van een aanvullend tolrecht op de tabak (Wet- en Verordeningsblad, hl. 3613), moeten, ter vervanging van de thans toepasselijke tolrechten, op de buitenlandse tabak, de volgende invoerrechten per 100 kilogram, geheven worden:

1) Voor bewerkte tabak :l

a) Sigaren 1100 fr,l

b) Sigaretten 2300 fr.l

c) Gekorven rooktabak 1000 fr,l

d) Andere bewerkte tabak, met inbegrip van  tabak (praiss) 300 fr.

2) Voor onbewerkte tabak :l

a) Gestroopte tabak 300 fr.
h) Andere tabak, met inbegrip van tabaksribben en afval van tabak 200 fr,
Het aanvullend tolrecht van 10 %, voorzien bij artikel 2 van de Verordening van 1 maart 1916, waarbij het toltarieven enkele accijnsrechten gewijzigd werden (Wet en Verordeningsblad, hl, 169i) zal niet geheven worden met deze tolrechten.
De van het buitenland ingevoerde, onbewerkte tabak is niet meer onderworpen aan het accijnsrecht, voorzien bij de wet van 17 April 1896.

Hoofdstuk II
Recht op de inlandse ruwe tabak (accijnsrecht).l

Art. 2. Het recht op de tabaksteelt blijft opgeheven.l

Art. 3. Al de in het land verbouwde tabak is belastbaar met een accijnsrecht, dat naar het gewicht van de gedroogde, ongegiste ruwe tabak van elke soort en hoedanigheid, op voet van 90 fr. de 100 kilogram berekend wordt. Voor de tot eigen verbruik van den tabaksplanter gebezigde tabak wordt geen vrijstelling van het accijnsrecht toegestaan.
l

Art. 4. Het accijnsrecht wordt betaald :

1) hij den eersten afstand van de tabak, bijaldien de afstand plaats heeft voor 1 maart van het op het oogstjaar volgend jaar, door den koper of anderen verwerver van de tabak ;

2) in elk ander geval door degene die naar art. 8, verplicht is de op het inlands perceel grond geoogste tabak ter ambtelijke weging te brengen. In het geval voorzien onder cijfer 1) is, behalve de verwerver ook de verkoper als medeschuldenaar borg voor de betaling van het recht.
l

Art. 5. Het accijnsrecht is invorderbaar :l

a) in de onder art. 4, cijfer 1 voorziene gevallen, op het ogenblik van de levering van de tabak aan den verwerver ; l

b) in de onder art. 4, cijfer 2 voorziene gevallen, den In maart van het op het oogstjaar volgend jaar. Mits borgstelling mag drie maanden uitstel worden verleend voor de kwijting van het accijnsrecht Bijaldien de tabak in een door den accijnsdienst aangenomen stapelplaats opgeslagen wordt, is het accijnsrecht eerst invorderbaar, zodra de tabak uit de stapelplaats in den handel komt,

Aangifte van de tabakslanden.l

Art. 6. Wie een met tabak beplant perceel grond in zijn bezit heeft (tabaksplanter), ook wanneer hij de tabak tegen een bepaald aandeel of onder andere voorwaarden door een ander laat aanplanten of verzorgen, is verplicht, ten laatste op 25 juli, bij het gemeentebestuur op wiens gebied het perceel grond ligt, nauwkeurig en waarachtig schriftelijk aangifte te doen van de beplante percelen grond, die daarbij afzonderlijk volgens ligging en grootte, evendU met het aantal tabaksplanten welke er op wassen, te vermelden zijn, Wat de eerst na 25 Juli aangeplante percelen betreft, moet de aangifte ten laatste den derden dag na het begin der beplanting worden gedaan, Het gemeentebestuur is verplicht de binnengekomen aangiften onmiddellijk aan den bevoegden accijnsdienst te doen toekomen.
l

Art. 7. De accijnsdienst zal de aangiften onderzoeken ; de gemeentebeambten moeten hem daarbij behulpzaam zijn. Van den tabaksplanter mogen daarvoor geen meetkosten gevorderd worden,

Verantwoordelijkheid van den tabaksplanter voor het ter weging brengen van de tabak.
Art, 8, Wie een met tabak beplant perceel grond in zijn bezit heeft is verantwoorddijk voor het brengen van de op 1 hetzelfde verbouwde tabak ter ambtelijke weging. Indien het perceel grond na de aangifte {art. 6) en voor het einde van den oogst, van bezitter verandert, gaat de verplichting of den nieuwen bezitter over, zonder dat daarbij rekening wordt gehouden met de door de partijen getroffen schikkingen. Van elke soortgelijke verandering moet de nieuwe bezitter binnen drie dagen nadat zij zich voordeed, hij het gemeentebestuur schriftelijk aangifte doen ; in geval van vrijwillige afstand moet de vorige bezitter de aangifte mede ondertekenen. Het gemeentebestuur is verplicht deze aangiften onmiddellijk aan den bevoegden accijnsdienst te doen toekomen,

Vaststelling van de te vertonen gewichtshoeveelheid.l

Art. 9. Om de zekerheid te hebben, dat de gehele hoeveelheid verbouwde tabak ter weging zal worden gebracht, heeft de accijnsdienst, voor het begin van den oogst, een voor den bezitter van het perceel grond verbindende vaststelling der minimum gewichts hoeveelheid te doen, die ter weging gebracht en, bijaldien zulks niet is geschied en ook het verlies niet in overeenstemming met de voorschriften is bewezen (art, 11), aan het recht onderworpen moet worden.
l

Art. 10. De waarnemingen die tot de ambtelijke vaststelling van de minimum gewichtshoeveelheid nodig zijn, worden ter plaatse door een hiervoor aangestelde accijnsbeambte gedaan. De termijn waarop ter plaatse zal worden overgegaan tot de waarnemingen of tot de raming, moet aan het gemeentebestuur en, door dit laatste aan de tabaksplanters te voren worden bekendgemaakt. Elke tabaksplanter heeft het recht de waarnemingen op zijn perceel hij te wonen. De bevinding wordt voor elk perceel grond afzonderlijk op een lijst aangetekend; deze lijsten liggen ter image in de gemeente,
Binnen een uiterlijk tijdsbestek van drie dagen nadat volgens plaatselijk gebruik is bekendgemaakt dat de lijst ter image ligt heeft de tabaksplanter het recht tegen de vaststelling verzet aan te tekenen. Dit verzet is schriftelijk in te dienen hij het gemeentebestuur, dat het onmiddellijk aan den accijnsdienst zal overmaken; in het verzet moet het bedrag van de gewenste vermindering nauwkeurig aangegeven worden. Een voor het betrokken gebied ingestelde kommissie bestaande uit den kontroleur der accijnzen

en twee door den Voorzitter van het burgerlijk bestuur (Pràsident der Zivilverwaltung) der betrokken provincie genoemde deskundigen, zal uitspraak doen over het verzet. De kommissie neemt haar beslissingen hij meerderheid van stemmen. De kontroleur der accijnzen is helast met de leidirig van haar verrichtingen. Wordt bevonden dat het verzet ongegrond is, dan zullen de door het onderzoek en door de beslissing ontstane kosten geheel of gedeeltelijk ten laste van den tabaksplanter.

Art, 11. De vastgestelde tabakshoeveelheid is voor vermindering
vatbaar :

1) ten gevolge van gebeurlijk voor de ambtelijke toeging voorgekomen ongevallen waaronder ook een na vaststelling der gewichtshoeveelheid slechte aangroei te begripen is), bijaldien bewezen kan worden dat de gewichtshoeveelheid van de verbouwde tabak daardoor een vermindering heeft ondergaan. Van ieder soortgelijk ongeval is ten laatste den vierden dag nadat het voorkwam, en, wanneer het de tabak op het veld heeft getroffen, in elk geval voor het begin van den oogst, schriftelijk aangifte te doen hij het gemeentebestuur. Het gemeentebestuur is verplicht de aangifte onmiddellijk te doen toekomen aan den bevoegden accijnsdienst, die hei ambtelijk bedrag der schade vast te stellen en over de aanspraak op vermindering van de te vertonen gewichtshoeveelheid te heslissen heeft ;

2) ten gevolge van verlies aan bladerbreuk en afvaî, dat zich in de gewone omstandigheden tot bij de weging voordoet Voor den hiervoor te verlenen aftrek, evenals voor de handelwijze in de onder cijfer 1 voorziene gevallen, zijn de nader door den accijnsdienst uit te vaardigen bijzondere bepalingen in acht te nemen,

Bezoek der droogplaatsen.
Art, 12. De accijnsbeambten zijn gemachtigd de plaatsen te bezoeken, waarin de geoogste tabak gedroogd of bewaard wordt. Zij mogen te allen tijde de inlevering van stalen vorderen, die tot vaststelling der eenzelvigheid van de tabak geschikt zijn en na de berekening der accijnsrechten teruggegeven worden.

 Afstand van de tabak.l

Art. 13. Voor 1 Maart van het op het oogstjaar volgend jaar, mag de tabaksplanter de tabak die op de aangegeven percelen grond in het oogstjaar werd verbouwd hetzij een gedeelte er van, niet afstaan voordat de daarvoor verschuldigde accijnsrechten zijn betaald of voordat uitstel van de betaling is verleend. De uitvoer van de nog niet vertolde tabak over de tolgrens is slechts toegelaten na voorafgaande aangifte en onder ambtelijk toezicht  zoover de uitvoer geoorloofd is door de algemene bepalingen over uitvoer van waren.

Weging.l

Art. 14. Het gewicht van de tabak wordt ten laatste op 18 maart van het op het oogstjaar volgend jaar, nadat zij volledig gedroogd is en voor het begin der gisting, vastgesteld door ambtelijke toeging ten kantore der accijnzen van het gebied ofwel in de bijzondere afwegingskantoren, ingericht volgens de noodwendigheden van elke plaats waar tabak verbouwd wordt.

Verpakking van de tabak bestemd tot de weging.l

Art. 15. Met het oog oj> de toeging moeten de tabaksbladeren na de afneming overeenkomstig de onderrichtingen van den accijnsdienst in bussels en bundels gepakt en aldus ter weging gebracht worden. Bovendien moeten de „grumpen'\ afgebroken bladeren en andere afval, ter weging gebracht worden. De vermindering voor tarra uit hoofde der verpakking van de afgewogen tabak zal vastgesteld worden op voet van proefwegingen,

Tijdstip der weging.l

Art. 16. De accijnsdienst stelt na overleg met het gemeentebestuur den dag vast waarop de tabak tot onderzoek en toeging moet aangeboden worden ; de gemeentebesturen hebben voor de bekendmaking van dezen dag op de in hun gemeerte gebruikelijke wijze te zorgen. Waar de noodwendigheid bestaat vroeger over te gaan lot de ambtelijke toeging van de grumpen*' of van de zandbladeren dan tot die van het bovengoed, kan het gemeentebestuur een bijzondere termijn voor het wegen van grumpen en van de zandbladeren aanvragen. In dit geval moet het gemeentebestuur in bijzonder kennis geven €um den accijnsdienst van den aanstaanden verkoop van de grumpen** of van het begin der afneming van de Zandbladeren.

Handelwijze.l

Art. 17. Hei aantal ter weging gebrachte bundels (art, 15) moet v66r het onderzoek en van de weging schriftelijk aangegeven worden aan de beambten-wegers. Ontstaan er naar aanleiding van de aangiften oj tijdens het onderzoek oj de weging bedenkingen, welke een verder onderzoek vergen, dan is de eigenaar van de tabak gehouden deze op zijn kosten onder ambtelijke bewaring en afsluiting te stelîen, totdat de aangelegenheid bepaald geregeld is.

Vaststelling van den accijns.l

Art. 18. Over den uitslag van de weging wordt een ambtelijk getuigschrift afgeleverd. Onmiddellijk daarna heeft de vaststelling van het accijnsbedrag plaats, waarbij het bevonden gewicht van de dakripe tabak aangenomen wordt als belasthaar gewicht van de tabak in gedroogde toestand.

Vervolgens wordt het vastgesteld accijnsbedrag kenbaar gemaakt aan degene die de tabak ter ambtelijke weging moet brengen. Van de belasting wordt afgezien, bijaldien de vernieling van de tabak of haar onbruikbaarmaking tot 's mensen genot voor of tijdens de weging aangevraagd en onder ambtelijk toezicht voltrokken wordt. De tabak die in de bergplaats volkomen bedorven of onbruikbaar geworden, en onder ambtelijk toezicht vernield is, blijft eveneens vrij van de accijnsrechten. Ingeval de tabak, die nog hij den tabaksplanter ligt, voor den afloop van den inning der rechte vastgestelde termijn, geheel of gedeeltelijk klaarblijkelijk door brand vernield wordt, kan een evenredige ontslaging van den accijns verleend worden.

Invordering van den accijns op de aan de weging onttrokken tabak.l

Art. 19. Bijaldien de voorgeschreven gewichtshoeveelheid {art. 9 v.v.) niet volledig ter weging is gebracht, of op andere wijze wordt vastgesteld dat een gedeelte van de belastbare tabak aan de weging onttrokken werd, moet het daarvoor te ontvangen accijnsrecht — onverminderd de gebeurlijke strafvervolging — eveneens vastgesteld en onmiddellijk ingevorderd worden van degene die verantwoordelijk is voor het ter weging brengen. Voor de betaling van zulke accijnsbedragen wordt geen uitstel verleend.

Voorschriften voor de tabaksteelt.l

Art. 20. De accijnsdienst is gemachtigd betreffende de behandeling der tabaksplanten verdere bepalingen uit te vaardigen.

Gebruik van tabakssurrogaten.l

Art. 21. Het gebruik van tabakssurrogaten tot het vervaardigen van tabak is verboden. De accijnsdienst kan uitzonderingen op dit verbod toestaan ; hij heeft daarbij nadere bepalingen uit te vaardigen aangaande het nodige toezicht en aangaande de betaling van de rechten voortspruitende uit het gebruik van surrogaten. Art. 22. Ten einde de naleving van het bij art. 21 uitgesproken verbod na te gaan, is het beheer der accijnzen bevoegd, bij de fabrikanten en handelaars, tijdens de gewone werkuren of gedurende de opening der magazijnen, stalen van elk tabaksfabricaat te doen lichten en nauwkeurige aanduidingen te vergen over de herkomst van het betrokken fabricaat.

Ontlasting voor uitvoer.l

Art. 23. Bij den uitvoer van tabak en tabaksfabricaten
Voor de accijnsrechten gekweten zijn word volgens de nadere bepaling van den accijnsdienst een vergoeding op het accijnsrecht toegestaan bijaldien de uitvoer onder toezicht van den dienst der accijnzen geschiedt Bij den uitvoer van groene bladeren, van ganse tabaksribben en van afval van tabak wordt geen vergoeding toegestaan.

Strafbepalingen ; betiteling der ontduiking.l

Art. 24. Wie zich aan de betaling poogt te onttrekken van het hij deze Verordening op de inlandse tabak vastgesteld accijnsrecht, maakt zich plichtig aan ontduiking.

Maakt zich inzonderheid plichtig aan ontduiking :

1) wie verzuimt bijtijds de hij artikel 6 voorziene aangifte betreffende alle of afzonderlijke met tabak beplante percelen te doen ,'

2) me zich niet kwijt van de verplichting, de tabak die aan het accijnsrecht onderworpen is, ter ambtelijke weging te brengen.
l

Art. 25. Onderstaande gevallen zijn gelijkgesteld met de ontduiking van het te betalen accijnsrecht :

1) wanneer tijdens de hij artikel 11, cijfer 1, voorziene ambtelijke opneming van het door ongeval berokkend verlies, de voorhanden zijnde hoeveelheid verbouwde tabak niet volledig wordt aangegeven ;

2) wanneer de tabaksplanter voor 1 Maart van het jaar volgend op het oogstjaar, de gewonnen tabak of een gedeelte er van in strijd met de bepaling van artikel 13 van de hand doet ;

3) wanneer de tabaksplanter de bijzondere bepalingen, betreffende de behandeling der tabaksplanterijen overtreedt;

4) wanneer over inlandse tabak, voor den uitvoer waarvan over de tolgrens van ambtelijke zijde het nodige werd gedaan, naar eigen goeddunken beschikt wordt voordat de uitvoer heeft plaats gehad (art. 13) ;

5) wanneer inlandse tabak, waarvoor de accijnsrechten niet gekweten werden, zonder de voorgeschreven kennisgeving, uit de bergplaats verwijderd wordt, zover in zulk geval de straf (op de tolontduiking niet toepasselijk is.

Straf op de ontduiking.l

Art. 26. Het ontduiken van het accijnsrecht (art. 24 en 25) wordt gestraft met een boete ten belope van het tiendubbel bedrag der geschonden rechten. Naast de boeten blijven de rechten te betalen. Wordt tijdens de vervolging van een rechtsontduiking vastgesteld dat het perceel grond, waarop de betreffende tabak verbouwd werd, niet aangegeven is (art. 24, cijfer 1), zo zal tegen dezelfden overtreder slechts een ontduikingsstraf uitgesproken worden, en wel ingevolge de feiten waarop de hoogste straf is voorzien.
l

Art. 27. Het accijnsrecht, volgens hetwelk de straf te berekenen is, wordt vastgesteld volgens de hoeveelheid en het gewicht van de tabak die niet bijtijds ter ambtelijke weging gebracht werd (art. 24, cijfer 2) of die het voorwerp uitmaakt van de ontduiking of van het verzuim. Zover het tot de vaststelling van het ontdoken accijnsbedrag nodig is de hoeveelheid van de op een of meer percelen grond verbouwde tabak te bepalen, wordt, bij gebrek aan andere voldoende grondslagen, het hoogste bedrag berekend, dat naar verhouding van de oppervlakte voor het betrokken jaar vastgesteld werd op een tabaksland gelegen in hetzelfde of in het aangrenzend gebied. Eveneens wordt, zover de vaststelling van het gewicht niet anders geschieden kan, tot grondslag aangenomen het hoogste gemiddeld gewicht, dat voor de opbrengst van een planterij, gelegen in hetzelfde of in het aangrenzend gebied, door ambtelijke weging vastgesteld werd.
Art. 28. Kan het bedrag van den ontdoken accijns op generlei wijze vastgesteld worden, zo komt in plaats van het tienvoudig bedrag der belasting, een boete van 50 tot 4.000 frank. Wie het verbod van artikel 21 overtreedt, wordt met dezelfde boete gestraft.
Art. 29. Wie poogt een vergoeding op den accijns te bekomen die in Het geheel niet, of slechts voor een kleinere hoeveelheid te verrechtvaardigen is, wordt gestraft met een boete ten belope van het tienvoudig bedrag van de ten onrechte gevorderde vergoeding.

Ordestraffen.l

Art. 30. Wie de bepalingen van deze Verordening of de daartoe uitgevaardigde uitvoeringsbepalingen overtreedt, wordt zover de straf op de ontduiking niet toepasselijk is, met een ordestraf van 100 tot 200 frank gestraft. De accijnsdienst kan, naast de ordestraffen, door dwangmaatregelen, en wel door bedreiging en oplegging van boeten van ten hoogste 400 frank, de voorschriften over de behandeling van tabaksplanten en de verpakking van de tabak doen nakomen, alsook op kosten van de nalatigen het nodige doen uitvoeren.

Verantwoordelijkheid van de lastgevers voor de door hun lasthebbers opgelopen boeten.l

Art. 31. Tabaksplanters en degenen waarop de wettelijke verplichtingen van den tabaksplanter zijn overgegaan, alsmede tabakshandelaars, kommissionarissen, makelaars en fabrikanten zijn als gezamenlijke schuldenaars aansprakelijk voor de boeten. die krachtens deze Verordening opgelopen werden door hun beheerders, bedienden, echtgenoten, kinderen en dienstboden, of door om het even welke personen, die bij hen in dienst of in dagloon zijn, of gewoonlijk bij de familie verblijvend alsmede voor de rechten en de ontstane proceskosten. Wordt bewezen dat de overtreding buiten hun weten bedreven is, zo zijn zij slechts voor de accijnsrechten aansprakelijk. Tabaksplanters en degenen waarop de wettelijke verplichtingen der tabaksplanters zijn overgegaan, blijven, betreffende de door hen ter weging te brengen tabak, onder alle opzichten aansprakelijk voor het accijnsrecht dat achterhouden werd ten gevolge van een ongeoorloofde verrichting of van een verzuim van bovengemelde personen, waarvoor zij verantwoordelijk zijn, zover dat recht van de eigenlijke schuldigen niet kan ingevorderd worden,

Omzetting der boeten in gevangenisstraffen.l

Art. 32, Ingeval de boete niet invorderbaar is, wordt zij omgezet in een gevangenisstraf, die voor een eerste geval van ontduiking van 3 tot 6 maanden en voor de ordestraffen, van een dag tot 3 maanden bedraagt.
l

§ 2, De voorschriften van hoofdstuk III van de wet van 17 April 1896 zijn opgeheven. De voorschriften van hoofdstuk IX van bedoelde wet blijven slechts zover van kracht, als zij betrekking hebben op onbewerkte tabak, en zijn overigens opgeheven,
l

§ 3. De voorschriften van hoofdstukken IV V, Vbis VII,
VIII en X van de wet van 17 April 1896 blijven, zover zij niet in strijd zijn met de bepalingen van deze Verordening, van kracht.
l

§ 4. Art. 1, Inlandse, onbewerkte tabak uit het oogst jaar 1916 of uit vroegere oogstjaren is aan het accijnsbedrag onderworpen op voet van 90frank de 100 kg., ook wanneer de tabak tot het eigen verbruik van den planter bestemd is. Zover het accijnsrecht voor dergelijke tabak reeds volgens de wet van 17 April 1896 betaald werd, wordt het betaald accijnsbedrag afgerekend.

Art 2, Wie hij het in werking treden van deze Verordening tabak van de in art 1 bepaalde soort in bezit of in bewaring heeft, is verplicht deze tabak ten laatste op 25 Juli 1917 schriftelijk aan te geven hij den bevoegden ontvanger der accijnzen en terzelfder tijd den accijns volgens art 1 te betalen.
l

Art. 3. Het Beheer der accijnzen is gemachtigd zich van de juistheid der aangifte te overtuigen. De bezitter van de tabak is hierbij verplicht de nodige inlichtingen en behulpzaamheid te verstrekken en moet ook, indien hij daartoe wordt verzocht het voor het nawegen vereiste gereedschap verschaffen. Wordt hij het onderzoek der aangiften bevonden, dat te weinig accijnsrecht werd betaald dan is het aanvullend bedrag binnen drie dagen na de uitvaardiging van de waarschuwing te betalen. Te veel betaalde bedragen worden teruggegeven.
l

Art. 4. Wie in de hij art. 2 voorziene aangifte onnauwkeurige gegevens verstrekt of wie verzuimt deze aangifte binnen de voorgeschreven termijn te doen, wordt gestraft met een boete, belopende tienmaal het bedrag van het daardoor ontdoken accijnsrecht. Is de boete niet invorderhaar, dan wordt zij vervangen door een gevangenisstraf van 3 maanden tot 2 jaar. Naast de uitgesproken straf zal tot de verbeurdverklaring van de in aanmerking komende tabak of, bijaldien zulks niet uitvoerhaar is, tot het betalen van de waarde er van veroordeeld worden. Andere overtredingen van de bepalingen van art. l tot 3of van de daartoe uitgevaardigde uitvoeringsvoorschriften, worden in elk afzonderlijk geval gestraft met een boete van 50 tot 2.000 frank of, bijaldien deze niet invorderhaar is, met 8 dagen tot 6 maanden gevangenis. Kan het bedrag van het ontdoken accijnsrecht in de hij het le lid voorziene gevallen niet worden vastgesteld, zo zal de boete in elk afzonderlijk geval 2.000 frank bedragen. Naast de uitgesproken straf blijft bovendien het accijnsrecht te betalen.
l

§ 5. De leider van de afdeling van Financiën is belast met het uitvaardigen van de uitvoeringsbepalingen die met het oog of de uitvoering van deze Verordening nodig zijn,
Brussel, den 14n juli 1917,
No. 371. - 19. juli 1917.
Verordening ***
houdende aanvulling van de Verordening van %% September 1915, betreffende het vervaardigen en het verkopen van landkaarten van om het even welken aard (Wet- en Verordeningsblad, Nr 1 3, bl. 1088) Het is verboden kaarten van om het even welken aard op de schaal van 1 : 100.000 of daaronder, alsook plannen, die stadsinrichtingen of -gedeelten, spoorweg, haven- en fabrieksinrichtingen op dezelfde schaal weergeven, op openbare plaatsen aan te plakken, uit te stallen, uit te hangen of ten toon te spreiden. Overtredingen worden overeenkomstig artikel 5 van de Verordening van 22 September 1915 gestraft De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsoverheden zijn tot oordelen bevoegd. De Verordening wordt op den dag der uitvaardiging van kracht.
Brussel, den 15 juli 1917.
No. 371. - 19. juli 1917.
Bekendmaking
betreffende de liquidatie van Franse ondernemingen. Met toestemming van den heer Generaalgouverneur in België, heb ik overeenkomstig de Verordeningen van 29 augustus 1916 en van 15 april 1917 over de liquidaties van vijandelijke ondernemingen {Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, nr 253 van 13 September 1916 en nr 335 van 19 April 1917), de liquidatie bevolen van het in België voorhanden zijnde vermogen van de firma S. A, Cie fermiere de Etablissement thermal de Vichy, Parijs. De heer Dr. von Philipp, Krijgsschool te Brussel, is tot liquidator benoemd. De liquidator verstrekt nadere inlichtingen. Brussel den 12n Juli 1917.
H. B. 1750.
No. 372. - 22. juli 1917.
Verordening
Bij wijziging van het ministerieel besluit van 15 Oktober 1890 betreffende het programma der examens aan de Staatsuniversiteiten, en van artikel 31 van het ministerieel besluit van 30 Januari 1897, houdende het bijgaande reglement van de Universiteit te Gent toegevoegde technische scholen ; Op voorstel van den rektor der Universiteit te Gent, bepaal ik het volgende, voor de aan de Universiteit te Gent af te nemen examens :
Art. 1. Het programma van de beide gedeelten van het kandidaats examen in de wis- en natuurkunde, wordt als volgt gewijzigd: De proefondervindelijke natuurkunde wordt over de beide examens als volgt verdeeld :
a) het eerste examen : mechanica, geluid en licht,
b) het tweede examen : warmte en elektriciteit.
De algemene scheikunde {anorganisch gedeelte) wordt van het tweede examen afgenomen en bij het eerste gevoegd.
Art. 2, Het programma van de beide gedeelten van het kandidaatsexamen in de natuurwetenschappen, voorbereidend tot het doctoraat in de natuurwetenschappen of tot de artsenijbereidkunde, wordt als volgt gewijzigd : De proefondervindelijke natuurkunde wordt over de beide examens als volgt verdeeld :
a) het eerste examen : mechanica, geluid en licht,
b) het tweede examen : warmte en elektriciteit.
Art. 3. Het programma van de beide gedeelten van het examen van kandidaat-ingenieur {wettelijke graad), in de aan de Universiteit te Gent toegevoegde technische scholen, wordt als volgt gewijzigd : De proefondervindelijke natuurkunde wordt over de beide examens als volgt verdeeld :
a) het eerste examen : mechanica, geluid en licht,
b) het tweede examen : warmte en elektriciteit. De algemene scheikunde (anorganische en organische) wordt over de heide examens als volgt verdeeld :
a) het eerste examen : anorganische scheikunde,
b) het tweede examen : organische scheikunde.
Brussel, den 7n Juli 1917.
No. 372. - 22. juli 1917.
Beschikking
Gezien de Verordening van 23 Mei 1917 betreffende de inrichting een Hogere School voor Handelswetenschap bij de Staatsuniversiteit ie Gent Gezien de Verordening van 20 juni 1917, betreffende de voorwaarden tot aanvaarding en de toegang examens aan de Hogere School voor Handelswetenschap bij de Staatsuniversiteit te Gent, en de Verordening van juni 1917, betreffende de examen» tot het bekomen van den graad van licentiaat in de handelswetenschap aan bedoelde Hogere School, beschik ik het navolgende :
 Art 1. De jury's, gelast in het studiejaar 1916—17 over ie gaan in de aan de Staatsuniversiteit te Gent toegevoegde Hogere School voor Handelswetenschap, tot het afnemen van de toegangsexamens en van het examen tot het bekomen van den graad van licentiaat in de handelswetenschap, zijn samengesteld als volgt ;
 1. Jury voor de toegangsexamens. Voor namen zie hiervoor.
 2. Jury voor het examen tot het bekomen van den graad van licentiaat in de handelswetenschap (eerste gedeelte). Voor namen zie hiervoor.
Art. 3. Elke jury zal, in haar midden, een secretaris benoemen. Brussel, den 7n Juli 1917.
No. 372. - 22. juli 1917.
Beschikking.
Gezien de Verordening van 23 Mei 1917, , betreffende de oprichting van een Hogere Land- en Tuinbouwschool bij de Staatsuniversiteit te Gent ; Gezien de Verordening van 20 juni 1917, C. C. lllh 2384, betreffende de voorwaarden tot aanvaarding en de toegangsexamens aan de hij de Staatsuniversiteit Gent toegevoegde Hogere Land- en Tuinbouwschool, en de Verordening van 20 juni 1917,
No. 372. - 22. juli 1917.

Betreffende de examens tot het bekomen van den graad van landbouwingenieur en tuinbouwingenieur aan genoemde Hoge School, heb ik  het navolgende :
Art. 1. De jury's, gelast in liet studiejaar 1916/1917 over te gaan in de aan de Staatsuniversiteit te Gent toegevoegde Hoogere Land- en Tuinbouwschool tot het afnemen van de toegangsexamens en van het examen tot het bekomen van den graad van landbouwingenieur of tuinbouwingenieur, zijn samengesteld als volgt :
1. Jury voor de toegangsexamens. Die Herren C. de Bruyker, F. Brûlez, M. Minnaert, A. Vlamynck, P. Thibau, R. van Sint Jan, Dozent. Direktor der an die Universitat Gent angegliederten Hoohschule fiir Landwirtschaft und Gartenbau, Professer, Vorzitsender Professor Dozent Dozent Dozent
 2. Aîisschuss fiir die Priifung zur Erlangung des Grades eines Landbauingenieurs {erster Ahschnitt) : Die Herren C. de Bruyker, F. Stober, J. Versluys, J. Valeton, T. Vemieuwe, H. E. Boeke, M. Minnaert, Direktor der an die Universitat Gent angegliederten Hochschule fur Landwirtschaft und Gartenbau, Professor, Vorsitzender Professor Professor Professor Professor Professor Dosent. 3. AusschiLSS fur die Prûfung zur Erlangung des Grades eines Gartenhauingenieurs {erster Ahschnitt) : Die Herren C. de Bruyker, Direktor der an die Universitat Gent angegliederten Hochschule fiir Landwirtschaft und Gartenbau, Professer, Vorsitzender J. Versluys, Professor F. Brûlez, Professor A. Vlamynck, Dozent P. Thibau, Dozent E. van Sint Jan, Dozent.
2. Jury voor het examen tot het bekomen van den graad van landbouwingenieurs (eerste gedeelte). Voor namen zie hiervoor.
3. Jury voor het examen tot het bekomen van den graad van tuinbouwingenieur (eerste gedeelte). Voor namen zie hiervoor.
Art. 2. Elke jury zal, in haar midden, een secretaris benoemen. Brussel, den 7n Juli 1917.

No. 372. - 22. juli 1917
Bekendmaking
betreflende de liquidatie van Franse ondernemingen. Met toestemming van den heer Generaal Gouverneur van België, heb ik, overeenkomstig de Verordeningen van 29 augustus 1916  en van 15 April 1917, over de liquidaties van vijandelijke ondernemingen (Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, nr. 253 van 13 September 1916 en nr. 335 van 19 April 1917), de liquidatie bevolen van het in België voorhanden zijnde vermogen van de firma S. A. La Soie, Parijs. De heer Dr. von Philipp, is tot liquidator benoemd. De liquidator verstrekt nadere inlichtingen. Brussel, den 16 juli 1917..
No. 372. - 22. juli 1917.
Bekendmaking
betreffende de liquidatie van Britse ondernemingen. Met toestemming van den heer Generaalgouverneur in België, heb ik, overeenkomstig de Verordening van 29 Augustus 1916, over de liquidatie van Britse ondernemingen (verschenen in nr. 253 van 13 September 1916 van het wet en Verordeningsblad voor de bezette streken van Beîgië), de liquidatie bevolen van het in België voorhanden zijnde vermogen van de firma's Saxone Shoe Cy, (France) ,, Parijs, Saxone Shoe Cy. Ltd., Kilmamock, Cecil Shoe Cy., Northampton e Parijs, De heer luitenant Maas, Krijgsschool te Brussel, is tot liquidator benoemd. De liquidator verstrekt nadere inlichtingen. Brussel, den 16 Juli 1917.
6.
No. 372. - 22. juli 1917.
Verordening
houdende opheffing van vroegere Verordeningen betreffende het koren. De Verordeningen : van 8 Juli 1916, over de. Inbeslagneming van heti koren (Wet- en Verordeningsblad, van 8 juli 1916 betreffende de Oogstkommissies {Wet- en Verordeningsblad, bl. 2391/92) met de Uitvoeringsbepalingen tot deze Verordening van 8 Juli 1916 (Wet- en Verordeningsblad, bl. 2394/96), van 8 Juli 1916 over het malen en vervoeren van koren (Wet- en Verordeningsblad, bl. 2401), de bekendmaking van 30 Augustus 1916 betreffende het kopen van zaaikoren (Wet- en Verordeningsblad, bl. 2571), de Verordeningen van 6 Oktober 1916 houdende verbod om banketbakkerijwaren te bakken (Wet- en Verordeningsblad, bl. 2794/ 95), van 13 April 1917 betreffende de verhoging van den maalgraad (Wet- en Verordeningsblad, bl. 3577) en van 22 Mei 1917 betreffende den maalgraad (Wet- en Verordeningsblad, bl. 3777) zijn hierbij opgeheven. Strafbare handelingen, begaan voor het uitvaardigen van deze Verordening, vallen onder de bepalingen van de vroegere Verordeningen. Hetzelfde geldt wat betreft de vrijverklaring van de hoeveelheden koren uit den oogst 1916, die tot eigen verbruik van den verbouwer bestemd, van de inbeslagneming bevrijd zijn. Brussel, den 19n Juli 1917.
No. 372. - 22. juli 1917.
Verordening ***
over de inbeslagneming van het koren.
§ 1. Het koren van om het even welken aard,'namelijk rogge, tarwe en spelt, zowel ongemengd als met andere graansoorten vermengd, dat gedurende het oogstjaar 1917l  binnen het gebied van het Generaal-Gouvernement verbouwd werd, is hierbij, van zodra het afgemaaid is, ten bate van de burgerlijke bevolking binnen het gebied van het Generaal-Gouvernement in beslag genomen. De inbeslagneming omvat ook het uit in beslag genomen koren gemalen meel en de daarmede vervaardigde bakkerij- en deegwaren. De inbeslagneming is opgeheven met het uitdorsen voor het stro, met het uitmalen voor de zemelen. De inbeslagneming omvat het koren en meel uit vroegere oogstjaren, ook zover dit voor eigen voeding van den verbouwer of voor vervoedering bestemd was, doch daartoe niet werd gebruikt.
§ 2, Zoover in de hiernavolgende bepalingen niet anders wordt beschikt is het verboden aan de in beslag genomen stapels wijzigingen toe te brengen of er bi§ overeenkomst, verdrag, panding of verpanding over te beschikken.
§ 3. De bezitter van in beslag genomen stapels is gerechtigd en verplicht, al de tot het behoud der stapels vereiste maatregelen te nemen; hij is gerechtigd en verplicht te dorsen.
§ 4. In geval de bezitter van in beslag genomen stapels, binnen den termijn die hem door de bevoegde overheid voorgeschreven werd de tot het behoud er van vereiste maatregelen niet neemt kan de overheid die op kosten van den bezitter door een derden persoon laten uitvoeren. Hetzelfde geschiedt wanneer de bezitter het koren niet dorst binnen den termijn die hem door de bevoegde provinciale Oogstkommissie (Provinzial-Ernte-Kommission) werd voorgeschreven.
§ 5. De bezitter van in beslag genomen koren is verplicht, waarachtige aangiften te doen over de voorraden die in zijn bezit zijn en over den werkelijke toestand, op grond waarvan het koren voor het eigen verbruik moet vrijverklaard worden, alsook over de wijzigingen die naderhand in dien toestand voorkomen,
§ 6. Het in beslag genomen koren zal tegen gereed gdd aangekocht en, in den vorm van brood, meel en zemelen, ter beschikking gesteld worden van de bevolking binnen het gebied van het Generaal-Gouvernement, Voor het gebruik van vrijverklaard koren tot andere doeleinden, dan tot het vervaardigen van brood, is in elk afzonderlijk geval de goedkeuring der centrale Oogstkommissie {ZerUrcd-Ernte-Kommission) nodig,
§ 7. Aan het Nationaal Hulp- en Voedingskomiteit verleen ik het uitsluitelijk recht de in beslag genomen stapels, ook uit den korenoogst van 1917, en de mogelijke overschotten aan koren uit vroegere oogstjaren, tegen een door mij vast te stellen eenheidsprijs op te kopen. De inbeslagneming wordt door dezen aankoop niet opgeheven,
§ 8. Ik behoud mij het recht voor, desnoods een hoeveelheid van ten hoogste 10,000 ton van het in beslag genomen koren toe te wijzen aan de door mij aan te duiden belanghebbenden, ten einde er moutkoffie van te maken.
§ 9. a) Wie in beslag genomen stapels onbevoegd van de hand doet of die onbevoegd verwijdert uit de gemeente, waarin ze aangeslagen werden, wie ze beschadigt, vernielt, verheelt, onbevoegd verwerkt, vervoedert of anderszins verbruikt
b) wie in beslag genomen stapels onbevoegd verkoopt, koopt, pandt, verpandt of op enige andere wijze vervreemdt of verwerft,
c) Wie de verplichtingen onder § 5 dezer Verordening niet nakomt, wordt met ten hoogste 5 jaar gevangenis of met ten hoogste 20.000 mark boete gestraft; ook kunnen gevangenisstraf en boete te gelijk uitgesproken worden. De voorraden en inrichtingen, die voor strafbare handelingen bestemd waren of gediend hebben, moeten verbeurdverklaard worden. De poging tot overtreding is strafbaar. Is de overtreding begaan met het opzet, daarmede een onveroorloofde winst op te strijken, dan moet naast de gevangenisstraf ook een boete worden uitgesproken, ten belope van tienmaal den hoogsten prijs voor elk kilogram koren of meel, dat het voorwerp van de overtreding uitmaakt. De boete mag niet meer dan 20,000 mark en niet minder dan 25 mark bedragen. De verbeurdverklaarde stapels moeten, door tussenkomst van de provinciale Oogstkommissie, aan het bevoegd provinciaal Komiteit worden toegewezen. Dit koren valt ook na de toewijzing onder toepassing van de Verordeningen over de inbeslagneming, Het Komiteit meldtt de verbeurdverklaarde waren aan de provinciale Oogstkommissie. Deze stort het daarvoor ontvangen bedrag niet in de krijgsschatkist, maar staat het al aan de bestendige afvaardigingen om het voor menslievende doeleinden binnen de provincies te gebruiken. De Duitse krijgsbevelhebbers en krijgsrechtbanken zijn tot oordeelvellen bevoegd.
§ 10. Het uitvaardigen van uitvoeringsbepalingen blijft voorbehouden. Brussel den 19 Juli 1917,
No. 372. - 22. juli 1917.
Verordening
Betreffende de Oogstkommissies (Ernte-Kominissionen).l

§ 1. De centrale Oogstkommissie {Zentral-Emte-Kommission) en de provinciale Oogstkommissies (Provinzial- Ernte-Kommissionen) blijven als overheden bestaan,
§ 2. De centrale Oogstkommissie is een rechtstreeks onder mij staande overheid; haar voorzitter, leden en dezer bestendige plaatsvervangers worden door mij benoemd. Het voorzitterschap is opgedragen aan een vertegenwoordiger van het Generaal-Gouvernement. De leden van de kommissie zijn :
a) de Hoofden van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschefs) van Vlaanderen en van Wallonië ; het ondervoorzitterschap is aan een van beide opgedragen ; een vertegenwoordiger van :
b) de Politieke Afdeling (Politische Abteilung) ;
c) den Commissaris Generaal voor de banken {General kommissar fûr die Banken) ;
d) de Intendantie van het leger {Armeeintendantur) van het Generaal-Gouvernement;
e) de Veeartsenijkundige Afdeling (Veterinarabteilung) van het Generaalgouvernement ;
f) het National Komiteit ;
g) de .Commission for Relief*.
Bij staking van stemmen beslist de stem van den voorzitr ter. De voorzitter heeft het rechts deskundigen met raadplegende stem op de zittingen uit te nodigen. De besprekingen geschieden in de Duitse taal,
§ 3. De Oogstkommissie voor de provincie bestaat uit:
a) den Voorzitter van het burgerlijk bestuur of den plaatsvervanger als voorzitter ;
b) twee officieren of ambtenaren leden van de economische kommissie (Wirtschaftsausschuss) der provincie ;
c) een lid van de Bestendige Afvaardiging ;
d) een vertegenwoordiger van den graanhandel der provincie ;
e) een vertegenwoordiger van den landbouw der provincie. De leden vermeld onder c tot e mogen in den regel niet te gelijkertijd leden van het Nationaal Hulp- en Voedingskomiteit zijn. De Gouverneur der provincie benoemt de leden der kommissie evenals een bestendigen plaatsvervanger voor elk lid. Bij staking van stemmen beslist de stem van den voorzitter. De voorzitter is bevoegd deskundigen met raadplegende stem op de zittingen uit te nodigen. De voorzitter heeft het recht tegen de besluiten der kommissie verzet aan de tekenen en, door tussenkomst van het Hoofd van het burgerlijk bestuur en van de centrale Oogstkommissie, mijn beslissing in te roepen.
§ 4. De centrale Oogstkommissie heeft te bepalen welke hoeveelheden telkens van de inbeslagneming vrijgegeven en ter beschikking der bevolking gesteld mogen worden. Zij bewaakt de broodbevoorrading van de Belgische bevolking en moet inzonderheid er voor zorgen, dat van den gehelen Belgischen korenoogst van 1917, na afhouding van het vereiste zaaikoren, maandelijks niet meer dan 1/12 verbruikt wordt. Zij heeft buitendien besluiten te nemen inzake rantsoenen per kop van de bevolking, de inkoopprijzen van het gedorst koren, het malen en de hoogste prijzen voor den verkoop van gedorst koren, van meel, zemelen en brood. De besluiten moeten door mij goedgekeurd worden. De centrale Oogstkommissie geeft, door tussenkomst van het Hoofd van het burgerlijk bestuur, de nodige aanwijzingen aan de provinciale Oogstkommissies ; maagpunten van zeer groot belang, onderwerpt zij vooraf aan mijn beslissing; zij bewaakt de uitvoering van haar aanwijzingen.
§ 5. De Oogstkommissie van elke provincie is belast met de maandelijkse vrijverklaring van het koren. De vrijverklaring geschiedt op grond van de statistieken; deze moeten door iedere kommissie opgemaakt en bestendig bijgehouden worden. De kommissie bewaakt de eigene en, desvoorkomend de uit andere provincies aangevoerde stapels, het in acht te nemen der vastgestelde koopprijzen het nakomen van de uitgevaardigde Verordeningen en bepalingen, evenals, over het algemeen, alle bedrijfshandelingen van het bijzonder kantoor, dat door het Nationaal Komiteit in elke provincie voor aankoop en bedeling van het inlands koren zal worden opgericht. De werkkring van dit bijzonder kantoor moet binnen den werkkring van de betrokken provinciale Oogstkommissie liggen. Zij is gerechtigd, te dien einde aan de Belgische gemeenten aanwijzingen te geven ; zij is alleen bevoegd wat betreft de onder § 4 van de Verordening over de inbeslagneming van het koren, vermelde voorschriften,
§ 6, Wie de tot de uitvoering van deze Verordening uitgevaardigde voorschriften en aanwijzingen niet nakomt, wordt gestraft overeenkomstig § 9 van de Verordening over de inbeslagneming van het koren,
§ 7, Het uitvaardigen van uitvoeringsbepalingen blijft mij voorbehouden.
Brussel, den 19n Juli 1917.
No. 372. - 22. juli 1917.
Uitvoeringsbepalingen
tot de Verordening van 19 Juli 1911 betreffende de Oogstkommissies.
I. Vaststelling van den voorraad koren.
1) De provinciale Oogstkommissies {Provinzial Ernte- Kommissionen) (Pr.-E.-K.) stellen vast, hoeveel koren {naar soorten ingedeeld) bij elke landbouwer en in elke gemeente voorhanden is.
2) De centrale Oogstkommissie (Zentral-Ernte-Kommission) (Z.-E.-K.) stelt op grond van de haar door de Pr.-E.- K. voor elke provincie aangegeven stapels en op grond van een door mij bevolen opneming van den oogst, de in het gehele gebied van het Generaal-Gouvernement voorhanden zijnde hoeveelheid koren vast.
3) Het Nationaal Hulp- en Voedingskomiteit mag kennis nemen van de ingezamelde gegevens.
II Aankoop van het in beslag genomen koren.
1) De prijs per 100 kgr. inlands koren mag bij den verkoop door den verbouwer voor tarwe 36 frank spelt 30 „ rogge  masteluin 34 niet overtreffen. Het koren moet van goede hoedanigheid en droog zijn. Voldoet het niet aan deze voorwaarden, zo moet de prijs verlaagd worden, Kan men het niet eens worden, zo beslist het Bureau central des Recoltes,te Brussel. De hoogste prijzen gelden voor leveringen zonder zak. De verbouwer moet het koren op den spoorwegen op de dichtst bij zijnde boerderij gelegen statie, of in de dichtst bij gelegen opslagplaats van het Nationaal Komiteit leveren.
2) leder landbouwer is er persoonlijk voor verantwoordelijk, dat de bij hem vastgestelde hoeveelheid koren, met afhouding van de tot eigen gebruik en dis zaaikoren vrijverklaarde hoeveelheden, op de door de bevoegde Pr.-E.-K. bepaalde termijnen aan het Nationaal Komiteit afgeleverd wordt. Behalve den belanghebbenden landbouwer zijn al de andere landbouwers, die de gemeente bewonen, alsook de gemeente zelf, waarin de landbouwer woont, mede verantwoordelijk. Ingeval de maatregelen, welke de Pr.-E.-K. geschikt achten om het koren op te eisen, tot geen uitslag leiden, zijn de Pr.-E.-K. gerechtigd :
a) den betrokken landbouwer, of verschillende of al de landbouwers, die in de gemeente wonen, het recht te onttrekken om in het eigen verbruik te voorzien en ze voor het aanschaffen van hun voedingsmiddelen naar het Nationaal Komiteit te verwijzen. De ten gevolge daarvan vrij gekomen hoeveelheden koren zijn door de Pr.-E.-K. tegen den hoogsten prijs op te eisen.
b) Voor elk dan nog ontbrekend kilogram koren een bedrag van 1 tot 10 mark in te vorderen ten laste van den oorspronkelijk in gebreke gebleven zijnde landbouwer, of ten laste van de met hem verantwoordelijk zijnde personen of van de gemeente. De bepalingen van § 9 van de Verordening over de inbeslagneming van koren zijn toepasselijk op de naar luid van vorenstaande bepalingen verbeurdverklaarde voorraden of ingevorderde geldsommen.
3) Het Nationaal Komiteit is verplicht, al het koren, dat niet voor zaaikoren of voor eigen gebruik vrijverklaard is, ten laatste op de door de voorzitters van de Pr.-E.-K. vast- gestelde termijnen op ie kopen. Het moet het aangekochte koren naar de (opslagplaatsen en molens voeren en het aldaar opstapelen. Het Nationaal Komiteit moet het koren volgens de door mij op voorstel van de Z.-E.-K. bepaalde maalgraden, laten malen. Het moet het koren in de opslagplaatsen voor bederf bewaren. Het koren moet zoo bewaard worden, dat de stapels ten allen tijde aan een onderzoek kunnen onderworpen worden.
4) De inbeslagneming blijft tegenover het Nationaal Komiteit van kracht, Het Nationaal Komiteit is niet gerechtigd over het koren of het meel te beschikken alvorens het door de Fr.-E.-K. vrijverklaard werd. De voorzitter van de Pr.-E.-K. is gerechtigd, ter bewaking van de opneming en ter uitvoering van den opkoop al de vereiste schikkingen ie nemen.
III. Vrijverklaard van de inbeslagneming.
1) De vrijverklaring van de inbeslagneming geschiedt door de PE.-K.
2) De vrijverklaring van het zaaikoren en van het koren voor eigen gebruik geschiedt onder de volgende voorwaarden  
a) Voor het vaststellen van de hoeveelheid zaaikoren per hektaar, dienen de akkervlakten uit het jaar 1917 tot grondslag ; de vrijverklaring van zaaigoed ten voordele van de landbouwers zal volgende hoeveelheden van elk soort koren omvatten : rogge 175 kgr. wintertarwe 190 ,. zomertarwe . 200 spelt 260 . masteluin 185
Ondergaat de akkervlakte van het akker jaar of verdeling  van ten opzichte van het voorgaande jaar een wijziging, zo kan de betreffende landbouwer zich met een, door zijn burgemeester gewaarmerkt verzoekschrift, ten laatste tot 1 November toi de bevoegde Fr.-E.-K. wenden. Deze is bevoegd de hoeveelheid vrij te verklaren zaaigoed in overeenstemming te brengen met de voorgestelde wijziging. De Pr.'E.-K. zullen te dien opzichte nadere bepalingen uitvaardigen. Ingeval een landbouwer ter verbetering van zijn zaaikoren beter zaaigoed wenst aan te schaffen, moet hij, door bemiddeling van den burgemeester zijner gemeente, ten laatste oj) 1 November 1917 een desbetreffende aanvraag bij de bevoegde Pr.-E.-K. indienen. Verleent deze laatste haar toestemming  dan kan de landbouwer het verlangd zaaikoren bekomen van de voor het Nationaal Komiteit vrijverklaarde hoeveelheden koren, en wel tegen een prijs die den alsdan vastgestelde hoogsten prijs uit opslagplaats of molen kan bereiken. De landbouwer moet den aangroei van zijn hoeveelheden koren van eigen voortbrengst, die ten gevolge van het bijkopen van zaaikoren in zijn bedrijf ontstaan is, aan bet Nationaal Komiteit afleveren. De Pr.-E.-K. zal den landbouwer laten weten in hoever hij, ten gevolge van den aankoop van zaaikoren, meer zal te leveren hebben aan de opkopers van het Nationaal Komiteit.
b) De ondernemers van landbouwbedrijven met een gezamenlijke akkervlakte van ten minste 1 hektaar, mogen uit hun voorraden voor de voeding van de leden van hun gezin, het personeel inbegrepen, per hoofd en per maand 7,7 kgr. tarwe, rogge en masteluin of 10,3 kgr. spelt gebruiken. De nodige hoeveelheid voor heel het jaar blijft bij de ondernemers in bewaring. Bij de toewijzing van koren voor eigen verbruik van den verbouwer moet in de eerste plaats spelt, dan masteluin en ten slotte tarwe worden vrijverklaard, in de aangeduide volgorde. De vrijverklaring van koren voor het eigen verbruik van den verbouwer, zal, behoudens afwijkende bepalingen, op 15 van elke maand in dezelfde hoeveelheden en op gelijke wijze stilzwijgend geschieden, zoals de Pr.-E.-K. het voor de eerste maal voor den tijd van 15 September tot 15 Oktober zal bepalen. De ondernemers van landbouwbedrijven met een gezamenlijke akkervlakte van minder dan 1 hektaar, mogen de in hun bedrijf verbouwde hoeveelheden koren uitsluitend voor hun eigen verbruik bezigen, maar niet verkopen. De Pr.- E.-K., die met het toezicht over het gebruik van den oogst dezer landbouwers belast zijn, zullen te dien opzichte nadere bepalingen uitvaardigen. Hetzelfde geldt voor de regeling van het arenlezen en de behandeling van de daaruit gewonnen stapels. Wanneer het aantal der in aanmerking komende personen, zoals het werd vastgesteld op grondslag rxin de uitkomsten der bij Verordening van 24 Maart 1917 (Wet- en Verordeningsblad, bl. 3518) bevolen opneming, in den hop van het jaar vermindert, mag ook slechts een 7iaar verhouding kleinere hoeveelheid koren worden verbruikt. Dergelijke wijzigingen moeten binnen een week ter kennis worden gebracht van den burgemeester der gemeente. Deze moet de mededeling onverwijld overmaken aan de Pr.-E.-K., die alsdan de voor het eigen verbruik van den landbouwer vrijverklaarde hoeveelheid doet wijzigen en voor het inleveren van het overschot zorg draagt.
c. De Pr.-E.-K. zullen aan elke landbouwer, die meer dan 1 hektaar akkervlakte bebouwt, afzonderlijk mededelen \ hoeveel koren hij als zaaigoed en voor eigen verbtwk mag overhouden. Al het koren, dat de landbouwer op zijn bedrijf meer verbouwt dan hem voor zaaigoed en eigen gebruik werd vrijverklaard, moet hij aan het Nationaal Hulp- en Voeding komiteit verkopen.
d) Voor het overig gestelt de ZrErK.finwene nsiemmingi met het Nationaal Komiteit, maandelijks de hoeveelheid koren of meel vast, die in elke provincie voor het verbruik vrij te verklaren is,
4) De Pr.-E.'K. verlenen het Nationaal Komiteit machtiging om over de in de provin ie vrijverklaarde hoeveelheden koren te beschikken. Het Nationaal Komiteit moet kunnen bewijzen, uit welke stapels het de vrijverklaarde hoeveelheden afhaalt.
5) Verkoopprijzen.
1) Ik bepaal elke maand, op voorstel van de Z,'E,-K., de door het Nationaai Komiteit te berekenen verkoopprijzen voor gedorst koren, meel, zemelen en brood.
2) De Z.-E.-K. neemt den aankoopprijs van het inlands koren, alsmede den prijs van het ingevoerd koren, dien het Nationaal Komiteit haar onder overlegging van bewijsstukken moet mededelen, tot grondslag voor de door haar voorgestelde verkoopprijzen, waarbij een hij overeenkomst te bepalen opslag toegelaten is.
3) Het Nationaal Komiteit is verplicht de aankoopprijzen, onder overlegging van de bewijsstukken, mede te delen.
V. Bewakingsbepalingen.
1) De burgemeesters zijn er voor verantwoordelijk, dat op het gebied van hun gemeenten niet in strijd met de inbeslagneming gehandeld wordt.
2) De Pr.-E.-K. laten door geschikte personen nagaan, of niet onbevoegd over het in beslag genomen koren beschikt wordt en of alleen de vrijverklaarde hoeveelheden aan de verbruikers afgeleverd worden. De personen die daarmede belast zijn, moeten hun opdracht door een getuigschrijt van den voorzitter der Pr.-E.-K. kunnen bewijzen ; zij hebben te allen tijde toegang tot aile bergplaatsen, zolders en molens. om zich vaji den omvang en den toestajid der stapels, alsook van de maîiier waarop deze bewaard zijn, te kunnen overtuigen.
3) Het Nationaal Komiteit moet boekhouden over den aankoop het vervoer en de berging van de aangekochte hoeveelheden koren, evenals over het malen en over de stapels meel en zemelen. De boeken moeten juiste aangiften bevatten over al wat binnenkomt en uitgaat en te allen tijde een klaar overzicht geven over de binnen de verschillende omschrijvingen voorhanden zijnde stapels en over de wijzigingen die daaraan werden toegebracht.
4) Op dezelfde wijze moet worden boekgehouden over de gezamenlijke uitgaven, welke door aankoop, vervoer, berging, malen en verdelen of door andere oorzaken ontstaan. De boeken moeten ook doorlopend de ontvangsten voortkomend van den verkoop van gedorst koren, van meel, zemelen oj door andere oorzaken ontstaan, bevatten.
5) Over de aangekochte en aan de opslagplaatsen, molens, enz, voortgeleverde hoeveelheden koren moeten bijzondere lijsten opgemaakt worden, die de soort koren, het gewicht, den eenheidsprijs en het betaald bedrag dienen te vermelden. Van deze lijsten moet een afschrift aan de verkopers en een aan de Pr.-E.-K. afgeleverd worden.
6) Het Nationaal Komiteit moet verder den 15n en den laatste van elke maand gezamenlijke lijsten over al de binnen de betreffende provincie aangekochte en aan de opslagplaatsen, molens, enz. geleverde hoeveelheden koren, volgens gemeenteomschrijvingen gerangschikt, in twee exemplaren bij de Pr.-E.-K. inleveren. De opslagplaatsen moeten daarop aangeduid staan. De Pr.-E.-K. moet nagaan, of de gezamenlijke lijsten met de afzonderlijke (zie nummer S) overeenkomen. De Pr.-E.-K. levert een afschrift van de gezamenlijke lijsten aan de Z.-E.-K., die deze lijsten in een daartoe bestemd boek zal inschrijven.
7) De Z.-E,-K, bepaalt in overeenstemming met het Nationaal Komiteit de bij het boekhouden in acht te nemen grondslagen, evenals de bijzonderheden over vorm en inhoud van de ter bewaking dienende lijsten. Zij neemt in elk afzonderlijk geval de vereiste maatregelen voor de uitvoering van de gehele bewaking, 8) Het Nationaal Komiteit is verplicht, te allen tijde de over den aankoop, het vervoer en de herging gehouden boeken en lijsten, evenals de over de ontvangsten en uitgaven gehouden hoeken te laten inzien en de juistheid er van te laten onderzoeken. De Z.-E.-K. is belast met de bewaking.
VI. Overschotten.
De overschotten die het Nationaal Komiteit hij den aan en verkoop van koren overhoudt, moeten ter beschikking van de bestendige afvaardigingen gesteld worden, naar verhouding van de in elke provincie voor het verbruik vrijverklaarde hoeveelheden koren of meel {nr III. 3) ; deze overschotten zijn voor menslievende doeleinden binnen de provincies te gebruiken.
 VII. Slotbepaling. De beheerkosten van de Z.-E.-K. en van de Pr.-E.-K, worden beschouwd als staatsuitgaven. Brussel 19 juli 1917,
No. 372. - 22. juli 1917.
Verordening ***
Over het malen en vervoeren van koren.l

§ 1. Het verwerken van koren tot meel en het uitbuilen van het meel mag alleen geschieden in molens, die tot hoofdhedrijf dienen en die een maalverlof van de provinciale Oogstkommissie {Provinzial-Emte-Kommission) verkregen hebben. Maaltoestellen, die volgens aard en omvang, dan andere bedrijven ondergeschikt zijn, mogen mits goedkeuring van de bevoegde provinciale Oogst-kommissie in gang gehouden worden.
§ 2. Het is verboden, om het even welke handmolens en toestellen voor het malen van koren als huis- of bijbedrijf aan te bieden, te koop te stellen en te verkopen, te kopen of anderszins te verwerven.
§ 3. De maalgraad, zoowel voor het inlands als voor het ingevoerd koren  blijft tot nader bericht op ten minste 97 % vastgesteld. Deze maalgraad is zo te verstaan, dat al het koren, met de zemelen, geheel moet worden uitgemaald, De vastgestelde maalgraad geldt eveneens voor het koren dat voor de voeding van de verbouwers zelf dient. De molens die de toelating hebben om koren te malen zijn verantwoordelijk voor het nakomen van bovenstaand voorschrift betreffende den maalgraad. De voorgeschreven vaststelling van den maalgraad geldt niet voor het koren, dat uitsluitend voor het verbruik in het Etappen- en Operatiegebied gemalen wordt. Het Nationaal Komiteit moet aan de bevoegde provinciale Oogstkommissies {Provinzial-Ernte-Kommissionen) de molenaars bekendmaken, die gerechtigd zouden zijn van deze uitzonderingsbepaling gebruik te maken, Deze zijn aan een nauwkeurig toezicht van de provinciale Oogstkommissies onderworpen. Dit toezicht zal uitgeoefend worden overeenkomstig de onderrichtingen, die de centrale Oogstkommissie {Zentral- Ernte-Kommission) te dien einde zal geven,
§ 4. De Voorzitters van de provinciale Oogstkommissies zijn gemachtigd, met het oog op de vervaardiging van zulk gebak of op de rechtstreekse levering van meel aan zieke of zwakke personen, aan de molens te dien einde door het Nationaal Komiteit aangeduid, vergunning te geven om op een geringere dan den hij deze Verordening vastgestelde maalgraad te malen. Het Nationaal Komiteit moet de hoeveelheden koren, die in de bedoelde molens voor een fijner gemaal nodig zijn, ter beschikking stellen van de bevoegde provinciale Oogstkommissies. De provinciale Oogstkommissies hebben er voor te zorgen, dat het op last van het Nationaal Komiteit fijner gemalen meel, enkel en alleen gebruikt wordt om er, in de door de Voorzitters van de provinciale Oogstkommissies hij wijze van uitzondering toegelaten bakkerijbedrijven, gebak van te maken voor zieke of zwakke personen, ofwel om als meel aan zieke of zwakke personen te worden afgeleverd.
§ 5. Het maalverlies mag bij het vervaardigen van meel niet meer dan 2 % bedragen.
§ 6. Voor ieder vervoer van koren is een geleibrief vereist.
§ 7. De provinciale Oogstkommissies mogen, voor hun omschrijvingen, binnen de grenzen van de bepalingen dezer Verordening, uitvoeringsbepalingen en, inzonderheid, de voor het bewaken van de molens en voor het vervoer vereiste voorschriften uitvaardigen.
§ 8, Overtredingen van deze bepalingen worden gestraft, met de straffen, voorzien in § 9 van de Verordening over de inbeslagneming van het koren. Inzonderheid bij verheling of ongeoorloofde benutting te koopstelling oj verwerving van maaltoestellen, moet de verbeurdverklaring of de onbruikbaarmaking van deze voorwerpen uitgesproken worden. De verbeurdverklaring van ongeoorloofd gemalen koren moet eveneens worden uitgesproken. De Duitse krijgsbevelhebbers en krijgsrechtbanken zijn tot oordelen bevoegd. Brussel, den 19n Juli 1917.
No. 372. - 22. juli 1917.
Verordening
houdende verbod om banketbakkerijwaren te bakken.
§ 1. Het is verboden meel en meelachtige stoffen te gebruiken om van beroepswege banketbakkerijwaren te bakken.
§ 2. Als banketbakkerijwaren in den zin van deze Verordening geldt alle gebak, dat meel of meelachtige stoffen bevat en dat door toevoeging van andere stoffen van om het even welken aard, b.v. van vet, zoetmakende voortbrengselen, honig, fruit, eiwit, chocolade, amandels, of door een bijzondere wijze van bakken de kentekenende eigenschappen van gewoon brood verloren heeft.
§ 3. Dit verbod geldt voor alle ambachts- en nijverheidsbedrijven, inzonderheid voor banketbakkerijen, biscuit, cakes, beschuit- en koekjesfabrieken, gasthoven, drank- en spijshuizen, gaarkeukens, verversing- en verenigingslokalen.
§ 4. De voorzitters van de provinciale Oogstkommissies (Provinzial-Ernte-Kommissionen) kunnen uitzonderingen toestaan voor de fabrieken, die gebak voor zieke en zwakke personen maken.
§ 5. De voorzitters van de provinciale Oogstkommissies zijn bevoegd
a) alle tot het uitvoeren dezer Verordening nodige vaststellingen doet
b) buiten de straffen voorzien onder § 6, 1, bakhuizen en bakinrichtingen, waarin zonder toelating banketbakkerijwaren worden gemaakt te sluiten. alle zonder toelating gemaakte banketbakkerijwaren en alle meelvoorraden, die tot het maken van verboden banketbakkerijwaren bestemd zijn, zonder verbeurd te verklaren. De verbeurdverklaarde voorwerpen moeten ten bate van de bevolking gebruikt worden.
§ 6. Wie de bepalingen van deze Verordening overtreedt, wordt met ten hoogste 6 maand gevangenis en met ten hoogste 2000 mark boete of met een van deze beide straffen gestraft. Bij het toepassen van de boete, moet de straf vastgesteld worden op het meervoud van de waarde van het onveroorloofd vervaardigd gebak. De poging tot overtreding is strafbaar. De Duitse krijgsbevelhebbers en krijgsrechtbanken zijn tot oordelen bevoegd. Brussel den 19n Juli 1917,
No. 873. - 25. juli 1917.
Verordening
betreffende de Belgische begroting voor het dienstjaar 1917

Art. 1. De gewone ontvangsten van den Staat worden voor het dienstjaar 1917, geraamd op tweehonderd negentig millioen vijfhonderd een en zestig duizend tweehonderd mjftigfrank {290,561.250 fr.).

Art. 2. De uitgaven van den Staat worden voor het dienstjaar 1917, te zamen vastgesteld op tweehonderd negentig millioen vijf honderd een en zestig duizend tweehonderd vijftig frank {290.561.250 fr.), en wel :
I. voor het gehele dienstjaar 1917 voor het gezamenlijk staatsgebied : voor de openbare schuld, op een dertig miljoen achthonderd vier en vijftig duizend achthonderd dertig frank {51.854.830 fr.); voor de dotatiën, op zevenhonderd vijf en vijftig duizend vier honderd vijftig frank (755.450 h.) ; voor onwaarden en terugbetalingen op twee miljoen tweehonderd vijftig duizend frank (2.250.000 fr,) ; IL voor de eerste helft van het dienstjaar 1917 voor het gezamenlijk staatsgebied : voor het ministerie van Justitie, op zestien miljoen driehonderd twintig duizend achthonderd frank (16.320.800 fr.) voor de gewone uitgaven en honderd vijftien duizend frank (115.000 fr.) voor de buitengewone uitgaven samen op zestien miljoen vierhonderd vijf en dertig duizend achthonderd frank (16.435.800 fr.) ; voor het ministerie van Binnenlandse Zaken, op vier miljoen honderd en vier duizend tweehonderd vijftig frank (4.104.250 fr.) voor de gewone uitgaven en vijf en zeventig duizend frank (75.000 frJ) voor de buitengewone uitgaven, samen op vier miljoen honderd negen en zeventig duizend tweehonderd vijftig frank (4.179.250 fr.) ; voor het ministerie van Wetenschappen en Kunsten, op een en twintig miljoen een en tachtig duizend vijfhonderd frank (21.081.500 fr.) voor de gewone uitgaven en zevenhonderd duizend frank (700.000 fr.) voor de buitengewone uitgaven, samen op een en twintig miljoen zevenhonderd een en tachtig duizend vijfhonderd frank (21.781.500 fr.) ; voor het ministerie van Nijverheid en Arbeid op twee miljoen vierhonderd een en vijftig duizend achthonderd frank (2.451.800 fr.) voor de gewone uitgaven en vijf en twintig duizend vijfhonderd frank (25.500 fr.) voor de buitengewone uitgaven, samen op twee miljoen vierhonderd zeven en zeventig duizend drie honderd frank (2. 477.300 fr.) ; voor het ministerie van Financiën op vijftig miljoen zeshonderd negen en vijftigduizend en zestig frank {50.659.060 fr.) voor de gewone uitgaven en vijf en twintig duizend frank {25.000 fr.) voor de buitengewone uitgaven, samen op vijftig miljoen zeshonderd vier en tachtig duizend en zestig frank {50.684.060 fr.) ; voor het ministerie van Landhouw en Openbare Werken, op veertien millioen zeshonderd vijf en vijftig duizend vierhonderd veertig frank {14.655.440 h.) voor de gewone uitgaven en tweehonderd dertig.duizend frank {230.000 fr.) voor de buitengewone uitgaven, samen op veertien miljoen achthonderd vijf en tachtig duizend vierhonderd veertig frank {14,885.440 fr.) ;


III. voor de tweede helft van het dienstjaar 1917 voor het Vlaams bestuurlijk gebied : voor het ministerie van Justitie, op tien miljoen tweehonderd vijf en negen duizend driehonderd frank {10.295.300 fr.) voor de gewone uitgaven en vijftig duizend frank {50.000 fr.) voor de buitengewone uitgaven, samen op tien miljoen driehonderd vijf en veertig duizend driehonderd frank {10.345.300 voor het ministerie van Binnenlandse Zaken, op twee miljoen vijfhonderd zeven en vijftig duizend tweehonderd vijftig frank {2.557.250 fr.) voor de gewone uitgaven en vijftien duizend frank {15.000 fr.) voor de buitengewone uitgaven, samen op twee miljoen vijfhonderd twee en zeventig duizend tweehonderd vijftig frank (2.572.250 fr.) ; voor het ministerie van Wetenschappen en Kunsten, op twaalf miljoen vijfhonderd acht en twintig duizend vijftig frank {12.528.050 fr.) voor de gewone uitgaven en een miljoen vierhonderd acht en tachtig duizend zevenhonderd vijftig frank {1.488.750 fr.) voor de buitengewone uitgaven, samen op veertien miljoen zestien duizend achthonderd frank (14.016.800 Jr.) ; voor het ministerie van Nijverheid en Arbeid op zeven miljoen vijfhonderd drie en tachtig duizend tweehonderd frank (7.583.200 Jr.) voor de gewone uitgaven en twintig duizend frank (20.000 jr.) voor de buitengewone uitgaven samen op zeven miljoen zeshonderd en drie duizend tweehonderd frank (7.603.200 jr.) ; voor het ministerie van Financiën, op zeven en zestig miljoen zeshonderd negen en tachtig duizend honderd zestig frank (67.689.160 jr.) ; voor het ministerie van Landbouw en Openbare Werken, op twaalf miljoen driehonderd acht en twintig duizend en tien frank (12.328.010 jr.) voor de gewone uitgaven en honderd veertig duizend frank (140.000 jr.) y voor de buitengewone uitgaven, samen op twaalf miljoen vierhonderd acht en zestig duizend en tien frank (12.468.010 jr.).
IV. voor de tweede helft van het dienstjaar 1917 voor het Waals bestuurlijk gebied : voor het ministerie van Justitie op zes miljoen driehonderd een en dertig duizend vierhonderd frank (6.311.400 jr.) voor de gewone uitgaven en vijf en twintig duizend frank (25.000 jr.) voor de buitengewone uitgaven, samen op zes miljoen driehonderd zes en vijftig duizend vierhonderd frank (6.356.400 jr.) ; voor het ministerie van Binnenlandse Zaken, op een miljoen zeshonderd twee en tachtig duizend frank (1.682.000 jr.) voor de gewone uitgaven en tien duizend frank (10.000 jr.) voor de buitengewone uitgaven, samen op een miljoen zeshonderd twee en negentig duizend frank (1.692.000 fr,) ; voor het ministerie van Wetenschappen en Kunsten, op negen miljoen negen en zestig duizend vijfhonderd frank {9.069.500 fr,) voor de gewone uitgaven en driehonderd twintig duizend frank {320.000 fr.) voor de buitengewone uitgaven, samen op negen miljoen driehonderd negen en tachtig duizend vijfhonderd frank {9.389.500 fr.); voor het ministerie van Nijverheid en Arbeid, op zes miljoen dertigduizend zeshonderd frank {6.030.600 fr.) voor de gewone uitgaven en vijf duizend vijfhonderd frank {5.500 fr.) voor de buitengewone uitgaven, samen op zes miljoen zes en dertig duizend en honderd frank {6.036.100 fr.) ; voor het ministerie van Financiën, op drie miljoen vijfhonderd drie en veertig duizend en honderd frank {3.543.100 fr.) voor de gewone uitgaven en vijfhonderd vijf en twintig duizend frank {525.000 fr.) voor de buitengewone uitgaven, samen op vier miljoen acht en zestig duizend en honderd frank {4.068.100 fr.) ; voor het ministerie van Landbouw en Openbare Werken, op twee miljoen negenhonderd dertig duizend achthonderd frank {2.930.800 fr.) voor de gewone uitgaven en negentig duizend frank {90.000 fr.) voor de buitengewone uitgaven, samen op drie miljoen twintig duizend achthonderd frank {3.020.800 fr.).

Art. 3. Zover voor de eerste en tweede helft van het dienstjaar 1917 bijzondere begrotingen opgemaakt zijn, moet de verdeling van de uitgaven over de eerste en de tweede helft van het dienstjaar naar dezelfde grondbeginselen geschieden, waarnaar bepaald wordt dat de uitgaven hij de begroting van het dienstjaar behoren. Uitgaven, die voor het ganse jaar in een enkele storting te doen zijn, komen ten laste van de begroting voor de eerste helft van het dienstjaar, in geval het stortingsbevel ten minste op 30 juni 1917 gegeven werd ; is dit bevel na dezen datum gegeven, zoo zijn de uitgaven op de kredieten van de begrotingen voor de tweede helft van het dienstjaar te boeken.

Art. 4. De uitgaven voor den termijn van 1 januari tot en met 30 juni 1917, zijn ook dan te bestrijden met de kredieten van de begroting voor de eerste helft van het dienstjaar, wanneer de vorming van afzonderlijke ministeries voor de bestuurlijke gebieden, bedoeld in de Verordening van 21 maart 1917 (Wet- en Verordeningsblad, bl. 3467), reeds bevolen was voor 1 Juli 1917.

Art. 5. Zover naar luid van te dien opzichte uitgevaardigde Verordeningen, enkele diensttakken voorlopig gemeenschappelijk onder de leiding van de Vlaamse ministeries te Brussel blijven, zijn de daaruit voortvloeiende uitgaven ook voor het Waals bestuurlijk gebied te bestrijden uit de begrotingen, opgemaakt voor het Vlaams bestuurlijk gebied.

Art. 6. De beschikking over het krediet, voorzien bij artikel 12a, Tabel B van de begroting voor liet Vlaams ministerie van Landbouw en Openbare Werken voor de tweede helft van het dienstjaar 1917, evenals de bevoegdheid om de bij de artikelen 3,7 en 9 van deze begroting toegelaten overdrachten van kredieten op artikel 12a der begroting te bevelen, blijft den leider van de afdeling van Financiën (Leiter der Finanzabteilung) voorbehouden. De uitgaven voor het Waals bestuurlijk gebied zijn eveneens met het krediet van artikel 12a te bestrijden.

Art. 7. Voor het ministerie van Wetenschappen en Kunsten wordt, behouden de door het Hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschef) bij den Generalgouvemeur in België of door den leider van de afdeling van Financiën te bepalen uitzonderingen, te rekenen van 15 juni 1917
de toewijzing van al de uitgaven, die na dien dag nog voor rekening van de begroting voor het dienstjaar 1916 of voor rekening van begrotingen voor vroegere dienstjaren toe te wijzen zijn, ook wat het Vlaams bestuurlijk gebied betreft, aan het Waals ministerie van Wetenschappen en Kunsten te Namen overgedragen.

Art. 8. Voor al de andere ministeries wordt, behoudens de door het Hoofd van het burgerlijk bestuur bij den Generaalgouverneur in België of door den leider van de afdeling van Financiën te bepalen uitzonderingen, te rekenen van de dag waarop voor de afgescheiden bestuurlijke gebieden twee afzonderlijke ministeries gevormd zijn, de toewijzing van al de uitgaven, die na dien dag nog voor rekening van de gemeenschappelijke begroting voor het eerste halfjaar 1917 of voor rekening van de begrotingen van vroegere dienstjaren toe te wijzen zijn, ook wat het Waals bestuurlijk gebied betreft, aan de Vlaamse ministeries te Brussel overgedragen.
Brussel, den 12n Juli 1917.

No. 373. - 25. juli 1917.
Verordenîng ***
houdende wijziging van de Verordening van 4 Juli 19l1f, betreffende de aangifte van het vermogen van onderdanen van het vijandelijk buitenland in België. Enig artikeL
§ 1 van de Verordening van 4 Juli 1917 {Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken in België, nr. 367, bl. 3962), moet voortaan dis volgt worden gelezen :
§ 1. Bij de Afdeling voor Handel en NijverJieid {Abteilung fiir Handel und Gewerhe), Wetstraat 175 te Brussel, zijn overeenkomstig de volgende voorschriften, aan te geven .»
1. Ondernemingen, die in België hetzij een nijverheidsbedrijf onderhouden, hetzij een warenhandel of verzekeringszaken drijven, bijaldien Britse of Franse onderdanen daaraan deel hebben. Aandeelhouders zijn eveneens als deelhebbers in den zin van deze bepaling te heschouwen.
2. Onroerende goederen, die geheel of gedeeltelijk in eigendom toebehoren aan Britse of aan Franse onderdanen. Brussel, den 15 Juli 1917.
No. 373. - 25. juli 1917.
Bekendmaking
betreffende de liquidatie van Franse ondernemingen.
Met toestemming van den heer Generaal-Gouverneur in België, heb ik, overeenkomstig de Verordeningen van 29 Augustus 1916 en van 15 April 1917, over de liquidaties van vijandelijke ondernemingen (Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België nr. 253 van 13 september 1916 en nr. 335 van 19 April 1917), de liquidatie bevolen van het in België voorhanden zijnde vermogen van de firma S, A. des Etablissements Hutchinson, Parijs. De heer luitenant M aas, Krijgsschool te Brussel, is lot liquidator benoemd. De liquidator verstrekt nadere inlichtingen. Brussel, den 18n Juli 1917» H. B. 2336.
No. 374. - 27. juli 1917.
Verordening betreffende de leerkrachten en bestuurder der Hogere school voor Handelswetenschap bij de Staatsuniversiteit te Gent, alsmede de betrekking tussen de Hogere School en de Universiteit.

I. Leerkrachten.

Art. 1. 1) Naar luid van art, 6 der Verordening van 23 Mei 1917, G. C. Illh 2229, betreffende de inrichting een Hogere School voor Handelswetenschappen bij de Staatsuniversiteit te Gent, wordt aan deze Hogere School onderwijs gegeven door de professoren en docenten aan de Hogere School zelf en door professoren en docenten in de faculteiten der Universiteit  alsmede aan de andere hij de Universiteit bestaande scholen.

2) Daarenboven kunnen al naar gelang van de behoefte, hoofdassistent en assistenten en technici aangesteld worden,
3) Bovendien kunnen mannen van bijzondere bekwaamheid in de wetenschap of de techniek, die niet tot de Hogere School behoren, belast worden met het houden van afzonderlijke voordrachten.

Art. 2. 1) De professoren en docenten aan de Hogere School voor Handelswetenschap worden benoemd door de regering, op advies van den Raad van professoren der Hogere School, alsmede van den Rector en den Curator (Beheerder -opziener) der Universiteit.

2) Bij de benoeming der professoren en docenten wordt bepaald in welke vakken zij onderwijs zullen geven.

3) De professor of docent die benoemd wordt voor een bepaald vak, is in den regel ook gelast over de verzamelingen die met dat vak in verband staan, toezicht te houden en de instituten, die ermede verbonden zijn, te besturen.

4) leder professor en docent is verplicht de colleges en oefeningen, waarmede hij uit hoofde van zijne aanstelling belast is, op regelmatige wijze te houden, Mocht het voorkomen dat hij in een of ander semester geen onderwijs heeft te geven dan is hij verplicht andere colleges of oefeningen te houden in een der vakken waartoe hij benoemd is.

5) De professoren en docenten zijn verplicht de examens af te nemen, de verslagen te leveren over wedstrijden of over andere aangelegenheden van het onderwijs of van de Hogere School, waarmede ze krachtens de algemene bepalingen of bijzondere ministeriele onderrichtingen helast worden ; de vergaderingen van den raad van professoren geregeld hij te wonen en mede te werken aan de uitvoering van de werkzaamheden die deze laatste te vervullen heeft.

6) Buiten hunne betrekking aan de Hogere School mogen de professoren geen openbare of private beroepsbezigheid uitoefenen, zonder toestemming van het Ministerie van Wetenschappen en Kunst.

Art. 3. 1) De professoren der Hogere School voor Handelswetenschap genieten een jaarwedde van 6.000 frank, die na drie jaren, te rekenen van hunne benoeming, met 500 frank en na drie verdere jaren, nogmaals met 500 frank verhoogd kan worden. Deze verhogingen kunnen reeds voor afloop van 3 respectievelijk 6 jaren toegekend worden, als de belanghebbenden ten minste 6 respectievelijk 12 jaren bij Staat, provincie of gemeente in dienst was.

2) Verdienstelijke professoren der Hogere School die sedert meer dan 25 jaren in staats-, provincie- of gemeentedienst zijn, meer dan 60 jaar oud zijn en sedert ten minste drie jaar de maximum -jaarwedde genieten die voor hun ambt bepaald is, kunnen een vermeerdering van jaarwedde krijgen van een tiende en na drie verdere jaren een nieuwe vermeerdering van een tiende der maximumjaarwedde.

3) Bij het berekenen der dienstjaren kan ook de diensttijd die buiten België, in staats-, provincie- of gemeentedienst doorgebracht werd, in aanmerking genomen worden.

4) Voor bijzondere redenen kan aan professoren een bijslag of vergoeding toegekend worden.

5) De jaarwedde der docenten wordt telkenmale hij afzonderlijke beschikking geregeld. Nochtans dient tot grondslag voor de vaststelling der jaarwedde van docenten, die aan de Hogere School voor Handelswetenschap hunne hoofdbezigheid hebben, een aanvankelijke jaarwedde van 4000 frank, die na drie jaren met 500 frank en na drie verdere jaren nogmaals met 500- frank verhoogd kan worden. Docenten die aan de Hogere School slechts een bijkomende betrekking uitoefenen genieten een vergoeding, die berekend wordt naar het belang van dit onderwijs

Art. 4. De bepalingen van de wet van 30 juli 1879, betreffende het pensioen der leden van het leraarskorps der Staatsuniversiteiten, alsook die van de Verordening van 21 Maart 1917 tot aanvulling diezelfde wet, zijn toepasselijk op het pensioen en het emeritaat van de professoren en docenten aan de Hogere School voor Handelswetenschap.

Art. 5. 1) Professoren en docenten aan de Universiteit bestaande bijzondere scholen, kunnen aan het onderwijs aan de Hogere School voor Handelswetenschap mede werken, door het feit, dat door hen aan de Universiteit of aan de daarbij bestaande bijzondere scholen gehouden colleges of oefeningen in het programma der Hogere School opgenomen worden, of ook nog daardoor, dat zij met het houden van afzonderlijke colleges of oefeningen aan de Hogere School voor Handelswetenschap belast worden.

2) In dit laatste geval kan hun ene bijzondere vergoeding worden toegestaan, berekend naar het belang van dit onderwijs. S) De bepalingen van artikel 2 zijn toepasselijk op de benoeming en de plichten van deze professoren en docenten.

Art. 6. 1) Al naar gelang van de behoeften worden hoofdassistenten, assistenten en technici aangesteld, op voorstel van de professoren of docenten onder wier leiding zij zullen hebben te werken en behoudens advies van den Raad van professoren aan de Hogere School voor Handelswetenschap. Hunne rechten en plichten worden geregeld hij het besluit van hunne benoeming, hij bijzondere voorschriften voor den dienst en hij afzonderlijke beschikkingen van hunne oversten.

2) Hunne jaarwedde wordt vastgesteld overeenkomstig de algemene voor de Staatsuniversiteiten geldende bepalingen.

Art. 7. Mannen van bijzondere bekwaamheid in de wetenschap of de techniek, die niet tot de Hogere School 6ehooren, kunnen door het Ministerie van Wetenschap en Kunsten met het houden van afzonderlijke voordrachten {niet op het gewoon programma voorkomende leergangen) belast worden, op voorstel of behoudens advies van den Raad van professoren der Hogere School Hunne betrekkingen tot de Hogere School worden door het Ministerie in elk afzonderlijk geval geregeld.

II. Organen der Hogere School.

Art. 8. 1) De Hogere School voor Handelswetenschap staat onder de leiding van een Bestuurder, die na raadpleging van den Rector en den Curator der Universiteit, door de regering benoemd wordt onder de leden van den Raad van professoren.

2) De Bestuurder is onmiddellijk gelast zorg te dragen voor den wetenschappelijke en economische toestand der Hogere School. Hij houdt toezicht over alles wat het onder - wijs en het handhaven der tucht betreft. Hij is verantwoordelijk voor het uitvoeren van alle maatregelen betreffende de inrichting en het beheer der Hogere School. De beambten en bedienden der Hogere School zijn hem ondergeschikt.

3) De Bestuurder is voorzitter van den Raad van professoren aan de Hogere School. Hij onderwerpt aan het oordeel van den Raad alle zaken die door dezen laatste mogen besproken worden. Al naar gelang van de bepalingen nopens de bevoegdheid voert hij de besluiten van den Raad rechtstreeks uit of brengt ze ter kennis van de overheid van wie de beslissing afhangt.

4) De Bestuurder is belast met de inrichting en de Hogere leiding der examens die door de Hogere School afgenomen worden.

a) Jaarlijks moet de Bestuurder verslag geven aan het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten over den wetenschappelijke disciplinaire en economische toestand der Hogere School.

Art. 9. Behalve zijne bezoldiging als professor geniet de Bestuurder der Hogere School ene jaarwedde van ten hoogste 3.000 frank, waarop de bepalingen van de wet van 30 Juli 1879f betreffende het pensioen en het emeritaat van professoren en andere leden van het leraarskorps der Staatsuniversiteiten toepasselijk zijn.

Art. 10. Bij tijdelijke verhindering of ontstentenis van den Bestuurder worden zijne ambtsverrichtingen waargenomen door het oudste in dienst zijnde lid van den Raad van professoren. In geval van langer durende verhindering of ontstentenis wordt door de regering een plaatsvervanger aangeduid onder de leden van den Raad van professoren, na raadpleging van den Bestuurder der Hogere School {zoo mogelijk) en van den Rector en den Curator der Universiteit,l

Art. 11. 1) De Raad van professoren der Hogere School voor Handelswetenschap bestaat uit de professoren aan de Hogere School zelf, alsmede uit de professoren der Universiteit of der andere bij de Universiteit bestaande scholen, die aan de Hogere School voor Handelswetenschap onderwijs geven,

2) De docenten aan de Hogere School voor Handelswetenschap en al de docenten der Universiteit en der hij de Universiteit bestaande scholen, die aan de Hogere School voor Handelswetenschap onderwijs geven, worden uitgenodigd om de vergaderingen van den Raad van professoren bij te wonen. Bij beslissing over vragen die in verband staan met hun onderwijs zijn zij tot stemmen gerechtigd.

3) De Raad van professoren beraadslaagt over alle belangrijke zaken, die de Hogere School voor Handelswetenschap, bijzonderlijk het onderwijs en zijne ontwikkeling betreffen, Inzonderheid is hij gemachtigd : jaarlijks het programma der lessen vast te stellen. voorstellen te doen tot het toekennen van reis- en studiebeurzen, wedstrijden uit te schrijven en de prijzen toe te kennen, hij het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten voorstellen in te dienen tot verbetering van het onderwijs en tot het invoeren van nieuwe inrichtingen wanneer de wenselijkheid ervan gebleken is. aan het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten adviezen uit te hrengen over zaken die de Hogere School betreffen, inzonderheid over benoemingen voor openstaande of nieuw te stichten leerstoelen.

 4} De vergaderingen van den Raad van professoren worden gelegd door den Bestuurder, die tevens de punten ter behandeling aangeeft. In elk geval moet ene vraag, in de bevoegdheid van den Raad vallende, ter bespreking gebracht worden, wanneer ten minste drie professoren of docenten, die in deze zaak tot stemmen gerechtigd zijn, het aanvragen.

5) Voor zoverre in afzonderlijke gevallen geen andere bepalingen bestaan, heslist den Raad van professoren hij meerderheid van stemmen; hij staking van stemme7i heeft de voorzitter beslissende stem. Opdat de vergadering bevoegd weze een besluit te nemen, is de aanwezigheid van ten minste de helft der leden vereist. Als de minderheid het verlangt, wordt haar advies hij het verslag over de genomen besluiten gevoegd.

Betrekkingen met de overheden der Universiteit. Art, 12. 1) Te samen met het beheer der zaken van de Universiteit in haar geheel, voert de Curator der Universiteit het beheer van de Hogere School voor Handelswetenschap.

2) Hij beëdigt de beambten en wijst de bedienden der Hogere School oj) hunne plichten. Dit personeel staat onder zijn algemeen bestuurlijk toezicht.

3) Hij heeft het Hoger toezicht over de gebouwen  instituten en verzamelingen der Hogere School.

Art. 13. 1) De Rector der Universiteit vertegenwoordigt naar buiten, de Hogere School voor Handelswetenschap met de algeheelheid der Universiteit. Hij waakt over hare wetenschappelijke en pedagogische belangen.

2) Hij beëdigt de leerkrachten der Hogere School. Hij aanvaardt de leerlingen door hunne inschrijving op de rol der Universiteit en bekrachtigt door zijne handtekening de academische getuigschriften en diplom is  die door de examencommissie afgeleverd worden.

Art. 14. 1) De bestuurder vertegenwoordigt de Hogere School in het College van Assessoren en in den Academische senaat der Universiteit. Hij wordt tot de zittingen uitgenodigd als vragen van algemenen aard die de Universiteit in haar geheel of vragen die vooral de Hogere School voor Handelswetenschap betreffen, behandeld worden. In dit laatste geval is hij tot stemmen gerechtigd.

2) Professoren der Hogere School voor Handelswetenschap kunnen hij bespreking van vragen die in verband staan met hun onderwijs uitgenodigd worden om met raadplegende stem de vergaderingen van den Academische Senaat der Universiteit hij te wonen,
Brussel, den 20 juni 1917
No. 374. - 27. juli 1917
. Verordening betreffende de leerkrachten en het bestuur der Hogere- Land- en Tuinbouwschool bij de Staatsuniversiteit te Gent, alsmede de betrekking tussen de Hogere School en de Universiteit.
I, Leerkrachten.

Art. 1. 1) Naar luid van artikel 6 der Verordening van 23 Mei 1917, C. C. Ulh 2230, betreffende de inrichting ener Hogere Land- en Tuinbouwschool hij de Staatsuniversiieit te Gent, wordt aan deze Hogere School onderwijs gegeven door de professoren en docenten aan de Hogere School zelf en door professoren en docenten in de faculteiten der Universiteit alsmede aan de andere hij de Universiteit bestaande scholen.

2) Daarenboven kunnen, al naar gelang van de behoefte, hoofdassistenten, assistenten en technici aangesteld worden.

3) Bovendien kunnen mannen van bijzondere bekwaamheid in de wetenschap of de techniek, die niet tot de Hogere School behoren belast worden met het houden van afzonderlijke voordrachten.

Art. 2. 1) De professoren en docenten aan de Hogere Land- en Tuinbouwschool worden benoemd door de regering, op advies van den Raad van professoren der Hogere School, alsmede van den Rector en den Curator (Beheerder opziener) der Universiteit.

2) Bij de benoeming der professoren en docenten wordt bepaald in welke vakken zij onderwijs zullen geven.

3) De professor of docent die benoemd wordt voor een bepaald vak  is in den regel ook gelast over de verzamelingen, die bij dat vak in verband staan, toezicht te houden en de instituten die ermede verbonden zijn, te besturen.

4) leder professor en docent is verplicht de colleges en oefeningen, waarmede hij uit hoofde van zijne aanstelling belast is, op regelmatige wijze te houden. Mocht het voorkomen dat hij in een of andere semester geen onderwijs heeft te geven, dan is hij verplicht andere colleges of oefeningen te houden in een der vakken waartoe hij benoemd is.

5) De professoren en docenten zijn verplicht de examens af te nemen, de verslagen te leveren over wedstrijden of over andere aangelegenheden van het onderwijs of van de Hogere School, waarmede ze krachtens de algemene bepalingen of bijzondere ministeriële onderrichtingen belast worden; de vergaderingen van den Raad van professoren geregeld bij te wonen en mede te werken aan de uitvoering van de werkzaamheden die deze laatste te vervullen heeft.

6) Buiten hunne betrekking aan de Hogere School mogen de professoren gene openbare of private beroepsbezigheid uitoefenen, zonder toestemming van het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten.

Art. 3. 1) De professoren der Hogere Land- en Tuinbouwschool genieten ene jaarwedde van 6.000 frank, die na drie jaren, te rekenen van hunne benoeming, met 500 frank en na drie verdere jaren, nogmaals met 500 frank verhoogd kan worden. Deze verhogingen kunnen reeds voor afloop van 3 respectievelijk 6 jaren toegekend worden, als de belanghebbende ten minste 6 respectievelijk 12 jaren hij Staat, provincie of gemeente in dienst was.

2) Verdienstelijke professoren der Hogere School die sedert meer dan 25 jaren in staats -, provincie- of gemeentedienst zijn, meer dan 50 jaar oud zijn en sedert ten minste drie jaar de maximum -jaarwedde genieten die voor hun ambt bepaald is, kunnen ene vermeerdering van jaarwedde krijgen van een tiende en na drie verdere jaren ene nieuwe vermeerdering van een tiende der maximum -jaarwedde.

3) Bij het berekenen der dienstjaren kan ook de diensttijd die buiten België, in staats -, provincie- of gemeentedienst doorgebracht werd, in aanmerking genomen worden.

4) Voor bijzondere redenen kan aan professoren een bijslag of vergoeding toegekend worden.

5) De jaarwedde der docenten wordt telkenmale hij afzonderlijke beschikking geregeld. Nochtans dient tot grondslag voor de vaststelling de jaarwedde van docenten, die aan de Hogere Land- en Tuinbouwschool hunne hoofdbezigheid hebben, ene aanvankelijke jaarwedde van 4.000 frank, die na drie jaren met 500 frank en na drie verdere jaren nogmaals met 500 frank verhoogd kan worden. Docenten die aan de Hogere School slechts ene bij komende betrekking uitoefenen genieten ene vergoeding, die berekend wordt naar het belang van dit onderwijs.
Artikel 4. De bepalingen van de wet van 30 juli 1879, betreffende het pensioen der leden van het lerarenkorps der Staatsuniversiteiten alsook die van de Verordening van 21 maart 1917 tot aanvulling diezelfde wet, zijn toepasselijk op het pensioen en het emeritaat van de professoren en docenten aan de Hogere Land- en Tuinbouwschool.
 Art, 5. 1) Professoren en docenten aan de Universiteit of aan ene der hij de Universiteit bestaande bijzondere scholen, kunnen aan de Hogere Land- en Tuinbouwschool medewerken, ofwel, door het feit, dat door hen aan de Universiteit of aan de daarbij bestaande bijzondere scholen gehouden colleges of oefeningen in het programma der Hogere School opgenomen worden, of ook nog daardoor dat zij met het houden van afzonderlijke colleges of oefeningen aan de Hogere Land- en Tuinbouwschool belast worden.

2) In dit laatste geval kan hun ene bijzondere vergoeding worden toegestaan, berekend naar het belang van dit onderwijs.

3) De bepalingen van artikel 2 zijn toepasselijk oj> de benoeming en de plichten van deze professoren en docenten.

Art. 6. 1) Al naar gelang van de behoefte worden hoofdassistenten, assistenten en technici aangesteld, op voorstel van de professoren of docenten onder wier leiding zij zullen hebben te werken en behoudens advies van den Raad van professoren aan de Hogere Land- en Tuinbouwschool, Hunne rechten en plichten worden geregeld bij het besluit van hunne benoeming, bij bijzondere voorschriften voor den dienst en bij afzonderlijke beschikking van hunne oversten.

2) Hunne jaarwedde wordt vastgesteld overeenkomstig de algemene voor de Staatsuniversiteiten geldende bepalingen.
Art, 7. Mannen van bijzondere bekwaamheid in de wetenschap of de techniek, die niet tot de Hogere School behoren, kunnen door het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten met het houden van afzonderlijke voordrachten {niet op het gewoon programma voorkomende leergangen) belast worden, op voorstel of behoudens advies van den Raad van professoren der Hogere School. Hunne betrekkingen tot de Hogere School worden door het Ministerie in elk afzonderlijk geval geregeld.

II. Organen der Hogere School.

Art. 8. 1) De Hogere Land- en Tuinbouwschool staat onder de leiding van een Bestuurder, die na raadpleging van den Bector en den Curator der Universiteit door de regering benoemd wordt onder de leden van den Raad van professoren.

3) De Bestuurder is voorzitter van den Raad van professoren aan de Hogere School. Hij onderwerpt aan het oordeel van den Raad alle zaken die door dezen laatste moeten besproken worden. Al naar gelang van de bepalingen nopens de bevoegdheid voert hij de besluiten van den Raad rechtstreeks uit of brengt ze ter kennis van de overheid van wie de beslissing afhangt.

4) De Bestuurder is belast met de inrichting en de Hogere leiding der examens die door de Hogere School afgenomen worden.

5) Jaarlijks moet de Bestuurder verslag geven aan het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten over den wetenschappelijke, disciplinaire en economische toestand der Hogere School.

Art. 9. Behalve zijn bezoldiging aïs professor geniet de Bestuurder der Hogere School ene jaarwedde van ten hoogste 3.000 frank, waarop de bepalingen van de wet van 30 Juli 1879, betreffende het pensioen en het emeritaat van professoren en andere leden van het leraarskorps der Staatsuniversiteiten, toepasselijk zijn.

Art. 10. Bij tijdelijke verhindering of ontstentenis van den Bestuurder worden zijne ambtsverrichtingen waargenomen door het oudste in dienst zijnde lid van den Raad van professoren. In geval van langer durende verhindering of ontstentenis wordt door de regering een plaatsvervanger aangeduid onder de leden van den Raad van professoren  na raadpleging van den Bestuurder der Hogere School (zo mogelijk) en van den Rector en den Curator der Universiteit.

Art. 11. 1) De Raad van professoren der Hogere Landen Tuinbouwschool bestaat uit de professoren aan de Hogere School zelf, alsmede uit de professoren der Universiteit of der andere bij de Universiteit bestaande scholen  die aan de Hogere Land- en Tuinbouwschool onderwijs geven.

2) De docenten aan de Hogere Land- en Tuinbouw school en al de docenten der Universiteit en der bij de Universiteit bestaande scholen, die aan de Hogere Land- en Tuinbouwschool onderwijs geven, worden uitgenodigd om de vergaderingen van den Raad van professoren bij te wonen. Bij beslissing over vragen die in verband staan met hun onderwijs zijn zij tot stemmen gerechtigd.

3) De Raad van professoren beraadslaagt over alle belangrijke zaken, die de Hogere Land- en Tuinbouwschool, bijzonderlijk het onderwijs en zijne ontwikkeling, betreffen. Inzonderheid is hij gemachtigd : jaarlijks het programma der lessen vast te stellen, voorstellen te doen tot het toekennen van reis- en studiebeurzen, wedstrijden uit te schrijven en de prijzen toe te kennen, bij het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten voorstellen in te dienen tot verbetering van het onderwijs en tot het invoeren van nieuwe inrichtingen wanneer de noodzakelijkheid ervan gebleken is. aan het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten adviezen uit te brengen over zaken die de Hogere School betreffen, inzonderheid over benoemingen voor openstaande of nieuw te stichten leerstoelen.

4) De vergaderingen van den Raad van professoren worden belegd door den Bestuurder, die tevens de punten ter behandeling aangeeft. In elk geval moet ene vraag, in de bevoegdheid van den Raad vallende, ter bespreking gebracht worden, wanneer ten minste drie professoren of docenten, die in deze zaak tot stemmen gerechtigd zijn, het aanvragen.

5) Voor zooverre in afzonderlijke gevallen geen andere bepalingen bestaan, heslist de Raad van professoren bij meerderheid van stemmen ; hij staking van stemmen heeft de voorzitter beslissende stem. Opdat de vergadering bevoegd weze een besluit te nemen, is de aanwezigheid van ten minste de helft der leden vereist. Aïs de minderheid het verlangt, wordt haar advies hij het verslag over de genomen besluiten gevoegd.
III Betrekkingen met de overheden der Universiteit.

Art. 12. 1) Te samen met het beheer der zaken van de Universiteit in haar geheel, voert de Curator der Universiteit het beheer van de Hogere Land- en Tuinbouwschool.

2) Hij beëdigt de beambten en wijst de bedienden der Hogere School op hunne plichten. Dit personeel staat onder zijn algemeen bestuurlijk toezicht.

3) Hij heeft het Hoger toezicht over de gehouwen, instituten en verzamelingen der Hogere School.

Art. 13. 1) De Rector van de Universiteit vertegenwoordigt, naar buiten, de Hogere Land- en Tuinbouwschool met de algeheelheid der Universiteit. Hij waakt over hare wetenschappelijke en pedagogische belangen.

2) Hij beëdigt de leerkrachten der Hogere School. Hij aanvaardt de leerlingen door hunne inschrijving op de rol der Universiteit en bekrachtigd door zijne handtekening de academische getuigschriften en diploma's, die door de examencommissie afgeleverd worden.

Art. 14. 1) De Bestuurder vertegenwoordigt de Hogere School in het College van Assessoren en in den Academische Senaat der Universiteit. Hij wordt tot de zittingen uitgenodigd als vragen van algemene aard, die de Universiteit in haar geheel, qf vragen die vooral de Hogere Landen Tuinbouwschool betreffen  behandeld worden. In dit laatste geval is hij tot stemmen gerechtigd.

2) Professoren der Hogere Land- en Tuinbouwschool kunnen hij bespreking van vragen die in verhand staan met hun onderwijs, uitgenodigd worden om met raadplegende stem de vergaderingen van den Academische Senaat der Universiteit hij te wonen. Brussel, den 20n juni 1917.
No. 374. - 27. juli 1917
Verordening betreffende de voorwaarden tot aanvaarding en de toegangsexamens aan de Hogere School voor Handelswetenschap bij de Staatsuniversiteit te Gent. Ter uitvoering van artikel 8 Nr. 3 van de Verordening van 23 Mei 1917, C. C. lllh 2229, betreffende de inrichting ener Hogere School voor Handelswetenschap hij de Staatsuniversiteit te Gent, worden, aangaande de toelating aan deze Hogere School, de volgende bepalingen uitgevaardigd:

Art. 1, Als gewone leerlingen der Hogere School voor
 Handelswetenschap kunnen door den Rector der Universiteit aanvaard worden de personen die het inzicht hebben de door het gewoon programma voor elk examen voorgeschreven colleges en oefeningen hij wonen en het bewijs leveren dot zij de vereiste ontwikkeling bezitten. Dit bewijs wordt geleverd :

a) door een der bekrachtigde einddiploma s van middelhaar onderwijs van den Hogere graad voorzien bij artikelen 5 tot 7 der wet van 10 april 1890—3 juli 1891 of bij gebreke daarvan, door een getuigschrift van een der met goed gevolg afgelegde examens, voorzien hij artikelen 10 en 12 van voornoemde wet ;

b) door het einddiploma van de handelsafdeling aan een atheneum van het land, of aan een gemeentelijk of vrij onderwijs gesticht van dezelfden graad ;
c) door het einddiploma van een staats middelbare normaalschool of van ene middelbare normaalschool die door den Staat erkend is ; of
d) door het afleggen met goed gevolg van een toegangsexamen ten overstaan van ene bij de Hogere School voor Handelswetenschap ingestelde commissie. Kunnen door deze commissie geheel of gedeeltelijk van het toegangsexamen vrijgesteld worden  zij die met goed gevolg een toegangsexamen hebben afgelegd tot ene Universiteit, tot ene daaraan toegevoegde Hogere School  tot ene zelfstandige Hogere Handelsschool van den Staat, of tot eene Hogere Handelsschool waarvan de diploma’s door den Staat erkend worden.

Art. 2. Het toegangsexamen voorzien bij artikel 7, l

d) loopt over de volgende vakken :
1 De Nederlandse taal en, naar keus van den kandidaat twee der volgende talen : Duits, Engels, Frans ;
2. De hoofdbegrippen van reken-, stel- en meetkunde ;
3. De algemene aardrijkskunde ;
4. De hoofdbegrippen der natuurkunde ;
5. De algemene en vaderlandse geschiedenis van het tijdperk der ontdekkingen af, Het uitvoerig programma van het toegangsexamen wordt door het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten geregeld.

Art. 3, De toegangsexamens worden jaarlijks in twee zittingen, de eerste in Juli, de tweede in Oktober afgenomen. De inschrijvingen worden door het Secretariaat der Universiteit aanvaard voar 1 Oktober. Bij de inschrijving moet het examengeld ten bedrage van 35 frank, alsmede 5 frank voor den dienst der examens betaald worden.

Art. 4. De commissie die helast is met het afnemen der examens bestaat uit ten minste 5 leden. Voorzitter er van is de Bestuurder der Hogere School of zijn plaatsvervanger. De overige leden worden op voorstel van den Raad van professoren door het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten voor een jaar benoemd. In geval van verhindering van een der leden draagt de voorzitter zorg voor geschikte plaatsvervanging.

Art. 5. Het examen in ieder vak moet zooveel mogelijk afgenomen worden door den professor of docent die aan de Hogere School in dat vak onderwijs geeft. Behalve de eigenlijke leden van het leraarskorps der Hogere School, kunnen, zoo nodig, ook professoren en docenten der Universiteit en der andere bij de Universiteit bestaande scholen, met het afnemen der examens helast worden.

Art. 6. De examens worden in het openbaar gehouden. Ze worden ten minste acht dagen te voren in een plaatselijk dagblad en ad valvas in de Universiteit aangekondigd.

Art. 7. De examens worden schriftelijk en mondeling afgenomen. De Raad van professoren der Hogere School wordt gelast, een reglement aangaande de wijze waarop de examens afgenomen worden op te maken en hetzelve ter goedkeuring aan het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten te onderwerpen.

Art. 8. De uitslagen der examens voor ieder vak worden door de betreffende examinatoren vastgesteld. De examencommissie heslist met meerderheid van stemmen of het examen al dan niet met goed gevolg werd afgelegd. Bij staking van stemmen wordt de uitslag als ongunstig beschouwd.

Art. 9. Ten bewijze dat het examen met goed gevolg is afgelegd, wordt aan den geëxamineerde een getuigschrift afgeleverd. Het formulier van dit getuigschrift wordt door het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten vastgesteld.

Art. 10. In uitzonderlijke gevallen kunnen ook als gewone leerlingen opgenomen worden personen, die  hoewel zij de in artikel 1 vermelde voorwaarden niet vervullen, toch kunnen bewijzen de nodige bekwaamheid te bezitten om met vrucht de lessen in de verschillende vakken van het onderwijs bij te wonen. Dit kan enkel geschieden met de toestemming van de examencommissie, van den Bestuurder der Hogere School voor Handelswetenschap en van den Rector der Universiteit en met de goedkeuring van het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten.

Art. 11. Jongelieden die niet ten volle de vereiste voorwaarden vervullen om als gewone leerlingen te worden aanvaard, maar toch kunnen bewijzen de nodige bekwaamheid te bezitten tot de studies, waarin zij belang stellen, kunnen door den Rector der Universiteit als vrije leerlingen der Hogere School voor Handelswetenschap opgenomen worden. Het onderzoek van het bekwaamheidsbewijs « opgedragen aan de examencommissie, vermeld bij artikel 4, die over hare beslissing verslag uitbrengt bij den Rector.

Art. 12. Personen van riperen leeftijd kunnen tot afzonderlijke colleges of oefeningen door den Rector der Universiteit als toehoorders der Hogere School voor Handelswetenschap worden toegelaten, mits goedkeuring van de betreffende leraars en op gunstig advies van den Raad van professoren.
Brussel, den 20n juni 1917.

No. 374. - 27. juli 1917
 
Verordening betreffende de voor aarden tot aanvaarding en de toegangsexamens aan de Hogere Land- en Tuinbouwschool bij de Staatsuniversiteit te Gent Ter uitvoering van artikel 8 Nr, 3 van de Verordening van 23 Mei 1917, C. C. Illb 2230, betreffende de oprichting ener Hogere Land- en Tuinbouwschool bij de Staatsuniversiteit te Gent, worden de volgende bepalingen uitgevaardigd :

Art. 1. Als gewone leerlingen der Hogere Land- en Tuinbouwschool kunnen, door den Rector der Universiteit, aanvaard worden personen, die het inzicht hebben de door het gewoon programma voor elk examen voorgeschreven colleges en oefeningen bij te wonen en het bewijs leveren dat zij de vereiste ontwikkeling bezitten. Dit bewijs wordt geleverd A. voor de leerlingen in de landbouwkunde :

a) door een der bekrachtigde einddiploma's van middelbaar onderwijs van den Hogere graad, voorzien bij artikelen 5 lot 7 der wet van 10 april  1890—3 Juli 1891, of bij gebreke daarvan, door een getuigschrift van een der met goed gevolg afgelegde examens voorzien bij artikelen 10 en 12 van voornoemde wet ;

b) door het einddiploma van de handelsafdeling aan een atheneum van het land, of aan een gemeentelijk of vrij onderwijsgesticht van dezelfden graad ; o) door het einddiploma van ene staats middelbare normaalschool of van een middelbare normaalschool die door den Staat erkend is ;

d) door het afleggen met goed gevolg van een toegangsexamen ten overstaan van ene aan de Hogere Land- en Tuinbouwschool ingestelde commissie. Kunnen door deze commissie geheel of gedeeltelijk van het toegangsexamen vrijgesteld worden zij die met goed gevolg een toegangsexamen hebben afgelegd tot ene Universiteit, tot ene daaraan toegevoegde Hogere school tot ene Hogere Landbouwschool van den Staat of tot ene Hogere Landbouwschool waarvan de diploma’s door den Staat erkend worden. B. voor de leerlingen in de tuinbouwkunde : door het overleggen van het diploma van tuinbouwkundige, afgeleverd door een middelbare tuinbouwschool met driejarigen cursus. Bovendien wordt ene voldoende algemene ontwikkeling vereist, waarvan het bewijs geleverd wordt :

a) door het getuigschrift van voleindigde studiën afgeleverd door ene staats middelbare school van den lagere graad of door een ander onderwijsgesticht van dezelfden graad;

b) door ene gewaarmerkte verklaring van toelating in de derde klas van een atheneum van het land of van een ander onderwijsgesticht van dezelfden graad ; ofl

c) door het afleggen met goed gevolg van een toegangsexamen ten overstaan van ene aan de Hogere Land- en Tuinbouwschool ingestelde commissie.

Art. 2. A. Het toelatingsexamen voorzien bij artikel 2k, litt. d) loopt over de volgende vakken : 1. De Nederlandse taal en, naar keus van den kandidaat,twee der volgende talen: Duits, Engels, Frans
 2. De hoofdbegrippen der reken-, stel-, meetkunde en rechtlijnige driehoeksmeting ;
 3. De algemene aardrijkskunde ;
 4. De hoofd begrippen der natuurkunde ;
 5. Der algemene en vaderlandse geschiedenis van het tijdperk der ontdekkingen af.
B. Het toegangsexamen, voorzien bij artikel iB, litt. c) loopt over de volgende vakken :

1. De Nederlandse taal en, naar kennis van den kandidaat, twee der volgende talen : Duits Engels, Frans ;
2. De hoofdbegrippen der reken -, stel- en meetkunde ;
3, De aardrijkskunde va  België ;
4. De voornaamste feiten uit de vaderlandse geschieden ; de hoofdbegrippen der algemene geschiedenis van het tijdperk der ontdekkingen af. Het uitvoerig programma van beide toegangsexamens zal door het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten geregeld worden.

 Art, 3, De toegangsexamens worden jaarlijks in twee zittingen, de eerste in Juli, de tweede in Oktober afgenomen. De inschrijvingen worden door het Secretariaat der Universiteit aanvaard voor 1 Juli respectievelijk voor 1 Oktober, Bij de inschrijving moet het examengeld ten bedrage van 35 frank, alsmede 5 frank voor den dienst der examens betaald worden.

Art. 4, De commissie die belast is met het afnemen der examens bestaat uit ten minste 5 leden. Voorzitter er van is de Bestuurder der Hogere School of zijn plaatsvervanger. De overige leden worden op voorstel van den Raad van professoren door het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten voor een jaar benoemd. In geval van verhindering van een der leden draagt de voorzitter zorg voor geschikte plaatsvervanging.

 Art, 5, Het examen in ieder vak moet zoveel mogelijk afgenomen worden door den professor of docent die aan de Hogere School in dat vak onderwijs geeft. Behalve de eigenlijke leden van het leraarskorps der Hogere Studiën zo nodig ook professoren en docenten der Universiteit en der andere bij de Universiteit bestaande scholen met het afnemen der examens helast worden.

Art. 6. De examens worden in het openhaar gehouden, Ze worden ten minste acht dagen te voren in een plaatselijk dagblad en ad valvas in de Universiteit aangekondigd.

Art. 7. De examens worden schriftelijk en mondeling afgenomen. De Raad van professoren der Hogere School wordt gelast een reglement aangaande de wijze waarop de examens afgenomen worden  op te maken en hetzelve ter goedkeuring aan het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten te onderwerpen.

Art. 8. De uitslagen der examens voor ieder vak worden door de betreffende examinatoren vastgesteld. De examencommissie beslist met meerderheid van stemmen of het examen al dan niet met goed gevolg werd afgelegd. Bij staking van stemmen wordt de uitslag als ongunstig beschouwd.

Art. 9. Ten bewijze dat het examen met goed gevolg is afgelegd, wordt aan den geëxamineerde een getuigschrift afgeleverd. Het formulier van dit getuigschrift wordt door het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten vastgesteld.

Art. 10. In uitzonderlijke gevallen kunnen ook als gewone leerlingen opgenomen worden personen, die hoewel zij de in artikel 1 vermelde voorwaarden niet vervullen toch kunnen bewijzen de nodige bekwaamheid te bezitten om met vrucht de lessen in de verschillende vakken van het onderwijs bij te wonen. Dit kan enkel geschieden met de toestemming van de examencommissie, van den Bestuurder der Hogere Land- en Tuinbouwschool en van den Rector der Universiteit, en met de goedkeuring van het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten.

Art. 11. Jongelieden die niet ten volle de vereiste voorwaarden vervullen om als gewone leerlingen te worden aanvaard maar toch kunnen bewijzen de nodige bekwaamheid te bezitten tot de studies, waarin zij belangstellen, kunnen door den Rector der Universiteit als vrije leerlingen der Hogere Land- en Tuinbouwschool opgenomen worden. Het onderzoek van het bekwaamheidsbewijs is opgedragen aan de examencommissie vermeld hij artikel 4, die over hare beslissing verslag uitbrengt hij den Rector,

Art. 12, Personen van ripere leeftijd kunnen lot afzonderlijke colleges of oefeningen door den Rector der Universiteit als toehoorders der Hogere Land- en Tuinbouwschool worden toegelaten, mits goedkeuring van de betreffende leraars en op gunstig advies van den Raad van Professoren.
Brussel den 20n juni 1917.
No. 374. - 27. juli 1917.
 Verordening
 betreffende het examen ter verkrijging van den graad van Licentiaat in de Handelswetenschap aan de Hogere School voor Handelswetenschap bij de Staatsuniversiteit te Gent. Ter uitvoering van artikel 8 nr. 4 van de Verordening van 23 Mei 1917, CC. lllh 2229, betreffende de inrichting ener Hogere School voor Handelswetenschap Uj de Staats294 universiteit te Gent, worden de volgende bepalingen uitgevaardigd:

Art. 1. Het examen ter verkrijging van den academische graad van licentiaat in de handelswetenschap dat in twee gedeelten afgenomen wordt, omvat de volgende vakken : Moderne talen ; Handelstechniek; Boekhouden ; Handelsrekenen ; Geld en Bankwezen; Verkeerswezen ; Algemeene en ecenomische aardrijkskunde ; Warenkennis ; Geschiedenis van Handel en Nijverheid ; Staathuishoudkunde ; Statistiek ; Hoofdbegrippen van het Recht ; Handels' en Zeevaartrecht.

Art. 2. Het eerste gedeelte omvat de vakken die volgens het programma in het eerste studiejaar onderwezen worden, namelijk : Moderne talen, en wel : Nederlands en twee andere moderne talen, door den leerling te kiezen uit Duits, Engels, Frans ; in bijzondere omstandigheden kan ene der te kiezen talen vervangen worden door ene andere, aan de Universiteit onderwezen taal. Handelstechniek  ; Boekhouden ; Handelsrekenen ; Algemene en economische aardrijkskunde ; Warenkennis {Inleiding, anorganische voortbrengselen) ; Geschiedenis van Handel en Nijverheid ; Statistiek ; Hoofdbegrippen van het Recht,

Art. 3. Het tweede gedeelte omvat de vakken die volgens het programma in het tweede studiejaar onderwezen worden namelijk : Moderne talen (voor de keus zie artikel 2) ; Handelstechniek II ; Boekhouden II ; Handelsrekenen II ; Geld' en Bankwezen ; Verkeerswezen ; Warenkennis {organische voortbrengselen) ; Staatshuishoudkunde Handels- en Zeevaartrecht.

Art. 4. Bij elk gedeelte van het examen moet de leerling bewijsstukken overleggen, waaruit blijkt m£t welk gevolg hij de door het programma voorgeschreven praktische oefeningen bijgewoond heeft.

Art. 5. Leerlingen die tot aanvulling hunner studiën, behalve de vakken die door het programma voorgeschreven zijn, aan de Universiteit of aan de hij de Universiteit bestaande bijzondere scholen andere leergangen gevolgd hebben, kunnen de toelating krijgen, naast en tegelijk met het gewoon examen  in deze vakken een bijzonder examen af te leggen.

Art. 6. De examens worden jaarlijks in twee zittingen, de eerste in Juli, de tweede in Oktober afgenomen. De inschrijvingen worden op het Secretariaat der Universiteit aanvaard voor 1 Juli  respectievelijk voor I Oktober. Bij de inschrijving moet het examengeld betaald worden. Het bedraagt 100 frank voor ieder examengedeelte. Daarenboven moeten telkens 5 frank betaald worden voor den dienst der examens, alsmede 5 frank voor ieder praktisch examen dat ene bijzondere bediening vereist.

Art. 7. Elke commissie belast met het afnemen van een der beide examengedeelten bestaat uit ten minste 5 leden. Voorzitter er van is de Bestuurder der Hogere School of zijn plaatsvervanger. De overige leden worden op voorstel van den Raad van professoren door het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten voor een jaar benoemd. In geval van verhindering van een der leden draagt de Voorzitter zorg voor geschikte plaatsvervanger .

 Art, 8. Het examen in ieder vak moet zoveel mogelijk afgenomen worden door den professor of docent die gedurende het jaar, dat het examen voorafging, in dat vak onderwijs gegeven heeft. Evenals de professoren en docenten aan de Hogere School worden ook de professoren en docenten der Universiteit en der andere hij de Universiteit bestaande scholen, die in de Hogere School voor Handelswetenschap onderwijs geven, de leden van de examencommissie met het afnemen der examens helast. Indien leerlingen bijzondere examens, zoals voorzien hij artikel 5, wensen af te leggen, wordt door den voorzitter der commissie in overleg met den Rector der Universiteit voor ieder vak een examinator aangeduid.

Art. 9. De examens worden in het openbaargehouden. Ze worden ten minste acht dagen te voren in een plaatselijk dagblad en ad valvas in de Universiteit aangekondigd.

 Art, 10. In het algemeen worden de examens mondeling afgenomen. De examencommissie kan echter voor sommige vakken een schriftelijk of een praktisch examen voorschrijven. De Raad van professoren der Hogere School wordt gelast, een reglement aangaande de wijze waarop de examen afgenomen worden op te maken, en hetzelve ter goedkeuring aan het Mi7iisterie van Weienschappen en Kunsten te onderwerpen.

Art. 11. De uitslagen der examens voor ieder vak worden door de betreffende examinatoren vastgesteld. De examencommissie heslist de meerderheid van stemmen over den algemene uitslag van het examen, Bij staking van stemmen wordt de uitslag als ongunstig beschouwd. De beoordeling van het examen wordt uitgedrukt door de praedikaten : met de grootste onderscheiding, met grote onderscheiding, met onderscheiding, op voldoende wijze, op onvoldoende wijze.

 Art, 12. Nadat de geëxamineerde het eerste gedeelte van het examen met goed gevolg heeft afgelegd, wordt hem een getuigschrift afgeleverd. Ten bewijze dat hij het tweede gedeelte met goed gevolg heeft afgelegd, wordt hem het diploma van licentiaat in de handelswetenschap afgeleverd. Het formulier van de getuigschriften en van het diploma wordt door het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten vastgesteld,l

Art. 13. In voorkomend geval kan naast de beoordeling van het examen, dat door het programma voorgeschreven wordt, ook het afleggen van bijzondere examens in niet verplichte vakken, zoals voorzien hij artikel 5, in het getuigschrift of diploma vermeld worden, zonder dat dit den uitslag van het gewoon examen kan beïnvloeden.

Art. 14. Is de uitslag in een examengedeelte niet voldoende, zoo wordt de geëxamineerde uitgesteld of afgewezen. In het eerste geval kan hij in de volgende zitting opnieuw tot het examen toegelaten worden, in het tweede geval niet voor afloop van een studiejaar.

Art. 15. Voor de jaren 1917 en 1918 wordt als overgangsmaatregel bepaald, dat de verdeling der vakken, zoals ze in artikel 2 en 3 aangegeven is, de volgende wijzigingen ondergaat Het examen in de aardrijkskunde en in de warenkennis wordt verdeeld op zulke wijze, dat het eerste gedeelte (1917) van het examen Algemene aardrijkskunde en Inleiding tot de warenkermis, en het tweede gedeelte (1918), Economische aardrijkskunde en Warenkennis {anorganische en organische voortbrengselen) omvat. Bovendien zal in het eerste gedeelte [1917) ondervraagd worden over Staathuishoudkunde I. gedeelte in plaats van over Geschiedenis van handel en nijverheid, en in het tweede gedeelte {1918) over Staathuishoudkunde II. En Geschiedenis van handel en nijverheid. Brussel, den 20n juni 1917.
No. 374. - 27. juli 1917.
Verordening
 betreffende de examens ter verkrijging van den graad van landbouwingenieur en van tuinbouwingenieur aan de Hogere Land- en Tuinbouwschool bij de Staatsuniversiteit te Gent.

 er uitvoering van artikel 8, nr. 4, van de Verordening van 23 Mei 1917, C. C. Illh 2230, betreffende de oprichting ener Hogere Land- en Tuinbouwschool bij de Staatsuniversiteit te Gent, worden de volgende bepalingen uitgevaardigd : Art 1. Het examen ter verkrijging van den academische graad van landbouwingenieur, dat in drie gedeelten afgenomen wordt, omvat de volgende vakken :

a) Eerste examengedeelte :

Beginselen der plantkunde;

Beginselen der dierkunde ;

Proefondervindelijke natuurkunde ;

Algemeene scheikunde ;

Beginselen der delfstofkunde, der aardkunde en der

physische aardrijkskunde ;

Geschiedkundige inleiding tot de studie van den

landbouw {met inhegrip van den tuinbouw).

b) Tweede en derde examengedeelten :

Bijzondere plantkunde der landbouwgewassen ;

Bijzondere dierkunde, nuttige en schadelijke dieren,

voomamelijk de insecten ;

Erfelijkheidsleer en hare toepassingen ;

Microbenleer en plantenziekten /

Landbouwscheikunde

Toegepaste natuurkunde ;

Grondbegrippen der weerkunde, der klimaatkunde en der hydrologie ;

Praktische aardkunde en gesteenteleer;

Algemene plantenteelt ;

Bijzondere teelt der akkerbouwgewassen ;

Algemene en bijzondere dierenteelt, vorm- en beoordelingsleer

Ziekteleer en gezondheidsleer der huisdieren ;

Landbouwtechniek, landbouwmachineleer ;

Landbouwtechnologie ;

Bedrijfsleer van den landbouw.

Taxatieleer ;

Grondbeginselen der staatshuishoudkunde ; vennootschapswetenschap ; Agrarisch recht ;

Boekhouden ;

Landelijke bouwkunde.

Landmeetkunde ;

Tekenen.

Art. 2. Het examen ter verkrijging van den academische graad van tuinbouwingenieur dat in drie gedeelten afgenomen wordt, omvat de volgende vakken :

a) Eerste examengedeelte (leervakken van het voorbereiden jaar) ; Moderne talen, en wel : Nederlands en twee andere moderne talen, door den leerling te kiezen uit Duits, Engels, Frans ; in bijzondere omstandigheden kan ene der te kiezen talen vervangen worden door ene andere, aan de Universiteit onderwezen taal. Beginselen der wiskunde ;

Beginselen der plantkunde ;

Beginselen der dierkunde ;

Beginselen der proefondervindelijke natuurkunde ;

Beginselen der scheikunde ;

Beginselen der algemene aardrijkskunde ;

Geschiedkundige inleiding tot de studie van den landbouw, met inbegrip van den tuinbouw.

b) Tweede en derde examengedeelten :

Bijzondere plantkunde der tuinbouwplanten /

Bijzondere dierkunde, nuttige en schadelijke dieren,

voornamelijk de insecten ;

Erfelijkheidsleer en hare toepassingen ;

Microbenleer en plantenziekten ;

Beginselen der landbouwscheikunde ;

Grondbeginselen der weerkunde, der klimaatkunde

en der hydrologie ;

Beginselen der delfstofkunde, der aardkunde en der fysische aardrijkskunde ;

Algemene tuinbouwkunde ;

Fruit- en sierboomteelt ; groenteteelt, bloementeelt,

tuinaanleg.

Tuinbouwtechnologie ;

Bedrijfsleer van den tuinbouw, plantenhandel, taxatieleer

Grondbeginselen der staathuishoudkunde, vennootschapswetenschap ; Agrarisch recht ;

Boekhouden ;

Landmeetkunde ;

Tekenen.

Art. 3. De verdeling der in artikel Ih) en 2h) vermelde leervakken over het tweede en het derde examengedeelte geschiedt volgens het programma der lessen van het tweede en het derde studiejaar.

Art. 4. Bij elk gedeelte van het examen moet de leerling bewijsstukken overleggen waaruit blijkt met welk gevolg Mj de door het 'programma voorgeschreven praktische oefeningen bijgewoond heeft.

Art. 5. Leerlingen die tot aanvulling hunner studiën behalve de vakken die door het programma voorgeschreven zijn  aan de Universiteit of aan hij de Universiteit bestaande bijzondere scholen andere leergangen gevolgd hebben kunnen de toelating verkrijgen naast en tegelijk met het gewoon examen, in deze vakken een bijzonder examen af te leggen.

Art. 6, De examens worden jaarlijks in twee zittingen de eerste in Juli, de tweede in Oktober afgenomen. De inschrijvingen worden op het secretariaat der Universiteit aanvaard voor 1 Juli, respectievelijk voor 1 Oktober Bij de inschrijving moet het examengeld betaald worden. Het bedraagt 50 frank voor elk der twee eerste examengedeelten 100 frank voor het derde examengedeelte. Daarenboven moet telkens 5 frank betaald worden voor den dienst der examens  alsmede 5 frank voor ieder praktisch examen dot ene bijzondere bediening vereist.

Art. 7. Elke commissie belast met het afnemen van ieder der examengedeelten bestaat uit ten minste 5 leden, Voorzitter er van is de Bestuurder der Hogere School of zijn plaatsvervanger. De overige leden worden op voorstel van den Raad van professoren door het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten voor een jaar benoemd. In geval van verhindering van een der leden draagt de Voorzitter zorg voor geschikte plaatsvervanging.

Art. 8. Het examen in ieder vak moet zooveel mogelijk afgenomen worden door den professor of docent die gedurende het jaar dat het examen voorafging in dot txifc onderwijs gegevenheeft. Evenals de professoren en docenten der Hogere School, worden ook de professoren of docenten der Universiteit en der andere bij de Universiteit bestaande scholen, die aan de Hogere Land- en Tuinbouwschool onderwijs geven, aïs leden van de examencommissie met het afnemen der examens helast. Indien leerlingen bijzondere examens zoals voorzien hij artikel 5 wensen af te leggen, wordt door den Voorzitter der commissie in overleg met den Rector der Universiteit, voor ieder vak een examinator aangeduid.

Art. 9. De examens worden in het openbaar gehouden. Ze worden ten minste acht dagen te voren in een plaatselijk dagblad en ad valvas in de Universiteit aangekondigd. In het algemeen worden de examens mondeling afgenomen. De examencommissie kan echter voor sommige vakken een schriftelijk of een praktisch examen voorschrijven.

 Art. 10 De Raad van professoren der Hogere School wordt gelast een reglement aangaande de wijze waarop de examens afgenomen worden op te maken en hetzelve ter goedkeuring aan het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten te onderwerpen.

Art. 11. De uitslagen der examens voor ieder vak worden door de betreffende examinatoren vastgesteld. De examencommissie heslist met meerderheid van de stemmen over den algemenen uitslag van het examen. Bij staking van stemmen wordt de uitslag als ongunstig beschouwd. De beoordeling van het examen wordt uitgedrukt door de praedikaten : met de grootste onderscheiding, met grote onderscheiding, met onderscheiding op voldoende wijze  op niet voldoende wijze.

Art. 12. Telkens als de geëxamineerde een van de twee eerste examengedeelten met goed gevolg heeft afgelegd, wordt hem voor ieder gedeelte een getuigschrift afgeleverd. Ten bewijze dat hij het derde gedeelte met goed gevolg heeft afgelegd, wordt hem het diploma van landbouwingenieur resp. van tuinbouwingenieur afgeleverd. Het formulier van de getuigschriften en van het diploma wordt door het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten vastgesteld.

Art. 13. In voorkomend geval kan naast de beoordeling van het examen, dat door het programma voorgeschreven wordt ook het afleggen van bijzondere examens in niet verplichte vakken, zoals voorzien bij artikel 6, in het getuigschrift of diploma vermeld worden, zonder dat dit den uitslag van het gewoon examen kan beïnvloeden.

Art. 14. Is de uitslag in een examengedeelte niet voldoen de, zo wordt de geëxamineerde uitgesteld of afgewezen. In het eerste geval kan hij in de volgende zitting opnieuw tot het examen toegelaten worden, in het tweede geval niet voor afloop van een studiejaar.

Art. 15. Voor de jaren 1917 en1918wordt aïs overgangsmaatregel bepaald dat het hij artikel 2 voor de tuinbouwingenieurs voorzien examen over „Geschiedkundige inleiding tot de studie van den landbouw, met inbegrip van den tuinbouw' van het eerste examengedeelte {1917) naar het tweede examengedeelte {1918) verschoven wordt. Brussel,
den 20n juni 1917.


No. 374. - 27. juli 1917.
 Verordening.

 Enig artikel. Ter uitvoering van artikel 2 der Verordening C. C. Illb 2383 van 20 juni 1917, over de voorwaarden tot aanvaarding en de toegangsexamens aan de Hogere School voor Handelswetenschap hij de Staatsuniversiteit te Gent, worden de voor de verschillende vakken gestelde eisen als volgt geregeld : Uitvoerig programma van het toegangsexamen aan de Hogere School voor Handelswetenschap bij de- Staatsuniversiteit te Gent.

 Moderne talen : Behalve uit een mondeling gedeelte, zal het examen in elke taal bestaan uit een schriftelijk gedeelte (opstel, vertaling) waarbij rekening zal gehouden worden met de grammaticale juistheid en den literaire vorm.

 Rekenkunde : Rekenen met gehele getallen, met breuken en met gebroken getallen {met proeven en middelen tot vereenvoudigde berekening). Metriek stelsel. Voornaamste buitenlandse geldsoorten en maten. Omrekening van verschillende geldsoorten en gewichten. Verhoudingen en evenredigheden. Regel van drieën {enkelvoudig en samengesteld). Kettingregel. Vierkantswortel. Reeksen en logaritmen. Enkelvoudige en samengestelde interesten. De oplossingen der vraagstukken moeten beredeneerd zijn.

 Stelkunde : De vier hoofdbewerkingen toegepast op enkele termen en veeltermen. Ontbinding in factoren. Stelkundige breuken. Oplossing van getalvergelijkingen van den eersten graad met een of meer onbekenden. Oplossing van tweede machtsvergelijkingen met een onbekende. Vraagstukken en beredenering der oplossingen,

Meetkunde : A. Vlakke meetkunde. Bepalingen en axioma’s. Eigenschappen van loodlijnen en van schuine lijnen. Theorie der evenwijdige lijnen. Congruentie van driehoeken. Som der hoeken van een willekeurige veelhoek. Eigenschappen der parallellogrammen. De cirkel. Hoekmeting. Berekening van oppervlakten. Voornaamste eigenschappen der driehoeken, Evenredige lijnen. Gelijkvormige figuren. regelmatige veelhoeken. Oppervlak van den cirkel, Verhouding tussen de lengte van den cirkelomtrek en de middellijn, Vraagstukken.

B. Meetkunde in de ruimte. Vlakken en tweevlakshoeken, Berekening van een oppervlak en inhoud van prisma, parallelepipedon, piramide en afgeknotte piramide, Hetzelfde voor cilinder, kegels afgeknotte kegel en hol, Men zal voornamelijk vragen over de toepassing der formules die de oppervlakken en inhouden uitdrukken

Natuurkunde : Eerste beginselen der mechanica. Algemene eigen schappen der lichamen. Aantrekkingskracht Zwaartekracht. Bepaling van het gewicht der lichamen, Beginsel van Pascal. Evenwicht van vloeistoffen. Voortplanting van den druk onder den invloed der zwaartekracht. Beginsel van Archimedes, Bepaling van het soortelijk gewicht van vaste lichamen en vloeistoffen. Capillaire verschijnselen. Lichtdruk. Elastische kracht der gassen, Manometers. Luchtpompen. Perspompen. Waterpompen, Thermometrie. Uitzetting. Verandering van aggregatietoestand. Calorimetrie. Warmtestraling. Warmtegeleiding. Warmtebronnen. Werktuigen die door de warmte gedreven worden. Hoofdbegrippen der optica. Verschijnselen hij spiegels prisma’s en lenzen. De microscoop. Hoofdbegrippen van het magnetisme. Het kompas, Hoofdbegrippen der elektrostatica en elektrodynamica. Elektrische elementen. Elektrolyse. Galvanoplastiek. Voornaamste toepassingen der elektriciteit in de nijverheid. Atmosferische elektriciteit.

Algemene aardrijkskunde. A. Beginselen der astronomische aardrijkskunde. Wenteling der aarde rond hare as. Wenteling der aarde rond de zon. Dag en nacht. Jaargetijden. De aarde in het zonnestelsel.

B. Algemene fysische aardrijkskunde. Verdeling en algemene vormen van aarde en water., Zeestromingen. Luchtstromingen. Algemene verdeling van het planten, dieren- en delfstoffen rijk en van de. mensenrassen.

. C. Fysische aardrijkskunde der vijf werelddelen. Bergketens. Vlakten. Hoogvlakten. Stromen. Meren, Golven. Kapen. Algemene en vaderlandse geschiedenis van het tijdperk der ontdekkingen af : Europa op het einde der 15e eeuw. De Italiaanse Republieken. De Hanze. De ontdekkingsreizen der Portugezen. De ontdekking van Amerika. De veroveringen van de Spanjaarden i?i Amerika. De eenmaking van de Nederlanden. Karel V. De kerkhervorming. Philips IL De opstand der Nederlandse gewesten. De tachtigjarige oorlog. De Oost-Indische compagnie. Engeland onder koningin Elizabeth. De Engelsen en de Fransen in Noord-Amerika. De dertigjarige oorlog. De vrede van Westfalen. De Engelse omwenteling. Lodewijk XIV. De inval van de Fransen in de Spaanse Nederlanden. De vrede te Utrecht. De Barriere. De compagnie van Oostende. Tsaar Peter de Groote. De opkomst van Pruisen. De Oostenrijkse successieoorlog. De oorlog tussen Engeland en Frankrijk om de Noord -Amerikaanse Koloniën. De zevenjarige ooi'log. De Noord Amerikaanse vrijheidsoorlog. De Oostenrijkse Nederlanden onder Maria-Theresia en Josef II. De Brabantse omwenteling. De verdeling van Polen. De Franse omwenteling. Het eerste Franse keizerrijk. Het congres van Wenen. Het koninkrijk der Nederlanden. De Juli omwenteling te Parijs. De omwenteling in Zuid- Nederland. Het koninkrijk België. De opstand in Polen 1848. Het tweede Franse keizerrijk. De eenmaking van Italië. De heroprichting van het Duitse Rijk, Het Oosterse vraagstuk. Engeland gedurende de 19e eeuw. De overige Europese mogendheden gedurende de 19e eeuw. De Verenigde Staten van Noord-Amerika. Het verre Oosten. Brussel, den 3n Juli 1917.


No. 374. - 27. juli 1917.
Verordening. Enig artikel.

Ter uitvoering van artikel 2 der Verordening  van 20 juni 1917 over de voorwaarden tot aanvaarding en de toegangsexamens aan de Hogere Land- en Tuinbouwschool hij de Staatsuniversiteit te Gent worden de voor de verschillende vakken gestelde eisen als volgt geregeld: Uitvoerig programma van het toegangsexamen aan de Hogere Land- en Tuinbouwschool hij de Staatsuniversiteit te Gent.

A. Toegangsexamen aan de Landbouwschool. Moderne talen : Behalve uit een mondeling gedeelte, zal het examen in elke taal bestaan uit een schriftelijk gedeelte (apsiel, vertaling) f waarbij zal rekening gehouden worden met de grammaticale juistheid en den literaire vorm. Rekenkunde : Rekenen met gehele getallen, met breuken en met gebroken getallen {met riproeven en middelen tot vereenvoudigde berekening), Metriek stelsel Voornaamste buitenlandse geldsoorten en maten, Omrekening van verschillende geldsoorten en gewichten. Verhoudingen en evenredigheden. Regel van drieën (enkelvoudig en samengesteld), Kettingregel, Vierkantswortel. Reeksen en logaritmen. Enkelvoudige en samengestelde interesten. De oplossingen der vraagstukken moeien beredeneerd zijn, Stelkunde : De mer hoofdbewerkingen toegepast op enkele termen en veeltermen. Ontbinding in factoren. Stelkundige breuken. Oplossing van getalvergelijkingen van den eersten graad met een of meer onbekenden, Oplossing van tweede machtsvergelijkingen met een onbekende, Vraagstukken en beredenering der oplossingen.

Meetkunde : A. Vlakke meetkunde, Bepalingen en axioma’s. Eigenschappen van loodlijnen en van schuine lijnen. Theorie der evenwijdige lijnen. Congruentie van driehoeken. Som der hoeken van een willekeurige veelhoek. Eigenschappen der parallellogrammen. De cirkel. Hoekmeting, Berekening van oppervlakten. Voornaamste eigenschappen der driehoeken, Evenredige lijnen, Gelijkvormige figuren, Regelmatige veelhoeken, Oppervlak van den cirkel, Verhouding tussen de lengte van den cirkelomtrek en de middellijn. Vraagstukken,

B. Meetkunde in de ruimte. Vlakken en tweevlakshoeken, Berekening van oppervlak en inhoud van prisma, parallelepipedom, piramide en afgeknotte piramide, Hetzelfde voor cilinder, kegels afgeknotte kegel en bol. Men zal voornamelijk vragen over de toepassing der formules die de oppervlakten en inhouden uitdrukken,

C. Beginselen der rechtlijnige driehoeksmeting, Verhoudingen tussen de goniometrische lijnen van een zelfden hoek, Grondformules, Goniometrische tabellen. Oplossing van rechthoekige en van willekeurige driehoeken.

Natuurkunde, Eerste beginselen der mechanica. Algemene eigenschappen der lichamen. Aantrekkingskracht. Zwaartekracht. Bepaling van het gewincht der lichamen, Beginsel van Pascal. Evenwicht van vloeistoffen. Voortplanting van den druk onder den invloed der zwaartekracht. Beginsel van Archimedes. Bepaling van het soortelijk gewicht van vaste lichamen en vloeistoffen. Capillaire verschijnselen. Luchtdruk. Elastische kracht der gassen. Manometers. Luchtpompen. Waterpompen. Thermometrie. uitzetting. Verandering van aggregatietoestand. Calorimetrie. Warmtestraling. Warmtegeleiding. Warmtebronnen. Werktuigen die door de warmte gedreven worden. Hoofdbegrippen der optica. Verschijnselen hij spiegels, prisma’s en lenzen. De microscoop. Hoofdbegrippen van het magnetisme. Het kompas. Hoofdbegrippen der electrostatica en elektrodynamica. Elektrische elementen. Elektrolyse. Galvanoplastiek. Voornaamste toepassingen der Elektriciteit in de nijverheid. Atmosferische elektriciteit.

Algemene aardrijkskunde : A. Beginselen der astronomische aardrijkskunde, Wenteling der aarde rond hare as. Wenteling der aarde rond de zon. Dag en nacht. Jaargetijden. De aarde in het zonnestelsel.

B. Algemene fysische aardrijkskunde. Verdeling en algemene vormen van aarde en water. Zeestromingen. Algemene verdeling van het planten- dieren- en delfstoffenrijk en van de mensenrassen,

C. Fysische aardrijkskunde der vijf u)werelddelen, Bergketens. Vlakten. Hoogvlakten. Stromen Meren. Golven. Kapen, Algemene en vaderlandse gesehiedenis van het tijdperk der ontdekkingen : Europa op het einde der 15e eeuw. De Italiaanse Republieken. De Hanze. De ontdekkingsreizen der Portugezen. De ontdekking van Amerika. De veroveringen van de Spanjaarden in Amerika. De eenmaking van de Nederlanden. Karel F. De kerkhervorming. Filips II, De opstand der Nederlandse gewesten. De tachtigjarige oorlog. De Oost-Indische compagnie. Engeland onder koningin Elizabeth. De Engelsen en de Fransen in Noord-Amerika. De dertigjarige oorlog. De vrede van Westfalen. De Engelse omwenteling. Lodewijk XIV. De inval van de Fransen in de Spaanse Nederlanden. De vrede van Utrecht. De Barriere. De compagnie van Oostende. Tsaar Peter de Groote. De opkomst van Pruisen. De Oostenrijkse successieoorlog. De oorlog tussen Engeland en Frankrijk om de Noord-Amerikaanse koloniën. De zevenjarige oorlog. De Noord- Amerikaanse vrijheidsoorlog. De Oostenrijkse Nederlanden onder Maria-Theresia en Jozef II. De Brabantse omwenteling, De verdeling van Polen. De Franse omwenteling. Het eerste Franse keizerrijk. Het congres van Wenen. Het koninkrijk der Nederlanden. De Juli omwenteling te Parijs. De omwenteling in Zuid-Nederland. Het koninkrijk België. De opstand der Polen in 1848. Het tweede Franse keizerrijk. De eenmaking van Italië. De heroprichting van het Duitse Rijk. De Oosterse kwestie. Engeland gedurende de 19e eeuw. De overige Europese mogendheden gedurende de 19e eeuw. De verenigde Staten van Noord-Amerika. Het verre Oosten.

B. Toegangsexamen aan de Tuinbouwschool. . Moderne talen : Nederlandse taal. Opstel (verhaal of beschrijving) Dictaat. Andere talen. Opstel over een eenvoudig onderwerp {beschrijving of handelsbrief). Dictaat.

Rekenkunde : Hoofdbewerkingen met gehele getallen, Eigenschappen der getallen. Gewone breuken. Tiendelige getallen. Metriek stelsel van maten en gewichten. Evenredigheden. Problemen over interest, disconto, evenredige verdelingen, mengsels en legeringen, gezelschappen samengestelde interest. Vierkant en vierkantswortel.

Stelkunde : Hoofdbewerkingen met een- en veeltermen. Ontbinding in factoren, Stelkundige breuken, Oplossing van stelkundige vergelijkingen van den eersten graad met een onbekende. Vraagstukken met lettergrootheden. Toepassingen der gevonden formules op vraagstukken over interest en verdeling. Oplossing van stelkundige vergelijkingen van den eersten graad met twee of meer onbekenden,

Meetkunde : Bepalingen. Axioma’s. Eigenschappen der lood' en der schuine lijnen. Evenwijdige lijnen. Congruentie :. van driehoeken, Som der hoeken van welkdanige veelhoeken, Eigenschappen der parallellogrammen. Cirkel. Verdeling der hoeken in graden. Berekening der oppervlakte van vlakke figuren. Voornaamste eigenschappen der driehoeken. Evenredige lijnen. Gelijkvormige figuren. Regelmatige veelhoeken. Omtrek en oppervlak van den cirkel en diens sectoren. Oppervlak en inhoud der veelvlakkige lichamen als mede van de kegel  den cilinder en den ol.

Aardrijkskunde : Aardrijkskunde van België. Verhevenheid van den bodem. Belangrijkste stromen en rivieren en meren. Klimaat. Grondgesteldheid, Voornaamste voortbrengselen der drie rijken, Voornaamste nijverheden, Handelsbetrekkingen van België met de grote landen der wereld.
Geschiedenis, Belangrijkste feiten uit de vaderlandse geschiedenis» Romeins tijdvak. Frankisch tijdvak. Het leenstelsel De gemeenten. Bourgondische overheersing. Karel 5. Spaans tijdvak. Oorlogen van Lodewijk XIV in België. Het traktaat van Utrecht en het Barelen -traktaat. Oostenrijkse overheersing. Franse overheersing. Koninkrijk der Nederlanden {1815—1830). Omwenteling van 1830. Regering van Leopold I en Leopold II. Begrippen der algemene geschiedenis sedert de grote uitvindingen en ontdekkingen. Karel V en Frans I. De Wedergeboorte. Het protestantisme. De kerkhervorming. De godsdienstoorlogen onder Filips II, Elizaheth en Hendrik IV. De dertigjarige oorlog. De omwentelingen in Engeland van 1649 en 1688. De eeuio van Lodewijk XIV. Rusland onder Peter den Groote. Spaanse successieoorlog. Zevenjarige oorlog. Verbrokkeling van Polen. Stichting der Verenigde Staten van Amerika. De Franse omwenteling van 1789. Het Frans keizerrijk. Omwentelingen van 1830 en 1848. Eenheid van Italië. Eenheid van Duitsland. Het Oosterse vraagstuk. Secessieoorlog in Amerika. De beschaving in de XIXe eeuw.
Brussel, den 3 Juli 1917.


No. 374. - 27. juli 1917.
Bekendmaking
; betreffende de liquidatie van Britse ondernemingen. Met toestemming van den heer Generalgouvemeur in België heb ik, overeenkomstig de Verordening van 29 Augustus 1916, over de liquidatie van Britse ondernemingen {verschenen in Nr, 253 van 13 September 1916 van het Wet en Verordeningsblad voor de bezette streken van België), de liquidatie hevolen aan het in België voorhanden zijnde vermogen van den Engelsen onderdaan J. Levy, mede-eigenaar van de firma Levy & Jacobs. De heer Maas, koopman, Krijgsschool te Brussel is tot liquidator benoemd. De liquidator verstrekt nadere inlichtingen.
 Brussel, den 22 Juli 1917»
No. 374. - 27. juli 1917.
Bekendmaking. *** Op grond mijner Verordening van 19 Juli 1917, betreffende de Oogstkommissies {Erntekommissionen), evenals der uitvoeringsbepalingen van 19 Juli 1917 tot deze Verordening, heb ik, op voorstel der Centrale Oogstkommissie (Zentral-Ernte-Kommission), de hoogste prijzen voor den verkoop van gedorst koren, meel, zemelen en brood voorshands als volgt vastgesteld :
voor tarwe uit stapelplaats of molen gelverd. frank 63,26 per 100 kgr,

„ rogge uit stapelplaats of molen geleverd „ 31.07 „ „ „

„ masteluin uit stapelplaats of molen geleverd „ 30.95 „ „ „

„ ongepelde spelt uit stapelplaats of molen geleverd „ 30.15 „ „ „

voor zemelen uit stapelplaats of molen geleverd frank 21.50 per 100 kr.

„ tarwemeel (aan bakkers of verbruikers geleverd „ 09.98

„ roggemeel aan hakkers of verhruikers geleverd 36.80

„ masteluinmeel aan bakkers of verbruikers geleverd „ 96.68

„ tarwebrood aan verbruikers geleverd „ —.60 „ kgr.
Deze hoogste prijzen worden ap 16 Augustus 1917 van kracht. De provinciale Oogstkommissies {Provinzial-EmUKommissionen) zijn bevoegd, voor de omschrijving van afzonderlijke gemeenten, op verzoek of na raadpleging van de burgemeester telkens een lageren hoogsten prijs voor brood, tot het bereiden waarvan roggemeel wordt gebruikt, vast te stellen. Voor den verkoop van koren door de verbouwers aan het Nationaal Hulp- en Voedingskomiteit, blijven de hoogste prijzen, vastgesteld in de uitvoeringsbepalingen tot de Verordening van 19 Juli 1917  betreffende de Oogstkommissies, van kracht.
Brussel, den 24 Juli 1917,


No. 375. - 30. juli 1917
Bekendmaking

Het dwangbeheer, op 20 Januari 1917 uitgesproken over de firma Baelde & Co te Brussel  is opgeheven.
Brussel, den 24n Juli 1917. ,


No. 375. - 30. juli 1917.
Verordening, houdende aanvulling van de Verordening;, betreffende nijverheidsinrichtingen en werkhuizen. In aanvulling van de Verordening van 17 februari 1917j betreffende nijverheidsinrichtingen en werkhuizen (Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, Nr. 315, 3334), bepaal ik het navolgende :
Nijverheidsinrichtingen en werkhuizen van om het even welken aard, die na 1 Maart 1917 het getal hunner werklieden tot op 12 en daaronder, de kracht hunner motoren tot op 5 H. P. en daaronder, of het verbruik aan kolen, koks of andere brandstoffen tot op 5 ton en daaronder hebben verminderd, en die ten gevolge daarvan niet onder toepassing zijn gevallen van de Verordening van 17 februari 1917, moeten te rekenen van 1 Augustus 1917 de toestemming aanvragen om het werk te mogen voortzetten en zijn aan de overige bepalingen van de Verordening onderworpen. Brussel, den 21n Juli 1917. H. A. 23309. :


No. 375. - 30. juli 1917.
Besluit Gezien de wet van 3 juli 1891 rakende de begeving der academische graden en het programma der universiteitsexamens; Gezien het Koninklijk besluit van 13 Oktober 1890  tot regeling van de uitvoering der wet, wat betreft de examens af te leggen voor de middenjury, zoals dit besluit gewijzigd werd door het Koninklijk besluit van 21 Juli 1891 ; Gezien de verordening van 13 juni 1917 betreffende de inrichting der middenjury's, belast met het afnemen van de examens van Hoger onderwijs ; wordt er besloten :

Art. 1. De middenjury belast met het afnemen van de onvermelde examens van Hoger onderwijs, in den examenzittijd Juli'Augustus 1917, wordt voor het Vlaamse bestuursgebied samengesteld als volgt :
Voorzitter : De heer F. Heuvelmans, Algemeen Secretaris in het ministerie van Jv titie, Leden : Faculteit der Wijsbegeerte en Letter en, Kandidaatsexamen voorbereidend tot het doctoraat in de geschiedenis : Voor namen zie hiervoor. F aculteit der Geneeskunde. Doctoraal examen in de genees -, heel- en verloskunde: Voor namen zie hiervoor. Ëerste en tweede gedeelte in de genees-, heel- en verloskunde: Voor namen zie hiervoor.

Art. 2. Deze middenjury zal in Gent zitting houden den Dinsdag 31 Juli aanstaande te 9 uur 's voormiddag in het Universiteitsgebouw der Lange Meire.

Art. 3. De voorzitter der jury wordt er toe gemachtigd, zijn plaatsvervanger aan te duiden en te voorzien in de vervanging van leden, die desvoorkomend zouden verhinderd zijn.
Brussel den 23 juli1917.
No. 316. - 2. AUGUSTUS 1917.
Verordening waarbij ene belasting op het roerend vermogen wordt gevestigd. VERDELING. Van de vestiging der belasting. Van den belastbaren grondslag. Van de schatting der goederen en schulden. Van het bedrag der belasting. Van de vaststelling der belasting  en de wijze van heffing. Van het bezwaar en het verhaal. Van de betaling, en de waarborgen aan den Staat verleend om de betaling te verzekeren. Hoofdstuk VIII. — Van de middelen van toezicht, en de maatregelen lot beteugeling van bedrog. Verschillende bepalingen.
Van de verjaringen. Van de vervolgingen en de rechtsgedingen. Overgang en uitvoeringsbepalingen. Hoofdstuk I Hoofdstuk II Hoofdstuk III, Hoofdstuk Hoofdstuk Hoofdstuk Hoofdstuk

IV.

V. VI. VII. Hoofdstuk Hoofdstuk Hoofdstuk IX. X. XL Hoofdstuk XII. Voor het bezette gedeelte van België, wordt bepaald hetgeen volgt: HOOFDSTUK 1. Van de vestiging der belasting. Art, 1, Een jaarlijkse belasting wordt gelegd op het vermogen ten laste van elk natuurlijken persoon die y &p den In Januari van het belastingjaar, de hoedanigheid van inwoner van het Rijk heeft of sedert een jaar in het land vertoeft. De heffing dezer belasting wordt aan het Beheer der Registratie en Domeinen toevertrouwd.

Art. 2. Wordt, voor de toepassing van deze verordening, geacht inwoner van het Rijk te zijn, degene die er zijn gewoon verblijf heeft. Alwie een gewoon verblijf in België en tevens in het buitenland heeft, wordt geacht inwoner van het Rijk te zijn, bijaldien de zetel van zijn vermogen in België is gevestigd. De diplomatieke agenten, de ambtenaren die officieel aan hunne zending verbonden zijn, de leden van het gezin der bedoelde agenten en ambtenaren bij hen inwonende, zijn geacht te verblijven in het land waartoe de diplomatieke agent behoort. De vreemde consuls zijn van de belasting vrijgesteld, wanneer zij, luidens de wet van In Januari 1856, van de personeel belasting zijn vrijgesteld. Zijn mede vrijgesteld van de taxe, alle andere personen, die, naar de regelen van het volkenrecht, of ingeval van wederkerigheid, op vrijstelling van belastingen aanspraak hebben.

HOOFDSTUK II Van den belastbaren grondslag.

Art. 3. De belasting is gevestigd op het geMomenlijk bedrag van het roerend vermogen van den belastingplichtige, zonder onderscheid tussen de in den lande en de in den vreemde belegde kapitalen en waarden. De vermogenstoestand wordt op In Januari van het belastingjaar vastgesteld. Door roerend vermogen worden in den zin van dit artikel verstaan : a) de waarden in geld en papiergeld ; b) de altijddurende, lijf- en tijdelijke renten ; c) het verkregen kapitaal of de afkoopwaarde der nog lopende levensverzekeringen van allen aard ; d) de borgstellingen in geldspeciën ;

e) de bewaarnemingen van geldsommen, welke ook de bestemming der bewaargeving weze ; f) alle andere bevoorrechte hypothecaire of onbevoorrechte schuldvorderingen, welke de oorzaak er van weze ; g) de Schatkistbons de Staats-, Provincie- en Gemeentefondsen, de obligaties van allen aard ; h) de aandelen, de interest -, genots - en oprichtersaandelen in iedere vennootschap of onderneming, welke een zedelijk lichaam uitmaakt alsmede alle titelwaarden, gene uitgezonderd.

Art. 4. Het vermogen kan worden verminderd met het kapitaal der geldschulden ten laste van den belastingplichtige, op voorwaarde, dat deze schulden uitvoerig omschreven zijn in de aangifte opgemaakt overeenkomstig artikel 16, en dat hun bestaan op onbetwijfelbare wijze bewezen zij. Het vermelden van den schuldeiser, van de oorzaak der schuld, alsmede van den datum van den titel is verplichtend. Het Beheer is gerechtigd om van den schuldeiser een schriftelijke verklaring te eisen tot bevestiging van het bestaan der schuld op het tijdstip dat, voor het bepalen van het vermogen, moet worden in acht genomen.

Art. 5. Komen niet in aanmerking als voor- of nadelige bestanddelen van het belastbaar vermogen : a) de nog verschuldigde en niet tot kapitaal gebrachte interesten, rentetermijnen en andere inkomsten, alsmede elke schuld, die als last van liet inkomen kan beschouwd worden; b) de eventueel schuldvorderingen en schulden, namelijk het eventueel voordeel van nog lopende levensverzekeringspolissen ; c) de goederen waarvan een ander hei vruchtgebruik heeft en de schulden door een ander in interesten verschuldigd ; d) de in natura betaalbare renten of pensioenen tenware de schuldenaar, of de genieter de betaling er van in geld kan doen, of eisen.

Art. 6, Een ieder is belastbaar wegens de goederen die hem in vollen eigendom toebehoren, en wegens die daarvan hij slechts het vruchtgebruik heeft De belasting is verschuldigd voor het vruchtgebruik op de waarde van den vollen eigendom. Maken de goederen het voorwerp van een twistgeding uti, of zijn zij met ene voorwaarde bezwaard dan is belastingplichtig degene die ze bezit, behouden verhaal op hem, die terugwerkenderwijze genotverkrijger zou worden. Het vermogen der vrouw wordt geacht met dat van den man een geheel uit te maken. De man is belastbaar voor het geheel behoudens, desvoorkomend zijn verhaal op zijne vrouw. Nochtans, voor de van goederen gescheiden vrouw welke niet met haren man samenleeft wordt de belasting afzonderlijk berekend. Worden den vader en de moeder aangerekend, de in hun wettelijk genot zijnde goederen der kinderen. Behoudens tegenbewijs het Beheer en den belastingplichtigen voorbehouden  worden de door twee of meer personen in onverdeeldheid of in gemeenschap bezeten goederen voor de heffing der belasting beschouwd als aan ieder van hen voor een hoofdelijk deel toebehoorde.

Art. 7. Wordt voor de toepassing van deze verordening met den vruchtgebruiker gelijkgesteld hij die. zonder een goed in gebruik te hebben het recht heeft de vruchten of de inkomsten daarvan te genieten.

Art. 8. Voor de berekening der belasting is het toegelaten het zuiver roerend vermogen dat niet lOO.OOO frank gedraagt te verminderen met een kapitaal van 10,000 frank per persoon wiens bezit, krachtens de leden 3 en 5 van artikel 6, begrepen is of desvoorkomend zou moeten begrepen worden onder dit vermogen, mits in de aangifte vermeld worden de naam, voornamen en woonplaats van den persoon, alsmede de plaats en de datum van het huwelijk van den belastingplichtige. Voor de kinderen behoort men ook de plaats en den datum van geboorte aan te duiden. In alle geval, mag de overlegging van het trouwhoekje of van een gelijkwaardig bescheid worden geëist. Dergelijke vermindering is niet veroorloofd wanneer de aangifte binnen het in het le lid van artikel 15 bepaalde tijdperk niet werd ingediend, Voorgaande bepalingen zijn van toepassing op degenen, wier vermogen niet 200,000 frank bedraagt, wanneer het in aanmerking komende getal kinderen zeven overtreft.
HOOFDSTUK III. Van de schatting der goederen en der schulden.

Art. 9. Voor de heffing der belasting worden de goederen en de schulden geschat als volgt, te weten : 1. De waarden in geld en papiergeld, welke wettig betaalmiddel zijn, op hunne naamwaarde. 2. De schuldvorderingen en de schulden, op het bedrag van hun naamkapitaal. Het kapitaal wordt geschat op zijne kontante waarde, daartoe als maatstaf genomen wordende de interest tegen den wettelijken rentevoet bepaald voor de burgerlijke zaken :

a) wanneer de schuldvorderingen en de schulden betaalhaar zijn op tijd zonder interest, of hij jaarsommen ; b) wanneer het tijdelijke renten geldt. 3. De altijddurende renten, op het bedrag van het kapitaal vastgesteld voor den afkoop en, hij ontstentenis, op het kapitaal van het twintigvoudige bedrag der jaarlijkse rente. 4. De lijfrenten of -pensioenen, op het kapitaal, van het een- tot tienmalig jaarlijks bedrag, volgens het onderscheid gemaakt bij artikel 10. 5. De schatkistbons, de Staats-, Provincie- en Gemeentefondsen, de obligaties, de aandelen, de interest-, genots- en oprichtersaandelen, alsmede alle welkdanige openbare effecten, op hunne waarde volgens den beurskoers en, bij ontstentenis, op hunne verkoopwaarde. Bij voorkomend geval, wordt de schatting gedaan volgens den, op last der Regering, in de eerste week van het belastingjaar, bekendgemaakte prijscourant. 6. De niet onder de voorgaande nummers begrepen goederen, op hunne verkoopwaarde.

Art. 10. Het kapitaal der lijfrenten of -pensioenen, waarvan sprake onder nummer 4 van artikel 9 wordt, met inachtneming van den ouderdom desgenen op wiens lijf zij zijn gevestigd, naar de volgende regelen vastgesteld : Tot 20 jaar en daarbeneden wordt 10 maal de jaarlijkse rente toegerekend. Boven de 20 tot 30 jaar, 9 maal de jaarlijkse rente. 8 7 6 o 4 3 2 75 jaar, 1 maal de jaarlijkse rente. h de rente of het pensioen afwisselend, dan neemt men (als jaarlijkse uitkering, de rente vervallen gedurende het jaar dot aan het belastingdienstjaar voorafgaat. 30 Indien de rente op het lijf van twee of meer personen is gevestigd, wordt het kapitaal bepaald volgens den ouderdom van den oudsten, of van den jongste, naar gelang de rente moet tenietgaan met het overlijden van den eerststervenden, of van den langstlevenden.

Art. 11. Is de schuldenaar van twijfelachtige gezondheid dan is de belastingplichtige gerechtigd de schuldvorderingen en het jaarlijks bedrag der renten op hunne wezenlijke waarde te begroten, mits in zijne aangifte de vereiste bewijzen te verstrekken. HOOFDSTUK IV. Van het bedrag der belasting.

Art. 12. Er is verschuldigd, te weten : Voor elk roerend vermogen bedragende : 20,000 frank trapsgewijze voor elke 100000 frank met 260 frank verhoogd. Op deze belasting mogen provincie-, noch gemeenteopcentiemen gelegd worden.

Art. 13. Roerende vermogens beneden 20,00 frank zijn van de belasting vrijgesteld.
HOOFDSTUK V. Van de vaststelling der belasting, en de wijze van heffing.

Art. 14. De belasting wordt geheven door den Ontvanger van het Erfenisrecht van het kantoor binnen welks gebied de belastingplichtige op In Januari van het belastingjaar zijn gewone verblijf- of vertoefplaats heeft. Heeft de belastingplichtige verscheidene gewone verblijf of vertoefplaatsen in België, dan geschiedt de heffing ten kantore binnen welks gebied zich zijn winterverblijf of Vertoef bevindt. Voor de onder voogdij of curatele gestelde belastingplichtigen, en voor alwie het eigen beheer zijner goederen niet heeft, wordt het kantoor van heffing bepaald door de blijfplaats van hunne wettelijke vertegenwoordigers. Als de wettelijke vertegenwoordigers in den vreemde, dan schiedt de heffing door den Ontvanger der gewone verblijf of vertoefplaats van den belanghebbende. Wordt daaromtrent betwisting opgeworpen, dan door het Beheer uiteindelijk heslist.

Art. 15. Al degenen, bedoeld hij artikel een, vner ver roerend vermogen 20,000 frank en meer bedraagt, of voor het overige dienstjaar werden aangeslagen zijn gehouden, và&r den 15n Februari van het dienstjaar van aanslag, ten kantore van het Erfenisrecht bedoeld onder artikel 14, aangifte van hun roerend vermogen te doen, Na dit tijdstip, zijn de door den Ontvanger tot aangifte uitgenodigde personen gehouden aan dit verzoek te voldoen binnen de maand na de waarschuwing die hun zal worden toegezonden. De aangifte ingediend buiten de hij de twee voorgaande leden vastgestelde tijdvakken wordt aanzien als ten gepasten tijde gedaan, wanneer de belanghebbende het bewijs levert, dot de vertraging, of het verzuim van aangifte voortspruit uit omstandigheden, welke hem in de onmogelijkheid hebben gesteld te handelen. De indiening moet plaatsgripen binnen de maand te rekenen van den dag waarop deze omstandigheden hebben opgehouden.

Art. 16. De aangifte wordt schriftelijk of mondeling gedaan. Zij wordt op een door het Beheer vastgesteld en verstrekt formulier, volgens de daarin vervatte aanduidingen, opgemaakt. Zij wijst beknopt de bestanddelen van het vermogen aan, en houdt keus van woonplaats, binnen het ambtsgebied van het kantoor waar zij moet worden ingediend, voor ale mededelingen en betekeningen te doen aan den belastingplichtige, of aan degene die te zijnen name aangifte heeft gedaan, alsmede voor alle in te stellen gedingen en vervolgingen. Zij wordt door den aangever ondertekend. Is deze een lasthebber, dan moet de volmacht ten kantore afgegeven worden. Van elke mondelinge aangifte wordt aantekening genomen door den Ontvanger die mede met den aangever ondertekent. Zoo deze niet kan tekenen, of daartoe niet hij machte is, wordt zulks door den Ontvanger vastgesteld. De belastingplichtigen kunnen de nodige formulieren verkrijgen op alle kantoren der Registratie en van het Erfenisrecht.

Art. 17. De aangifte moet namens den belanghebbende worden gedaan : 1. Door de vrouw, indien de man verhinderd is. 2. Door den wettelijke vertegenwoordiger, indien de belastingplichtige het beheer zijner goederen niet heeft. 3. Door de erfgenamen of opvolgers, indien de belastingplichtige na den In Januari overlijdt, zonder dat hij zijne verplichtingen heeft nagekomen. In dit geval, kan de aangifte ondertekend worden door een der erfgenamen of opvolgers, door den testamentuitvoerder of door den bewindvoerder der nalatenschap. Bij verhindering om aangifte te doen vanwege eer en doortoe gehouden persoon, kan de aangifte te zijnen name worden gedaan door iemand welke zich dienaangaande sterk maakt mits daartoe vooraf door den Naziener of Verificateur der Registratie en Domeinen gemachtigd zijn. De machtiging moet aan de aangifte gehecht worden.

Art. 18. Naarmate harer indiening worden de aangiften door den Ontvanger opgenomen in een daartoe bestemd register, dat hij dagelijks sluit. Hij geeft verplichtend een ontvangbewijs als vermeldende: het volgnummer en den datum der indiening, den naam van den aangever en desvoorkomend dien van den persoon
voor wien hij handelt, het zuiver bedrag van het aangegeven vermogen. Hij onderzoekt de aangiften en zendt ze, met zijne opmerkingen, aan den Naziener der Registratie en Domeinen, welke het bedrag der belasting bepaalt.

Art. 19. In den regel, wordt de aanslag gevestigd in overeenkomst met de feiten welke uit de aangifte blijken. Indien de vereiste bewijzen niet worden overgelegd, of indien men rechtmatigen grond heeft om de aangifte te laag te achten, kan de aanslag ambtshalve, naar een Hoger dan het aangegeven vermogen, worden gevestigd. Een termijn van ten minste vijftien dagen moet in dit geval den aangever zijn gelaten geworden om zijne bedenkingen te doen gelden. Dat aan dit laatste voorschrift is voldaan, blijkt genoegzaam uit den aanslag van den Naziener. Bijaldien geen aangifte is ingediend, stelt de Naziener, op voorstel van den Ontvanger, of nadat deze is gehoord de belasting ambtshalve vast Wanneer, in de gevallen bedoeld in de twee voorgaande leden, de Naziener en de Ontvanger nopens het bedrag van den aanslag van mening verschillen kan deze slechts volgens het oordeel van den Opziener worden vastgesteld.

Art. 20. De belasting wordt van rechtswege met 25 t. h. vermeerderd indien de aangifte binnen het wettig tijdvak niet werd ingediend, of indien zij aan de voorschriften van artikel 16 niet voldoet. De vermeerdering wordt van rechtswege op 50 t. h, gebracht bijaldien, in het geval bedoeld in het tweede lid van artikel 15, de belanghebbende ten gepasten tijde aan het verzoek van den Ontvanger niet heeft voldaan.

Art. 21. Het bedrag der belasting wordt aan den belastingplichtige, of aan degene die te zijnen name aangifte heeft gedaan, door den Ontvanger betekend. Indien de aanslag ambtshalve gevestigd is, zonder met de aangifte rekening te houden, of hij gebrek aan aangifte, wordt dit in de betekening vermeld.
 HOOFDSTUK VL Van het bezwaar en het verhaal.

Art. 22. De belastingplichtige, die vermeent te hoog aangeslagen te zijn, moet, alvorens zich in redite te voorzien, een bezwaarschrift indienen hij den Bestuurder der Registratie en Domeinen van het gebied, binnen de twee maanden na de hem gedane betekening van het bedrag van den aanslag. Het bezwaarschrift moet met redenen omkleed zijn. Het kan, ofwel tegen gedagtekend ontvangbewijs worden afgegeven, ofwel onder per post aangetekenden brief worden gezonden, hetzij aan den Bestuurder, hetzij aan den Naziener of aan den Ontvanger. De bewijslast der gegrondheid van het bezwaar rust op den belanghebbende. In de gevallen dat het verzoek niet in zijn geheel wordt ingewilligd, is de beslissing van den Bestuurder altijd met redenen omkleed.

Art. 23. De belastingplichtige kan tegen de beslissing van den Bestuurder, binnen de maand der betekening dezer, gerechtelijk in verzet komen. Het exploot van verzet wordt den Ontvanger, die met de heffing belast is, in persoon, of te zijnen kantore betekend ; het bevat dagvaarding tegen een bepaalden rechtsdag voor den rechter binnen wiens gebied bedoeld kantoor is gevestigd ; het is met redenen omkleed, en duidt het bedrag aan van het vermogen, dat door den belastingplichtige wordt geacht belastbaar te zijn, of van het recht waarvan de betaling wordt aangeboden. Voor liet overige zijn de regelen betreffende de vervolgingen en rechtsvorderingen in registratiezaken toepasselijk. De bewijslast rust in allen gevalle op den belastingplichtige. Deze draagt de algeheelheid der kosten van het geding :

a) wanneer zijne vraag wordt verworpen ; b) wanneer de vermindering niet de helft van het betwiste bedrag bereikt ; o) wanneer de beslissing van den rechter gegrond is opbewijzen of middelen welke, voor de inleiding van het rechtsgeding, niet aan de bestuurlijke overheden werd overgelegd.

Art. 24. Bezwaar noch verhaal nopens Het bedrag der belasting is vanwege den belastingplichtige ontvankelijk : a) wanneer de aanslag is vastgesteld overeenkomstig de feiten blijkende uit zijne aangifte ; b) wanneer de termijn van twee maanden, om een bezwaarschrift in te dienen, of degene van een maand, om tegen de beslissing van den Bestuurder verzet te doen, zijn verstreken ; c) zoolang de bij artikel 15 voorgeschreven aangifte niet gedaan is. Op den regel vastgesteld onder letter b van vorig lid wordt uitzondering gemaakt : a) in geval van stoffelijke dwaling begaan door de agenten van den Staat ; b) wanneer omstandigheden van overmacht den belastingplichtige verhinderd hebben bezwaar in te dienen of verhaal uit te oefenen. Het uitgangspunt van den termijn van twee maanden, of van eene maand, is in dit laatste geval vastgesteld op den dag waarop de oorzaak der verhindering heeft opgehouden.

Art. 25. Door degene, die, overeenkomstig artikel 17, de aangifte heeft ondertekend, kan, in naam van den belastingplichtige, bezwaar worden ingediend en verhaal worden uitgeoefend.

Art. 26. De erfgenamen en opvolgers van een gedurende het belastingjaar overleden vruchtgebruiker hebben, uit hoofde der afhouding van het vruchtgebruik, geen rechtsvordering tot vermindering der belasting, doch zij zijn gerechtigd om, tot beloop der belasting, welke op het nog niet verstreken gedeelte van het jaar betrekking heeft, op degenen die den vollen eigendom hebben verkregen, hun verhaal uit te oefenen.
HOOFDSTUK VIL Van de betaling, en de waarborgen aan den Staat verleend om de betaling te verzekeren. De belasting moet worden betaald de helft voor den In Juli, de wederhelft voor den In December van het belastingjaar. Wanneer de aanslag den belastingplichtige eerst na den 31n Mei is betekend, wordt een termijn van eene maand toegestaan voor de betaling van het eerste deel. Geschiedt de betekening na den 30n September, dan moet de geheelheid der belasting binnen de twee maanden worden betaald. Het uitgangspunt van gemelde termijnen is vastgesteld op den In of den 16n der maand die op de betekening vol0. De termijnen kunnen, op grond van uitzonderlijke omstandigheden, door het Beheer worden verlengd. De belastingplichtige, die in het betalen zijner belasting achterlijk blijft, is van rechtswege gehouden den interest te vergoeden tegen 4.80 t. h. 'sjaars te rekenen van den dag waarop de betaling moest gedaan worden. leder maandgedeelte wordt voor een gehele maand gerekend ; iedere breuk van 10 centiemen in het bedrag der interesten wordt op het Hoger tiende afgerond. Het indienen van een bezwaarschrift schorst de invorderbaarheid niet.

Art. 28. Voor elke betaling wordt verplichtend een kwijtschrift verstrekt. Met een oogmerk van toezicht moet op straf een boete van 25 frank het kwijtschrift gedurende een termijn van twee jaren aan ieder Hogere beambte der Registratie en Domeinen op zijn daartoe gedaan verzoek  worden over- De weigering der overlegging wordt bij proces-verbaal vastgesteld.

Art. 29. De belastingplichtige die het land metterwoon verlaat, is gehouden, voor zijn vertrek, de door hem verschuldigde belasting, interesten, boeten en onkosten te betalen. In dit geval is het ieder openbaren of ministeriële ambtenaar verboden ene akte betreffende de goederen van den belastingplichtige te verlijden, of te zijnen verzoeke een rechtsgeding in te leiden, zonder zich er van te hebben vergewist, dat hij heeft betaald, op straf persoonlijk aansprakelijk te zijn voor de verschuldigde sommen. Een getuigschrift van den aangestelde, waaruit blijkt dat de belanghebbende zich van zijne verplichtingen heeft gekweten, is voldoende.

Art. 30. Voor de invordering van de krachtens deze verordinering verschuldigde rechten, interesten en onkosten, heeft *s Rijks Schatkist, van In Januari van het belastingjaar af, een voorrecht op al de goederen van den belastingplichtige. Ten opzichte der roerende goederen, neemt dit voorrecht onmiddellijk rang na degene vermeld onder artikelen 19 en 20 der wet van 16n December 1851, en onder artikel 23 van den In titel van boek II van het Wetboek van Koophandel. Ten opzichte der onroerende goederen, heeft het slechts uitwerking te rekenen van de inschrijving in de registers van den Hypotheekbewaarder. Handlichting der inschrijving kan worden verleend wanneer de Staat andere genoegzame zekerheid heeft. Hetzelfde voorrecht bestaat op de goederen der vrouw en der kinderen, in de gevallen voorzien in de leden 3 en 5 van artikel 6.

Art. 31. De erfgenamen en alle andere personen  welke enig voordeel in de nalatenschap van een overledene verkrijgen, zijn, binnen de perken van hetgeen hun is aangestorven, jegens den Staat hoofdelijk gehouden voor de rechten, interesten, boeten en onkosten, behoudens, desvoorkomend, hun verhaal op de wezenlijke schuldenaars.
HOOFDSTUK VIII. Van de middelen van toezicht, en de maatregelen tot beteugeling van bedrog.

Art. 32. Bijaldien enig feit grond oplevert voor het vermoeden, dat een aanslag ten onrechte achterwege gelaten, verminderd of vernietigd is, of dat een aanslag te laag is, kan een verbeterde aanslag worden gevestigd, zoolang de tienjarige verjaring, bedoeld onder nummer 4 en artikel 52, niet is verkregen. De aanslag wordt, in den zin van het voorgaande lid, beschouwd als achterwege gebleven, wanneer, bij ontstentenis ener aangifte, welke de heffing der belasting kan rechtvaardigen, hij niet voor het verstrijken van het belastingdienstjaar werd gevestigd.

Art. 33. De Naziener stelt, volgens de regelen vervat in artikelen 18 en 19, het bedrag der ontdoken belasting vast Hij is nochtans gehouden vooraf de machtiging van den Bestuurder der Registratie en Domeinen van het gebied te bekomen. Deze machtiging kan slechts worden verleend op de dubbele voorwaarden : lo dat den belastingplichtige, of, indien deze is overleden, zijnen erfgenamen of opvolgers, den testament- uitvoerder of den bewindvoerder der nalatenschap, mededeling werd gedaan van liet feit waarop de vordering is gegrond, alsook van het bedrag van het vermogen dat voor de belasting niet in aanmerking schijnt te zijn genomen ; 2o dat den belanghebbenden een termijn van ten minste een maand werd toegekend om de ophelderingen te geven, welke zij dienstig mochten achten, of om ene aangifte in te dienen. Het bericht kan worden gezonden aan de bij toepassing der artikelen 16 en 58 gekozen woonplaats, of zelfs, de voorkomend ter woonplaats, welke in de aangifte zijn nalatenschap werd gekozen, Het bewijs dat de voorschriften van dit artikel zijn nageleefd, blijkt genoegzaam uit de door den Bestuurder verleende machtiging.

Art. 34, De onder artikelen 32 en 33 bedoelde verbeterende aanslag wordt, voor ieder der in aanmerking kom en de jaren, gebracht op het drievoud der belasting waarvan de Schatkist is verstoken gebleven. Hij brengt van rechtswege interest op volgens de in het 4e lid van artikel 27 vastgestelde regelen, met ingang van In Juli van het belastingjaar waarbij hij behoort, Geen ontheffing der verhoging kan worden verkregen tenzij : a) in het geval voorzien in het derde lid van artikel 15; h)wanneer de verbeterende aanslag op grond een te lage schatting zijnde, de belastingplichtige bewijst dat de betwiste schatting te goeder trouw werd gedaan en dat hem verwaarlozing kan worden ten laste gelegd. In het geval bedoeld onder letter h van het voorgaande lid wordt artikel 20 desvoorkomend toegepast.

Art. 35. Aan de belanghebbenden wordt van den verbeterenden aanslag betekening gedaan op de wijze aangeduid onder artikel 21. Deze aanslag, verhoogd met den interest, is betaalhaar binnen de twee maanden te rekenen van den In of den 16n der maand, welke op de betekening volgt. Hij kan het voorwerp uitmaken van een bezwaar bij den Bestuurder, of een verhaal hij het gerecht, volgens de regelen vastgesteld in de artikelen 22 tot 24.

Art. 36. Wordt gestraft met ene boete van het vier- tot het achtvoudig bedrag der belasting waarvan de Schatkist, door het feit der overtreding, werd verstoken,of had kunnen verstoken worden, en is desvoorkomend hoofdelijk aansprakelijk voor de te betalen belasting, de interesten en de onkosten, hij die, tot aangifte gehouden, met opzet heeft nagelaten aangifte te doen, of onnauwkeurige of onvolledige inlichtingen nopens het belasthaar vermogen heeft verstrekt, hetzij aan het Beheer hetzij aan het gerecht ; hij die zich op valse of vervalste stukken of bescheiden heeft beroepen, of handelingen heeft in het werk gesteld om een deel van dit vermogen op den datum van In Januari te verhelen; meer algemeen, hij die, tot aangifte gehouden, met opzet en te kwader trouw de belasting heeft ontdoken, of getracht heeft te ontduiken. Zij die, als lasthebbers, of als zich sterk makende, de aangifte hebben ondertekend, zijn met den belanghebbende hoofdelijk gehouden tot de door hem verbeurde boete, alsmede tot de rechten, interesten en onkosten.

Art. 37. De in het voorgaande artikel bedoelde boete is, persoonlijk en zonder verhaal, verschuldigd door een ieder die met opzet het bedrog of de poging tot bedrog heeft bevorderd, of op enigerlei wijze daartoe heeft bijgedragen, namelijk met, aan het Beheer, of aan het gerecht, onnauwkeurige onvolledige inlichtingen te verstrekken. De overtreders zijn daarenboven hoofdelijk aansprakelijk voor de te betalen rechten, interesten en onkosten.

Art. 38. Bijaldien geen belasting verschuldigd wordt en tegelijk, die tot aangifte is gehouden, en binnen den vereisten termijn dan zijne verplichtingen niet voldoet met een boete van 25 frank gestraft. De boete wordt oj) het dubbel gebracht wanneer de overtreding met opzet en te kwader trouw is geschied.

Art. 39. De openbare besturen en instituten en, met uitzondering der Algemene Spaar- en lijfrentekas die, uit welken hoofde ook, houders of schuldenaars zijn van titels, sommen of waarden toekomende aan een bij artikel een bedoelden persoon zijn, dienaangaande, gehouden alle aanduidingen te verstrekken, welke door de ambtenaars der Registratie en Domeinen worden gevraagd ten einde de rechtmatige heffing der belasting te verzekeren. Alle tot de toepassingen van deze verordening door het Beheer der Registratie en Domeinen nodig geachte inlichtingen moeten daarenboven door de gemeentebesturen, ten opzichte der binnen hunne gemeenten tonende of verblijvende persoon worden verstrekt.

Art. 40. De boeten, waarvan sprake in dit hoofdstuk, worden, op het voorstel van den Ontvanger, of na hem te hebben gehoord, door den Naziener vastgesteld. Bij meningsverschil tussen den 'Naziener en den Ontvanger, wordt het laatste lid van artikel 19 toegepast.

Art. 41. Betekening van het bedrag dezer boeten, wordt den belanghebbenden gedaan op de wijze aangeduid in artikel 21. Zij zijn betaalbaar binnen de twee maanden te rekenen van den In of den 16n der maand, welke op de betekening volgt. Nochtans kan de betaling er van niet voor den In Juli van het belastingjaar worden gevorderd. De boeten mogen het voorwerp uitmaken wm «en bezwaar bij den Bestuurder of een verhaal bij het gerecht. volgens de regelen vastgesteld in de artikelen 22 tot 24.

Art. 42. De zaakwaarnemers zijn onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 57 en 58 der wet van 30n Augustus 1913. Deze bepalingen, en die van artikel 56 dezelfde wet, zijn toepasselijk op alle titels, sommen of waarden welke tot de nalatenschap behoren, of verkregen zijn door het overlijden van een hij artikel een van deze verordening bedoelden persoon, welke ook de hoedanigheid van de rechthebbenden weze. De te leveren lijsten moeten in elk geval de rechthebbenden vermelden, vereenzelviging der titels of waarden toelaten, de oorzaak en den oorspronkelijke datum van het bezit of van de schuld opgeven, alsmede, desvoorkomend, den datum waarop de titels op naam werden ingeschreven ten name van den overledene. Voortaan zullen zij alle gezonden worden aan den ambtenaar aangeduid ingevolge artikel 57 van voormelde wet, en volgens de hij dit artikel gestelde regelen.

Art. 43. De boete, waarmede artikel 58 der wet van 30n Augustus 1913 bedreigt, kan overeenkomstig het bepaalde hij artikel 40 worden vastgesteld. In dit geval zal zij nooit minder belopen dan het tienvoudig bedrag van het recht op het roerend vermogen, waarvan, door het feit der overtreding, de Schatkist verstoken is geweest, of had kunnen zijn, en de hij artikel 41 gestelde regelen zijn op haar van toepassing.

Art. 44. Onverminderd de hij artikel 58 der wet van 30n Augustus 1913 uitgevaardigde verantwoordelijkheid, zijn de overtreders van de onder voorgaande artikelen 42 en 43 bedoelde bepalingen, hoofdelijk met de belastingplichtigen gehouden tot betaling van de rechten, de interesten en de boeten, welke, krachtens dit besluit, op grond van het verheelde gedeelte van het vermogen verschuldigd zijn, alsmede van de onkosten.

HOOFDSTUK IX. Verschillende bepalingen.

Art, 45. Wanneer het Beheer zulks nuttig acht, kan het aan de Opzieners der Registratie en Domeinen de bevoegdheden toevertrouwen, welke bij dit besluit aan de Nazieners worden verleend. Waar de noodzakelijkheid daartoe wordt ingezien, kan het insgelijks de bevoegdheden welke aan de Ontvangers van het Erfenisrecht worden verleend op alle andere ambtenaren der Registratie en Domeinen van het gebied overdragen.

Art. 46. Telkenjare  in de maand december, wordt door den Ontvanger, bij wege van plakbrieven, de aandacht der belanghebbenden gevestigd op de verplichting waarin zij zich bevinden om de nodige aangifte te doen ten einde de heffing te verzekeren van de belasting op het roerend vermogen voor het volgende dienstjaar. Het kantoor waar de aangiften moeten worden ingediend, de Hogere beambte belast met het opleggen van den aanslag, alsook de Bestuurder wien het behoort omtrent de bezwaren uitspraak te doen, worden in den plakbrief aangeduid. Het gemis van bekendmaking ontslaat in geen geval de belanghebbenden van de verplichtingen voortspruitende uit deze Verordening

Art. 47. De betekeningen of mededelingen, welke de Staat zowel als de particulieren  krachtens deze verordening te doen hebben mogen bij ter post aangetekende omslag gezonden worden. Het afgeven ter post van den omslag geldt als kennisgeving, te rekenen van den tweeden dag na de afgifte. De bestelling der betekeningen of mededelingen welke uitgaan van enen vertegenwoordiger van den Staat, kan ook worden gedaan door een vanwege den Ontvanger aangewezen persoon. Wanneer het niet mogelijk was om, in overeenkomst met de bewoordingen van artikel 68 van het Wetboek van Burgerlijke rechtspleging, den omslag aan den bestemmeling, aan een zijner verwanten, dienaars of geburen te bestellen, of wanneer de omslag wordt geweigerd, wordt hij aan het gemeentebestuur afgegeven, hetwelk dien ter beschikking van den belanghebbende houdt. Deze afgifte geldt als Kennisgeving De belastingplichtigen zijn er toe gerechtigd hunne betekeningen of mededelingen af te geven ten kantore van het Erfenisrecht, dat het dichtst hij hunne verblijfplaats is gelegen. In de gevallen voorzien hij de twee voorgaande leden, moet een gedagtekend bewijs van het in ontvangst nemen van den omslag worden gegeven. Alle betekeningen en mededelingen vanwege den Staat, en inhoudende enige inlichtingen nopens het vermogen, worden onder gesloten omslag gedaan.

Art. 48. In geval van rechtsvordering, blijven de betekeningen aan de gewone regelen onderworpen. Nochtans mogen de deurwaarders hunne exploten overmaken hij een gesloten omslag ter post aangetekend. De afgifte ter post van den omslag geldt als betekening aan de betekende partij te rekenen van den tweeden dag na die afgifte. Handelt de deurwaarder in overeenkomst met de voorschriften van artikel 68 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtspleging, dan mag hij het afschrift van het exploot aan een anderen persoon dan den belanghebbende slechts onder gesloten omslag overhandigen.

Art. 49. Zijn vrij van zegel en registratie  de stukken voor de toepassing van deze verordening op te maken, uitgenomen degene welke de rechterlijke vervolgingen hetreffen. Nochtans zijn de kwijtschriften door de Ontvangers af te geven aan het zegelrecht van 10 centiemen onderworpen. Bij hunne afgifte mogen zij voor zegel worden gezien.

Art. 50. Niettegenstaande enigerhande tegenstrijdig beding in de akten, mag de belasting rechtstreeks noch onrechtstreeks, worden gelegd ten laste degenen die tot voldoening der schulden en der renten gehouden zijn.

Art. 51. De ambtenaars en beambten van alle rang  de deurwaarders, pleitbezorgers en alle zulkdanige personen, die voor de toepassing van deze verordening op te treden hebben, zijn, buiten de uitoefening van hun ambt, tot de volstrekste geheimhouding verplicht wat aangaat het vermogen der belastingplichtigen, wanneer zij daarvan kennis hebben gekregen ingevolge de uitvoering van gemelde Verordening Hetzelfde geldt voor hunne bijzondere klerken en voor lle andere personen, welke tot hunne kantoren toegang kunnen hebben. Hij, die met opzet de opgelegde geheimhouding schendt, wordt gestraft met een boete van 50 tot 1,000 frank, en met ene vervangende gevangenisstraf van tien dagen tot ene maand. Hij, aan wiens schuld schending van de geheirnhouding te wijten is, wordt gestraft met ene boete van 26 tot 500 frank, en met ene vervangende gevangenisstraf van acht tot vijftien dagen. De vervolgingen worden ingesteld zoals in boetstraffelijke zaken, op klacht der betrokken belastingplichtigen.

HOOFDSTUK X. Van de verjaringen.

Art. 52. De rechtsvordering van de Schatkist tot beteding der rechten, interesten en boeten verjaart van rechtswege, te weten : 1 . Met tweejaren, te rekenen van den dag van overlegging der aangifte, voor de invordering der ingevolge de aangifte verschuldigde sommen.

2. Met twee jaren, te rekenen van de vaststelling voor de invordering van alle door den Naziener ambtshalve gevestigde sommen, zonder editer dat de termijn dengenen aangeduid onder navolgende nummer 4 mag overschrijden. 3. Met twee jaren, te rekenen van het proces-verhaal, voor de invordering der boete voorzien hij artikel 28. 4. Met tien jaren, te rekenen van In Januari van het belastingjaar, in alle andere gevallen.

Art. 53. De rechtsvordering tot teruggaaf van elke ten onrechte geheven som verjaart van rechtswege met twee jaren, te rekenen van den dag der betaling.

Art. 54. Deze verjaringen worden gestuit door gerechtelijke vervolgingen, ingesteld voor dat de termijnen van verjaring zijn verschenen ; maar zij zijn echter voor altoos verkregen, in geval de ingestelde vervolgingen gedurende een jaar niet zijn voortgezet, zonder dat een rechtsgeding is aangeknoopt, mits de termijn van verjaring is verschenen.

HOOFDSTUK XI. Van de vervolgingen en de rechtsgedingen.

Art. 55. De processen-verbaal welke door de aangestelden van het Beheer worden opgemaakt om de overtredingen vast te stellen, verdienen geloof zoolang het tegenbewijs niet is geleverd.

Art. 56. Wanneer de schuldvordering van den Staat niet door vonnis of arrest is vastgesteld, is, voor de invordering, de eerste akte van vervolging een dwanghevel uitgevaardigd door den Ontvanger die belast is met de heffing; het wordt door den vrederechter in wiens kanton het kantoor is gevestigd voor gezien getekend en uitvoerbaar verklaard, en hij deurwaardersexploot betekend. De tenuitvoerlegging van het dwanghevel kan niet worden geschorst dan door een verzet betekend aan den persoon of aan het kantoor van den Ontvanger. 28 Het verzet mag het bedrag der belasting niet betreffen, in alle gevallen waarin, krachtens artikel 24, de belanghebbende te dien opzichte niet gerechtigd is een bezwaar in te dienen o/ een verhaal te doen gelden.

Art. 57. Onder voorbehoud van het vermelde onder artikelen 22 en 23, moet alle terugvordering van betaalde sommen hij deurwaardersexploot worden betekend aan den persoon of aan het kantoor van den Ontvanger der plaats waar de heffing heeft plaats gehad. De uit te keren sommen dragen van rechtswege interest volgens de in het 4e lid van artikel 27 vastgestelde regelen, te rekenen van de betekening van de terugvordering, of van het hij den Bestuurder overeenkomstig artikel 22 ingediende bezwaar.

Art. 58. Het exploot van verzet tegen het dwanghevel, en dat van betekening der terugvordering bevatten de door het 2e lid van artikel 23 geëiste aanduidingen. Werd gene aangifte ingediend, zo bevatten zij daarenboven keuze van loonplaats binnen Het gebied van het kantoor, voor alle akten der rechtspleging en alle verdere vervolgingen. De zaken worden herecht volgens de regelen gesteld in de twee laatste leden van artikel 23.

Art. 59. Wanneer het bewijs door den Staat moet worden geleverd, kan zulks worden gedaan door alle middelen waarover de particulieren in burgerlijke zaken beschikken om het te hunnen nadele gepleegde bedrog te bewijzen, uitgezonderd den eed. De bewijslevering die op de particulieren rust, kan door alle middelen van gemeen recht worden gedaan. De tegenbrieven kunnen in geen geval de Schatkist worden tegengesteld.

Art. 60. Zoowel voor, die na de toeleiding der vervolgingen kan de Staat, tot zekerheid der betaling van hetgeen hem is verschuldigd, bewarende maatregelen nemen, in overeenkomst met de in burgerlijke zaken toepasselijke regelen.

HOOFDSTUK XIL Overgangs- en uitvoeringsbepalingen.

Art. 61. De verplichtingen welke uit deze verordening voortspruiten, zijn voorlopig geschorst wat betreft de belastingplichtigen die blijvend uitlandig zijn, en die zich feitelijk in de onmogelijkheid bevinden ene aangifte in te dienen

Art. 62. Tot nadere beschikking, wordt, met afwijking van no 5 van artikel 9, de aangegeven waarde van de Schatkistbons, de Staats- Provincie- en Gemeentefondsen, de obligaties, de aandelen, de interest -, genots - en oprichtersaandelen, alsook van alle welkdanige openbare effecten, voor voldoende gehouden wanneer de schatting in haar geheel de drie vierden bereikt der waarde welke door den op 27—28 Juli 1914 verschenen prijscourant aan deze goederen wordt toegeschreven, of der verkoopwaarde op hetzelfde tijdstip, voor de in den prijscourant niet voorkomende titels. Aangaande de schuldvorderingen en renten bedoeld onder nrs 2 tot 4 van hetzelfde artikel, belasthaar op voet hunner kapitaalwaarde, zal een schatting, welke voor het geheel met de vier vijfden dezer waarde overeenstemt, voor voldoende worden gehouden. Een lagere schatting kan worden aangenomen op grond van bijzondere omstandigheden, mits daarvan bewijs in de aangifte te leveren.

Art. 63. Op grond van de verkeersmoeilijkheden in zekere streken en tot nadere beschikking, geldt, met afwijking van artikelen. 47 en 48, het afgeven ter post van een aangetekende omslag uitgaande van den Staat, of toegezonden op zijn verzoek, als betekening aan den belastingplichtige, slechts te rekenen van den vijftienden dag na dit afgeven.

Art. 64. Alle in België verblijvende personen die, ter oorzake der bijzondere omstandigheden, zich in de onmogelijkheid zullen bevinden om, voor de uitvoering van deze verordening, met den bevoegden ambtenaar of normale wijze m betrekking ie komen, geven geldig alle dezen ambtenaar bestemde stukken en bescheiden onder omslag af aan den Burgemeester hunner verblijfplaats dewelke ze den bestemmeling door tussenkomst der krijgs - of burgerlijke overheid doet geworden. De Burgemeester stelt den datum van afgifte vast door een op den omslag getekende melding, en verstrekt een gedagtekend bewijs van het in ontvangst nemen van den omslag.

Art. 65. Telkenmale, ten gevolge der maatregelen door de militaire overheid getroffen, de noodzakelijkheid daartoe wordt gezien  kunnen de hij deze verordening voorziene termijnen verlengd worden. Om dezelfde redenen, kunnen insgelijks bijzondere regelen worden vastgesteld, nopens de wijze van betaling, en nog eens die waarop, zoowel door de vertegenwoordigers van den Staat, als door de particulieren, alle welk danige betekeningen en mededelingen te doen zijn.

Art. 66. Het eerste belastingdienstjaar neemt aanvang op In Juli 1917 en eindigt op 3In December van hetzelfde jaar. Voor de toepassing gedurende dat dienstjaar der bepalingen welke hei voorwerp der artikelen 7, 3, 14, 17, 30,36 en 52 van deze verordening uitmaken, is de in aanmerking te nemen datum die van In Juli in plaats desgenen van In Januari. De aanslagen worden gevestigd volgens het onder artikel 12 aangeduid tarief, zonder enige vermindering.

Art. 67. Met afwijking van het eerste lid van artikel 15, behoren de aangiften, welke op het belastingjaar 1917 betrekking hebben, aan de bevoegde Ontvangers gedurende de maand September 1917 overhandigd te worden. De bij artikel 46 voorgeschreven bekendmaking worden voor In September 1917 gedaan. Deze termijnen kunnen door de Bestuurders worden verlengd daar waar de noodzakelijkheid er van wordt bevonden.

Art. 68. De aanslag van enen persoon voor het dienstjaar 1917 wordt, in den zin van het eerste lid van artikel 32, beschouwd als achterwege gebleven, wanneer hij ontstentenis ener aangifte, welke de heffing der belasting kan rechtvaardigen, de aansla;g niet voor 30n juni 1918 is gevestigd.

Art. 69. De openbare of ministeriële ambtenaars, de Algemene Spaar- en Lijfrentekas, alle verenigingen, maatschappijen of vennootschappen, welke in België hare hoofdinrichting, een hulphuis, of enigen zetel van verrichtingen hebben, de bankiers, de wisselagenten en de zaakwaarnemers, die, uit welken hoofde ook, op den datum van In Juli 1917, titels, sommen of waarden, toekomende aan enen bij artikel 1 bedoelden persoon, onder hun beheer hadden, of daarvan houders of schuldenaars waren, zijn gehouden om, dienaangaande, in de hierna aangeduide mate, al de inlichtingen te verstrekken, welke door de ambtenaars der Registratie en Domeinen nodig worden geacht, ter verzekering van de rechtmatige heffing der belasting op het roerend vermogen, in verband met het dienstjaar van aanslag 1917. Deze regel is toepasselijk op de houders van inschrijvingsboeken van titels op naam. De inlichtingen kunnen slechts worden verzocht in een der twee volgende gevallen: a) wanneer een bezwaar of een verhaal is ingediend ; b) wanneer, volgens de voorzieningen van artikel 32, tot verbeterende aanslag aanleiding blijkt te zijn. In elk geval wordt vereist, dat het verzoek aanduiding van den belastingplichtige bevatte, en dat deze of zijn vertegenwoordiger uitgenodigd geworden zij om, binnen een naar gelang der omstandigheden te bepalen tijdbestek, de ophelderingen en rechtvaardigingen te verstrekken, welke het Beheer nodig oordeelt, en dat hij gemeld tijdsbestek heeft laten verstrijken zonder aan de uitnodiging gevolg of zonder daarop op bevredigende wijze bescheid te hebben gegeven. Het bewijs van het bestaan der vereiste voorwaarden blijkt genoegzaam uit de verklaring die daarvan in het verzoek zal worden gesteld. De titels of sommen of waarden waarvan sprake volgens de overeenkomst, te enigerlei titel aan enen medebelanghebbende mogen worden terug- of afgegeven, of uit betaald, worden  voor de heffing der belasting op het roerend vermogen, geacht aan den belastingplichtige voor een hoofdelijk aandeel toe te behoren, behoudens tegenbewijs, dat zoowel door laatstgemelde als door het Beheer kan worden geleverd.

Art. 70. Degene die handelt in strijd met artikel 69 door te weigeren de gevorderde inlichtingen te verstrekken, of door onnauwkeurige of onvolledige inlichtingen te verschaffen, is strafbaar met een boete van 500 tot 1000 frank zonder dat zij in enig geval minder mag belopen dan het tienvoudig bedrag van het recht waarvan, door het feit der overtreding, de Schatkist verstoken is geweest, of had kunnen zijn. De overtreder is, hoofdelijk met den belastingplichtige gehouden tot betaling van het recht, de interesten en de boete, welke op grond van het verheelde gedeelte van het vermogen verschuldigd zijn, alsmede van de onkosten. De bepalingen van de artikelen 40 en 41 zijn toepasselijk.

Art. 71. Het Hoofd van het Departement van Financiën hij den Gouverneur Generaal in België wordt gemachtigd om schikkingen te treffen voor de uitvoering van dit besluit. Hij is gerechtigd de termijnen te verlengen in de gevallen voorzien bij artikelen 65 en 67, alsmede de in het tweede lid van artikel 65 bedoelde bijzondere reden vast te stellen. In de streken van het bezette gedeelte van België, welke niet van het Gouvernement Generaal afhangen, oefent de bevoegde Burgerlijke Voorzitter, in gemeen overleg met het Opperbevel van het leger of des voorkomend met de Etappen- Inspectie, dezelfde machten uit.

Art. 72. Het recht om, volgens de voorzieningen der artikelen 65 en 67, de termijnen te verlengen, kan door den Bestuurder der Registratie en Domeinen van het gebied worden uitgeoefend, wanneer het bijzondere gevallen aangaat. Grosses Hauptquartier, den 29n Juli 1917. Ile, 29456.
No. 376. - 2. AUGUSTUS 1917.
Beschikking De heer Joris Harrewijn, kandidaat-notaris te Ekeren, is, ter vervanging van wijlen notaris Van Dijch, tot notaris te Kontich benoemd.  Het Hoofd van het burgerlijk bestuur voor Vlaanderen is belast met de uitvoering van deze beschikking. Brussel, den 21n Juli 1917,
xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx
No. 377. - 5. AUGUSTUS 1917.
Verordening betreffende de oprichting van vennootschappen en de afgifte van geldswaardige papleren.

Art. 1. Naamloze vennootschappen, vennootschappen, bij wijze van geldschieting op aandelen en coöperatieve verenigingen, (samenwerkende maatschappijen mogen niet zonder de voorafgaande toelating van den Kommissaris- Generaux voor de banken (Generalkommissar fur die Banken) in België worden oppgericht Deze hepaling geldt eveneens voor de uitgifte van nieuwe aandelen en winstaandelen, alsook van schuldbrieven, kasbons, enz. van om het even welken aard, door de vennootschappen van de in lid 1 genoemde soort. Oorkonden, in sirijd met deze voorschriften uitgegeven zijn van nul en gene waarde.
Art, 2. Wie de voorschriften van art. 7, of de hij het verlenen van de toelating gestelde voorwaarden overtreedt, wordt gestraft met een boete ten belope van ten hoogste het vijfde deel der naamwaarde of der waarde van de oorkonden die zonder toelating werden uitgegeven, of bij de uitgifte waarvan een overtreding van de gestelde voorwaarden werd begaan. De straf moet ten minste duizend mark bedragen. De vennootschappen zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de betaling van boetes die ten la te hunner vertegenwoordigers en aangestelden uitgesproken worden. De Duitse krijgsbevelhebbers en krijgsrechtbanken zijn tot oordeelvellen bevoegd.

Art. 3. De Kommissaris-Generaal voor de banken in België is belast met de uitvoering van deze Verordening Brussel, den 28n Juli 1917,
No. 377. - 5. AUGUSTUS 1917.
Bekendmaking.

Art. 1. In de Rijks Middelbare Meisjesnormaalschool te Brussel zal voor het jaar 1917  het examen tot het bekomen van het diploma van kandidate -lerares en van lerares hij het middelhaar onderwijs van den logeren graad, evenals een bijzonder examen voor de Germaanse talen, plaats hebben op een door den voorzitter der jury van dit jaar te bepalen dag.

Art. 2. Tot deze examens worden ook kandidaten toegelaten, die zich door privaat onderwijs hebben voorbereid. Zij die zich aan het onderwijs willen wijden in een gemeente binnen het gebied, dat van het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten te Brussel afhangt, moeten dit hij hun inschrijving verklaren.

Art. 3. De jury, die belast is met het afnemen van de examens bedoeld in artikel 1 van deze bekendmaking, is ook aangesteld om van de recipiendi uit het Vlaams gebied van het Generaal-Gouvernement de examens voor kandidaat-leraar en leraar hij het middelhaar onderwijs van den lagere graad af te nemen.

Art. 4. Tot de examens bedoeld in artikel 3 worden toegelaten de kandidaten uit het Generaal-Gouvernement, die studeren aan de Rijks Middelbare (Jongensschool) Jongensnormaalschool te Gent en de kandidaten, die zich door privaat onderwijs hebben voorbereid.

Art. 5. De inschrijvingen voor deze examens zullen aanvaard worden van 10 tot 25 Augustus. Na dezen datum worden geen inschrijvingen meer aanvaard. De inschrijvingen voorden aangenomen : voor de provincie Brabant : in het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten, Waterwerktuigstraat 14, te Brussel, voor de provincie Limburg en het deel van de provincie Luik, dat afhangt van het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten te Brussel: door den heer L. Mesotten, provinciebestuur te Hasselt voor de provincie Antwerpen: door den heer Jacobs, provinciebestuur te Antwerpen.

Art. 6. De inschrijvingskosten zijn als volgt vastgesteld : voor het examen van kandidaat -leraar en kandidate- lerares 20 fr, voor het examen van leraar en lerares  0 „ De kandidaten, die hij een vroeger examen uitgesteld werden, betalen slechts het vierde, zij die afgewezen werden slechts de helft der inschrijvingskosten. De kosten zijn hij de inschrijving te betalen. Brussel, den 28n Juli 1917.
No. 377. - 5. AUGUSTUS 1917
Bekendmaking.
Art. 1. De personen, die het ingangsexamen of het over gangsexamen van het eerste naar het tweedejaars in de Rijks Middelbare Meisjesnormaalschool te Brussel en de eerste of tweede proef voorbereidend tot het examen van kandidaatleraar en kandidate-lerares wensen af te leggen, moeten zich ten laatste op 31 Augustus laten inschrijven bij de Bestuurster der school. Na 31 Augustus worden geen inschrijvingen meer aanvaard.l
Art. 2. Om tot het overgangsexamen van het le naar het 2e jaar in de Rijks Middelbare Meisjes Normaalschool te Brussel te worden toegelaten, moet men sedert ten minste een jaar met vrucht het ingangsexamen in die inrichting afgelegd hebben, Om tot de tweede voorbereidende proef te worden toegelaten, moet men sedert ten minste een jaar met vrucht de eerste voorbereidende proef afgelegd hebben.
Brussel, den 28 Juli 1917.


No. 377. - 5. AUGUSTUS 1917.
Bekendmaking
betreffende de liquidatie van Britse ondernemingen. Met toestemming van den heer Generalgouvemeur in België, heb ik, overeenkomstig de Verordening van 28 Augustus 1916, over de liquidatie van Britse ondernemingen (verschenen in Nr. 253 van 13 september 1916 van het Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België) de liquidatie bevolen van het in België voorhanden zijnde vermogen van de firma Old England S, A», te Brussel. De heer luitenant Maas, Krijgsschool te Brussel is tot liquidator benoemd. De liquidator verstrekt nadere inlichtingen. Brussel den 30n Juli 1917.
No. 377. - 6. AUGUSTUS 1917.
Bekendmaking
betreffende de liquidatie van Franse ondernemingen. Met toestemming van den heer Generalgouvemeur in België, heb ik, overeenkomstig de Verordeningen van 29 Augustus 1916 en van 15 April 1917, over de liquidaties an vijandelijke ondememingen (Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, Nr. 253 van 13 September 1916 en Nr. 335 van 19 April 1917), de liquidatie bevolen van het in België voorhanden zijnde vermogen van de finna Grand Bazar du Bon Marche et Galeries Anversoises, te Antwerpen, De heer Dr. Lappenberg, te Antwerpen, is tot liquidator benoemd. De liquiidator verstrekt nadere inlichtvngen.
Brussel, den 31 Juli 1917.
No. 378. - 8.AUGUSTUS 1917.
 Verordening *** betreffende de benuttiging van de haver uit het oogstjaar 1911.J. Inbeslagneming en vrijverklaring voor het eigen verbruik van de verbouwers.
 
Art. 1. De haveroogst uit het jaar 1917 is binnen het gebied van het Generalgouvemement in België, van het ogenblik af waarop hij van den grond gescheiden wordt, ten bate van de burgerlijke bevolking in beslag genomen. De inbeslagneming omvat eveneens de haver op den halm 30 De inbeslagneming is voor het stro opgeheven zodra de haver gedorst is. De bepalingen van deze Verordening zijn ook toepasselijk (op overschotten uit vroegere oogstjaren (zie art. 13).l
 
Art. 2. leder ondernemer van een landbouwbedrijf is verplicht er voor te zorgen dat de haver regelmatig geoogst wordt.
 
Art. 3. Behoudens de hieronder voorziene afwijkende bepalingen, is het verboden :
 
a) de in beslag genomen haver enige wijziging te doen ondergaan,
b) er hij overeenkomst of verdrag ten voordele van derde personen over te beschikken. Al zulke wijzigingen zijn o.a. te beschouwen : het aankopen, verkopen, verpanden, belenen, rullen, toegeven.
 
Art. 4. leder bezitter van haver is verplicht, de nodige maatregelen te treffen met het oog op het behoud van zijn voorraden, en de haver met al de zorg van een goed huisvader te behandelen. Ingeval een bezitter van haver een van de hierboven voorgeschreven handelingen binnen een daartoe door den Kreischef of diens lasthebber vastgestelde termijn niet uitvoert, of op onbehoorlijke wijze ten uitvoer brengt, doet de „Kreischef* of dien lasthebber de te verrichten handelingen door derden uitvoeren op kosten van den ondernemer.
 
Art. 5. Het is ieder ondernemer van een landbouwbedrijf en ieder ander bezitter van haver verboden :l
 
a) haver te vervoederen of anderszins te gebruiken, bijaldien de bepalingen van deze Verordening zulks niet toelaten (zie art 6).
b) haver te vervoeren zonder geleibrief van den. Kreischef* in wiens ambtsgebied het vervoer begint, of van diens lasthebber ; het vervoer van het veld naar de onderneming, van de onderneming naar de dorsmachine en van de dorsmachine terug naar de onderneming is zonder geleibrief toegelaten.
 
Art. 6. De inbeslagneming wordt te rekenen van 1 Oktober 1917 ten bate van den bezitter van landbouwbedrijven opgeheven voor :
 
1) 170 kg. zaaihaver van beste hoedanigheid van eigen winning voor ieder hectare van de in 1917 door hem met haver bebouwde landerijen. Om grotere hoeveelheden zaaigoed te gebruiken. om zaaigoed te ruilen of om Op andere wijze vreemd zaaigoed aan te schaffen is de toelating van de ,,Kreichefs'* van de betrokken arrondissementen nodig.
 
2) 1500 gr. voederhaver per paard en per dag. Van de voederhaver mag maandelijks niet meer dan het twaalfde gedeelte van de jaarlijkse hoeveelheid verloedert worden. De „Kreischef* is bevoegd het dagelijks rantsoen voederhaver te verhogen : voor gekeurde dekhengsten, voor mijnpaarden die onder den grond werken en voor zware, in steengroeven en in bossen werkende paarden, evenals voor paarden, waarop entstof genomen wordt, tot op 5000 gr. voor andere zware trekpaarden die ten dienste van het algemeen welzijn gebruikt worden, zoals paarden van geneesheren, veeartsen, vervoerondernemers, huurhouders, grotere verbruiksinrichtingen en inrichtingen voor krengbenuttiging, evenals voor moeder- en teeltmerries, tot op 2500 gram. Anderzijds kan de „Kreischef\ voor paarden die een groot deel van het jaar op de weide lopen, het vrij te verklaren dagelijks rantsoen met een derde verminderen en het tijdelijk geheel afschaffen. Aan sprengstieren en trekossen mag zonder de toestemming van de legerintendantie geen haver worden vervoederd. De toestemming mag alleen voor geringe hoeveelheden verleend worden, wanneer aanzienlijke havervoorraden beschikhaar zijn.
 
Art. 7. leder landbouwer zal, op grond van de oogstschatting waartoe eerlang wordt overgegaan, met de ambtelijke korenkaart (Inlichting), een mededeling ontvangen over de hoeveelheden zaai- en voederhaver, waarvan de inbeslagneming te zijnen bate is opgeheven. Al de bezitters van in beslag genomen haver zijn verplicht, op uitnodiging van den „Kreischef te allen tijde waarachtige gegevens te verstrekken aangaande de voorraden, die zij in hun bezit hebben aangaande de werkelijke verhoudingen, die tot grondslag dienen voor de vrijverklaring van de zaai- en voederhaver, alsook aangaande de veranderingen, die zich naderhand in deze verhoudingen voordoen. De burgemeesters zijn verplicht er voor te zorgen, dat de landbouwers van hun gemeente, als voeder en als zaaigoed niet meer haver gebruiken, dan de hoeveelheden die te dien einde 'vrijverklaard zijn. Haver mag uitsluitend als zaaigoed en dis voeder gebruikt worden. Inzonderheid is het verboden haver in brouwerijen en in stokerijen te gebruiken of er koffiesurrogaten van te vervaardigen. Verkoop van de hoeveelheden haver, die de landbouwers voor hun eigen verbruik niet nodig hebben.
 
Art. 8. Voor 100 kg. goede marktschone haver, wegende ten minste 44 kg. per hectoliter, is frank als de hoogste prijs vastgesteld. Voor minderwaardige haver wordt, zoo nodig, naar luid het advies van een door den „Kreischef' aangestelde deskundige, een hogere prijs in overeenstemming met de mindere hoedanigheid vastgesteld. De hoogste prijs geldt voor de haver, die rechtstreeks bij den verbouwer aangekocht wordt (zie art. 9enlO),enxs berekend berekend voor leveringen zonder zak. De verbouwer moei de haver kosteloos in de dichtst hij zijn onderneming gelegen statie op den spoorwagen, of in de dichts bijgelegen aanlegplaats op het schip leveren.
 
Art. 9. Al de haver die de verbouwer niet nodig heeft om het eigen verbruik te dekken {zie art. 6 en 7), mag overeenkomstig nadere onderrichtingen van de ,,Kreischefs'\ alleen verkocht worden aan de door deze laatste aangeduide afnemers, en wel hetzij rechtstreeks aan paardenbezitters, die de hun benodigde haver niet zelf verhouwen, hetzij aan aangenomen handelaars. In de eerste plaats dient er op die wijze in de behoeften aan haver van de mijnen, van de inrichtingen tot nut van *t algemeen alsook van de voor het openhaar welzijn onontbeerlijke ondernemingen voorzien, en moeten de nodige hoeveelheden voor de vervaardiging van voedingsartikelen bijeen gebracht worden. De bezitters van paarden, die de benodigde hoeveelheid haver niet zelf verhouwen, mogen, eveneens niet meer haver vervoederen dan de dagelijkse rantsoenen vastgesteld in artikel 6. De benodigde hoeveelheid haver, die hun door den ,,Kreischef' toe te kennen is, zal hun telkens afgeleverd worden voor een tijdsruimte van ten hoogste drie maanden.
 
Art. 10. De „Kreischef' kan aan de handelaars, die door hem tot het opkopen van de haver toegelaten werden en een bewijs in dien zin ontvangen hebben, hij het voortverkopen een bijslag tot den hoogste prijs toestaan als loon voor hun werkzaamheid en tot dekking van hun onkosten wegens zakken, vervoer, herging, bewerking, verzekering, gewichtsverlies, verschil in hoedanigheid en ander risico, alsook van al de overige bijkomende onkosten.
 
Art. 11. leder landbouwer is persoonlijk verantwoordelijk voor de tijdige aflevering, overeenkomstig de bepalingen van den „Kreischef' {zie art. 6, 7 en 9), van al de hij hem vastgestelde hoeveelheden haver, met aftrek van de hoeveel470 heden die voor vervoedering en dis zaaigoed werden vrijverklaard. Naast den landbouwer, zijn daarvoor de gemeente, waarvan hij zijn woonplaats heeft en al de andere landbouwers der gemeente gezamenlijk verantwoordelijk. Ingeval de maatregelen die de Kreischef met hei oog op de aflevering getroffen heeft vruchteloos blijven is de Kreischef bevoegd, mits toestemming der legerintendantie van den oorspronkelijke verantwoordelijken landbouwer of van de naast hem aansprakelijke personen of van de gemeente langs ambtelijke weg een bedrag van 1 tot 10 mark voor elk ontbrekend kilogram haver te doen invorderen. De „Kreischefs'' hebben het recht, door hun lasthebbers te allen tijde de voorraden haver te laten nazien en stalen te lichten, alsook elk vervoer van haver te onderzoeken met het oog op de geleibrieven en oj> al de andere handelsverrichtingen en rechtsverhoudingen die op het vervoer betrekking hebben. De bezitters van haver moeten deze lasthebbers vrijen toegang tot hun onderneming verlenen, hun de voorhanden zakenhoeken overleggen en hun het bewijs leveren, waar de in hun bedrijf geoogste haver gebleven is.
 
III. Verwerking van haver tot voedingsartikelen.
 
Art. 12. De „Kreischefs'' zullen voor 1 Januari 1918, volgens een door de legerintendantie op te maken verdelingsrooster, overeenkomstig de bepalingen van art. 8 en 10, van hoogste 60.000 ton haver laten opkopen en bergen. Deze haver zal door de zorgen van de legerintendantie en tegen de onder art. 8 en 10 vastgestelde prijzen, achtereenvolgens toegewezen worden aan een inrichting die ik te dien einde zal aanduiden . Door het feit van de toewijzing gaan de telkenmale de paalde hoeveelheden haver uit de bevoegdheid van de legerintendantie over in de bevoegdheid van de door mij aangeduide inrichting die gelast is er voedingsartikelen van te vervaardigen.
 
Art. 13. Alle overeenkomsten inzake de verwerking van haver uit het oogstjaar 1916, houden te rekenen van 1 Oktober 1917 op van kracht te zijn. De uit haver gewonnen voedingsartikelen, die voor 1 Oktober 1917 vervaardigd, doch tot op den datum door de legerintendantie niet vrijverklaard zijn, vallen onder de inheslagneming door de inrichting, die ik bevoegd heb verklaard om voedingsartikelen uit haver te vervaardigen.
 
IV. Strafbepalingen.
 
Art. 14. Wie de bepalingen overtreedt van deze Verordening wordt met ten hoogste 5 jaar gevangenis of met ten hoogste 20.000 mark boete gestraft. Ook kunnen heide straffen tegelijk worden uitgesproken. De voorraden en inrichtingen die tot strafbare handelingen bestemd waren of daartoe gebruikt, werden, moeten verbeurdverklaard worden. De poging tot overtreding van art. S en van art. 7, lid 4 is strafhaar. Is de strafbare handeling begaan met het inzicht een ongeoorloofde winst op te strijken, dan moet een gevangenisstraf en een boete uitgesproken worden. De boete zal in zulk geval voor elk kilogram haver of uit haver gewonnen voortbrengsel, waarop de strafbare handeling betrekking heeft, een meervoud uitmaken van de waarde van de haver of het uit haver gewonnen voortbrengsel. De boete mag niet meer dan 20.000 mark en niet minder dan 25 mark bedragen. De verbeurdverklaarde voorraden en inrichtingen worden verkocht ; de opbrengst er van wordt voor liefdadige doeleinden toegekend aan het Belgische Rood Kruis.
 
 Art, 15. De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd. Brussel den 20n Juli 1917.
No. 378. - 8. AUGUSTUS 1917.
 Verordening betreffende de pensioenen van de ambtenaren en beambten, die uit een gemeentedienst in den Staatsdienst zijn overgegaan. Voor de uit een gemeentedienst overgenomen Staatsambtenaren en –beambten kan de tijd, dien zij in den dienst van gemeenten hebben doorgebracht voordat zij zijn overgegaan in den dienst van den Staat, in aanmerking worden genomen voor de vaststelling van den dienstouderdom, waarop men aanspraak op pensioen mag doen gelden. Brussel, den 28n Juli 1917.
No. 378. - 8. AUGUSTUS 1917.
Verordening ** betreffende de aangifte van de nodige hoeveelheden kolen, koks en briketten voor het verbruik in de nijverheid.
Art, 1. Al de nijverheidsinrichtingen en werkhuizen, die op grond van de Verordening van 17 Februari 1917 (Wet en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, nr. 315, hl. 3334) en van de aanvullende Verordening van 21 Juli 1917, toelating hebben verkregen om het werk voort te zetten, alsook al de gasfabrieken, waterwerken, elektriciteitsfabrieken, fosfaatgroeven en -fabrieken, molens, buurtspoorwegen en stadstrams, zijn verplicht ten laatste op 20 Augustus 1917 bij de in artikel 3 vermelde kantoren aan te geven, hoeveel kolen zij per maand nodig hebben.
 
Art. 2. De personen, die aangesteld zijn om de bedrijven en werkhuizen wettelijk te vertegenwoordigen, zijn voor de aangifte verantwoordelijk.
 
Art. 3. De aangifte moet geschieden , voor :
Ondernemers van spoorwegbouw en buurtspoorwegen. Kantoor van aangifte: Militar-Generaldirektion der Eisenbahnen, Brussel
Fabrieken van automobielen, motorijwielen enz, Kapfabrieken. Kantoor van aangifte: Ahteilung fur Handel UThd Gewerbe, Brussel.
Stoomschepen, sleepboten en vaartuigen
Kantoor van aangifte: Generalgouvemement , Brussel.
Hoogovens, Chemische nijverheid, Tekstielnijverheid, Looierijen en schoenfabrieken.
 Kantoor van aangifte: Abteilung fur Handel und Gewerbe, Rohstoffverwaltungstelle, Brussel.
IJzernijverheidf Machiennijverheid,
Kantoor van aangifte: Abteilung fur Handel und Gewerbe, Brussel.
Papiernijverheid, Drukkerijen, Dagbladen, Lucifernijverheid, Glasnijverheid, Cementnijverheid, Steengroeven, Bouwondernemingen, Kalkovens, Steen- en Pannenbakkerijen, Fosfaatgroeven, Diamantsliperijen, Pottenbakkerijen, Mijnen in de Kempen, Samengeperste gassen, Zagerijen, Meubelfabrieken Houtbewerkingsinrichtingen, Sigaren- en tabakfabrieken.
Kantoor van aangifte: Abteilung fur Handel und Gewerbe, Brussel
Gasfabrieken, Elektriciteitsfabrieken, Waterwerken. Kantoor van aangifte : Hawptsteïle fur Gas, Wasser und Elektrizitat, Brussel.
Fosfaatfabrieken.
Kantoor van aangifte: Kommissar des Preus, Landwirtschaftsministeriums, Briissel.
Olie- en zeenijverheid, Slachthuizen, Wasserijen, Melkerijen, Badinrichtingen. Kantoor van aangifte: Oelzentrale, Briissel.
Suikernijverheid, Siroopfabrieken, Marmeladefabrieken, Kunsthonigfabrieken, Fabrieken van voedermengsels, Chocoladefabrieken, Limonade- en Seltzwaterfabrieken.
Kantoor van aangifte : Zuckerverteilungsstelle, Briissel.
Brouwerijen, IJsfabrieken. Kantoor van aangifte: Brauerei-Kontrollstelle, Briissel.
 Mouterijen. Kantoor van aangifte: Gerstenzentrale, Brussel. Gistfabrieken,
Stokerijen. Kantoor van aangifte: Branntweinzentrale, Brussel.
Molens, Bakkerijen. Kantoor van aangifte: Zentral- Emte-Kommission,Brussel .
Wijnhouwers, Groenselteelt, Drogerijen, Broeikassen.
Kantoor van aangifte : Ohstzentrale, Brussel.
Al de groepen die in bovenstaande tabel niet vermeld zijn. moeten hun aangifte doen hij de „Abteilung fur Handel und Gewerbe te Brussel.
 
Art. 4. Voor de aangiften moeten alleen de formulieren van aangifte gebruikt worden, die hij de Burgerlijke Kommissarissen (Zivilkommissare) kosteloos te verkrijgen zijn.
 
Art. 5. Wie verzuimt de voorgeschreven aangifte te doen of onvolledig of onjuist doet, wordt met ten hoogste 6 maand gevangenis en met ten hoogste 10.000 mark boete of met een van beide straffen gestraft. De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd. Brussel, den 26n ulii 1917. H. IV. R. 14006 II.
No. 379. - 11. AUGUSTUS 1917.
Verordening *** betreffende werktuigmachines. De Verordeningen: 1) van 7 Juli 1916 betreffende de stapelopneming van metaalbewerking machines binnen het gebied van het Generaal-Gouvernement in België,

2) van 5 September 1916 betreffende uitvoer van goederen {metaalbewerkingmachines) binnen Het gebied van het Generaal-Gouvernement in België.

3) van 20 Oktober 1916 betreffende den handel in metaalbewerkingmachines binnen het gebied van het Generaal-Gouvernement in België zijn in dier voege gewijzigd, dat de aangifte van nieuw vervaardigde metaalbewerkingmachines, de aangifte ingeval bedoelde machines van bezitter verwisselen, alsmede de aanvragen om de toelating ie bekomen zulke machines te vervoeren, aan te kopen of te verkopen, voortaan niet meer in te dienen zijn bij den Generaal van de artillerie te voet {General der Fussartillerie) bij het Generaal-Gouvernement in België, Wetstraat 10 te Brussel, maar wel bij den Stafofficier van de artillerie te voet {Stabsoffizier der Fussartillerie) bij het Generaal-Gouvernement in België, Koningplaats 10 te Brussel.
Brussel den 27 Juli 1917,
No. 379. - 11. AUGUSTUS 1917.
 Verordening ** betreffende het minimum van de straffen.
Enig artikel.
Art. 17 Januari 1915 . Art 12 van de Verordening 29 November 1916   betr. de regeling van de aardappelbevoorrading

Art. 2 van de Verordening van 26 Januari 1916, {W. en V., hl. 1556), betr. het benuttigen van aardappelen,l

Art. 2 van de Verordening van 29 Oktober 1916 (W. en F., bl. 2942), betr. het verzekeren van de bevoorrading der Belgische bevolking met aardappelen. lÀd. 2 van de Verordening van 18 Oktober 1916 (W. en V., bl. 2854), betr. de regeling van den handel in boter,

Art. 7 van de Verordening van 18 Juli 1916 {W. en F., bl. 2451), betr. het benuttigen van suikerbieten en de daaruit gewonnen voortbrengselen.

Art. 3 van de Verordening van 13 Maart 1916 (W. en V. bl. 1765), betr. het branden van bieten en stroop,l

Art. 2 van de Verordening van 5 Oktober 1916 {W. en V, bl. 2793) 22 November 1916 (W. en V., bl. 3013), betr. het benuttigen van halfsuiker- en voederbieten, wortelen, rapen van elke soort en koolrapen.

Art. 3 van de Verordening van 4 Mei 1917 (W. en V., bl, 3731), betr. fruit en groenten,l

Art. 15 en 16 van de Verordening van 16 juni 1917 {W. en V., hl. 3909), betr. de inbeslagneming en het gebruik van de gerst {zomer- en wintergerst)\ evenals van de moutkiemen uit het oogstjaar 1917, binnen het gebied van het Generaal-Gouvernement.

Art. 9 van de Verordening van 17 Februari 1917 {W. en V., bl. 3345), betr. de bevoegdheid van de Oliecentrale in België,

Art. 3 van de Verordening van 9 december 1915 {W, en F., bl. 1419) y betr. hei benuttigen van ruwe vetten van runderen en schapen,l

Art. 2 van de Verordening van 26 februari 1916 {W. en V.j bl., 1680) y betr. hei benuttigen van plantaardige en dierlijke oliën en vetten,l

Art. 6 van de Verordening van 8 April 1916 {W. en

V.yhl. 1943), betr. het wegbrengen en benuttigen van gestorven en tot menschelijke voeding ongeschikte geschikte dieren en gedeelten van dieren,l

Art. 5 van de Verordening van 11 Oktober 1915 (W. en F., bl. 1218), betr. het benuttigen van beenderen en andere dierlijke stoffen.

Art. 6 van de Verordening van 5 december 1915 (W. en V., bl. 1411), houdende wijziging van de Verordening van 11 Oktober 1915, betr. het benuttigen van beenderen en andere dierlijke, stoffen.

Art. 3 van de Verordening van 21 April 1916 (W. en V., bl. 2049), houdende aanvulling van de Verordeningen van 11 Oktober 1915 en van 5 december 1915, betr. het benuttigen van beenderen en andere dierlijke stoffen.

Art. 6 van de Verordening van 7 Febr.>ari 1917 {W. en V.,bl. 3285), betr. het vervaardigen en verkopen van zeep, wordt het navolgende toegevoegd : Bijaldien de overtreding is begaan met het inzicht een ongeoorloofde winst op te strijken, moet ten minste een week gevangenzetting, of een boete uitgesproken worden, die, binnen het kader van de onder lid 1 voorziene straffen, (en minste het dubbel van de waarde der waren bedraagt, die het voorwerp uitmaken van de strafbare handeling. Voor waren waarop een hoogste prijs is gesteld, moet een boete van ten minste tienmaal den hoogste prijs worden uitgesproken ; zij mag echter in geen geval minder dan 25 mark bedragen. In deze laatste gevallen kan eveneens gevangenzetting en boete te gelijk worden uitgesproken. Brussel, den 28n Juli 1917.
No. 379. - 11. AUGUSTUS 1917.
 Verordening *** betreffende het verwerken van fruit en beziën bij wijze van beroep.

Art. 1, Het is verboden, bij wijze van beroep fruit en beziën of delen er van te drogen. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur {Verwaltungschef) is bevoegd uitzonderingen op dit verbod toe te staan.

Art. 2. Het verwerken van fruit en beziën, alsook van de delen en sappen er van, op alcohol  bier en alcoholische dranken is eveneens verboden. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur (VerwaltungscJief, Zuckerverteilungssteîle) is bevoegd het verwerken, bij wijze van beroep, van bedoelde artikelen tot wijn toe te laten.

Art. 3. Wie deze Verordening overtreedt of weerstand biedt aan de personen, die met het toezicht belast zijn, wie hun hetzij geen, hetzij onware gegevens verstrekt, wordt met ten hoogste een jaar hechtenis of gevangenis of met het hoogste 10.000 mark boete gestraft. Beide straffen kunnen te gelijk worden uitgesproken. Bovendien kan de verbeurdverklaring van de waar uitgesproken worden. De kleinste straf wordt naar luid van de Verordening van 28 Juli 1917 {Wet- en Verordeningsblad, bl. 4306) vastgesteld.

Art. 4. De krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd. Brussel, den 28n Juli 1917.
No. 381. - 17. AUGUSTUS 1917.
 Verordening *** betreffende de stapelaangifte en de inbeslagneming van zink en kadmium (grondstoffen en halfl afgewerkte voortbrengselen).l

Art.1. Al de op 15 Augustus 1917 binnen hetgebiedvan het Generaal-Gouvernement voorhanden zijnde voorraden aan de hieronder nader aangeduide voorwerpen, moeten aangegeven worden en zijn hierbij in beslag genomen :
1. Fijnzink dit is met een zuiver zinkgehalte van ten minste 99 %.
2. Ruwzink, ongezuiverd en gezuiverd met minder dan 99 % zinkgehalte.
3. Zink in half afgewerkte voortbrengselen van om het even welke soort, inzonderheid geplet, getrokken gegoten, geperst, uitgeslagen, gespat, h. v. platen, stangen, huizen, persstukken, draad en in andere in den handel gebruikelijke vormen. '
4. Zink hersmolten uit oud zink en uit oude zinklegeringen, misgietsels hardzink, spanen en allerhande afval, alsmede zink in oud zink en in allerhande oude zinklegeringen, misgietsels, hardzink, spanen en allerhande afval.
5. Zinkertsen met 20% en meer zinkgehalte.
6. Verder al de tot het bereiden van zink bestemde of geschikte voorwerpen met een zuiver gehalte van ten minste 20 % zink b. v. zinkas, salmiakslakken, enz,
7. Zinkstof, zinkoxide, zink.
8. Cadmium en cadmiumhoudende stoffen.

Art. 2. Al de natuurlijke en rechtspersonen, inzonderheid ook gemeenten en openbaarrechtelijke lichamen die de onder artikel 1 opgesomde voorwerpen in bewaring hebben, om het even of zij er eigenaar vam, zijn of slechts het recht hebben er over te beschikken, zijn verplicht aangifte te doen. Voor de handelingen van de privaat- en openbaarrechtelijke personen zijn de wettelijke vertegenwoordigers verantwoordelijk.l

Art. 3. Al de voorraden, die op grand van artikel 1 onder toepassing van deze Verordening vallen, moeten ten laatste op 15 September 1917 schriftelijk aangegeven zijn bij de Afdeling voor handel en nijverheid, Kantoor voor grondstoffen (Abteilung fiir Handel und Gewerbe, Bohstoffverwaltungstelle) Kunstherlevingskuin 30y te Brussel. De aangifte moet gedaan worden op de daartoe bestemde formulieren, die op de Kommandanturen en bij de Afdeeling voor handel en nijverheid, Kantoor voor grondstoffen, kosteloos te verkrijgen zijn. De verschillende hulphuizen van een zelfde onderneming moeten elk een afzonderlijk formulier invullen.

Art. 4. Door het feit zelf van de inbeslagneming der in artikel 1 opgesomde voorwerpen is elke rechtzaelijke beschikking er over, zoomede elk vervoer en elke benuttiging, verwerking of wijziging er van verboden. De bezitter is verplicht  de voorwerpen tot nader bericht zorgvuldig te bewaren en behoorlijk te behandelen. De Afdeling voor handel en nijverheid is gemachtigdf bijzondere uitvoeringsbepalingen uit te vaardigen betreffende de voorwerpen, die onder de toepassing van deze Verordening vallen. Zij kan uitzonderingen op het verbod van lid 1 toestaan, wanneer zulks schriftelijk wordt aangevraagd.

Art. 5. De ,,Zentral'Einkaufsgesellschaft fur Belgien, Abteilung Metalle Kunstherlevingslaan, 30, te Brussel alsook de handelaars en verenigingen van handelaars, die van de Afdeling voor handel en nijverheid daartoe machtiging hebben verkregen, zijn gerechtigd de aan te geven voorwerpen op te kopen. Bijaldien geen onderhandse aankoop tot stand komt, kunnen de betrokken voorwerpen onteigend worden. De afleveraar ontvangt in dot geval een ontvangstbewijs ; de schadeloosstelling wordt door de „Beichsentschàdigungskoni' mission  geregeld.

Art. 6. Wie de voorschriften van deze Verordening of de op grond er van uitgevaardigde uitvoeringsbepalingen opzettelijk of uit nalatigheid overtreedt, wordt, zoover volgens een andere strafwet geen zwaarder straf is voorzien, met ten hoogste 2 jaar gevangenis en met ten hoogste 25.000 mark boete of met een van deze straffen gestraft. Naast deze straf kan, in al de gevallen, de verbeurdverklaring worden uitgesproken van de voorwerpen, die het voorwerp van de strafbare handeling uitmaken. De verbeurdverklaring moet uitgesproken worden, wanneer de overtreding opzettelijk is begaan. De poging tot overtreden is strafbaar. Overigens zijn de bepalingen van de Verordening van 17 juni 1917, houdende uitbreiding van de strafbepalingen der in verhand met de oorlogseconomie uitgevaardigde Verordeningen toepasselijk. De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd. Brussel, den 26n Juli 1917.  
No. 381. - 17. AUGUSTUS 1917
Verordening.
 De Verordening van 5 juni 1917 schrijft slechts voor het vervoer per spoorweg of per schip van slachtvee binnen het gebied van het Gênerai- gouvernement een geleibrief voor. Het is echter noodzakelijk gebleken, de  Kreischefs'' in staat te stellen toezicht uit te oefenen op al het veevervoer per spoorweg en per schip, omdat veelal vee vervoerd werd aan de hand van valse aangiften, wat een ongewenste verwijdering van slachtvee uit zekere gewesten voor gevolg heeft gehad. De Verordening van 5 juni 1917 wordt derhalve derwijze uitgebreid, dat voor ieder veevervoer per spoorweg of per schip binnen het gebied van het Generalgoevernement een geleibrief vereist is. Brussel,
No. 381. - 17. AUGUSTUS 1917.
 Terechtbrenging. De opziener voor gezondheid en hygiene, waarvan sprake onder cijfer 2 letter c van de beschikking van 13 Mei 1917 (G, C. 111 A 3251 — Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van Belgie bl. 3735) van den heer Generalgouverneur in België heet niet Pletinckxmaar wel „Pletinx'
Brussel den 19 Augustus 1917,
No. 382. - 19. AUGUSTUS 1917
Beschikking. Zijn benoemd : tot afdelingsoverste aan het ministerie van Justitie de heer A. Plevoets, advokaat ie St. Truiden ; tot bureeloversten aan hetzelfde ministerie, de heren J, B. De Boevef klerk Iste kla se aan het ministerie van Wetenschappen en Kunsten, te Laken, B. B. Meganck klerk aan het ministerie van Wetenschappen en Kunsten Ph. L. M. A, Van der Straeten, klerk 2de klasse aan het ministerie van Justitie, Brussel, den 2Sn Jidi 1917.
No. 382. - 19. AUGUSTUS 1917
.Beschikking Op grond van mijn Verordening van 5 Mei 1917, C. C, m A 2901y IV A 14132 en in aansluiting aan mijn beschikking van 6 Mei 1917, C. C. III A 2902, IV A 14132, heb ik aan het ministerie van Nijverheid en Arbeid te Brussel, verder benoemd : den heer Leo Meert, fabrikant, tot deskundig verslaggever bij den hogeren Raad  voor Nijverheid en Handel ; den heer Maurits Dufour, ingenieur, tot eerstaanwezend opziener ; den heer Marcel Delbecque, nijverheidsopziener, tot bureeloverste. Brussel, den 30n juni 1917. F. FI. IV. 2.
No. 382. - 19. AUGUSTUS 1917
Beschikking Op grond van mijn Verordening van 5 Met 1917y C. C, 111 A 2901, IV A 14132 en in aansluiting aan mijn beschikking van 6 Mei 1917, C, C. 111 A 2902, IV A 14132, heb ik aan het Ministerie van Nijverheid en Arbeid te Brussel verder benoemd en bevorderd : den heer Jan Leo Leeten, bestuurder aan het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten, tot algemeen opziener ; den heer Dr. jur. Karel Van Acker, leraar aan de Rijksnormaalschool te Gent en ambtenaar aan het ministerie van Nijverheid en Arbeid, tot bestuurder ; den heer Jozef Mangin, beamhte aan het ministerie van Nijverheid en Arheid, tot bureeloverste ; den heer Orner Lequeu, beambte aan het ministerie van Nijverheid en Arheid, tot bureeloverste. den heer Maurits Reinhard, beambte aan het ministerie van Nijverheid en Arbeid, tot bureeloverste ; den heer Frans De Boeck, beambte aan het ministerie van Nijverheid en Arbeid, tot bureeloverste ; den heer Remigius De Roeck, lieentiaat in de handel en konsulaire wetenschappen, beambte aan het ministerie van Nijverheid en Arbeid, tot bureeloverste. Brussel, den 30n juni 1917, C. C. IV 2,
No. 382. - 19. AUGUSTUS 1917.
 Bekendmaking betreffende de liqwidatie van Franse ondernemingen. Met toestemming van den heer Generalgouverneur in België, heh ik, overeenkomstig de Verordeningen van 29 Augustus 1916 en van 15 April 1917 over de likwidaties van vijandelijke ondernemingen (Wet- en Verordeningshlad voor de bezette streken van Belgiëy Nr. 253 van 13 September 1916 en Nr. 335 van 19 April 1917) de likividatie bevolen van het in België voorhanden zijnde vermogen van de firma „Societe Michelin e Cie, Clermont-Ferrand' De heer Dr. von Philijyp te Bnissely is toi îikundator henoemd. De likwidaior verstrekt nadere irilichiingen. Brussel den 8n Augustus 1917.
No. 382. - 19. AUGUSTUS 1917
Beschikking Overeenkomshg artikel 7 van de wet van -1891 artikel 18y lid 3, en artikel 19 van Het koninklijk besluit van 14 Oktober 1890 zooals die zijn gewijzigd bij Verordening van 13 juni 1917, C. C. IIla 3387, betreffende de getuigschriften van middelbare siudiën en de voorbereidende examens, beschik ik het navolgende :

Art. 1. De jury die in Vlaanderen belast is met het bekrachtigen van de getuigschriften van middeïbare studien en met het afnemen van de voorbereidende examens tot het hoger onderiwijs, is voor de zitting 1917 als volgt samengesteld :
Voorzitter : Frans Reinhard, gepensioneerd ambtenaar te Brussel
Leden : Van Sint Jan, leraar aan het koninklijk atheneum te Gent, P. ThibaUy leraar aam het koninklijk atheneum te Gent, P. Lagae, leraar aan het koninklijk atheneum te Leuven, L. Peeters, leraar aan het koninklijk atheneum te Antwerpen) en. De heer Thibau is tot sekretaris van de jury aangesteld.l

Art. 2. Ingeval de voorzitter of leden van de jury verhinderd zijn, zal het ministerie van Wetenschappen en Kunsten plaatsvervangers aanduiden.

Art. 3. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur voor Vlaanderen is belast met de uiivoering van deze beschikking. Brussel, den 8n Augicstus 1917. C. FI. 111a 90.
No. 382. - 19. AUGUSTUS 1917.
Bekendmaking Met toestemming van den heer Generalgouvemeur in België, heb ik, overeenkomstig de Verordening van 17 Februari 1915 (Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van Belgie  Nr. 41 van 20 Fehruari 1915) het bankhuis Jules J oir e, te Doornik, en de bijhuizen er van te Leuze en te Brussel, onder dwang beheer geplaatst. Voor het huis te Doornik en het hijhuis te Leuze heb ik den heer Fritz Fasse, te Doornik, voor het hijhuis te Brussel den heer Adolf Sachs, te Brussel, tot dwangheheerder benoemd. Brussel, den 15n Augustus  1917,
No. 383. - 22. AUGUSTUS 1917.
Verordening **m over de inbeslagneming en den hande! in gemaakt« klederen, verbandstofien en andere weelsels. Voorwerpen die onder toepassing van de Verordening vallen.
Art, 1. De stapels voorwerpen van hieronder aangeduide soort die op den dag van de afkondiging van deze Verordening (jpToefdag) binnen het gebied van het Generalgoevernemt voorhanden zijn, weten overeenkomstig ondifrtkumae voorschrifien worden aangegeven :
1) Zover meer dan 2 stuks van een zelfde hoedanigheid voorhanden zijn, zonder onderscheid van afmetingenf kleur, tekening, snede en maaksel :
a) Gemaakte bovenklederen voor heren, van om het even welke soort en uit om het even welke stof, met ten minste 76 cm. schouderbreedte zoals kostumes jassen en jacquetten, buizen, rokken (redingotes), vesten, broeken, overjassen (paletots en ulsters).
b) Gemaakte klederen voor werklieden, zoals opstellersklederen, vesten, jassen, mantels, kielen, broeken, uit om het even welke stof.
c) Voorschoten voor werklieden. van om het even welke soort.
2) Zover meer dan 2 stuks van elke soort voorhanden zijn, van om het even welke stof en hoedanigheid en zonder onderscheid van afmetingen, kleur, tekening, snede en maaksel. Uniformkledingstukken, van om het even welke soort, zooals wapenrokken, litevka's, broeken, rijbroeken, mantels en livreiën.
3) Verbandstoffen: Neteldoek voor verhanden, plukselproppen, verbandgaas en zwachtels van om het even welke soort, zonder onderscheid van lengte, breedte, verpakking, en om het even of deze stoffen al dan niet verwerkt zijn (op een bepaalde grote gesneden, gedrenkt of toebereid), zover van dezelfde hoedanigheid meer dan 100 meter, bij een breedte van ten minste 100 centimeter, en meer dan 200 meter, hij een kleinere breedte voorhanden zijn. Bij de aangifte van gedrenkte en toebereide verbandstoffen, dient eveneens te worden vermeld, waarmede die voorwerpen gedrenkt of toebereid zijn.
4) Dekens en lakens, van om het even welke soort, zover die niet reeds door vroegere Verordeningen getroffen zijn, tafelklederen, tafelloojpers, schaamschorteny beddekleederen en gestikte bedspreien (gewatteerde, enz), van bepaalde ajmeiingeny uitgesneden, gezoomd of anderszins afgegezet of van franjes voorzien er hij hegrepen zoover meer dan 15 stuks van iedere soort voorhanden zijn ; voor zakdoeken, hoofddoeken, halsdoeken en schaam schorten, zover meer dan 30 stuks voorhanden zijn, zonder onderscheid van afmetingen, kleur en tekening
5) Bedovertrekken, van om het even welke soort zooalsfluwijnen,overtrekken van peluwen van donzen dekbedden, gewatteerde dekens, enz. zover meer dan 15 stuks van een zelfde hoedanigheid voorhanden zijn, zonder onderscheid van afmetingen, kleur en tekening.
6) Gordijnen met dichtgeweven mazen, rolgordijnen, bovengordijnen, draperijen van om het even welke soort, van bepaalde afmetingen, grote, gesneden, enz., wanneer meer dan 6 stuks van eenzelfde hoedanigheid voorhanden zijn, zonder onderscheid van afmetingen, kleur en tekening. Voorwerpen, die niet onder toepassing van de Verordening vallen.
Art. 2. Evenals voor de kleinste hoeveelheden, aangegeven in artikel l,is de Verordening ook niet toepasselijk op de voorwerpen die het eigendom uitmaken van bijzonderen en tot hun persoonlijk gebruik onontbeerlijk zijn, of die na den proefdag, binnen de perken van de kleinste hoeveelheden, vervaardigd worden op bestelling van een bijzondere voor zijn persoonlijk gebruik. Hetzelfde geldt ook voor de voorwerpen, die in openbare of bijzondere inrichtingen, inzonderheid in çasu huizen alsook in gasthoven, pensions, kostscholen, naefUneMijven, en., in gebruik zijn, zover zij voor de rechtmatige voort- 1 zetting van het bedrijf onontbeerlijk zijn. Wanneer echter na den proefdag dergelijke voorwerpen worden aangeschaft is daarvan in ieder geval aangifte te doen overeenkomstig artikel 8. Personen die onder toepassing van de Verordening vallen.
Art. 3. Alle natuurlijke personen en rechtspersonen, verenigingen van privaatrechtelijke en openbaarrechtelijke natuur, handels- en nijverheidsbedrijven met inbegrip van de apotheken, alsook de bedrijven en inrichtingen van Staat, gemeenten en kerk die de in artikel 1 bedoelde waren voortbrengen, verwerken of anderszins in bewaring hebben zijn verplicht deze aan te geven, om het even of zij er al dan niet de eigenaars van zijn of het recht hebben er over te beschikken. Voor de handelingen van privaatrechtelijke of openbaarrechtelijke personen zijn de wettelijke vertegenwoordigers verantwoordelijk. Aangifte van de voorhanden hoeveelheden.
Art. 4. De aangifte moet op de daartoe bestemde kaart van aangifte ten laatste op 5 September 1917 gedaan zijn hij het ,,Militarisches Textiïbeschaffungsamt", Quatre- Brasstraat 13, te Brussel; als maatstaf voor de aangifte geldt de hoeveelheid die op den proefdag voorhanden is. De kaarten van aangifte zijn op gemeld kantoor of hij den bevoegden Kreischef of „Abschnittskoinmandeur'' te verkrijgen ; zij moeten op zulke wijze worden ingevuld dat zij een overzicht geven van een soort en de hoeveelheid van de voorhanden voorwerpen.' Bij de aangifte van de in artikel 1, cijfers 3 tot 6, opgesomde waarde, moet een staal worden gevoegd. Al de aanvragen en verzoeken aangaande de Verordening, zijn eveneens hij het „Militariches Textilbeschaffungsambt te Brussel in te dienen. Bepalingen betreffende het aankopen.l
Art. 5. Het Militarisches TextUbeschaffungsambt heeft het recht de aan te geven waren op te kopen tegen den prijs die(op 25 Juli 1914 in België gebruikelijk was vermeerderd met een bijslag van 20 tot 60%. Komt geen onderhandse aankoop tot stand, dan kunnen de betrokken waren onteigend worden. In dat geval bekomt de afleveraar een ontvangstbewijs en wordt de schadeloosstelling vastgesteld door de Rijkskommissie tot regeling van de schadeloosstellingen {Reichsentschàdigungskommission), Bewaring en gebruik van de voorwerpen.l
Art. 6, Afgezien van den verkoop aan het Militarisches Textiîbeschaffungsambt mag slechts het tiende deel van de aan te geven waren van de hand gedaan worden, doch slechts op voorwaarde dat te voren de in artikel 7 voorgeschreven schikkingen getroffen zijn. Overigens is het door het feit van de inbeslagneming verboden over de voorwerpen, die niet van de hand mogen worden gedaan, op enige wijze rechtszakelijk te beschikken of ze op om het even welke wijze te vervoeren, te benuttigen of te wijzigen. De bezitters zijn verplicht, die voorwerpen zorgvuldig te bewaren en behoorlijk te behandelen. Boekhouding en afzonderlijke berging van de voorwerpen.l
Art. 7. leder persoon, die verplicht is aangifte te doen, moet een zakenboek houden over al de waren van de in artikel 1 aangegeven soort,ook wanneer hij er niet meer van bezit dan de vastgestelde kleinste hoeveelheden, en wel zodanig, dat daarin al de hij hem voorhanden zijnde voorwerpen, om het even of zij al dan niet aan te geven zijn, kunnen worden nagegaan. Elke wijziging van de voorhanden hoeveelheden, alsook de wijze van verbruik, moet in het zakenboek vermeld staan. De voorwerpen, die niet van de hand mogen worden gedaan zijn, als zodanig kenbaar gemaakt, van de vrije voorraden afgezonderd te bewaren. De lasthebbers van de militaire en de burgerlijke overheden hebben het recht, de zakenhoeken, de zakenpapieren en bewaarplaatsen te onderzoeken, om zich te vergewissen dat de voorschriften nagekomen worden. Aangiften die naderhand te doen zijn.l
Art. 8. Al de waren van de in artikel 1 bedoelde soort, die na den proefdag vervaardigd of toebereid worden, ook wanneer de hoeveelheid niet groter is dan de vastgestelde kleinste hoeveelheid, moeten zonder onderscheid den eersten van de volgende maand en, voor de eerste maal, op 1 October 1917, aangegeven worden door den vervaardiger en den opdrachtgever en door degene die de voorwerpen in magazijn of in bewaring neemt. Zij zijn onderworpen aan dezelfde bepalingen als de voorwerpen, die ojp den proefdag reeds vervaardigd waren. Ongeldigheid van vroegere vrijverklaringen.l
Art. 9. De verplichtingen, door deze Verordening opgelegd, blijven ook dan bestaan, wanneer de voorwerpen, waar- OP deze Verordening toepasselijk is, vervaardigd zijn of vervaardigd worden uit grondstoffen, afval, afgewerkte of half afgewerkte fabricaten, die op grond van vroegere Verordeningen of beschikkingen vrijverklaard werden. Strafbepalingen.l
Art. 10, Wie de voorschriften van deze Verordening opzettelijk of uit nalatigheid overtreedt, wordt, zover een andere strafwet geen zwaarder straf voorziet, met ten hoogste 2 jaar gevangenis en met ten hoogste 25.000 mark boete of met een van deze straffen gestraft. Bovendien kan in al de gevallen de verbeurdverklaringen uitgesproken worden van de voorwerpen waarop de strafbare handeling betrekking heeft; in geval van opzettelijke overtreding, moet de verbeurdverklaring steeds worden uitgesproken. Overigens gelden de voorschriften van de Verordening van 17 juni 1917 houdende uitbreiding van de strafbepalingen der in verband met de oorlogsekonomie uitgevaardigd de Verordeningen. De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.l
Art. 11. De voorschriften van artikelen 5, 6, 7, lid 2 en lid 3, 8, 2de zin, en 10, lidl,2de zin, van deze Verordening, zijn niet toepasselijk op de waren, waarvan bewezen kan worden dat zij, op den proefdag, het eigendom uitmaakten van de . Commission for Relief in Belgium of van het „Nationaal Hulp- en Voedingskomiteit. Brussel, den 31n Juli 1917. No. 383. - 22. AUGUST 1917. Bekendmaking betreffende de liquidatie van Britse ondernemingen. Met toestemming van den heer Generalgouvemeur in België, heb ifc, overeenkomstig de Verordening van 29 Augustus 1916, over de likividaties van Britse ondernemingen verschenen in No. 253 van 13 September 1916 van het Wet en Verordeningshlad voor de bezette streken van België), de liquidatie bevolen van het in België voorhanden zijnde vermogen van de firma Conrad Ww. Schmidt (F. A. Glaeser) Ltd, Stratford, Londen. De heer J. Welker, krijgsschool te Brussel, is tot likwidator benoemd. De likwidator verstrekt nadere inlchtingen. Brussel, den 15n AUGUSTUS 1917.*
No. 384. - 22 . AUGUSTUS 1917
 Beschikking. Het koninklijk besluit in dato 17 October 1890  houdende reglement der middelbare practische Saoats-tuin- en -landbouwsscholen, wordt als volgt gewijzigd /l

Art. 1. De volgende schikking wordt bij art, 15 van voormeld reglement gevoegd : „In de school te Vilvoorde worden twee categoriën van leerlingen toegelaten :l

a) Leerlingen'tuinbouwkundigen, die de volledige stvdiën doen en b) leerlingen-hoveniers, die een der practische en theoretische leergangen in de tuinbouwteelt volgen :

1) fruit- en sierboomteelt ;

2) moesteelt of

3) bloementeelt. Het getal leerlingen-hoveniers kan beperkt worden  indien liet belang van het onderwijs of van het practisch werk zulks vereist, Bijzondere bepalingen regelen : het programma van het onderwijs aan de leerlingen-hoveniers ; het in- en uitgangsexamen door hen af te leggen ; en hun na voleindigde studie af te leveren getuigschrift.**l

Art. 2. Zijn afgeschaft, voor wat de Staatstuinbouwscholen betreftj art. 16, alsook het eindlid van art. 19 van hoger vermeld besluit.

Art. 3. De bepalingen van deze beschikking worden van kracht met ingang van het schooljaar 1917—1918,

Art. 4. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur {Verwaltungschef) is gelast, voor de uitvoering derzelve, de nodige maatregelen te treffen. Brussel, den 14n Juli 1917.
No. 384. - 25. AUGUSTUS 1917.
Beschikking. Ter wijziging en gedeeltelijke aanvulling van het in uitvoering van het koninklijk besluit van 18 oktober 1890 {nieuwe tekst vastgesteld bij beschikking van 14 juli 1917 van den heer Generalgouvemeur uitgevaardigd „reglement van inwendige orde voor de middelbare Staatstuin- en landbouwscholen gedagtekend 18 oktober 1890 wordt het navolgende bepaald :
Art. 1. Art. 29 van het hoger vermeld reglement van inwendige orde wordt aangevuld als volgt : „In de school te Vilvoorde worden twee categorieën van leerlingen toegelaten :
a) leerlingen-tuinbouwkundigen, die de volledige studiën doen en
b) leerlingen-hoveniers, die een der praktische en theoretische leergangen in de tuinbouwteelt volgen :
1) fruit- en sierboomteelt,
2) moesteelt of 3 )bloementeelt.
Art. 2. Art. 30 van voormeld reglement wordt aldus aangevuld : „Zijn alleen lot het examen toegelaten, de kandidaten die door de jury erkend worden aïs hebbende de nodige lichaamskracht om den practische arbeid uit te voeren.
Art. 3. Art. 31 is gewijzigd in dezen zin dat, om tot de school te Vilvoorde toegelaten te worden aïs leerling-tuinbouwkundige, de kandidaten in bezit moeten zijn van het getuigschrift van voleindigd middelbaar onderwijs van den lageren graad of van een bewijsschrift, waaruit blijkt dat zij in het derde schooljaar van een gesticht van middelbaar onderwijs van den hogere graad mogen overgaan. Ingeval zij de ene of andere dezer voorwaarden niet vervullen, moeten zij voldoen bij een examen lopende over de leervakken opgenomen in de bijlage van deze beschikking, Om als leerling-hovenier in de school te Vilvoorde toegelaten te worden, moeten de kandidaten in bezit zijn van een bewijsschrift van voleindigd lager onderwijs of met goed gevolg een examen afleggen over de leervakken van dit onderwijs. Dit examen omvat :
a) Een eenvoudig opstel, dat te gelijker tijd dienen zal om over het geschrift en de spelkunst te oordelen ;
b) Vragen en vraagstukken over de rekenkunde ;
c) Grondbegrippen van de algemene aardrijkskunde en de vaderlandse geschiedenis.
Art. 4. Het ministerie van Landbouw stelt ieder jaar, op voorstel van den bestuurder, die te voren het advies van de betrokken leraars moet inwinnen  het getal leerlingenhoveniers vast, die tot de praktische en theoretische leergangen zullen worden toegelaten.
Art. 5. De kandidaat-leerlingen-hoveniers worden, zonder onderscheid, aan een praktische proef onderworpen over den leergang dien zij verlangen te volgen. De praktische proef telt voor een vierde in de berekening van het aantal punten van het toegangsexamen en bepaalt, met de andere behaalde punten, de eindklassering. De kandidaten die in het bezit zijn van het bewijsschrift van voleindigd hoger onderwijs, moeten ten minste de helft der punten in de praktische proef hebben
Art. 6. Lid 3 van art. 37 en lid 1 van art. 44 van voornoemd reglement worden als volgt gewijzigd : „Het examen bestaat uit twee proeven : de een schriftelijk de andere mondeling en praktisch.
Art. 7. Bij hunne inschrijving duiden de kandidaten den leergang aan  dien zij verlangen te volgen.
Art. 8. De leerlingen-hoveniers die, gedurende ten minste een schooljaar, den leergang regelmatig gevolgd hebben, kunnen een bewijsschrift van bekwaamheid bekomen na, met goed gevolg, een examen over het praktisch en theoretisch onderwijs te hebben afgelegd. Dit examen heeft plaats volgens de regelen door de jury bepaald, waarbij rekening gehouden wordt met de voorschriften van art. 6. Het getal punten toe te kennen voor de praktische proef zal 75 t. h. van het gezamenlijk getal punten voor de volledige proef bedragen. 
Art. 9. Het door de jury af te leveren bewijsschrift is opgemaakt volgens bijgaand formulier. Het wordt ondertekend door den voorzitter, den secretaris en de leden der jury, alsook door den leerling-hovenier en voorzien van het zegel der school. 
Art. 10. De jury bestaat uit :
a) den bestuurder der school, voorzitter,
b) den leraar van den leergang,
c) den cultuuroverste van den leergang,
d) een lid van de commissie van toezicht der school,
e) een afgevaardigde van het ministerie van Landbouw. De jury benoemt zijn secretaris.
Art. 11. De examens voor het bekomen van het  getuigschrift van hovenier' hebben plaats van 15 September tot 15 oktober 
Art. 12. De leerlingen-hoveniers zijn onderworpen aan het tuchtreglement van 18 oktober 1890 voor tuinbouwscholen. Brussel, den 14 Juli 1917, Tuinbouwschool te Vilvoorde.
— Programma voor het toegangsexamen .
Talen. — Nederlandse taal : Opstel, verhaal of beschrijving, Dictaat. Andere talen : Opstel over een eenvoudig onderwerp {beschrijving of handelsbrief) . Dictaat. Rekenkunde. — Hoofdbewerkingen met gehele getallen. Eigenschappen der getallen. Gewone breuken. Tiendelige getallen. Metriek stelsel van maten en gewichten. Evenredigheden. Problemen over interest, disconto, evenredige verdelingen, mengsels en legeringen, gezelschapsrekenen, samengestelde interest. Vierkant en vierkantswortel. Stelkunde. — Hoofdbewerkingen met een- en veeltermen, Ontbinding in factoren. Stelkundige breuken. Oplossing van stelkundige vergelijkingen van den eersten graad met een onbekende. Vraagstukken met lettergrootheden. Toepassingen der gevonden formules op vraagstukken over interest en verdeling. Oplossing van stelkundige vergelijkingen van den eersten graad met twee of meer onbekenden.
Meetkunde. — Bepalingen. Axioma's. Eigenschappen der loodlijnen en der schuine lijnen. Evenwijdige lijnen. Congruentie van driehoeken. Som der hoeken van welkdanige veelhoeken. Eigenschappen der parallellogrammen. Cirkel. Verdeling der hoeken in graden. Berekening der oppervlakte van vlakke figuren. Voornaamste eigenschappen der driehoeken. Evenredige lijnen. Gelijkvormige figuren. Regelmatige veelhoeken. Omtrek en oppervlak van den cirkel en diens sectoren. Oppervlak en inhoud der veel vlakkige lichamen alsmede van den kegel, den cilinder en den bol.
Aardrijkskunde. — Aardrijkskunde van België : Verhevenheid van den bodem. Belangrijkste stromen, rivieren en vaarten. Klimaat. Grondgesteldheid, Voonaamste voortbrengselen der drie rijken. Voornaamste nijverheden. Handelsbetrekkingen van België met de grote landen der wereld.
Geschiedenis. — I. Belangrijkste feiten uit de vaderlandse geschiedenis : Romeins tijdvak. Frankisch tijdvak. Het leenstelsel. De Gemeenten. Boergondische overheersing. Karel V. Spaans tijdvak. Oorlogen van Lodewijk XIV in België. Het traktaat van Utrecht en het Bareelentractaat. Oostenrijkse overheersing. Franse overheersing. Koninkrijk der Nederlanden {1815-1830). Omwenteling van 1830. Regering van Leopold I en Leopold II
II. Begrijpen der algemene geschiedenis sedert de grote uitvindingen en ontdekkingen.
Karel V en Frans I. De Wedergeboorte. Het protestantisme. De kerkhervorming. De godsdienstoorlogen onder Filips IIy Elisabeth en Hendrik IV. De dertigjarige oorlog. De omwentelingen in Engeland van 1649 en 1688. De eeuw van Lodewijk XIV. Rusland onder Peter den Groote. Spaanse successie-oorlog. Zevenjarige oorlog. Verbrokkeling van Polen. Stichting der Verenigde Staten van Amerika. De Franse Omwenteling van 1789. Het Frans keizerrijk. Omwentelingen van 1830 en 1848. Eenheid van Italië. Eenheid van Duitsland. Het Oosters vraagstuk. Onafhankelijkheidsoorlog in Amerika. De beschaving in de XIX eeuw.
MINISTERIE VAN LANDBOUW EN OPENBARE WERKEN.
Staats Tuinbouwschool te Vilvoorde, Getuigschrift van Hovenier. Bewijs van vakkennis : in de fruit -en sierbomenteelt ; in de moesteelt ; in de bloementeelt, De jury, gelast de leerlingen-hoveniers der Staats Tuinbouwschool te Vilvoorde te onderzoeken, verklaart dat de heer geboren te den ,na te dezer school, gedurende het schooljaar 191 . . —191 . . , den praktische en theoretische leergang in voornoemd vak gevolgd te hebben, op het door hem afgelegd examen, punten op behaald heeft. Ten gevolge waarvan hem dit getuigschrift is afgeleverd geworden. , den 191,. De Staats tuinbouwschool te Vilvoorde levert het diploma van tuinbouwkundige, na drie jaar studie, en het getuigschrift van hovenier na een jaar studie af.
De leden der jury : Voorzitter. Secretaris. Leden.
Handtekening van den drager van het getuigschrift
No. 384. - 25. AUGUSTUS 1917.
Beschikking. Op grond van artikel 3 der beschikking van 8 Augustus 1917 van den heer Generalgouvemeur {C. FI. Illa 90), bepaal ik het navolgende : De zittingen van de jury voor de bekrachtiging van de ge tuigschriften van het middelbaar onderwijs en voor het afnemen van de voorbereidende examens tot het hoger onderwijs in Vlaanderen, zullen dit jaar gehouden worden te rekenen van 27 Augustus, te 10 uur s voormiddags, in de Staatsmiddelbare normaalschool Broekstraat 70 te Brussel.
Brussel, den 17n AuguStus 1917,
No. 384. - 25. AUGUSTUS 1917.

Bekendmaking. *** Op grond mijner verordening van 19 Juni 1917  betreffende de Oogstcommissies (Emtekommissionen), evenals der uitvoeringsbepalingen van 19 Juli 1917 tot deze verordening, heb ik op voorstel der centrale Oogstcommissie (Zentral-Emte-Kommission) de hoogste prijzen voor den verkoop van gedorst koren, meel, zemelen en brood voorshands als volgt vastgesteld :
voor tarwe uit stapelplaats of molen geleverd frank 63.25 per 100 kgr.
 rogge uit stapelplaats of molen geleverd , 33,17 frank per 100 kgr
masteluin uit stapelplaats of molen geleverd 31,51 frank per 100 kgr
ongepelde spelt uit stapelplaats of molen geleverd 31,28 frank per 100 kgr
zemelen uit stapelplaats of molen geleverd 21,50 frank per 100 kgr
tarwemeel aan bakkers of verbruikers geleverd 70,34 frank per 100 kgr
roggemeel aan bakkers of verbruikers geleverd -, 39,31 frank per 100 kgr
masteluinmeel aan bakkers of verbruikers geleverd „37,61 frank per 100 kgr
 tarwebrood aan verbruikers geleverd „ 0,60 „ kgr.
Deze hoogste prijzen worden op 16 September 1917 van kracht. De provinciale Oogstcommissies {Promnzial-Emte-Kommissionen) zijn bevoegd, voor de omschrijving van afzonderlijke gemeenten, op verzoek of na raadpleging van de burgemeesters telkens een lageren hoogsten prijs voor brood tot het bereiden waarvan roggemeel wordt gebruikt, vast te stellen. Voor den verkoop van koren door de verbouwers aan het Nationaal Hulp- en Voedingskomiteit, blijven de hoogste prijzen, vastgesteld in de uitvoeringsbepalingen tot de verordening van 19 Juli 1917 betreffende de Oogstcommissies , van kracht, Brussel, den 20 AUGUSTUS 1917.*
Z. E. K. 3806/17, 33.17 31.51 31.28 21.50 70.34 39.31 37.61 —.60
No. 384. - 25. AUGUSTUS 1917.
Verordening Ter wijziging van het Koninklijk besluit van 21 september 1884, verorden ik voor Vlaanderen het navolgende :l
Art. 1. Aan artikel i, lid i, van het koninklijk besluit van 21 september 1884 is toegevoegd : Bijaldien voor de samenstelling van de jury, de vier leden niet in gelijken getale kunnen worden aangeduid onder leerkrachten van het openbaar en van het vrij onderwijs, mogen leerkrachten van het vrij onderwijs worden aangesteld in plaats van leerkrachten van het openbaar onderwijs en omgekeerd.
Art. 2. Ingeval geen geestelijke leerkracht zitting heeft in de jury voor het afnemen van het examen in den godsdienst en in de zedenleer, zal het examen in dat vak niet plaats hebben. Het kan evenwel naderhand afgerwmen worden, zodra de vereiste leerkrachten beschikhaar zijn. Brussel, den 23n Augu tus 1917.
No. 384. - 26. AUGUSTUS 1917.
Beschikking betreffende de jury's voor het afnemen van liet onderwijzers- en liet onderwijzeressen examen. Overeenkomstig artikel 15 en 24 van de wet van 15 juni 1914, tot regeling van het lager onderwijs, en artikel 1 van het koninkrijk besluit van 21 September 1884, zoals dat is is gewijzigd hij verordening van 23 Angustiis 1917, beschik ik het navolgende :
Art. 1. In het Vlaams gebied van het Generalgouvernement zijn tweejurys samengesteld : een voor het afnemen van het onderwijzersexamen, een voor het afnemen van het onderwijzeressenexamen. Voor namen zie hiervoor.
Art, 2. De voorzitters van de jury's weten zorg dragen voor de oproeping van de kandidaat-onderwijzers en -onderwijzeressen,
Brussel, den 23 Augustus 1917, 
No. 385. - 27. AUGUSTUS 1917.
Verordening *** betreffende de verplichting tot aangifte en de inbeslagneming van de afgewerkte voortbrengselen uit koper, brons en geelkoper in handels- en nijverheidsbedrijven, alsook in en aan openbare gebouwen en inrichtingen.
Art, 1. Ter aanvulling van de Verordening van 30 december 1916, C. C. IVa 24446 {Wet- en Verordeningsblad nr. 305) f moeten al de op 1 September 1917 {proefdag) binnen het gebied van het Generalgouvernement voorhanden zijnde voorwerpen en stapels voorwerpen uit koper, brons en geelkoper van de in artikel 2 vermelde klassen, worden aangegeven.
Voorwerpen, die onder toepassing van deze Verordening vallen.
F. Handelsartikelen en voorraden in magazijnen.
Klasse 50. Massa-artikelen, zoals halfafgewerkte en afgewerkte voortbrengselen, ook wanneer zij met de hand voltooid zijn, die op grond van de vroegere Verordeningen nog niet in beslag genomen zijn {b. v. verlichtingsartikelen, garnituren, huishoudelijke voorwerpen enz).
Klasse 51 . In de fabriek vervaardigde siervoorwerpen,
Klasse 52. Bijzondere toestellen voor brouwerijen en mouterijen, h. v., mout- en brouwketels, met inbegrip van de ingebouwde pijpen, verwarmings- en afkoelslangen, enz.
Klasse 53. Bijzondere toestellen voor melkerijen, melkhandelaars en melkverkopers, h. v., melkkruiken, vaten en allerhande toestellen voor melkerijen
Klasse 54. Bijzondere toestellen van de onder G. opgesomde klassen van 55 tot 64.
G. Voorwerpen, die in handels- en nijverheidsbedrijven, openbare gebouwen en inrichtingen in gebruik, d. i. opgesteld of ingebouwd zijn.
Klasse 55. Bijzondere toestellen voor spuitwater- en limonadefabrieken.
Klasse 56. Bijzondere toestellen voor grote wasserijen en strijkerijen.
Klasse 57. Bijzondere toestellen voor lucifersfabrieken.
Klasse 58. Bijzondere toestellen en rekken voor wijnhandels en voor wijnkelders. Klasse 59. Bijzondere toestellen voor andere handels- en nijverheidsbedrijven waarop vroegere Verordeningen niet toepasselijk waren.
Klasse 60. Straatlantaarns,
Klasse 61. Elektrische booglampen. Naast het gewicht aan koper, brons en geelkoper, moet ook het aantal stuks aangegeven worden.
Klasse 62. Metallisch doek voor papier, karton- en dergelijke machines : Naast het gewicht, moeten het aantal stuks de afmetingen en de toestand aangegeven worden.
Klasse 63. rekken en omheiningen, poorten kandelabers van openbare plaatsen, inrichtingen en parken.
Klasse 64. Brandspuiten en blustoestellen.
Klasse 65. Beschuttingsdraden boven de geleidingen van elektrische trams, en dergelijke draden en geleidingen, waardoor geen stroom gaat.
Uitzonderingen.
Art. 3. Deze Verordening is niet toepasselijk op :
1) Met koper, brons of geelkoper overtrokken {b. v. galvanisch) of geplateerde voorwerpen, die vervaardigd zijn uit ijzer of uit een ander niet in beslag genomen metaal.
2) Voorwerpen, die voor ten minste 3/4 uit een niet in beslag genomen metaal bestaan en waarvan de afzonderlijke delen onscheidbaar met elkander zijn verbonden (of met bouten vastgeklonken, aaneengeperst, geweld, enz.).
3) Voorwerpen, die voor godsdienstige doeleinden dienen en die zich bevinden aan en in kerkelijke en andere voor den godsdienst dienende gebouwen en lokalen. De Afdeling voor handel en nijverheid, kantoor voor grondstoffen {Abteilung fur Handel und Gewerbe, Roverwaltungsstelle) kan op schriftelijke aanvraag in bijzondere gevallen h. v. voor voorwerpen van erkende kunstwaarde of geschiedkundige waarde, verdere uitzonderingen alsook vrijstelling van het verbod van artikel 6
Verplichting tot aangifte.
Art. 4. De in artikel 2 (ypgesomde voorwerpen moeten op de daartoe bestemde kaarten van aangifte ten laatste op 30 September 1917, aangegeven zijn bij de Afdeling voor handel en nijverheid, kantoor voor grondstoffen.
Tot maatstaf voor de aangifte dient de op den proefdag {artikel 1) voorhanden hoeveelheid. De formulieren zijn te verkrijgen hij de Orts-'' of „Abschnitt kommandanturen'* ; de voorhanden hoeveelheden moeten daarin voor elk der in de kaart van aangifte opgesomde metaalsoorten in kilogram nettogewicht aangegeven zijn. Voor iedere klasse moet een afzonderlijke kaart worden ingevuld. Gaat het vaststellen van het gewicht met bijzondere moeilijkheden gepaard, zoals h. v. voor ingemetselde metalen delen, dan volstaat een gewetensvolle schatting van het gewicht. De voorhanden hoeveelheden van een zelfde eigenaar of bezitter, waarvan het gezamenlijk gewicht per klasse niet meer bedraagt dan 20 kg., moeten niet aangegeven worden ; zij zijn echter juist op dezelfde wijze af te leveren als de voorwerpen, die onder de verplichting tot aangifte vallen. Losmaking' en afleveringsverplichting.
Art. 5. De voorwerpen, die in artikel 2, alsook in artikel 4, lid 4, in het bijzonder vermeld zijn en die ten laatste op 30 September 1917 niet vrijwillig verkocht zijn aan de Zentrot Einkaufs-Gesellschaft fur Belgien m. b. H., Abteilung Metalle* Kunstherlevingslaan 30, te Brussel, moeten op uitnodiging van de Afdeling voor handel en nijverheid, kantoor voor grondstoffen, binnen den daartoe vastgestelde tijd losgemaakt en afgeleverd worden.
Door het feit van de aflevering gaat de eigendom van het Duits legerbestuur over. Voor de afgeleverde voorwerpen ontvangt de afleveraar in dat geval een ontvangstbewijs ; de Rijkscommissie tot regeling van de schadeloosstellingen {Reichsentschàdigungskommission) stelt volgens de bestaande grondregels de schadeloosstelling vast. De uitnodiging om bedoelde voorwerpen los te maken en af te leveren kan gegeven worden door algemene of bijzondere schikkingen met het oog op bepaalde nijverheidstakken, bedrijven of gewesten. De personen die gehouden zijn aangifte te doen, zijn verplicht de betrokken voorwerpen los te maken en af te leveren,
Aanvullingsvoorschriften,
Art, 6. Overigens zijn de bepalingen van §§ 3, 4,7,9 en 10 van de in artikel 1 vermelde Verordening, alsook de voorschriften van de Verordening van 17 juni 1917, houdende uitbreiding van de strafbepalingen der in verband met de oorlogseconomie uitgevaardigde Verordeningen, dienovereenkomstig van toepassing.
Brussel den 31 Juli 1917, 
No. 385. - 27. AUGUSTUS 1917.
AANVULLENDE VERORDENING tot de Verordening J. II 8300/n van G JuU 19U, van deo Heer Generalgouverneur (voor het ganse gebied van het Generalgouvernement).
Om allen twijfel weg te nemen wordt ter kennis gebracht, dat de inbeslagneming uitgesprokenen bij de hiervoren bedoelde verordening eveneens dwarsliggers wisselhout er of telegraafpalen en palen voor geleidingen omvat terwijl staande en geveld hout, aîsook inlands rondhout daarvan bevrijd blijft
Aanvragen voor  vrijverklaringen van in beslag genomen hout zijn rechtstreeks te richten tot de  Holzahgabestelle te Antwerpen; de stafoffier van de genie zal er over beslissen.
Elke maand mogen de belanghehhenden 5 kubieke meter van hun voorraad aan inlands hout of uitheems eikenhout in houtbewerkings- en meubelfabrieken, schrijnwerkerijen en in dergelijke inrichtingen verwerken, zonder daartoe een aanvraag in te dienen. De ondernemingeny die van deze toelating gebruik maken zijn evenwel verplicht, de  Holzabgabestelle te Antwerpen daarvan kennis te geven. Zij moeten ook nauwkeurig aantekening houden over hun houtvoorraden en de daaraan onttrokken hoeveelheden, zoodat te allen tijde en zonder moeite kan worden vastgesteld hoeveel hout verwerkt is.
De „Holzahgabestelle'' te Antwerpen zal de bevoegde „Kreischefs'' de ondememingen aanduiden  die een zekere hoeveelheid van hun voorraden wensen te verwerken. Op deze wijze kan de dichtsbij gelegen plaatselijke Kommandantuur nagaan of de ondememer de voorgeschreven aantekeningen houdt. Overtredingen toorden overeenkomstig de strafbepalingen van hiervoren hedoelde verordening gestraft. Brussel den 20n Augusius 1917. Bovensiaande Verordening moet in al de gemeenten hij plakbrief ter algemeene kennis worden gebracht
No. 385. - 27. AUGUSTUS 1917.
Bekendmaking. Op 17 September e. k. zal te Brussel in de Rijks Middelbare meisjesnormaalschool Broekstraat 70 de jury zetelen belast met het afnemen der examens van tekenleraar en tekenlerares bij het Middelbaar en Middelbaar normaal Onderwijs, Leergangen voorbereidend tot dit examen zullen in dezelfde lokalen gegeven worden van af den 10n tot den 15n September.
Aan dit examen mogen deelnemen de houders van het diploma van onderwijzer of van leraar hij het middelbaar Onderwijs en de houdsters van het diploma van onderwijzeres of van lerares hij het Middelhaar Onderwijs. De kandidaten kunnen zich per brief of persoonlijk hij het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten, Bestuur van het Middelbaar Onderwijs, Weldadigheidstraat 25, aanmelden tot den 4n September,
De aanvraag moet vermelden : naam en voomamen van de kandidaten, examen of examens die zij wensen af te leggen, de diploma's die zij bezitten, ouderdom, adres en ambt met de aanduiding der plaats waar het uitgeoefend wordt,
De kandidaten, die zich lieten inschrijven melden zich zonder verdere oproeping op den gestelden datum te 10 u. 's morgens in de aangeduide lokalen aan, voorzien van de vereiste diploma's en van het nodige tekengerief.
Brussel, den 22n Augustus 1917. V, F.
No. 385. - 27. AUGUSTUS 1917.
Bekendmaking.
 Art. 1. Voor het jaar 1917 zal in het koninklijk atheneum te Gent de jury zetelen, ingesteld bij de vrije middelbare meisjesnormaalschool, Nieuwe Boschstraat, belast met het afnemen van de proeven voorbereidend tot het examen van kandidate-lerares bij het middelbaar onderwijs van den lageren graad.

Art. II. Tot die proeven worden ook toegelaten de personen, die zich door privaat onderwijs of in een vrij oriderwijsgesticht hebben voorbereid, en die aan de wettelijke voorschriften dienaangaande voldoen.l

Art. III. De aanmeldingsbrief moet opgeven den naam, de voomamen, den ouderdom, de verblijfplaats, het examen dat de recipienda wenst af te leggen, het getuigschrift waarvan de recipienda houdster is. Die aanmeldingshrief wordt gesloten in een omslag waarop men dient te schrijven : „Aan den Heer Voorzitter van de middenjury  belast met het afnemen der proeven voorbereidend tot het examen van kandidatelerares hij het middelbaar onderwijs van den lageren graad Deze brief dient onder omslag gericht te worden aan den heer Prefekt van het koninkijk athenaeum te Gent.

Art. IV. De inschrijvingen moeten voor den 10 n September ingezonden worden. Latere aanmeldingen komen niet meer in aanmerking. De recipiendae worden na dezen datum door den heer Voorzitter opgeroepen. Zij melden zich aan, voorzien van de nodige stukken hetreffende hun ouderdom of vroegere examens. Brussel, den 17n AUGUSTUS 1917.*
No. 385. - 27. AUGUSTUS 1917.
Bekendmaking.l
Art. 1. In het koninklijk athenaeum te Gent zal voor het jaar 1917 de jury zetelen, ingesteld hij de middelbare meisjesnormaalschool, Nieuwe Boschstraat, om de examens van kandidate-lerares en lerares hij het middelbaar onderwijs van den lageren graad, evenals een grondig examen over de Germaanse talen af te nemen.
Art, II Tot die examens worden ook alle personen toegelaten, die aan de wettelijke voorschriften dienaangaande voldoen, hetzij dat zij zich door privaat onderwijs of in een vrije onderwijsinrichting hebben voorbereid.
Art. III. De examens beginnen op 10 September te 10 u. 's morgens in het koninklijk athenaeum. De recipiendae, die zich daarvoor lieten inschrijven bieden zich zonder verdere oproeping vanwege den Voorzitter op den gestelden datum in het athenaeum aan, voorzien van hun diploma's en getuigschriften.
Art. IV. De personen die zich dit jaar bij de provinciebesturen lieten inschrijven om die examens af te leggen, doch die belet waren dit te doen, mogen zich, zonder nieuwe inschrijvingsrecht te moeten betalen, voor die examens aanmelden. Te dien einde zenden ze hun aanvraag onder dubbelen omslag aan den heer Prefect van het koninklijk atheneum te Gent. De aanvraag wordt in een omslag gesloten waarvan het adres luidt : Aan den heer Voorzitter der Jury belast met het afnemen der examens van kandidate-lerares en lerares bij het middelbaar onderwijs van den lageren graad. Koninklijk Atheneum Gent. Bij die aanvraag moet een aanmeldingsformulier gevoegd worden vermeldende naam en voornamen der recipienda, geboorteplaats en datum, verblijfplaats, opgave der af te leggen examens, inlichtingen over diploma s of getuigschriften en over de werken waarover zij zullen ondervraagd worden.
Art. V. Nieuwe inschrijvingen worden op de provincie' besturen aangenomen tot 5 september, Na dien datum worden geen nieuwe inschrijvingen meer aanvaard. Voor de inschrijvingen wende men zich tot: den heer De Zutter, beambte bij het provinciebestuur Oost-Vlaanderen, voor die provincie ; den heer Axters, beambte bij het provinciebestuur voor West Vlaanderen.
Art. VI. De inschrijvingskosten zijn als volgt vastgesteld : voor het examen van kandidate-lerares 20 fr, voor het examen van lerares 50 fr. De kandidaten, die bij een vroeger examen uitgesteld werden, betalen slechts het vierde, zij die afgewezen werden slechts de helft der kosten. De kosten zijn bij de inschrijving te betalen, Brussel, den 17n AUGUSTUS 1917.*
No. 385. - 27. AUGUSTUS 1917.
MINISTERIE VAN WETENSCHAPPEN EN KUNSTEN. BESTUUR VAN HET MIDDELBAAR ONDERWIJS.
lijst van de leden der jury's belast met het afnemen der toegangs- en overgangsexamens in de Rijks Middelbare normaalscholen en van de proeven voorbereidend tot het examen van kandidaat-leraar en van kandidate-lerares bij het middelbaar onderwijs van den lageren graad.
ZITTING VAN 1917. Jury zetelende in de Rijks middelbare normaalschool te Gent; Voorzitter : Mr. Dr. Habets, opziener van het middelbaar onderwijs, 37 I. Toegangsexamen en eerste voorbereidende proef.
Leden : H.H. RoegierSj bestuurder der normaalschool,
L. Lamhrecht leraar aan de normaalschool.
G. LambrechtSf id. Van Rijn, id.
De SorgheTy id.
Hermanney id. IL
Overgangsexamen van het eerste naar het tweede jaar en 2e voorbereidende proef. H.H. Roegiers, voornoemd
E. H. Van de Velde leraar in den godsdienst aan de normaalschool.
L. Lambrechts voornoemd.
Van Hauwaerty id.
Van Rijn, id.
Daeleman, leraar aan de normaalschool.
De Sorgher, id.
G. LamhrechiSy id.
WijgaertSf id,
Hermanne, id.
Jury zetelende in de middelbare meisjes normaalschool te Brussel Toegangsexamen en overgangsexamen : 1 ste en 2e voorbereidende proeven.
Voorzitter : Mr. Meert algemeen bestuurder van het middelbaar onderwijs.
Leden : Beschikking (voor Vlaanderen).
Art, 1. De jury, die dit jaar belast is tot het afnemen van het examen van leraar en lerares in het tekenen bij het middelhaar onderwijs, is als volgt samengesteld :
Voor namen zie hiervoor.
Art, 2. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur voor Vlaanderen is gemachtigd te zorgen voor de plaatsvervanging van afwezige leden, alsook voor de aanvulling van de jury.
Art. 3. De jury verkiest in haar schoot een secretaris.
Art. 4. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur voor Vlaanderen is belast met de uitvoering van deze beschikking, Brussel, den 25n Augustus 1917,
No. 386. - 30. AUGUSTUS 1917.
Beschikking betreffende de jury's voor het afnemen van het onderwijzers- en onderwijzeressenexamen. De jury s voor het afnemen van het onderwijzersexamen samengesteld bij beschikking Illa 206 van 23 Augustus 1917, zijn vervangen door de hiernavolgende : Voor namen zie hiervoor,
Brussel, den 25n Augustus 1917,
No. 387. - 2. SEPTEMBER 1917.*
Verordening betreffende de ambtelijke taal in Vlaanderen.
Art. I. De Vlaamse taal is het Vlaams bestuursgebied de enige ambtelijke taal van al de overheden, ambtenaren en beambten van den Staat, de provincies en de gemeenten, evenals van dezer inrichtingen en instellingen, — de scholen en onderwijsgestichten, alsook het onderwijzend personeel er bij begrepen. Voor de rechterlijke overheden gelden voorshands nog de bestaande bepalingen. De bepalingen op de voertaal van het onderwijs in de scholen en gestichten blijven eveneens in hun vollen omvang van kracht.
Art. II. De bepaling van artikel 1 geldt voor den inwendige dienst, voor de onderlinge dienstbetrekkingen en de dienstbetrekkingen met Wallonië van de overheden, ambtenaren en beambten in artikel I vermeld, voor hun mondelinge en schriftelijke betrekkingen met het publiek en voor de openbare mededelingen, bekendmakingen en opschriften.
Art. III. Centrale staatsoverheden, wier ambtsgebied op dit ogenblik ook nog het Waals bestuursgebied omvat, mogen de aangelegenheden, die op het Waals bestuursgebied betrekking hebben, in de Franse taal behandelen.
Art. IV. In de gemeenten Anderlecht-Kuregem, Brussel, Elsene, Etterbeek, Sint-Gillis, Sint-Pieters-Jette, Sint- Joost-ten-Noode, Koekelberg, Laken, Sint-Jans-Molenbeek, Schaarbeek, Ukkel en Vorst mogen de betrekkingen met bijzondere ook in de Franse taal gevoerd worden, indien de belanghebbenden zelf deze taal gebruikt hebben. In voormelde gemeenten mag eveneens een Franse vertaling gevoegd worden bij de openbare mededelingen, bekendmakingen en opschriften.l
Art. V. De bepalingen van deze Verordening zijn dienovereenkomstig van toepassing op het Departement van Uitgifte van de Societé Generale de Belgique op de Nationale Bank van België, op de Algemene Spaar- en lijfrentekas op de nationale Maatschappij der waterleidingen, alsook op de tram- en buurtspoorwegmaatschappijen, op de openbare inrichtingen voor de levering van licht en drijfkracht, op de instellingen van openbare weldadigheid en volkswelvaart en op alle andere inrichtingen, instellingen, maatschappen en personen, die een openbaren dienst waarnemen.
Art. VI. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur voor Vlaanderen {Verwaltungschef fur Flandern) zal de nodige bepalingen uitvaardigen met het oog op de uitvoering van deze Verordening ; hij is bevoegd voor een overgangstijdperk uitzonderingen toe te staan. Hij kan de Voorzitters van het burgerlijk bestuur {Pràsidenten der Zivilverwaltung) met deze bevoegdheid bekleden. De bestuurder van de afdeling van Financien (Leiter der Finalzahteihing), de bestuurder van de afdeling voor handel en nijverheid {Leiter der Abteilung fur Handel und Gewerbe) bij den Generalgouverneur in België en de Kommissaris- Generaal voor de banken {Generalkommissàr fur die Banken) zijn bevoegd, in gemeen overleg met het Hoofd van het burgerlijk bestuur voor Vlaanderen, uitvoeringsbepalingen uit te vaardigen en uitzonderingen toe te staan voor de overheden en instellingen, waarover zij toezicht hebben uit te oefenen. In het operatiegebied zullen de betrokken Voorzitters van het burgerlijk bestuur de nodige uitvoeringsbepalingen uitvaardigen ; zij zijn eveneens bevoegd voor een overgangstijdperk uitzonderingen toe te staan.
Art. VII, Al de bepalingen, die met deze Verordening in strijd zijn, worden hierbij opgeheven.
Brussel, den 9n Augusius 1917.
No. 387. - 2. SEPTEMBER 1917.*
Verordening. Ter wijziging van de verordening van 1 februari (Wet en Verordeningsblad bl. 3393) en 30 Mei 1917 {Wet-en Verordeningsblad, bl. 3814), betreffende verlening van buitengewone duurtetoeslagen aan de staatsbedienden en loontrekkende aangestelden van den Staat, bepaal ik voor het Vlaams en het Waals bestuurlijk gebied het navolgende :
Art. 1. De tot 30 juni 1917 verleende buitengewone duurtetoeslagen worden met ingang van 1 Juli 1917, naar maatstaf van de volgende regelen, verder toegekend : Voor de maanden Juli en Augustus 1917, worden dezelfde toeslagen verleend als bij artikel 1 van de verordening van 30 Mei 1917 is vastgesteld. Van 1 September 1917 af worden deze toeslagen verhoogd als volgt :
van 12 frank op 18 frank
van 18 frank op 27 frank
van 22 frank op 33 frank
van 4 frank op 6 frank
Art. 2. Artikel 3, § 2, van de verordening van 1 februari 1917 ondergaat, te rekenen van 1 September 1917 zodanige wijziging, dat de hoogste wedde : voor de eerste groep 2500 frank in plaats van 1800 frank, voor de tweede en de derde groep 3000 frank in plaats van 2500 frank zal bedragen.l
Art. 3. Artikel 4, § 1, van de verordening van 1 februari 1917, wordt te rekenen van 1 September 1917 derwijze gewijzigd dat, in plaats van de kinderen tot hun voleindigd 18 de levensjaar, al de kinderen in aanmerking komen, waarvan het onderhoud uitsluitend ten laste van de ouders valt.
Art. 4. De duurtetoeslagen moeten iedere maand vooraf worden betaald.
Art. 5. De uitgaven voor de beambten en loontrekkende aangestelden, die bij een van de in artikel 1 der verordening van 1 februari 1917, onder a, b en c vermelde overheden werkzaam zijn, worden bestreden uit de kredieten, die voor het Vlaams bestuurlijk gebied onder artikel 37 van de bijlage tot de begroting van het ministerie van Financiën voor de tweede helft van het dienstjaar 1917 en, voor het Waals bestuurlijk gebied, onder artikel 35 van de begroting van het ministerie van Financiën voor de tweede helft van het dienstjaar 1917 geopend zijn. De uitgaven voor de beambten en loontrekkende aangestelden, die bij het ministerie van Zeewezen, Posterijen en Telegrafen of in den postdienst werkzaam zijn (artikel 1, letter d van de Verordening van 1 februari 1917) worden opgenomen onder de uitgaven van het Duits beheer van Posterijen en Telegrafen, Brussel, den 23 n Augustus 1917.
No. 387. - 2. SEPTEMBER 1917.*
Verordening. ** Enig Artikel. De bepalingen van de verordening van 5 Met 1917, betreffende fruit en groenten {Wet- en Verordeningsblad, bl. 3731) zijn, zover zij betrekking hebben op het vervoer van groenten, hierbij opgeheven.
Brussel, den 23 Augustus 1917,
No. 387. - 2. SEPTEMBER 1917.
Bekendmaking
Met toestemming van den heer Generaalgouverneur in België, heb ik, overeenkomstig de Verordening van 17 februari 1915 {Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, Nr, 41 van 20 februari 1915), het bijhuis van de Credit Lyonnais te Givet onder dwangbeheer geplaatst. Ik heb den heer Berthold Kaufmann te Brussel tot dwangbeheerder benoemd,
Brussel den 28n Augustus 1917,
No. 387. - 2. SEPTEMBER 1917.*
Beschikking
Enig artikel. De beschikking C. C. Illb 2494 van 7 Juli 1917, betreffende de samenstelling van de jury s, die gelast zijn in de aan de Staatsuniversiteit te Gent toegevoegde Hogere School voor Handelswetenschap, gedurende het studiejaar 191611917 over te gaan tot het afnemen van de toegangsexamens en van de examens tot het bekomen van den graad van licentiaat in de handelswetenschap blijft voor het studiejaar 1917/1918 van kracht.
Brussel den 29 Augustus 1917.
No. 387. - 2. SEPTEMBER 1917.*
Beschikking
Enig artikel. De beschikking C. C, Illh 2493 van 7 Juli 1917, betreffende de samenstelling van de jury's, die gelast zijn in de aan de Staatsuniversiteit te Gent toegevoegde Hogere Land en Tuinbouwschool gedurende het studiejaar 1916/1917 over te gaan tot het afnemen van de toegangsexamens en van de examens tot het bekomen van den graad van landbouwingenieur of tuinbouwingenieur blijft voor het studiejaar 1917/1918 van kracht.
Brussel, den 29 Augustus 1917
No. 388. - 4. SEPTEMBER 1917.*
STAATSUNIVERSITEIT TE GENT.
Bekendmaking. In den loop der maand oktober a. s. zal een zitting geopend worden ter afneming van examens tot het bekomen der wettelijke en academische graden. Dag en uur waarop de examens zullen gehouden worden, zullen wij later bekend geven. Men kan zich laten inschrijven op het Secretariaat der Hogeschool {Lange Meire), van 1 tot 15 September, alle werkdagen van 11 tot 12 uur. Inschrijvingen per brief worden aanvaard, indien men bij de aanvraag het bedrag der inschrijving voegt. Gent, den 21 Augustus 1917.
No. 388. - 4. SEPTEMBER 1917.*
Verordening betreffende het reizen (voor het ganse gebied van het Generalgouvernement) .
De beperking van het verkeer voorzien bij verordening van 1 Mei 1917y G. G, lld 3514J1, is hierbij opgeheven,
Voortaan mag men weer uit de gedeelten van het arrondissement Doornik die tot het Generalgouvernement behoren en bij Peruwelz en Leuze, gelegen zijn, uit de arrondissementen Ath, Zinnik, Thuin, Philippeville{met uitzondering van de gebieden Givet en Fumay), uit het gedeelte van het arrondissement Dinant, dat bezuiden de spoorlijn Sasoye— Yvoir—Leignon—grenst tussen de arrondissementen Dinant en Marche gelegen is, alsook uit het arrondissement Neufchateau en uit het tot het etappengebied behorend arrondissement Bergen naar het overige gebied van het Generalgouvemement en omgekeerd zonder reisverlof (Verkehrsschein) reizen zoals dat in den vroegeren omvang toegelaten was {d. i, met andere middelen van verkeer dan met motorrijtuigen en rijwielen),
Ook mag men onder dezelfde voorwaarden zonder reispas (Passierschein) naar het tot het etappengebied behorend arrondissement Bergen reizen. Wie zich evenwel voorgoed naar dit gebied wenst te begeven (verhuizen), moet in het bezit zijn van een pas, Bovendien mag men niet per spoorweg reizen uit het gebied waar geen pasdwang bestaat naar de spoorwegstaties Bertrix Orgeo Ardoisieres Mortehan en Herbeumont, gelegen op de spoorlijn van Bertrix naar Herbeumont (arrondissement Neufchateau  of van uit deze staties naar het gebied waar geen pasdwang bestaat, zonder in het bezit te zijn van een pas, Brussel den 28 Augustus 1917, G, G, lld 8394/1. 
No. 389. - 7. SEPTEMBER 1917.*
Beschikking betreffende de jury die in het jaar 1917 belast zijn met het afnemen van de examens van kandidaat-leraar en kandidaat-lerares en van leraar en lerares bij het middelbaar onderwijs van den lageren graad, alsook van de grondige examens over de Germaanse talen, in de Rijks middelbare normaalscholen te Gent en te Brussel.
Art. 1, De in bijgaande lijst vermelde personen zijn benoemd tot leden van de jury' s die in het jaar 1917 belast zijn met het afnemen van de examens van kandidaat-leraar en kandidaat-lerares en van leraar en lerares bij het middelbaar onderwijs van den lageren graad, alsook van de grondige examens over de Germaanse talen in de Rijks middelbare normaalscholen te Gent en te Brussel.
Art. 2. De voorzitters van de jury's stellen het tijdstip vast waarop de examens zullen beginnen ; zij duiden onder de leden van de jury een secretaris aan en roepen de kandidaten en de leden van de jury op. De bestuurder, de bestuurster en de leraar in den godsdienst van ieder onderwijsgesticht, waarvoor een jury samengesteld wordt, maakt hiervan deel uit. De bestuurder en de bestuurster hebben slechts dan recht op examengelden, wanneer zij aan hun gesticht onderwijs geven en aan de werkzaamheden der examens deelnemen. De leraar in den godsdienst heeft recht op vergoeding voor iedere kandidaat, die hij in zijn vak onderzoekt. Voor het examen in het tekenen kan de jury de hulp inroepen van den leraar in dat vak aan het gesticht.
Art. 3. De voorzitters zijn gemachtigd, net werk onder de leden van de jury te verdelen.
Art. 4. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur voor Vlaanderen (Verwaltungschef fur Flandern ) zorgt voor de vervanging van de leden der jury, die verhinderd zijn.
Art. 5. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur voor Vlaanderen is belast met de uitvoering van deze beschikking. Brussel, den Sln Augustus 1917,
Bijlage tot de beschikking V. F. 111a 187. lijst van de leden der jury's die belast zijn met het afnemen van de examens van kandidaat-leraar en kandidaatslerares en van leraar en lerares hij het middelhaar onderwijs, alsook van de grondige examens over de Germaanse talen, in de Rijks middelbare normaalscholen te Gent en te Brussel. Voor namen zie hieronder Duitse tekst.
No. 389. - 7. SEPTEMBER 1917.*
PRUFUNGSAUSSCHUSS, DER IN DER STAATLICHEN KNABENMITTELN0RMALSCHULE IN GENT TAGT:
Vorsitzender : Habets, Inspektor des mittleren Unterrichts.
Mitglieder : Priifang fiir Kan did a t-0 be r lehr er. A. KandidateUf die zur AhieUung fiir germanische Spra chen gehoren : L. Lambrechts, Oberlehrer an der Mittelnormalschule. Van Ryn, Oberlehrer an der Mittelnormalschule. Van Hauwaert, Oberlehrer an der Mittelnormalschule. De Sorgher, Oberlehrer an der Mittelnormalschule. Daeleman, Oberlehrer an der Mittebiormalschule. Vlaemynck, Professer an der Hochschule Gent.
B. Kandidaten, die nicht zur Ahteilung fur germanische Sprachen gehoren : L. Lambrecht. Van Ryn oder Van Hauwaert. De Sorgher. Daeleman. G. Lambrechts, Oberlehrer an der Normalschule. Wygaerts, Oberlehrer an der Normalschule. Vlaemynck. De Vaere, Oberlehrer am Athenaum Gent. Priifung fur Oberlehrer. A. Literarische Ahteilung, L. Lambrechts Van Hauwaert. Van Ryn. Daeleman. De Sorgher. Vlaemynck. B. Wissenschaftliclie Ahteilung. L. Lambrechts. Van Ryn. Daeleman. G. Lambrechts. Hermanne. Wygaerts. De Sorgher. De Vaere.
C. Ahteilung fiir germanische Sprachen. L. Lambrechts. Van Ryn. Van Hauwaert. Daeleman.
PRUFUNGSAUSSCHUSS, DER IN DER STAATLICHEN MADCHEN- MITTELNORMALSCHULE IN BRUSSEL TAGT
Vorsitzender : Meert, Generaldirektor des mittleren Unterrichts. Prûfung fur Kandidat-Lehrerin und L eh r e r i n:
Mitglieder : Paul Vrydaghs, Oberlehrer am Athenàum Lûttich. Houben, Oberlehrer an der Mittelnormalschule, De Decker, Oberlehrer an der Mittehiormalschule. Verwaest, Oberlehrer an der Mittehiormalschule. Lams, Oberlehrer an der Mittelnormalschule. Buyckx, Oberlehrer an der Mittelnormalschule. De Guchtenaere, R., Oberlehrerin an der Màdcheu-Normalschule. De Wever, Oberlehrerin an den Màdchen-Normalschule. Van Driessche, Oberlehrerin an der Màdchen-Normalschule.
No. 389. - 7. SEPTEMBER 1917.*
Verordening voor Vlaanderen en voor Wallonië.
1. Met het oog op de verdeling van de steenkolen, die voor het huiselijk verbruik beschikhaar zijn, wordt een toebedelingskantoor (Landesverteilungsstelle) voor Vlaanderen en een voor Wallonië opgericht ; beide kantoren staan onder de ambtsbevoegdheid van de Hoofden van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschefs).
2. De Kolencentrale te Brussel zal de steenkolen, die voor het huiselijk verbruik beschikbaar zijn, aan de toebedelingskantoren leveren.
3. De Hoofden van het burgerlijk bestuur zullen de nodige uitvoeringsbepalingen uitvaardigen, Brussel, den In September 1917-
No. 392. - 15. SEPTEMBER 1917.*
Verordening betreffende de borgstellingen van onderdanen van het Duitse Rijk of van een met het Duitse Rijk verbonden Staat.
Enig artikel. De bestuurder van de afdeling van Financiën (Leider der Finamabteilung) bij den Generalgouvernememt kan de terugbetaling bevelen van borgstellingen, die voor rekening van den Belgische Staat gestort werden door onderdanen van het Duitse Rijk of van een met het Duitse Rijk verbonden Staat, bijaldien naar zijn oordeel aan de door den rechthebbende op zich genomen verplichting is voldaan, of, bijaldien het ten gevolge van den oorlog onmogelijk is geworden, de door de borgstelling gedekte verbintenis in haar geheel of ten dele na te komen. Andersluidende bepalingen, inzonderheid artikel 195 van het koninklijk besluit van 10 cecember 1868, zijn hierop niet toepasselijk.
Brussel, den 31n AUGUSTUS 1917.*
No. 392. - 15. SEPTEMBER 1917.*
Bekendmaking betreffende de verlenging van den termijn van indiening der aangiften van het roerend vermogen, welke op het belastingjaar 1911 betrekking hebben (voor Vlaanderen en Wallonië).
Op grond van artikel 71 der verordening van 29 Jul 1917, waarbij een belasting op het roerend vermogen wordt gevestigd (Wet- en Verordeningsblad nr. 376, bladz. 4249 en volg.), verleng ik bij deze tot den 31 october 1917, voor het bezette gedeelte van België, dat van het Gouvernement- Generaal afhangt, den termijn voor het belastingjaar 1917, bij het eerste lid van artikel 67 vastgesteld voor het indienen der bij hoger bedoelde verordening voorgeschreven aangiften. Met afwijking van het tweede lid van artikel 67, wordt de hij artikel 46 der verordening voorgeschreven bekendmaking voor het belastingjaar 1917 in den loop van de maand September 1917 gedaan. Brussel, den 5 September 191
No. 392. - 15. SEPTEMBER 1917.*
Bekendmaking betreffend de liquidatie van Franse ondernemingen. Met toestemming van den heer Generaalgouverneur in België heb ik, overeenkomstig de verordeningen van 29 augustus 1916 en van 15 april 1917, over de liquidaties van vijandelijke ondernemingen (Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, Nr, 263 van 13 september 1916 en Nr. 336 van 19 april 1917, de liquidatie bevolen van het in België voorhanden zijnde vermogen van de firma S A. du Cafe Soluble „Belna". Jamarlaan 29, te Brussel, De heer J. Welker, Krijgsschool te Brussel, is tot liquidator benoemd. De liquidator verstrekt nadere inlichtingen. Brussel, den 7 September 1917»
No. 392. - 15. september 1917.*
Bekendmaking betreffende de liquidatie van Franse ondernemingen. Met toestemming van den heer Generalgouvemeur in België, heb ik, overeenkomstig de verordeningen van 29 augustus 1916 en van 15 april 1917 over de liquidaties van vijandelijke ondernemingen {Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België Nr, 263 van 13 September 1916 en Nr. 335 van 19 April 1917), de liquidatie bevolen van het in België voorhanden zijnde vermogen van de firma A, Catteaux et R. Guelton, Masuistraat 220, te Brussel. De heer eerste-luitenant Coeler, Krijgsschool te Brussel, is tot liquidator benoemd. De liquidator verstrekt nadere irislichtingen, Brussel, 7 September 1917,
No. 392. - 15. SEPTEMBER 1917.*
Verordening *** betreffende de benuttiging van de aardappelen.
Art. 1. De binnen Het gebied van het Generaalgouvemment verbouwde aardappelen worden aan den vrijen handel onttrokken en overeenkomstig de hiernavolgende bepalingen ten bate van de voeding der burgerlijke bevolking van België gebruikt. De Hoofden van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschefs) voor Vlaanderen en voor Wallonië zijn gerechtigd, in uitvoering van deze verordening door tussenkomst van het Aardappelbevoorradingskantoor {Kartoffelversorgungsstelle) te Brussel, {als onder hun ambtsbevoegdheid staande dienst), over de aardappelen te beschikken.l
Art. 2. Het is verboden : 1. aardappelen aan vee te vervoederen ; 2. aardappelen te gebruiken voor nijverheids- of beroepsdoeleinden, alsook voortbrengselen, die uit inlandse aardappelen vervaardigd zijn te kopen of te verkopen ; 3. als plantgoed of voor de eigen voeding groter hoeveelheden aardappelen te gebruiken, dan met toestemming van de Hoofden van het burgerlijk bestuur voor Vlaanderen en voor Wallonië geoorloofd is ; 4. aardappelen te kopen, te verkopen of er anderszins over te beschikken, zover de bepalingen van deze verordening zulks niet toelaten ; 5. aardappelen te vervoeren zonder toelating.l
Art. 3. Bijaldien de aardappeloogst van een gemeente toelaat te voorzien in de behoefte van de verbruikers, worden de nodige hoeveelheden aardappelen bij de verbouwers van de gemeente door tussenkomst van den burgemeester opgekocht en aan de verbruikers geleverd. De burgemeester verleent de vervoertoelating door de aflevering van geleibrieven.
Art. 4. Bijaldien de verbruikers van een gemeente de nodige hoeveelheden aardappelen betrekken uit een naburige gemeente van hetzelfde arrondissement en ze per as kunnen laten komen, geschiedt de aankoop in deze naburige gemeenten, alsook de levering aan de verbruikers, door tussenkomst van den burgerlijke Kommissaris (Zivilkommissar). Deze verleent de vervoertoelating binnen het arrondissement door de aflevering van geleibrieven.l
Art. 5. Bijaldien de verbruikers van een arrondissement niet in hun behoefte kunnen voorzien overeenkomstig artikel 3 en 4 (verbruiks-arrondissementen), worden de ontbrekende hoeveelheden aardappelen in de gemeenten van zulke arrondissementen, waar de aardappel verbouwde behoefte van het arrondissement overtreft {leverend arrondissement) opgekocht door tussenkomst van het Aardappel bevoorradingskantoor. Dit kantoor verleent de vervoertoelating door de aflevering van geleibrieven of door de afstempeling van vrachtbrieven. De verbruiksgemeenten geven hij den bevoegden burgelijke Kommissaris op, welke hoeveelheden aardappelen zij nodig hebben. Zij hebben bij de opgave rekening te houden met de rantsoenen, die de Hoofden van het burgerlijk bestuur voor Vlaanderen en voor Wallonië zullen vaststellen Het Aardappelbevoorradingskantoor gelast de leverende arrondissementen te zorgen voor de opgegeven benodigde hoeveelheden aardappelen. De burgerlijke Kommissaris zal bepalen welke hoeveelheden de gemeenten van het leverend arrondissement en ieder landbouwer persoonlijk te leveren hebben.l
Art. 6. Elke landbouwer is gehouden de hem opgelegde verplichting om aardappelen te leveren {artikel 5) na te komen, zover hij niet bewijst dat hij daartoe, zonder er schuld aan te hebben, niet in staat is. De gemeente is er verantwoordelijk voor, dat al de voorgeschreven hoeveelheden aardappelen afgeleverd worden. Het Aardappelbevoorradingskantoor en de door haar gemachtigde kantoren zijn gerechtigd, al de schikkingen te treffen die voor den aankoop, de aflevering en de berging nodig zijn. Zij hebben eveneens het recht, van ambtswege de landbouwers of gemeenten, die hun verplichting tot aflevering niet nakomen, een bedrag van 1 tot 10 mark te doen betalen voor elk ontbrekend kilogram. De personen, die daartoe van het Aardappelbevoorradingskantoor machtiging hebben verkregen, hebben het recht al de gronden en lokalen van personen die aan de leveringsverplichting onderworpen zijn te betreden, alsook de voorhanden voorraden aan aardappelen te wegen en vast te stellen.
Art. 7. De Hoofden van het burgerlijk bestuur voor Vlaanderen en voor Wallonië stellen den prijs vast, dien de verbruiksgemeenten aan de verbouwers voor de geleverde aardappelen te betalen hebben, Voor aardappelen van den zelfden oogst mag de eerste vastgestelde prijs niet verhoogd wel echter verlaagd worden. De gemeenten hebben het recht, hij den verkoop aan de verbruikers een passende bijslag te doen betalen.l
Art. 8. De verbruiksgemeenten en de leverende gemeenten zijn verplicht, op uitnodiging van het Aardappel bevoorradingskantoor de vereiste bergplaatsen voor de door de verbouwers geleverde aardappelen in onberispeleken toestand beschikbaar te stellen. De gemeenten zijn gerechtigd, te dien einde binnen hun ambtsgebied op zekere bergplaatsen beslag te leggen. Bijaldien geen overeenkomst tot stand komt stelt de burgerlijke Kommissaris de daarvoor te betalen vergoeding vast.
Art, 9. Voor het slechten van alle betwistingen betreffende de levering van aardappelen, wordt een scheidsgerecht opgericht dat daartoe uitsluitend bevoegd zal zijn. De Hoofden van het burgerlijk bestuur voor Vlaanderen en voor Wallonië zullen de bepalingen betreffende het oprichten van het scheidsgerecht uitvaardigt.
Art. 10, Wie de bepalingen van deze verordening of van de ter uitvoering daarvan uitgevaardigde schikkingen of aanwijzingen overtreedt, wordt met hechtenis of met ten hoogste een jaar gevangenis of met ten hoogste 10.000 mark boete gestraft ; beide straffen kunnen ook te gelijk worden uitgesproken. De poging tot overtreden is strafbaar. De aardappelen, waarmede de strafbare handeling bedreven werd kunnen, evenals het materiaal en de gereedschappen, die voor de verpakking of voor het vervoer verbeurd verklaard worden. De krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd. De aardappelen, die op den door de bevoegde kantoren vastgestelde tijd niet geleverd zijn, kunnen door den burgerlijken Kommissaris zonder schadeloosstelling verbeurd verklaard en door het Aardappelbevoorradingskantoor ter beschikking van de bevolking gesteld worden. Dit geldt ook voor de voorraden aan aardappelen, die bestemd waren voor het eigen verbruik van de verbouwers en van hun huisgezin.
Art, 11. De verordeningen v<in 28 September 1915 over den handel in aardappelen ; van 5 december 1915 over het opnemen van de voorraden ; van 17 Januari 1916 over de regeling van de voorziening met aardappelen, evenals de uitvoeringsbepalingen daartoe van dezelfde datum ; van 26 Januari over het beperken van het vervoederen ; de verordening van dezelfde dag betreffende de hoogste prijzen van aardappelen ; de bekendmaking van 26 Februari 1916 betreffende het opnemen van de aardappelvoorraden ; de verordening van dezelfde dag over het gebruik van de aardappelen ; de bekendmaking van 6 Mei 1916 betreffende den nieuwen termijn voor de aangifte van de aardappelvoorraden ; de verordening van 16 Augustus 1916 betreffende de opneming en de behandeling der opbrengst van den aard appeloogst ; de verordeningen van 19 Oktober en van 29 Oktober 1916 over het vervoederen van aardappelen, alsook de verordening van 29 November 1916 betreffende de regeling van de aardappelbevoorrading zijn hierbij opgeheven. De strafbare handelingen, begaan voor de uitvaardiging van deze verordening, vallen onder de bepalingen van de vroegere verordeningen.
 Art. 12. De Hoofden van het burgerlijk bestuur voor Vlaanderen en voor Wallonië zullen de uitvoeringsbepalingen tot deze verordening uitvaardigen. Antwerpen, den 8n September 1917.
No. 393. - 18. SEPTEMBER 1917.*
Op grand van artikel 3, 4e lid der verordening van 29 Augustus 1916 van den Heer Generalgouvemeur, betreffende de liquidatie van Britse ondernemingen worden de acties aan toonder van de Soc. An. Depot General des Produits Liebig, te Antwerpen, die een der nummers 1—755 761—850 856—945 dragen, hierbij, met toestemming van de Afdeling voor handel en nijverheid {Abteilung fur Handel und Gewerbe) te Brussel, ongeldig verklaard. Tevens is bepaald geworden, dat bedoelde vennootschap nieuwe acties in de plaats van de ongeldig verklaarde acties moet uitgeven. Antwerpen, den 6n September 1917,
No. 393. - 18. september 1917.*
Beschikking betreffende de voertaal van het onderwijs in de lagere gemeentescholen en in de aangenomen en aanneembare lagere scholen. Krachtens de verordening van gisteren van den heer Generaalgouverneur over het gebruik van de Vlaamse taal, zijn de gemeenten Orroir, Amougies en Rozenaken {provincie Oost-Vlaanderen), ter wijziging van de beschikking van 29 April 1916 (Wet- en Verordeningsblad, hl. 2089) van de lijst der op de taalgrens gelegen gemeenten geschrapt. Zij behoren voortaan tot het Vlaams gedeelte van het land in den zin der beschikking van 22 April 1916 (Wet- en Verordeningsblad hl. 2056).
Brussel den 9n Septemher 1917.
No. 393. - 18. september 1917.*
Bekendmaking betreffende de liquidatie van Britse ondernemingen.
Met toestemming van den heer Generaalgouverneur in België, heb ik, overeenkomstig de verordening van 29 augustus 1916 over de liquidaties van Britse ondernemingen (verschenen in nr. 253 van 13 September 1916 van het Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België) de liquidatie bevolen van het in België voorhanden zijnde vermogen van de firma Manfield en Sons, Northampton De Heer Karl Thieme, Krijgsschool te Brussel, is tot liquidator benoemd. De liquidator verstrekt nadere inlichtingen.
Brussel, den 1 september 1917.
No. 394. - 20. SEPTEMBER 1917.*
Verordening voor de bezette streken van België, betreffende het verbod van betaling tegenover de Verenigde Staten van Amerika.
Enig Artikel. De voorschriften van de verordening van 3 november 1914, betreffende het verbod van betaling tegenover Engeland en Frankrijk, gewijzigd bij de verordening van 12 Augustus 1915 {Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, nrs 10 en 109 — voor het gebied van het IVe leger van kracht verklaard bij de verordeningen van 22 Juli 1915 en 11 September 1915 van den Opperbevelhebber van dat leger), worden bij wijze van vergelding ook toepasselijk gemaakt op de Verenigde Staten van Amerika. De toepassing is aan volgende beperking onderworpen :
1) Voor de vraag, of het verbod van betaling en de schorsing tegenover den overnemer geldt of niet {artikel 2, 2e lid, van de verordening van 3 november 1914), komt niet de woonplaats of de zetel van den overnemer in aanmerking, maar enkel en alleen het feit of de overneming na of voor 6 April 1917 heeft plaats gehad,
2) De aanduidingen omtrent de tijdsbepaling van het van kracht worden der verordening van 3 november 1914 worden vervangen door de tijdsbepaling van het in werking treden dezer Verordening
No. 394. - 20. SEPTEMBER 1917.*
Bekendmaking betreffend de liquidatie van Franse ondernemingen. Met toestemming van den heer Generaalgouverneur in België, heb ik, overeenkomstig de verordeningen van 29 Augustus 1916 en van 15 April 1917, over de liquidaties van vijandelijke ondernemingen (Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, nr 253 van 13 September 1916 en nr 335 van 19 April 1917), de liquidatie bevolen van het in België voorhanden zijnde vermogen van de firma Jules Sinquin te Brussel. De heer J. Welker, Krijgsschool te Brussel, is tot liquidator benoemd. De liquidator verstrekt nadere inlichtingen.
Brussel, den 19 September 1917,
No. 394. - 20. SEPTEMBER 1917.*
Uitvoeringsverordening *** tot de verordening van 8 September 1917, betreffende de benutting van de aardappelen.
Ter uitvoering van de verordening van 8 September 1917 van den heer Generaalgouverneur betreffende de benutting van de aardappelen, wordt het navolgende bepaald:
Art, 1, De aan de landbouwers te betalen prijs is vastgesteld op 20 frank de 100 kgr. Deze prijs geldt voor aardappelen van goede hoedanigheid, vrij in de spoorwegstatie geleverd,
Art. 2. Het aardappelrantsoen wordt, naar maatstaf van de bestaande voorraden, tot nader bericht vastgesteld op 190 gr. per kop en per dag. De verbruiksgemeenten moeten, overeenkomstig artikel 5, 2e lid, van de verordening betreffende de benutting van de aardappelen, voor hun opgave van de benodigde hoeveelheid aardappelen rekening houden met dit rantsoen. Het vastgesteld rantsoen geldt eveneens voor het eigen verbruik van den verbouwer.
Art. 3. De landbouwers mogen 2000 kgr. plantgoed per hektaar overhouden voor hun nieuwe planseizoen  
Brussel, den 13 September 1917.
No. 395. - 23. SEPTEMBER 1917.*
Bij besluit van 31 Augustus 1917 van den heer Generalgouverneur in België is de heer Karl Jozef Martin, Belgisch postontvanger derde klasse, te Nameche, op eigen verzoek uit zijn ambt ontslagen ; hij is gemachtigd zijn aanspraak op pensioen te doen gelden,
No. 395. - 23. SEPTEMBER 1917.*
Verordening betreffende het vormen van twee Belgische Ministeries van Zeewezen, Posterijen en Telegrafen. Ter uitvoering van de verordening van 21 maart 1917, betreffende de indeling van België in twee bestuursgebieden (Wet' en Verordeningsblad bl, 3457), verorden ik het navolgende :
Art. 1, Het Belgisch beheer van Posterijen wordt, met ingang van 1 januari 1918, voor elk der beide bestuursgebieden van België gesplitst in een Vlaams en een Waals beheer, het eerste te Brussel, het tweede te Namen. De Belgische beheren van Zeewezen en van Telegrafen, die thans hun ambtsbezigheden niet verrichten, blijven voorlopig uitsluitend in handen van het keizerlijk Duits beheer van Posterijen en Telegrafen.
Art. 3. De dienst van de Kas van weduwen en wezen blijft voorlopig gemeenschappelijk voor de beide bestuursgebieden, onder de leiding van het ministerie te Brussel.
Art. 4. Ter uitvoering van de verordeningen van 21 maart 1917 en van 13 april 1917 {Wet- en Verordeningsblad, bl. 3457 en 3597), wordt de tweede postomschrijving afgeschaft ; de eerste postomschrijving omvat de provincie Brabant (arrondissementen Brussel en Leuven); de overige postomschrijvingen van het Vlaamse land hebben dezelfde grenzen als de provincies.
Art. 5. Het keizerlijk Duits beheer van Posterijen en Telegrafen in België is belast met de uitvoering van deze Brussel den 13n september 1917.
No. 395. - 23. SEPTEMBER 1917.*
Bekendmaking betreffend de liquidatie van Franse ondernemingen. Met toestemming van den heer Generalgouvemeur in België heb ik, overeenkomstig de verordeningen van 29 Augustus 1916 en van 15 April 1917, over de liquidatie van vijandelijke ondernemingen {Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, Nr 263 van 13 September 1916 en Nr. 335 van 19 April 1917, de liquidatie bevolen van het in België voorhanden zijnde vermogen van defirma Societe des Agglomeres Cuivreux, te Parijs. De heer Dr. Ochwadt, Meir 14 te Antwerpen, is tot liquidator benoemd. De liquidator verstrekt nadere inlichtingen. Brussel, den 19 September 1917,
No. 396. - 26. SEPTEMBER 1917.*
Verordening. Ter verwijzing van het koninklijk besluit van 28 Februari 1914, is de jaarwedde van de opzienster van het handwerk en de huishoudkunde in het Vlaams bestuursgebied vastgesteld als volgt: Aanvangswedde 3500 frank. Na 3 jaar dienst 4000 „ Na 6 jaar dienst 4500 „ Na 9 jaar dienst 5000 „ Na 12 jaar dienst 5500 „ Na verdere drie jaar dienst kan de maximumwedde met 500 frank worden verhoogd. Brussel, den 21n Juli 1917,
No. 396. - 26. SEPTEMBER 1917.*
Verordening betreffende het opzicht van het onderwijs in het tekenen en in de muziek, alsook van het handwerk. Het opzicht van het onderwijs in het tekenen, in de muziek, alsook in het handwerk en de huishoudkunde bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 31 december 1902, is afzonderlijk ingesteld voor het Vlaams en voor het Waals bestuursgebied, Brussel, den 21n Jvii 1917.
 No. 396. - 26. SEPTEMBER 1917.*
Beschikking. op grond van mijn verordening, met dagtekening van heden, is de bevoegdheid van den heer opziener van het onderwijs in het tekenen Montfort, van den heer opziener van het muziekonderwijs De Loose en van mevrouw de opzienster van het onderwijs in Het handwerk en de huishoudkunde van Hoof Ria beperkt tot het Waals bestuursgebied. Voor het Vlaams hestuursgebied zijn benoemd :

1) de heer Adolf De Waele, onderwijzer, tot opziener van het onderwijs in het tekenen en den handenarbeid aan de Rijks middelbare onderwijsinrichtingen, aan de Rijks lagere normaalscholen en aan de aangenomen lagere normaalscholen ;

2) de heer A. Moortgat, kapelmeester te Halle, tot opziener van het muziekonderwijs aan de onderwijsinrichiingen voornoemd ;
3) mevrouw S Ondervorst-Verhuyck, lerares, onder toekenning van de wedde voor den tweeden dienstouderdomsrang {4000 frank), tot opzienster van het onderwijs in liet handwerk en de huishoudkunde aan de Rijks middelbare meisjesscholen en de door het Rijk ondersteunde middelbare gemeentemeisjesscholen. Brussel, den 2In Juli 1917,
No. 396. - 26. SEPTEMBER 1917.*
Beschikking. Op grond van de verordening van 5 Mei 1917 {Wet- en Verordeningsblad hl. 3671), benoem ik Dr. A. Baccaert, opsteller aan het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten, tot afdelingsoverste aan voornoemd ministerie. Brussel, den 30n Augustus 1917,
No. 396. - 26. SEPTEMBER 1917.*
Verordening betreffende het verrichten van de ambtsbezigheden van den verbeteringsraad voor het middelbaar onderwijs in het Waalse bestuursgebied. Enig Artikel. De ambtsbezigheden die de verbeteringsraad voor het middelhaar onderwijs in het Waals bestuursgebied krachtens de wet te verrichten heeft, zullen, totdat deze verbeteringsraad is samengesteld, uitgeoefend worden door het Hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschef) voor Wallonië. Brussel, den 18n September 1917,
No. 396. - 26. SEPTEMBER 1917.*
Verordening *** houdende regeling van den handel in eikels, kastanjes en beukenootjes.
Art 1, Voor het vervoer per spoort, per schip of per as van eikels, kastanjes en beukennootjes van om het even welke soort is binnen het Gebied van het Generaal Gouvernement een toelating  vereist De Fruitcentrale (Obstzentrale) te Brussel levert de vervoertoelating voor genoemde vruchten af. De Hoofden van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschefs) voor Vlaanderen en voor Wallonië zullen nadere bepalingen uitvaardigen.
 Art, 2. Het is verboden de in artikel 1 opgesomde vruchten tot beroeps- of nijverheidsdoeleinden te verwerken en de voortbrengselen die daaruit zonder toelating vervaardigd werden, te kopen, te verkopen en te vervoeren. Ook het drogen, branden, malen en gorten wordt als verwerking beschouwd. De Hoofden van het burgerlijk bestuur voor Vlaanderen en voor Wallonië kunnen uitzonderingen toestaan.l

Art. 3. De Hoofden van het burgerlijk bestuur voor Vlaanderen en voor Wallonië zijn belast met de uitvoering van deze Verordeningl

Art. 4. Wie de bepalingen van deze Verordening of van de tot uitvoering daarvan uitgevaardigde schikkingen overireedt wordt met hechtenis of met ten hoogste een jaar gevangenis of met ten hoogste 10.000 mark boete gestraft ; beide straffen kunnen ook tegelijk worden uitgesproken ; de waar en de vervoermiddelen kunnen eveneens verheurdverklaard worden. Het minimum van de straf wordt vastgesteld overeenkomstig de verordening van 28 Juli 1917 {Wet- en Verordeningsblad, hl. 4306).l

Art. 5. De krijgsrechibanken en de krijgsbevelhebhers zijn tot oordeelvellen bevoegd. Brussel, den 22n September 1917,
No. 396. - 26. SEPTEMBER 1917.*
Verordening ** houdende regeling van den handel in beten, rapen, koolrapen en wortelen van elke soort.
Art 1. Voor het vervoer per spoorweg of per schip of per as van beten, rapen, koolrapen en wortelen van elke soort is een toelating vereist Dit voorschrift is niet toepasselijk op het vervoer van beten, rapen, koolrapen en wortelen binnen de gemeente, waarin zij gewonnen werden.

Art. 2. De toelating {artikel T) voor het vervoer per spoorweg of per schip wordt verleend door de Hoofden van het burgerlijk hestuur (Verwaltungschefs) voor Vlaanderen en voor Wallonië, door tussenkomst van het Aardappelbevoorradingskantoor (Kartoffelversorgungsstelle); de toelating voor het vervoer per as wordt verleend door den bevoegden burgerlijken Kommissaris (Zivilkommissar).l

Art. 3. Het Suikerverdelingskantoor (Zuckerverteilungsstelle) beschikt over de suikerbeten. De suikerbeten, die ten laatste op 15 Januari 1918 niet ingeleverd zijn overeenkomstig de aanwijzingen, zullen tegen een door de Hoofden van het burgerlijk bestuur voor Vlaanderen en voor Wallonië vast te stellen prijs verheurdverklaard worden.l

Art. 4. De Hoofden van het burgerlijk bestuur voor Vlaanderen en voor Wallonië zijn belast met de uitvoering van deze Verordeningl

Art. 5. Wie de bepalingen van deze verordening, alsook de tot uitvoering daarvan uitgevaardigde onderrichtingen en aanwijzingen en vooral de overeenkomstig artikel 4 uitgevaardigde uitvoeringsverordeningen overtreedt, wordt met hechtenis of met ten hoogste een jaar gevangenis of met ten hoogste 10.000 mark boete gestraft ; beide straffen kunnen ook tegelijk worden uitgesproken; daarenboven kunnen de waar en de vervoermiddelen verbeurdverklaard worden. Het minimum van de straf wordt vastgesteld overeenkomstig de verordening van 28 Juli 1917 {Wet- en Verordeningsblad hl. 4306).l

Art. 6. De krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd. Brussel den 22n SEPTEMBER 1917.*
No. 396. - 26. SEPTEMBER 1917.*
Verordening *** houdende inbeslagneming van tabak.
Art, 1. De tabak die in het oogstjaar 1917 binnen het gebied van het Generalgouvernement verbouwd werd, is in beslag genomen. Deze maatregel is eveneens toepasselijk op de uit vroeger oogstjaren binnen genoemd gebied ter voorhanden zijnde voorraden aan onverwerkte inlandse tabak. De voorraden aan tabak uit vroegere oogstjaren, die op dit ogenblik in het bezit zijn van tabak- en sigarenhandelaars, blijven van de inbeslagneming bevrijd, Deze voorraden mogen verwerkt worden.l
Art. 2. Het is verboden in beslag genomen tabak te verbruiken, te kopen, te verkopen of er anderszins over te beschikken, er wijzigingen aan toe te brengen of ze te vervoeren. De bevoegde burgerlijke Kommissaris (Zivilkommis' sar) verleent vervoertoelatingen, zover vervoer noodzakelijk is door te dien einde een geleibrief af te leveren.l
Art. 3. Van de voorraden uit vroegere oogstjaren moet, zover die krachtens artikel 1 in beslag zijn genomen, ten laatste op 10 oktober 1917 aangifte worden gedaan bij den voor het vervoer bevoegden burgerlijke Kommissaris. In de aangifte moet vermeld zijn de hoeveelheid tabak, de naam van den eigenaar, de soort van bergplaats waarin de tabak bewaard wordt, alsook de herkomst van de tabak. In afwachting dat over de voorraden verder zal worden beschikt, zijn zij zorgvuldig te bergen en te bewaren. De stapelhouders en de eigenaars zijn verantwoordelijk voor het nakomen van deze verplichting.l
Art. 4. De in 1917 verbouwde tabak moet zorgvuldig geoogst, naar behoren gedroogd en geborgen worden. De geoogste tabak moet tegen betaling in gereed geld ingeleverd worden op een aankoopkantoor, dat door de Hoofden van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschefs) voor Vlaanderen en voor Wallonië alleen gemachtigd is de tabak aan te kopen. De prijs is naar gelang van de hoedanigheid der waar, vastgesteld op 2 fr., 2.25 fr., 2.50 fr., 2.75 fr. of 3 fr. het kilo. Deze prijzen gelden voor de aflevering in de gemeente waar de tabak gewonnen is. Meningsgeschillen aangaande den prijs worden door een ambtelijke dienst die daartoe door de Hoofden van het burgerlijk bestuur voor Vlaanderen en voor Wallonië is aan te wijzen onherroepelijk beslecht.l
Art. 5. De burgerlijke Kommissarissen {ZivUkommissare) hebben het recht onderrichtingen en aanwijzingen uit te vaardigen, alsook al de maatregelen te treffen welke ter beveiliging van de tabak nodig blijken te zijn. Zij stellen vast hoeveel tabak ieder van de door deze verordening betroffen personen in te leveren heeft. Ieder planter moet de vastgestelde hoeveelheid inleveren, tenzij hij kunnen bewijzen dat hij daartoe buiten zijn toedoen niet in staat is. De gemeente is er voor verantwoordelijk dat de hoeveelheid tabak waarvoor zij heeft in te staan, geleverd wordt. De burgerlijke Kommissaris is gerechtigd voor elk ontbrekend kilo op de vastgestelde in te leveren hoeveelheid, van de planters of van de gemeente van ambtswege een bedrag in te vorderen van 10 tot 100 mark. Hij is eveneens gerechtigd tabaksvoorraden die binnen den vastgestelde termijn niet zijn ingeleverd zonder vergoeding verbeurd te verklaren.l
Art. 6. De Hoofden van het burgerlijk bestuur voor Vlaanderen en voor Wallonië zijn belast met de uitvoering van deze Verordening. Zij hebben te bepalen in hoever en op welke wijze de in beslag genomen tabak voor het inlands verbruik zal toegewezen worden.
Art. 7. Wie de bepalingen van deze verordening of van de daartoe uitgevaardigde onderrichtingen of aanwijzingen overtreedt wordt met hechtenis of met ten hoogste 1 jaar gevangenis of met ten hoogste 20.000 mark boete gestraft ; ook kunnen hechtenis- of gevangenisstraf en boete tegelijk worden uitgesproken. De voorraden en inrichtingen, die dienen om strafbare handelingen te begaan moeten verbeurdverklaard worden. De poging tot overtreding is strafbaar. Bijaldien de overtreding begaan werd met het inzicht een buitensporige winst op te strijken, moeten gevangenisstraf en boete te gelijker tijd worden uitgesproken. De krijgsrechtbanken en de krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd, Brussel den 22n september 1917.*
No. 396. - 26. SEPTEMBER 1917.*
Verordening *** betreffende de beperking in het verbruik van gas- en elektriciteit. Ten einde de voorziening van de bevolking binnen het gebied van het Generaal Gouvernement met gas en elektriciteit voor den naasten tijd te verzekeren verorden ik het navolgende :
Art 1. Te rekenen van 1 oktober 1917 mag ieder, die bij een gas- of elektriciteitsfabriek is aangesloten, volgende hoeveelheden gas of elektriciteit verbruiken :
Gas: 30 kubieke meter per maand, vermeerderd met 50 % van de daarboven verbruikte hoeveelheid in dezelfde maand van het vorig jaar.
Elektriciteit : 20 kilowatturen per maand, vermeerderd met 50 % van de daarboven verbruikte hoeveelheid in dezelfde maand van het vorig jaar.
Deze beperking geldt niet voor elektro-motoren van meer dan 5 P. K.l
Art. 2. De prijzen zijn als volgt vastgesteld :
Gas: Voor elk doeleinde : op 25 centiem per kubieke meter.
Elektriciteit : Voor verlichting : op 70 centiem per kilowatiuur ;
voor andere doeleinden : op 30 centiem per kilowattuur tot een maximumverbruik van 2000 kilowatturen per maand.
De prijzen bij overeenkomst vastgesteld zijn naar verhouding te verhogen.l
Art. 3. De gas- en elektriciteitsfabrieken zijn gerechtigd mits toestemming van de overheid prijsvermindering toe te staan. Die toestemming wordt gegeven door de Hauptstelle fûr Gas Wasser und Elektrizitat (hoofdkantoor voor gas, water en elektriciteit) te Brussel, op wier verlangen de fabrieken ook verplicht zijn bijzondere prijsverminderingen te verlenen. De „Hauptstelle fiir Gas, Wasser und ElectrizitaV stelt het bedrag der prijsverminderingen vast.l
Art. 4. Voor nieuwe aansluitingen aan de gas- en elektriciteitsfabrieken is de toestemming van de ,,Hauptstelle fiir Gasy Wasser und EkktrizitaV' vereist. De leverende gas- en elektriciteitsfabrieken houden toezicht over het verbruik. De „Hauptstelle fur Gas, Wasser und Elektrizitat kan te allen tijde het verbruik opnieuw onderzoeken.l
Art. 5. Al de verordeningen en beschikkingen, die met het oog op de beperking in het verbruik van gas en elektriciteit binnen het gebied van het Generaal Gouvernement werden uitgevaardigd, zijn door deze verordening opgeheven, zover zij geen betrekking hebben op de openbare verlichting der straten.l
Art. 6. Deze verordening is niet toepasselijk op de dienstgebouwen en -lokalen, die door de Duitse krijgs- en bestuursoverheden bezet zijn.l
Art. 7. De „Hauptstelle fur Gas, Wasser und Electrizitat is belast met de uitvoering van deze verordening, Bedoeld kantoor kan uitzonderingen toestaan.l
Art. 8. Overtredingen van deze verordening worden met ten hoogste drie maanden gevangenis en met ten hoogste 5.000 mark boete of met een van beide straffen gestraft. Bovendien kan tot de afsluiting van den toevoer besloten worden. De straf treft zowel de verbruikers als de verantwoordelijke leiders der fabrieken. De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd,
Brussel, den 22n september 1917
No. 397. – 28. SEPTEMBER 1917.*
Beschikking. Op grond van mijn verordening, C. C. III A 2901, IV A 14132 van 5 Mei 1917 en in aansluiting aan mijn beschikking C, C. III A 2902, IV A 14132 van 6 Mei 1917, heb ik aan het ministerie van Nijverheid en Arbeid te Brussel nog volgende benoemingen gedaan : Frans Houben, leraar aan de nijverheidsschool te Doornik en afgevaardigde van het verbond van onderlingen bijstand aldaar tot hoofdopziener ; Jan van der Ven, nijverheidsopziener, tot bureeloverste {voorlopige benoeming), Brussel, den 30 juni 1917.
No. 397. - 28. SEPTEMBER 1917.*
Verordening« betreffende de inbeslagneming en de afleveringsverplichting van inrichtingsvoorwerpen uit koper, geelkoper en brons in huishoudingen, alsook in en aan gebouwen. De verordening van 13 december 1916, betreffende de inbeslagneming en afleveringsverplichting van huishoudelijke voorwerpen uit koper, enz. wordt hierbij ook op de voorwerpen van hieronder opgesomde soort toepasselijk gemaakt :
1. Kachelplaten (onderplaten) en schoorsteenramen, kachelgereedschap, alsook deuren van schoorstenen kachels, keukenfornuizen en haardvuren ;
2. trapleuningen ;
3. klederstaanders ; rekken, vakken, enz. voor klederen, hoeden, wandelstokken, enz. ; paraplustanders ;
4. kapstokken, haken voor hoeden, haken voor mantels ;
5. gordijnkrammen, rosetten, enz., gordijnophouders, knoppen van gordijnkwasten ; 6. stangen en ringen voor gordijnen, draperieën en portières ;
7. afneembare {vastgeschroefde, opgestoken, opgepinde) sierknoppen enz. van hekkens, van trapleuningen, van ijzeren of houten kapstokken, rekken, vakken, enz. voor klederen, hoeden, wandelstokken, enz., van gordijnstangen, van kapstokgarnituren, van paraplustanders en van bedden ;
8. leuningen en traliën van vensters en deuren van om het even welke soort ook van draaideuren, tochtdeuren, liftdeuren, enz. ;
9. dekplaten deze aan deuren van om het even welke soort er bij begrepen ; dekplaten aan toonbanken, buffetten, zuilen, staanders en pijlers ;
10. bedwarmers voor warm water ;
11. buiten gebruik zijnde huispompen en de daartoe behorende buizen ;
12. kandelaars en handvatten van piano's ;
13. verplaatsbare verlichtingstoestellen (kandelaars er bij begrepen) ;
14. bekledingen van verwarmingstoestellen ;
15. leuningen en handvatten van badkuipen ;
16. stortbadinrichtingen van badkuipen en baden ;
17. vulzuiltjes en handlijsten van leuningen en balkonhekwerk ;
18. niet aangesloten of niet in gebruik zijnde nagelvaste verlichtingstoestellen ;
19. toezichtpenningen voor werklieden, penningen voor kleermakers, betaalpenningen;
20. siervoorwerpen ;
21. alle handvatten en grepen, klinken, knoppen en belegsels aan deuren en vensters ;
22. verluchtingskleppen en -traliewerk, handvatten en stangen om verluchtingskleppen, -luiken, em. in beweging te brengen ;
23. draaistangen, ophaaltrommels, em. van afdakzeilen (markiezen) ;
24. pijpen, buizen en de verbindingssiukken er van in gezondheidsinrichtingen en in openbare privaten ;
26. bliksemafleiders en de ondergrondse delen er van ;
26. koepels daken, goten, afwateringsbuizen en hekwerk ;
27. pijlers staanders en bekledingen aan voorgevels. De hiervoren opgesomde voorwerpen vallen ook dan onder de inbeslagneming wanneer zij niet in huishoudingen in engeren zin maar in andere bewoonde en onbewoonde openbare of private gebouwen of lokalen voorhanden zijn {b.v. in dienstlokalen van overheden, ekonomaten, spijslokalen, enz. van fabrieken, trapzalen,)
Art, 2, Deze verordening is niet toepasselijk op :
1 Met koper, brons of geelkoper overtrokken {h. v. galvanisch) of geplatteerde voorwerpen, die vervaardigd zijn uit ijzer of uit een ander niet in beslag genomen metaal.
2. Voorwerpen, die voor ten minste 3/4 uit een niet in beslag genomen metaal bestaan en waarvan de afzonderlijke delen onscheidbaar met elkander zijn verbonden, (h. v, met houten vastgeklonken, aaneengeperst, geweld, enz.).
3. Voorwerpen, die voor godsdienstige doeleinden dienen en die zich bevinden aan en in kerken en andere voor den godsdienst dienende gebouwen en lokalen.l
Art. 3. Nagelvaste voorwerpen van de in artikel 1 aangeduide soort, inzonderheid deze die tot de klassen 21—27 behoren, moeten ten laatste op den door de Afdeling voor handel en nijverJieid, kantoor voor grondstoffen (Ahteilung fur Handel und Gewerbe, Boustoffverwaltungsstelle) daartoe nog te bepalen termijn losgemaakt worden. De Afdeling voor handel en nijverheid, kantoor voor grondstoffen, Kunstherlevingslaan 30, te Brussel, alsook de afleveringskantoren verstrekken inlichtingen nopens het losmaken van die voorwerpen en het aanschaffen van vervangingsartikelen.l
Art. 4. Onderstaande prijzen worden in gereed geld betaald voor de in artikel 1 opgesomde voorwerpen, die op de voorgeschreven wijze afgeleverd zijn : Voorwerpen uit koper, brons en geelkoper:  zonder vreemde bestandsdelen met
voor een kg. roodkoper 7.00 fr. 5.20 fr. voor een kg. voor een kg geelkoper of brons  6.00 fr.  4.50 fr.l
Art. 5. De Afdeling voor handel en nijverheid is gemachtigd, met het oog op de uitvoering van deze verordening, de nodige uitvoeringsbepalingen uit te vaardigen. Overigens zijn de voorschriften van de verordening van 13 december 1916, evenals van de verordening van 17 juni 1917, houdende uitbreiding van de strafbepalingen der in verband met de oorlogseconomie uitgevaardigde verordeningen, dienovereenkomstig van toepassing.
Brussel, den 31n Juli 1917,
No. 397. - 28. SEPTEMBER 1917.*
Verordening houdende wijziging van artikel 6 der verordeningen betreffende het verbod van betaling (voor de bezette streken van België). Enig artikel. De verordening van 3 november 1914, betreffende het verbod van betaling tegenover Engeland en Frankrijk, gewijzigd bij de verordening van 12 Augustus 1915 {Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, bl.28 en bl.907— voor het gebied van het IVe leger van kracht gemaakt door de verordeningen van 22 juli 1915 en 11 september 1915 van den opperbevelhebber van dat leger ,alsook de verordeningen waar in naar beide voornoemde wordt verwezen, zijn in dier voege gewijzigd, dat artikel 6, zoals dat luidt in de verordening van 12 augustus 1915, vervangen wordt door onderstaande voorschrift.l
Art.o.Wie de bepalingen van artikel 1 overtreedt, of bij een overtreding behulpzaam is, wordt met ten hoogste 5 jaar gevangenis en met ten hoogste 100.000 mark boete of met een van deze straffen gestraft. De poging tot overtreding is strafbaar, Voor de betaling eener opgelegde boete zijn, naast de veroordeelden, als gezamenlijke schuldenaars mede verantwoordelijk, de firma's en personen, wier vertegenwoordigers, beheerders of aangestelden in de hoedanigheid van vertegenwoordigers, beheerders of aangestelden, de strafbare handeling hebben begaan. De krijgsrechtbanken en de krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.
Grosses Hauptquartier, den 16n Attgustus 1917.
No. 397. - 28. SEPTEMBER 1917.*
Beschikking. Op grond van artikel 39 van de wet op het hoger onderwijs en van artikel 3 van het besluit van 21 September 1884, beschik ik, als vervolg op de verordeningen van 13 April, 5 Mei en 8 september 1917, het navolgende :
Art. 1. De hoofdtoezichtsgebieden Brussel en Leuven en de daarvan afhangende kantonnale schooltoezichtsgebieden zijn samengesteld zoals in de bijgaande lijst is aangegeven.l
Art. 2. Den kantonnale schoolopziener te Tongeren wordt op rekening van Hoofdstuk VI Artikel 71 der begroting, een aanvullende jaarlijkse vergoeding van 500 frank toegekend voor de vermeerdering van de reiskosten, voortvloeiende uit de uitbreiding van zijn schoolkanton, :
Brussel den 8n septemher 1917. 
Bijlage tot C. Fl. Illa. 357. Samenstelling van de hoofdtoezichtsgebieden Brussel en Leuven en van de daarvan afhangende kantonnale schooltoezichtsgebieden. Hoofdtoezichtsgebied Brussel.
7 Schoolkantons.
1. Schoolkanton Brussel. Stad Brussel.
2. Schoolkanton Elsene. 1. Elsene. — 2. Etterheek. — 3. Vorst
3 Schoolkanton Halle. 1. Beert. — 2. Bellingen. — 3. Bever. — 4. Bogaarden. 5. Buisingen. — 6. Dworp. — 7. Edingen. — 8. Elingen. — 9. Galmaarden. — 10. Halle. — 11. Heikruis. — 12, Herfelingen. — 13. Herne. — 14. Huisingen. — 15. Kester, — 16. Leerbeek. — 17. Lembeek. — 18. Lettelingen. — 19. Mark. — 20 Oetingen. — 21. Oudenaken. — 22. Pepingen. — 23, Sinte-Renelde. — 24, Sint-Laturens Berchem. — 25. Sint-Pieters-Leeuw. — 2&. Sint Pieters-Kapelle. — 27. Tollenbeek. - 28. Vollezele
4. Schoolkanton Sint Gilles. 1. Anderlecht. — 2. Sint Gilles.
5. Schoolkanton Sint-Jans-Molenbeek. l'-Borcht-Lombeek. — 2. Dilbeek. — 3. Gaasbeek. — 4. Gooik. — 5. Uterheek. — 6 Koekelherçi — 7. Maria-Lomheek. — 8. Pamel, — 9. Schepdaal. — 10. Sint Jans-Molenbeek. — 12. Sint Maartens Lennik, — 13 Sint-Pieters-Jette. — 14: Strijthem, 15 Vlezenbeek.
6. Schoolkanton Sint-Joost-ten-Noode. 1. Laken. — 2. Schaarbeek. — 3. Sint-Joost-ten-Noode.
7. Schoolkanton UkkeL 1. Alsemberg. — 2. Beersel. — 3. Drogenbos . — 4. Hoeilaart — 5 Linkebeek. — 6. Oudergem. — 7. Overijse. — 8 Ruisbroek. — 9. Sint-Genesius Rode, — 10. Sint Lambrechts Woluwe. — 11 Sint-Pieters-Woluwe. — 12. Ukkel. — 13. Watermaal-Bosvoorde.
B. Hoofdtoezichtsgebied Leuven.
6 schoolkantons.
1. Schoolkanton Aarschot. 1. Aarschot. — 2. Attenrode. — 3. Baal. — 4 Bekevoord. — 5. Begijnendijk. — 6. Betekom — 7. Deurne — 8. Diest. — 9. Gelrode. — 10. Houwaard. - 11 Kaggevinnne- Assent» — 12 Kapellen. — 13. Keerbergen, — 14 Kersbeek Miskom. — 15 Korttijk-Dffel. — 16. Langdorp. — 17. Meensel Kiezegem. — 18 Messelbroek, — 19 Molenbeek-Wersbeek. — 20. Molenstede. — 21. Nieuwrode. — 22 Rilaar. — ;23. Schaffen. — 24. Scherpenheuvel - 25. Zichem. — 26. Sint-Pieters-Rode. — 27. Testelt. — 28. OLV. Tielt — 29. Tremelo. - 30. Maanrode. — 31. Webbekom. — 32 Werchter.
2 Schoolkanton Assche: 1. Assche. — 2. Beigem. — 3 Bekkerzeel. — 4. Brusegem. — 5. Esschene. — 6[ Ganshoren. — 7. Groot bijgaarden. — 8. Hamme. — 9. Hekelgem. — 10. Kobbegem. — 11. Liedekerke. — 12. Massenzeel. — 13. Meise. — 14, Merchtem. — 15. Molhem. — 16. Neder-over-Heembeek: -— - 17. Opwijk. — 18. Belegem. — 19: Sinte-Agatha-Berchem. — 20 Sint Katelijne-Lombeek. — 21. Sint-Maarten Bodegem. — 22\ S t-Ulriks-Kapelle. — 231 Strombeek- Bever. — 24. Temlf ne. — 25. Termt — 26. Wanbeek. — 27. Wemmel. — 28. Zellik.
3. Schoolkanton Kortenberg. 1. Berg: — 2. Boortmeerbeek. — 3. Buken: — 4. Erps- Kwerps. — 5. Everberg. — 6. Haacht: — 7. Herent. -— 8. Hever. — 9. Holsbeek. — 10. Kampenhout — 11. Kessel-Loo — 12. Kortenberg. — 13. Linden. — 14. Lubbeek. — 15. Meerbeek. — 16. Muizen. — 17. Neder-Okkerzeel. — 18 Nossegem. — 19: Rotselaar. — 20. Saventhem. — 21. —Sint-Joris-Winge. — 22: Sint-Stevens-Woluwe. — 23. Steenokkerzeel. — 24. Tildonk: — 25. Velthem-Beisem: — 26. Wespelaar. — 27. Wezemaal. — 28. Wilsele. — 29: Winksele.
4. Schoolkanton Leuven : 1. Bautersem. — 2. Berchem. — 3: Bierbeek. —4. Blartden. — 5. Duisburg. — 6. Heverlee. — 7. Huldenberg. — 8. Korbeek-Dijle. — 9. Korbeek-Loo. — 10. Kraaienhem. — 11. Leefdaal. — 12. Leuven— 13. Loonbeek. — 14. Lovenjoel. — 15. Neervelp. — 16. Neerijse. — 17. Opvelp. — 18. Ottenburg. — 19. Oud-Heverlee. — 20. Bellenberg. — 21 Sint-Agatha-Bode. — 22. Sint Joris Weerd, — 23. Sterrebeek. - 24. Tervuren. — 26. Vaalbeek. — 26. Vertrijk. — 27. Vossem. — 28. Wezenbeek. 
5 Schoolkanton Tienen. 1. Attenhoven. — 2. Binkom. — 3. Dost. — 4. Budingen. — 5. Bunsheek. — 6. Dormaal. — 7. Drieslinter. — 8. Elisem. — 9. Ezemaal. — 10. Geet-Bets. — 11. Glabbeek- Zuurbeemd. — 12. Godsenhoven. — 13. Grazen. — 14. Hakendover. — 15. Halle-Booienhoven. — 16. Helenbos. — 17. Hoegaarden. — 18. Hoeleden. — 19. Kerkom. — 20. Kortenaken. — 21. Kumptich. — 22. Laar. — 23. Landen. — 24. Meldert. — 25. Melkwezer. — 26. Neerheilissen. — 27. Neerhespen. — 28. Neerlanden. — 29. Neerlinter. — 30. Neerwinden. — 31. Oorbeek. — 32. Ophelissen. — 33. Oplinter. — 34. Orsemaal-Gussenhoven. — 35. Overhespen. — 36. Overwinden. — 37. Ransberg. — 38. Roosbeek. — 39. Roost-Krenwink. — 40. Rummen. — 41. Rumsdorp. — 42. Sint-Margriet-Houthem. — 43. Sluizen. — 44, Tienen. — 45. Vissenaken. — 46. Waasmond. — 47. Walsbets. — 48. Wals-Houthem. — 49. Wange. — 50. Wezeren. — 51. Willebringen. — 52. Wommersom. — 53. Zittard-Lummen. — 54. Zout-Leeuw.
6. Schoolkanton Vilvoorde. 1. Diegem. — 2. Elewijt. — 3. Eppegem. — 4. Evere. — 5. Grimbergen. — 6. Haren. — 7. Hofstade. — 8. Humbeek. — 9. Kapellen-op-den-Bos. — 10. Londerzeel. — 11. Machelen. — 12. Malderen. — 13. Melsbroek. — 14. Nieuwenrode. — 15. Perk. — 16. Peuti. — 17. Ramsdonk. — 18. Zemst, — 19. Steenhuffel. - 20. Vilvoorde. - 21. Weerde. — 22. Wolverthem.
No. 397. - 28. SEPTEMBER 1917.*
Verordening betreffend de indeling der schoolkantons. Op grond van artikel 39 der wet tot regeling van het lager onderwijs en van artikel 3 uit het besluit van 21 September 1884 verorden ik in vervolg op de verordeningen van 13 Afrit en 5 Mei 1917 {Wet- en Verordeningsblad, hl. 3597 en 3672) het navolgende :
Art. 1. De gemeenten, opgesomd in kolom 1, hebben opgehouden deel uit te maken van de schoolkantons in kolom : vermeld en zijn bij de schoolkantons van kolom 3 ingedeeld
2 Gemeenten  hebben opgehouden deel uit te maken van het schoolkanton
en zijn ingedeeld hij het schoolkanton
Aubel Moelingen Remersdaal 's Graven Voeren, St.'Maartens-Voeren Sint-Pieters-Voeren Teuven hebben opgehouden deel uit te maken van het schoolkanton Aubel en zijn ingedeeld hij het schoolkanton Tongeren
Gemeenten hebben (opgehouden deel uit te maken van het schoolkanton en zijn ingedeeld bij het schoolkanton Attenhoven Elisem Laar Landen Neerhespen Neerlanden Neerwinden Overhespen Overmnden Boost'Krenwih . . Boost-Krenwik . . . Rumsdorp Waasmond Walsheis Wals-Houthem . . Wange Wezeren hebben opgehouden deel uit te maken van het schoolkanton Borgwom en zijn ingedeeld hij het schoolkanton Tienen 
Neerheilisem Opheilisem Sluizen Zittard Lummen . van Geldenhaken Tienen 
Bierk Sinte-Renelde Van nijvel naar Halle
Bever Edingen Lettelingen Mark van Zinnik naar Halle
Sint-Pieters Kapelle van Zinnik naar Halle
Everbeek van Zinnik naar Geraadsbergen  
 Art 2. De schoolkantons Geldenaker Nijvel en Waver hebben opgehouden deel uit te maken van het hoofdtoezichtsgebied Leuven, De schoolkantons Geldenaken en Waver zijn hij het hoofdtoezichtsgebied Charleroi, het schoolkanton Nijvel hij het hoofdtoezichtsgebied Bergen ingedeeld. 

Art. 3. Het getal schoolkantons van het hoofdtoezichtsgebied Charleroi is daardoor van 7 tot 9, dat van het hoofdtoezichtsgebied Bergen van 6 tot 7 gestegen.

Art. 4. De Hoofden van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschefs) voor Vlaanderen en voor Wallonië zijn belast met de uitvoering van deze Verordening  

 

Vorige pagina    Indexpagina volgende pagina

OF GA TERUG MET DE BACKTOETS


Kent U de v.z.w. KONINKLIJKE OUDHEIDKUNDIGE KRING VAN HET LAND VAN WAAS
(afgekort K.O.K.W.)

niet, of wil je meer weten over de doelstelling
en werking van deze kring, klik dan
"hier voor Werking K.O.K.W".

DOCUMENTATIE CENTRUM
M.Z. Zamanstraat 49 9100 Sint-Niklaas
Zaterdagen 9u30 tot 12u30
Documentatie centrum
gesloten in juli en aug.