Dagboek Raphaël Waterschoot
 Gesetz- und Verordnungsblatt fur die okkupierten Gebiete Belgiens.
Bulletin officiel des Lois et Arrêtés pour le territoire belge occupé.
Wet en Verordeningsblad voor de bezette strekenvan België.

(TEXTES OFFICIELS door mij aangepast na omzetting)

RÉDIGÉE PAR CHARLES HENRY HUBERICH

DOCTEUR EN DROIT, ANCIEN PROFESSEUR DE DROIT À L'UNIVERSITÉ STANFORD (CALIFORNIE).
MEMBRE DU BARREAU DE LA COURSUPRÊME DES ÉTATS UNIS DE L'AMÉRIQUE,
AVOCAT LA HAYE • PARIS - BERLIN - HAMBOURG
ET
ALEXANDER NICOL-SPEYER
DOCTEUR EN DROIT, AVOCAT À LA COUR DE CASSATION DES PAYS-BAS
LA HAYE - ROTTERDAM
Nr 11      01 april 1917 - 28 juni 1917
no 328-362


No. 328. - 1. april 1917.
Verordening, ***
De met drie sterretjes gemerkte Verordeningen worden ook door middel van aanplakbrieven bekend gemaakt. Alle andere Verordeningen moeten door de gemeente-overheid volgens de gebruikelijke wijze van bekendmaken vooral aan de belanghebbenden medegedeeld worden.
Brussel 15 maart 1917.

Verordening ***
betreffende het bestrijden van schurft bij paarden en andere evenhoevigen. Daar het schurft onder de paarden toebehorend aan de burgerlijke bevolking meer en meer voorkomt, verorden ik ter bestrijding dezer plaag het navolgende :

Art. 1. Worden bij paarden gevallen van schurft (sarcoptes- of dermatocoptesschurft) of verdachte gevallen van schurft vastgesteld, zoo moet men onmiddellijk daarvan aangifte doen bij den burgemeester in de gemeente waarin de aangetaste of verdachte dieren zich bevinden. Zijn gezonde paarden met schurftige dieren in aanraking gekomen zo is daarvan eveneens aangifte te doen bij den burgemeester van de gemeente van den houder van het paard. Deze aangifte moet gedaan worden door den bezitter of zijn lasthebber, verder ook door de niet aangenomen veeartsen en door de aangenomen veeartsen of veearts-toezieners. De burgemeester is gehouden den bevoegden „Kreischef* of commandant, gouvernement veearts {Gouvernementsveterinar) en veearts-toeziener onmiddellijk kennis te geven van elk geval van schurft, van elk verdacht geval, alsook van elke hij hem gedane aangifte over het in aanraking komen van gezonde met schurftige paarden.

Art. 2. Schurftige paarden of paarden, die men verdenkt door schurft te zijn aangetast, moeten door den bezitter of diens lasthebber, nog voor het optreden van den burgemeester, derwijze worden afgezonderd, dat zij geen gevaar meer opleveren de plaag voort te zetten. Er dient op dezelfde wijze te worden gehandeld, wanneer een gezond met een schurftig paard in aanraking is gekomen.

Art. 3. Heeft de door den burgemeester ontboden veearts het schurft of een verdacht geval van schurft vastgesteld, zoo moet de bezitter de schurftige paarden en de paarden, die men verdenkt door schurft te zijn aangetast, onmiddellijk door een veearts in behandeling laten nemen, ingeval hij niet verkiest de dieren te doen afmaken. Niettegenstaande de dieren onder behandeling zijn, moet ook terzelfder tijd, overeenkomstig de onderrichtingen van den bevoegden veearts- toeziener, overgegaan worden tot de ontsmetting van de stallen, het getuig, het gereedschap en andere voorwerpen, die met de zieke of met van de ziekte verdachte paarden in aanraking zijn geweest.

Art. 4. De behandelende veearts is verplicht, elk aangetast dier ten minste éénmaal in de 14 dagen te onderzoeken en over den uitslag van het onderzoek verslag in te zenden aan den bevoegden gouvernement veearts en veearts-toeziener. Bovendien moet hij den bezitter, voor den geleider of wachter van een schurftig paard of van een paard, dat verdacht is door schurft te zijn aangetast, een getuigschrift af12 leveren over ieder onderzoek en elke behandeling, onder opgat) e van den naam en de woonplaats van den bezitter alsook van het geslacht, de kleur, de kentekenen en den ouderdom van het dier. In aansluiting aan dit onderzoek moet telkenmale overgegaan worden tot de ontsmetting van de stallen, van het getuig, van het gereedschap, evenals van al de voorwerpen, die met de zieke of met van de ziekte verdachte paarden in aanraking zijn geweest.

Art. 5. In elke gemeente, waarin een geval van schurft of een verdacht geval van schurft wordt vastgesteld, moeten al de paarden éénmaal per maand onderzocht worden of zij door de plaag niet zijn aangetast. Het onderzoek zal gedaan worden door de bevoegde aangenomen veeartsen, die den bevoegden gouvernement veearts en veearts-toeziener evenals den burgemeester der betreffende gemeente ten laatste 4 dagen te voren plaats en uur zullen doen kennen waarop het onderzoek moet plaats hebben. De gouvernement veearts of een door hem aangestelde Duitse veearts zal, zo mogelijk, op het onderzoek aanwezig zijn. De burgemeester is er voor verantwoordelijk, dat al de paarden der gemeente aanwezig zijn op dag en uur, die de bevoegde aangenomen veearts heeft bepaald ; hij moet de paardenbezitters derhalve tijdig, d. i. ten minste 3 dagen te voren, verwittigen wanneer het vastgesteld onderzoek zal plaats hebben.

Art. 6. De paarden moeten zonder tuig noch deken, volgens een door de gemeente opgemaakte lijst gerangschikt en, met het nummer waaronder zij op die lijst voorkomen aan den halster, opgesteld worden. De schurftige paarden en de paarden, die men verdenkt door schurft te zijn aangetast en die uit dien hoofde in de gemeente onder behandeling zijn, moeten van de overige paarden afgezonderd en met tussenruimten van 3 meter opgesteld worden.

Art. 7. De veearts-toeziener is verplicht, bij de schurftige paarden en de paarden, die men verdenkt door schurft te zijn aangetast, van tijd tot tijd, zoo mogelijk ter gelegenheid van h et onder artikel 5 voorgeschreven maandelijks onderzoek van al de paarden, de uitwerking der behandeling na te gaan. De veearts-toeziener moet over den uitslag van elk onderzoek verslag inzenden aan den bevoegden gouvernement veearts

Art. 8, De schurftige paarden en de paarden, die men verdenkt door schurft te zijn aangetast mogen, zolang de voorbehoedsmaatregelen niet opgeheven zijn, noch in vreemde stallen geplaatst, nom op een weide gebracht worden, waar onbesmette paarden weiden. Schurftige paarden of paarden, die men verdenkt door schurft te zijn aangetast mogen, vooraleer de behandeling a}- gelopen is, maar aan het werk gesteld worden, op voorwaarde dat zij op een aan het haam of aan den wagen vastgemaakt plaatje het duidelijk leesbaar opschrift „schurftig'' dragen ; zij mogen éditer met gezonde paarden noch samen ingespannen, noch anderszins in onmiddellijke aanraking gebracht worden. Getuig, dekens en poetsgerei, die voor schurftige paarden gebruikt werden, mogen niet voor onverdachte paarden benuttigd worden vooraleer ontsmet te zijn. Zolang de voorbehoedmaatregelen niet opgeheven zijn mogen schurftige paarden of paarden, die men verdenkt door schurft te zijn aangetast, niet van hof veranderen. Indien er een erg ziektegeval heerst kan de veearts toeziener onmiddellijk de opsluiting van het aangetast dier in den stal bevelen.

Art. 9. Huiden van schurftige paarden mogen alleen in volkomen gedroogde staat uit het besmette hof worden gebracht.

Art. 10. Is de bezitter met de behandeling niet dadelijk begonnen, of heeft hij ze binnen 2 maand nadat de plaag werd vastgesteld of het uitbreken er van werd verdacht, niet geëindigd, zoo moet de burgemeester op aanwijzing van den veearts-toeziener bevelen, dot de paarden den stal niet mogen verlaten. In grotere steden kunnen schurftige paarden of paarden, die men verdenkt door schurft te zijn aangetast, op bevel van den burgemeester onmiddellijk na het vaststellen der ziekte tot hij afloop der behandeling, in den stal afgezonderd worden.

Art. 11. Wanneer de bezitter den afloop van de behandeling aankondigt, moet de burgemeester de paarden door een aangenomen veearts laten onderzoeken en over den uitslag van dit onderzoek verslag inzenden aan den bevoegden veearts- toeziener. De plaag geldt als zijnde voorbij en de opgelegde maatregelen worden opgeheven :
a) wanneer schurftige paarden en de paarden, die men verdenkt door schurft te zijn aangetast, gestorven of afgemaakt zijn, en de ontsmetting regelmatig is uitgevoerdy
b) wanneer zich na de verklaring van den veearts-toeziener binnen 6 weken na afloop der behandeling en na uitvoering der ontsmetting, geen verdachte ziekteverschijnselen vertoond hebben.

Art. 12. Is de plaag voorbij, zoo moet de veearts-toeziener den bevoegden „Kreischef of commandant en gouvemements-veearts evenals den burgemeester der gemeente daarvan kennis geven.

Art. 13. Al de maatregelen voor paarden voorgeschreven, gelden eveneens voor de overige eenhoevigen {ezels, muildieren en muilezels).

Art. 14. Overtredingen van de voorschriften dezer Verordening worden met ten hoogste 3.000 mark boete of met ten hoogste 1 jaar gevangenis, of met beide straffen te gelijk gestraft. Bij herhaalde overtreding van artikel 10, kan de verbeurdverklaring der paarden uitgesproken worden. De Duitse krijgsbevelhebbers en krijgsrechtbanken zijn tot oordeelvellen bevoegd.

Art 15. De Verordening van 16 maart 1916, IV Nr. 2953 (Wet- en Verordeningsblad, Nr. 193, bl. 1812) is door vorenstaande Verordening opgeheven. Brussel 15 maart 1917.


No. 328. - 1. april 1917.
Verordening ***
betreffende de opneming van de landbouwvlakten in het jaar 1917. § 1. Tussen den 20 aprilen den 5 mei 1917 wordt een opneming gedaan van alle landbouwvlakten, d. i. : waarop wintertarwe, zomertarwe, rogge, masteluin, spelt, zomergerst, wintergerst, haver, boekweit, bonen, erwten, vlas, koolzaad, tabak, hop, cichorei, suikerbieten, voederbieten, wortelen, rapen, aardappelen, klaver, luzern, grassen en voedergewassen gewonnen worden, evenals van hooiland, weiden, boomgaarden en andere teelten.

§ 2. De opneming geschiedt per gemeente en wordt door de gemeenteoverheden gedaan. De landbouwers of hun plaatsvervangers zijn gehouden, aan de gemeenteoverheid en bij het toezicht ook aan de Duitse beambten en dezer lasthebbers de gewenste inlichtingen te geven. De gemeentebesturen of de personen aan wie zij opdracht gegeven hebben zijn bevoegd, ten einde juiste gegevens te bekomen omtrent de landbouwvlakten, zich op de akkerlanden te begeven van hen die aangifte moeten doen en er tot metingen over te gaan, alsook op het kadaster inlichtingen in te winnen omtrent de uitgestrektheid van bebouwde akkerlanden.

§ 3. De opneming geschiedt op afzonderlijke lijsten {blad 1), die door de landbouwers, en op gezamenlijke lijsten {blad II), die door de plaatselijke overheid in te vullen zijn.

§ 4. De opneming omvat alleen de landbouwbedrijven met een gezamenlijke landbouwvlakte {akkers, hooiland, weiden, tuinen) van ten minste 1 hektaar. De Voorzitters van het burgerlijk bestuur{President . Zivilverwaltung) kunnen deze opneming ook tot de kleinere bedrijven uitbreiden.

§ 5. Elke landbouwer moet de aangifte enkel in één en wel in de door hem bewoonde gemeente doen. Hij moet daarbij eveneens de landerijen aangeven, die hij in andere gemeenten uitbaat.

§ 6. De aangifte, door elke landbouwer te doen omtrent i de grootte van zijn huisgezin, omvat al de personen, die in zijn bedrijf in den kost zijn.

§ 7. De landbouwers moeten bij de aangifte omtrent hun gezamenlijk getal paarden, runderen en zwijnen den stapel opgeven, zoals die op het ogenblik der opneming is.

§ 8. De aangiften betreffende de landbouwvlakten moeten alle in hektaren en aren gedaan worden.

§ 9. Uitbaters van landbouw-ondernemingen qf hun lasthebbers, die opzettelijk de aangiften, waartoe zij op grond dezer Verordening en der uitvoeringsbepalingen verplicht zijn, niet of onjuist of onvolledig doen, worden met ten hoogste 6 maand gevangenis of met ten hoogste 10.000 mark boete gestraft. Boete en gevangenisstraf kunnen te gelijk uitgesproken worden. Uitbaters van landbouw-ondernemingen of hun lasthebbers, die uit nalatigheid de aangiften, waartoe zij op grond dezer Verordening en der uitvoeringsbepalingen verplicht zijn, niet of onjuist of onvolledig doen, worden met ten hoogste 3.000 mark boete gestraft.

§ 10. De krijgsbevelvoerders en krijgsrechtbanken zijn tot oordeelvellen bevoegd.

§ 11. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur {Verwaltungs chef) is belast met de uitvoering van deze Verordening,
Brussel 24 maart 1917.
C. C. VII 1959.

No. 329. - 3. april 1917
Verordening ***
betreffende don aankoop van de nog voorhanden zijnde voorraden aan koren en meel uit het oogstjaar 1916 en uit vroegere oogstjaren.

§ 1. Al de landbouwers moeten hun koren ten laatste op 15 april 1917 uitgedorst hebben en het ter beschikking houden van de opkopers van het Nationaal Komiteit,

§ 2. Het Nationaal Komiteit is verplicht al het koren en meel van den oogst van 1916 en van vroegere oogstjaren, dat nog in handen is van de landbouwers en niet hetzij voor eigen verbruik van den landbouwer hetzij als voederkoren afgestaan werd, ten laatste op 1 mei 1917 op te kopen, het naar de bergplaatsen en molens te vervoeren en het op te stapelen. Ingeval het Nationaal Komiteit ten laatste op 1 mei 1917 niet tot den aankoop of het vervoer is overgegaan, moeten de eigenaars al de hiervoren bedoelde voorraden, die zij in hun bezit of elders ondergebracht hebben, ten laatste op 10 mei 1917 bij den burgemeester van hun gemeente aangeven. De burgemeester moet de aangiften ten laatste op 11 mei 1917 aan de bevoegde provinciale Oogstcommissie {Provinzial- Ernte-Kommission) overmaken.

§ 3. Wie de bepalingen van § 1 en van § 2, 2e lid, dezer Verordening niet nakomt, wordt met ten hoogste 5 jaar gevangenis of met ten hoogste 20.000 mark boete gestraft. Ook kunnen beide straffen te gelijk worden uitgesproken. De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.

§ 4. Koren, dat na den 15 april1917 niet uitgedorst is of koren en meel, dat na den lO mei 1917 niet afgeleverd of aangegeven is, wordt, zover het niet hetzij voor het eigen verbruik van den landbouwer hetzij als afgestaan werd, zonder schadeloosstelling verbeurdverklaard. De voorzitter van de provinciale Oogstcommissie spreekt de verbeurdverklaring uit. Verbeurdverklaard koren en meel wordt aan het Nationaal Komiteit toegekend. Het Nationaal Komiteit moet de verbeurdverklaarde stapels, rekening houdende met de geldende hoogste prijzen. De daarvoor betaalde sommen zullen niet in de militaire schatkist gestort, doch door bemiddeling van de bevoegde provinciale Oogstcommissies aan de bestendige afvaardigingen, voor liefdadige werken binnen de provincies, overgemaakt worden. Met verbeurdverklaarde stapels koren en meel zal op dezelfde wijze worden te werk gegaan, als op die stapels aangekocht waren.

5 §. De voorzitters van de Oogstcommissies zijn gemachtigd, met het oog op de uitvoering van deze Verordening, geschikte bevelen en aanwijzingen uit te vaardigen. Overtredingen vallen onder toepassing van § 6 der Verordening van 8 Juli 1916, betreffende de Oogstcommissies (Emte- Kommissionen) {Wet- en Verordeningsblad, bl. 2391 92). Al de dors- en leveringstermijnen, die vroeger door de provinciale Oogstcommissies en door de „Kreischefs'' vastgesteld werden en die na de hiervoren bepaalde termijnen vallen, zijn hierbij opgeheven.
Brussel 26 maart 1917,
Z, E. K. 1197 17,

No. 329. - 3. april 1917.
Bekendmaking
betreffende de likwidatie van Britse ondernemingen. Met toestemming van den heer Generalgouverneur in Belgi'f heb ik, overeenkomstig de Verordening van 29 AugustiLS 1916f over de likvndatie van Britse ondernemiven (Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van Belgir, van 13 September 1916), de likwidaiie bevolen van het in België voorhanden zijnde vermogen van de hiernavolgende huizen :
1. The Dunlop Pneumatic Tyre Cy (Continental) Ltd., Londen,
2. North British Rubber Cy Ltd., Edinburg,
3. Clavâius Ash, Sons é Cy Ltd., Londen.
De heer A. Dubbers, te Brussel, Krijgsschool, is tot likwidator benoemd. De likwidator verstrekt nadere inlichtingen,
Brussel 26 maart 1917,
C. C. IVA 8567.

No. 329. - 3. april 1917.
Verordening
houdende wijziging der jachtregeling.
Mijn Verordening Je. 2222 van 1 april 1916, op de jacht en de vogelvangst, ondergaat onderstaande wijzigingen : I. In nummer 15 valt het derde woord van den eersten regel „geschoten'' weg. II.
In nummer 28 vallen weg : a) Onder lit. Al de tussen haakjes bijgevoegde verwijzing aan het slot : „{zie voor uitzondering, lit. B)".
b) Lit. B. III. In nummer 23 is „nrs 13 en 14'* in den voorlaatste regel onder lit. A 3 te vervangen door „nrs 13, 14 en 15". IV, In nummer 23 hoort het lid, dat thans onder lit. C staat, voortaan door lit. B aangeduid.
Brussel 27 maart 1917,
G. G. le 3089.

No. 330. - 6. april 1917.
Verordening
tot aanvulling van de wet van 30 Juli 1899, over het op pensioen stellen van de professoren en andere leden van het onderwijzend personeel der Staatsuniversiteiten.
Art. 1. Bij de berekening der dienstjaren voor het pensioen of voor het emiraat, toe te kennen aan de onder artikel 1. nrs. 1 en 2, der wet van 30 Juli 1879 opgesomde ambtenaren der Staatsuniversiteiten, kan de tijd, die zij buiten België in academische dienst hebben doorgebracht. in aanmerking genomen worden.
Art 2. Bij de berekening der dienstjaren voor het pensioen van hiervoren genoemde ambtenaren kan verder de tijd, die zij buiten België in niet academische Staats-, provincie- of gemeentedienst hebben doorgebracht, of en in hoeverre de buiten België doorgebrachte diensttijd in aanmerking zal worden genomen, hetzij bij de benoeming, hetzij gedurende den diensttijd of bij het toekennen van het pensioen of van het emeritaat van den belanghebbende. Brussel den 21 maart 1917.
No. 330. - 6. april 1917.
Beschikking
betreffende het vaststellen voor het Jaar 1917 van den prijs voor den onderhoudsdag van de in de weldadigheidsgestichten, krankzinnigengestichten, enz. opgenomen personen.
Art. 1. Voor het jaar 1917 blijven verder van kracht :
1. het koninklijk besluit van 8 december 1913 (Staatsblad de prijs voor den onderhoudsdag van de in de weldadigheidsscholen opgenomen personen is vastgesteld ;
2. mijn beschikking van 26 april 1916, waarbij de prijs voor den onderhoudsdag van de in de bewaargestichten te Merksplas en te Bekheim opgenomen Franse krankzinnigen is vastgesteld ;
3. mijn beschikking van 18 maart 1916 {Wet en Verordeningsblad van 2 April 1916, Nr. 195), waarbij de verblijfkosten voor de begeleiders der krankzinnigen vastgesteld zijn.
Art, 2. De prijs voor den onderhoudsdag van de in de bedelaarsgestichten en toevluchtshuizen, alsmede van de tijdelijk in de gevangenissen opgenomen personen, wordt voor het jaar 1917 verhoogd, te weten :
A. in de bedelaarsgestichten :
a) voor arbeidsbekwame mannen tot 0.75 frank
h) voor arbeidsbekwame vrouwen tot 1.05 frank
B. in de toevluchtshuizen :
a) voor arbeidsbekwame mannen en zulke arbeidsonbekwame wier gezondheidstoestand geen bijzondere verpleging vereist, tot 0.87 frank
b) voor vrouwen en zulke arbeidsonbekwame wier gezondheidstoestand geen bijzondere verpleging vereist,1.20 frank
C. in de bedelaarsgestichten en de toevluchtshuizen:
a) voor arbeidsonbekwame mannen en vrouwen wier gezondheidstoestand een bijzondere verpleging vereist, tot 1,50 frank.
b) voor kinderen van 3 maand tot 2 jaar, die zich bij hun moeder bevinden, tot 0.60 frank
Art, 3. De prijs voor den onderhoudsdag van de in de gods- en gasthuizen opgenomen, niet krankzinnige behoeftigen is voor het jaar 1917 verhoogd met 20 centiem boven den hij Koninklijk besluit van 24 maart 1914 {Staatsblad van 29 maart 1914, nr. 88) vastgestelde prijs.
Art. 4. De prijs voor den onderhoudsdag van de krankzinnige behoeftigen, die in de krankzinnigengestichten, bewaarplaatsen, tijdelijke en doorgangshuizen opgenomen zijn, wordt voor het jaar 1917 verhoogd met 20 centiem boven den hij besluit van 25 maart 1914 {Staatsblad van 29 maart 1914, nr 88) vastgestelde prijs. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschef) is belast met de uitvoering van deze beschikking. Brussel 28 maart 1917.
No. 330. - 6. april 1917.
Verordening.
Ambtenaren en beambten van den Staat, alsook leden van het onderwijzend personeel van den Staat mogen, ingeval zij naar een ander oord overgeplaatst worden, mits inachtneming van den ter plaatse gebruikelijke opzeggingstermijn, hun huurwoningen bij den verhuurder opzeggen, ook wanneer een schriftelijke huurovereenkomst {artikel 736 van het in België geldende Burgerlijk Wetboek) bestaat. Hiermede in strijd zijnde overeenkomsten houden op van kracht te zijn.
Brussel 31 maart 1917

No. 330. - 6. april 1917
Verordening.
Ambtenaren en beambten, die in uitvoering der Verordening van 21 maart 1917 {Wet- en Verordeningsblad, blz. 3457) overgeplaatst worden, zullen een schadeloosstelling bekomen voor de onkosten, welke naar aanleiding van die overplaatsing voor hen ontstaan. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschef) is belast met de uitvoering van deze Verordening, inzonderheid met de vaststelling van de schadeloosstellingen in elk afzonderlijk geval.
Brussel 31 maart 1917,
C, C. III A 2209, VI A 3167.

No. 331. - 9- april 1917.
Verordening ***
betreffende de personen die onder toezicht van het „Meldeamt" staan.
De Verordening vanlé Juli 2915 „betrejfende overtredingen der meldeplichtigen tegen hunne beivaking" {Wet- en Verordeningsbladf hl. 790), is aangevuld als volgt: yjngeval de personen, die zich aan een overtreding schîd' dig hebben gemaakt, zelf niet ter veraniwoording kunnen worden gedaagd, kan hun in België voorhandeji zijnde vermogen, bij beschikking txin de krijgsgouvemeurs en rxin de met dezen gelijkgestelde bevelhebbers, geheel qf gedeeltelijk verbeurdverklaard worden.** G. G. III 603.

No. 331. - 9. april 1917.

Verordening ***
Over het verborgen houden van wapens en schietvoorraad, Onder opheffing der bekendmaking van 10 januari 1915 en der Verordening van 16 juli 1915 (Wet- en Verordeningsblad, bl. 79S) verorden ik het navolgende :
Art, 1. Het is aan de bevolking verboden wapens en schietvoorraad te vervaardigen en in bezit te houden. De gouverneurs kunnen uitzonderingen toestaan.
Art. 2. Als wapens zijn te beschouwen alle soorten vuurwapens en blanke wapens. Als schietvoorraad gelden buiten de afgewerkte, voor wapens bruikbare patronen ook de bestanddelen, die tot het vervaardigen van patronen dienen. Ouderwetse of als kunststuk van waarde zijnde voorwerpen kunnen met toelating der Kommandaturen, die over de eigenschap der wapens in den zin van het Iste lid te beslissen hebben, den bezitters gelaten worden.
Art. 3. Wie wapens of schietvoorraad vervaardigt, of willens en wetens in zijn bezit heeft ze aan andere personen overlaat of anderen helpt ze in bezit te krijgen, wordt met dwangarbeid in lichtere gevallen, met ten minste één maand gevangenis gestraft. Blijkt uit de omstandigheden, dat de wapens of de schietvoorraad bestemd zijn, om tegen het Duitse gezag gebruikt te worden, zo wordt de doodstraf uitgesproken.
Art. 4. Met ten hoogste 1 jaar dwangarbeid, in lichtere gevallen met ten minste 3 maand gevangenis, wordt gestraft : a) die een ander tot het begaan van een misdrijf tegen artikel 3 uitnodigt of aanzet, b) wie op geloofwaardige wijze kennis krijgt van een misdrijf tegen het 2e lid van artikel 3 en verzuimt dit bij de krijgsoverheid aan te melden.
Art. 5. Wie uit nalatigheid wapens of schietvoorraad in bezit heeft, of wie verzuimt, de toelating bedoeld ander het 3e lid van artikel 2 aan te vragen, wordt met gevangenis en met ten hoogste 10.000 mark boete of met één van beide straffen gestraft.
Art. 6. Bij elke straf moet bovendien de verbeurdverklaring van de wapens en van den schietvoorraad worden uitgesproken, om het even of zij al dan niet den dader of een medeplichtige toebehoren.
Art. 7. De krijgsrechtbanken, voor overtredingen van artikel 5 ook de krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd. Brussel 3 april1917.
G. G, III 556.
No. 332. - 11. april 1917.
VERORDNUNG. ***
De wet van 29 april 1892 (Staatsblad bl 1281), wordt als volgt gewijzigd :.
Voor den duur van 16 april 1917, 2 uur 's morgens, tot en met 17 september 1917, 3 uur 's morgens, is de wettige tijd de midden-zonnetijd van den 30n lengtegraad Oosten van Greenwich {Midden-Europese Zomertijd). Van 17 september 1917, 3 uur 's morgens, aj is de wettige tijd de midden-zonnetijd van den 15 lengtegraad Oosten van Greenwich {Midden-Europese tijd). Den 16 april 1917, 2 uur 's morgens [Midden-Europese tijd), moeten de openbare uurwerken tot op 3 uur voorgezet, den 17 september 1917, 3 uur 's morgens {Midden- Europese zomertijd), tot op 2 uur achteruitgezet. worden.
Onder openbare uurwerken zijn niet alleen te verstaan de torenuurwerken en de uurwerken, die in straten en op pleinen geplaatst zijn, doch al de uurwerken in huizen, waartoe het publiek toegang heeft, als zijnde : openbare verkeersinrichtingen, gasthoven, banken, scholen, winkels, enz.
Op 17 september 1917 komt het uur van 2 tot 3 uur 's morgens tweemaal voor ; de eerste maal wordt dit uur als 2 A, 2 A 1 minuut, enz.., tot 2 A 59 minuten, de tweede maal als 2 B,2 B 1 minuut, enz.., tot 2 B 59 minuten aangeduid.
Vorenstaande tijdsbepaling is inzonderheid in acht te nemen voor al de openbare aankondigingen, uurtabellen, evenals voor het vaststellen van gerechtelijke termijnen en van school-, kantoor-, magazijn- en bedrijfsuren.
Brussel 30 maart 1917.
No. 332. - 11. april 1917.
Verordening *** houdende wijziging van de Verordening betreffende de bezuiniging van brandstoffen en verlichtingsmiddelen.
De Verordening van 14 februari 1917 {Wet- en Verordeningsblad, Nr. 311) wordt als volgt gewijzigd :
§ 1. Met ingang van 16 april 1917 mogen winkels en verkooplokalen tot 8 uur 's avonds, met ingang van 15 mei 1917 tot 9 uur 's avonds open blijven.
§ 2. In III van de Verordening worden de woorden „per 15 kubieke meters'' vervangen door „per 15 vierkante meters'
Brussel 7 april1917.
C. C. IV A 8321.
No. 333. - 14. april 1917.
Verordening ***
betreffende de verhooging van den maalgraad.
§ 1. De Verordening van 27 februari 1917, betreffende de verhoging van den maalgraad (Wet- en Verordeningsblad,bl. 3358), is opgeheven.
§ 2. Onder wijziging van § 4 mijner Verordening van 8 Juli 1916, over het malen en vervoeren van koren (Wet- en Verordeningsblad, bl. 2401), stel ik, op voorstel van de Centrale Oogstcommissie (Zentral-Ernte-Kommission), den maalgraad zoowel voor inheemsch als voor ingevoerd koren tot nader bericht vast op ten minste 97 %. Deze maalgraad is zoo te verstaan, dat al het koren, met de zemelen, ten volle moet worden uitgemaald. De vastgestelde maalgraad geldt eveneens voor het koren, dat voor de voeding van de verbouwers zelf dient.
De molens, die de toelating hebben om koren te malen, zijn verantwoordelijk voor liet nakomen van bovenstoatid voorschrift beireffende den maalgraad.
§ 3. Deze Verordening wordt onmiddellijk van kracht
Brusself den 13 april1917.
Z. E. K. 1334117,

No. 334. – 17. april I917.
Bekendmaking. ***
Elke beschadiging aan telegraaf- en telefooninrichtingen alsook aan spoorwegen veroorzaakt, zal overeenkomstig het krijgsrecht gestraft worden. De wet, die in dergelijke gevallen toepasselijk is, voorziet de doodstraf.
Wordt de dader niet aangehouden, zo zullen de strengste maatregelen getroffen worden tegen de gemeente, op wier gebied of in nabijheid de beschadiging veroorzaakt is.
Brussel 10 april1917.

No. 335. - 19. april 1917.
Verordening
betreffende de afscheiding van het arrondissement Nijvel van de provincie Brabant.
Art. 1. Het arrondissement Nijvel wordt van de provincie Brabant afgescheiden en bij de provincie Henegouwen ingelijfd.
Art. 2. De wet van 18 april 1903 over het aantal provincieraadsleden wordt derwijze gewijzigd, dat de raadsleden uittreden uit den provincieraad van Brabant om deel uit te maken van den provincieraad van Henegouwen wel : 3 voor het kanton Geldenaken, 2 voor het kanton Genappe 2 voor het kanton Berwez, 3 voor het kanton Waver en 4 voor het kanton Nijvel.
De raadsleden die tezelfdertijd lid zijn van de bestendige afvaardiging van de provincie Brabant treden eveneens uit dit lichaam om deel uit te maken van de bestendige afvaardiging van de provincie Henegouwen. Het aantal leden van de bestendige afvaardiging {artikel 96 van de provincie'wet van 30 april 1836) wordt voor Brabant met 2 verminderd,voor Henegouwen met 2 vermeerderd ; dit geldt slechts tot de eerstkomende verkiezing voor de bestendige afvaardigingen.
Art. 3. De solidaire verantwoordelijkheid van de provincies voor de leningen, naar aanleiding van de hun opgelegde oorlogsbelasting aangegaan, wordt hierdoor in geenen deele gewijzigd.
Art. 4. De provincies Brabant en Henegouwen zullen tot een vermogensrechtelijke verdeling overgaan, waarvan ik mij de goedkeuring voorbehoud.
Art. 5. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur {Verwaltungschef)
bij den Generalgouverneur in België, is belast met de uitvoering van deze Verordening.
Brussel 13 april1917.

No. 335. - 19. april 1917.
Verordening
over de likwidatie van Franse ondernemingen.
Enig Artikel. De voorschriften van de Verordening van 29 Augustus 1916, over de liquidatie van Britse ondernemingen {Wet- en Verordeningsblad Nr. 253) worden, bij wijze van vergelding, toepasselijk verklaard op ondernemingen wier kapitaal voor het merendeel aan Franse onderdanen toebehoort, of wier leiding of bewaking thans haar zetel op Frans gebied heeft, of waarvan dit tot bij het uitbreken van den oorlog het geval was, alsook op Franse deelhebbingen in een onderneming en op Franse vermogenswaarden van om het even welken aard.
Brussel den 15 april1917.

No. 336. - 22. april 1917.
MINISTERIE VAN WETENSCHAPPEN EN KUNSTEN. AFDELING LAGER ONDERWIJS.
Examen voor onderwijzers, voorzien bij artikel 4 der organieke wet. Oproep tot de kandidaten.
Jury's zullen worden aangesteld om in Juli 1917 het examen voorzien bij artikel 24 der organieke wet af te nemen.
De kandidaten moeten den 3 december 1917 ten volle 19 jaar oud zijn. Op deze bepaling wordt geen uitzondering toegestaan.
Zij moeten hun aanvraag op ongezegeld papier en volgens onderstaand model opgesteld, voor 10 juni 1917 hij het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten indienen.
De kandidaten, die onderwijs wensen te geven in het Vlaams land of in het Duits taalgebied, moeten hun aanvraag sturen aan de Vlaamse afdeling van het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten (Waterwerktuigstraat 12—14); degenen, die zich aanbieden voor het Walenland, aan de Waalse afdeling van het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten (Liefdadigheidsstraat 25) (Verordening van 13 december 1916, Wet- en Verordeningsblad, nr. 288).
De aanvraag moet vergezeld gaan van :
1. een uittreksel uit de geboorteakte,
2. een getuigschrift van onbesproken gedrag, afgeleverd door de gemeente waar de kandidaat woont,
3. een geneeskundig getuigschrift verklarende dat de kandidaat aan geen lichamelijk gebrek lijdt, van aard om aan het gezag, dat hij als onderwijzer moet hebben, afbreuk te doen ;
4. een opsomming van de getuigschriften en diploma's van den kandidaat, met aanduiding van de inrichtingen, die ze hebben afgeleverd.
N. B. Overeenkomstig de voorschriften van het Zegelwetboek van 25 maart 1891 moet het uittreksel uit de geboorteakte en het getuigschrift van onbesproken gedrag op gezegeld papier worden ingediend.
De aanzoekers zullen bijtijds door de zorgen van den voorzitter der jury opgeroepen worden,
Model van de aanvraag ter inschrijving voor het examen van onderwijzer of van onderwijzeres.
De ondergetekende {naam, voornaam, beroep),
wonende te,, .,, {straat, nummer, zoo nodig),
provincie ,
geboren te .... , den .... 18. . . .
wenst zich te laten inschrijven voor het in juli 1917 4 te houden examen van { onderwijzer onderwijzeres ) '' der organieke wet op het lager onderwijs.
Hij een
in het Vlaams land.
In het Duits landsdeel
in het Walenland.
{Dagtekening.)
{Handtekening.)
Model van het geneeskundig getuigschrift.
Ik ondergetekende (naam, voornamen en adres), dokter in de geneeskunde, enz., getuig dat, . . {naam, voornamen en adres van den aanzoeker),
aan geen der gebreken lijdt, die opgesomd zijn in het aanhangsel van het ministerieel besluit van 31 december 1897 {Beheer van het Lager Onderwijs 2e afdeling nr. 131201), en ook niet aan een lichamelijke kwaal onderhevig is, die aan het gezag, dat een onderwijzer over zijn leerlingen behoort te hebben, afbreuk zou kunnen doen. . . . . , den .... 19. ..
(Handtekening).

No. 337. - 23. april 1917.
Verordening waarbij een aanvullend tolrecht op de tabak wordt gevestigd.
Artikel 1.
Onbewerkte, niet vertolde tabak.
§ 1. De onbewerkte tabak van elke soort die na de inwerkingtreding van deze Verordening vertold wordt is belastbaar met een aanvullend tolrecht van 50 1. h, van de waarde, onberekend de invoerrechten voorzien bij artikelen 1 en 2 van de Verordening van 1 maart 1916, waarbij het toltarief en enkele accijnsrechten gewijzigd worden (Wet- en Verordeningsblad, bl. 1694).
§ 2. Als waarde geldt de prijs van de tabak op het ogenblik dat zij door den verkoper {handelaar)aan den bewerker (fabrikant) wordt geleverd, waarbij afslag, vergoeding van intresten, prijsverminderingen, enz., niet in rekening komen.
§ 3. Door verkoper wordt in den zin van deze Verordening verstaan, al wie met het aanvullend tolrecht belastbare tabak aan een fabrikant levert. Zover de fabrikant zelf onbewerkte tabak voortverkoopt, wordt hij als verkoper in den zin van deze Verordening beschouwd.
§ 4. Het aanvullend tolrecht wordt vastgesteld en geheven op het ogenblik dat de tabak door den fabrikant ter bewerking rechtstreeks ingevoerd, ofwel hetzij uit een openbaar entrepot, hetzij uit een bijzonder berg entrepot uitgeslagen wordt. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur {Verwaltungschef) is bevoegd uitzonderingen toe te laten voor het afhalen van kleine hoeveelheden.
§ 5. De tabaksverkopers zijn gehouden de ingevoerde met het aanvullend tolrecht belastbare tabak neder te leggen in een openbaar entrepot of in een bijzonder berg -entrepot, tot op het ogenblik dat zij ter bewerking door een fabrikant in bewaring overgenomen wordt (§4). Voor in- en uitslag van met het aanvullend tolrecht belastbare tabak, moeten zij overeenkomstig nadere, door het Tolbeheer uit te vaardigen voorschriften boeken houden, waarin inzonderheid de aankoopprijs, het gewicht en de benaming van de tabak, de verkoopprijs, alsmede de naam van den koper na te gaan zijn. Op verzoek van de met het toezicht belaste tolbeambten moeten de verkopers bun handelsboeken en geschriften vertonen, welke op aan- en verkopen van de buitenlandse tabak, alsmede op de daarvoor gedane en ontvangen betalingen betrekking hebben.
§ 6. Op verzoek van de met het toezicht belaste tolbeambten moeten de fabrikanten al de rekeningen vertonen over de betrokken tabak, en deze beambten desgewenst image laten nemen van de handelsboeken en geschriften, welke betrekking hebben op den aankoop en de betaling van buitenlandse tabak, alsmede op het voortverkopen er van, indien daartoe wordt overgegaan.
§ 7. De verkopers en de fabrikanten moeten hun handelsboeken, rekeningen en geschriften gedurende drie jaar bewaren,
§ 8. leder fabrikant, die met het aanvullend tolrecht belastbare tabak ter bewerking in zijn fabriek wenst in te slaan, is gehouden, uiterlijk een week voor den inslag in zijn bedrijf, op het bevoegd tolkantoor aangifte van de waarde te doen. In bepaalde gevallen kan het Hoofd van het burgerlijk bestuur den verkoper toelaten de aangifte, waartoe de fabrikant verplicht is, op zich te nemen.
§ 9. De aangifte van de waarde moet gestaafd zijn door.de rekening van den verkoper aan den fabrikant.Deze rekening mag enkel betrekking hebben op de aan vertolling te onderwerpen tabak. Zij strekt tot grondslag van de ambtelijke waarde raming.
De aangifte van de waarde moet inzonderheid den naam en de woonplaats van den verkoper en van den fabrikant, den te betalen aankoopprijs, den datum van aankoop, het land van herkomst, de gebruikelijke benarning der tabakssoort en het gewicht van de tabak vermelden. Indien de fabrikant onbewerkte tabak rechtstreeks uit het buitenland betrekt, wordt de prijs verhoogd met de vervoer-, verzekerings-, ladings-, opslag- en andere kosten, die voor het vervoer van de tabak tot in het tolbinnenland worden gevorderd. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur is gemachtigd voor deze waardeverhooging vaste rechten per 100 kilogram iahak te bepalen.
§ 10. Wanneer de aangifte van de waarde niet door een rekening in den zin van § 9 kan worden gestaafd, of wanneer het onmogelijk is den prijs vast te stellen, die door den fabrikant aan den verkoper voor den afstand van den tabak wordt betaald, moet als aan te geven waarde, op voet waarvan het aanvullend tolrecht zal worden berekend, de prijs genomen worden, dien de fabrikanten naar den algemenen toestand van de markt op het tijdstip dat de tabak ter vertolling wordt aangeboden, in dezelfde omstandigheden aan de verkopers moeten betalen voor tabak van dezelfde hoedanigheid.
§ 11. De prijs, in de aangifte van de waarde aangeduid, mag eerst dan tot maatstaf dienen voor de vaststelling van het aanvullend tolrecht, wanneer een door het Hoofd van het burgerlijk bestuur aangewezen deskundige het Tolbeheer heeft te kennen gegeven, dat de aangeduide prijs als betrouwbaar mag beschouwd worden.
§ 12. Wanneer het Tolbeheer of de aangewezen deskundige aan de nauwkeurigheid van de aangifte der waarde twijfelt, neemt men voor de waarde, welke tot maatstaf moet dienen bij het berekenen van het aanvullend tolrecht, den prijs dien de fabrikanten naar den algemenen toestand van de markt op het tijdstip dat de tabak ter vertolling wordt aangeboden onder dezelfde omstandigheden aan de verkopers moeten betalen voor tabak van dezelfde hoedanigheid. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur stelt voorgoed het bedrag van deze waarde vast.
§ 13. Het Tolbeheer en de deskundige zijn gemachtigd stalen te nemen van de ter vertolling aangeboden tabak. Voor de gelichte stalen wordt aan denfabrikant een vergoeding op voet van de aangegeven waarde toegekend.
§ 14. Nadat het aanvullend tolrecht betaald is, mag de tabak niet worden voortverkocht in onbewerkten staat, zonder voorafgaande toelating van het Hoofd van het burgerlijk bestuur.
Artikel 2,
Onbewerkte, vertolde tabak.
§ l.Opde buitenlandsche tabak, die op den datum van de inwerkingtreding van deze Verordening reeds volgens de begtaande wettelijke bepalingen vertoîd, doch nog niet verwerkt «, wordt een nakomend aanvullend recht van 50 t. h, der waarde gevestigd.
§ 2. Wie tabak van de onder § 1 vermelde soort in bewaring heeft, moet binnen 2 weken na de inwerkingtreding van deze Verordening, schriftelijke aangifte er van doen op het bevoegd tolkantoor, overeenkomstig nadere, door het Hoofd van het burgerlijk bestuur uit te vaardigen voorschriften.
§ 3. Heeft een verkoper de tabak in bewaring, dan moet deze laatste, overeenkomstig nader bij door het Tolbeheer voor te schrijven schikkingen en binnen 2 weken na de inwerkingtreding van deze Verordening, bedoelde tabak in een openbaar entrepot of in een bijzonder berg-entrepot neder leggen totdat zij ter bewerking door een fabrikant in bewaring overgenomen wordt. Uitzonderingen zijn enkel met toestemming van het Hoofd van het burgerlijk bestuur veroorloofd.
§ 4. De fabrikant die tabak ter bewerking bestemd en behorende tot de soort bedoeld onder § 1 bewaring heeft, moet op de aangifte (§ 2) ook de waarde er van aanduiden en bij het Tolbeheer het overeenkomstig aanvullend tolrecht binnen
3 dagen na de vaststelling betalen.
§ 5. Overigens zijn de voorschriften van artikel 1, §§ 2— 14 in dezelfden zin toepasselijk.
Artikel 3,
Bewerkte tabak.
§ 1, De bewerkte tabak {sigaren, sigaretten en andere bewerkte tabak), na het in werking treden van deze Verordening ter vertolling aangegeven, is onderworpen aan een aanvullend tolrecht van 50 1 h. der waarde omgerekend de invoerrechten voorzien bij artikelen 1 en 2 van de Verordening van 1 maart 1916, waarbij het toltarief en enkele accijnsrechten gewijzigd worden (Wet- en Verordeningsblad, bl 1694) en bij artikel 1 van de Verordening van 28 juni 1916 y waarbij het Toltarief gewijzigd wordt (Wet- en Verordening blad, bl. 2312).
AU waarde geldt de prijs betaald of te betalen door den invoerder. Deze is gehouden, bij de vertolling van de bewerkte tabak voor het vrij verkeer, aangifte van de waarde te doen, overeenkomstig nadere, door het Tolbeheer uit te vaardigen voorschriften, en de rekening van den leveraar er bij te voegen.
§ 2. De voorschriften van artikel 1, §§ 9—15, zijn hier insgelijks in de zelfde zin toepasselijk.
§ 3. Voor de bewerkte tabak ingevoerd door reizigers, bedraagt het aanvullend tolrecht 2.500 frank per 100 kilogram. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur bepaalt wat onder invoer door reizigers te verstaan is.
Artikel 4.
Uitvoeringsmaatregelen.
§ 1. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur is belast met het uitvaardigen der nodige uitvoeringsmaatregelen met het oog op de uitvoering van deze Verordening.
§ 2. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur is insgelijks gemachtigd, voor te schrijven dat het aanbieden ter vertolling van onbewerkte tabak slechts hij een of meer bepaalde tolkantoren en alleen op enkele daartoe vastgestelde dagen mag geschieden.
§ 3. De Belgische algemene tolvoorschriften zijn in de zelfde zin toepasselijk, zover in deze Verordening of in de uitvoeringsbepalingen daartoe geen andere maatregelen bepaald zijn.
Artikel 5.
Strafbepalingen.
§ 1. Het ontduiken van het aanvullend tolrecht, voorzien bij artikelen 1,2 en S, § 1, wordt in elk afzonderlijk geval met een boete van 10.000 tot 100.000 frank of, bijaldien de boete niet invorderbaar is, met 3 maanden tot 2 jaar gevangenis gestraft. Bovendien zal de in aanmerking komende tabak verbeurdverklaard worden of bijaldien zulks niet uitvoerbaar is, zal tot het betalen van de waarde veroordeeld worden.
§ 2. Wordt inzonderheid gestraft om het aanvullend tolrecht te hebben ontdoken :
1. Wie zonder toelating van het Hoofd van het burgerlijk bestuur onbewerkte tabak voortverkoopt, waarop het aanvullend tolrecht werd betaald (art. 1, § 14) ;
2. Wie in zijn hoedanigheid van verkooper, het voorschrift van artikel i, § 5, le zin, of van artikel 2, § 3, overtreedt ;
3. Wie met het doel er gebruik van te maken, bij het vaststellen van het aanvullend tolrecht, onnauwkeurige rekeningen vertoont of onnauwkeurige afschrijven van rekeningen opmaakt, of wie bij het aangeven der waarde, van dergelijke onnauwkeurige geschriften gebruik maakt ;
4. Wie bij het aangeven van de waarde onnauwkeurige gegevens betreffende stellige feiten verstrekt ;
5. Wie verzuimt de bij artikel 2, § 2, voorziene aangifte te doen, of er onnauwkeurige gegevens betreffende stellige feiten in vermeldt.
§ 3. In geval van ontduiking van het bij artikel 3, § 3, voorzien aanvullend recht zal van 100 tot 2000 frank boete of, bijaldien de boete niet invorderbaar is, 8 dagen tot 3 maanden gevangenis uitgesproken worden. De bepaling van artikel 5, § 1, lid 2, is hier insgelijks van toepassing.
§ 4. Andere overtredingen van de voorschriften van deze Verordening of van de uitvoeringsbepalingen daartoe, worden, in elk afzonderlijk geval en voor zover zij niet onder de toepassing vallen van de straffen voorzien bij artikel 5, §§ 1, 2 en 3, met een boete van 500 lot 10.000 frank of, bijaldien de boete niet invorderbaar is, met één maand tot één jaar gevangenis gestraft,
§ 5. De algemene Belgische voorschriften aangaande de in tolzaken op te leggen straffen, zijn in de zelfde zin toepasselijk op de hier voorziene straffen.
§ 6. Naast de uitgesproken straffen, blijft bovendien het aanvullend tolrecht te betalen. Brussel 4 maart 1917.

No. 337. - 23. april 1917
Bckendmakiug.
In uitwerking van artikel l § 11 der Verordening van 4 april 1917 waarbij een aanvullend tolrecht op de tabak wordt gevestigd, is de heer Hennann Stakelbeck, koopman te Brussel, tot deskundige aangesteld voor het vaststellen van de waarde, welke tot maatstaf dient voor het berekenen van het aanvullend recht op de tabak. Brussel 19 april 1917.
No. 337. - 23. april 1917.
Verordening ***
betreffende de uitbreiding van de zeden politie omschrijving Groot-Antwerpen op de gemeenten Hemiksem en Schelle. In aanvulling mijner Verordening van 6 maart 1915, betreffende de inrichting van een zedenpolitie te Antwerpen, enz., bepaal ik het navolgende :
Art. I. De gemeenten Hemiksen en Schelle zijn aangesloten hij de zedenpolitieomschrijving, ingericht voor de stad Antwerpen en de aangrenzende gemeenten.
Art. III. Artikel II der Verordening van 6 Maart 1915is op deze Verordening toepasselijk.
Brussel 19 april 1917.

No. 338. - 25. april 1917
Verordening ***
betreffende het vervoer van goederen buiten het gebied van het Generalgouvernement naar spoorwegstations aan de Duits-Belgische grens.

Art. i. De toelating van het Hoofd van het burgerlijk bestuur {Verwaltungschef) bij den Generalgouvemeur in België is vereist voor het vervoer van levens-, genot- en voedermiddelen, vee en paarden binnen het gebied van het Generalgouvernement naar Angleur, Chênée, Henné Chatidjontaine, La Brouck, Trooz, Fraipont, Nessonvaux-Fraipont, GofJontaine, Comesse, Pepinster, Ensival, Verviers-Oost, Verviers-West, Nasproiié, Dolhainy Dolhain-Buurtspoorweg, Welkenraad, Henri-Chapelle, Montsen, Moresnet, Bleyherg en Gemmenich. Dit voorschrift is niet toepasselijk op het vervoer voor de Commission for relief en voor het Nationaal Komiteit,

Art. 2. De toelating wordt verleend door het afdrukken van een stempel, waarin de ronde Rijksadelaarsstempel staat met, dis randschrift, den naam van de overheid die de toelating verleent. Het toelatingsbewijs moet binnen 5 dagen na verloop van den geldigheidsduur teruggegeven worden.

Art. 3. De bijzondere voorschriften van de andere Verordeningen over het vervoer van goederen blijven toepasselijk De voorschriften van de Belgische wetgeving inzake tol- en accijnzen betreffende de vervoerbewijzen van goederen, die aan rechten onderworpen zijn, blijven eveneens van kracht.

Art. 4. Wie de voorschriften van deze Verordening overtreedt wordt met ten hoogste 3 jaar gevangenis of met ten hoogste 30.000 mark boete, of met één van beide straffen gestraft.
De poging tot overtreden is strafbaar.
Naast de straf kan bovendien de verbeurdverklaring der goederen uitgesproken worden. De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd»
Brussel 15 april1917.
No. 338. - 25. april 1917.
Verordening, Aangifte van voorraden hout in het gebied van het Generalgouvernement «
Bij wijze van toelichting van mijn Verordeningen van 27 november 1915, Afd. J. Nr. 14146 15 {Wet- en Verordeningsblad Nr. 149 van 3 december 1915, bl. 1390) en van 16 juni 1916, Afd, J. Il Nr. 1071 16 (Wet- en Verordeningsblad, Nr. 225 van 22 juni 1916, bl. 2269), vestig ik de aandacht der belanghebbenden er op, dat al de voorraden hout, die bij invoerders, tussenhandelaars, verbruikers, schrijnwerkers, in fabrieken, enz. voorhanden zijn, moeten aangegeven worden. Alleen staande bomen vallen buiten de verplichte aangifte.
Brussel 17 april1917.
Ik bepaal dat vorenstaande toelichting in de verschillende plaatsen bij plakbrief ter algemeene kennis gebracht worden.
No. 338. - 25. april 1917.
Aanvulling *** van de Verordening over het aanslaan van woudbomen. (Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, Nr. 194 van 31 maart 1916, bl. 1833 en 1834). Aan de Verordening van 22 maart 1916, J. II. 121 16, over het aanslaan van woudbomen, is volgende wijziging toegebracht, die met ingang van heden in werking treedt. De vroegere Verordening is dienovereenkomstig terecht te brengen en te wijzigen.
Bij § 2is onderstaand nieuw lid te voegen : De inbeslagneming kan ook bij Verordening van een der in § 1 opgesomde gouverneurs of commandanten bevolen worden, zover de inbeslagneming al de bomen van een bepaalde soort binnen het ambtsgebied van den betrokken gouverneur of commandant betreft.
De tekst van § 3 luidt voortaan als volgt : De bezitter verliest het recht over de inbeslaggenomene bomen te beschikken, van het ogenblik af waarop het inbeslagnemingsbewijs hem overhandigd wordt, of van het ogenblik af van het van kracht worden der Verordening betreffende de inbeslagneming, uitgevaardigd door den in § 1 genoemden gouverneur of commandant. Het beschikkingsrecht gaat over op den gouverneur of commandant, die de inbeslagneming bevolen heeft.
Brussel 20 maart 1917

No. 340. - 30. april 1917.
Verordening. Ten einde te voorzien in het vormen van leerkrachten, die bekwaam zijn om in de bijzondere leervakken aan de lagere normaalscholen, de lagere scholen en de avondscholen te onderwijzen overeenkomstig de voorschriften van artikel 20 der wet van 15 juni 1914 tot regeling van het lager onderwijs en van de Verordening van 2 Augustus 1916 (Wet- en Verordeningsblad, gl 2485), verorden ik het navolgende :

Art. 1. Voor het afnemen van de examens, voorgeschreven hij koninklijk besluit van 28 Februari 1890
a) tot het gekomen van het diploma voor het onderwijs aan lagere normaalscholen in
1. het tekenen
2. het turnen
3. het handwerk
4. de huishoudkunde en het huishoudwerk,
b) tot het gekomen van het gekwaamheidsgetuigschrift voor het onderwijs aan de lagere scholen in
1. het tekenen
2. het turnen
3. het handwerk {meisjesscholen)
4. de huishoudkunde en het huishoudwerk voor meisjesscholen
5. de handenarheid (Jongensscholen)
6. de landbouwkunde (jongensscholen), moet voor ieder der drie landstalen (Vlaams, Frans en Duits) een afzonderlijke jury samengesteld worden.

Art. 2. De kandidaat moet in zijn aanvraag om tot het examen te worden toegelaten opgeven in welke taal hij het examen wenst af te leggen.

Art. 3. De examens zullen uitsluitend worden afgenomen in de taal, voor dewelke de jury samengesteld is. Diploma's en bekwaamheidsgetuigschriften worden in dezelfde taal opgesteld.

Art. 4. Diploma's en bekwaamheidsgetuigschriften moeten uitdrukkelijk vermelden, of de kandidaat de nodige bekwaamheid verworven heeft om in de betreffende vakken onderwijs te geven door middel van het Vlaams, van het Frans of van het Duits. De slotzin, van de formulieren, voorgeschreven hij de ministeriële beschikkingen van 3 en 7 maart, 25 augustus en 15 September 1890, zal dienovereenkomstig voortaan luiden :
„Ter bevestiging daarvan u hem dit diploma (getuigschrift)
afgeleverd voor klassen met
Vlaams als voertaal
Frans als voertaal
Duits als voertaal

Art. 5. Leerkrachten, die een van de in artikel 4 bedoelde diploma's (getuigschriften) na 1 mei 1917 betaald hebben, mogen in scholen, vallende onder toepassing der wet van 15 juni 1914 en onder toepassing der Verordening van 2 Augustus 1916, slechts onderwijs geven in een klas, waarvan de voertaal dezelfde is als die in het diploma {getuigschrift) is opgegeven.

Art. 6. Het onderwijs in de bij artikel 1 opgesomde bijzondere vakken moet in de van staatswege ondersteunde lagère normaalscholen, lagere scholen en avondscholen gegeven worden in de taal, die voor de school of voor de klas als voertaal is vastgesteld.

Art. 7. De handboeken en de leermiddelen voor de bijzondere vakken moeten opgesteld zijn in de taal, die voor het vak als voertaal is voorzien. Voor diploma's en getuigschriften moet de voertaal gebruikt worden van de klas waartoe de leerling behoort. Dit geldt eveneens voor de schikkingen van de schoolbeheren en voor het schriftelijk verkeer met de ouders der leerlingen.

Art. 8. De van staatswege ondersteunde lagere normaalscholen, lagere scholen en avondscholen, die de vorenstaande bepalingen niet naleven, stellen er zich aan bloot niet langer door den Staat erkend te worden en de staatstoelage te verliezen.
Art. 9. De bepalingen van artikelen 1—4 worden onmiddellijk van kracht, de overige bepalingen van deze Verordening met ingang van het schooljaar 191711918.
Brussel 21 april 1917.

No. 340. - 30. april 1917. 103
Verordening *** betreffende de opneming van de landbouwvlakten in het jaar 1917.
Art. 1. Onder wijziging van § 1 der Verordening van 24 *** . Zie blz. 1. Maart 1917 betreffende de opneming van de landbouwvlakten in het jaar 1917 {Wet- en Verordeningsblad, blz 3518 en 3519), zal tot de opneming van de landbouwvlakten worden overgegaan van 7 tot en met 17 mei aanstaande.
Art. 2. Voor het overige blijven de bepalingen van hiervoren genoemde Verordening van kracht. Brussel den 26 april1917,
C. C. VII 2718.
No. 341. - 3. mei 1917.
Verordening
over de burgerlijke strafrechtspleging in de tot het Gèneralgouvernement behorende gedeelten van het Frans grondgebied aan de Maas en de Semois.

Art. 1. De vredegerechten te Givet en te Fumay blijven als politierechtbanken hun werking uitoefenen; dat van Tumay is tevens bevoegd voor het tot Generalgouvemement behorend gedeelte van het kanton Monthermé.

Art. 2. Voor de tot het Generalgouvemement behoorende gedeelten van het Frans grondgebied aan de Maas en de Semois wordt hierbij een „Frans gerecht te Givet" opgericht, dat zover de bevoegdheid niet tot de krijgsrechtbanken of tot de krijgsbevelhebbers of tot de politierechibanken (artikel 1) behoort, overeenkomstig het Frans recht zal oordeelvellen over de strafbare handelingen der burgerlijke bevolking, ook wanneer die voor het inwerkingtreden dezer Verordening werden begaan. De samenstelling van dat gerecht geschiedt bij bijzonder besluit.

Art. 3. Tegen beslissingen van het Frans gerecht te Givet is er geen verhaal.

Art. 4. Het recht van kwijtschelding en vermindering van straf blijft mij voorbehouden.

Art. 5. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur houdt toezicht over het gerecht en treft ook alle verdere schiikkingen die voor de uitvoering dezer Verordening noodzàkelijk zijn.
Brussel 21 april1917.
No. 341. - 5. mei 1917.
Bekendmaking. ***
A. Het is aan de bevolking verboden :
1. Een geland luchtvaartuig van een met het Duits Rijk in oorlogstoestand zijnde natie te naderen ;
2. De bemanning van een geland luchtvaartuig op enigerlei wijze behulpzaam te zijn, tenzij bij de redding wanneer ze in ernstig levensgevaar verkeert ;
3. Zich voorwerpen van om het even welken aard toe te eigenen, die uit luchtvaartuigen naar beneden geworpen zijn;
4. In welken vorm ook tekens te geven aan de bemanning van vijandelijke luchtvaartuigen.
B. De bevolking is verplicht :
Ingeval een vijandelijk luchtvaartuig geland is of ingeval voorwerpen gevonden worden, die uit een dergelijk toestel naar beneden geworpen zijn, onverwijld den burgemeester van de naast bij gelegen gemeente en den eerst te bereiken soldaat daarvan kennis te geven. De burgemeester moet de ontvangen mededeling onmiddellijk overmaken aan den eerst te bereiken militairen post.
C. Overtredingen van de hiervoren opgesomde verbodsbepalingen en bevelen worden met ten hoogste 3 jaar gevangenis of met ten hoogste 10,000 mark boete gestraft, Beide straffen kunnen ook te gelijk worden uitgesproken. Is er krijgsverraad begaan, zoo kan de overtreding krachtens de strafbepalingen die voor krijgsverraad toepasselijk zijn, met de doodstraf of met dwangarbeid gestraft worden. De krijgsrechtbanken en de krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.
Bovendien blijft het recht voorbehouden de schuldige gemeenten een aanzienlijke krijgsbelasting op te leggen.
Brussel, den 26n april 1917.
No. 342. - 5. mei 1917.
Bekendmaking. ***
Op grond mijner Verordening van 8 Juli 1916 betreffende de Oogstcommissies evenals der uitvoeringsbepalingen van 8 Juli 1916 tot deze Verordening, héb ik, op voorstel der Centrale Oogstcommissie {Zentral-Emie-Kommission), de hoogste prijzen voor den verkoop van gedorst koren, meel en brood voorshands als volgt vastgesteld : voor tarwe uit stapelplaats of molen geleverd frank 49.88 per 100 kgr.
rogge uit stapelplaats of molen geleverd
masteluin uit stapelplaats of molen geleverd
ongepelde spelt uit stapelplaats of molen geleverd
tarwemeel aan bakkers of verbruikers geleverd
roggemeel aan bakkers of verbruikers geleverd
masteluinmeel aan bakkers of verbruikers geleverd
tarwebrood aan verbruikers geleverd
Deze hoogste prijzen worden op 15 mei 1917 van kracht.
De Provinciale Oogstcommissies {Provinzial Ernte- Kommissionen) zijn bevoegd, voor de omschrijving van afzonderlijke gemeenten, op verzoek of na raadpleging van de burgemeesters, telkens een lageren hoogsten prijs voor brood, tot het bereiden waarvan roggemeel wordt gebruikt, vast te stellen.
Voor den verkoop van koren door de voortbrengers aan het Nationaal Hulp- en Voedingskomiteit, blijven de hoogste prijzen, vastgesteld in de uitvoeringsbepalingen tot de Verordening van 8 Juli 1916, betreffende de Oogstcommissies, van kracht.
Brussel, 27 april 1917
No. 343. - 5. mei 1917.
Verordening : betreffende het dragen van kentekens in de scholen.
Art 1. Belgische kentekens of kentekens van andere met het Duitse Rijk of met dezes bondgenoten in oorlog zijnde landen {vaandels, behangsels, linten, strikken, penningen en dergelijke) mogen noch in de schoollokalen aangebracht, noch door leden van het onderwijzend personeel of van het toezichtpersoneel, noch door scholieren of scholierster in de school zelve of ter gelegenheid van door de school ingerichte feesten, uitstappen, enz. gedragen worden.
Art. 2. Leden van het onderwijzend personeel, schoolhoofden en schoolopzieners, die overtredingen van het verbod vervat in artikel 1 dulden, begunstigen, er aanleiding toe geven, of zelf zulke overtredingen begaan, worden met ten hoogste 1500 mark boete of met ten hoogste 6 maanden gevangenis gestraft.
Art. 3. De Duitse overheden zijn bevoegd de lokalen i van cd de in België bestaande scholen te betreden, om overtredingen van het verbod vervat in artikel 1 te verhinderen en om de onder artikel 2 aangeduide strafbare handelingen voor te stellen ; zij zijn om dezelfde redenen eveneens bevoegd het onderwijs, alsmede de feesten, uitstappen. enz., door de scholen ingericht, te bewaken.
Art. 4. Wie de onderzoekingen naar de onder artikel 2 ' aangeduide strafbare handelingen of de op grond van artikel 3 bevolen bewakingsmaatregelen bemoeilijkt of verhindert, wordt met ten hoogste 1500 mark boete of met ten hoogste 6 maanden gevangenis gestraft.
Art. 5. De krijgsbevelhebbers en de krijgsrechtbanken zijn bevoegd de in artikelen 2 en 4 aangeduide strafbare handelingen te vonnissen.
Brussel, 26 april 1917.
No. 342. - 5. mei 1917.
Verordening.
Enig Artikel. Tot pandbeleggingen van om het even welke soort beslag bij uitvoering, beslag onder derden, en vertogen tot faillissement-verklaringen van vermogens, die krachtens de Verordeningen van 17 februari 1915 en van 18 februari 1916 {Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, nr 41 en 181) onder dwangbeheer zijn geplaatst alsook van ondernemingen, voor dewelke op grond der Verordening van 26 november 1914, Hoofdstuk VI (Wet en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, nr 16) een vertegenwoordiger is aangesteld, mag slechts overgegaan worden met de toelating van de Duitse overheid, die het dwangbeheer of de vertegenwoordiging bevolen heeft.
Brussel, 26 april 1917.
No. 342. - 5. mei 1917.
Bekendmaking.
betreffende de liquidatie van Britse ondernemingen* Met toestemming van den heer Generaalgouverneur in België, heb ik, overeenkomstig de Verordening van 29 Augustus 1916, over de liquidatie van Britse ondernemingen (Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België Nr. 253 van 13 september 1916), de liquidatie bevolen van het in België voorhanden zijnde vermogen van het huis : „Liebig Extract of Méat Cy, Ltd. of London'
De heer Dr. Lappenberg, Meir 14, te Antwerpen, is tot likwidator benoemd. De likwidator verstrekt nadere inlichtingen.
Brussel, 29 april 1917,
No. 342. - 5. mei 1917.
Bekendmaking. ***
Wie zich schuldig maakt aan onveroorloofden doorvoer van goederen door den elektrische draad wordt, onverminderd de gerechtelijke vervolging wegens verspieding, met gevangenisstraf van 2 maanden tot 5 jaar en met ten hoogste 10.000 mark boete, of met één dezer beide straffen gestraft, Wie aan den elektrische draad of in de grenshavens onveroorloofd doorgevoerde goederen in ontvangst neemt of handel in drijft, wordt met dezelfde straf gestraft. In ieder geval zal de verbeurdverklaring van de doorgevoerde goederen uitgesproken worden.
De krijgsrechtbanken en de krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.
Brussel, 30 april 1917.

No. 343. - 8. mei 1917.
Verordening ***
betreffende het uitoefenen, door de Voorzitters van het burgerlijk bestuur (Prasidenten der Zivilverwaltung) der provincies, van de bevoegdheden van de bestendige afvaardigingen der provincieraden. Ingeval de leden van de bestendige afvaardiging van den provincieraad der provincie de medewerking, waartoe zij gehouden zijn, weigeren te verlenen, zodat de bestendige afvaardiging ten gevolge dier weigering geen geldige besluiten kan nemen, zal de Voorzitter van het burgerlijk bestuur der betrokken provincie, zolang de weigering blijft bestaan, rechtsgeldig al de rechten en plichten van de bestendige afvaardiging uitoefenen.
Brussel 26 april 1917.

No. 343. - 8. mei 1917.
Bekendmaking
betreffende de liquidatie van Britse ondernemingen. Met toestemming van den Heer Generalgouverneur in België heb ik, overeenkomstig de Verordening van 29 Augustus 1916 over de liquidatie van Britse ondernemingen (Wet- en Verordeningsblad voor de gezette streken van België Nr. 253 van 13 september 1916) de liquidatie gbvolen van :
1. het in België voorhanden zijnde vermogen van de huizen :
a) J. Bich te Glasgow liquidator A. Dubbers, Krijgsschool te Brussel,
h) Levy Jacobs te Brussel, liquidator A. Dubbers,
c) „Arthur Chamberlain'', te Birmingham, liquidator A. Dubbers,
d) A. E. Lewis te Brussel, liquidator A, Dubbers,
e) General Electric Cy. of Belgium, Ltd.te Brussel, liquidator A. Dubbers,
2. van de Britse deelhebbingen aan de huizen :
a) La Construction S. A. liquidator A. Dubbers,
b) Guthrie Murdoch & Co, te Antwerpen, liquidator Dr. Lappenberg, Meir 14, te Antwerpen,
3. het in België voorhanden zijnde grondeigendom van den Engelsman Herhert Dehenham, liquidator Dr. Lappenberg.
De liquidators verstrekken nadere inlichtingen.
Brussel 12 april 1917.

No. 344. - 10. mei 1917.
Verordening
betreffende de vorming van twee ministers van Landbouw en Openbare Werken. In uitvoering van de Verordening van 21 maart 1917, betreffende de indeling van België in twee bestuurlijke gebieden (Wet- en Verordeningsblad, hl. 3457), verorden ik het navolgende :
Artikel 1. Het beheer van Landbouw en Openbare Werken wordt voor elk der beide bestuurlijke gebieden, het Vlaamse en het Waalse, door een afzonderlijk ministerie waargenomen, en wel van 15 juni 1917 af voor het beheer van Landhouw ; voor het beheer van Openbare Werken zal de datum later worden vastgesteld.

Art. 2. Het beheer van de Kassen voor Weduwen en Wezen blijft voorlopig gemeenschappelijk voor de beide bestuurlijke gebieden onder leiding van het ministerie te Brussel, dat voorlopig ook het beheer van gans het Zoniënbos onder zijn bevoegdheid houdt.

Art. 3. Overigens blijven de organieke reglementen van. 31 december 1889 en van 18 december 1908 evenals de aanvullende besluiten daartoe, voor elk der heide ministeries voorlopig van kracht. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur {Verwaltungschef) zal de ter uitvoering van hiervorenstaande Verordening verder nodige bepalingen uitvaardigen.
Brussel 5 mei 1917,
No. 344. - 10. mei 1917.

Met ingang van 15 juni 1917 beperkt lot het Vlaams bestuurlijk gebied. Van het personeel van dit ministerie zijn de in de bijlage genoemde ambtenaren aangeduid om, te rekenen van dezelfden dag, het beheer van Landbouw voor het Waals bestuurlijk gebied, van Namen uit, waar te nemen. Bedoelde ambtenaren zijn dienovereenkomstig van dien datum overgeplaatst naar Namen.

Art, 2. De heer Vernieuwe, algemeen bestuurder, is benoemd tot algemeen secretaris van het ministerie van Landbouw en Openbare Werken te Brussel.
Brussel den 6 mei 1917, j

Bijlage tot C.
Naar Namen verplaatst :
Generalsekretâr Manneback Abteilungschef
Generaldirektor Crahay Abteilungschef
Generalinspektor Demameffe Biirochef
Direktor Henry
No. 344. – 10. mei 1917.
Verordening ;
betreffende de vorming van twee ministeries van Wetenschappen en Kunsten. | In uitvoering der Verordening van 21 maart 1917, 66-4 treffende de deling van België in twee bestuurlijke gebieden (Wet- en Verordeningsblad, hl. 3457), verorden ik het navolgende :
Artikel 1. Het beheer van Onderwijs en van Schone Kunsten wordt met ingang van 15 juni 1917 voor het Vlaams en het Waals bestuurlijk gebied door een afzonderlijk ministerie van Wetenschappen en Kunsten waargenomen.

Art. 2. Het beheer van de Kassen voor Weduwen en Wezen blijft voorlopig gemeenschappelijk voor de heide bestuurlijke gebieden, onder de leiding van het ministerie te Brussel, dat eveneens de scholen van om het even welke soort in de volgende gemeenten onder zijn bevoegdheid houdt : Attenhoven, Auhel, Etisem, Laar, Landen, Moelingen, Neerhespen, Neerlanden, Neerwinden Overhespen, Overwinden, Bemersdaal, Roost-Krenwik, Bumsdorpf 's Graven-Voeren, Sint-Maartens-Voeren, Sint-Pieters- Voeren, Teuven, Waasmond, Wals-Houthem, Walshets Wange, Wezeren {provincie Luik) en Bever, Edingen, Everbeek, Lettelingen, Mark, Sint-Pieters-Kapelle (j)r0' vincie Henegouwen).

Art. S. Voor elk der beide ministeries geldt het organiek reglement van 17 oktober 1910 23 maart 1912, met dien verstande, dat de artikelen 16—20 tot nader bericht buiten kracht blijven en dat het voorbehouden blijft, het kader van het personeel der heide ministeries later hij bijzondere bepaling voorgoed vast te stellen.

Art. 4. De Verordeningen van 25 oktober 1916, 13 december 1916 en 14 februari 1917 (Wet- en Verordeningsblad, hl. 2030, 3054, 3319), alsook de beschikking van 14 februari 1917, III, A. 68 1009 van het Hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschef), houden te rekenen van 15 juni 1917 op van kracht te zijn.

Art. 5. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur zal de ter uitvoering van hiervorenstaande Verordening verder nodige bepalingen uitvaardigen.

Brussel den 5 mei 1917. .
No. 344. - 10. mei 1917.
Beschikking. Artikel 1, De bevoegdheid van het ministerie van Wetenschappen en Kunsten te Brussel is, krachtens mijn Verordening van 5 mei 1917, met ingang van 15 juni 1917 beperkt tot het Vlaams bestuurlijk gebied. Van het personeel van dit ministerie zijn de in de bijlage genoemde ambtenaren aangeduid om, te rekenen van dezelfden dag, het beheer van Wetenschappen en Kunsten voor het Waals bestuurlijk gebied, van Namen uit waar te nemen, Bedoelde ambtenaren zijn dienovereenkomstig van dien datum af overgeplaatst naar Namen.

Art. 2. De heer E. Coremans, algemeen bestuurder, is benoemd tot algemeen sekretaris van het ministerie van Wetenschappen en Kunsten te Brussel.
Brussel. den 6 mei 1917.

Bijlage tot C. C. III A. 3069.
Voor namen zie hiervoor.
Naar Namen verplaatst:
Generaldirektor J. Corman
unter Belassung der Funktionen als Generaalsecretaris
Beckers i E. VerlantDirektor L. De San iE. La Garde jA. Hozepied A. Bouvez
Abteilungschef E. Asselberghs F. Cabu L. Bauwens F. Vygen F. Petau A. Wadin A. Kutten O Dupont
Bùrochef C. Bastin L. Kousseau A. Dumorier C. Govaert E. De Madré 0. Dupont F. Mahutte E. Glesener Professor C. Liégeois H. Houbeau
No. 344. - 10. mei 1917.
Verordening
betreffende het vormen van twee ministeries van Nijverheid en Arbeid. In uitvoering van de Verordening van 21 Maart 1917, betreffende de indeling van België in twee bestuurlijke gebieden {Wet- en Verordeningsblad Nr. 324), verorden ik het navolgende :
Artikel 1. Het beheer van Nijverheid en Arbeid wordt, met ingang van 15 juni 1917, voor elk der beide bestuurlijke gebieden, het Vlaamse en het Waalse, door een afzonderlijk ministerie waargenomen.

Art. 2. Het beheer van den dienst der brevetten en der handels en fahrieksmerken, alsook de aardkundige dienst, blijven voorlopig gemeenschappelijk voor de beide bestuurlijke gebieden onder leiding van het ministerie te Brussel.

Art. 3. Overigens blijven voor elk van beide ministeries de bepalingen van het organiek reglement {Besluiten van 22 decemher 1911, 30 maart 1912 en 31 Oktober 1913) voorlopig van kracht.

Art. 4. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschef) zal de ter uitvoering van hiervorenstaande Verordening verder nodige bepalingen uitvaardigen.
Brussel 5 mei 1917,
No. 344. - 10. mei 1917.
met ingang van 15 juni 1917, beperkt tot het Vlaams bestuurlijk gebied. Van het personeel van dit ministerie zijn de in de bijlage genoemde ambtenaren aangeduid, om te rekenen van denzelfden dag, het beheer van Nijverheid en Arbeid voor het Waals bestuurlijk gebied, van Namen uit, waar te nemen. Bedoelde ambtenaren zijn dienovereenkomstig van dien datum al overgeplaatst naar Namen.

Art. 2. In het ministerie van Nijverheid en Arbeid te Brussel zijn a) de heer E. Verhees, bestuurder, tot algemeen secretaris de heer Fabri, van Gent, hoofdopziener, tot algemeen opziener met den rang van algemeen bestuurder,
de heer B. Schrijvers, afdelingsoverste, tot bestuurder,
de heer A. Matthijs, bureeloverste, tot afdelingsoverste
de heer F. Sterck, waarnemend bureeloverste en
de heer H. Troosters, waarnemend bureeloverste, tot afdelingsoverste,
b) de heer A. Van Melle, afdelingsoverste tot algemeen bestuurder ten persoonlijken titel,
de heren A. De Jaegher en E. Gevaert, bureeloversten,
ten bestuurders tot persoonlijke titel benoemd.
Brussel 6 mei 1917.

No. 345. - 13. mei 1917.
Bekendmaking.
Bij besluit van 25 oktober 1916 van den heer Generaalgouverneur in België zijn, met terugwerkende kracht te rekenen van 1 november 1916, de provinciale opzieners 1e klasse der rechtstreekse belastingen douanen en accijnzen J.-E.-A, Danbier, te Bergen en J. J. Dasnoy, te Brussel alsook de provinciale opziener 2 klasse der rechtstreekse belastingen douanen en accijnzen H.-S.-F.-F. Vander Eecken te Hasselt, bestuurders der rechtstreekse belastingen, douanen en accijnzen in hun huidige standplaats en is de bestuurder der rechtstreekse belastingen, douanen en accijnzen R.-E.-J.-C, Berrewaerts te Hasselt in dezelfde hoedanigheid naar Gent overgeplaatst.
Brussel 5 mei 1917.
No. 345. - 13. mei 1917.
Bekendmaking.
Overeenkomstig de Verordening van 17 februari 1915 van den heer Generaalgouverneur (Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, Nr. 41 van 20 februari 1915) j heb ik, naast de reeds aangestelde dwangbeheerders den heer Paul Wilhelm Mendelson, tot dwangbeheerder benoemd van de hierna vermelde banken: Crédit Lyonnais, Banque de Paris et des Pays-Bas, Comptoir National d'Escompte de Paris, Société Belge de Crédit Industriel et Commercial et de Dépôts, Société de Dépôts et de Crédit, alle te Brussel,
Société Française de Banque et de Dépôts, te Brussel en te Antwerpen.
Brussel 5 mei 1 917.

No. 346. - 16. mei 1917.
Verordening,
betreffend het hernemen van den postspaarkasdienst Het Keizerlijk Duits beheer van Posterijen en Telegraaf in België is gemachtigd, den bemiddelingsdienst voor de Algemene Spaarkas onder waarborg van den Staat zoals die voor de bezetting van het land, door het Belgisch beheer van Posterijen waargenomen werd, in de postkantoren binnen het gebied van het Generalgouvernement, zoverre deze binnen de grenzen van België liggen, met ingang van 1 juni 1917 te hernemen.
Voor de uitvoering van dezen dienst gelden de bepalingen van de wetten van 16 maart 1865, 30 mei 1879 en 10 februari 1900, van de koninklijke besluiten van 22 mei 1865, 12 oktober 1879 eu 16 mei 1881, evenals van de beschikkingen van 12 augustus 1865 en 12 juni 1902 van den Algemenen Raad der Algemene Spaar- en Lijfrentekas, zoverre zij alleen de Spaarkas betreffen, met de volgende afwijkingen
:
1) de bemiddeling van het beheer van Posterijen blijft beperkt tot de aanneming van stortingen, die bestemd zijn voor de Algemene Spaarkas, en tot de uitbetalingen van de spaargelden voor rekening dezer kas. Aankopen en verkopen van openbare fondsen en overschrijvingen van stortingen op renteboekjes kunnen niet door bemiddeling van het beheer van Posterijen geschieden.
2) De aanneem- en overdraagkantoren komen niet in aanmerking als postkantoren voor een zelfstandige waarneming van den spaarkasdienst.
3) De postspaarboekjes die onder het Belgisch bestuur uitgegeven zijn blijven geldig.
Elk dergelijk spaarboekje, dat voor de eerste maal voor een uitbetaling van vroeger gedane stortingen bij een postkantoor wordt aangeboden, moet aan de Algemene Spaarkas worden overgemaakt ; deze stelt het tegoed vast en bevestigt de geldigheid van het spaarboekje, evenals de juistheid van de daarin aangetekende som door het afdrukken van een stempel ; het postkantoor mag de uitbetaling slechts doen, na het spaarboekje van de Algemene Spaarkas terug te hebben ontvangen.
4) Op sommen, die voor het hernemen van den postspaarkasdienst op een spaarboekje ingeschreven zijn, mag per maand niet meer dan 100 frank worden terugbetaald.
5) Spaarbulletijns, waarop spaargelden tot 1 frank door middel van postzegels belegd zijn, worden niet aanvaard.
6) Aan onderdanen van Staten, die met Duitsland in oorlog zijn - de Belgen uitgezonderd - mogen geen uitbetalingen op spaargelden gedaan worden, zonder toelating van het Duits beheer.
7) Een volmacht voor terugbetalingen ten voordele van personen, die buiten België verblijven, mag niet gegeven worden zonder toelating van het Duits beheer.
8) alle postzendingen betreffende den postspaarkasdienst, welke de postkantoren onderling en met het beheer der Algemene Spaarkas, met dezer bijkantoren en met de agentschappen van de Nationale Bank wisselen, zijn vrachtvrij. Zij moeten het opschrift „Postsparkassen' dienst {Postspaarkasdienst) dragen, Als algemene grondregel geldt, dat de spaargelden als onaantastbaar privaateigendom der storters beschouwd worden.
Brussel 30 april1917.

No. 346. - 16. mei 1917
Verordening ***
betreffende fruit en groenten.
Artikel 1. Binnen het gebied van het Generalgouvemement is het vervoer per spoorweg en per schip van fruit en van groenten slechts toegelaten op grond van een geleibrief (Geleitschein), Voor het vervoer per as van groenten is een geleibrief maar alleen vereist binnen het gebied van de arrondissementen Mechelen en Leuven, evenaîs txin de gemeenten Muizen Wolvertem, Londerzeel, Kapellen op den Bosch, Eppegem, Weerde Hofstade Elewijt, Nieuwenrode, Beigem, Ramsdonk Humbeek en Zemst,
Art. 2. Het hoofd van het burgerlijk bestuur, Afdeling VII (Verwaltungschef Abteilung Vil) is bevoegd tot het afleveren van de geleibrieven bedoeld in het le lid van artikel 1 ; de burgerlijke Kommissaris {Zivilkommissar) te Leuven tot het afleveren van geleibrieven voor het vervoer per as van groenten binnen het arrondissement Leuven de burgerlijke Kommissaris {Zivilkommissar) te Mechelen tot het afleveren van geleibrieven voor zulk vervoer binnen het overige, in het 2e lid van artikel 1 aangegeven gebied.
Art. 3. Overtredingen worden met ten hoogste 10.000 mark boete of met ten hoogste 6 maand gevangenis gestraft Ook kunnen beide straffen tegelijk worden uitgesproken. De krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.
Art. 4. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur zal de uitvoeringsbepalingen tot deze Verordening uitvaardigen. Hij kan eveneens de geleibriejverplichting verzachten. Brussel 5 mei 1917.

Uitvoeringsbepalingen *** tot de Verordening van 1 mei 1917, betreffende fruit en groenten.
Artikel 1. leder vervoerbewijs wordt geldig als geleibrief in den zin van het 1ste lid van artikel 1, door onderstaanden, met het ambtelijk zegel en met de handtekening voorziene stempelafdruk : „Der Transport mit Eisenbahn - Schiff — d mit Gultigkeit bis zum genehmigt.
Brussel 1917.
Der Verwaltungschej bei dem Generalgouverneur in Belgien.
I. A.{Amtssiegel)
Het vervoer per spoorweg - per schip - is toegelaten tot den
Brussel 1917.
Der Verwaltungschef bei dent Generalgouverneur in Belgien,
I. A (Ambtelijk zegeï). **)
Art. 2. Als vervoertoelating bedoeld in het 2e lid van artikel 1 der Verordening, wordt volgend bewijs afgeleverd :
„Der wird mit Gultigkeit Us zum die Genehmigung zum Transport von auf der Achse von nach erteili, Lowen Mechelen
{Amtssiegel.) Der Zimlkommissaris,
Aan boordt tot den de toelating gegeven, om per as, van naar te vervoeren Leuven
,den 1917. Mechelen
Der Zivilkommissar,
(Ambtelijk zegel)
Art. 3. De geleibrieven moeten binnen 10 dagen na het verstrijken van den geldigheidsduur teruggegeven worden aan de overheid, die ze heeft afgeleverd. Wie verzuimt een geleibrief terug te geven, stelt er zich aan bloot, geen andere geleibrieven meer te bekomen.
Art. 4. Voor vervoerbewijzen, die van een uitvoertoelating zijn voorzien, moet geen bijzondere vervoertoelating meer aangevraagd worden.
Brussel 8 mei 1917.

No. 346. - 16. mei 1917.
Verordening betreffende de vorming van twee ministéries van Binnenlandsche Zaken.
In uitvoering der Verordening van 21 Maart 1917, betreffende de indeling van België in twee bestuurlijke gebieden (Wet' en Verordeningsblad, bl. 3467), verorden ik het navolgende :
Artikel 1. Het beheer van Binnenlandse Zaken wordt voor elk der beide bestuurlijke gebieden, het Vlaamse en het Waalse, met ingang van 20 juni 1917 door een afzonderlijk ministerie waargenomen.
Art. 2. Het beheer van de Kassen voor Weduwen en Wezen van de ambtenaren, beambten en bedienden, alsook van de Centrale Voorzorgskas der gemeentesekretarissen blijft voorlopig gemeenschappelijk voor de beide bestuurlijke gebieden, onder leiding van het ministerie te Brussel
Artikel 3. Het organiek reglement van 25 oktober 1910, evenals de aanvullende koninklijke besluiten blijven voorlopig van kracht voor elk der beide ministeries, met dien verstande evenwel, dat het voorbehouden blijft, het kader van het personeel voorgoed vast te stellen.
Art. 4. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur {Verwaltungschef) zal de ter uitvoering vanhiervorenstaande Verordening noodige bepalingen uitvaardigen.
Brussel 12 mei 1917,
No. 364. - 16. mei 1917.
Beschikking.
1) De bevoegdheid van het ministerie van Binnenlandsche Zaken te Brussel is, krachtens mijn Verordening van 12 mei 1917, C. C. 111 A 2904, F. 3801, met ingang van 20 juni 1917, beperkt tot het Vlaams bestuurlijk gebied. Van het personeel van dit ministerie zijn de in de bijlage genoemde ambtenaren aangeduid om, te rekenen van denzelfden dag, het beheer van Binnenlandse Zaken voor het Waals bestuurlijk gebied, van Namen uit, waar te nemen. Bedoelde ambtenaren zijn dienovereenkomstig van dien datum af overgeplaatst naar Namen.
2) In het ministerie voor het Vlaams bestuurlijk gebied te Brussel zijn benoemd :
a) de heer K. Heynderickx, stadsekretaris en ereprofessor te Sint-Niklaas, tot algemeen sekretaris.
b) de heer Spincemeille, advokaat en bestuurder van het bureel van betwiste zaken op het stadhuis te Etterbeek, tot algemeen bestuurder,
c) de heer Pletinckx, geneesheer, tot opziener voor gezondheid en hygiène. Brussel den 13 mei 1917.
C. C. 111 A 3251.
Bijlage totC. C. 111 A 3251.
Zijn naar Namen overgeplaatst:
De heer E. Mahiels, algemeen bestuurder
V. Bonet, bestuurder
E. F. Grognard, hoofdopziener
V. Simon, afdeelingsoverste
Bertholet, ingénieur
Fourez, ingénieur.

No. 347. - 19. mei 1917
Verordening ***
betreffende het te keer gaan van den woekerhandel in vlees.
§ 1 . Het verkopen van vlees of van vleeswaren tegen buitensporige prijzen wordt beschouwd als zijnde uitbuiting van de bevolking in den zin der Verordening van 23 september 1916, betreffende den verkoop van inlands levensmiddelen en voederstoffen,
Als buitensporig aan te rekenen zijn vleesprijzen, die in geen redematige verhouding staan tot den als billijk te beschouwen gemiddelden prijs van het vee of die de gemiddelde prijzen, welke ter plaatse of in de streek voor vlees betaald worden aanzienlijk overtreffen.
§2. In alle verkooplokalen van vlees moeten de prijzen van het vlees en de vleeswaren door in het oog vallende en leesbare opschriften in het uitstalraam of bij den ingang en in het lokaal zelf bekend gemaakt worden. Overtredingen van deze bepaling worden met ten hoogste 6 maand gevangenis en met ten hoogste 10.000 mark boete of met één van deze beide straffen gestraft. De krijgsrechtbanken en de krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.
Brussel 7 mei 1917.
No. 347. - 19. mei 1917.
Bekendmaking. ***
In aansluiting aan vorenstaande Verordening van den Heer Generaalgouverneur wordt hierbij de Verordening van 23 september 1916, betreffende den verkoop van inlandse levensmiddelen en voederstofen, nogmaals afgekondigd. Er zij tevens bijgevoegd, dat de Voorzitters van het burgerlijk bestuur {Pràsidenten der Zivilverwaltung) van de hun in deze Verordening toegekende bevoegdheden streng gebruik zullen maken.
Brussel 8 mei 1917.
No. 347. - 19. mei 1917.
Verordening
betreffende den verkoop van inlandse levensmiddelen en voederstoffen.
Artikel 1. De Voorzitters van het burgerlijk bestuur der provincies {Presidenten der Zivilverwaltung) zijn gerechtigd, zakenbedrijven van bijzondere, rechtspersonen, vennootschappen, samenwerkende maatschappijen of bonden, welke inlandse levensmiddelen en voederstoffen verkopen, tijdelijk of voor goed te sluiten, indien deze de bevolking uitbuiten of, om de prijzen op te jagen, voorraden uit den handel achterhouden, indien zij zekere klassen der bevolking of zekere personen, zonder gegronde reden, van den warenaankoop uitsluiten of daarbij bevoordeligen, of anderszins tegen het belang van H algemeen handelen. De belanghebbenden kunnen tegen de beslissingen der Voorzitters van het burgerlijk bestuur verzet aantekenen hij het Hoofd van het burgerlijk bestuur {Verwaltungschef) en hij den Generaalgouverneur. De uitspraak van het Hoofd van het burgerlijk bestuur is beslissend.
Art. 2. Wordt een zakenbedrijf krachtens artikel 1 gesloten, zo kunnen de aldaar voorhanden voorraden levensmiddelen en voederstoffen door de Voorzitters van het burgerlijk bestuur, ten bate der burgerlijke bevolking in België, onteigend worden. De verkoper van geschiedt voor rekening en op kosten van den houder der gesloten zaak. Deze ontvangt de opbrengst van den verkoop, na aftrek van de onkosten.
Art, 3. De Voorzitters van het burgerlijk bestuur, de burgerlijke Kommissarissen [Zivilkommissaré) bij de „Kreischefs" of hun lasthebbers zijn gerechtigd, te allen tijde in bedrijfs- en andere lokalen der belanghebbende zakenhuizen vaststellingen te doen, inzonderheid de boeken en de zakenpapieren in te zien, evenals de'vergaderingen van de in artikel 1 bedoelde rechtspersonen, vennootschappen, samenwerkende maatschappijen of bonden hij te wonen.
Art 4. Al une de op grond van ariikel 1 tot 3 door de Voorzitters van het burgerlijk bestuur of door de burgerlijke Kommissarissen bij de „Kreischefs'' of door hun lasthebbers uitgevaardigde bevelen overtreedt, wordt gestraft met ten hoogste één jaar gevangenis en met ten hoogste 20.000 mark boete oj met één van beide straffen. De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.
Art. 5. Deze Verordening is niet van toepassing op het Nationaal Hulp- en Voedingskomiteit.
Art. 6. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur is met de uitvoering dezer Verordening belast.
Brussel den 23n september 1916,

No. 347. - 19. mei 1917.
Verordening. ***
Aangifte van pijnbomen. mastbomen (sparrenbomen) lariksbomen (lorkenbomen) en dennenbomen, die binnen het gebied van het Generaal-Gouvernement voorhanden z|jn. Ik bepaal dat ieder eigenaar pachter of beheerder van gronden, waarop pijnbomen, mastbomen (sparrenbomen) , lariksbomen (lorkenbomen) en dennenbomen groeien, ten laatste op 1 juni 1917, bij den bevoegden „Kreischef* :
a) bij benadering de oppervlakte van de gronden, waarop de hoger genoemde houtsoorten groeien,
b) bij benadering den ouderdom van het hout moet aangeven, en daarbij nauwkeurig aan te duiden heeft waar het groeit, alsook in welk arrondissement en in welke gemeente. Gemengde houtgewassen, Is te zeggen : gronden, waarop naaldbomen met andere houtsoorten ondereen staan, moeten eveneens aangegeven worden, onder aanduiding van de houtsoorten en met vermelding van den ouderdom bij benadering van liet hout Wie verzuimt de aangifte te doen, wordt met ten hoogste 10.000 mark boete of met ten hoogste 3 jaar gevangenis gestraft, zover beide straffen te gelijk niet mx)eten uitgesproken worden. De krijgsrechtbanken en de krijgsoverheden zijn tot oordeelvellen bevoegd.
Brussel li mei 1917,
No. 347. - 19. mei 1917.

Ik bepaal dat vorenstaande Verordening in de verschillende gemeenten bij aanplakbrief ter algemene kennis te brengen is en, dat de binnengekomen aangiften onmiddellijk aan de Afdeling J. II van den Generaal der Genie bij het Generalgouvernement {Abteilung J. II des Generals der Pioniere beim Generalgouvernement) over te maken zijn, die betreffende de houtvoorraden verdere schikkingen zal treffen.

No. 348. - 21. mei 1911.
BEVEL HOUDEIVDE OPLEGGING VAN EEN KRIJGSBELASTING.
Onder opheffing van het bevel van 20 november 1916 {Wet en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, Nr. 279 van 21 november 1916) wordt, overeenkomstig artikel 49 der Haagse Overeenkomst betreffende de regeling der wetten en gebruiken van den oorlog te lande, de Belgische bevolking- hierbij tot nader bericht, als bijdrage tot de onderhoudskosten van het leger en het bestuur in het bezet gebied, een krijgsbelasting ten bedrage van zestig miljoenfrank per maand opgelegd.
De 9 provincies van België zullen zich de nodige bedragen aanschaffen door middel van leningen. De keizerlijke Commissaris-generaal voor de banken {Generalkommissar fur die Banken) in België bepaalt vorm en inhoud van de door de provincies uit te geven schuldbrieven. De betaling van de eerste storting moet ten laatste op 15 juni 1917, die der volgende telkens ten laatste op den 10n, van elke maand geschieden, aan de „Feldkriegskasse {Kas van het veldleger) des Kaiserlichen Gêneralgouvernements'' te Brussel. De keizerlijke Kommissaris-generaal voor de banken in België is bevoegd te bepalen, tot welke bedragen de maandelijkse stortingen telkens in marken of in franken aan de „Feldkriegskasse'' moeten worden overgemaakt Brussel 21 mei 1917.

No. 348. - 21. mei 1917.
Verordening.
betreffende den buitengewone zittijd der provincieraden.
Artikel 1. De provincieraden van de Belgische provincies zijn hierbij tot een buitengewone zittijd op Zaterdag, 2 juni 1917, 's middags te 12 uur {Duitse tijd), in de hoofdplaatsen der provincies opgeroepen.
Art. 2. De afkondiging van deze oproeping geschiedt in het Generalgouvemement in België alleen in het Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België'* en in het Operatie- en Etappengebied in den vorm, die aldaar voor het bekendmaken van verordeningen gebruikelijk is.
Art. 3, De uitnodiging van de leden der provincieraden geschiedt door de bestendige afvaardiging. De gouverneur van de provincie is niet gehouden op de zitting aanwezig te zijn. De bestendige afvaardiging benoemt het lid, dat den zittijd zal openen en sluiten. De opening en de sluiting geschiedt voor de provincies Antwerpen, Brabant, Henegouw, Limburg, Luik, Luxemburg en Namen in den naam van den keizerlijken Duitsen Generalgouverneur ; voor de provincies Henegouw en Luxemburg terzelfder tijd in den naam van de bevoegde Opperbevelhebbers en voor de provincies Oost- en West Vlaanderen in den naam van de bevoegde Opperbevelhebbers,
Art. 4. De zittijd duurt niet langer dan één dag en wordt bij gesloten deuren gehouden. Op de dagorde staan slechts volgende twee punten, waarover uitsluitend mag worden beraadslaagd : a) wijze van opbrengen van de aan de Belgische bevolking, bij bevel van 21 mei 1917, opgelegde krijgsbelasting, voor den duur van zes maanden ; b) betaling van de intresten der krijgsbelastingleningen.
Art. 5. De provincieraden nemen in dezen zittijd, welke ook het aantal aanwezige leden zij, geldige besluiten. Brussel 21 mei 1917.

No. 848. - 21. mei 1917.
Verordening ***
betreffende het verkeer van reizigers.
1. Wie uit de tot het Generalgouvernement behoorende deelen van het arrondissement Doornik bij Péruwelz en Leuze, uit de arrondissementen Ath, Zinnik (betreffende het arrondissement Bergen, dat tot het Etappengebied behoort, zie 6) Thuin, Philippeville, met inbegrip der gebieden Givet en Fumay, uit het gedeelte van het arrondissement Dinant, gelegen bezuiden den spoorweg Sasoye-Yvoir-Leignon- grenspunt tussen de arrondissementen Dinant en Marche, alsook uit het arrondissement Neufchâteau, met om het even welk verkeersmiddel of te voet naar de andere streken van het Generalgouvernement wil reizen, moet daartoe tot nader bericht behalve zijn eenzelvigheidsbewijs een reisverlof hebben. Be „Kreischef' of de plaatselijke kommandant (Ortskommandant), handelende in opdracht en onder de verantwoordelijkheid van den „Kreischef is bevoegd bedoeld reisverlof af te leveren.
2. Wie uit het gebied, waar geen pasdwang bestaat, naar niet onder 1 aangeduid gebied ml reizen om aldaar in een plaats verblijf te nemen, moet daartoe tot nader bericht de voorafgaandelijke toelating van den voor het eindpunt van de reis bevoegden „Kreischef' en een reisverlof (Verkehrsschein) hebben. De paskantoren (Passbiiros) van het Generalgouvemement zijn bevoegd bedoeld reisverlof af te leveren. leder aangekomen reiziger moet zich terstond bij den plaatselijken kommandant aanmelden, Wie voor het van kracht worden van vorenstaande bepaling reeds in het betroffen gebied aangekomen is, moet dit binnen 24 uren verlaten.
3. Wie binnen het hiervoren aangeduid afgezonderd gebied, van uit een der opgesomde arrondissementen naar de andere wil reizen, moet eveneens voorzien zijn van zijn eenzelvigheidsbewijs en van een reisverlof.
4. Reisverloven, die niet meer geldig zijn, moeten door de bezitters bij het kantoor van afgifte binnengeleverd worden, en wel :
a) wanneer het verlof voor de heen- en terugreis afgeleverd werd, onmiddellijk na het verstrijken van den geldigheidsduur of, zoo de reis vroeger geëindigd is, terstond na de terugkomst ;
b) wanneer het alleen voor de heenreis gold, door de post binnen 10 dagen na het verstrijken van den geldigheidsduur.
5. In het aangeduid gebied mag niemand na het invallen van de duistenis de omgeving eener plaats overschrijden. Overtreders zijn aan te houden en op de plaatselijke Kommandantuur te brengen.
6. Voor het gedeelte van het arrondissement Bergen dat tot het Etappengebied behoort, heeft de 6e Etappeninspektie bepalingen in de zelfde zin uitgevaardigd zodat eveneens reisverloven vereist zijn voor de reizen in beide richtingen tussen dat gebied en het Generalgouvernement.
7. Overtredingen van vorenstaande bepalingen worden, zover geen andere zwaardere strafbepalingen toepasselijk zijn, met ten hoogste 3 jaar hechtenis of gevangenis of met ten hoogste 20.000 mark boete gestraft. Boete en gevangenisstraf kunnen ook tegelijk ivorden uitgesproken. De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.
8. Vorenstaande Verordening wordt op den dag harer aanplakking van kracht. Brussel I mei 1917.
No. 848. - 21. mei 1917.

Verordening. ***
Aangifte van de populier-, olm -en es-stammen, die binnen het gebied van het Generalgouvernement voorhanden zljn. Ik bepaal hierbij, dat ieder eigenaar, pachter of beheerder van staande populier-, olm- of es-stammen, ten laatste op 1 juni 1917, bij den bevoegden „Kreishief' moet aangeven hoeveel populier- en olmstammen
a) van 150 tot 199 centimeter omtrek,
b) van 200 en meer centimeter omtrek,
en hoeveel
van 100 en meer centimeter omtrek, op 1 meter van den grond gemeten, hij bezit. De aangifte moet gedaan worden op gedrukte formulieren, die op de kantoren der „Kreischefs'' en bij de troependelen verkrijgbaar zijn. In de aangifte is elke houtsoort afzonderlijk te vertmelden en moet de staan- of ligplaats van de stammen nauwkeurig opgegeven worden. Onder populieren zijn al de populiersoorten te verstaan, zoals de Kanada populier, de „franc picard'', de abeel, de witte populier, de zwarte
populier, enz.
Overtredingen worden met ten hoogste 3 jaar gevangenis en met ten hoogste 10.000 mark boete, of met één dezer straffen, gestraft. Bovendien kan de verbeurdverklaring van de niet aangegeven hoeveelheden uitgesproken worden. De krijgsrechtbanken en de krijgsoverheden zijn tot oordeel vellen bevoegd.
Brussel 11 mei 1917,
Ik bepaal dat vorenstaande Verordening in de verschilende gemeenten hij aanplakbrief ter algemeene kennis is te brengen en, dat de binnengekomen aangiften, op gedrukte bijzondere formulieren {aan te vragen hij de Holzahgabestelle te Antwerpen), onmiddellijk aan de Holzahgabestelle des Generals der Pioniere'' te Antwerpen over te maken zijn. De „Holzahgahestelle'' zal een keuze doen onder de aangegeven stammen. De als bruikhaar aangewezen stammen, moeten in heslag genomen worden door de bevoegde „Kreischefs die ze eveneens zullen doen vellen en, overeenkomstig de onderrichtingen van de „Holzahgahestelle'' op een bepaalde lengte doen doorzagen en doen verzenden.
No. 348. - 21. mei 1917.
Bekendmaking
betreffende de liquidatie van Britse ondernemingen. Met toestemming van den heer Generalgouvemeur in België, heb ik, overeenkomstig de Verordening van 29 Augustus 1916, over de liquidatie van Britse ondernemingen {Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, nr 253 van 13 september 1916, de likwidatie bevolen van het in België voorhanden zijnde vermogen van het huis „William Wood & Cote Merksem, hij Antwerpen. De heer Dr. Lappenberg, meir, 14, te Antwerpen, is tot liquidator benoemd. De liqwidator verstrekt nadere inlichtingen.
Brussel 14 mei 1919.
C. C. IV A 14596.
No. 349. - 24. mei 1917.
Verordening
betreffende de vorming van de leerkrachten voor de middelbare scholen.
Ten einde te voorzien in het vormen van leerkrachten, die bekwaam zijn om het onderwijs aan de middelbare scholen door middel van de Vlaamse taal te geven, verorden ik het navolgende :
Artikel 1, Aan de rijksmiddelbare normaalschool te Gent en aan de rijksmiddelbare normaalschool te Brussel, zal het onderwijs in al de op het programma voorziene vakken door middel van de Vlaamse taal worden gegeven ; alleen het onderwijs in de tweede, derde en vierde taal zou door middel van die talen zelf worden gegeven.
Art. 2. De handhoeken en de leermiddelen voor cd de vakken - behalve voor de tweeds, derde en derde taal —moeten in de Vlaamse taal opgesteld zijn.
Art. 3. Al de examens (aannemings-, overgangs- en uitgangsexamen) in de in artikel 1 bedoelde onderwijsinrichtingen moeten in de Vlaamse taal afgelegd worden.
Art. 4. De diploma's en getuigsclirijten, die door deze onderwijsinrichtingen worden afgeleverd. zullen in de Vlaamse taal opgesteld zijn.
Art. 5. De bepalingen van deze Verordening worden van kracht met ingang van het schooljaar 1917 18 voor de laagste klas, met ingang van het schooljaar 1918 19 voor de twee laagste klassen, enz.
Bij het onderwijs, dat dientengevolge na aanvang van het schooljaar 1917 18 in een der hiervoren genoemde onderwijs inrichtingen nog door middel van de Franse taal wordt gegeven, moeten naast de Franse ook de Vlaamse vakwoorden aangeleerd worden.
Brussel 12 mei 1917.
C. C. m A 2471.
No. 349. - 24. mei 1917.
Bekendmaking
betreffende de liquidatie van Fransehe onderneniiugen. Met toestemming van den heer Generalgouvemewr in België, heh ik, overeenkomstig de Verordening van 15 AprU 1917y over de liquidatie van Franse ondememingen (Weten Verordeningsblad voor de bezette streken van België Nr, 335 van 19 april 1917) de liquidatie bevolen van het in België voorhanden zijnde vermogen van de huizen :
a) „La Grande Distillerie Belge, soc. an.' te Brussel, l h) „Le Grand Hôtel, soc. an.te Brussel.
De heer luitenant Maas,Krijgsschool, te Brussel, is tot liquidator benoemd. De liquidator verstrekt nadere inlichtingen.Brussel 15 mei 1917.

No. 349. - 24. mei 1917.

Bekendmaking.
Overenkomstig de Verordening van 17 februari 1915 van den heer Generaalgouverneur in België (Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, nr 41 van 20 Februari 1915), heb ik den heer Franz Pfarr, landstormman,
tot dwangbeheerder benoemd van de bank „Verley, Decroix é Cie, Comptoir de Mons' te Bergen,
Brussel 18 mei 1917.

No. 350. - 27 mei 1917.
Beschikking
betreffende de uitvoering der wet van 15 juni 1883 in de rijks- en gemeente middelbare scholen van den lageren graad van Groot-Brussel.
In uitvoering van de wet van 15 juni 1883, „het gebruik van de Vlaamse taal voor het middelbaar onderwijs in het Vlaams land regelende beschik ik voor het gebied van Groot-Brussel het navolgende :

Artikel 1. In de voorbereidende en in de middelbare afdelingen van de middelbare scholen van den lageren graad, zijn Vlaamse klassen met Vlaams als voertaal en Franse klassen met Frans als voertaal te vormen, en wel in de voorbereidende afdelingen voor al de vakken, in de middelbare afdelingen voor de vakken, die in artikel 2 der wet van 15 juni 1883 en in de of grond van dat artikel uitgevaardigde bepalingen opgesomd zijn.
Art. 2. De indeling van de leerlingen in de Vlaamse of in de Franse afdeling, geschiedt door een commissie van indeling, samengesteld uit leden van het onderwijzend personeel der onderwijsinrichting. Deze commissie bestaat uit den bestuurder, die het voorzitterschap waarneemt en uit ten minste vier leden ; het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten zal deze laatsten in gelijken getale aanstellen onder leraars, die onderwijs geven in vakken met Vlaams als voertaal en onder leraars, die onderwijs geven in vakken met Frans als voertaal. Komt de commissie van indeling niet tot een eenstemmig besluit, dan wordt het geval aan het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten onderworpen worden, dat een beslissing zal nemen.
Art. 3. Leerlingen wier moedertaal Vlaams is, moeten bij de Vlaamse afdeling, leerlingen wier moedertaal Frans is, bij de Franse afdeling ingedeeld worden. Leerlingen wier moedertaal noch Vlaams noch Frans is, naar keuze van het gezinshoofd, ofwel in de Vlaamse, ofwel in de Franse afdeling het onderwijs volgen.
Art. 4. Voor leerlingen, die tot bij hun aanmelding voor de middelbare school, een bewaarschool (kindertuin) of een lagere school bezocht hebben, geldt de voertaal van de klas, die zij aldaar volgden, zonder meer als hun moedertaal. In alle andere gevallen stelt de commissie van indeling onmiddellijk na de aanmelding van den leerling dezes moedertaal vast. Tot de inschrijving van den leerling wordt overgegaan met medewerking van de commissie van indeling.
Art. 5. De beslissing van de commissie van indeling zal gemeend zijn op : de afstamming van den leerling, de taal, waarin hij tot nog toe het onderwijs genoten heeft, de omgangstaal van zijn naaste omgeving. Er dient te worden nagegaan of de leerling in staat is met vrucht het onderwijs te volgen in de taal, die als zijn moedertaal moet doorgaan. In twijfelachtige gevallen kan de commissie van indeling aan het gezinshoofd den eis stellen te verklaren, welke taal de moedertaal van den leerling is.
Art. 6. De schoolbestuurder moet het gezinshoofd onverwijld schriftelijk kennis geven van de beslissing der commissie van indeling en hem laten weten, dat het hem vrij staat hij het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten er verzet tegen aan te tekenen. De verhandelingen en de beslissing moeten twee jaar nadat de leerling de school verlaten heeft, in het schoolarchief bewaard blijven.
Art. 7. Is de voertaal voor een leerling overeenkomstig vorenstaande voorschriften eenmaal vastgesteld, dan geldt deze regeling zolang de leerling een der in het opschrift bedoelde scholen bezoekt.
Art. 8. Vorenstaande bepalingen worden met ingang van het schooljaar 1917 van kracht voor de voorbereidende afdeling en voor de klassen van de middelbare afdeling, die den eersten (jongsten) jaargang bevatten. Zij worden van jaar tot jaar verder toepasselijk voor de daarop volgende klassen.
Art. 9. Overeenkomstig de wet van 12 mei 1910, betreffende de studie der moderne talen in het middelbaar onderwijs van den hogeren graad, gelden volgende gemeenten dis behorende tot het gebied van Groot-Brussel in den zin van deze beschikking : Anderlecht, Brussel, Elsene, Etterbeek, Koekelberg, Laken, Schaarbeek, Sint-Gillis, Sint-Jans-Molenbeek, Bint- Joost-ten-Node, Sint-Pieters-Jette, Ukkel, Vorst,
Brussel 14 mei 1917.

206 No. 350. - 27. mei 1917.
Verordening
betreffende de uitvoering van de wet op het lager onderwijs,
Artikel 1, Met het oog op de uitvoering van de wet van 19 mei 1914, tot regeling van het lager onderwijs en op het toezicht over de behoorlijke toepassing er van, kunnen ambtenaren en beambten van het ministerie en andere personen gelast worden, afzonderlijke onderwijsgestichten of onderwijsinrichtingen, ofwel groepen zulke gestichten of inrichtingen te bezoeken. Al de bestuursoverheden en gemeentebesturen zijn verplicht bij de vervulling van die taak hun medewerking te verlenen, inzonderheid door het geven van de inlichtingen, die voor de uitvoering der wet nodig zijn.
Art. 2. Ingeval gemeentebesturen nalaten, hetzij de medewerking te verlenen, waartoe zij krachtens artikel I gehouden zijn, hetzij de bepalingen van de wet op het lager onderwijs en de ter uitvoering dier wet uitgevaardigde voorschriften en onderrichtingen ten uitvoer te brengen, na daartoe twee uitnodigingen te hebben ontvangen, waarvan behoorlijk akte is genomen, zoo dient er overeenkomstig artikel 88 van de gemeentewet te worden gehandeld,
Brussel 19 mei 1917.
No. 351. - 29. mei. 1917.

Verordening ***
betreffende den maalgraad.
In uitvoering van § 4 mijner Verordening van 8 juli 1916, betreffende de Oogstcommissies (Ernte-Kommissionen) {Wet en Verordeningsblad, bl. 2391 92) en in aanvulling mijner Verordening van 13 april 1917, betreffende de verhoging van den maalgraad {Wet en Verordeningsblad, hl, 3577) y bepaal ik het navolgende :
§ 1. De voorgeschreven vaststelling van den maalgraad geldt niet voor het koren, dat uitsluitend voor het gebruik in het Etappen- en Operatiegebied gemalen wordt. Het Nationaal Komiteit moet aan de bevoegde provinciale Oogstcommissies (Provinzial-Ernte-Kommissionen) de molenaars bekendmaken, die gerechtigd zouden zijn van deze uitzonderingsbepaling gebruik te maken, Deze zijn aan een nauwkeurig toezicht van de provinciale Oogstcommissies onderworpen. Dit toezicht zal uitgeoefend worden overeenkomstig de onderrichting, die de Centrale Oogstcommissie {Zentral- Ernte Kommission) te dien einde zal geven. § 2. De Voorzitters van de provinciale Oogstcommissies, die op grond van § 4 der Verordening van 6 Oktoger 1916, houde tide vergod om banketbakkerijwaren te bakken {Weten Verordeningsblad, gl. 2794 95), het recht hebben aan fabrieken, welke gegak voor zieke en zwakke personen maken, uitzonderingen toe te staan op het verbod om banketbakkerijwaren te bakken, zijn gemachtigd, met het oog op de vervaardiging van zulk gebak of op de rechtstreekse levering van meel aan zieke of zwakke personen, aan de molens te dien einde door het Nationaal Komiteit aangeduid, vergunning te geven om op een geringeren dan den bij Verordening van 13 april 1917 vastgestelden maalgraad te malen. Het Nationaal Komiteit moet de hoeveelheden koren, die in de bedoelde molens voor een zijner gemaal noodig zijn, ter beschikking stellen van de bevoegde provinciale Oogstcommissies. De provinciale Oogstcommissies hebben er voor te zorgen, dat het op last van het Nationaal Komiteit fijner gemalen meel, enkel en alleen gebruikt wordt om er, in de door de Voorzitters van de provinciale Oogstcommissies hij wijze van uitzondering toegelaten bakkerijbedrijven, gebak van te maken voor zieke of zwakke personen, ofwel om als meel aan zieke of zwakke personen te worden afgeleverd.
§ S. Overtredingen van deze Verordening en van de daartoe uit te vaardigen uitvoerbepalingen worden gestraft met de straffen vastgesteld in § 9 van de Verordening over het malen en vervoeren van koren {Wet en Verordeningsblad, 6Z. 2401). Brussel den 22 mei 1917,
Z. E. K, 2206 17.
Bemerking,
§ 2 van de Verordening van 13 april 1917 (Wet- en Verordeningsblad, bl. 3577) luidt:
Onder wijziging van § 4 mijner Verordening van 8 juli 1916, over het malen en vervoeren van koren {Wet- en Verordeningsblad, hl. 2401), stel ik, op voorstel van de Centrale Oogstcommissie (Zentral- Ernte-Kommission), den maalgraad zowel voor inheems als voor ingevoerd koren tot nader bericht vast op ten minste 97 %. Deze maalgraad is zo te verstaan,dat al het koren,met de zemelen,ten volle moet worden uitgemalen. De vastgestelde maalgraad geldt eveneens voor het koren, dat voor de voeding van de verbouwers zelf dient. De molens, die de toelating hebben om koren te malen, zijn verantwoordelijk voor het nakomen van bovenstaand voorschrift betreffende den maalgraad. § 9 van de Verordening van 8 Juli 1916 (Wet- en Verordeningsblad, hl. 2401) luidt: Wie de bepalingen dezer Verordening en de daartoe uitgevaardigde uitvoeringsbepalingen overtreedt, of de onder § 2 voorgeschreven aangifte verzuimt, wordt met ten hoogste 6 jaar gevangenis of met ten hoogste 20,000 mark boete gestraft. Ook kan boete en gevangenzitting tegelijk worden uitgesproken. Bij verheling en ongeoorloofde benuttiging of tekoopstelling van maaltoestellen, evenals bij het ongeoorloofd malen van koren, kan bovendien verbeurdverklaring worden uitgesproken. De Duitse krijgsbevelhebbers en krijgsrechtbanken zijn tot oordeelvellen bevoegd.


No. 351. - 29. mei 1917.

Bekendmaking. *
Op grond mijner Verordening van 8 Juli 1916 betrefjende de Oogstcommissies, evenals der uitvoeringsbejpalin' gen van 8 Juli 1916 tot deze Verordening heb ik, op voorstel der Centrale Oogstkommisies (Zentral-Ernie-Kommission), de hoogste prijzen voor den verkoop van gedorst koren, meel, zemélen en brood voorshands als volgt vastgesteld :
voor iarwe uit stapelplaats of molen geleverd frank 49.91 per 100 krg,
voor rogge uit stapelplaats of molen geleverd „ 29.39 „ „ „
voor nuisteluin uit stapelplaats of molen geleverd „ 29.67 „ „ „
voor ongepelde spelt uit stapelplaats of molen geleverd . , „ 26.23 „ „ „
voor zemelen uit den molen geleverd „ 21.50 „ „ „
voor tarwemeel aan bakkers of 'verbruikers geleverd frank 56.45 per 100 kg,
voor roggemeel aan bakkers of verbruikers geleverd „ 35.30 „ „ „
voor masteluinmeel aan bakkers of verbruikers geleverd „ 35.59 „ „ „
voor tarwebrood aan verbruikers geleverd „ —.50 „ kgr.
Deze hoogste prijzen worden op 15 juni 1917 van kracht De provinciale Oogstcommissies (Provinzial-Emte-Kommissionen) zijn bevoegd, voor de omschrijving van afzonderlijke gemeenten op verzoek of na raadpleging van de burgemeesters, telkens een lageren hoogsten prijs voor brood tot het bereiden waarvan roggemeel wordt gebruikt, vast te stellen.
Voor den verkoop van koren door de voortbrengers aan het Nationaal Hulp- en Voedingskomiteit, blijven de hoogste prijzen vastgesteld in de uitvoeriiigsbepalingen tot de Verordening van 8 Juli 1916, betre;ffende de Oogstcommissies,van kracht.
Brussel 25 mei 1917,
Z. E, K. 2268 17.
No. 352. - 1. juni 1917.
Verordening
betreffend het examen voor kantonnaal schoolopziener»
Artikel 8 van het koninklijk besluit van 1 Februari 1896 {Staatsblad, U. 500) luidt voortaan als volgt : Artikel 8. Het examen kan naar keuze van den mededinger afgelegd worden : j
i. uitsluitend in de Franse taal
2, uitsluitend in de Vlaamse taal,
3, uitsluitend in de Duitse taal,
4. in de Franse taal met een aanvullend examen lopende over de Vlaamse of de Duitse taal,
5. in de Vlaamse taal met een aanvullend examen lopende over de Franse of de Duitse taal, '
6. in de Duitse taal, met een aanvullend examen lopende over de Franse of de Vlaamse taal.
Brussel den 23 mei 1917,

HOOGESCHOOL TE GENT.
Bekendmaking.
In den loop der maand juli a.s. zal een zitting geopend worden ter afneming van examens tot bekomen der wettelijke academische graden.
Men kan zich laten inschrijven op het secretariaat der Hogeschool (lange meire), van 1 tot 15 juni, alle werkdagen van 11 tot 12 ure. Inschrijvingen per brief worden aanvaard, indien men hij de aanvraag het bedrag der inschrijving voegt.
Gent, den 21 mei 1917.

No. 353. - 4. juni 1917.
Verordening,
betreffende de uitvoering van het bevel van 21 mei, 1911 waarbij een krijgsbelasting werd opgelegd. De provincieraden der 9 provincies van België hebben in hun buitengewone zittijd belegd op 2 juni 1917, de besluiten, die het opbrengen verzekeren van de middelen ter betaling der bij bevel van 21 Met 1917 aan de Belgische bevolking opgelegde krijgsbelasting niet genomen. Deze hun handeling is in strijd met de openbare belangen. Om die reden worden de besluiten zover die genomen zijn, overeenkomstig artikel 89 der provinciale wet van 30 april 1836 opgeheven en zijn de Gouverneurs der provincie Antwerpen, Brabant, Henegouw, Limburg, Luik, Luxemburg en Namen samen met de Voorzitters van het burgerlijk bestuur (Pràsidenten der Zivilverwaltung) aldaar, voor de provincies Oost- en West-Vlaanderen de Voorzitters van het burgerlijk bestuur aldaar alleen, met bindende kracht, elk wat zijn provincie betreft, gemachtigd tot het nemen van onderstaande maatregelen :
1. solidair met de andere provincies
a) voor den duur van zes maanden de nodige maatregelen te treffen met het oog op de betaling van de krijgsbelasting, die de Belgische bevolking bij bevel van 21 Met 1917 opgelegd werd, en desnoods daartoe een lening aan te gaan ;
b) de nodige maatregelen te treffen, met het oog op de betaling der intresten en op de delging dezer lening, als ook met het oog op de betaling der intresten van de derde krijgsbelastingslening en desnoods daartoe een lening aan te gaan ;
2. de nodige oorkonden te ondertekenen.
Brussel den 3 juni 1917.
No. 353. - 4. juni 1917.
BESCHIKKING.

Art. 1. Ten einde de studenten in de geneeskunde in staat te stellen een der belangrijkste praktische takken van hun toekomend beroep grondiger aan te leren, wordt, op voorstel van de geneeskundige faculteit der hogeschool te Gent, aan deze hogeschool een Verloskundige polikliniek opgericht.
Art, 2. Deze kliniek, die de taak van de vrouwenkliniek zal aanvullen, zal zich belasten met de behandeling aan huis van kraamvrouwen en met het verstrekken van geneeskundige zorgen aan haar zuigelingen.
Art. 3. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur {Verwàltungschef) is gelast de nodige maatregelen met het oog op de uitvoering van deze beschikking te treffen.
Brussel 16 mei 1917,

No. 353. - 4. juni 1917.
VERORDENING
betreffende de inrichting een Hogere School voor handelswetenchappen bij 's Rijks universiteit te Gent

Art, 1. De Bijzondere Handelsschool die krachtens Koninklijk Besluit van 11 Oktober 1906, bij de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit te Gent, bestond, wordt heringericht aïs een Hoogere School voor Handelswetenschap bij de Universiteit te Gent.

Art. 2. Het onderwijs wordt in het Nederlands gegeven. Bij het onderwijs in de moderne talen kunnen echter die talen zelf gebruikt worden.

Art. 3. Tot het onderwijs behoren de volgende vakken : Moderne talen; Handelstechniek, Boekhouden, Handelsrekenen, Geld- en Bankwezen ; Praktische kantooroefeningen, Verkeerswezen ; Aardrijkskunde, Economische Aardrijkskunde Volkenkunde, Warenkennis, Geschiedenis van Handel en Nijverheid, Geschiedenis der Kolonisatie, Diplomatische Geschiedenis ; Staathuishoudkunde, Handelspolitiek, Financiële wetenschap, Statistiek, Verzekeringswetenschap, Koloniaal huishoudkunde ; Hoofdbegrippen van het Recht, Staatsrecht, Bestuurlijk Recht, Volkenrecht, Internationaal Privaatrecht, Handels en zeevaartsrecht, Nijverheidswetgeving, Sociale Wetgeving,. Tolwetgeving, Consulaire Wetgeving, Koloniale Wetgeving; Methodologie van het Onderwijs in de Handelswetenschap, Gezondheidsleer.
Daarenboven kan, op voorstel van den Raad van professoren der School, het onderwijs in andere vakken worden ingericht door het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten. De programmas der lessen zijn aan de goedkeuring van het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten onderworpen.

Art. 4. De Hogere School voor Handelswetenschap verleent de academische graden en diploma's van :
1. Licentiaat in de handelswetenschap,
2. Licentiaat van den hogeren graad in de handelswetenschap,
3. Licentiaat in de handels- en consulaire wetenschap,.
4. Licentiaat in de handels- en koloniale wetenschap,
5. Licentiaat in de handels- en financiële wetenschap,
6. Doctor in de handelswetenschap.

Art. 5. Het diploma van licentiaat in de handelswetenschap wordt verleend na ten minste twee jarenstudie,volgens het daartoe vastgestelde programma en na het afleggen van een examen dat in twee gedeelten afgenomen wordt. Het diploma van licentiaat van den hogere graad in de handelswetenschap, van licentiaat in de handels- en consulaire wetenschap, van licentiaat in de handels- en koloniale wetenschap, of van licentiaat in de handels- en financiële wetenschap wordt aan den licentiaat in de handelswetenschap verleend na minstens nog een jaar studie, volgens het daartoe vastgestelde programma en na het afleggen van een examen dat in eens afgenomen wordt. Het diploma van doctor in de handelswetenschap wordt aan de licentiaten, vermeld in artikel 4 onder de Nrs. 2 tot 6, verleend, na ten minste een jaar studie het voorleggen van een proefschrift en het afleggen van een daarbij behorend examen.

Art. 6. Het onderwijs der Hogere School voor Handelswetenschap wordt gegeven door de professoren en docenten der School zelf en door professoren en docenten van de Faculteiten der Universiteit, alsmede van andere hij de Universiteit bestaande scholen. De bevoegdheid en de jaarwedde van de professoren der Hogere School voor Handelswetenschap worden hij hunne benoeming vastgesteld. Verder worden, naar behoefte, hoofdassistenten, assistenten en technische hulpkrachten aangesteld. Ook kunnen mannen met bijzondere verdienste op wetenschappelijk of technisch gebied, die niet tot de School behoren, met het houden van voordrachten belast worden.

Art. 7. De Hogere School voor Handelswetenschap aanvaardt, al naar gelang van hunne ontwikkeling en van het doel hunner studiën :
a) gewone leerlingen,
b) vrije leerlingen.
c) toehoorders.
De gewone leerlingen alleen worden toegelaten tot de examens voorzien hij artikel 5.

Art. 8. Afzonderlijke verordeningen zullen uitgevaardigd worden aangaande :
1. De leerkrachten der School, het bestuur der School, de betrekkingen van de School met de Universiteit ;
2. De rechten en plichten der leerlingen ;
S. De voorwaarden tot aanvaarding en de toegangsexamens ;
4. De examens tot het verkrijgen der academische graden en de formulieren der getuigschriften en diploma's ;
5. De kosten voor het bezoek der School en voor het afleggen der examens ;
6. Het beheerpersoneel,
Brussel 23 mei 1917.
No. 353. - 4. juni 1917.
Verordening
betreffende de oprichting een Hogere Land- en Tuinbouwschool Rijksuniversiteit te Gent.

Art. 1. Buiten de krachtens de organieke wet van 4 april 1890 bestaande gestichten voor het onderwijs in de landbouwkunde, wordt bij de Universiteit te Gent, eene Hoogere Land' en Tuinbouwschool opgericht.

Art. 2. Het onderwijs wordt in het Nederlands gegeven. Bij het onderwijs in de moderne talen kunnen echter die talen zelf gebruikt worden.

Art. 3. Tot het onderwijs behoren de volgende vakken : Plantkunde, Dierkunde, Mikrobenleer, Erfelijkheidsleer, Plantenziekten, Algemene Scheikunde en Landbouwscheikunde, Natuurkunde, Weerkunde en Klimaatkunde Aard- en Delfstofkunde, Aardrijkskunde, Fysische Aardrijkskunde, Plantenaardrijkskunde, Wiskunde ; Algemene Plantenteelt, Bijzondere teelt der Akkerbouwgewassen, Fruit- en Groenteteelt, Bloementeelt, Tuinaanleg, Bosbouw ; Algemene en bijzondere Dierenteelt, Vorm- en Beoordelingsleer, Ziekteleer en Gezondheidsleer ; Landbouwtechniek, Land- en Tuinbouwmachineleer, Landmeetkunde, Bouwkunde, Schoonheidsleer, Natuurbescherming ; Land- en Tuinbouwtechnologie ; Bedrijfsleer van Land- en Tuinbouw, Taxatieleer, Plantenhandel, Boekhouden ; Geschiedenis van Land- en Tuinbouw ; Staathuishoudkunde, Vennootschapswetenschap ; Agrarisch Recht ; Moderne talen ; Methodologie van het onderwijs in den Land- en Tuinbouw. Daarenboven kan, op voorstel van den Raad van professoren der School, het onderwijs in andere vakken worden ingericht door het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten. De programma's der lessen zijn aan de goedkeuring van het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten onderworpen.

Art. 4. De Hogere Land- en Tuinhouwschool verleent de academische graden en diplomas van :
1. Landbouwingenieur,
2. Tuinbouwingenieur.
De houders van een der voornoemde diploma's kunnen daarenboven na bijzondere studie op het gebied van de toegepaste natuurwetenschap, van de landbouwkunde, van de bosbouwkunde of van de hofbouwkunde een bijzonder diploma verwerven.

Art. 5. Het diploma van Landbouwingenieur wordt verleend na ten minste drie jaar studie volgens het daartoe vastgestelde programma en na het afleggen van een examen dat in drie gedeelten afgenomen wordt.
Het diploma van Tuinbouwingenieur wordt verleend na een jaar voorbereidende en ten minste twee jaar academische studie volgens liet daartoe vastgestelde programma en na het afleggen van een examen dat in drie gedeelten afgenomen wordt.
Het bijzondere diploma wordt verleend na ten minste één jaar bijzondere studie en na het afleggen van een examen dat in eens afgenomen wordt.

Art. 6. Het onderwijs der Hogere Land- en Tuinbouwschool wordt gegeven door de professoren en docenten der School zelf en door professoren en docenten van de Faculteiten der Universiteit, alsmede van andere bij de Universiteit bestaande scholen. De bevoegdheid en de jaarwedde van de professoren en docenten der Hogere Land- en Tuinbouwschool worden bij hunne benoeming vastgesteld. Verder worden, naar behoefte, hoofdassistenten assistenten en technische hulpkrachten aangesteld. Ook kunnen mannen met bijzondere verdienste op wetenschappelijk of technisch gebied, die niet tot de School behoren, met het houden van voordrachten belast worden.

Art. 7. De Hogere Land- en Tuinhouwschool aanvaardt al naar geîang van hunne ontwikkeling en van het doel hun studiën :
a) gewone leerlingen
b) vrije leerlingen,
c) toehoorders.
De gewone leerlingen alleen worden toegelaten tot de examens voorzien hij artikel 5.

Art. 8. Afzonderlijke verordeningen zullen uitgevaardigd worden aangaande :
1. De leerkrachten der School, het bestuur der School, de betrekkingen van School met de Universiteit ;
2. De rechten en plichten der leerlingen ;
3. De voorwaarden tot aanvaarding en de toegangsexamens ;
4. De examens tot het verkrijgen der academische graden en der bijzondere diploma's, alsmede de formulieren der getuigschriften en diploma's ;
5. De kosten voor het bezoek der School en voor het afleggen der examens ;
6. Het beheerpersoneel.
Brussel 23 mei 1917.
No. 353. - 4. juni 1917.
Verordening ***
betreffende de aangifte van de voorhanden zijnde matrassen en kussens en de inbeslagneming: en afleveringsverplichting van de wol, waarmede die opgevuld zijn.

Aangifte van de voorhanden zijnde matrassen en kussens.
Art. 1. Al de matrassen en kussens, die binnen het gebied van het Generalgouvernement voorhanden zijn, moeten ten laatste op 20 juni 1917 met vermelding van den naam en de woning bij het bevoegd gemeentebestuur schriftelijk aangegeven zijn. De gemeentebesturen (burgemeesters) zijn verplicht, de aangiften te verzamelen en de uitkomst er van, samen met al de per straat gerangschikte aangiften, ten laatste op 30 juni 1917 over te maken aan den bevoegden „Kreitschef Kommandant of „Abschnitts'* kommandeur'

Art. 2. Inbeslagneming en afleveringsverplichting van de wol, waarmede matrassen en kussens opgevuld zijn. Al de tot vulsel van matrassen en kussens gebezigde wol, hetzij zuiver of met andere bestanddelen {b. v. paardenhaar, zeegras) vermengd, is hierbij naar maatstaf van onderstaande bepalingen in beslag genomen en aan de afleveringsverplichting onderworpen. Uitwerking van de inbeslagneming.

Art. 3. Het is verboden om het even op welke wijze aan de in beslag genomen wol of vermengingen met wol wijzigingen toe te brengen of er recht zakelijk over te beschikken. De in beslag genomen wol en vermengingen met wol moeten bewaard en zorgvuldig behandeld worden ; het is toegelaten, ze voorshands op behoorlijke wijze verder in gebruik te houden.

Afleveringsverplichting.
Art. 4. De wol en de vermenging met wol die krachtens artikel 2 in beslag genomen zijn, moeten op uitnodiging van de Afdeling voor handel en nijverheid {Abteilung fur Handel und Gewerbe) afgeleverd worden aan de afleveringskantoren, die de Afdeling voor handel en nijverheid te dien einde zal aanduiden. De in artikel 6 genoemde personen zijn aan de afleveringsverplichting onderworpen. De afleveringsverplichting omvat tevens de verplichting de in beslag genomen wol en vermengingen met wol uit de matrassen en kussens te nemen.

Schadeloosstelling.
Art. 5. Voor de afgeleverde wol en vermengingen met wol wordt van 1.50 tot 4.50 mark per kilogram betaald. Het afleveringskantoor stelt die prijzen vast naar gelang van de hoedanigheid en van het zuiver gehalte aan wol. Weigert de afleveraar den prijs aan te nemen, of bestaat er twijfel aangaande zijn recht om den prijs in ontvangst te nemen, dan zal hem een geschreven bewijs over de gedane aflevering, met aangifte van de afgeleverde hoeveelheid, ter hand worden gesteld. Voor al de afleveraars, die den prijs weigeren aan te nemen, zal een gezamenlijk ontvangstbewijs op naam van het gemeentebestuur opgemaakt en aan de betrokken gemeente overhandigd worden. In dat geval stelt de Rijkscommissie tot regeling van de schadeloosstellingen (Reichsentschàdigungskommission) de schadeloosstelling naar de bestaande grondregels vast.

Personen, die onder toepassing van deze Verordening vallen.
Art. 6. Vallen onder toepassing van deze Verordening :
1) Huiseigenaars, bezitters van woningen en gezinshoofden, inzonderheid bezitters van gasthoven ;
2) Personen, honden en vereenigingen van privaat' qf openbaarrechtelijke natuur, in wier gébouwen en lokalen matrassen of kussens voorhanden zijn.

Medewerking der gemeenten.
Art. 7. De gemeenten, gemeenteoverheden, gemeenteambtenaren, -beambten en -bedienden zijn verplicht hun medewerking te verlenen, voor het uitvoeren van deze Verordening. Inzonderheid kan, bij bevel van de bevoegde krijgsbevelhebbers, aan afzonderlijke gemeenten last worden gegeven de aflevering te bewerkstelligen, volgens nadere aanwijzingen van het Hoofd van het burgerlijk bestuur, Afdeling voor handel en nijverheid (Verwaltungschef, Abteilung fur Handel und Gewerbe). In dit geval moeten de inwoners der gemeente de bedoelde voorwerpen afleveren aan het gemeentebestuur, dat alsdan ten gevolge van die aflevering, op zijn beurt onder de afleveringsverplichting in den zin dezer Verordening wilt. Bij overdracht van de uitvoering der aflevering aan de gemeenten, worden de afgeleverde voorwerpen voor rekening van de vroegere eigenaars aan de gemeentebesturen uitbetaald. De voorschriften van artikel 5, lid 2, zijn dienovereenkomstig van toepassing.

Wegneming door dwang.
Art. 8. Wordt aan de uitnodiging om bedoelde voorwerpen af te leveren niet of niet bijtijds voldaan, dan kunnen deze, onverminderd de strafrechtelijke vervolging, zonder schadevergoeding, door dwang weggenomen worden. Te dien einde kunnen huiszoekingen worden gedaan.

Kleinste hoeveelheden.
Art. 9. Met het oog op de uitvoering dezer Verordening kan, bij wijze van schatting, voor iedere gemeente een kleinste hoeveelheid wol en vermengingen met wol worden vastgesteld, waarmede de door de inwoners der gemeente rechtstreeks of door tussenkomst der gemeente af te leveren hoeveelheden moeten overeenkomen. Indien de gezamenlijke hoeveelheid, door de afzonderlijke inwoners der gemeente afgeleverd, bedoelde kleinste hoeveelheid niet bereikt, kan de bevoegde krijgsbevelhebber, op voorstel van de Afdeling voor handel en nijverheid, de gemeente 50 maal de waarde doen betalen van ieder niet ingeleverde kilogram, berekend op den grondslag van een gemiddelde waarde van 3 mark per kilogram.

Uitvoeringsvoorschriften. Toestaan van uitzonderingen.
Art. 10. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur hij den Generaalgouverneur, Afdeling voor handel en nijverheid, is gemachtigd uitvoeringsvoorschriften uit te vaardigen en uitzonderingen op deze Verordening toe te staan. Leegstaande, onbewoonde of opgeëiste huizen.

Art. 11. Voor de gebouwen, die door hun eigenaars of bewoners verlaten werden of onbewoond zijn, zijn de gemeenteoverheden verantwoordelijk wat betreft de uitvoering van> deze Verordening ; de plaatselijke kommandanturen of bevoegde krijgsbevelhebbers zijn gerechtigd, de gemeenten dienaangaande nadere aanwijzingen te geven. Voor de huizen die door Duitse soldaten of burgers bezet of bewoond zijn, wordt de uitvoering der Verordening door de bevoegde krijgsoverheden geregeld, Strafbepalingen.

Art. 12. Wie de voorschriften van deze Verordening of de op grond er van uitgevaardigde algemene of bijzondere beschikkingen opzettelijk of uit nalatigheid overtreedt, wordt met ten hoogste 2 jaar gevangenis en met ten hoogste 50.000 mark boete, of met één van beide straffen gestraft. Wie anderen tot het overtreden van de voorschriften dezer Verordening of van de op grond dezer Verordening uitgevaardigde algemene of bijzondere beschikkingen uitnodigt of aanzet, wordt, zover de algemene strafwetten geen zwaarder strajjen voorzien, op dezelfde wijze gestraft. De poging tot overtreding is strafbaar. De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.
Brussel 23 mei 1917.


No. 353. - 4. juni 1917.
Bekendmaking.
De heer Albert François, bestuurder der rechtstreekse belastingen, douanen en accijnzen, te Namen, is, bij besluit van 16 d. m. van den heer Generalgouvemeur in België, te rekenen van 1 juni 1917 in dezelfde hoedanigheid naar Aarlen overgeplaatst, Brussel 29 mei 1917.

No. 353. - 4. juni 1917.
betreffende verdere verlening van uitzonderlijke duurtetoeslagen aan staatsbedienden en loontrekkende aangestelden van den Staat.

Art, 1. De buitengewone duurtetoeslagen voorzien bij Verordening van 1 Februari 1917, betreffende de verlening van uitzonderlijke duurtetoeslagen aan staatsbedienden en loontrekkende aangestelden van den Staat (Wet- en Verordeningsblad, 3393), zullen over het tijdperk van 1 januari tot 30 juni 1917 verder worden verleend, en wel op den grondslag van hiernavolgende bedragen, die de onder artikel 6 van voormelde Verordening opgegeven bedragen vervangen :
in plaats van 10 frank 12 frank.
in plaats van 15 frank 18 frank,
in plaats van 18 frank 22 frank,
in plaats van 3 frank 4 frank.

Art, 2, De uitgaven voor de bedienden en loontrekkende aangestelden, welke bij een van de onder artikel 1, litt, a, b î en c, der Verordening van 1 februari 1917 vermelde beheren of diensten werkzaam zijn,-worden bestreden uit een : krediet, geopend onder nr 37 van de bijlage tot de begroting ! van het Ministerie van Financiën voor het dienstjaar 1917. ! De uitgaven voor de bedienden en loontrekkende aangestelden die aan het Ministerie van Zeewezen Posterijen en Telegraaf of in den Postdiensten werkzaam zijn {artikel 1, î litt. d, der Verordening van 1 februari 1917) worden opgenomen onder de uitgaven van het Duits Beheer van Posterijen en Telegraaf.
Brussel den 30 mei 1917.

No. 354. - 6. juni 1917.
Bekendmaking
Betreffende de liquidatie van vijandelijke ondernemingen»
Met toestemming van den heer Generalgouvemeur in België, heb ik, overeenkomstig de Verordeningen van 29 ' Augustus 1916 en van 15 April 1917, over de liquidaties ; van vijandelijke ondernemingen, de liquidatie bevolen van i het in België voorhanden zijnde vermogen van volgende Franse huizen: •
1. G Duck Co., te Antwerpen,
2. Soc. Française d'Exploitation des Produits Lianosofff te Antwerpen,
3. S. A. Usines de Nickel de la Nethe, te Duffel,
4. Saint Frères, te Antwerpen,
5. Beliard, Crighton en Co., te Antwerpen, |
6. S. A. Au Lilas, te Antwerpen,
7. Carlier Frères, vroeger A. Carlier, te Antwerpen. ;
De heer Dr. Lappenherg, meir 14:, te Antwerpen, is tot liqwidator benoemd. De likwidator verstrekt nadere inlichtingen.
Brussel 19 mei 1917,
No. 354. - 6 juni 1917.
Verordening ***
betreffende het opnemen en het in beslag nemen van de voorhanden zijnde scheikundige voortbrengselen.
Art, 1. Al de voorraden aan de hieronder nader aangeduide voortbrengselen, die op 10 juni 1917 in het gebied van het Generalgouvernement voorhanden zijn moeten aangegeven worden en zijn hierbij in beslag genomen:
a) aluin
b) bijtende soda
c) bijtende potas
d) verkalkte en gekristalliseerde soda
e) chloorkalk
f) salpeterzuur
g) salpeterzure zouten
h) salpeterigzure zoute
i) bichroomzure potas en soda
k) chroomaluin en alle andere chroomzure zouten
1) zwavelzuur ijzer in alle vormen
m) zwavelzure aluinaarde
n) loodzouten (loodoxide, loodwit)
o) de halfafgewerkte voortbrengselen en afvalvoortbrengselen van de onder a) tot en met n) opgesomde producten.

Art. 2. Al de natuurlijke en rechtspersonen, inzonderheid ook gemeenten en openbaar-rechtelijke genootschappen, die de in artikel 1 aangeduide stoffen verwaardigen, verwerken of anderzins in bewaring hebben, zijn verplicht er aangifte van te doen, om het even of zij al dan niet die stoffen in eigendom bezitten of gerechtigd zijn er over te beschikken. Voor de handelingen van privaat- of openbaar-rechtelijke personen zijn hun wettige vertegenwoordigers verantwoordelijk.

Art. 3. Al de voorraden aan de overeenkomstig artikel 1 in beslag genomen stoffen, moeten ten laatste op 24 juni 1917 schriftelijk aangegeven zijn op de Afdeling voor handel en nijverheid. Kantoor voor grondstoffen {Abteilung fiir Handel und Gewerbe, Rohstoffverwaltungsstelle), Kunstherlevingslaan 30 ,te Brussel. Voorraden, die vroeger reeds bij bijzondere beschikking in beslag genomen zijn of die, na in beslag te zijn genomen, voor het verbruik weer vrij verklaard werden, moeten eveneens aangegeven worden.

Art 4, Door het feit van de inbeslagneming is het verboden op enige wijze over de in artikel 1 opgesomde stoffen rechtszakelijke te beschikken, alsook ze op om het even welke wijze te vervoeren of te gebruiken, te bewerken of te wijzigen.
De bezitters zijn verplicht bedoelde stoffen tot nader bericht zorgvuldig te bewaren en behoorlijk te behandelen, Het Hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschef), Afdeling voor handel en nijverheid, kan in bijzondere gevallen, wanneer daartoe een schriftelijke aanvraag is ingediend vrijstelling verlenen van het verbod vervat in het 1e lid.

Art 5. De handelaars of verenigingen van handelaars die daartoe van het Hoofd van het burgerlijk bestuur, Afdeling voor handel en nijverheid, machtiging hebben verkregen, zijn gerechtigd de aan de verplichting tot aangifte onderworpen stoffen aan te kopen tegen de prijzen welke de Afdeling voor handel en nijverheid daartoe vaststelt Zo zeer geen onderhandse aankoop tegen deze prijzen tot stand komt, kunnen de betreffende voorwerpen van dit ogenblik af door het Generalgouvernement Sektion K, R, onteigend worden; zij moeten alsdan op uitnodiging van de Afdeling voor handel en nijverheid door den bezitter binnen een bepaalden termijn worden afgeleverd, Ingeval van onteigening ontvangt de afleveraar over de gedane aflevering een ontvangbewijs, waarin ook de afgeleverde hoeveelheid is aangegeven. Voor al de afleveraars zal een gezamenlijk ontvangbewijs op naam van het gemeentebestuur opgemaakt en aan de betrokken gemeenten overhandigd worden. In dit geval stelt de Rijkscommissie tot regeling van de schadeloosstellingen {Reichsentschàdigungskommission) de schadeloosstelling naar de bestaande grondregels vast.

Art. 6. Wie de voorschriften van deze Verordening opzettelijk of uit nalatigheid overtreedt, wordt, zover een andere strafwet geen zwaarder straf voorziet, met ten hoogste 2 jaar gevangenis en met ten hoogste 25.000 mark boete, of met één van beide straffen gestraft. Bovendien is de verbeurdverklaring van voorwerpen, waarop de strafbare handeling betrekking heeft in alle gevallen toegelaten, en, zover het een opzettelijke overtreding geldt, in ieder geval uit te spreken. De poging tot overtreden is strafbaar.

Art. 7. De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd. Brussel den 26 mei 1917,
No. 364. - 6 juni 1917.
Verordening
houdende wijziging van de Verordening van 15 maart 1916, betreffende den verkoop van kunstmeststoffen. Nummer 6 van de lijst, toegevoegd aan de Verordening van 27 maart 1916, betreffende den verkoop van kunstmeststoffen (Wet- en Verordnungsblat, hl. 1859) moet als volgt gelezen worden:
Bijslag voor
Prijs in - De prijs - Verpakking - Naam der meststof - Bestemming' , pet 100 kg.
6. Beendermeel 23.50 100 kg los 1 frank (5 % stikstof, 20 % fosfoorzuur) Brussel, den 29 mei 1917,
C. C, VU 3531.


No. 354. - 6 juni 1917.
Beschikking.
Op grond mijner Verordening van 5 mei 1917 en in aansluiting aan mijn beschikking van 6 mei 1917 (C. C, l Ia 3069), is de heer Marechal, bestuurder aan het ministerie van Wetenschappen en Kunsten, te rekenen van 15 juni 1917 eveneens naar Namen overgeplaatst.
Brussel, den 21 juni 1917,
No. 354. - 6. juni 1917.
Bekendmaking
betreffende de lilwidatie van vijandelljke ondernemingen»
Met toestemming van den heer Generalgouvemeur inBeîgië, heb ik, overeenkomstig de Verordeningen van 29 ' Augustus 1916 en van 15 AprU 1917, over de likioidaties ; van vijandelijke ondememingen, de likwidatie bevolen van i het in België voorhanden zijnde vermogen van volgende Franse huizen: •
1. C. Dite é Co., te Antwerpen,
2. Soc. Française d'Exploitation des Produits LianO' l sofff te Antwerjpen,
3. S. A. Usines de Nickel de la Nàthe, te Dujfel,
4. Saint Frères, te Antwerpen,
5. Beliard, Crighton é Co., te Antwerpen, |
6. S. A. Au Lilas, te Antwerpen,
7. Carlier Frères, vroeger A. Carlier, te Antwerpen. ;
De heer Dr. Lappenherg, meir 14:, te Antwerpen, is tot likvndator henoemd. De likioidator verstrekt nadere inlichtingen.
Brussel 19 mei 1917,
No. 354. - 6 juni 1917.
Verordening ***
betreffende het opnemea en het in beslag nemen van de voorhanden z|jnde seheikundîge voortbrengselen.
Art, 1. Al de voorraden aan de hieronder nader aangeduide voortbrengselen, die op 10 juni 1917 in het gehied van het Generalgouvernement voorhanden zijn moeten aangegeven worden en zijn hierhij in beslag genomen:
a) aluin
b) bijtende soda
c) h ijtende potasch
d) verkalkte en gekristalliseerde soda
e) chloorkalk
f) salpeterzuur
g) salpeterzure zouten
h) salpeterigzure zoute
i) hichroomzure potasch en soda
k) chroomaluin en alle andere chroomzure zouten
1) zwavelzuur ijzer in alle vormen
m) zwavelzure aluinaarde
n) loodzouten (loodooxyde, loodwit)
o) de halfafgewerkte voorthrengselen en ajvalvocMbrengselen van de onder a) tot en met n) opgesomde produkten.

Art. 2. Al de natuurlijke en rechtspersonen, inzonderheid ook gemeenten en openbaarrechtelijken genooir schappen, die de in artikel 1 aangeduide stoffen vercoardigen, verwerken qf anderzins in hewaring hebben, zijn verplicht er aangijte van t£ doen, om het even of zij al dan niet die stoffen in eigendom bezitten of gerechtigd zijn er over te beschikken. Voor de handelingen van privaat- qf openbaarrechtelijke personen zijn hun loettige vertegenwoordigers verantwoordelijk.

Art. 3. Al de voorraden aan de overeenkomstig artikel 1 in beslag genomen stoffen, moeten ten laatste op 24 juni 1917 schriftelijk aangegeven zijn op de Afdeeling voor handel en nijverheid. Kantoor voor grondstoffen {AbteUung fiir Handel und Gewerbe, Rohstoffverwaltungsstelle), Kunstherlevingslaan 30 ,te Brussel. Voorraden, die vroeger reeds bij bijzondere beschikking in beslag genoinen zijn of die, na in beslag te zijn genomen, voor Jiet verbruik loeer vrij verklaard werden, moeten eveneens aangegeven ivorden.
Art A, Door het feit van de inbeslagneming i3 liet verNo. hoden op eenige wijze over de in artikel 1 opgesomde stoffen rechtszakelijke te beschikken, alsook ze op om het even welke îvijze te vervoereUf te gehruiken, te hewerken of te mjzigen.
De bezitters zijn verplicht hedoelde stoffen tot nader bericht zorgvuldig te bewaren en behoorJijk te behandelen, Het Hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschef), Afdeeling voor handel en nijverheid, kan in bijzondere gevallen, wanneer daartoe een schriftelijke aanvraag is ingediendy vrijstelling verleenen van het verbod vervat in het le lid.

Art 5. De handelaars of vereenigingen van handelaars die daartoe van het Hoofd van het burgerlijk bestuur, Afdeeling voor handel en nijverheid, machtiging hebben verkregen, zijn gerechtigd de aan de verplichting tot aangifte onderworpen stoffen aan te kopen tegen de prijzen welke de Afdeeling voor handel en nijverheid daartoe vaststelt Zoozeer geen onderhandsche aankoop tegen deze prijzen tot stand komt, kunnen de betreffende voorwerpen van dit oogenblik af door het Generalgouvernement Sektion K, R, onteigend worden; zij moeten alsdan op uitnoodiging van de Afdeeling voor handel en nijverheid door den bezitter binnen een bepaalden termijn worden afgeleverd, Ingeval van onteigening ontvangt de afleveraar over de gedane aflevering een ontvangbewijs, waarin ook de afgeleverde hoeveelheid is aangegeven. Voor al de afleveraars zal een gezamenlijk ontvangbewijs op naam van het gemeentebestuur opgemaakt en aan de betrokken gemeenten overhandigd worden. In dit geval stelt de Bijkscommissie tot regeling van de schadeloosstellingen {Beichsentschàdi' gungskommission) de schadeloosstelling naar de bestaande grondregels vast.

Art. 6. Wie de voorschriften van deze Verordening opzettelijk of uit nalatigheid overtreedt, wordt, zoover een andere strafwet geen zwaarder straf voorziet, met ten hoogste 2 jaar gevangenis en met ten hoogste 25.000 mark hoete, of met één van heide straffen gestraft. Bovendien is de verheurdverklaring van voorwerpen, waarop de strafbare handeling betrekking heeftj in alle gevallen toegelaten, en, zoover het een opzettelijke overtreding geldt, in ieder geval uit te sjpreken. De poging tot overtreden is strafhhaar.

Art. 7. De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbeveïhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd. Brussely den 26 mei 1917,
ce. VII 3531.
No. 364. - 6 juni 1917.
Verordening
boudende wi|ziging van de Verordening van ST Maart 1916, betreffende den verlcoop van liunstmeststoffen. Nummer 6 van de lijst, toegevoegd aan de Verordening van 27 Maart 1916, betreffende den verkoop van kunstmeststoffen (Wet- en Verordnungshlat, hl. 1859) moet als volgt gelezen worden:
Bslag voor
„ , , Prijs in De prijs Ver- den tussen Naam der meststof . ' , , ,, , , . i. j i frank. geldt voor: pakking. nandel, pet 100 kg.
6. Beendermeel 23.50 100 kg lo5 1 frank (5 % stikstof, 20 % fosfoorzuur) Brussél, den 29 mei 1917,
C. C, VU 3531.
No. 354. - 6 juni 1917.
Beschikking.
Op grond mijner Verordening van 5 mei 1917 (C. C. Illa. 2772) en in aansluitiug aan mijn heschikking van 6 mei 1917 (C. C, l Ia 3069), is de lieer MarescJial, hestuurder aan het ministerie van Wetenschappen en Kunsten, te rekenen van 15 juni 1917 eveneeiis naar Namen overgeplaatsL
BriLssel, den 2 juni 1917,
C. 0. III& 3775.

No. 355. - 9 juni 1917.
Bekendmaking
betreffende de liquidatie van Franse ondernemingen.
Met toestemming van den heer Generalgouvemeur in België, heb ik, overeenkomstig de Verordeningen van 29 augustus 1916 en van 15 april 1917 over de liquidaties van vijandelijke ondernemingen, de liquidatie bevolen van het in België voorhanden zijnde vermogen van den Fransman Lucien Bouix. De heer luitenant Maas, Krijgsschool te Brussel, is tot liquidator benoemd. De liquidator verstrekt nadere inlichtingen.
Brussel 25 mei 1917,
No. 355. - 9. juni 1917.
Verordening
betreffende het oprichten van een schoolraad voor de Duitse lagere school te Aarlen.
§ 1. Voor de leiding der zaken der Duitse school te Aarlen en voor het beheer der nodige geldmiddelen, wordt een schoolraad opgericht.
§ 2, Deze schoolraad bestaat :
1. uit den dienstdoenden Voorzitter van het burgerlijk bestuur {Pràsident der Zivilverwaltung) te Aarlen als voorzitter en
2. uit den dienstdoenden burgerlijken Kommissaris (Zivilkommissar) te Aarlen die tevens plaatsvervanger is van den voorzitter,
3. uit den bestuurder der Duitse school te Aarlen,
4. uit twee personen, behorende tot de Duitse Kolonie te Aarlen als leden. De leden van den schoolraad worden door den voorzitter benoemd.
§ 3. De schoolraad bezit de eigenschap der rechtspersoonlijkheid. In rechtszaken wordt de schoolraad vertegenwoordigd door den voorzitter of door dezer plaatsvervanger,
§ 4. De raad moet in elk schoolkwartaal ten minste eenmaal tot een zitting opgeroepen worden. In de bezittingen worden de besluiten hij meerderheid van stemmen genomen. Bij staking van stemmen beslist de stem van den voorzitter. De schoolraad mag steeds besluiten nemen, om het even hoeveel leden er aanwezig zijn.
§ 5. De voorzitter leidt de lopende zaken ; hij is gehouden den schoolraad te raadplegen in alle aangelegenheden van enig belang, inzonderheid echter bij benoeming of ontslag van onderwijskrachten.
§ &. De geldzaken worden door een kashouder geleid. Deze wordt door den voorzitter benoemd en zal zo mogelijk, gekozen worden onder de onderwijskrachten der Duitse lagere school.
§ 7. De kashouder moet jaarlijks rekenschap geven bij den schoolraad. Deze verleent ontlasting.
§ 8. De kashouder mag alleen op aanwijzing van den voorzitter of van dezes plaatsvervanger betalingen doen.
§ 9. Het bedrijfsjaar begint op 1 oktober van elk jaar en eindigt den 30 september van het volgend jaar. Voor elk bedrijfsjaar zal een begroting der inkomsten en uitgaven opgemaakt worden. De begroting moet door het Hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschef) bij den Generaalgouverneur in België worden goedgekeurd. De bevoegdheid van den voorzitter of van dezes plaatsvervanger tot het opleggen van betalingen, blijft beperkt tot de bedragen die in de begroting voorkomen.
§ 10. Binnen twee maand na afloop van elk bedrijfsjaar stuurt de schoolraad aan het Hoofd van het burgerlijk bestuur bij den Generaalgouverneur in België een verslag over al de gebeurtenissen van enig belang, die in het afgelopen schooljaar zijn voorgekomen, alsook over den gang van het schoolbeheer en over het aantal leerlingen. Bij dat verslag zal een op grond der kasboeken afgesloten rekening over het afgelopen bedrijfsjaar gevoegd worden.
Brussel 30 mei 1917.

No. 355. - 9 juni 1917.
Verordening houdende verbod koren uit den oogst 1917 op halm uit de hand te doen.
§ 1. Het is verboden om het even welke rechtszaken te sluiten over koren op halm uit den oogst 1917. De bevoegde provinciale Oostgcommissie {Provincial-Ernte- Kommission) kan evenwel uitzondering op dit verbod toestaan.
§ 2, Reeds voor de uitvaardiging van deze Verordening, over koren op halm uit den oogst 1917 afgesloten rechtszaken, zijn van nul en geen waarde.
§ 3. Overtredingen van § 1 van deze Verordening worden met ten hoogste 5 jaar gevangenis of met ten hoogste 20.000 mark boete gestraft; ook kunnen beide straffen tegelijk worden uitgesproken.
De krijgsrechtbanken en de krijgsoverheden zijn tot oordeelvellen
bevoegd. Brussel o juni 1917.

No. 356. - 9. juni 1917.
Verordening ***
betreffende de inlevering van de voederrogge.
Onder wijziging van Hoofdstuk 111, 2e lid, letter c, van de Uitvoeringsbepalingen tot de Verordening van 8 Juli 1916, betreffende de Oogstcommissies {Ernte-Kommissinen) (Wet- en Verordeningsblad, bl 2394196), bepaal ik het navolgende.
§ 1, De landbouwers zijn gehouden de voederrogge, die van hun roggeoogst als veevoeder voor het verbruik vrijverklaard is, zover zij die nog hebben, te rekenen van 15 juni 1917, aan de ofpkopers van het Nationaal Komiteit te verkopen tegen de daartoe wettelijk vastgestelde prijzen.
§ 2. Het Nationaal Komiteit is verplicht, de voorraden aan voederrogge, die bij de landbouwers nog voorhanden zijn, ten laatste op 15 Juli op te kopen, dezelve naar de bergplaatsen en molens te vervoeren en aldaar te bergen. De aldus geborgen voorraden zijn in beslag genomen; het Nationaal Komiteit moet de geborgen voorraden voederrogge als zodanig aangeven bij de bevoegde provinciale Oogstcommissies (Provinzial-Emte-Kommissionen) .
§ 3. Het is verboden broodkoren in om het even welke hoeveelheid te vervoederen. De centrale Oogstcommissie (Zentral-Ernte-Kommission) kan het vervoederen van broodkoren toelaten, ingeval dit voor de vervaardiging van brood ongeschikt is.
§ 4, Voederkoren, dat ten laatste op 15 Juli 1917 niet ingeleverd is, wordt zonder vergoeding onteigend. Voor de onteigening gelden de bepalingen van de Verordening van 26 maart 1917 {Wet- en Verordeningsblad, bl 8529 80).
§ 5. Wie de bepalingen van de §§ 1 en 3 van deze Verordeningen niet nakomt, wordt met ten hoogste 5 jaar gevangenis of met ten hoogste 20 000 mark boete gestraft. Ook kunnen beide straffen tegelijk worden uitgesproken. De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.
Brussel 5 juni 1917,
No. 356. - 12. juni 1917.
Verordening betreffende de oorkonden.
Art, 1 Oorkonden in den zin van artikel 1 der wet van 25 Ventôse van het jaar XI kunnen opgenomen worden door ambtenaren, die door mij daartoe aangesteld zijn in de gevallen, waarin het zij een Duitse overheid, hetzij een persoon, door een Duitse overheid belast met het waarnemen van bepaalde verrichtingen, betrokken is. De bevoegdheid van deze ambtenaren geldt voor het ganse gebied van het Generalgouvernement.

Art. 2. De oorkonden kunnen opgenomen worden zonder dat een tweede ambtenaar, of zonder dot twee getuigen daarbij aanwezig zijn.

Art. 3. Een door mij aan te stellen ambtenaar kan de krachtens de wet van 16 december 1851 door de hypotheekbewaarders te vervullen ambtsverrichtingen uitoefenen,. ingeval een der betrokken partijen behoort tot de in artikel 1 opgesomde overheden of personen.

Art. 4. Wie de vervulling van de in artikel 3 hedoelde ambtsverrichtingen helemmert of tracht te belemmeren wordt met ten hoogste 5 jaar gevangenis en met ten hoogste 50 000 mark boete, of met één van deze straffen gestraft. De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.
Brussel 21 juni 1917.
No. 356. - 12. juni 1917.
Bekendmaking. ***
Slachtvee mag alleen binnen het gebied van het Generalgouvernement per spoorweg of per schip vervoerd worden. Te rekenen van 1 Juli 1917 is daar bovendien een geleibrief voor nodig van den Kreischef, uit wiens ambtsgebied het vee vervoerd wordt. De geleibrief moet de plaats van herkomst van het vee en de plaats van bestemming, alsook de vertrek- en eindstatie voor het vervoer per spoorweg of per schip vermelden. En de zending vee mag niet vervoerd worden dan de in den geleibrief opgegeven eindstatie van den spoorweg of van de scheepvaartlijn, ten zij daarvoor een nieuwe geleibrief is afgehaald,
Brussel 5 juni 1917,
No. 856. - 12. juni 1917.
Verordening, betreffend de vorming van twee ministeries van Justitie.
In uitvoering van de Verordening van 21 maart 1917, betreffende de indeling van België in twee bestuurlijke gebieden (Wet- en Verordeningsblad, hl. 3457), verorden ik het navolgende :
Art. 1. Het beheer van justitie wordt, voor elk der heide bestuurlijke gebieden, het Vlaamse en het Waalse, te rekenen van 1 Juli 1917 door een bijzonder ministerie waargenomen.

Art. 2. De bestaande archieven van het strafregister, van den dienst der openbare veiligheid en van den gerechtelijke erkenningsdienst blijven hij het ministerie te Brussel. Te rekenen van 1 Juli 1917 worden deze archieven hij het ministerie te Namen eerst voor de toekomst nieuw opgemaakt. Het beheer van de Kassen voor Weduwen en Wezen blijft voorlopig gemeenschappelijk voor de beide bestuurlijke gebieden onder leiding van het ministerie te Brussel, Het beheer van ieder inrichting valt ten laste van het ministerie in wiens bestuurlijk gebied zij gelegen is; eventueel zullen personen uit het ander bestuurlijk gebied zoo nodig en mits vergoeding der onkosten, opgenomen worden, zover zulks mogelijk is.

Art. 3. Voor elk der beide ministeries gelden voorlopig het organiek reglement van 29 Juli 1893 en de aanvullende koninklijke besluiten, met dien verstande, dat het voorbehouden blijft, het kader van het personeel der beide ministeries voorgoed vast te stellen .

Art. 4. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschef) is belast met de uitvoering van deze Verordening.
Brussel 9 juni 1917.

No. 356. - 12. juni 1917.
Beschikking.
1. De bevoegdheid van het ministerie van Justitie te Brussel is krachtens mijn Verordening van 9 juni 1917 (C. C. VI A 3169 V. T. 1), met ingang van 1 Juli 1917 beperkt tot het Vlaams bestuurlijk gebied. Van het personeel van dit ministerie zijn de in de bijlage genoemde ambtenaren aangeduid om, te rekenen van den zelfde dag, het beheer van Justitie voor het Waals bestuurlijk gebied van Namen uit, waar te nemen. Bedoelde ambtenaren zijn dienovereenkomstig, van dien datum af, overgeplaatst naar Namen,
2. In het ministerie van Justitie te Brussel zijn te rekenen van 1 Juli 1917,
a) de heer J. T. F. W. Keuvelmans, 'politierechter, te Antwerpen, tot algemeen secretaris en de heer J. Bevernage, bureeloverste, tot afdelingsoverste en
b) de heer A, P. E. Coopman, klerk, tot bureeloverste ten persoonlijke titel benoemd. Brussel, den 11 juni 1917. 7. T. 2. B ij 1 a g e tot V. T. 2. Zijn naar NAMEN overgeplaatst :
Voor Namen zie Duits :

No. 866. - 12. juni 1917.
Verordening betreffende de vorming van twee ministeries van Financiën» In uitvoering van de Verordening van 21 maart 1917, betreffende de indeling van België in twee bestuurlijke gebieden {Wet- en Verordeningsblad, bl. 3457), verorden ik het navolgende :

Art. 1. Het beheer van de rechtstreekse belastingen, Douanen en Accijnzen, evenals het beheer van het Enregistrement en van de Domeinen wordt, met ingang van 1 Juli 1917, voor elk der heide bestuurlijke gebieden, het Vlaamse en het Waalse, door een afzonderlijk ministerie van Financiën waargenomen.

Art. 2. Het beheer van de Schatkist, het beheer van de Openbare Schuld en van de Munten, evenals het beheer van de Kas voor Weduwen en Wezen der ambtenaren. beambten en bedienden van het beheer van Financiën, alsmede de Handelstaktistiek blijven voorlopig gemeenschappelijk voor heide bestuurlijke gebieden onder de leiding van het ministerie van Financiën te Brussel.

Art. 3. Overigens zijn voor de beide ministeries van Financiën de koninklijke decreten van 31 december 1875 en van 15 januari 1912, evenals de Verordeningen, voorlopig in de zelfde zin toepasselijk.

Art. 4. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschef) zal de ter uitvoering van hier bovenstaande Verordening verder nodige bepalingen uitvaardigen.
Brussel 9 juni 1917.
No. 356. - 12. juni 1917.
Beschikking. Op grond van mijn Verordening van 5 mei 1917 en in aansluiting aan mijn beschikking van 6 mei 1917 heb ik in het ministerie van Nijverheid en Handel te Brussel verder benoemd: den heer F. Verstrijngen koopman en voormalig hoofdklerk hij het beheer van spoorwegen, tot afdelings- overste, den heer Hugo Van den Broeck, staathuishoudkundige, tot bureeloverste ten persoonlijke titel.
Brussel, den 9 juni 1917,
No. 356. - 12. juni 1917.
Beschikking.
De bevoegdheid van den heer P. Gilson, opziener van het muziekonderwijs, is, krachtens mijn Verordening van 5 mei 1917, C. C. III A 2772, te rekenen van 15 juni 1917 beperkt tot het Vlaamse bestuurlijk gebied, Brussel 9 juni 1917,
No. 357. - 15. juni 1917.
VERORDENING
Verordening *** betreffende de vroege aardappelen.

Art. 1, Het ten nutte maken van den vroegen aardappeloogst is opgedragen aan het Aardappeïbevoorradingskantoor (Katoffelversorgungsstelle-K. V. S.), te Brussel. De K. V. S. is gelast zich door onderhandsen aankoop de nodige hoeveelheid vroege aardappelen voor het verbruik aan te schaffen ; de aankoop van vroege aardappelen bij de verbouwers en de levering er van in de afzetgebieden is te dien einde opgedragen aan het Verzendingskantoor bij den burgerlijke Commissaris {Verladerburo beim Zivilkommissar) te Mechelen. De bevoegdheid van het Verzendingskantoor strekt zich uit tot de gemeenten, vermeld in de hieraan toegevoegde lijst.

Art. 2. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschef) bepaalt het begin en het einde van den vroegen aardappeloogst. Het is verboden den oogst te beginnen voor den daartoe vastgestelde datum.

Art. 3. De aankoop van de vroegere aardappelen geschiedt tegen den door den burgerlijke Commissaris te Mechelen, in gemeen overleg met de K. V. S. vast te stellen prijs van den dag. Deze prijs geldt voor het Generaal-gouvernement aïs hoogste prijs in den zin der Verordening van 28 september 1916, „over het bestraffen van overtredingen tegen de hoogste prijzen'' (wet- en Verordeningsblad, bl. 1093).

Art. 4. Voor het overige blijven de bepalingen der Verordening van 17 januari 1916 „betreffende de regeling van de aardappelbevoorrading ' Wet- en Verordeningsblad, bl, 1525) van kracht, zover in vorenstaande bepalingen geen andere regeling is getroffen. Het scheidsgerecht, voorzien bij artikel 11 der Verordening van 17 januari 1916, is uitsluitend bevoegd voor het beslechten van al de geschillen, die bij het ten nutte maken van den vroegen aardappeloogst zouden ontstaan.

Art. 5. Het hoofd van het burgerlijk bestuur is belast met de uitvoering van deze Verordening. Hij is gemachtigd wijzigingen toe te brengen aan de onder artikel 1 bedoelde lijst van gemeenten.

Art. 6. Overtredingen van de vorenstaande bepalingen, alsook van de op grond van artikel 5 genomen schikkingen, worden met ten minste één week en ten hoogste één jaar hechtenis of gevangenis of met ten minste 50 en ten hoogste 10.000 mark boete gestraft. Beide straffen kunnen tegelijk worden uitgesproken. Bovendien kan de waar onteigend worden. De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.
Brussel 9 juni 1917.

Bekendmaking
Lijst
Van gemeenten aangesloten Bij het Verzendingskantoor voor de bevoorrading met vroege aardappelen bij den burgerlijken Kommissaris (Verladerburo beim Zivilkommissar) te Mechelen.

Provincie Antwerpen.
Al de gemeenten der provincie, uitgenomen Wilrijk, Deurne, Hoboken.
Verzendingsstaties : Kalmthout, Kapellen, Turnhout, Tielen, Balen, Mol, Geel, Olen, Herenthals, Bouwel, Nijlen Lier, Noorderwijk, Westmeerbeek, Ramsel Booischot, Heist-op-den-Berg, Boekhout, Berlaar, Kontich, Duffel, Sint-Katelijne-Waver, Mechelen-Nekkerspoel Mechelen- Hoofdstatie, Sint-Amands, Puurs, Hombeek,

Provincie B r a b a n t.
Arrondissement Brussel-Land :
Gemeenten: Peizegem, Steenhuffel, Malderen, Londerzeel, Ramsdonk, Londerzeel-Oost, Nieuwenrode, Kapellen- op-den-Bos Humbeek, Eppegem, Peuti, Perk, Elewijt, Weerd bij Zemst, Hofstade, Muizen, Buken, Kampenhout, Berg, Beigem, Grimbergen, Assche, Bekkerzeel, Sint- Maarten, Bodegem, Borg-Lombeek, Brussegem, Sint- Ulriks-Kapelle, Kobbegem, Essene, Ganshoren, Grooten- Bijgaarden, Hamme, Hekelgem, Pamel, Liedekerke, Sinte- Katelijne-Lombeek, Massenzeel, Merchtem, Meùe, Molhem- Bollebeek, Neder-Over-Heembeek Opwijk, Relegem, Strombeek-Bever, Strijthem, Teralfene, Ternat, Wambeek, Wemmel, Wolveringem, Zellik.
Verzendingsstaties voor Brussel-Land : Opwijk, Merchtem, Asse, Sint Katelijne-Lombeek, Ternat, Groot- Bijgaarden, Malderen, Londerzeel, Kapellen-op-den-Bosch, Weerde,
Arrondissement Leuven:
Gemeenten : Hever, Boortmeerbeek, Haacht, Keerbergen, Tremelo, Wespelaar, Tildonk, Werchter, Baal, Begijnendijk, Rotselaar, Wijchmaal, Holsbeek, Sint-Pieters-Rode, Hoowaard, Kortrijk-Dutsel, Nieuwrode, Wezemaal, Gelrode, Betekom, Aarschot, Rillaar, Scherpenheuvel, Zichem, Messelbroek, Molenstede, Testelt, Langdorp, Bekevoorde, O.L.-V. Tielt.
Verzendingsstaties: Boortmeerbeek, Wespeleir, Wijchmaal, Rotselaar, Gelrode, Aarschot.

No. 357. - 15. juni 1917.
Uitvoeringsbepalingen **
tot de Verordening betreffend de vroege aardappelen.
Op grond van artikel 5 der Verordening van 9 juni 1917, bepaal ik het navolgende :
§ 1. De bevoorrading van de gemeenten met vroege aardappelen uit de in artikel 1 der Verordening bedoelde gebieden, zover de gemeenten de nodige hoeveelheid niet uit het eigen gebied kunnen betrekken, geschiedt uitsluitend door bemiddeling van de K. V. S.
Het is verboden, vroege aardappelen op andere wijze in het verkeer te brengen of anderszins van de hand te doen of aan te schaffen.
§ 2. Het begin van den vroegen aardappeloogst is vastgesteld op 25 juni 1917.
§ 3. De gemeenten moeten de hoeveelheid vroege aardappelen die zij nodig hebben, in overeenstemming met de bestaande voorschriften bestellen bij den bevoegden burgerlijke Commissaris (Zivilkommissar), De prijs moet bij de bestelling worden gevoegd.
§ 4. De burgerlijke Commissaris te Mechelen stelt het Verzendingskantoor (artikel 1 der Verordening) samen, met toestemming van het Hoofd van het burgerlijk bestuur {Verwaltungschef.)
§ 5, Het Verzendingskantoor staat onder toezicht van de K. F. S. De burgerlijke Commissaris te Mechelen is belast met het plaatselijk toezicht en de leiding van het kantoor.
§ 6, Het Verzendingskantoor laat de vroege aardappelen opkopen door opkopers die door den burgerlijke Commissaris te Mechelen aangenomen zijn,
§ 7. De geleibrieven voor het vervoer per as van gemeente tot gemeente worden, voor het gebied der vroege aardappelen {artikel 1 der Verordening), afgeleverd door den burgerlijke Commissaris te Mechelen.
§ 8. Zover hiervoren geen afwijkende regeling getroffen is, blijven de uitvoeringsbepalingen van 17 januari 1916, tot de Verordening van de zelfde dag, van kracht
Brussel 16 juni 1917,


No. 357. - 15. juni 1917.
Verordening waarbij een tolrecht op het zout wordt gevestigd.
§ 1. Zout wordt in België onderworpen aan een recht, vastgesteld overeenkomstig de volgende bepalingen : Door zout worden in den zin van deze Verordening saline- steen- en zeezout, ook moederloog, pansteen, opruimzout en zoutwater alsmede alle stoffen verstaan, waaruit zout doorgaans wordt getrokken,
§ 2. Het van het buitenland in België ingevoerd zout is belastbaar met een tolrecht vastgesteld, voor saline- en gemalen steenzout op 18 frank voor ander zout op 14 frank de 100 kilogram. Bij deze tolrechten wordt het bijrecht van 10 1, h., voorzien onder artikel 2 der Verordening van 1 maart 1916, waarbij het toltarief en enkele accijnsrechten gevwijzigd worden (Weten Verordeningsblad, bl. 1694), niet geheven.
§ 3. Wie bij het in werking treden van deze Verordening meer dan 50 kilogram zout in zijn bezit of in bewaring heeft, moet, binnen twee weken na de inwerkingtreding van deze Verordening, schriftelijke aangifte er van doen op het bevoegd tolkantoor. overeenkomstig nadere door het Hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschef) uit te vaardigen bepalingen, en terzelfder tijd een narecht betalen van 18 frank de 100 kilogram voor saline- en gemalen steenzout, en van 14 Frank voor ander zout, om het even of bij eigenaar van het zout is of niet, doch met voorbehoud van aanspraak op teruggave der betaalde rechten tegenover den eigenaar.
§ 4. De spoorwegbeheren zijn van de onder § 3 voorziene verplichting vrijgesteld betrekkelijk het zout dat zij, bij het in werking treden van deze Verordening, in hun bewaring hebben om het te vervoeren. Daarentegen is elke bestemmeling van meer dan 50 kilogram zout, dat bij het in werking treden van deze Verordening, bij een spoorwegbeheer in bewaring was om vervoerd te worden en niet aan vertolling overeenkomstig § 2 werd onderworpen, gehouden binnen een week na ontvangst der waar, schriftelijke aangifte er van te doen op het bevoegd tolkantoor, overeenkomstig nadere door het Hoofd van het burgerlijk bestuur uit te vaardigen bepalingen. en terzelfder tijd voor dit zout het onder § 3 vastgesteld narecht te betalen.
§ 5. Het tolbeheer is gemachtigd zich van de juistheid der aangifte te overtuigen. De bezitter van het zout is hierbij verplicht de gevorderde inlichtingen en behulpzaamheid te verstrekken en moet ook, indien hij daartoe wordt verzocht, het voor het nawegen gevorderd gereedschap verschaffen. Wordt hij het onderzoek naar de oprechtheid der aangifte bevonden, dat aan narechten te weinig werd betaald, dan is het aanvullend bedrag binnen drie dagen na de uitgevaardigde waarschuwing te betalen. Te veel betaalde bedragen worden teruggegeven.
§ 6. Het vervaardigen van zout hij middel van andere dan de onder § 1, 2e lid, genoemde stofjen is verboden, tenzij daartoe een voorafgaande vergunning is verleend geworden door het Hoofd van het burgerlijk bestuur, die eveneens het recht dat op het aldus vervaardigde zout te heffen is, alsook de andere hierbij na te komen voorwaarden bepaalt.
§ 7. Wie in de bij § 3 en 4 voorziene aangifte onnauwkeurige gegevens vermeldt, of verzuimt deze aangifte te doen binnen den voorgeschreven termijn, wordt in elk afzonderlijk geval gestraft met een boete belopende tienmaal het bedrag van het hierdoor ontdoken narecht. Is de boete niet invorderbaar dan wordt zij vervangen door een gevangenisstraf van 3 maanden tot 2 jaar. Naast de uitgesproken straf, zal het in aanmerking komend zout onteigend worden of, bijaldien zulks niet uitvoerbaar is, zal tot het betalen van de waarde veroordeeld worden. Andere overtredingen van de bepalingen van § 3 en 4, alsook overtredingen van § 5, 1e lid, van § 6 of van de uitvoeringsbepalingen tot deze Verordening, worden in elk afzonderlijk geval gestraft met een boete van 50 tot 2000 frank, of bijaldien de boete niet invorderbaar is, met 8 dagen tot 6 maanden gevangenisstraf. Indien het bedrag van het ontdoken narecht in de bij het 1ste lid voorziene gevallen niet kan worden vastgesteld, beloopt de boete in elk afzonderlijk geval 2000 frank. Naast de uitgesproken straf blijft bovendien het narecht te betalen.
§ 8. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur vaardigt de nodige uitvoeringsbepalingen uit met het oog op de uitvoering van deze Verordening. Hij is ook gemachtigd in bijzondere gevallen de teruggave van het tolrecht of van het narecht te verlenen.
§ 9. Zover in deze Verordening of in de uitvoeringsbepalingen daartoe niet anders is bepaald, zijn de algemene Belgische voorschriften in tolzaken, met inbegrip van de strafbepalingen, in dezelfde zin toepasselijk.
Brussel, den 9 juni 1917.

No. 357. - 15. juni 1917.
Bekendmaking
betreffende de liquidatie van Fransehe ondernemingeD. Met toestemming van den heer Generalgouvemeur in België heb ik overeenkomstig de Verordeningen van 29 Augustus 1916 en van 15 april 1917 over de liquidaties van vijandelijke ondernemingen de liquidatie bevolen van het in België voorhanden zijnde vermogen van de firma L. Dalèsme é Fils te Parijs, inzonderheid van haar bijhuis te Brussel De heer J. Welker, Krijgsschool te Brussel, is tot liquidator benoemd. De liquidator verstrekt nadere inlichtingen.
Brussel 7 juni 1917,


No. 357. - 15. juni 1917.
Bekendmaking
betreffende de liquidatie van Franse ondernemingen. Met toestemming van den heer Generaalgouverneur in België, heb ik, overeenkomstig de Verordeningen van 29 augustus 1916 en van 15 april 1917 over de liquidaties van vijandelijke ondernemingen, de liquidatie bevolen van het in België voorhanden zijnde vermogen van de firma Société des Carrières d' Olloy, te Olloy, De heer J. Welker, Krijgsschool te Brussel, is tot liquidator benoemd. De liquidator verstrekt nadere inlichtingen.
Brussel 6 juni 1917.


No. 357. - 15. juni 1917.
Bekendmaking
betreffende de liquidatie van Franse ondernemingen. Met toestemming van den heer Generaalgouverneur in België, heb ik, overeenkomstig de Verordeningen van 29 Augustus 1916 en van 15 april 1917 over de liquidaties van vijandelijke ondernemingen, de liquidatie bevolen van het in België voorhanden zijnde vermogen van de firma. Ancienne Maison Godin, Société du Familistère de Guisef Colin & Oie., te Guise, inzonderheid van haar bijhuis te Brussel-Laken. De heer J. Welker, Krijgsschool te Brussel, is tot liquidator benoemd. De liquidator verstrekt nadere inlichtingen.
Brussel 6 juni 1917,


No. 357. - 15. juni 1917.
Bekendmaking
betreffende de liquidatie van Franse ondernemingen. Met toestemming van den heer Generalgouvemeur in België heb ik, overeenkomstig de Verordeningen van 29 augustus 1916 en van 15 april 1917 over de liquidaties van vijandelijke ondernemingen de liquidatie bevolen van het in België voorhanden zijnde vermogen van de firma Cie du Réacteur Métallurgique S. A, te Parijs, inzonderheid van het te Antwerpen gelegen terrein, dot aan de Naamloze Venootschap Usines de Nickel de la Nèthe verhuurd is. De heer Dr, Lappenberg te Antwerpen, is tot liquidator benoemd. De liquidator verstrekt nadere inlichtingen.
Brussel den 6 juni 1917,


No. 357. - 15. juni 1917.
Bekendmaking.
betreffende de liquidatie van Britse ondernemingen. Met toestemming van den heer Generalgouvemeur in België, heb ik ,overeenkomstig de Verordening van 29 augustus 1916 over de liquidaties van Britse ondernemingen {verschenen in het nr, 253 van 13 september 1916 van het Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België) j de liquidatie bevolen van het in België voorhanden zijnde vermogen van de firma Davies Brothers te Parijs inzonderheid van haar bijhuis te Brussel, De heer J. Wélker, Krijgsschool te Brussel, is tot liquidator benoemd. De liquidator verstrekt nadere inlichtingen.
Brussel 6 juni 1917, '
No. 358. - 17. juni 1917.
Bekendmaking.
I. In de middelbare afdeling van de Rijks Normaal school te Gent zal voor het jaar 1917 het examen tot het bekomen van het diploma van aspirant-leraar en van leraar, evenals een bijzonder examen over de Germaanse talen plaats hebben op een door den voorzitter der jury van dit jaar te bepalen dag.
II. Tot deze examens worden ook kandidaten toegelaten die zich door privaat onderwijs hebben voorbereid. Zij die zich aan het onderwijs willen wijden in een gemeente binnen het gebied, dat van het ministerie van Wetenschappen en Kunsten afhangt, moeten dit bij hun inschrijving verklaren.
III. Voor de kwekelingen van de vrije Middelbare Normaalscholen te Leuven, Heverlee, O.-L.-V. Waver, Eeklo Landen, Gent (Damen van het kristelijk onderwijs en Maatschappij voor hoger onderwijs voor meisjes) Turnhout (alleen examen voor aspirant-lerares), Sint- Niklaas (Waas), worden bijzondere jury's samengesteld, die in de lokalen van de hiervoren opgesomde gestichten, de examens tot het bekomen van het diploma van aspirantenlerares en van lerares, evenals een bijzonder examen over de Germaanse talen zullen afnemen, op den door de voorzitters der jury's van dit jaar te bepalen dag,
IV. De inschrijvingen tot deze examens zullen aanvaard worden van 20 juni tot en met 6 Juli 1917. Na dezen datum worden geen inschrijvingen meer aanvaard. De inschrijvingen worden aanvaard: voor de provincie Brabant : in het ministerie van Wetenschappen en Kunsten, Waterwerktuigstraat 10 te Brussel ;
voor de provincie Antwerpen : door den heer Jacobs, provinciebestuur te Antwerpen ;
voor de provincie West-Vlaanderen : door den heer H. AxterSf provinciebestuur te Brugge;
voor de provincie Oost-Vlaanderen : door den heer C, De Zutter, provinciebestuur te Gent;
voor de provincie Limburg : door den heer L. Mesotten, provinciebestuur, te Hasselt.
F. De inschrijvingskosten zijn aïs volgt vastgesteld: voor het examen van aspirant-leraar en . . -lerares 20 frank;
voor het examen van leraar en lerares . . 50 frank ;
De kandidaten, die bij een vroeger examen uitgesteld werden, betalen slechts het vierde, zij die afgewezen werden betalen de helft van de inschrijvingskosten. De kosten zijn bij de inschrijving te betalen.
Brussel 7 juni 1917,
No. 358. - 17. juni 1917.
Bekendmaking.
I. De personen, die de eerste of de tweede proeve, voorbereidend tot het examen van aspirante-regentes wensen aj te leggen moeten zich wenden tot de bestuurders en bestuursters van de vrije Middelbare Normaalscholen te Leuven {Gesticht Paridaens, St. Anioniusplaats) Eeklo, Gent {Damen van het kristelijk onderwijs, Priesterstraat, 13, en Maatschappij voor hoger onderwijs voor meisjes), Turnhout {Gesticht van het H. Graf, Paterstraat), Heverlee {Gesticht van het H. Kart), Na 6 Juli worden geen inschrijvingen meer aanvaard,
II. De personen, die bet ingangsexamen of het overgangsexamen van het eerste naar het tweede jaar in de middelbare afdeling van de rijks Normaalschool te Gent, en de eerste of de tweede proef voorbereidend tot het examen van aspirant- geaggregeerd leraar van den lageren graad in dit gesticht wensen af te leggen, moeten zich ten laatste op 6 Juli wenden tot den heer bestuurder dier school. Na 6 Juli worden geen inschrijvingen meer aanvaard.
III. Om tot het afleggen van de tweede voorbereidende proef of van het overgangsexamen van het eerste naar het tweede jaar in de middelbare afdeling van de rijks Normaalschool te worden toegelaten, moet men sedert ten minste één jaar de eerste voorbereidende proef of het ingangsexamen in de middelbare afdeling van de Rijks Normaalschool met vrucht afgelegd hebben. Brussel 7 juni 1917.
No. 358. - 17. juni 1917.
Verordening ***
betreffende het slachten aan huis van rundvee, kalveren, varkens, schapen en geiten.
In aanvulling van § 1 van het koninklijk besluit van 23 maart 1901, „betreffende keuring der slachtdieren binnen het Rijk afgemaakt verorden ik voor het gebied van het Generalgouvernement het navolgende :

Art. 1. Zonder schriftelijke toelating (slachtbewijs) van den „Kreischef' (Kommandant) ,mogen geen rundvee, kalveren, varkens, schapen en geiten voor het eigen verbruik geslacht worden. De toelating moet schriftelijk worden aangevraagd, onder opgave van de soort, den ouderdom, het geslacht en de kleur van het te slachten dier. In geval van gedwongen slachting, dit wil zeggen, wanneer een dier wegens zware ziekte of ten gevolge van een ongeval moet worden afgemaakt, is naderhand de toelating terstond aan te vragen; de aanvraag moet dan vergezeld gaan van een getuigschrift van den aangenomen veearts. Na het slachten moet de burgemeester van de betrokken gemeente het slachtbewijs naar den „Kreischef' terugsturen.

Art. 2. Bij slachting voor eigen verbruik {§ l),is de keuring van het vlees niet vereist, zoo het geslachte dier volkomen gezond was. In geval van gedwongen slachting, moet daarvan terstond na het slachten worden kennis gegeven, opdat de vleeskeuring kunnen plaats hebben. De Verordening van 14 oktober 1916, C. C. VII 9513, beitreffende de vleeskeuring {Wet- en Verordeningsblad, bl. 2860), is ook van toepassing op het vlees van mindere hoedanigheid, voortkomende van de voor het eigen verbruik geslachte dieren.

Art. 3. Overtredingen van deze Verordening worden met ten hoogste 10.000 mark boete of met ten hoogste één jaar hechtenis of gevangenis gestraft. Ook kan het vlees en de overige gedeelten {huid, ingewanden) van de onveroorloofd geslachte dieren, of het daarvoor bekomen bedrag, verbeurdverklaard worden. De krijgsbevelhebbers en krijgsrechtbanken zijn tot oordeelvellen bevoegd.

Art. 4. De Verordening wordt op den dag der uitvaardiging van kracht.
Brussel 7 juni 1917.
No. 358. - 17. juni 1917.
Beschikking.
De heer J. Benieaux, opziener van de boekhouding der secretarissen Schatbewaarders van de rijks middelbare onderwijsinrichtingen, is, krachtens mijn Verordening van 5 mei 1917, (7. C. Illa 2772 en, in aansluiting aan mijn beschikking van 6 mei 1917, G. C, Illa 3069, aangeduid om zijn ambtsbezigheden te rekenen van 15 juni 1917 uit te oefenen in het ministerie, dat, van dien datum af, het beheer van Wetenschappen en Kunsten voor het Waals bestuurlijk gebied, van Namen uit, heeft waar te nemen. De heer J. Benieaux is dienovereenkomstig te rekenen van 15 juni 1917 naar Namen overgeplaatst.
Brussel 9 juni 1917.
No. 358. - 17. juni 1917.
Verordening ***|
tegen den woekerhandel in dagelijkse artikelen, inzonderheid in levensmiddelen en voederstoffen. Ten einde ongerechtvaardigde prijsopjaging en de uitbuiting van de bevolking te verhinderen, verorden ik het navolgende:

Art. 1. Te rekenen van 16 Juli 1917 is het handeldrijven van beroep in levensmiddelen en voederstoffen zonder schriftelijke toelating van den voor de plaats van het zakenbedrijf bevoegden burgerlijken Kommissaris {Zivilkommissar), {te Brussel, van de Kommandantuur), verboden bijaldien de betrokken persoon niet reeds voor 1 Augustus 1914 zelfstandig handel gedreven heeft in levensmiddelen en voederstoffen. Dit voorschrift is niet toepasselijk op :
1) personen die reeds krachtens andere bepalingen de toelating van een Duitse overheid verkregen hebben om handel te drijven in levensmiddelen of in voederstoffen, zoover zij hun bedrijf binnen de grenzen van de verkregen toelating blijven uitoefenen ;
2) den kleinhandel op markten, die door de gemeente ingericht en - zover zulks vereist is - door de bevoegde overheid toegelaten zijn.

Art. 2. De toelating, bedoeld in artikel 1, is herroepelijk, Zij kan wat duur, plaats en voorwerp betreft beperkt worden en geeft alleen den persoon, op wiens naam zij opgemaakt is, het recht handel te drijven.

Art. 3. Ingeval de krachtens artikel 1 vereiste toelating geweigerd wordt, zal den betrokken persoon een termijn toegestaan worden om zijn voorraad waren aan den man te brengen. De burgerlijke Commissaris {te Brussel, de Kommandantuur) kan, met het oog op het aan den man brengen der waren, nadere schikkingen treffen. Na het verstrijken van den termijn kunnen de voorhanden zijnde voorraden door den Voorzitter van het burgerlijk bestuur {Pràsident der Zivilverwaltung) ten bate van de burgerlijke bevolking onteigend worden. De verkoop ervan geschiedt voor rekening en op kosten van den houder van het zakenbedrijf. Deze ontvangt de opbrengst van den verkoop, na aftrek van de onkosten.

Art. 4. De voorzitters van het burgerlijk bestuur zijn gerechtigd, zakenbedrijven van bijzondere, rechtspersonen, vennootschappen, samenwerkende maatschappijen of bonden welke inlandse levensmiddelen en voederstoffen verkopen, ook ingeval deze personen reeds voor 1 Augustus 1914 handel hebben gedreven in levensmiddelen en voederstoffen, tijdelijk of voorgoed te sluiten, indien zij de bepalingen van artikel 12 dezer Verordening overtreden het publiek uitbuiten of anderszins tegen het belang van algemeen handelen. De betroffen personen kunnen tegen de beslissing van den Voorzitter van het burgerlijk bestuur verzet aantekenen bij het Hoofd van het burgerlijk bestuur {Verwaltungschef). De uitspraak van het Hoofd van het burgerlijk bestuur is beslissend. De bepalingen van artikel 3 zijn dienovereenkomstig toepasselijk op zakenbedrijven, die krachtens lid 1 gesloten worden, met dien verstande evenwel, dat er geen termijn dient toegestaan vooraleer tot de onteigening wordt overgegaan. De Voorzitters van het burgerlijk bestuur, de burgerlijke Kommissarissen of hun lasthebbers zijn gerechtigd, de vergaderingen van de organen der in lid 1 opgenoemde rechtspersonen, vennootschappen, samenwerkende maatschappijen of bonden bij te wonen. Deze bepalingen zijn niet van toepassing op het Nationaal Hulp- en Voedingskomiteit.

Art. 5. Als uitbuiting van het publiek in den zin van het le lid van artikel 4, geldt inzonderheid de verkoop van vlees en vleeswaren tegen buitensporige prijzen. Als buitensporig aan te rekenen vleesprijzen, die in geen redematige verhouding staan tot den als billijk te beschouwen gemiddelden prijs van het vee, of die de gemiddelde prijzen, welke ter plaatse of in de streek voor vlees betaald worden, aanzienlijk overtreffen.

Art. 6. Wie van beroep handel drijft in dagelijkse artikelen, b.v. in allerhande levensmiddelen en voederstoffen, in verwarmings- en verlichtingsstoffen in kledingsstukken en andere dergelijke voorwerpen, enz., is verplicht boek te houden. De aan- en verkoopprijs, de herkomst en bergplaats van de waar, evenals in geval van voortverkoop aan een handelaar de eenzelvigheid van dezen laatste, moeten te allen tijde door de boekhouding kunnen worden aangetoond. Voor marskramers en voor kleinhandelaars op markten volstaat het, dat zij de herkomst van de waar en den aankoopprijs kunnen aantonen.

Art. 7. In al de openbare verkooplokalen van dagelijkse artikelen, inzonderheid van allerhande levensmiddelen en voederstoffen, evenals van ruwe natuurvoortbrengselen van verwarmings- en verlichtingsstoffen moeten de verkoopprijzen {naar gewicht of hoeveelheid, zoals dat in den handel gebruikelijk is), door in het oog vallende en leesbare opschriften in het uitstalraam of bij den ingang, en bovendien, in het lokaal zelf bekendgemaakt worden. Deze bepaling is dienovereenkomstig toepasselijk op den handel van marskramers en van kleinhandelaars op markten.
De aangekondigde prijzen mogen niet overschreden worden. De kleinhandelaar mag niet weigeren de gebruikelijke hoeveelheden, tegen betaling in gereed geld van de aangekondigde prijzen, te leveren aan verbruikers. De burgerlijke Kommissaris {te Brussel, de Kommandantuur) is bevoegd uitzonderingen op de bepalingen van dit artikel toe te staan. Hij kan eveneens schikkingen treffen in den zin van het le lid met het oog op gasthoven en spijshuizen.

Art. 8. Elke inmenging bij de bedeling van het publiek van een bemiddelaar, die zakelijk overbodig is (kettinghandel), in den handel in dagelijkse artikelen inzonderheid in levensmiddelen en voederstoffen, is verboden. Wie handel drijft in dergelijke waren, inzonderheid wie ze koopt of verkoopt, moet er zich van vergewissen, dat er geen kettinghandel in den zin van het le lid plaats heeft. Het voorwendsel dat men niet wist met kettinghandel te doen te hebben ontslaat niet van de verantwoordelijkheid.

Art. 9. Het is verboden in prijslijsten of in andere mededelingen, die voor een ruimeren kring bestemd zijn gegevens te verstrekken van aard om aangaande de handelsverhoudingen van den aankondiger of de hoeveelheid van de voorraden waarover hij kan beschikken, alsook ingaande de reden of het doel van den aankoop, den verkoop of de bemiddeling vergissingen te doen ontstaan.

Art. 10. De Duitse bestuurs- en politieoverheden en hun lasthebbers zijn gemachtigd :
1) van elkeen inlichtingen te verlangen over alle feiten, die voor het opmaken der prijzen belang hebben.
2) lokalen, waarin dagelijkse artikelen vervaardigd, opgeslagen of te koop geboden worden, te betreden en er vaststellingen te doen,
S) het overleggen van al de stukken en boeken die in het handelsverkeer gebruikt worden ter inzage te eisen.

Art. 11. Ah levensmiddelen en voederstoffen in den 2in van deze Verordening zijn eveneens de voortbrengselen te beschouwen, waaruit levensmiddelen en voederstoffen vervaardigd worden. De artikelen 1, 2, 3, 4 en 6 van deze Verordening zijn niet toepasselijk op den verkoop van voortbrengselen van igen gewin van den land- en bosbouw van de groenten en ooftteelt, van den gevogeltekweek en van de bijenteelt alsook van het jacht- en visserijbedrijjf.

Art. 12. Wordt gestraft met ten hoogste 5 jaar gevangenis en met ten hoogste 100.000 mark boete, of mt een van beide straffen :
1) wie voor dagelijkse artikelen, inzonderheid voor allerhande levensmiddelen en voederstoffen voor ruwe natuurvoortbrengselen, zeep, verwarmings- en verlichtingsstoffen, hetzij prijzen verlangt die, de kosten van vervaardiging, van bewerking en andere bijkomende kosten er bij gerekend, een buitensporige winst opleveren, hetzij zich zelf of anderen zulke prijzen laat toekennen of beloven ;
2) wie voorwerpen van den onder 1 bedoelden aard, door hem vervaardigd of aangeschaft met het doel ze van de hand te doen, achterhoudt om, met ze van de hand te doen een buitensporige winst op te strijken ;
3) wie voorraden vernielt, de vervaardiging er van of den handel er in beperkt, of andere oneerlijke kuiperijen drijft, met het doel den prijs der voorwerpen van den onder 1 bedoelden aard op te jagen; wie zekere klassen der bevolking of enkele personen zonder gegronde reden van den warenaankoop uitsluit of daarbij bevoordeligt ;
5) wie in strijd met de bepalingen van deze Verordening handelt, inzonderheid wie kettinghandel drijft, of de schikkingen, door de Duitse ambtenaren overeenkomstig artikelen 3 en 4 getroffen, overtreedt. In geval van opzettelijke overtreding van de bepalingen dezer Verordening, die voor doel hebben het opstrijken van buitensporige winsten te verhinderen, moet de uit te spreken boete ten minste tienmaal de winst bedragen, die de overtreder opgestreken heeft of zou moeten opstrijken. Behalve de straf, kan in al de bij deze Verordening voorziene gevallen de verbeurdverklaring der voorraden en andere voorwerpen, waarop de strafbare handeling betrekking heeft, om het even of zij den veroordeelde toebehoren of niet, uitgesproken worden. In al de gevallen, waarin uitbuiting van het publiek te erkennen is, moet de bekendmaking van het vonnis op kosten van den schuldige bevolen worden.

Art. 13. De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.

Art. 14. De Verordening van 23 september 1916, betreffende den verkoop van inlandse levensmiddelen en ' voederstoffen (Wet- en Verordeningsblad 2704), en de Verordening van 7 mei 1917, betreffende het te keer gaan van den woekerhandel in vlees {Wet- en Verordeningsblad, bl. 3741), zijn hierbij opgeheven.


No. 358. - 17. juni 1917.
Beschikking.
Op grond van de Verordening van 5 mei 1917 (Wet- en Verordeningsblad, bl. 3671 benoem ik aan het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten te Brussel
1 den heer von Ziegesar, professor, tot algemeen bestuurder van het beheer van Schone Kunsten,
2) den heer Rafaël Verhulst, letterkundige, tot bestuurder.
3) den heer Jozef van den Eynde, bureeloverste, tot afdelingsoverste,
4) den heer Frans Schoonj ans, kantonnaal schoolopziener te Kortrijk, tot bestuurder,
5) den heer Frans Petrus Démoor, klerk-te Masse, tot bureeloverste
Brussel 13 juni 1917,
No. 359. - 20. juni 1917.
Besluit. :
Hierbij benoem ik den heer E, Félix, gemeentesecretaris en griffiersklerk te St. Hubert, tot griffier bij het vredegerecht te St. Hubert. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschef) is belast met de uitvoering van dit besluit,
Brussel den 9 juni 1917.
No. 359. - 20. juni 1917.
Bekendmaking.
De in artikel 7 van de wet van 3 juni 1891 jury, belast met het bekrachtigen van door middelbare onderwijsinrichtingen afgeleverde getuigschriften, en met het afnemen van de in artikelen 10 en 12 dier wet bedoelde voorbereidende examens, zal in Augustus 1917 zitting houden.
Aanvragen om bekrachtiging van getuigschriften en om toelating tot de voorbereidende examens, moeten van 16 tot en met 26 Juli a.s. gericht worden tot den Voorzitter van het burgerlijk bestuur {Pràsident der Zivilverwaltung) der betrokken provincie. Aan na dien datum ingediende aanvragen om bekrachtiging van getuigschriften wordt geen gevolg gegeven. Na dien datum ingediende aanvragen om toelating tot de voorbereidende examens worden slechts dan in aanmerking genomen, wanneer zij uitgaan
1. van kandidaten, wier getuigschrift van volledige middelbare studiën door de jury afgewezen werd, en die, in den loop van de aanstaande zitting, een voorbereidend examen wensen af te leggen ;
2. van kandidaten, wier getuigschrift van volledige humaniora door de jury aangenomen werd en die, in den loop van dezelfde zitting, het voorbereidend examen tot den graad van „kandidaat in de natuur- en wiskundige wetenschappen'* en tot den graad van kandidaat-ingenieur wensen af te leggen ;
3. van kandidaten, wier getuigschrift van volledige humaniora door de jury aangenomen werd en die, door het afleggen van een der aanvullende examens, voorzien bij artikel 51 van het koninklijk regelingsbesluit van 14 oktober 1890, gewijzigd door het koninklijk besluit van 10 februari 1896, dit getuigschrift willen geldig maken voor de toelating tot een ander academisch examen, dan het er op vermelde. De onder 2 en 3 opgesomde kandidaten zijn gehouden, bij het overleggen van hun getuigschriften van middelbare studiën in handen van den heer Voorzitter van het burgerlijk bestuur, te verklaren of zij voornemens zijn in den loop der aanstaande zitting het voorbereidend examen af te leggen,
Brussel 12 juni 1917,
No. 359. - 20. juni 1917.
Verordening
betreffende de commissie tot bekrachtiging van getuigschriften van hoger onderwijs. Onder wijziging der artikelen 35, slot van het le lid, 36 en . 10 april 1890 , ,.770 37, 2e lid, van de wet van der artikelen 2, 3 juni 1891 3, le lid, en 11, le lid, van het koninklijk besluit van 24 oktober 1890, verorden ik het navolgende, dat met ingang van 15 juni 1917 in werking treedt :

Art. 1. De commissie, voorzien in artikel 35 van de wet van 1e lid van artikel 1 van het 3 juni 1891 koninklijk besluit van 24 oktober 1890, wordt afzonderlijk samengesteld voor het Vlaams en het Waals bestuurlijk gebied. De commissie voor het Vlaams bestuurlijk gebied zetelt te Brussel, de commissie voor het Waals bestuurlijk gebied te Namen,

Art. 2. In beide bestuurlijke gebieden bestaat elke commissie uit een algemeen bestuurder van het ministerie van Wetenschappen en Kunsten, van Justitie van Binnenlandse Zaken van Openbare Werken en van Nijverheid en Arbeid, Bij elke commissie wordt bovendien door het ministerie van Wetenschappen en Kunsten een bestendige secretaris gevoegd. •: Opdat een commissie geldige besluiten kunnen nemen, moeten ten minste drie leden aanwezig zijn.

Art. 3. De bevoegdheid van elke commissie is beperkt tot de bekrachtiging van getuigschriften, afgeleverd in het bestuurlijk gebied, waarvoor zij aangesteld is. De getuigschriften die door een van beide commissies bekrachtigd werden, zijn geldig voor de twee bestuurlijke gebieden. De commissies moeten elkander al de genomen besluiten mededelen. Lid 3 van artikel 44 der wet van 3 Juli 1891 heven.
Brussel 13 juni 1917,
No. 359. - 20. juni 1917.
Verordening
betreffende de jury's voor het hoger onderwijs. Onder wijziging van artikel 34 van de wet van n T 7- -en van het koninklijk besluit van 13 oktober 1890, verorden ik het navolgende, dat met ingang van 15 juni 1917 in werking treedt :

Art. 1. De middenjury, die krachtens artikel 34 van de wetgeving der academische graden en het programma der universiteitsexamens en krachtens het koninklijk besluit van 13 oktober 1890 samen te stellen is, wordt afzonderlijk samengesteld voor het Vlaams en voor het Waals bestuurlijk gebied.

Art 2. Lid 1 van artikel 34 van de wet van o -r i- nv- 3 Juli 1891 alsook lid 2 en 6 van artikel i, evenals lid 3 van artikel 2 van het koninklijk besluit van 13 oktober 1890 zijn opgeheven.

Art. 3. De samenstelling van beide middenjury's en de bepaling van haar zetel geschiedt bij ministeriele beschikking.

Art. 4. De examens kunnen voorlopig voor de jury's van beide bestuurlijke gebieden afgelegd worden, om het even waar de kandidaat tot nog toe zijn studiën gedaan heeft. Brussel 13 juni 1917.
No. 359. - 20. juni 1917.
Verordening
betreffende de getuigschriften van middelbare studiën en de voorbereidende examens, Onder wijziging van artikel 7 van de wet van het 3e lid van artikel 18 en van artikel 3 Juli 1891 19 van het koninklijk besluit van 14 oktober 1890, betreffende de getuigschriften van middelbare studiën en de voorbereidende examens, verorden ik het navolgende, dat met ingang van 15 juni 1917 in werking treedt :

Art. 1. De jury voorzien in artikel 7 van de wet wordt afzonderlijk samengesteld voor het Vlaams en voor het Waals bestuurlijk gebied en wel zodanig, dat er leerkrachten enerzijds van het door den Staat geleid of geldelijk ondersteund middelbaar onderwijs en anderzijds van het vrij middelbaar onderwijs, zoveel mogelijk in gelijken getale, in vertegenwoordigd zijn.

Art. 2. De jury voor het Vlaams bestuurlijk gebied zetelt te Brussel, de jury voor het Waals bestuurlijk gebied te Namen.

Art. 3. De bevoegdheid van beide jury's is beperkt tot de bekrachtiging van de getuigschriften, afgeleverd in het bestuurlijk gebied, waarvoor zij samengesteld zijn. De getuigschriften die door een van beide jury*s bekrachtigd, alsook de examens, die door een van heide jury's afgenomen werden, zijn geldig voor de twee bestuurlijke gebieden.
Brusel, den 13n juni 1917.

No. 359. - 20. juni 1917.
Verordenîng
betreffende den verbeteringsraad van het middelbaar onderwijs. Onder wijziging van artikel 33, le lid van de wet van 1 juni 1850, betreffende het middelbaar onderwijs en van het koninklijk besluit van 16 februari 1852, betreffende den verbeteringsraad van het middelbaar onderwijs, verorden ik het navolgende, dat met ingang van 15 juni 1917 in werking treedt :

Art. 1. De verbeteringsraad van het middelbaar onderwijs, voorzien bij artikel 33 van de wet, wordt afzonderlijk samengesteld voor het Vlaams en voor het Waals bestuurlijk gebied. De leden er van worden voor de helft onder de leerkrachten van het hooger onderwijs en voor de helft onder de leerkrachten van het middelbaar onderwijs aangeduid.
Art. 2. Artikelen 2 tot en met 5 van het koninklijk besluit van 16 februari 1852 zijn opgeheven, Brussel den 13 juni 1917.

No. 359. - 20. juni 1917.
Verordening
betreffende den verbeteringsraad van het lager onderwijs. Onder wijziging van artikel 15 van het koninklijk besluit van 21 september 1884 en van artikel 1 van het koninklijk besluit van 2 februari 1885 {in de bewoording van het besluit van 19 december 1899), verorden ik het navolgende, dat met ingang van 15 juni 1917 in werking treedt :

Art. 1. De verbeteringsraad van het lager onderwijs, voorzien hij artikel 15 van het koninklijk besluit van 21 september 1884, wordt afzonderlijk samengesteld voor het Vlaams en voor het Waals bestuurlijk gebied. De leden er van worden voor de helft onder de leerkrachten. van het middelbaar onderwijs en voor de helft onder de leerkrachten en onder het schooltoezichtspersoneel van het lager onderwijs aangeduid.

Art. 2. Lid 2 van artikel 1 van het koninklijk besluit van 2 Februari 1885, in de bewoording van 19 December 1899, is opgeheven.
Brussel 13 juni 1917,

No. 360. - 23. juni 1917.
Bekendmaking.
De in artikel 34 van de wet van » t 7- tot- bedoelde 3 Jun 1891 middenjury's zullen nog zitting houden in den loop van de maanden Juli en oktober 1917,
Kandidaten, die bedoelde examens wensen af te leggen, moeten hun aanvraag indienen hij den Voorzitter van het betrokken burgerlijk bestuur (President der Zivilverwaltung) , van 20 tot en met 30 juni a.s. voor de zitting van de maand juli, en van 20 september tot en met 1 oktober a.s. voor de zitting van de maand oktober.
Het ministerie van Wetenschappen en Kunsten en de Voorzitters van het burgerlijk bestuur verstrekken nadere inlichtingen, wat betreft de bewijsstukken, die vereist
zijn om tot de examens te worden toegelaten.
Brussel 15 juni 1917.
No. 360. - 23. juni 1917.
Bekendmaking
betreffende de liquidatie van Franse onderneming. Met toestemming van den heer Generalgouvemeur in België, heb ik, overeenkomstig de Verordeningen van 29 Augustus 1916 en van 15 april 1917 over de liquidatie van vijandelijke ondernemingen, de liquidatie bevolen van het in België voorhanden zijnde vermogen van den Fransman E. Léféber bezitter van het Grande Maison de Blanc te Brussel.
De heer J. W elker, Krijgsschool te Brussel, is tot likwidator henoemd. De likwidator verstrekt nadere inlichtingen.
Brussel 14 juni 1917
No. 361. - 25. juni 1917.
Beschikking.
Ministerie van Wetenschappen en Kunsten. (Voor het Vlaamse Bestuursgebied). Beheer van het hoger o n d e r w ij s, de wetenschappen en de letteren.
Aan de Universiteit te Gent toegevoegde school voor burgerlijke bouwkunde, kunsten en fabriekswezen. — Benoeming der jury's, belast met het afnemen der examens en voorbereidende proeven tot het verwerven der wettelijke en academische graden in het jaar 1917. Gezien het Koninklijk organiek besluit, rakende de aan de Universiteit te Gent toegevoegde scholen voor burgerlijke bouwkunde, kunsten en fabriekswezen, Gezien het organiek reglement dezer scholen en inzonderheid de artikelen 12 tot 14, Op voorstel van den heer Curator (beheerder-opziener) der Universiteit te Gent, bestuurder der technische scholen, wordt besloten:

Art. 1. De jury's gelast, in het jaar 1917, over te gaan in de aan de Universiteit te Gent toegevoegde school voor burgerlijke bouwkunde, kunsten en fabriekswezen, tot het afnemen van de proef voorbereidende tot den wettelijke graad van kandidaat-ingenieur, van het toegangsexamen voor den academische graad, tot het afnemen van de wettelijke examens van kandidaat-ingenieur, en van de academische examens in de afdeling der burgerlijke bouwkunde, kunsten en fabriekswezen, zijn samengesteld aïs volgt:
1) Voorbereidende proef tot den wettelijke graad van kandidaat-ingenieur en toegangsexamen tot den academische graad.
De heren :
Haerens, bestuurder van de aan de Universiteit te Gent
toegevoegde technische scholen, professor, voorzitter,
Brûlez, professor aan de Universiteit te Gent,
De Vreese, professor aan de Universiteit te Gent,
Menzerath, professor aan de Universiteit te Gent,
Voïlgraff, professor aan de Universiteit te Gent,
Vlamynck, docent aan de Universiteit te Gent,
2) Wettelijke graad van kandidaat-ingenieur.
Eerste proef.
De heren :
Haerens, bestuurder van de aan de Universiteit te Gent
toegevoegde technische scholen, professor, voorzitter.
Brûlez, professor aan de Universiteit te Gent,
Meerty professor aan de Universiteit te Gent,
Valeton, professor aan de Universiteit te Gent
Vollgraff, professor aan de Universiteit te Gent,
Minnaerty docent aan de Universiteit te Gent,
Tweede proef,
De heren :
Haerens, bestuurder van de aan de Universiteit te Gent
toegevoegde technische scholen, professor, voorzitter.
Brûlez, professor aan de Universiteit te Gent,
Valeton, professor aan de Universiteit te Gent,
Volgraff, professor aan de Universiteit te Gent, ,
Minnaert, docent aan de Universiteit te Gent,
3) Academische graad van candidaat-ingenieur.
Eerste proef.
De heren:
Haerens. bestuurder van de aan de Universiteit te Gent]
toegevoegde technische scholen, professor, voorzitter, !
Brûlez, professor aan de Universiteit te Gent,
Fornier, professor aan de Universiteit te Gent,
Meert, professor aan de Universiteit te Gent,
Valeton, professor aan de Universiteit te Gent, ':
Vollgraff, professor aan de Universiteit te Gent,
Minnaert, docent aan de Universiteit te Gent, .

Art. 2. Elke jury zal, in haar midden, eenen secretaris benoemen.

Art. 3. Ingeval een jurylid verhinderd is, zal de heer Curator der Universiteit te Gent, bestuurder der technische scholen, in diens vervanging voorzien.

Art. 4. De datums der verschillende hogervermelde examens, alsmede de datums voor de inschrijvingen tot de examens, zijn bepaald zoals volgt :
1) Proef voorbereidende tot den wettelijke graad van kandidaat-ingenieur en toegangsexamen tot den academische graad.
De eerste zittijd zal op Woensdag 1 Augustus, de tweede op Maandag 1 oktober aanstaande. te 9 uur, in het gebouw der technische scholen (Plateaustraat, te Gent) worden geopend.
De inschrijvingen worden tot 30 Juli voor den eersten zittijd, tot 29 september voor den tweeden zittijd, in gemeld gebouw der technische scholen {Plateaustraat, te Gent) aanvaard.
2) Examens tot den wettelijke graad van kandidaat- ingenieur.
Eerste en tweede proef
De eerste zittijd zal geopend worden op Maandag 16 Juli, de tweede op Maandag 1 Oktober aanstaande, te 9 uur, in het gebouw der technische scholen {Plateaustraat, te Gent).
De inschrijvingen worden tot 15 juni voor den eersten zittijd, lot 15 september voor den tweeden zittijd, op het secretariaat der Universiteit hogeschoolgebouw Lange meire te Gent aanvaard.
3) Examens tot den academische graad in de afdeling der burgerlijke bouwkunde, kunsten en fabriekswezen.
Eerste proef.
De eerste zittijd zal geopend worden op Maandag 16 Juli, de tweede op Maandag 1 oktober aanstaande, te 9 uur, in het gebouw der technische scholen {Plateaustraat, te Gent). j
De inschrijvingen worden aldaar tot 14 Juli voor den eersten zittijd, tot 29 september voor den tweeden zittijd, aanvaard.

Art. 5» De heer Kurator der Universiteit te Gent, bestuurder der technische scholerif is belast met de uitvoe- i ring van deze beschikking die in het Wet- en Verordeningsblad zal verschijnen.

Brussel den 20 juni 1917.
No. 362. - 28. juni 1917.
VERORDENING *** betreffende de inbeslagneming en het gebruik van de gerst (zomer- en wintergerst), evenals van de moutkiemen uit het oogstjaar 1911, binnen het gebied van het Generalgouvernement.

Art. 1. De bij Verordening van 20 Juli 1915 ingerichte Gerstenzentrale blijft voortbestaan. Zij bestaat uit :
a) een lid van het burgerlijk bestuur (Zivilverwaltung) als voorzitter ;
b) een lid van het burgerlijk bestuur als ondervoorzitter ;
c) een lid van het Belgisch ministerie van Landbouw ;
d) eenlid van de Fédération générale des brasseurs belges'
e) een vertegenwoordiger van de Belgische gistfabrikanten ;
f) een vertegenwoordiger van de Belgische graanhandel een lid van den Hogere Landbouwraad.
De leden onder a en b worden door mij benoemd. De leden onder g tot g worden benoemd door het Hoofd van het burgerlijk bestuur {Verwaltungschef) ; deze laatsten zijn te allen tijde herroepelijk. De vertegenwoordigde lichamen van belanghebbenden mogen voorstellen indienen bij het Hoofd van het burgerlijk bestuur. De zittingen van de „Gerstenzentrale'' worden door den voorzitter belegd.
De leden, met uitzondering van de vertegenwoordigers van het burgerlijk bestuur, ontvangen voor elken zitdag een vergoeding van 8 mark ieder en de terugbetaling van hun reiskosten. De „Gerstenzentrale'' bezit de rechten van een rechtspersoon. Zij wordt vertegenwoordigd door haar voorzitter of zijn plaatsvervanger of door hun gevolmachtigde. De voorzitter of dezes plaatsvervanger heeft onbeperkte macht inzake de leiding van de werkzaamheden.

Art. 2. 1. De „Gerstenzentrale" is gemachtigd te beschikken over den ganse oogst aan zomer- en wintergerst van dit jaar binnen het gebied van het Generalgouvemement; deze oogst is hierbij in beslag genomen. De Gerstenzentrale koopt de niet tot zaaigerst bestemde gerst naar gelang van deugdelijkheid en bruikbaarheid, tegen ten hoogste 55 frank de 100 kilo gerst, vrij ter leveringsplaats, vermeerderd met 6 % intrest per jaar voor al de gerst die na 1 september 1917 aangekocht is. De „Gerstenzentrale" laat elken bezitter van een landbouwbedrijf 150 kilo zaaigerst van eigen voortbrengst en beste hoedanigheid per hektaar land dat, blijkens de oogsthoeken {art. 6 dezer Verordening), in 1917 met gerst was bezaaid. Deze hoeveelheid gerst blijft in beslag genomen, to op het ogenblik dat ze uitgezaaid wordt. De eigenaars van zaaigerst mogen hun zaaigerst onderling ruilen, wanneer zij daartoe de schriftelijke toelating hebben van de burgerlijke Kommissarissen (Zivilkommissare) bij de „Kreischejs' Het toelatingsbewijs geldt als geleibrief bij het vervoer {zie art. 8).
II. Al de moutkiemen binnen het gebied van het Generaigouvernement worden hierbij in beslag genomen. De inbeslagneming omvat de versgewonnen moutkiemen zodra de kieming voltrokken is. De inbeslagneming is niet toepasselijk op moutkiemen, waarvan bewezen kan worden dat zij na 15 november 1916 uit het buitenland ingevoerd werden. De ,,Gerstenzentrale" koopt de moutkiemen, naar gelang dat deze stof en anderszins bruikbaar zijn, tegen ten hoogste 45 frank per 100 kilo op.

Art. 3. I. De „Gerstenzentrale verdeelt de door haar aangekochte gerst naar de volgende grondregels : ï) aan de gistfabrieken voor de bewezen behoefte, volgens een op te maken verdelingsrooster ;
2) voor het vervaardigen van gort, volgens een of) te maken verdelingsrooster ;
3) aan de brouwerijen volgens de aanwijzingen van het brouwerijtoezichtskantoor ;
4) voor het vervaardigen van brood. 10 % van de aangekochte gerst moet éditer vooraf door de ,,Gerstenzentrale'' als voorraad worden ingehouden. De Gerstenzentrale" is gemachtigd kleinere hoeveelheden gerst vrij te geven voor andere dan de hiervoren bepaalde doeleinden inzonderheid voor economische en liefdadige doeleinden.
De „Gerstenzentrale" bepaalt haar verkoopprijzen naar goeddunken ; zij zal zoveel doenlijk haar verkoopprijzen maar om zoveel boven den aankoopprijs stellen, als dit tot het dekken van haar onkosten nodig schijnt. Mocht er een winstoverschot zijn, zoo zal dit, overeenkomstig nadere bepalingen van den Generaalgouverneur, voor liefdadige doeleinden over de verschillende provincies verdeeld worden en wel in verhouding tot de door elke provincie geleverde hoeveelheid gerst. De afnemers leveren de nodige zakken voor de door hen gekochte gerst.
II. De „Gerstenzentrale'' verkoopt de door haar gekochte moutkiemen, aan de door haar aangeduide gistfabrikanten, uitsluitend volgens een door haar vastgestelde verdelingsrooster, tot het vervaardigen van gist door middel van luchtgisting. Zij verhoogt den verkoopprijs zodanig, dot ze haar bedrijfsonkosten kan dekken. Mocht er een winstoverschot zijn, zoo zal dit, na de ontbinding der „Gerstenzentrale" en de volledige afhandeling der werkzaamheden, voor liefdadige doeleinden over de provincies verdeeld worden, en wel in verhouding tot de door elke provincie geleverde hoeveelheid moutkiemen.

Art. 4. De Voorzitter van het burgerlijk bestuur in de verschillende provincies of dezes plaatsvervanger is gehouden
1. de provincie in gerstkantons in te delen ;
2. de gerstkommissionarissen te benoemen (art. 7) ;
3. voor de provincie bepaalde dors termijnen voor den gerstoogst vast te stellen. De uit deze werkzaamheid voortvloeiende onkosten komen ten laste der „Gerstenzentrale'

Art. 5. De burgerlijke Kommissarissen bij de Kreichefs' zijn belast met het toezicht over de gerstcommissionarissen over de gerststapels, over het gebruik van de zaaigerst in de kantons en over het inachtnemen der dorstermijnen. Zij hebben ook te zorgen voor een regelmatige oogstboekhouding door de gemeenten en moeten desgevallend, op aanwijzing der ,Gerstenzentrale' een oogstboek doen houden op kosten der in gebreke zijnde gemeente. De uit deze werkzaamheid voortvloeiende onkosten vallen ten laste der Gerstenzentrale".

Art. 6. Elke gemeente moet een oogstboek naar het door de „Gerstenzentrale'' voorgeschreven model houden en zich de vereiste gegevens voor een regelmatige oogstboekhouding aanschaffen. Zij draagt zorg voor de bewaring van dit oogstboek, Het oogstboek moet volgende aanduidingen bevatten :
1) de namen der gerstvoortbrengers ;
2) de oppervlakte van het met gerst bezaaide land ;
3) de schatting van den gerstoogst;
4) de opbrengst aan gedorste gerst ;
5) aantekening over de afzonderlijke verkopen en vervoeren van gerst.
Door het feit van inschrijven van de opbrengst aan gedorste gerst in het oogstboek, is de in de afzonderlijke bedrijven voorhanden zijnde gerst bij de Gerstenzentrale kosteloos tegen brandschade verzekerd. De door brand veroorzaakte schade wordt vergoed tot het bedrag van 80 % der waarde van de verbrande of door het vuur onbruikbaar geworden of in waarde verminderde gerst, zover de schade niet reeds anderszins door verzekering gedekt is. Voor brandschade die door eigen schuld van den eigenaar werd veroorzaakt of die met krijgshandelingen samenhangt, wordt geen schadevergoeding toegestaan. De ,Gerstenzentrale' de Voorzitters van het burgerlijk bestuur, de burgerlijke Kommissarissen hij de „Kreischefs'' of dezer plaatsvervangers hebben het recht inzage van de oogstboeken te nemen.

Art, 7. De gerstkommissionarissen zijn belast met :
1) het toezicht over het schatten en vaststellen van de oogstopbrengst aan gerst hij de afzonderlijke bezitters van landbouwbedrijven;
2) het vaststellen van de waarde en het gewicht van de af te nemen van stalen;
4) het bewaken van het gerstvervoer ;
5) het uitvoeren van de bijzondere opdrachten der „Gerstenzentrale' der Voorzitters van het burgerlijk bestuur en der burgerlijke Kommissarissen bij de „Kreischefs'
De gerstkommissionaris ontvangt vanwege de ,Gerstenzentrale een vergoeding van 50 centiem voor elke 100 kilo door zijn tussenkomst aangekochte gerst, die hij op de hem aangewezen plaats aflevert. In geval van bijzonder grote of bijzonder vruchtdragende werkzaamheid, kan de Gerstenzentrale" hem naar goeddunken een bijzondere toelage toekennen.

Art. 8. Ongedorste of gedorste gerst, afval van gerst evenals moût en moutkiemen mogen alleen met een geleibrief vervoerd worden. De geleibrieven worden door de Gerstenzentrale ' afgeleverd. 27 Deze bepaling is ook toepasselijk op gerst, mout of moutkiemerij die niet binnen het gebied van het Generalgouvernement verbouwd of vervaardigd zijn, doch in dit gebied ingevoerd worden, Geleibrieven zijn niet vereist voor : het vervoer van ongedorste gerst van het veld naar de bewaarplaats ; het vervoer van ongedorste gerst van de bewaarplaats naar de dorsmachine ; het vervoer van gedorste gerst van de dorsmachine naar de bewaarplaats.

Art. 9. I. Elke bezitter van een landbouwbedrijf, waar in den loop van het kalenderjaar 1917 gerst werd verbouwd is verplicht :
a) al de gerst van zijn oogst met uitzondering van de onder artikel 2 vermelde zaaigerst, aan de „Gerstenzentrale" tegen betaling af te staan ;
b) al de maatregelen te nemen die tot het behoud der voorhanden stapels nodig zijn, en de vastgestelde dorstermijnen na te komen. Zoo de bezitter de maatregelen niet neemt, die tot het behoud der stapels nodig zijn, qf zoo hij de vastgestelde dorstermijnen niet nakomt kan de „Kreischef'* deze maatregelen op de kosten van den bezitter door een derde laten nemen ;
c) aan de gemeente, alsook aan de ,Gerstenzentrale en hun lasthebbers de nodige aangiften naar waarheid te verstrekken met het oog op de schatting van den gerstoogst, en het volledig bedrag der door hem gedorste gerst, onmiddellijk na het dorsen, ter aantekening in het oogstboek bij de gemeente aan te geven ;
d) den gerstkommissionaris of elke anderen lasthebber van de „Gerstenzentrale" toegang te verlenen tot alle plaatsen van zijn bedrijf, opdat deze zich van zijn taak kunnen kwijten ;
e) den gerstkommissionaris of elke anderen lasthebber van de „Gerstenzentrale'' zijn zakenboeken over te leggen en hem de bewijzen te leveren waar de in zijn bedrijf verbouwde gerst gebleven is ;
i) desverlangd, de gerst op tijd naar de aangewezen spoorweg- of scheepsstatie, of bij den aangeduide afnemer of naar het aangewezen gerstmagazijn te brengen en te laden, Bedraagt de af te leggen weg daarheen meer dan 15 kilometer, zoo wordt de verdere afstand tegen den gewone plaatselijke vervoerprijs vergoed.
II, Elke bezitter of voortbrenger van moutkiemen is verplicht
a) bij de ,,Gerstenzentrale" zijn voorhanden stapels moutkiemen aan te geven en dezelve aan de Gerstenzentrale*' tegen betaling af te staan ;
b) alle maatregelen te nemen, die tot het behoud der voorhanden moutkiemen nodig zijn ;
c) aan de lasthebbers van de „Gerstenzentrale" toegang te verlenen tot alle plaatsen van zijn bedrijf, opdat deze zich van hun taak kunnen kwijten;
d) aan de lasthebbers van de „GerstenzentraW zijn zakenboeken over te leggen en hun de bewijzen te leveren, waar de in zijn bedrijf voortgebrachte moutkiemen gebleven zijn e) desverlangd, de moutkiemen op tijd volgens opdracht aan de door de Gerstenzentrale'' aan te duiden afnemers te leveren ;
f) voor elke 100 kilo gerst, die hem afgeleverd werd, ten minste 2 kilo goede, gezonde moutkiemen voort te brengen.

Art, 10. Het is verboden :
a) de gerst op den halm af te maaien en tot groenvoeder te gebruiken ;
b) met gerst bezaaide stukken land om te ploegen ;
c) in beslag genomen gerst of moutkiemen onbevoegd te verbergen, of ze onbevoegd te verwijderen uit de gemeente waarin zij in beslag genomen zijn, ze te beschadigen, te vernietigen, onbevoegd te verwerken of te verbruiken ; inzonderheid ongedorste, gedorste gegrutte of gemalen gerst en ook zaaigerst te vervoederen ;
d) in beslag genomen gerst en moutkiemen onbevoegd te verkopen, te kopen of op elke andere wijze van de hand te doen of aan te schaffen, inzonderheid ze als loonsvergoeding aan aangestelden en werklieden af te staan. De burgerlijke Kommissaris bij den Kreischef kan in bijzondere omstandigheden uitzonderingen op het verbod onder a en b toestaan.

Art. 11. De toegang tot de fabricatieplaatsen mag aan de lasthebbers van de „Gerstenzentrale aan de Voorzitters van het burgerlijk bestuur en aan de burgerlijke Kommissarissen bij de „Kreischefs'' niet ontzegd worden. Zij die gerechtigd zijn gerst in ontvangst te nemen mogen, met uitzondering van afval van gerst, geen gerst voortverkopen. De bevoegdheid van het brouwerij toezichtskantoor, om grondstoffen van de ene brouwerij aan de andere toe te wijzen (art. II der Verordening van 21 maart 1916), blijft hierdoor onaangeroerd.
Legt een brouwerij of een gistfabriek haar bedrijf stil voor 1 Augustus 1917 zo moet de bij het stilleggen van het bedrijf voorhanden gerst aan de „Gerstenzentrale'' worden teruggegeven. In dit geval zal deze aan den eigenaar in 't algemeen den koopprijs betalen, dien zijn bedrijf aan de Gerstenzentrale betaald heeft, vermeerderd met een intrest van 6 %, berekend van den dag waarop de eerste koopsom werd gestort. Is de gerst in waarde verminderd, dan moet bij de vaststelling van de overnamevergoeding daarmede rekening worden gehouden.

Art. 12. Als hoogste prijs voor den verkoop van de bijproducten der brouwerij- en mouterijbedrijven zijn bepaald:
voor afvalgerst : 20 frank per 100 kg., in de brouwerij of mouterij genomen ;
voor mouterijresten : 7- frank per 100 kg. droog gewicht der veraccijnsde, voor de bierbrouwerij benuttigde grondstof (farines), in de brouwerij genomen. Deze hoogste prijzen mogen niet overschreden worden.

Art. 13. De „Gerstenzentrale" verkoopt de door haar uit het buitenland ingevoerde gerst en het door haar ingevoerd brouwmout, overeenkomstig den onder artikel 3 bepaalden verdelingsrooster, aan hen die gerechtigd zijn deze voortbrengselen in ontvangst te nemen.

Art. 14, alle betwistingen ontstaan :
1) tussen de „Gerstenzentrale'' en derde personen,
2) tussen de „Gerstenzentrale" en haar lasthebbers, worden door een te Brussel zetelend scheidsgerecht beslecht.
Artikelen 1005 tot 1028 van het Belgisch wetboek van burgerlijke rechtspleging zijn op dit scheidsgerecht niet toepasselijk.
Het scheidsgerecht bestaat uit :
a) een voorzitter, benoemd door het Hoofd van het burgerlijk bestuur ;
b) een lid, verkozen door de Fédération générale des brasseurs belges*' ;
c) een lid, aangewezen door den Hogeren Landbouwraad
Voor elk lid is een plaatsvervanger aangeduid. Het staat het scheidsgerecht vrij, deskundigen en getuigen te horen. Het regelt zijn rechtspleging zelf. Van de gerst of de moutkiemen, die het voorwerp der betwisting uitmaken, moet een verzegeld staal overgelegd worden, tot het vaststellen van de hoedanigheid en den vochtigheidsgraad. Elk staal moet ten minste 1 kilogram wegen. Het scheidsgerecht bepaalt naar vrije schatting de kosten der rechtspleging de partijkosten inbegrepen. De voorzitter stelt de vergoeding vast, die de leden van het scheidsgerecht en de deskundigen voor hun ambtsverrichtingen toekomt evenals de schadeloosstelling waarop de getuigen recht hebben voor tijdverlet en reiskosten. De uitspraken van het scheidsgerecht zijn zonder beroep. De voorzitter verklaart het vonnis van het scheidsgerecht uitvoerhaar, Het vonnis is krachtens het voorschrift van uitvoerbaarheid uit te voeren.

Art. 15. Overtredingen van de artikelen 8, 9, 10, 11 en 12 worden met ten hoogste 1 jaar gevangenis of met ten hoogste 8000 mark boete gestraft; ook kunnen beide straffen tegelijk uitgesproken worden. In geval van overtreding van artikel 8 en artikel 10, litt. c en d, kan, naast de hiervoren voorziene straffen, de verbeurdverklaring van de gerst en van de moutkiemen ten bate der ,Gerstenzentrale", evenals de verbeurdverklaring van de overeengekomen prijswaarde uitgesproken worden. Ook de poging tot overtreding van artikel 10, litt. c end, van deze Verordening is strafbaar.

Art. 16. Wordt een overtreding van artikelen 8 en 10, litt. c en d, door een gerstkommissionaris begaan, zo moet ten hoogste 5 jaar gevangenis en ten hoogste 16.000 mark boete worden uitgesproken. Gerstkommissionarissen die, bij het bewaken van de oogst vaststelling, willens en wetens de opbrengst van de gedorste gerst onjuist optekenen of die, bij het vaststellen van prijs en gewicht van de gerst of bij het nemen van stalen, willens en wetens valse aangiften doen, ondergaan dezelfde straf.

Art. 17. De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.

Art. 18. De „Gerstenzentrale" zal zo nodig met het oog op de uitvoering van deze Verordening uitvoeringsbepalingen uitvaardigen.
Brussel 16 juni 1917,
No. 362. - 28. juni 1917.
Verordening *** betreffende de inbeslagneming en benuttiging van suikerijwortels (cichorei) De suikerijwortels uit den oogst van 191711918, binnen het gebied van het Generalgouvernement gewonnen, met inbegrip van die welke voor de witloofteelt hebben gediend, zijn hierbij in beslag genomen.

Art. 2. Het is verboden aan de in beslag genomen wortels wijzigingen toe te brengen toe te brengen of er bij overeenkomst of verdrag over te beschikken. Dergelijke overeenkomsten of verdragen zijn ongeldig. Het vervoederen of branden van de wortels is verboden, Het hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschef) bij den General-gouverneur in België kan, op aanvraag, uitzonderingen toelaten op het verbod, suikerijwortels te vervoederen.

Art. 3. De Suikerijafdeling (Zichorienabteilung) van de „Zentral'EinkaufS'Gesellschafft fur Belgien m. 6. H. te Brussel is belast met de benuttiging der Suikerijwortels.

Art. 4. Elke bezitter van suikerijwortels is verplicht, zijn voorraden tegen gereed geld af te leveren aan de Suikerijafdeling van de „Zentral-Einkaufs-Gesellschaft' of aan de door haar aangeduide personen, die dan hun hoedanigheid van lasthebbers moeten bewijzen. De verkoop aan andere personen is verboden. Wie suikerijwortels verkoopt is verplicht, zich te vergewissen dat de koper de nodige volmacht heeft, en zich het voorgeschreven bewijs {le lia) te doen overleggen. Wordt de levering van de suikerijwortels aan de lasthebbers van de Suikerijafdeling van de „Zentral-Einkaufs- Gesellschajf geweigerd, zoo kan de „Kreischef* op voorstel van de „Z. E, (7." bevelen, dat de voorraden onteigend worden tegen een prijs die 20 % minder bedraagt dan de onder artikel 5 voorziene koopprijs ; desnoods wordt daarbij de tussenkomst van de gewapende macht ingeroepen.

Art. 5. De koopprijs van de gedroogde suikerijwortels hangt af van hun hoedanigheid en bruikbaarheid. De Suikerijafdeling van de „Z. E. G.'' stelt den prijs vast en wel in dier voege dat voor 100 kgr. beste gedroogde suikerij wortels, ter vertrekstatie geleverd, ten hoogste 30 frank mogen worden berekend. De betaling geschiedt met gereed geld.

Art. 6. Het vervoer van de suikerijwortels binnen België per spoorweg, per schip of per as is alleen toegelaten op grond van een vrachtbrief, van een konnossement of van een geleibrief voor het vervoer per as, afgeleverd door de suikerijafdeling der „ZentralEinkaujs-Gesellschaft' en voorzien van den stempel van het Hoofd van het burgerlijk bestuur bij den Generalgouverneur.

Art. 7. Artikelen 1—6 zijn toepasselijk op al de suikerijwortels uit vroegere oogstjaren.

Art, 8. Overtredingen van artikelen 2, 3 4, 6 en 6 worden met ten hoogste 5 jaar gevangenis of met ten hoogste 20.000 mark boete gestraft. Ook kunnen boete en gevangenisstraf tegelijk worden uitgesproken. Bovendien kan de verbeurdverklaring van de waar die het voorwerp van de overtreding uitmaakt, uitgesproken worden. De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd .

Art. 9. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur bij den Generalgouverneur is belast met de uitvoering van deze Verordening.

Art 10. De Verordening van 14 juni 1916 betreffende de inbeslagneming en benuttiging van suikerijwortels 2407 (cichorei) (Wet- en Verordeningsblad, wordt van kracht te zijn.
Brussel 16 juni 1917,
No. 362. - 28. juni 1917.
Verordening houdende aanvulling van de Verordening van 29 juni 1916, betreffende liet hernemen van den dienst der postchecks en postoverschrijvingen.
Het keizerlijk Duits beheer van Posterijen en Telegrafen in België is gemachtigd den dienst van de postchecks en postoverschrijvingen, zoals die overeenkomstig de Verordeningen van 29 juni 1916 voor het gebied van het Generalgouvernement bestaat, uit te breiden op het verkeer met de Duitse overheden in de tot het Etappengebied behorende gedeelten van België, echter met de afdelingen die voor den postdienst in het Etappengebied nodig zijn.
Brussel 19 juni 1917
No. 362. - 28. juni 1917.
Verordening
betreffende de aanstelling van toezichters voor ondernemingen van onderdanen van het vijandelijk buitenland. Aan cijfer I van de Verordening van 26 november 1914 {Wet- en Verordeningsblad, Nr. 16y hl. 49) wordt het navolgende toegevoegd :
3) In de bezette delen van België voorhanden zijnde ondernemingen of . succursales van ondernemingen, die in België hetzij een nijverheidsbedrijf onderhouden, hetzij warenhandel of verzekeringszaken drijven, alsook vermogenswaarden van om het even welke soort, kunnen eveneens onder toezicht geplaatst worden, bijaldien deze maatregelen een openbaar belang van het Duitse Rijk of van de bezette gedeelten van België dienen,
Brussel den 23 juni 1917.
No. 362. - 28. juni 1917.
Verordening
betreffende het overdragen van verdere bevoegdheden, die den Komnissaris-Generaal voor de banken in België (Generalkommissar fur die Banken in Belgien) krachtens de Verordeningen van 16 november 1914 en van n februari 1915 toegekend zijn, op het Hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschef) bij den Generalgouverneur in België. De Verordening van 26 augustus 1915 {Wet en Verordeningsblad voor de bezette streken van België Nr.ll2, bl. 956) is in dier voege uitgebreid, dat de bevoegdheden, die den Kommissaris-Generaal voor de banken in België krachtens de Verordeningen van 26 november 1914 en 17 februari 1915 (Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, bl. 49 en 178) toegekend zijn ook voor onroerende goederen op het Hoofd van het burgerlijk bestuur hij den Generalgouverneur in België overgedragen worden.
Brussel 23 juni 1917.
 

Vorige pagina    Indexpagina volgende pagina

OF GA TERUG MET DE BACKTOETS


Kent U de v.z.w. KONINKLIJKE OUDHEIDKUNDIGE KRING VAN HET LAND VAN WAAS
(afgekort K.O.K.W.)

niet, of wil je meer weten over de doelstelling
en werking van deze kring, klik dan
"hier voor Werking K.O.K.W".

DOCUMENTATIE CENTRUM
M.Z. Zamanstraat 49 9100 Sint-Niklaas
Zaterdagen 9u30 tot 12u30
Documentatie centrum
gesloten in juli en aug.