Dagboek Raphaël Waterschoot
 Gesetz- und Verordnungsblatt fur die okkupierten Gebiete Belgiens.
Bulletin officiel des Lois et Arrêtés pour le territoire belge occupé.
Wet en Verordeningsblad voor de bezette strekenvan België.

(TEXTES OFFICIELS door mij aangepast na omzetting)

RÉDIGÉE PAR CHARLES HENRY HUBERICH

DOCTEUR EN DROIT, ANCIEN PROFESSEUR DE DROIT À L'UNIVERSITÉ STANFORD (CALIFORNIE).
MEMBRE DU BARREAU DE LA COURSUPRÊME DES ÉTATS UNIS DE L'AMÉRIQUE,
AVOCAT LA HAYE • PARIS - BERLIN - HAMBOURG
ET
ALEXANDER NICOL-SPEYER
DOCTEUR EN DROIT, AVOCAT À LA COUR DE CASSATION DES PAYS-BAS
LA HAYE - ROTTERDAM
Nr 10      01 januari 1917- 29 maart 1917
no 295-327

LA HAYE    MARTINUS NIJHOF 1917

No. 295. — 3. januari 1917.
Bevel houdende oplegging een oorlogsbelasting. ***
Overeenkomstig artikel 49 der Haagsche Overeenkomst betreffende de regeling der wetten en gebruiken van den oorlog te lande, wordt de bevolking van het bij het Generalgouvernement in België aangesloten Frans grondgebied Givet-Fumay {zie Verordening van 3 Januari 1915, Wet en Verordeningsblad, Nr. 29, bl. 99), hierbij als bijdrage tot de onderhoudskosten van het leger en de kosten van liet bestuur in bedoeld gebied, een krijgsbelasting ten bedrage van 625.000 frank opgelegd. Het opbrengen dezer belasting geschiedt door de gemeenten die er als gezamenlijk schuldenaar voor verantwoordelijk zijn. De betaling moet ten laatste op 20 Januari 1917 bij de Kas van het veldleger {Feldkriegskasse) van het keizerlijk General-gouvernement te Brussel, in staatsmunt gedaan worden.
Brussel, den 30n december 1916.
C. C. Ub 2938.
No. 295. — 3. januari 1917.
Uitvoeringsbepalingen ***
tot de Verordening van 1 november 1916, betreffende het heffen van rechtstreekse en onrechtstreekse belastingen in het bij het Generalgouvernement aangesloten Franse grondgebied Givet-Fumay (Wet- en Verordeningsbiad, No. 2TT, bl. 3961 en vlg.)
I. Rechtstreekse belastingen.
§ 1. De gemeenten moeten de betalingen, die hun op grond van § 3 der Verordening zijn opgelegd, op het Duits tolkantoor {Deutsche Zollstelle) te Fumay doen.
II. Onrechtstreekse belastingen. § 2. De belasting op het brouwen is onmiddellijk
op het Duits tolkantoor te Fumay te betalen. De brouwers zullen de aangiften over elk afzonderlijk brouwsel, die totnogtoe ten minste 12 uur te voren op het plaatselijk ontvangstkantoor moesten gedaan worden, voortaan ten minste 3 dagen te voren bij het Duits tolkantoor te Fumay indienen en te gelijker tijd de verschuldigde belasting op het brouwen, naast den kwijtbriefzegel betalen. leder brouwer moet, ten laatste binnen 8 dagen na afkondiging van deze uitvoeringsbepalingen, op het tolkantoor een door den burgemeester voor recht verklaarde lijst indienen over de hektolitergraden, die hij gedurende het jaar 1916 heeft voortgebracht, met afzonderlijke vermelding van elk brouwsel. Te gelijker tijd moet de belasting voor deze hektolitergraden worden betaald.
§ 3. Alle personen, die gehouden zijn vergunningsrechten te hebben, moet binnen 8 dagen na afkondiging van deze uitvoeringsbepalingen, .bij de bevoegde gemeentekas het kwijtschrift over de laatste betaling overleggen en daarbij de achterstallige bedragen voor het jaar 1916 voldoen. De gemeentekassen moeten op grond der kwijtschriften, door de burgemeester voor echt te verklaren aanslagrollen opmaken en de volgens deze aanslagrollen geinde bedragen storten op het tolkantoor te Fumay. De storting van deze bedragen moet telkens ten laatste op 15 Januari, 15 april, 15 juli en 15 oktober van elk jaar geschieden. Voor het jaar 1917 moet de eerste storting ten laatste o'p 15 februari geschieden. De bedragen van de voor 1916 naderhand geheven vergunningsrechten zijn eveneens tot op dien datum op vermeld tolkantoor te storten.
Brussel, den 30n december 1916.
C. C. llh 2939.

No. 296. — 5. januari 1917.
Verordening houdende aanvulling van de Verordening over het vervoer van goederen binnen het Generalgouvernement.
Enige Paragraaf.
Te rekenen van heden gelden voor elk vervoer per spoor weg, buurtspoorweg, vrachtwagen of per schip van ruwe,halfafgewerkte en afgewerkte fabricaten uit zink, de voorschriften der Verordening van 5 september 1915 over het vervoer {Wet- en Verordeningsblad, blz. 2683).
De afdeling voor handel en nijverheid, kantoor voor grondstoffen [Abteilung fur Handel und Gewerbe, Rohstoffverwaltungsstelle) Kunstherlevingslaan 30, te Brussel, is bevoegd tot het verlenen van vervoertoelatingen.
Brussel, den 30 december 1916.

No. 296. — 8. januari 1917.
Verordening tot aanvulling van de Verordeningen over het dwangbeheer. Eenig Artikel.
Wanneer vennogen overeenkomstig de Verordeningen No. 297. — 8. januari 1917. 11 van 17 februari 1915 en van 18 februari 1916 onder dwangheheer 15 geplaatst, kan de dwangbeheerder, ondanks het voorschrift van § 2 der Verordening van 3 november 1914, betreffende verbod van betaling tegenover Engeland en Frankrijk (Wet- en Verordeningsblad voor de bezeite streken van België, Nr. 10), de vervulling eisen van aangegane verplichtingen . De schorsing neemt een einde op het ogenblik dat de eùch tot vervulling der verplichtingen gesteld wordt. , Neemt voor een wissel, waarvan de 'protestverheffing ten gevolge van de schorsing overeenkomstig § 4 der Verordening van 3 november 1914, uitgesteld is, de schorsing krachtens het voorschrift van lid 1 een einde, zo blijven niettemin de 'protestverheffing en het verhaal voor den wissel lot nader bericht uitgesloten. Dit voorschrift is op schecks dienovereenkomstig van toepassing.
Brussel, den 30n december 1916.
B. A. 24 000.

No. 297. — 8. januari 1917.
Bekendmaking. ***
Bij wijze van toelichting tot de Bekendmaking van 27 december 1916, Ib 9221, betreffende afstand van het Belgisch arrondissement Bergen aan de etappeninspektie van het eerste leger en van het krijgsarrondissement Aarlen aan de etappeninspektie van het vijfde leger, wordt hierbij nog het volgende bekendgemaakt :
Reizen :
Voor elk verkeer te voet, per wagen, automobiel, rijwiel, buurtspoorweg of spoorweg, enz., van het gebied van het General-Gouvernement naar het etappengebied en omgekeerd, is een toelating van de bevoegde etappeninspektie en een paspoort vereist. De toelating om naar de etappengebieden der voormelde legers te reizen moet onder uitvoerige aangifte der redenen bij de bevoegde pascentralen {Passzentrale) of paskantoren {Passbnro) aangevraagd worden; deze laatsten maken de aanvragen over aan de etappeninspektie, om er haar beslissing over in te winnen. Het is aan elk, die de toelating voor de reis bekomt, verboden brieven of om het even welke berichten over te brengen. Wie deze bepalingen overtreedt, wordt, zover geen andere strengere strafbepalingen in aanmerking komen, overeenkomstig de voor het gebied van het Generalgouvernement bestaande strafbepalingen tot de pasbepalingen van 15 april 1916, gestraft met ten hoogste 3 jaar hechtenis of gevangenis of met ten hoogste 20.000 mark boete. Telegrammen : Private telegrammen naar het etappengebied zijn niet toegelaten.
Brussel, den 31 december 1916.

No. 298. — 11. januari 1917.
Verordening houdende wijziging van de Verordering betreffende de bezuiniging van brandstoffen en verlichtingsmiddelen.
Lid 2 van § 3 der Verordening van 13 december 1916 {Wet- en VerordeningsBlad Nr. 289), betreffende de bezuiniging van brandstoffen en verlichtingsmiddelen, luidt voortaan als volgt :
De krijgsgouvemeurs der provincièn kunnen bij wijze van uitzondering een later sluitingsuur toelaten.
Brussel, den 5n Januari 1917.
C. C. IVa 219.

No. 298. — 11. januari 1917.

Verordening ***

betreffende het dekken van merries en het snijden van hengsten.

De landbewoners mogen hun merries alleen laten dekken in de dekplaatsen Deckstationen, die door het Duits bestuur zijn ingericht.
Alleen de merries, waarvoor de „Kreischef' of, in de vestingen en te Brussel, de kommandant een schriftelijke, afgestempelde en genummerde toelating heeft gegeven, waarin ook de beschrijving der merrie voorkomt, mogen gedekt worden.
Telkens een merrie gedekt wordt, is daarvan in het dekboek, dat ieder de plaats moet houden, aantekening te doen, waarbij melding dient gemaakt van de beschrijving der merrie, van den naam van haren bezitter. van de gemeente, van bet nummer der toelating en van de overheid, die dezelve heeft afgeleverd.
Op verzoek van den „Kreischefs" of, in vestingen en te Brussel, den kommandant, moeten de hengsten van meer dan 2 jaar, die in het bezit zijn van landbewoners, binnen den daartoe te bepalen tijd worden gesneden.
Wie deze bepalingen opzettelijk of uit nalatigheid overtreedt, wordt met een boete van 300 tot 10.000 mark en met ten hoogste 1 jaar opsluiting of gevangenis, of met één van beide straffen gestraft. Geschiedt de overtreding opzettelijk, zoo kan bovendien de verbeurdverklaring van den dekhengst, van de gedekte merrie en van den te snijden hengst uitgesproken worden.
De krijgsrechtbanken en bevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.
Brussel, de 5 januari 1917.

G. V 131/17.
No. 300. — 16. januari 1917.
Verordening *** tegen het bedreigen der openbare veiligheid.
De Verordeniiig van 11 Januari 1916 tegen het bedreigen der openbare veiligheid {Wet- en Verordeningsblad, bl. 1511), wordt zoodanig gewijzigd, dat de volgende artikelen 1,1a en Ib artikel 1 vervangen :
Art. 1. Wie binnen het gebied van het Generalgouvemement opzettelijk een overstrooming veroorzaakt of, geweldadig en van wapens of gevaarlijke werktuigen voorzien, zich schuldig maakt aan een aanval of aan opstand tegen de gewapende macht of vertegenwoordigers van de Duitse burgerlijke of militaire overheid, wordt met den dood gestraft. Zijn er verzachtende omstandigheden, dan kan dwangarbeid, doch niet minder dan 10 jaar, of levenslangen dwangarbeid, in plaats van de doodstraf worden uitges'proken. De poging tot de misdaad wordt even aïs de begane misdaad zelf gestraft.
Art. 2. Wie aan een samenscholing deelneemt, waarbij een misdaad gepleegd wordt, die overeenkomstig artikel 1 strafbaar is, loopt alleen wegens deze deelneming dezelfde straf op, als wanneer hij de misdaad zelf had gepleegd.
Art. 3. Elke afspraak tot het uitvoeren van een misdaad die overeenkomstig artikel 1 strafbaar is, en elke andere handeling ter voorbereiding van zulke misdaad, wordt, indien het niet tot een poging der misdaad gekomen is, met dwangarbeid gestraft.
Brussel, den 5n Januari 1917.
G. G. III 90/17.
No. 301. — 19. januari 1917
Verordening ***
betreffende aangifte van de stapels vuurvaste steen.

§ I. Alle stapels vuurvaste steen, die op 10 Januari 1917 binnen het gebied van het Generalgouvernement voorhanden zijn, moeten aangegeven worden.

§ II. Vallen onder toepassing van deze Verordening:
Klasse 1. Kleihoudende voortbrengselen, b.v.: schamotte stenen, bauksietstenen,
Klasse 2. Kiezelzuurhoudende voortbrengselen, b.v.: dinasstenen, silikastenen, kwartsietstenen.
Klasse 3. Magnesiethoudende voortbrengselen,
Klasse 4. Dolomiethoudende voortbrengselen,
Klasse 5. Koolstofhoudende voortbrengselen.

§ III. Alle stapels moeten, volgens de in § II gemelde klassen gerangschikt, naar gewicht aangegeven worden. Voor de normaalsteen die, radiaal- en gewelf- of sluitstenen is daarenboven het aantal stenen, de afmetingen, het hoedanigheidsmerk en het smeltpunt (Segerkegel), alsook de samenstelling en de naam van den vervaardiger aan te geven. De aangiften moeten, voorzien van het opschrift „vuurvaste steen", ten laatste op 25 januari 1917 in de afdeling voor handel en nijverheid, kantoor voor grondstoffen (Abteilung fur Handel und Gewerbe, Rohstoffverwaltungsstelle), Kunstherlevingslaan, 30, te Bussel, ingediend worden.

§ IV. De voortbrengers en de verbruikers van vuurvaste voortbrengselen, die deze in bezit of in bewaring hebben en wier stapels ten minute tien ton bedragen zijn verplicht daarvan aangifte te doen.

§ V. Wie met opzet of uit grove nalatigheid zijn stapels niet aangeeft overeenkomstig § III, of ze niet binnen den bepaalden termijn aangeeft en wie willens en wetens valse of onjuiste aangiften doet, wordt met ten hoogste 6 maanden gevangenis en met ten hoogste 12.000 mark boete, of met een van beide straffen gestraft. De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.
Brussel, den 5n januari 1917.

No. 301. — 19. januari 1917.
Verordening.
Ter wijziging der Verordening van 16 September 1916 {Wet- en Verordeningsblad, bl. 2663), bepaal ik hierbij:
De onder artikelen 5 en 7 der wet van 1 Februari 1844, in de bewoording der wetten van 15 Augustus 1897 en van 28 mei 1914 voorziene termijn voor het vaststellen van rooilijnen en het inluiden der onteigeningsproceduur neemt aanvang, zonder rekening te houden met het tijdstip waarop de aanvraag om te mogen bouwen ingediend werd, op 1 Januari 1917, indien deze aanvragen ojp zulke openbare plaatsen en straten betrekking hebben, waarvan door de oorlogsgebeurtenissen één of meer huizen verwoest werden.
Brussel, den 13n Januari 1917.
C. C. VIII. B. 2581.
No. 301. — 19. januari 1917.

Bekendmaking.
Op grond der Verordening van 18 september 1914 {verschenen in nummer 3 van het Wet- en Verordeningsblad), in verbinding met artikel VI der Verordening van 26 november 1914 {verschenen in nummer 16 van het Wet- en Verordeningsblad),
heb ik den heer Dr. Ernst Goldschmidt tot vertegenwoordiger van de firma E. L. J. Errifain, te Brussel, benoemd.
Brussel, den 18 januari 1917.B. A. 24308.

No. 303. — 24. januari 1917.

Bekendmaking. ***
Op grond mijner Verordening van 8 juli 1916 betreffende de Oogstkommissies, evenals der uitvoeringsbepalingen van 8 juli 1916 tot deze Verordening, heb ik, op voorstel der Centrale Oogstkommissie (Zentral-Ernte-Kommission), de hoogste prijzen voor den verkoop van gedorst koren, meel, zemelen en brood voorshands als volgt vastgesteld:
voor tarwe uit stapelplaats of molen geleverd frank 50.53 Per 100 kilo:
voor rogge uit stapelplaats of molen geleverd frank 28.45 Per 100 kilo:
voor masteluin uit stapelplaats of molen geleverd frank 29.98 Per 100 kilo:
voor ongepelde spelt uit stapelplaats of molen geleverd frank 26.57 Per 100 kilo:
voor zemelen uit den molen geleverd.frank 21.50 Per 100 kilo:
voor tarwemeel aan bakkers of verbruikers geleverd frank 62.74 Per 100 kilo:
voor roggemeel aan bakkers of verbruikers geleverd frank 35.81 Per 100 kilo:
Voor masteluinmeel aan bakkers of verbruikers geleverd frank 37.68 Per 100 kilo:
Voor tarwebrood aan verbruikers geleverd frank 0,54 per kilo
Deze hoogste 'prijzen worden of 15 februari 1917 van kracht.
Den Provindalen Oogstkommissies (Provinzial-Emte- Kommissionen) wordt de bevoegdheid verleend, voor de omschrijving van afzonderlijke gemeenten op verzoek of na raadpleging van de burgemeesters, telkens een lageren hoogsten prijs voor tarwebrood, evenals hoogste prijzen voor brood, tot het bereiden waarvan roggemeel wordt gebruikt, vast te stellen.
Voor de verkopen der voortbrengers van koren aan het Nationaal Hulp- en Voedingskomiteit, blijven de hoogste prijzen, vastgesteld in de uitvoeringsbepalingen tot de Verordening van 8 juli 1916 betreffende, de Oogstkommissies van kracht.
Brussel, 20 januari 1917.
Z. E. K. 245/17.

No. 304. — 27. januari 1917.
Verordening betreffende de storingen veroorzaakt in de draadgeleidingen.
De Verordening van 27 Augustus 1915 {Wet- en Verordeningsblad, bl, 922) is Opgeheven en vervangen door onderstaande Verordening :
1. Het is verboden enige storing te veroorzaken in de draadgeleidingen, om het even of het geleidingen zijn voor sterken of voor zwakken stroom en of zij in gebruik zijn of niet ; tot zulkdanige storingen veroorzaakt zal gestraft worden door de Duitse krijgsrechtbanken of krijgsbevelhebber.
2. Ingeval de storing opzettelijk veroorzaakt is, zal niet minder dan 3 maand gevangenisstraf worden uitgesproken; bijaldien ten gevolge van de storing mensenlevens in gevaar zijn gebracht, zal de straf niet minder dan 1 jaar gevangenis of dwangarbeid bedragen.
3. Ingeval de storing aan nalatigheid is toe te schrijven, zal ten hoogste 1000 mark boete of halfstrenge of strenge Opsluiting of ten hoogste 3 maanden gevangenis worden uitgesproken.
4. Zijn de daders uit hoofde van hun jeugdigen ouderdom nog niet strafbaar, dan zal de straf, bepaald in artikel 3, tegen de ouders of opvoeders worden uitgesproken, bijaldien deze laatsten verzuimd hebben de nodige waakzaamheid uit te oefenen.
5. Bovendien zullen de Gouverneurs de gemeenten, op wier grondgebied storingen worden veroorzaakt, verantwoordelijk maken.
Brussel, de 20 januari 1917.
G. G. 111152117.

No. 304. — 27. januari 1917.
Bekendmaking.
Met toestemming van den heer Generalgouvemeur in België, heb ik, overeenkomstig de Verordening van 17 februari 1915 [Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, n" 41 van 20 februari 1915), het bankhuis Baelde & Co te Brussel, , onder dwangbeheer gesteld en den heer Ludwig Huitlinger tot dwangbeheerder benoemd.
Brussel, 20 januari 1917.
B. A. 22221.

No. 305. — 29. januari 1917.
Verordening *** betreffende de verplichting tot aangifte en de inbeslagneming van de afgewerkte voortbrengselen, uit koper, tin, nikkel of uit een legering van deze metalen in handels- en nijverheidsbedryven.

§ 1. Ter aanvulling der Verordening van 8 juli 1916 {Wet- en Verordeningsblad, Nr. 239), moeten al de stapels van de hieronder opgesomde voorwerpen uit koper, tin, nikkel of uit een legering van deze metalen, die op 31 januari 1917 {proefdag) binnen het gebied van het Generalgouvernement voorhanden zijn, worden aangegeven.

§ 2. Voorwerpen die onder deze toepassing dezer verordening vallen
D. Handelsartikelen (bestemd voor den verkoop).
I. Koperklassen. Klasse 28. Afgewerkte garnituren en toestellen voor waterleidingen, gasverlichting en centrale verwarming, evenals deze onderdelen, b v. : kleppen, kranen, inspuiters, smeertoestellen, enz.
Klasse 29. Afgewerkte losse belegsels voor meubels en gebouwen, b. v. : gordijndragers, stangdragers, onderdelen van traystangen, belegsels voor deuren en vensters ; kapstokken, overtrekken van verwarmingstoestellen, verwarmingsrozetten, -kleppen en dergelijke voorwerpen.
Klasse 30. Alle andere losse stukken, die als belegsels worden gebruikt, b. v. : voor zadelwerken en dergelijke artikelen.
Klasse 31. Voorwerpen uit geelkoper voor zaken- en andere openbare verkooplokalen, evenals de onderdelen daarvan, b. v. : inrichtingen voor uitstalramen, klederstaanders, enz.
Klasse 32. Gewichten, evenals uithang- en naamborden.
Klasse 33. Elektrische geleidingsdraden met zijde- of rekgomomhulsel.
Klasse 34. Voor den verkoop bestemde bijzondere toestelîen en onderdelen voor de nijverheden, waarvan sprake onder de klassen 40 tot en met 49, opgesomd onder letter E.

II. Tin- en Nikkelklasse.
Klasse 35. Keukengerief en huishoudelijke gereedschappen uit tin of uit nikkel, b. v. : drinkvaten, kruiken, tafelborden {teljoren), deksels van bierglazen, syphonkoppen, keukengerief uit zuiver nikkel en andere dergelijke voorwerpen, zover zij niet reeds overeenkomstig de Verordening van 8 juli 1916 zijn aangegeven.
E. Voorwerpen, die in handels- en nijverheidsbedrijven of in openbare gebouwen in gebruik zijn.
I. Koperklassen.
Klasse 36. Gewichten.
Klasse 37. Voorwerpen uit geelkoper in zakenlokalen, winkels en andere openbare verkooplokalen, b. v. : inrichtingen voor uitstalramen, klederstaanders, leuningen enz.
Klasse 38. Bijzondere toestellen voor brouwerijen, mouterijen, b. v. : moût- en brouwketels, met inbegrip van de ingebouwde pijpen, verwarmings- en afkoelslangen, enz.
Klasse 39. Bijzondere toestellen voor melkerijen, melkhandelaars en -verkoopers, b. v. : melkkruiken, melkvaten, enz.
Klasse 40. Bijzondere toestellen voor suiker- en glukosefàbrieken, b. v. : vacuumkooktoestellen, bekken voor het oplossen van suiker, vergaarbakken, verwarmingsslangen en dergelijke voorwerpen.
Klasse 41. Bijzondere toestellen voor slijterijen en gistfabrieken, h. v. : distilleer- en averhaalzuilen, distilleerkolven en dergelijke voorwerpen.
Klasse 42. Bijzondere toestellen voor het vervaardigen van chokolade, beschuiten en suikergoed in de nijverheid, bv. : open- en vacuumkooktoestellen en dergelijke voorwerpen.
Klasse 43. Bijzondere toestellen voor het vervaardigen van siroop en gelei in de nijverheid, b. v. : kooktoestelïen, vergaarbakken, verwarmingsslangen en dergelijke voorwerpen.
Klasse 44. Bijzondere toestellen voor het verven, hoier^ en scheikundig reinigen in de nijverheid, h. v. : kookbehkeiis, scheplepels, verwarmingsslangen en dergelijke voorwerpen.
Klasse 45. Bijzondere toestellen voor de scheikundige nijverheid.
Klasse 46. Bijzondere toestellen voor het vervaardigen van papier, b. v. : belegsels van cylinders, enz., doch zonder het tnetaïlisch doek.
Klasse 47. Mekanische uitrustingsdeelen der framtoagens en der wagena van huurtspoorwegen, h. v. : remkrukhen, kxmtroolplaten, handvatien, leuningen, enz.
Klasse 48. Matrijzen, galvano's, diepdrukroUen en platen, etsplaten, geelkoperen letters en dergelijke voorwerpen voor de graphische nijverheid, de steendrukkerijen, de hehangpapier- en doekdrukkerijen.

II. Tin- en Nikkelklasse.
Klasse 49. In gebruik zijnde keukengerief en huishoudelijke gereedschappen uit tin en nikkel in handels- en nijverheidshedrijven {ook in koffiehuizen, spijshuizen en hotels), h. V. : drinkvaten, kruiken, tafelborden {téljoren), deksels van bierglazen, syphonkoppen, kookgerief uit zuiver nikkel en dergelijke voorwerpen, zoover zij niet reeds overeenkomstig de Verordening van 8 juli 1916 zijn aangegeven.
De voorwerpen uit koper, tin, nikkel of uit een legeering van deze metalen en die hetzij met een ander metaal, hetzij met een laag vernis, verf, enz. overtrokken zijn, moeten eveneens worden aangegeven.
Van de verplichting tot aangifte zijn uitgezonderd de van ijzer of van een ander metaal dan koper, geelkoper of tin vervaardigde en met koper, geelkoper of tin (6. v. galvanisch) overtrokken of geplatteerde voorwerpen. Met zilver of goud overtrokken voorwerpen zijn eveneens uitgezonderd. Al de hiervoren opgesomde voorwerpen worden heschouwd dis zijnde in gebruik, ook wanneer zij tijdelijk huiten gebruik zijn.

§ 3. PERSONEN, DIE ONDER TOEPASSING DEZE VERORDENING VALLEN.
Onder toepassing dezer Verordening vallen alle natuurlijke en rechtspersonen, vennootschappen, lichamen en verenigingen van privaatrechtelijke of openbaarrechtelijke natuur, in wier handels- of nijverheidsbedrijven of op wier grond de in § 2 opgesomde voorwerpen voorhanden zijn, die zulke voorwerpen elders in bewaring hebben of bij wie zulke voorwerpen zich onder toltoezicht bevinden. Voor stapels, die in vreemde magazijnen, pakhuizen en andere bergplaatsen liggen, zijn de bezitters der betreffende bewaarplaatsen verantwoordelijk voor het nakomen der Verordening, bijaldien hij die gerechtigd is over de stapels te beschikken, deze niet zelf onder slot houdt. \ Staats-, kerkelijke en gemeentebedrijven zijn inzonderheid ook verplicht aangifte te doen. De tegenwoordige leiders van deze bedrijven zijn in dit geval gehouden de betreffende aangifte te doen ; voor bedrijven, die door Duitse militaire of burgerlijke overheden, of door aangestelden van deze overheden geleid worden, zijn bedoelde overheden of aangestelden gehouden de betreffende aangifte te doen. Van de verplichting tot aangifte uitgezonderd zijn de bedrijven van het Algemeen Militair Bestuur der Spoorwegen (Militar-General-Direktion der Eisenbahnen) en van het Duits beheer van Posterijen en Telegrafen (Deutsche Post- und Telegraphenverwaltung). Wat betreft de gebouwen, fabrieken en dergelijke inrichtingen, die door hun eigenaars of bewoners verlaten zijn of niet bewoond worden, zijn de gemeentebesturen verantwoordelijk voor de betreffende aangifte. De 'plaatselijke kommandanturen {Ortskommandanturen) zijn gerechtigd, de gemeenten in dezen nadere onderrichtingen te geven.

§ 4. INBESLAGNEMING.
Al de voorwerpen, die overeenkomstig § 2 moeten worden aangegeven, zijn hierbij in beslag genomen. Zij mogen alleen verkocht worden aan de „Zentral-Einkaufs- Geseïlschaft fur Belgien m. h. H." te Brussel. Alle andere rechtszakelijke beschikkingen over de onder toepassing der Verordening vallende voorwerppen, evenals elke verandering van bezit, verwerking of andere wijziging derzelve zijn verboden ; de in gebruik zijnde voorwerpen mogen evenwel verder op regelmatige wijze worden gebruikt. De in § 3 genoemde personen, overheden, vennootschappen, enz. zijn verantwoordelijk voor de goede bewaring en het ter beschikking houden van de voorwerpen, die onder toepassing der Verordening vallen. Het is verboden bedoelde voorwerpen op enige wijze te verbergen. De afdeling voor Handel en nijverheid kan, op schriftelijke aanvraag, in bijzondere gevallen verdere uitzonderingen toelaten op het verbod van het 3e lid.

§ 5. VERPLICHTING TOT AANGIFTE.
De aangiften der sta'pels moeten, op de daartoe bestemde kaarten van aangifte {Meldekarten), ten laatste op 15 februari 1917 worden ingediend bij de „Orts-" of „Abschnittskommandanturen" of o'p de door deze laatsten aangewezen kantoren, waar ook de formulieren voor de kaarten van aangifte verkrijgbaar zijn gesteld. Tot maatstaf voor de aangifte dient de sta'pel, zoals hij op den proefdag {§ 1) is.
De stapels moeten aangegeven worden in kilogram nettogewicht en gerangschikt volgens de metaalsoorten, zoals die (op de kaarten van aangifte opgesomd staan. Gaat het vaststellen van het gewicht met bijzondere moeilijkheden gepaard, zoals h. v. voor ingemetselde metalen delen, dan volstaat een gewetensvolle schatting van het gewicht.

§ 6. LOSMAKING EN AFLEVERINGSVEBPLICHTING.
De voorwerpen die onder toepassing vallen van deze Verordening en die ten laatste op 1 maart 1917 niet vrijwillig verkocht zijn aan de Zentral-Einkaufs-Gesellschaft", kunnen van dit tijdstip af door het „Generalgouvernement Sektion K. B." onteigend worden. In dit laatste geval moet de bezitter ze, op bevel van de afdeling voor handel en nijverheid, binnen de daartoe vastgestelde termijnen losmaken en afleveren. Tot de onteigening, alsook tot het bevel om bedoelde voorwerpen los te maken en af te leveren, kan worden overgegaan krachtens een algemene schikking, uitgevaardigd met het oog op bepaalde nijverheidstakken of bedrijven inzonderheid ook voor zekere landstreken. De personen, die overeenkomstig § 3 gehouden zijn aangifte te doen, zijn aan de verplichting tot losmaken en afleveren onderworpen.
Ingeval de voorwerpen onteigend worden, bekomt de afleveraar een ontvangstbewijs ; de Rijkskommissie tot regeling der schadeloosstellingen {Reglisentschadigungskommission) stelt, volgens de bestaande grondregels, de schadeloosstelling vast.

§ 7. AFHALING DOOR DWANG.
Worden de voorwerpen, die onder toepassing vallen van deze Verordening, niet of niet bijtijds aangegeven {§ 5), losgemaakt of afgeleverd {§6), zoo kan, buiten de strafrechtelijke vervolging overeenkomstig § 10, worden overgegaan tot de losmaking en de afhaling door dwang ten koste van den bezitter en ten bate van het Duits legerbestuur. Te dien einde kunnen huiszoekingen worden gedaan. In geval van losmaking door dwang en van afhaling, wordt hoegenaamd geen schadeloosstelling toegekend.

§ 8. VOORTBESTAAN VAN VROEGER DOOR KRIJGSOVERHEDEN UITGEVAARDIGDE SCHIKKINGEN.
Schikkingen van krijgsoverheden binnen liet gebied van het Generalgouvernement, waarbij voor het van kracht worden dezer Verordening, in zekere gevallen het losmaken en het afleveren van voorwerpen werd bevolen, die onder toepassing vallen van deze Verordening, ondergaan hierdoor geen wijziging ; inzonderheid blijven de hiervoren bedoelde schikkingen vastgestelde termijnen door deze Verordening onaangeroerd.

§ 9. UITVOERINGSVOORSCHRIFTEN.
Het Hoofd van het burgerlijk bestuur {Verwaltungs 58 No. 305. — 29. januari 1917. chef bij den Generalgouverneur, afdeling voor handel en nijverheid, is gemachtigd, algemene en bijzondere uitvoeringsvoorschriften tot deze Verordening, alsook betrekkelijk het losmaken en het afleveren van voorwerpen, die onder toe'passing vallen van deze Verordening, uit te vaardigen. Inzonderheid kunnen met het oog op de doorvoering van deze Verordening, bedrijfsveranderingen in de nijverheid, b. v. samenvoeging van de in §2 opgesomde bedrijven, worden bevolen.

§ 10. STRAFBEPALINGEN.
Wie de voorschriften van deze Verordening of de krachtens deze Verordening uitgevaardigde algemene of bijzondere uitvoeringsvoorschriften, doorvoeringsbevelen of beschikkingen opzettelijk of uit grove nalatigheid overtreedt, wordt gestraft met ten hoogste 5 jaar gevangenis en met ten hoogste 50.000 mark boete of met een van deze beide straffen. Wie tot overtreding van deze Verordening en van haar voorschriften uitnodigt of aanzet, wordt, zover volgens de algemene strafwetten geen zwaardere straffen voorzien zijn, op dezelfde wijze gestraft. De poging tot overtreden is strafbaar. De krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd. Brussel, den 30 december 1916.
G. G. IVa 24446.

No. 306. — 4. februari 1917.
Verordening.
De verkiezingen voor de werkrechtersraden, die in november hadden moeten plaats hebben {Artikel 104 van de wet van 15 mei 1910, betreffende de werkrechtersraden) zullen niet gehouden worden.
De mandaten van de werkelijke en de plaatsvervangende leden van den raad van beroep, die zouden vervallen zijn ingeval de herkiezing had plaats gehad, zijn tot nader bericht verlengd.
Brussel, den 9n december 1916.
C. C. IVa 20411.
No. 307. — 4. februari 1917.
Beschikking.
Op grond van de Verordening van 15/17 maart 1916, betreffende de voertaal aan de hogeschool te Gent, bepaal ik het navolgende :
Enig artikel.
De lessen in de vreemde levende talen en in de letterkunde dezer talen mogen, naar het oordeel van de betrefende professoren en docenten hetzij in het Vlaams{Nederlands) hetzij in de in aanmerking komende vreemde talen zelf
gegeven worden.
Brussel, den 24n Januari 1917.
C. C. Illb 1409.

No. 308. — 6. februari 1917.
Verordening ***
houdende vaststelling van een voor het dorsen van oliezaden.
De nog niet gedorste oliezaden moeten ten laatste op 25 februari 1917 uitgedorsten zijn. Alleen de Oliecentrale [Oelzentrale] kan uitzonderingen toestaan.
Wie deze Verordening overtreedt, wordt met ten hoogste 10.000 mark boete en met ten hoogste 6 maand gevangenis of met een van deze beide straffen gestraft. Terzelfder tijd zal de verbeurdverklaring der niet uitgedorste waren uitgesproken worden. De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsoverheden zijn tot oordeelvellen bevoegd.
Brussel, 1 februari 1917.
C. C. IVa 3245.

No. 309. — 9. februari 1917.
Verordening wijzigend de bepalingen aangaande de rechten op suiker, siroop, melasse en suikerhoudende voortbrengselen.

Art. 1. Het bij artikel 7 der wet van 21 Augustus 1903 betreffende het vervaardigen en het invoeren van suiker, vastgesteld accijnsrecht van 20 frank per 100 kilogram suiker wordt op 40 frank verhoogd.

Art. 2. Behalve het door artikel 1 vastgesteld recht, wordt een aanvullend accijnsrecht van 125 frank per 100 kilogram gevestigd op de suiker bestemd tot het vervaardigen van chocolade, peperhoek, likeuren, vruchtensiroop vruchtensappen, limonade en lekkergoed van alle soort Onder deze laatste benaming worden namelijk bedoeld de bollen, pastillen, karamellen, het smeltend suikergoed of zogenaamde fondants, de suikerstokjes en -tabletten, doopsuiker, bitterkoekjes, marsepein, amandelkoekjes, ijsroom, artsenijspecialiteiten, suikerbakkersdegen, biscuits, suikerdeegkoeken en meringen.

Art. 3. Met wijziging in artikel 8 der wet van 21 Augustus 1903, wordt de tot 's mensen verbruik ongeschikte melasse, voortkomende van de vervaardiging oj van de raffinering van ruwe suiker, welke ook haar bestemming zij, aan een accijnsrecht van 5 frank per l00 kilogram onderworpen.

Art. 4. Met gedeeltelijke wijziging in artikel 91, § 1, le lid, der wet van 19 mei 1898, betreffende het vervaardigen van glucose, siroop en invertsuiker, wordt op beetwortelsiroop een accijnsrecht van 10 frank per 100 kilogram vastgesteld.

Art. 5. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 21 augustus 1903, over de ontlasting van den accijns op de suiker tot nijverheidsverbruik ot tot veevoeder bestemd, wordt door de volgende schikking vervangen :
„Het accijnsrecht voor de suiker bestemd tot vervaardiging van ingelegde groenten, confituren, moezen of geleien, verdichte melk en melkmeel, en ook voor de suiker bestemd, mits voorafgaandelijke ontaarding, tot voeding der bijen, wordt verlaagd tot 20 frank per 100 kilogram."

Art. 6. Het bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 8 december 1903 vastgesteld accijnsrecht op de suiker dienende tot het vervaardigen van invertsuiker of van kunstmatige honig, wordt van 15 frank op 30 frank per 100 kilogram verhoogd.

Art. 7. Het krediet van twee maanden voor de betaling van den accijns op de suiker, verleend bij artikel 6S, § 1, der wet van 21 augustuS 1903, betreffende het vervaardigen en het invoeren van suiker, wordt tot een maand be- 'perkt.

Art. 8. Mits voldoende borgstelling wordt aan de fabrikanten een krediet van één maand verleend voor de betaling van het accijnsrecht cp de tot 's mensen verbruik ongeschikte melasse, voortkomende van de vervaardiging of de raffinering van suiker en van dit op de beetsuiker siroop. De termijn neemt aanvang te rekenen van den laatsten dag der maand waarin de documenten van aanschrijving cp de kredietrekening werden verstrekt.

Art. 9. De invoerrechten op de hiernagenoemd goederen worden als volgt gewijzigd : Volgnummer van het tarief : goederen : Invoerrechten : Maatstaf Bedrag Fr. c
ex 8 Bereide cacao 100 kg. 175 „
ex 14 Verduurzaamde eetwaren met suiker :
Lekkergoed (a) 100 kg. 175 „
Andere (b)
Met een suikergehalte van 20 t. h. of minder 100 kg. 20 fr c
Met een suikergehalte van hoger dan 20 t h. tot 50 t. h 100 ka. 30 fr c
Met hoger suikergehalte dan 50 t. h. . . . 100 kU. 50 fr c

a) Deze Masse omvat het lekkergoed van alle soort, met suiker, welk ook hun suikergehalte zij, en namelijk : de bollen, pastillen, karamellen, het smeltend suikergoed of zogenaamde fondants, de suikerstokjes en tabletten ook van gerste- en appelsuiker ; — de doopsuiker, bitterkoekjes, marsepein, amandelkoekjes en suikerbakkersdegen ; — de gekonfijte vruchten, groenten, planten en wortels, met uitsluiting van de geleien, konfituren en moezen ; — de biscuits, suikerdeegkoeken meringen en alle andere soortgelijke suiker bevattende bereidingen.
b) Voor het vaststellen van de verduurzaamde melk, hetzij deze vloeibaar, verdicht, geronnen of in poeder is, wordt alleen rekening gehouden met de bijgemengde hoeveelheid suiker.

Volgnummer van het tarief: Goederen: Invoerrechten: Maatstaf Bedrag Fr. c.
ex 45 Peperkoek 100 kg. 75 Fr c
ex 60 Suiker (c)
Sap en ruwe suiker van beetwortels en riet 100 kg. 40 Fr c
Geraffineerde suiker 100 kil. 40 Fr c
Siroop van beetwortels 100 kil. 30 Fr c
Siroop en melasse voortkomende van de raffinering of van de vervaardiging van suiker
Met een totaal suikergehalte van niet hoger dan 50 t. h 100 kg. 20 Fr c
Met een totaal suikergehalte hoger dan 50 t. h 100 kg. 30 Fr c

c) De bijzondere rechten (bijbelasting, enz.), die thans op zekere suikersoorten toepasselijk zijn, blijven onveranderd.

Art. 10. Bij afwijking van artikel 102 der wet van 21 augustus 1903, zal de verhoging van de ontvangsten op de suiker, de siroop en de melasse, voortspruitende uit de toepassing der artikelen 1 tot 6 en 9 van deze Verordening, niet gestort worden in het gemeentefonds, ingesteld door de wet van 18 juli 1860.

Art. 11. Een navordering van rechten zal worden gedaan voor de voorraden suiker, melasse, beetwortelsiroop en vervaardigde voortbrengselen, welke bij het van kracht worden dezer Verordening door het Suikerverdelingskantoor {Zuckerverteilungsstelle), nog niet vrijgegeven zijn.

Art. 12. Het hoofd van het burgerlijk bestuur [Verwaltungschef) wordt belast met het uitvaardigen van de nodige uitvoeringsbepalingen.

Art. 13. Alle ontduiking of ontduikingspoging der volgens artikel 1 tot 6 te innen rechten, alsmede alle overtreding van de krachtens artikel 12 uitgevaardigde uitvoeringsbepalingen, vallen onder toepassing der straffen voorzien bij hoofdstuk IV der wet van 21 augustus 1903, betreffende het vervaardigen en het invoeren van suiker.
Brussel, den 1n februari 1917.

No. 311. — 14. februari 1917.
Verordening houdende aanvulling van de Verordening van 9 december 1915, betreffende benuttiging van ruwe vetten van runderen en schapen.
Art. 1. Om de bevoorrading der burgerlijke bevolking met vet te verzekeren, wordt het volgende beschikt : De bepalingen der Verordening van 9 december 1915 betreffende benuttiging van ruwe vetten van runderen en schapen {Wet- en Verordeningsblad nr. 153) en de daarbij uitgevaardigde Bekendmaking der Oliecentrale, {Oelzentrale), van denzelfden datum, zijn ook op niervetten van toepassing.
Art. 2. De stapels ruw en afgesmolten niervet die bij het verschijnen dezer Verordening bij de handelaars voorhanden zijn, moeten binnen 3 dagen aan de door de Oliecentrale aangeduide opkopers afgeleverd worden tegen betaling van den prijs, die door de Oliecentrale is vastgesteld. Voor de behandeling van niervetten moet men zich gedragen naar de voorschriften, die door de Oliecentrale uitgevaardigd zijn.
Art. 3. Wie de voorschriften van deze Verordening en de op grond van art. 2 door de Oliecentrale uitgevaardigde voorschriften overtreedt, wordt met ten hoogste 5.000 mark boete en met ten hoogste drie maand gevangenis of met één van beide straffen gestraft. Te gelijker tijd moet de verbeurdverklaring van het niet afgeleverd vet uitgesproken worden. De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.
Brussel, den 7n februari 1917.


No. 311. — 14. februari 1917.
Bekendmaking
Betreffende de likwidatie van Britse ondernemingen. Met toestemming van den heer Generalgouverneur in België en overeenkomstig de Verordening van 29 augustus 1916 over de likwidatie van Britse ondernemingen {Weten Verordeningsblad voor de bezette streken van België, No.253 van 13 september 1916), heb ik de volgende likwidaties bevolen :
Het in België voorhanden vermogen der firma's :
1. „The Antwerp Engineering Co. Ltd", naamlooze maatschappij te Antwerpen Likwidator : Rechtsanwalt Dr. I. M. Lappenberg, Kantoor van toezicht over de ondernemingen {Aufsichtsstelle fur Handelsunternehmungen) te Antwerpen.
2. „Dépôt General des Produits Liebig", naamloze maatschappij te Antwerpen {Likwidator : Rechtsanwalt Dr. I. M. Lappenberg).
3. „British American Tobacco Co. (Belgium) Ltd te Antwerpen (Likwidator : Rechtsanwalt Dr. I. M. Lappenberg).
4. „Fabrique de Toiles Cirées et de Linoléum d\Anvers te Berchem bij Antwerpen (Likwidator : Rechtsanwalt Dr. I. M. Lappenberg).
5. Pand staande en gelegen te Antwerpen, eigendom van den Engelsman Thomas Braidkwait uit Cardiff en Liverpool en verhuurd aan handelaars (Likwidator Rechtsanwalt Dr. I. M. Lappenberg).
6. „Westcott & Co.'' te Antwerpen (Likuidator : Rechtsanwalt Dr. I. M. Lappenberg).
7. The Belgian Neuchâtel Asphalte Cy Ltd te Brussel (Likwidator : A. Dubbers te Brussel, Krijgsschool).
8. TJnwin Frères", Brussel (Likwidator : A. Dubbers).
9. „Manfield & Sons", Brussel, Antwerpen en Luik (Likwidator : A. Dubbers).
10. Dent, Allcroft ( Co." te Brussel, met looierij te Ceroux- Mousty (Likwidator : A. Dubbers).
11. „Savonneries Lever Frères", naamlooze maatschappij te Vorst (Likwidator : A. Dubbers).
12. „Nitrate Works", Vilvoorde (Likwidator : A. Dubbers). De Likwidators verstrekken nadere inlichtingen.
Brussel, den 9n februari 1917.
C. C. IV A 3523.

No. 311. — 14. februari 1917.
Bekendmaking. ***
Met het oog ojp de handhaving van de bevoorrading met kolen in het Generalgouvernement, bepaal ik het gene volgt : Alle gestichten voor onderwijs of Opvoeding, zowel die van den Staat en der gemeenten als de vrije gestichten, moeten tot nader bevel warden gesloten.
Zijn met zulke gestichten kostscholen verbonden, dan moeten alleen de voor het onderwijs dienende zalen gesloten worden.
De Gouverneurs kunnen, in bijzondere dringende gevallen, aan afzonderlijke gestichten voor een bepaalden tijd uitzonderingen tcestaan.
De bestaande voorraden aan kolen worden hierbij in beslag genomen. Zij moeten onverwijld ter beschikking van de gemeenten worden gesteld om in het openbaar belang benuttigd te worden. In geval van onenigheid over de te betalen schadeloosstelling, beslist de Voorzitter van het burgerlijk bestuur {Prasident der Zivilverwaltung) voor de provincie,
Brussel, den 11 n februari 1917.
C. c. IV A 4586.

No. 311. — 14. februari 1917.
Verordening **
houdende wijziging van de Verordening' betreffende de bezuiniging van brandstoffen en verlichtingsmiddelen.
Enige paragraaf.
De voorschriften van de Verordening van 13 december 1916, betreffende de bezuiniging van brandstoffen en verlichtingsmiddelen {Wet- en Verordeningsblad Nr. 289), worden aangevuld als volgt :
I. Al de winkels en verkooplokalen van allen aard moeien tot nader hevel te 6 uur 's avonds sluiten; uitzondering geldt voor de apotheken en voor de winkels, die uitsluitend voor den verkoop van levensmiddelen dienen.
II. Het is verboden de uitstalramen te verlichten.
III. De verlichting binnen de winkels en verkooplokalen van allen aard moet beperkt blijven op één elektrische lamp van ten hoogste 100 kaarsen of één gaslamp per 15 kubieke meters ; dat voorschrift is ook van toepassing op gasthoven en spijshuizen, drankslijterijen en koffiehuizen, alsook Of schouwburgen, kinema's en andere openbare plaatsen van ontspanning en vermaak.
Brussel, den 14n februari 1917.
C. G. IV A 4586.

No. 312. — 17. februari 1917.
Verordening ***
betreffende het vervaardigen en verkopen van zeep. Onder opheffing van mijn Verordening van 15 maart 1916 (Wet- en Verordeningsblad No. 190) bepaal ik het volgende :
Art. I. Het is verboden zeep te vervaardigen en, bij wijze van beroep zeep te bewerken en te wijzigen onder toezicht van samenstelling en uiterlijke vorm. De Oliecentrale {Oelzentralé) kan uitzonderingen toestaan. De uitzonderingen. die tot hiertoe door de Oliecentrale werden toegestaan, blijven tot herroeping van kracht.
Art. II. Als zeep in den zin dezer Verordening gelden alle vaste, weke, vloeibare of poedervormige was en reinigingsmiddelen, die met dierlijke of plantaardige oliën en vetten vervaardigd zijn.
Art. III. Het is verboden, zeep te winnen uit neutrale vetten. Als neutrale vetten gelden vet en olie, die glycerine bevatten. Het scheiden van neutraal vet in vetzuur en glycerine moet naar de aanwijzingen der Oliecentrale geschieden.
Art. IV. Het is verboden, zeep in den handel te brengen en te koop te stellen, bij het vervaardigen waarvan gebruik werd gemaakt van neutrale vetten of van tot de menselijke voeding geschikte oliën en vetten in den zin den Verordening van 26 februari 1916 (Wet- en Verordeningsblad No. 184).
Art. V. De Oliecentrale vervaardigt de voorschriften uit, die met het oog op de uitvoering dezer Verordening nodig zijn.
Art. VI. Wie de bepalingen dezer Verordening of de voorschriften, die tot uitvoering er van de door de Oliecentrale zijn uitgevaardigd, overtreedt, wordt met ten hoogste 10.000 mark boete en met ten hoogste 6 maand gevangenis of met één van beide straffen gestraft. Bovendien moet de verbeurdverklaring worden uitgesproken van de stoffen, waarmede de overtreding werd begaan, alsook van de inrichtingen die tot het vervaardigen er van hebben gediend.
De Verordening wordt met ingang van 25 maart 1917 van kracht.
Brussel, den 7 februari 1717.
G. C. IV A 3372.

No. 312. — 17. februari 1917.
Bekendmaking.
De Bijzondere Handelsschool der Universiteit te Gent wordt op 22 februari 1917 heropend. De voertaal van het onderwijs is er het Vlaamsch {Nederlands), uitgezonderd voor de voorlezingen in de vreemde talen, die in de betrokken taal mogen gehouden worden. Brussel, den 14m, februari 1917.
G. C. lllb 1565.

No. 313. — 20. februari 1917.
Bekendmaking.
In uitvoering van artikelen 1 en 9 der Verordening van 13 december 1916, betreffende regeling van den handel in brandewijn en gist, werden de volgende benoemingen gedaan 1. De heer ritmeester Donnevert, tot voorzitter der Brandewijncentrale {Branntweinn-Zentrale) ;
2. De heer Assessor Zur Bonsen, tot ondervoorzitter der Brandewijncentrale ;
3. De heer Rechnungsrat Hoffmann, bij het burgerlijk bestuur {Zivilverwaltung) te Brussel, de heer J. Janssens, Beheerder-Algemeen Bestuurder, in het ministerie van Financiën, en de heer F. Springuel, fabrikant te Hoei, tot leden van den bijraad der Brandewijncentrale ;
4. De heer Referendar Dr. Beilner, bij het burgerlijk bestuur te Brussel, tot voorzitter, en de heren Jan Descampe, fabrikant te Gembloers, en Clemens Peeten, fabrikant te Velm, tot leden van het scheidsgerecht der Brandewijncentrale.
Brussel, den 5n februari 1917.

No. 313. — 20. februari 1917.
Verordening
waarbij overdrachten veroorloofd en bijkredieten verleend worden op de begrotingen van het dienstjaar 1916.
I. Overdrachten.
Art. 1. Worden toegelaten, ten belope van zeventig duizend honderd negen en zeventig frank acht en zestig centimen (fr. 70.179,68), de overdrachten op de begroting voor het dienstjaar 1916, omstandig vermeld in de bij de tegenwoordige Verordening gevoegde label A en belopende : Voor de begroting van Binnenlandse Zaken . fr. 15.000.— Voor de begroting van Wetenschappen en Kunsten fr. 25.179,68 Voor de begroting van Landbouw en Openbare Werken fr. 30.000.— Te samen fr. 70.179,68 II. Bijkredieten.
Art. 2. Bijkredieten te brengen op de begrotingen voor het dienstjaar 1916, ten belope van vier miljoen tweehonderd negen en vijftig duizend driehonderd vijf en vijftig frank {fr. 4.269.355) zijn geopend. Die door gewone middelen van de begroting te bestrijden kredieten zijn overeenkomstig de bij deze Verordening gevoegde tabel B verdeeld en belopen :
Voor de begroting der Dotatiën fr. 700.— Voor de begroting van Justitie fr. 400.000.— Voor de begroting van Wetenschappen en Kunsten fr. 328.800.— Voor de begroting van Nijverheid en Arbeid fr. 402.000.— Voor het bijvoegen van de begroting van Financiën fr. 2. 458. 855.— Voor de begroting van Landbouw en Openbare Werken fr. 669.000.—
Te samen fr. 4.259.355.—
Art. 3. Deze Verordening zal den dag harer afkondiging
in werking treden.
Brussel, den 10 februari 1917.

No. 313. — 20. februari 1917.
Verordening ***
betreffende stroovlas, bewerkt vlas en klodden.
Onder opheffing der Verordening van 27 mei 1916, betreffende vlas en werkklodden {Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België nr 218), wordt het volgende bepaald :

Art. 1. Wie stapels stroovlas, bewerkt vlas of klodden in bewaring heeft, is verplicht, de op den I sten van elke maand voorhanden hoeveelheden, gescheiden volgens stroovlas, bewerkt vlas en klodden en onder vermelding der eigenaars en der ligplaats, ten laatste den 5 den van elke maand aan te geven bij de gemeenteoverheid (burgemeester) der ligplaats. De gemeenten moeten door tussenkomst der burgemeesters, de binnen hun gemeente omschrijving voorhanden stapels stroovlas, bewerkt vlas en klodden, onder vermelding der eigenaars en der ligplaats, ten laatste den l On van elke maand bij de burgerlijke Kommissarissen {Zivilkommissare) aangeven.

Art. 2. Binnen het gebied van het Generalgouvernement worden voor bewerkt vlas en klodden van vroegeren en nieuwen oogst de volgende hoogste prijzen vastgesteld :
1. In water geroot vlas:
a) 250 tot 350 fr., naar gelang van de hoedanigheid, per baal van 104 kgr. bruto of 103 kgr. netto Kortrijks vlas,
h) 190 tot 250 fr., naar gelang van de hoedanigheid, voor 100 kgr. blauw Vlaanders vlas.
2. Op gras geroot vlas (veldroten). 130 tot 180 fr., naar gelang van de hoedanigheid, voor 100 kgr. gezwengeld, op gras geroot vlas, van om het even welke afkomst.
3. Klodden:
a) 80 fr., voor gezwingelde klodden van beste hoedanigheid,
h) 100 fr., voor zuivere naturen van beste hoedanigheid,
c) 120 fr. voor snutjes van beste hoedanigheid,
d) 140 fr. voor kammelingen (gehekelde) van beste hoedanigheid.
Voor stroovlas wordt de prijs berekend in verhouding tot de vastgestelde hoogste prijzen voor bewerkt {gezwingeld) vlas.
Voor mindere soorten of bij slechtere bewerking worden de hoogste prijzen naar evenredigheid verlaagd.

Art. 3. Elk vervoer van stroovlas, bewerkt vlas of klodden zonder toelating van de Afdeling voor handel en nijverheid, kantoor voor grondstoffen {Abteilung fur Handel und Gewerbe, Bohstoffenverwaltungsstelle), te Brussel, is verboden. Bewerkt vlas of klodden mogen maar verkocht worden aan :
1) de Afdeling voor grondstoffen te Gent, Gouvernementsraat
2) de vlaskantoren te Kortrijk en te Lokeren.
Mits toestemming van de Afdeling voor handel en nijverheid, kantoor voor grondstoffen, te Brussel, mag het stroovlas ter bewerking ook verkocht worden aan de inrichtingen voor het bewerken van het vlas in het vlasgebied van Kortrijk.

Art. 4. De stapels stroovlas, bewerkt vlas en klodden van vroegeren of nieuwen oogst moeten, op verlangen van No. 313. — 20. februari 1917. 103 de bevoegde burgerlijke Kommissarissen, afgestaan worden aan de ambtelijke kantoren, die in artikel 3 ander 1 en 2 zijn vermeld. Wordt men het niet eens over den verkoopprijs, dan wordt deze door bedoelde overheden vastgesteld, zoo nodig met raadpleging van een Belgische deskundige.

Art. 5. Wordt gestraft met ten hoogste drie jaar gevangenis en met ten hoogste 30.000 mark boete of met een van beide straffen :
1) wie zijn stapels niet bij de gemeenteoverheden aangeeft, wie ze niet op tijd aangeeft of wie een valse aangifte doet. Dezelfde straf is toepasselijk op de burgemeesters, die stapelaangiften niet of niet op tijd aan de burgerlijke Kommissarissen overmaken of aangiften overmaken waarvan zij weten of volgens de omstandigheden moeten weten, dat zij vals zijn.
2) wie de vastgestelde hoogste prijzen te boven gaat ;
3) men iemand anders uitnodigt tot het sluiten van een verdrag, waardoor de hoogste prijzen overschreden worden of zich tot zulk verdrag aanbiedt ;
4) me stroovlas, bewerkt vlas of klodden zonder toestemming vervoert ;
5) wie stroovlas, bewerkt vlas of klodden verkoopt aan anderen dan de in art. 3 onder 1 en 2 vermelde kantoren, of wie deze zonder toelating verkoopt aan de inrichtingen voor liet bewerken van het vlas, of wie deze anderszins van de hand doet ;
6) wie, ondanks het verzoek der bevoegde burgerlijke Kommissarissen, zijn stapels vlas, klodden en stroovlas niet aflevert aan de kantoren, die in art. 3 onder 1 en 2 zijn vermeld ;
7) Die stapels stroovlas, bewerkt vlas of klodden vernietigt of onbruikbaar maakt. De poging tot overtreding is strafbaar. De stapels, waarmede de overtreding werd begaan, moeten verbeurdverklaard worden. De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.
Brussel, den lO n februari 1917.
G. C. IV B 2208/11.

No. 313. — 20. februari 1917.

Verordening *** over den handel in zakken.
Art. 1. Al de op 1 maart 1917 (proefdag) binnen het gebied van het Generalgouvernement voorhanden stapels aan zakken van allen aard die geheel of gedeeltelijk uit textielgrondstoffen of uit andere daartoe dienende stoffen (surrogaten) vervaardigd zijn, worden overeenkomstig onderstaande bepalingen in beslag genomen, om het even of deze voorwerpen nieuw of reeds gebezigd of nog in gebruik zijn en onverschillig of zij al dan niet volkomen bruikbaar zijn.
De eigenaars, evenals zij die bedoelde voorwerpen in bewaring hebben, zoals pakhuishouders, verzenders, enz., moeten de zakken ten laatste op 10 maart 1917 bij de „Zentral- Einkaufsgesellschaft fur Belgien m. b. H., Abteilung Bindegarn", Jonkerstraat 2, aangeven. Verder is ieder die, na den proefdag, aan te geven voorwerpen in bewaring ontvangt welke reeds voor dien dag aan zijn adres waren verzonden, verplicht daarvan aangifte te doen. Twijfelt iemand of zijn goederen al dan niet aan te geven zijn, zo moet hij ze aangeven. De aangifte moet schriftelijk gedaan worden op lijsten van aangifte, die bij den bevoegden Kreischef {Kommandant, Abschnittskommandeur) kosteloos te bekomen zijn. Voor de aangifte geldt de stapel, zoals hij op den proefdag is.

Art. 2. Zijn van de verplichting tot aangifte ontslagen, de eigenaars wier vooiraad niet groter is dan 50 zakken, welke voor eigen gebruik moeten dienen.

Art. 3. De „Zentral-Einkaufsgesellschaft fiir Belgien m. h. H., Abteilung Bindegam" is alleen gerechtigd, de overeenkomstig artikel 1 aan te geven stapels op te kopen. Voor zover geen onderhandse aankoop op grond der volgens artikel 4 te berekenen prijzen tot stand komt, mag het Generalgouvernemeîit, Sektion K. B., op voorstel van voormeld kantoor de betreffende goederen ten bate van dat kantoor onteigenen.

Art. 4. Bij onderhandse aankoop dient tot grondslag de prijs, die in België voor 25 juli 1914 voor soortgelijke goederen als verkoopprijs van den fabrikant in den handel gold ; bij dien prijs komt een bijslag van 30 tot 60%. De onderhands gekochte goederen worden, na onderzoek er van, met gereed geld betaald. In geval van onteigening ontvangt de leveraar een opeisingsbewijs {Beitreibungsanerkewitnis) waarin hoeveelheid, aard en waarde der goederen zijn aangegeven. De „Reichsentschàdigungskommission' beslist overeenkomstig de bestaande grondregels over de schadeloosstelling.

Art. 5. Afgezien van den verkoop aan de „Zentral-Einkaufsgesellschaft fur Belgien, Abteilung Bindegarn'\ mogen de zakken, die overeenkomstig artikel 1 aan te geven zijn, niet van de hand gedaan worden. Het is ook verboden de zakken te verwerken.

Art. 6. De bezitters der aangegeven voorwerpen zijn verplicht, deze tot nader bericht te bewaren en met zorg te behandelen. Afgezien van de uitzonderingsbepaling van art. 5, is alle bezitsverandering van de aan te geven voorwerpen verboden. Het is toegelaten, voorshands die voorwerpen op regelmatige wijze verder te gebruiken.
Art. 7. Wie in het vervolg zakken nodig heeft, moet voor den In van elke maand, aan de „Zentral-EinkaufsgesellscJmft fiir Belgien, Abteilung Bindegarn" mededelen hoeveel zakken hem voor de volgende maand noodzakelijk zijn en waartoe zij moeten dienen. De „Zentral-Einkaufsgesellschaff' beslist over de noodwendigheid en staat aan de verbruikers de benodigde zakken toe, mits betaling van een passende prijs ; hierbij bepaalt de „Zentral-Einkaufsgesellschaft" eveneens uit welke stof de te verlenen zakken zullen vervaardigd zijn ; inzonderheid kan zij ook zakken uit vervangingsstoffen [surrogaten) toestaan of het gebruik van zulke zakken bij wijze van ruiling bevelen.

Art. 8. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur bij den Generalgouverneur, afdeling voor handel en nijverheid {Verwaltungschef bei dem Generalgouverneur, Abteilung fur Handel und Gewerbe) is gemachtigd, voor bijzondere gevallen, inzonderheid ook voor afzonderlijke bedrijven of nijverheidstakken, uitzonderingen op het voorschrift dezer Verordening toe te staan.

Art. 9. Wie de voorschriften dezer Verordening opzettelijk of uit grove nalatigheid overtreedt, wordt met ten hoogste een jaar gevangenis en met ten hoogste 20.000 mark boete of met een van beide straffen gestraft, voor zover volgens algemene strafwetten geen zwaardere straffen voorzien zijn. Daarbij kunnen de voorwerpen, waarop de overtreding betrekking heeft, ten bate van de „Zentral- Einkaufsgesellschaft fur Belgien'' verbeurdverklaard worden. Bij opzettelijke overtredingen dezer Verordening moet de verbeurdverklaring worden uitgesproken. De poging tot overtreding is strafbaar.
i
Art. 10. De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.

Art. 11. De voorschriften van artikel 1, lid 1, van artikelen 3, 4, 5 en 6 en van artikel 8, lid 1, dezer Verordening zijn niet van toepassing op de goederen waarvan bewezen is, dat zij op den proefdag het eigendom waren van de Commission for Relief in Belgium of van het Nationaal Hulp- en Voedingskomiteit.
Brussel, de 14 februari 1917.
C. C. IV A 4637.


No. 313. — 20. februari 1917.
Verordening betreffende inrichting van twee ministeriële afdelingen voor de Schoone Kunsten.
Art. 1. In het ministerie van Wetenschappen en Kunsten wordt voor het beheer van Schoone Kunsten een Vlaamse en een Waalse afdeling ingericht.
Art. 2. Voor de bevoegdheid van beide afdelingen en de uitvoering dezer Verordening, gelden de bepalingen der Verordeningen van 25 oktober 1916 {artikel 2) en van 13 december 1916 (Wet- en Verordeningsblad bl. 2930 en 3054). De overdracht der werkzaamheden op beide afdelingen geschiedt op 1 maart 1917.
Brussel, den 14n februari 1917.
C. C. III A 496.

No. 313. — 20. februari 1917.
Beschikking betreffende de gemeenschappelijke aangelegenheden van de Vlaamse afdelingen in het ministerie van Wetenschappen en Kunsten. Op grond van artikel 2 der Verordening van 13 december 1916 en op grond der Verordening fxm 14 februari 1917, C. C. III A 496, bepaal ik, onder wijziging van artikel 3 van het Besluit van 14 april 1899 van den Minister van Binnenlandse Zaken en openbaar Onderwijs:
Art. I. Voor de Vlaamse afdelingen in het ministerie van Wetenschappen en Kunsten wordt — onder afscheiding van het Algemeen Secretariaat — een afzonderlijke algemene rekendienst ingericht, waarvan de werking op 1 januari 1917 aanvangt en die, samen met de briefwisseling met het Rekenhof en het Ministerie van Financiën, onder een van de Algemene Bestuurders der Vlaamse afdelingen wordt geplaatst. Deze ambtenaar is ook belast met het waarnemen van de volgende dienstzaken der Vlaamse afdelingen :
1. Gemeenschappelijke aangelegenheden ;
2. Verdeling der ingekomen stukken, voor zover deze niet uitdrukkelijk tot een der afdelingen gericht zijn ;
3. Aangelegenheden betreffende het personeel {artikel 3, lid 1 van het Besluit van 14 april 1899) ;
4. Aanschaffing der benodigdheden, verzending en ambtelijke bekendmakingen {artikel 3, lid 5 van bet Besluit van 14 april 1899, Besluit van 15 juli 1885) ;
5. Opmaken der begroting {artikel 3, lid 7 van het Besluit van 14 april 1899). Art. II. Voor de regeling der onder artikel I vermelde aangelegenheden gelden de bestaande voorschriften met dien verstande, dat de met het waarnemen der aangelegenheden belaste Algemene Bestuurder in de plaats treedt van den Algemenen Sekretaris. Brussel, den 14n februari 1917.
C. C. III A 6811009.

No. 315. — 25. februari 1917.
Verordening *** over den handel in stoffen van dierlijke en plantaardige vezels, in de halfafgewerkte of afgewerkte fabricaten, evenals in de afvalvoortbrengselen daarvan.

Art. 1. De stapels van hieronder vermelde soorten van goederen, op 1 maart 1917 {'proefdag) binnen het gebied van het Generalgouvernement voorhanden, zijn, naar den maatstaf der volgende bepaling, in beslag genomen en moeten op de aangeduide kantoren worden aangegeven. Moeten worden aangegeven :

1. Matrasvezels, kokosvezels, piassava-vezels, surrogaten van 'piassava-vezels, zeegras, Afrikaans paardenhaar, raffibast, kokosgaren, kokoskoorden, evenals halfafgewerkte en afgewerkte fabrikaten en afval daarvan, zoverre meer dan 10 kg. van dezelfde soort voorhanden is, bij de „Zentral-Einkaufsgesellschaft fur Belgien m. h. H., Anteilung Bindegarne Jonkerstraat 2, te Brussel ;

2. Dierenhaar en mengelingen van dierenhaar van elke soort en van elke hoedanigheid, zoverre in het geheel meer dan 1 kg. voorhanden is ;
3. Wollen, katoenen of gemengde bedvlokken {ook wanneer zij reeds tot vulling van tot den verkoop gereedgemaakte matrassen, kussens, enz. gebruikt zijn), zoverre meer dan 5 kg. van elke soort voorhanden is, bij de „Einkaufsstelle der Kriegswolle Aktien-Geseîlschaft Grand Hotel, Anspachlaan 29, te Brussel.

4. Linnengaren {ook naaigaren) en werkgaren, zoverre meer dan 1 kg. van iedere hoedanigheid voorhanden is, om het even welke het nummer, de kleur of de schikking zij, bij de „Baumwollabrechnungsstelle Grand Hotel, Anspachlaan 29, te Brussel voor de „Kriegsrohstoabteilung te Gent.

5. Linoléum, wasdoek, gecaoutchouteerde en andere weefsels, met vloeistoffen doordrongen of door bestrijken met andere stoffen waterdicht gemaakte weefsels, in rollen evenals in afgemeten stukken, zoverre meer dan 30 vierkante meter van dezelfde hoedanigheid voorhanden is, om het even welke de kleur, de tekening en de grootte zij.

6. Afgemeten tafellakens en servetten, gesneden of gezoomd, zoverre meer dan 15 tafellakens en meer dan 60 servetten van dezelfde hoedanigheid voorhanden zijn, om het even welke de kleur, en de grootte de tekening zij.

7. Alle weefsels, uit zijde vervaardigd, of die zijde of kunstzijde bevatten, om het even welke de kleur en de tekening zij, zoverre meer dan 100 m. op een breedte tot 0,60 m. en daaronder of 50 m. en daarboven, op een breedte van meer dan 0,60 m. van dezelfde hoedanigheid voorhanden zijn.

8. Ruwe zijde, zijdeafval, zoverre meer dan 1 kg. van elke soort voorhanden is.

9. Zijden garen, ook naaigaren, zoverre meer dan 1 kg. van elke soort voorhanden is, om het even welke het nummer, de kleur en de schikking zij.

10. Gebreide of uit stoffen of vilt vervaardigde kuitbanden, knieverwarmers, gezondheidshanden, hoofdkappen, polsverwarmers, borstlappen, oorlapppen, zoverre meer dan 30 stuk van elke soort voorhanden zijn, om het het even welke de hoedanigheid en de grootte zij.

11. Fluweel {ook zijdenfluweel, linnenfluweel, pluche en fluweel voor de hoedenmakerij), zoverre meer dan 100 m. van dezelfde hoedanigheid voorhanden is, om het even welke de kleur en de breedte zij.

12. Nieuwe wagen- en scheepsdekens en dekzeilen.

13. Allerhande vilt, nieuw en gebruikt, vilten platen, vilten propppen, vilten dekens en vilten rollen, verder allerhande nijverheidsvilt, zoals gepolijst- en slijpvilt, sluitvilt, vilten onderplaten, ketelvilt, papiervilt {ook wanneer het in gebruik is), kousjes, drukkerijvilt, zadelvilt, getuigvilt, enz., bij het Militàrisches Textilbeschaffungsamt", Wetenschapsstraat 35, te Brussel. Van de onder 2 en 3 vermelde goederen, moeten ook nieuw verkregen of vervaardigde stapels maandelijks worden aangegeven.

Art 2. Alle natuurlijke en rechtspersonen, vennootschappen, bonden en verenigingen van privaatrechtelijke of openbaar rechtelijke natuur, die op 1 maart 1917 {proefdag) goederen van den onder artikel 1 vermelden aard in bewaring hebben, zijn verplicht daarvan aangifte te doen. Heeft de eigenaar goederen als hierboven bedoeld zelf niet in bewaring, zoo moeten zij zowel door den eigenaar als door den persoon, die ze in bewaring heeft {stapelhouder), verzender, enz.) worden aangegeven. Zoo ook is eenieder, die na den proefdag aan te geven voorwerpen in bewaring ontvangt, welke voor den proefdag reeds aan hem verzonden waren, verplicht aangifte te doen. Wie in twjfel verkeert of hij al dan niet aangifte te doen heeft, moet aangeven.

Art. 3. De aangifte der stapels moet, naar aard en gewicht of aantal stuks van elke soort, ten laatste op 10 maart 1917 schriftelijk geschieden ; voor elke soort moet een staal bijgevoegd ivorden. De aangifte is te doen (yp formulieren, die bij den bevoegde Kreischef {Kommandant, Ahschyùfikommandeur) en op de onder artikel 1 aangeduide kantoren van aançifte kostelhos verkrijgbaar zijn gesteld. Tot maatstaf voor de aangifte dient de stapel zoals hij op den proefdag is. De bij artikel 1, 3e lid, voorgeschreven maandelijkse aangiften moeten uiterlijk op 10 van elke maand geschieden

Art. 4. De onder artikel 1 vermelde kantoren van aangifte zijn gerechtigd, de aan te geven stapels op te kopen. Bijaldien een onderhandse aankoop op grand van de volgens artikel 5 geldende prijsberekening niet tot stand kamt, kunnen de betreffende goederen onteigend worden. De onteigening geschiedt voor de goederen, aangeduid onder artikel 1, n" 1 tot 4, door het „Generalgouvernement Sektion K. B", voor het overige door het „Militarisches Textilbeschaffungsamt".

Art. 5. Bij onderhandsen aankoop zal de prijs tot grondslag dienen, die voor den 25n juli 1914 in België voor gelijksoortige goederen als fabrieksprijs in den handel gold, met een bijslag van 20 tot 45 %. Voor de onderhands aangekochte goederen, wordt bij de aflevering der waar 50 % op den vastgestelde prijs, het overige na onderzoek der goederen betaald. In geval van onteigening bekomt de afleveraar een opvorderingsbewijs over hoeveelheid, aard en waarde der goederen ; over de schadeloosstelling beslist de Rijkskommissie tot schadeloosstellingen {Reichsentschàdigungskommission) naar de bestaande grondregelen.

Art. 6. Afgezien van de verkopen waarvan sprake onder artikel 4, mogen de onder artikel 1, nrs 11 en 12, aangeduide goederen noch van de hand gedaan noch verwerkt worden. Van de andere goederen mag slechts het tiende deel der aan te geven stapels, buiten de verkopen aan voornoemde kantoren en vennootschappen, van de hand gedaan of verwerkt worden. Voor het overige mogen goederen van dezen aard noch van de hand gedaan noch verwerkt worden. Als verwerking in den zin van dat voorschrift geldt inzonderheid het spinnen, twijnen, verven, weven, breiden, versnijden, vaneenscheuren, verder verwerken, enz. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur, Afdeling voor handel en nijverheid (Verwaltungschef, Abteilung fur Handel und Gewerbe) alleen kan grotere hoeveelheden der hoger bedoelde goederen vrij verklaren.

Art. 7. De bezitters der overeenkomstig artikel 1 aan te geven voorwerpen zijn voor deze verantwoordelijk en verplicht, ze tot nader bericht te bewaren en zorgzaam te behandelen. Afgezien van de uitzonderingsbepaling van artikel 4, le lid, is ook elke verandering van bezit en van 'plaats der aan te geven voorwerpen verboden.

Art. 8. Het vervoer van de hiervoren bedoelde goederen wordt met ingang van de van krachtwording dezer Verordening afhankelijk gesteld van een vervoertoelating, zoverre die niet reeds, krachtens de Verordening van 5 september 1916 op het vervoer, voor deze goederen vereist is. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur, Afdeling voor handel en nijverheid, verleent de vervoertoelatingen.

Art. 9. Wie de bepalingen dezer Verordening opzettelijk of uit grove nalatigheid overtreedt, wordt met ten hoogste een jaar gevangenis en met ten hoogste 20.000 mark boete, of met één van beide straffen gestraft, zoverre volgens de algemeen£ strafwet geen zwaardere straffen voorzien zijn. Daarbij is de verbeurdverklaring toegelaten van de voorwerpen, die het voorwerp uitmaken van de overtreding. In geval van opzettelijke overtredingen van deze Verordening moet de verbeurdverklaring worden uitgesproken. De poging tot overtreden is strafbaar.

Art, 10. De Duitse krijgsrechtbanken en krijgshevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.

Art. 11. De voorschriften van artikelen 4, 5, 6, 7 en 9, Iste lid, 2de zin, dezer Verordening zijn met van toepassing Of de goederen, waarvan bewezen is, dot zij <yp den proefdag de eigendom waren van de „Commission for Relief in Belgium" of van het Nationaal Hulp- en Voedingskomiteit. Brussel, den 14n februari 1917.
C. C. IV A 4500.

No. 315. — 25. februari 1917.
Verordening *** betreffende nijverheidsinrichtingen en werkhuizen.

§ 1. Van 1 maart 1917 af, mogen om het even welke nijverheidsinrichtingen, inzonderheid fabrieken, het werk niet meer voortzetten zonder de toestemming van het Hoofd van het burgerlijk bestuur, Afdeling voor handel en nijverheid [Verwaltungschef, Abteilung fur Handel und Gewerbe). Als fabrieken in den zin van dit voorschrift worden ook beschouwd werkhuizen, waarin meer dan 12 loonwerklieden — werkmeesters, meestergasten en opzieners inbegrepen — werken of waar motoren van meer dan 5 paardenkracht in gebruik zijn, of waar maandelijks meer dan 5 ton kolen of koks of andere brandstoffen verstookt worden. Onder voortzetting van het werk, in den zin van dit voorschrift, is te verstaan alle voortbrenging, verwerking en verbruik van grondstoffen, halfafgewerkte en afgewerkte fabrikaten, evenals elk verbruik daartoe van kolen, koks of andere brandstoffen.

§ 2. Van 1 maart 1917 af, is voor het bouwen van om het even welke werkinrichtingen, alsook voor het wijzigen van de gebouwen van dergelijke inrichtingen, de toestemming vereist van het Hoofd van het burgerlijk bestuur {Afdeling voor handel en nijverheid). De toestemming is eveneens vereist om de in gang zijnde werken tot opbouw of wijziging van gebouwen voort te zetten, zoo die werken op 1 maart nog niet voltooid zijn.

§ 3. De aanvragen om het werk te mogen voortzetten {§ 1), evenals de aanvragen om met het optrekken of wijzigen van gebouwen te mogen aanvangen of om deze werken te mogen voortzetten {§2), moeten in twee exemplaren bij den bevoegden voorzitter van het burgerlijk bestuur {Pràsident der Zivilverwaltung) ingediend worden. De aanvragen om het werk te mogen voortzetten moeten bevatten : 1. Beknopte aangifte bij benadering, van de voorhanden stapels aan kolen, koks, ijzer en staal ;

2. Aangifte van de waarde, van de hoeveelheid, alsook van de bestemming der lopende en der verder voorgenomen voortbrengst ;

3. Aangifte bij benadering van de toekomend maandelijkse benodigdheden aan hoofdzakelijk gebruikte grondstoffen, inzonderheid aan kolen, koks, ijzer en staal ; de 'plaats van waar deze grondstoffen betrokken worden, is daarbij aan te geven ;

4. Aangifte bij benadering, van het aantal spoor- of buurtspoorwagens en van de scheepsruimte, die voor het betrekken van de onder 3) vermelde hoeveelheden, evenals voor het vervoer van de voortbrengselen [nr 2) benodigd zijn. In de aanvragen om met het optrekken van gebouwen te mogen aanvangen of om den bouw er van te mogen voortzetten enz., dient de noodzakelijkheid en de dringendheid bewezen te worden ; ook is de aard, de hoeveelheid en de 'plaats vanwaar de nodige bouwstoffen betrokken worden op te geven.

§ 4. Voor de hieronder opgesomde soorten van bedrijven mag, zoverre de verschillende werken op het ogenblik van het van kracht worden dezer Verordening in gang zijn, het werk zonder toestemming {§ 1) worden voortgezet : Steenkolenmijnen, koksfabrieken, gaswerken, waterwerken, elektriciteit leverende fabrieken, die uitsluitend in het openbaar belang werken, fosfaatgroeven en -fabrieken, allerhande molens, buurtspoorwegen, trams,

§ 5. Wie de bepalingen dezer Verordening opzettelijk of uit nalatigheid overtreedt, wordt met ten hoogste 2 jaar gevangenis en met ten hoogste 100.000 mark boete, of met een van beide straffen gestraft. De Duitse krijgsrechtbanken en krijgshevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.
Brussel, den 17n Februari 1917.
C. C. IV A 4907.
No. 316. — 28. februari 1917
Verordening ***
betreffende de bevoegdheid der Oliecentrale in België. Onder opheffing mijner Verordening van 14 Augustus 1915 [Wet- en Verordeningsblad No. 107), verorden ik het navolgende ;
Art. 1. De bevoegdheid der Oliecentrale (Oelzentrale) in België strekt zich uit over de volgende stoffen en de daaruit vervaardigde voortbrengselen, mengelingen en overblijfselen : Grens van het getocht Aanduiding : der aan te geven stapels artikelen II en III).

a) Oliezaden en olievruchten van om het even welke soort, diekoeken 20 kg.
h) minerale, plantaardige en dierlijke oliën en vetten met inbegrip van volvet, looivet, paraffine, ceresine, asfalt, aardoliepek, doch m£t uitzondering van benzine en benzol en van de uit teer gewonnen stoffen 20 kg.
c) petroleum 50 kg. d) minerale, plantaardige en dierlijke toassen 20 kg.
e) olielakken, olieverven, olievernissen, terpentijnolie, sim terpentijnolie {white spirit) 20 kg.
f) harsen, Arabische gom, kopal, kopallakken, schellak 20 kg.
g) glycérine, glycerinehoudendemassa voor drukrollen 5 kg.
h) glycerinewater 50 kg.
t) glycerinehoudende onderlogen . 100 kg.
k) vetzuren, oleïne, stearine 20 kg.
l) zeep in den zin der Verordening van 7 februari 1917 ( Wet- en Verordeningsblad nr. 312) . . niet aan te geven.
m) kaarsen 5 kg.
n) vethoudende poetsmiddelen voor schoenen en metalen 20 kg.
o) beenderen, beendergort, beendermeel, beenderkool lOQ kg.
p) horens, horenhulzen, hoeven, klauwen 100 kg.
g) huidafval {lijmleder), hazen- en konijnenvellen 100 kg.
r) lijm, gelatine 50 kg.
s) Jodciumkarbid 50 kg.
t) krengen, voortbrengselen der vilderijen, slachtsluisafval voor de verplichting tot aangifte, zie Verordening van 8 AprU 1916 (Wet- en verordeningsblad nr. 202).

Art. II. De stapels aan onder artikel I vermelde stoffen, die op 17 februari 1917 binnen het ge bied van het Generalgouvernement voorhanden zijn, moeten, zover hun gewicht de onder artikel I aangegeven grens te boven gaat, ten laatste op 1 maart 1917 bij de Oliecentrale schriftelijk aangegeven zijn.

Art. III. De stapels aan onder artikel I vermelde stoffen, die binnen het gebied van het Generalgouvernement gewonnen of in dat ge bied ingevoerd worden, moeten, zover hun gewicht de onder artikel I aangegeven grens te boven gaat, binnen twee dagen na de voortbrengst of den invoer, bij de Oliecentrale schriftelijk aangegeven worden.

Art. IV. De bepaling van art III is ook van toepassing op stapels, die van bezitter veranderen. Voor elke verandering van bezitter is de toestemming der Oliecentrale vereist.

Art. V. Zijn verplicht de onder artikelen II en III voorgeschreven aangiften te doen :
a) de eigenaar,
h) de bezitter of de stapelhouder,
c) al wie gerechtigd is, voor eigen of voor andermans rekening, over de waar te beschikken. Als een dezer personen de stapels aangeeft, zijn de andere van de aangifte ontslagen ; de naam van den eigenaar moet in de aangifte vermeld zijn, ook wanneer een der onder h of c vermelde personen de aangifte doet. De aangifte kan alleen door een getuigschrift der Oliecentrale bewezen worden.

Art. VI. De Oliecentrale is gerechtigd, de aangegeven waren aan te kopen, in beslag te nemen of voor het gebruik voor den handel of ter verwerking af te staan. De personen, die gehouden zijn de stapels aan te geven, moeten zolang de Oliecentrale geen beslissing genomen heeft, zich onthouden van elke rechtelijke en daadwerkelijke beschikking over de aangegeven stapels ; zij moeten er echter voor zorgen dat de stapels ongeschonden bewaard blijven.

Art VII. Oliezaden en olievruchten mogen zelfs in hoeveelheden van minder dan 20 kg. niet verwerkt worden, tenzij met toelating der Oliecentrale. Oliezaden en olievruchten of stam mogen, om het even bij welke hoeveelheden, alleen met toelating der Oliecentrale verkocht worden.

Art. VIII. Zover in de vorenstaande bepalingen niet anders wordt beschikt, blijven de bijzondere Verordeningen, die betreffende de onder artikel I vermelde stoffen uitgevaardigd werden, van kracht.

Art. IX. Wie de voorschriften dezer Verordening overtreedt, wordt met ten hoogste 20.000 mark boete en met ten hoogste 6 maand gevangenis of met één van beide straffen gestraft. Terzelfder tijd moet de verbeurdverklaring worden uitgesproken van de niet aangegeven stapels en van de inrichtingen, die tot het vervaardigen of verwerken hebben gediend.
De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.
Brussel, den 17n februari 1917.
C. C. IV. A. 4315.

No. 316. — 28. februari 1917.
Verordening.
Eenig artikel.
De in 1917 te innen bijdrage ten laste der ondernemers, die op 31 december 1916 niet ontslagen waren van de verflichte storting in het waarborgfonds, voorztien bij artikelen 10 en 20 uit de wet van 24 december 1903, betrekkelijk de vergoeding voor werkongevallen, is vastgesteld of den grondslag eener taks van 4 frank per onderneming, die onder de hepalingen van bedoelde wet valt, en eener taks van 1 frank voor iedereen in een dergelijke onderneming in dienst zijnden werkman.
Brussel, den 17n Februari 1917.
G. C. lia 1514.

No. 316. — 28. februari 1917.
Beschikking.
Onder wijziging van artikel 1 der beschikking van 29 april 1916 over de voertaal in de gemeentescholen, enz. van de gemeenten der taalgrens {Wet- en Verordeningsblad hl. 2089) en van artikel 1 der beschikking van 22 april 1916 over de voertaal in de gemeentescholen, enz. van het Vlaamse land [Wet- en Verordeningsblad. 2056) worden
1 . de gemeente Aubel, met uitzondering van de wijk Klanse, onder de op de Vlaamse Waalse taalgrens gelegen gemeenten,
2. de gemeente Molenstede onder de tot het Vlaamse land behorende gemeenten gerangschikt.
Brussel, den 18n februari 1917.
C. C. 111. A. 1124.
No. 317. — 2. maart 1917.
Bekendmaking.
Met goedkeuring van den Heer Generalgouverneur in België, heb ik, overeenkomstig de Verordeningen van 17 februari en 26 augustus 1915 de firma „Société d'Electricité de Lescaut, S. A.", te Antwerpen onder dwangbeheer geplaatst. Tot dwangbeheerder heb ik den Heer Bittmeister Wahl , te Antwerpen, benoemd. Brussel, den 22n februari 1917.
C. C. IV. A. 5104.

No. 317. — 2. maart 1917.
Verordening
Houdende wijziging van de Verordening van 15 juni 1916, betreffende inbeslagneming en gebruik van de gerst, evenals van de moutkiemen uit het oogstjaar 1916.
Enig artikel.
Artikel 3, cijfer I, 2, der Verordening van 15 juni 1916, betreffende inbeslagneming en gebruik van de gerst, evenals van de moutkiemen uit het oogstjaar 1916 {Wet- en Verordeningsblad, hl. 2273), zal voortaan luiden:
„2) Tot het vervaardigen van gort, volgens een op te maken verdelingsrooster."
Brussel, den 24n februari 1917.
C. C. VU. 1418.

No. 317. — 2. maart 1917.
Verordening ***
betreffende de verhoging van den maaigraad.
§ 1. Onder wiziging van mijn Verordcning van 8 juli 1916, over het malen en vervoeren van koren {Wet- en Verordeningsblad, bl. 2401, § 4), stel ik, op voorstel van de Centrale Oogstkommissie {Zentral-Ernte-Kommission), den maaigraad zowel voor inheems als voor ingevoerd koren tot nader bericht vast op 90 %. Deze maaigraad is zo te verstaan, dat uit 100 delen koren niet meer dan 90 delen meel mogen worden gewonnen. De vastgestelde maaigraad geldt eveneens voor het koren, dat voor de voeding van de verbouwers zelf dient. De molens, die de toelating hebben om koren te malen, zijn verantwoordelijk voor het nakomen van bovenstaand voorschrift betreffende den maaigraad.
§ 2. Deze Verordening wordt met ingang van 5 maart 1917 van kracht
Brussel, den 27n februari 1917.

No. 317. — 2. maart 1917.
Bekendmaking. ***
Op grond mijner Verordening van 8 juli 1916 betreffende de Oogstkommissies, evenals der uitvoeringsbepalingen van 8 juli 1916 tot deze Verordening, heb ik, op Voorstel der Centrale Oogstkommissie {Zentral-Ernte-Kommision), de hoogste prijzen voor den verkoop van gedorst koren, meel, zemelen en brood voorhands als volgt vastgesteld

voor tarwe uit stapelplaats of molen geleverd frank 49.09 per 100 kgr.
rogge uit stapelplaats of molen geleverd „ 28.34 „ „ „
masteluin uit stapelplaats of molen geleverd „ 29.67 „ „ „
ongepelde spelt uit stapelplaats of molen geleverd „ 26.18 „ „ „
zemelen uit den molen geleverd „ 21.50 „ „ „
tarwemeel aan bakker of verbruikers geleverd „ 57.77 „ „ ,^
roggemeel aan bakkers of verbruikers geleverd „ 34.72 „ „ „
masteluinmeel aan bakkers of verbruikers geleverd „ 36.20 „ „ „
tarwebrood aan verbruikers geleverd „ —.51 „ „ kgr.
Deze hoogste prijzen worden of 5 maart 1917 van kracht.
De Provinciale Oogstkommissies {Provincial-Ernte- Kommissionen) zijn bevoegd, voor de omschrijving van afzonderlijke gemeenten op verzoek of na raadpleging van de burgemeesters, telkens een lageren hoogsten prijs voor tarwebrood, evenals hoogste prijzen voor brood, tot het bereiden waarvan roggemeel wordt gebruikt, vast te stellen. Voor den verkoop van koren door de voortbrengers aan het Nationaal Hulp- en Voedingskomiteit, blijven de hoogste prijzen, vastgesteld in de uitvoeringsbepalingen tot de Verordening van 8 juli 1916, betreffende de Oogstkommissisies, van kracht.
Brussel, den 27 februari 1917.
Z. E. K. 773/17.

No. 318. — 5. maart 1917.
Verordening
betreffende het oprichten van een schoolraad voor de Duitse lagere school te Gent
§ 1. Voor de leiding der zaken der Duitse school te Gent en voor het beheer der nodige geldmiddelen, wordt een schoolraad opgericht.
§ 2. Deze schoolraad bestaat :
1. uit den dienstdoende Voorzitter van het burgerlijk bestuur {Pràsident der Zivilverwaltung) te Gent als als voorzitter en 2. uit een hogeren ambtenaar van het burgerlijk bestuur te Gent, die tevens plaatsvervanger is van den voorzitter, 3. uit den bestuurder der Duitse school te Gent,
4. uit twee personen, behorende tot de Duitse Kolonie in de ‘provincie Oost-Vlaanderen als leden. De leden van den schoolraad worden door den voorzitter benoemd.
§ 3. De schoolraad bezit de eigenschap der rechts’persoonlijkheid. In rechtszaken wordt de schoolraad vertegenwoordigd door den voorzitter of door dezes ‘plaatsvervanger.
§ 4. De raad moet in elk schoolkwartaal ten minste tot een zitting opgeroepen worden. In de zittingen worden de besluiten bij meerderheid van stemmen genomen. Bij staking van stemmen beslist de stem van den voorzitter. De schoolraad mag steeds besluiten nemen, om ’t even hoeveel leden er aanwezig zijn.
§ 5. De voorzitter leidt de lopende zaken ; hij is gehouden den schoolraad te raadplegen in alle aangelegenheden van eeig belang, inzonderheid echter bij benoeming van onderwijskrachten.
§ 6. De geldzaken worden door een kashouder geleid. Deze wordt door een voorzitter benoemd en zal, zoo mogelijk, genomen worden onder de onderwijskrachten der Duitse lagere school.
§ 7. De kashouder moet jaarlijks rekenschap geven hij den schoolraad. Deze verleent ontlasting.
§ 8. De kashouder mag alleen O’p aanwijzing van den voorzitter of van dezes plaatsvervanger betalingen doen.
§9. Het bedrijfsjaar begint op 1 oktober van elk jaar en eindigt den 30n september van het volgend jaar. Voor elk bedrijfsjaar zal een begroting der inkomsten en uitgaven opgemaakt worden. De begroting moet door het Hoofd van het burgerlijk bestuur [Verwaltungschef] bij den Generalgouverneur in België worden goedgekeurd. De bevoegdheid van den voorzitter of van dezes plaatsvervanger tot het opleggen van betalingen, blijft beperkt tot de bedragen die in de begroting voorkomen.
§ 10. Binnen twee maand na afloop van elk bedrijfsjaar stuurt de schoolraad, aan het Hoofd van het burgerlijk bestuur bij den Generalgouverneur in België, een verslag over al de gebeurtenissen van enig belang, die in het afgelopen schooljaar zijn voorgekomen, als ook over den gang van het schoolbeheer en over het aantal leerlingen. Bij dat verslag zal een o-p grond der kasboeken afgesloten rekening over het afgelopen bedrijfsjaar gevoegd worden.
Brussel, den 14n februari 1917.
No. 318. — 5. maart 1917.
Aanvullingsverordening ***
tot de „Verordening van 10 augustus 1915, betreffende aangifte van rekgombanden, oude rekgom, rekgomafval, ruwe rekgom en rekgomwaren, gewijzigd bij Verordening van IT oktober 1916 “.
De banden van motorrijwielen zijn eveneens aan de in artikel 1 vastgestelde verplichting M aangifte onderworpen. Ingeval zij nog niet aangegeven zijn, moet dit ten laatste 24 maart 1917 geschieden hij de „KraftfahrsteW , die voor de ‘provincie bevoegd is.
Brussel, den 27n februari 1917.
G. G. Vlh 6356/M.

No 319. — 8. maart 1917.
VERORDENING
Betreffende verlening van uitzonderlijke duurtetoeslagen aan staatsbedienden en loontrekkende aangestelden van de Staat.
Afdeling I. — Mannelijke bedienden.
Artikel 1. Aan de ondergeschikte en lagere bedienden van den Staat, welke thans hunne betrekking uitoefenen :
a) aan het beheer van liet Rekenhof ;
b) aan de Ministeriën van Justitie, van Binnenlandse Zaken, van Wetenschappen en Kunsten, van Nijverheid en Arbeid, van Financiën, van Landbouw en Openbare Werken en in de daartoe beherende diensten.
c) in de diensten welke voorlopig aan die Ministeriën verbonden zijn ; en
d) aan het Ministerie van Zeewezen, Posterijen en Telegrafen alsmede de in den Postdienst, wordt, naar den maatstaf der volgende bepalingen, over de drie laatste maanden van het jaar 1916, een buitengewone duurtetoeslag verleend.

Artikel. § 1. Door bedienden, in den zin dezer verordening worden verstaan de personen die in den staatsdienst werkzaam zijn en, op grond van benoemingen, krachtens wetten of door de beheren gedaan {artikelen 1 en 6 der wet van 21 juli 1844 op de pensioenen), een wedde uit de Staatskas genieten. bedienden {beambten), in den zin dezer verordening, wordt insgelijks beschouwd het besturend en onderwijzend personeel der staatsinrichtingen van onderwijs. § 2. De bedienden, die, op grond der bestaande bepalingen, gelijk of op de proef werkzaam zijn gesteld, worden met de vast benoemde bedienden gelijkgesteld.

Artikel 3. § 1. De volgende drie klassen worden gevormd.
le klasse :
a) de ongehuwden,
h) de weduwnaars en de gerechtelijk of uit den echt gescheiden, zonder kinderen.
2e klasse :
a) de gehuwden zonder kinderen,
b) de weduwnaars en de gerechtelijk of uit den echt gescheiden, hebbende één kind ; 3e klasse :
a) de gehuwden hebbende één kind,
h) de gehuwden, weduwnaars, gerechtelijk of uit den echt gescheiden, hebbende meer dan één kind.
§ 2. De duurtetoeslagen worden verleend aan de bedienden wier wedde de volgende bedragen niet overtreft : voor de de 1 klasse 1800 frank per jaar, voor de 2e en 3e klassen 2500 frank per jaar.

Artikel 4. § 1. Komen in aanmerking, de kinderen tot hun voleindigde 18e levensjaar.
§ 2. Kinderen uit een vroeger huwelijk der vrouw geboren, komen dis gemeenschappelijke kinderen in aanmerking ; de wettelijk of feitelijk aangenomen kinderen worden insgelijks meegerekend.
3. In het huisgezin des beambten levende en door hem onderhouden kleinkinderen worden als kinderen geteld.
§ 4. Kinderen, welke zich thans buiten het bezette gebied bevinden, worden niet meegeteld.

Artikel 5. § 1. Worden ook als wedde beschouwd, de volgende bijwinsten :
1. Vrije woning, verwarming en verlichting. daar hieromtrent geen officiële raming bestaat {art. 37. No. 3 der wet van 21 juli 1844), wordt daarvan door 'de bevoegde overheid een billijke raming gemaakt.
2. Vergoeding voor woninghuur, percentsgewijze bezoldiging der rekenplichtigen, schoolgeld ten bate van het onderwijzend personeel en alle andere blijvende bezoldigingen. De percentsgewijze bezoldiging der rekenplichtigen en de andere bezoldigingen waarvan het bedrag veranderlijk is. komen voor hun gemiddeld bedrag voor over de jaren 1915 en 1916 in aanmerking.
§ 2. Worden niet als wedde beschouwd : de standplaatstoelage, de vaste toelagen verleend voor kantoor- en verplaatsingskosten, of de terugbetalingen van de buitengewone uitgaven, welke de agenten voor zekere bijzondere dienstverrichtingen te dragen hebben.
§ 3. De percentsgewijze bezoldiging der rekenkundigen komt voor de drie vierden in aanmerking {artikel 10, 2e lid, der wet van 21 juli 1844).

Artikel 6. De duurtetoeslag bedraagt :
1. Voor de le klasse {ongehuwden; weduwnaars, gerechtelijk of uit den echt gescheiden, zonder kinderen), 10 frank per maand ;
2. Voor de 2e klasse {gehuwden zonder kinderen ; weduwnaars, gerechtelijk of uit den echt gescheiden, hebbende één kind) 15 frank per maand ;
Voor de 3e klasse :
a) gehuwden hebbende één kind, 18 frank per maand ;
b) gehuwden, weduwnaars, gerechtelijk of uit den echt gescheiden, hebbende meer dan één kind, 18 frank 'per maand en daarenboven 3 frank voor elk kind te beginnen met het tweede.

Artikel 7. § 1. In geval een bediende een huwelijk aangaat, ofwel in geval van geboorte of aanneming van een kind wordt de toeslag of de aanvullende toeslag over de volle maand verleend.
§ 2. In geval van overlijden van de vrouw, of van een kind, blijft de toeslag of de aanvullende toeslag, welke uit hoofde van den overleden persoon toegekend is, behouden voor de maand volgende op die van het overlijden. Eveneens blijft de toeslag voor een kind behouden voor de maand volgende op die waarin dat kind zijn 18e levensjaar voleindigd heeft.

Afdeling II. — Loontrekkende aangestelden van den Staat.
Artikel 8. De bepalingen dezer verordening worden, op gelijke wijze als voor de Staatsbedienden, toegepast op de werklieden, dagloners en dienstlieden, die doorlopend gebezigd worden en hunne hoofdbediening hebben bij de onder
artikel 1 vermelde beheren en diensten.

Afdeling III. — Vrouwelijke bedienden.
Art. 9. De bepalingen dezer verordening zijn volgenderwijze op de vrouwelijke bedienden van toepassing :
§ 1. De ongehuwde vrouwen, de weduwen, de gerechtelijk of uit den echt gescheiden vrouwen, zonder kinderen, worden beschouwd aïs de mannelijke bedienden, welke zich in dezelfde voorwaarden bevinden {artikel 3, le klasse).
§ 2. De vrouwen die weduwe, ofwel gerechtelijk of uU den echt gescheiden zijn, hebbende één of meer kinderen, worden beschouwd als de mannelijke bedienden, welke zich in dezelfde voorwaarden bevinden {artikel 3, litt. b der 2e klasse en litt. c der 3e klasse).
§ 3. Uitgesloten worden de gehuwde vrouwen die geen kind beneden den I8 jarigen leeftijd hebben.
§ 4. De gehuwde vrouwen, hebbende één of meer kinderen onder de 18e jaar, ontvangen de helft van den duurtetoeslag toegekend aan de gehuwde mannelijke bedienden, welke hetzelfde getal kinderen hebben. Uitgesloten worden nochtans de vrouwen wier echtgenoot staatsbediende is {artikel 2), of als vaste loontrekkende aangestelde van den Staat werkzaam is {artikel S).
Afdeling IV. — Verschillende bepalingen.
Artikel 10. § 1. De uitgaven voor de bedienden en loontrekkende aangestelden, welke hij een van de onder artikel 1, litt. a, b en c vermelde beheren of diensten werkzaam zijn, worden bestreden uit een onder nr. 37 van de bijlage bij de begroting van het Ministerie van Financiën voor het dienstjaar 1916 in de volgende bewoordingen te openen krediet. „Uitzonderlijke en tijdelijke toeslagen aan de bedienden en loontrekkende aangestelden van den Staat, uit hoofde van de levensduurte {onbeperkt krediet) fr. 250.000''.
§ 2. De uitgaven voor de bedienden en loontrekkende aangestelden die aan het Ministerie van Zeewezen, Posterijen en Telegrafen of in den Postdienst werkzaam zijn {artikel 1, litt. d), worden opgenomen onder de uitgaven van het Duitse Beheer van Posterijen en Telegrafen. Brussel, den In februari 1917.
G. G. lia. 1257.
No. 319. — 8. maart 1917.
Verordening.
§ 1. Ondernemingen, wier zetel in het gebied van het Generalgouvernement gevestigd, doch wier bedrijf geheel of gedeeltelijk buiten België gelegen is, mogen hun bedrijf, dat zich Buiten België bevindt, of de onroerende goederen en inrichtingen, die tot dat bedrijf behoren, niet vervreemden, noch bezwaren, noch verhuren of ver'pachten, noch aan anderen overmaken, zonder de toestemming van den Kommissaris- Generaal voor de banken {Generalkommissar fur die Banken). Ondernemingen, wier zetel in liet gebied van het Generalgouvernement gevestigd is, mogen hun deelhebbing {acties, aandelen, genotaandelen, enz.) aan vreemde ondernemingen of aan Belgische ondernemingen, waarvan het bedrijf zich geheel of gedeeltelijk buiten België bevindt, niet vervreemden, noch bezwaren, noch aan anderen overmaken, zonder de toestemming van den Kommissaris-Generaal voor de banken. Alle met de voorschriften van het le en 2e lid in strijd zijnde schikkingen zijn nul en van gener waarde.

§ 2. Wie de bepalingen van § 1 overtreedt, of bij de overtreding daarvan behulpzaam is, wordt met ten hoogste 5 jaar gevangenis en met ten hoogste 100.000 Mark boete, of met één van beide straffen gestraft. De poging tot overtreden is strafbaar. De boete kan ook ingevorderd worden ten laste van de firma's, 'personen en vermogenswaarden, hier vertegenwoordiger of beheerder der strafbare handeling heeft begaan. De krijgsbevelhebbers en krijgsrechtbanken zijn tot oordeelvellen bevoegd.
Brussel, den 3n maart 1917.
B. A. 27384.
3.
No. 319. — 8. maart 1917.
Terechtbrenging.
De le zin van § 1,1e Ud, der Verordening van 27 februari 1917, betreffende de verhoging van den maalgraad {Wet- en Verordeningsblad, bl. 3358), moet luiden aïs volgt. „Onder wijziging van § 4 mijner Verordening van 8 juli 1916, over het malen en vervoeren van koren {Wet- en Verordeningsblad, hl. 2401), stel ik, op voorstel van de Centrale Oogstcommissie {Zentral-Ernte-Kommission), den maalgraad, zowel voor inheems als voor ingevoerd koren, tot nader bericht vast op 90%".
Z. E. K. 839/17.
No. 320. — 10 maart 1917.
Bekendmaking.
Onder wijziging en ter aanvulling van cijfer 4 de bekendmaking van 5 Februari 1917, betreffende regeîing van den handel in brandewijn en gist, wordt ter kennis gebracht, dat de Referendar Dr. Beutner hij het hurgerlijk bestuur {Zimlverwaltung) te Brussel, tot voorzitter, de heeren Jean Descarri'pe, fabrikant te Gembloers, en Frans Dansé, fabrikant te Sint-Gillis-Brussel, tot leden, de heeren Clemens Peeten, fabrikant te Velm {Limburg), en Jacobus Neefs, fabrikant te Antwerpen, tot jplaatsvervangende leden van het scheidsgerecht der Brandewijncentrale {Branntwein Zentrale) zijn benoemd.
Brussel, den 2n maart, 1917.
G. G. IR 2526.
No. 331. — 13. maart 1917.
Bekendmaking
betreffende de liquidatie van Britse ondernemingen.
Met toestemming van den heer Generalgouverneur in België heb ik, overeenkomstig de Verordening van 29 augustus 1916, over de liquidatie van Britse ondernemingen {Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, Nr 253 van 13 september 1916), de liquidatie bevolen van de in België gevestigde vermogens
1. van den Engelsman David Pétrie,
2. van het huis Harry Wilson Burnyeat, voormalig te Antwerpen,
3. van het huis Kennedy, Hunier ce Co, te Antwerpen,
4. van de twee eigenaars van laatstgenoemd huis. Charles en Michel Hunter, evenals
5. van de in België gelegen onroerende goederen der verzekeringsmaatschappij „General Accident Fire Life Assurance Corporation Ltd.", te Antwerpen.
De heer Dr. l.-M. Laypenberg, Rechtsanwalt, Kantoor van toezicht voor handelsondernemingen te Antwerpen, is tot liquidator benoemd. De liquidator zal nadere inlichtingen verstrekken.
Brussel, den 28 februari 1917.
No. 321. — 13. maart 1917.
Bekendmaking. ***
Dit jaar moet aan het verbouwen van aardappelen meer belang worden gehecht dan ooit. Op de Belgische landbouwers rust de plicht, niet alleen dezelfde akkervlakte als in 't jaar 1916 met aardappelen te beplanten, maar zoo mogelijk die nog te vergroten.
Het ligt trouwens in het eigen belang van den landbouwer aardappelen te planten. Ik heb voorgenomen, voor de aardappelen uit den oogst van 1917 hoogste prijzen vast te stellen, die het verbouwen van aardappelen bijzonder lonend zullen maken. Bij het vaststellen van hoogste prijzen voor andere landbouwvoortbrengselen, zal ik eveneens van dat gezichtspunt uitgaan, zodat voor den landhouwer geen rede bestaat, in plaats van aardappelen, andere gewassen te verbouwen. De hoogste prijs voor de late aardappelen uit den oogst van 1917 zal derhalve op ten minste 16 frank de 100 kilogram. worden vastgesteld. Ik verwacht dat de gemeentebesturen het nodig inzicht aan den dag zullen leggen en met mij krachtdadig zullen samenwerken om mijn streven te helpen verwezenlijken.
Brussel, den 7 maart 1917.

No. 322. — 16. maart 1917.
Besluit
Als vervolg op de wet van 18 April 1898, belast ik de rechtsgeleerde faculteit van de hogeschool te Gent met het opmaken van een Vlaamse vertaling van de wetten, die voor 18 April 1898 uitgevaardigd werden en thans nog van kracht zijn, opdat een ambtelijke Vlaamse tekst dier wetten afgekondigd en geldig gemaakt kunnen worden.
Het hoofd van het burgerlijk bestuur {Verwaltungschef) hij den Generalgouvemeur in België wordt met de uitvoering van dit besluit belast.
Brussel, den 9 maart 1917.

No. 322. — 16. maart 1917.
Verordening
houdende aanvulling van de Verordening over het vervoer van goederen binnen het gebied van het Generalgouvernement.
Enige Paragraaf.
De voorschriften van de Verordening van 5 september 1916 {Wet- en Verordeningsblad, bl. 2683), op het vervoer, zijn met ingang van heden ook toepasselijk op het vervoer van rond, gevierkant of gezaagd hout van om het even welke soort, zowel van in- of van buitenlandse oorsprong.
Voor het afleveren der toelating zijn bevoegd:
voor mijnhout : „Bergverwaltung" {Duits mijnbestuur) van de omschrijving waaruit het vervoer moet geschieden :
voor al de andere houtsoorten: „Holzabgabestelle des General des Ingenieur- und Pionierkorps" {houtleveringskantoor van den generaal van het geniekorps), te Antwerpen.
Brussel, den l5 maart 1917.

No. 322. — 16. maart 1917.
Terechtbrenging.
De ondertekening onder de Verordening van 1 februari
1917 {Wet en Verordeningsblad, Nr. 308, bl 3251), houdende
vaststelling van een termijn voor het dorsen van
oliezaden, moet luiden:

No. 323. — 18. maart 1917.
Verordening
betreffende bevordering van de kennis der Duitse taal bij de onderwijskrachten der gemeentescholen, aangenomen en aanneembare scholen en bewaarscholen van het Duits taalgebied.
Onder gedeeltelijke verwijzing van het koninklijk besluit van 21 september 1884 over het onderwijzersexamen, wordt het navolgende beschikt :
I. Voor al de onderwijskrachten, die in de gemeentescholen, aangenomen en aanneembare scholen en bewaarscholen van het Duits taalgebied werkzaam zijn, alsook voor hen die zich op dergelijk ambt toeleggen, worden van 2 tot 19 april 1917 Duitse taal leergangen ingericht, en wel te Arles {Aarlen) voor het onderwijzend 'personeel der provincie Luxemburg, en te Welkenraad voor het onderwijzend personeel der provincie Luik.
De aanvragen om aan die taal leergangen deel te nemen, moeten ten laatste op 25 maart 1917 bij de Vlaamse afdeling van het Lager Onderwijs, op het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten, Brussel, Waterwerktuigstraat 14, binnengekomen zijn.
Het hoofd van het burgerlijk bestuur {Verwaltungschef) zal nadere bepalingen omtrent de inrichting der leergangen uitvaardigen.
De deelnemers ontvangen voor den duur van de leergangen voor iedere dag een vergoeding van 10 frank, indien zij 5 of meer kilometer wonen van de plaats waar de leergang gegeven wordt, 5 frank, indien zij minder dan 5 kilometer van deze plaats wonen.

II. Wanneer de leergang geëindigd is, zullen al de deelnemers in beide voornoemde steden een examen af te leggen hebben, waardoor moet blijken of de kandidaten de nodige bekwaamheid hebben opgedaan.
1) om les te geven in de lagere scholen met Duits als voertaal, of
2) om les te geven in Waalse of Vlaamse klassen, waarin het Duits als leervak voorkomt.
Het examen omvat een schriftelijke, een mondelinge en een praktische proef. Het hoofd van het burgerlijk bestuur zal nadere bepalingen omtrent het afnemen van het examen en de samenstelling van den jury uitvaardigen.
Onderwijskrachten, die behalve hun gewoon diploma, een der onder 1) of 2) vermelde getuigschriften verwerven, zullen, overeenkomstig artikel 34 der wet op het lager onderwijs, een bijzondere vergoeding ten laste van den Staat ontvangen.
Deze vergoeding bedraagt 100 frank jaars voor de houders van het onder 1) genoemd getuigschrift, 50 francs jaars voor de houders van het onder 2) genoemd getuigschrift.

III. Voor onderwijskrachten, die bij het examen geen van voormelde getuigschriften kunnen verwerven, zullen later, overeenkomstig nadere door het Hoofd van het burgerlijk bestuur uit te vaardigen schikkingen, bijzondere Duitse taalleergangen worden gegeven, en wel afzonderlijke leergangen voor de deelnemers, die een getuigschrift volgens II, cijfer 1) en deze die een getuigschrift volgens II, cijfer 2) wensen te verwerven.

IV. Onderwijskrachten, die verzuimen de onder I vermelde leergangen regelmatig bij te wonen en het onder II vermelde examen af te leggen, of, indien zij dit examen zonder goeden uitslag hebben doorstaan, verzuimen een der onder III vermelde leergangen regelmatig bij te wonen, om een voldoende kennis der Duitse taal te verwerven, stellen er zich aan bloot, krachtens artikel 20 van de wet op het lager onderwijs, artikel 10 van de beschikking van 22 april 1916 {Wet- en Verordeningsblad, blz. 2050) en artikel 8 van de beschikking van 15 juni 1916 {Wet- en Verordeningsblad, bl. 2284), uitgesloten te worden van het geven van onderwijs in klassen, waarin het Duits voertaal is of als leervak voorkomt.
Brussel, den 15 maart 1917,
No. 324. — 21. maart 1917.
VERORDENING.
Verordening.
België wordt in twee bestuurlijke gebieden ingedeeld, waar van het eerste de provincies Antwerpen, Limburg, Oost- en West-Vlaanderen, alsook de arrondissementen Brussel en Leuven omvat, het tweede de provincies Henegouw, Luik, Luxemburg en Namen, alsook het arrondissement Nijvel. Het eerstgenoemd gebied zal vanuit Brussel, het laatstgenoemd van uit Namen bestuurd worden.
Alle nadere beschikkingen ter uitvoering der Verordening inzonderheid wat de inrichting van het bestuur der beide gebieden en de overgave der dienstzaken betreft, blijven voorbehouden.
Voor de bevoegdheden van het ministerie van Wetenschappen en Kunsten gelden, tot bedoelde schikkingen getroffen zijn, de voorschriften der Verordeningen van 25 oktober 1916, 12 december 1916 en 14 februari 1917 {Wet- en Verordeningsblad, bl. 2030, 3054 en 3319).
Brussel, den 21 maart 1917.
No. 324. — 21. maart 1917.
Verordening
Houdende opheffing der Verordening van 8 augustus 1916, betreffende verhoging van de postrechten op brieven en postkaarten voor het postverkeer met het Etappen- en Operatiegebied in West-België.
Mijn Verordening van 8 augustus 1916, betreffende verhoging van de postrechten op brieven en postkaarten voor het postverkeer met het Etappen- en Operatiegebied in West-België [Wet- en Verordeningsblad, Nr. 242), wordt met ingang van 20 maart 1917 opgeheven. De rechten op brieven en postkaarten voor het verkeer met het Etappen- en Operatie-gebied worden, te rekenen van die dag, algemeen in overeenstemming gebracht met de tarieven van de Wereldpostvereniging. Volgende rechten zullen geheven worden op
brieven tot 20 gram /r. 0,25,
voor elke 20 gram meer „ 0,15,
postkaarten enkele « „ 0,10,
met antwoordkaart „ 0,20,
De afzender moet al de brieven en postkaarten frankeren. Brussel, den 13 maart 1917,
No. 324. — 21. maart 1917. 2
Verordening. ***
In aanvulling mijner Verordening van 22 maart 1916, over het aanslaan van bomen, bepaal ik het navolgende :
De in § 2 voorgeschreven overhandiging van een beslagnemingsbewijs, kan vervangen worden door een (openbare *** Sehe Seite 1. — Voyez page 1. — Zie blz. 1. bekendmaking van de inbeslagneming. In dat geval, neemt de werking, waarvan sprake in § 3, aanvang op den dag dat de openbare bekendmaking verschijnt.
Brussel, den 16 maart 1917.
No. 324. — 21. maart 1917.
Verordening *
betreffend vuurwerkstukken.
1. Het is verboden vuurwerkstukken af U steken of op enige andere wijze te gebruiken. Het is eveneens verboden vuurwerkstukken te maken, et handel in te drijven en et in bezit te houden.
2. Wie vuurwerkstukken in zijn bezit heeft, moet er, onder vermelding van de hoeveelheid, ten laatste op 31 maart 1917 aangifte van doen bij de plaatselijke krijgsoverheid en ze (op bevel afleveren of de opgelegde wijze bewaren. S. Overtredingen worden met ten hoogste één jaar hechtenis, opsluiting en met ten hoogste 5.000 mark boete, of met één van beide straffen gestraft. De krijgsrechtbanken en de krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.
Brussel, den 16n maart 1917.
No. 324. — 21. maart 1917.
Verordening
Betreffende het overdragen van bevoegdheden der Belgische provinciale raden op de Voorzitters van het burgerlijk bestuur.
Onder gedeeltelijke buitenkrachtverklaring van artikel 66, lid 1, der provinciale wet van 30 april 1836, worden der Voorzitters van het burgerlijk bestuur {Presidenten de Zivilverwaltung) der provinciën gemachtigd, in vervanging der provinciale raden, na raadpleging van de bestendige afvaardigingen, de rekeningen van inkomsten en uitgaven voor het rekenjaar 1915 vast te stellen en de begroting der uitgaven voor het bedrijfsjaar 1917 te bepalen, evenals over het innen der vereiste middelen te beslissen. Deze Verordening is niet van toepassing op de provincie West-Vlaanderen ; zij wordt onmiddellijk van kracht.
Brussel, den 17 maart 1917.
No. 335.—24. maart 1917.
Verordening
betreffende de studie der moderne talen in het middelbaar onderwijs van den hogere graad.
Artikel 4 der wet van 12 mei 1910 {Staatsblad, hl. 2864)luidt voortaan als volgt :
Voor elke provincie wordt een jury aangesteld, bestaande uit vijf leerkrachten, den voorzitter er bij begrepen, van het hoger of van het middelbaar onderwijs. In deze jury moeten zoveel mogelijk zowel de staatsinrichtingen en de door den Staat ondersteunde, als de vrije inrichtingen van het middelbaar onderwijs vertegenwoordigd zijn.
Ik benoem de juryleden en stel den voorzitter aan.
Het examen is openbaar ; de punten, in de verschillende proeven bepaald, worden openbaar bekendgemaakt.
Brussel, den 7n maart 1917.
No. 325. — 24. maart 1917.;
Beschikking
ter uitvoering der verordening van heden, betreffende de studie der moderne talen in het middelbaar onderwijs van den hogeren graad.
Ter vervanging van lid 1 en 2 van artikel 4 mijner beschikking van 27 mei 1916 — C. G. III 1602 —, vaardig ik de hiernavolgende bepalingen uit :
Desgevallend wordt jaarlijks in elke provincie een jury samengesteld, belast met het afnemen van het examen in de moderne talen van de kandidaten der provincie. Zij bestaat uit 5 leden, waaronder een voorzitter en een schrijver. Ik benoem de juryleden en stel den voorzitter aan onder de leerkrachten van het hoger of van het middelbaar onderwijs daarbij zal er voor gezorgd worden, dat in de jury, zoveel mogelijk zowel de staatsinrichtingen en de door den Staat ondersteunde,als de vrije inrichtingen vertegenwoordigd zijn,
Brussel, den 7n maart 1917.
No. 325. — 24. maart 1917. 213
VERORDENING ***
Verordening ***
betreffende het verkeer van voertuigen, die geschikt zijn om goederen of brieven te smokkelen.
§ 1. Al de voertuigen [rijtuigen, karren, enz.) met dubbelen bodem, dubbele bank planken of bokzitvlakken, die hele zijvlakken en kappen, in het raam in andere delen aanpassende kisten enz., die ze geschikt maken voor het smokkelen van goederen of brieven, mogen 14 dagen na de uitvaardiging van deze Verordening niet meer voor het verkeer gebruikt worden, ingeval de tot het smokkelen van goederen en brieven geschikte inrichtingen op dat tijdstip niet verwijderd zijn geworden.
§ 2. Rijtuigen, die door den aard van den bouw, van kisten met enkele wanden onder het bokzitvlak of onder de zitplaatsen in het rijtuig zelf voorzien zijn [zoals landauers mogen verder in gebruik blijven ; de voerder van zulke rijtuigen is evenwel verplicht terstond al de ingemaakte bakken aan de militairen of beambten, die met het onderzoek der voertuigen belast zijn, aan te wijzen en voor hen te openen.
§ 3. Overtredingen worden gestraft met ten hoogste 6 maand gevangenis en met ten hoogste 1000 mark boete, of met één van beide straffen, alsook met de verbeurdverklaring van het rijtuig, om het even wie er de eigenaar van is. Bij voorkomend geval zal de overtreder eveneens wegens het smokkelen van goederen of brieven gestraft worden.
De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsoverheden zijn tot oordeelvellen bevoegd.
Brussel, den 19n maart 1917.

No. 326. — 26. maart. 1917.
Verordening,
betreffende het van kracht worden van de wet van ^6 mei 1914.
Op grond van artikelen 9 en 10 bis der wet van 5 juni 1911, aangevuld door de wet van 26 mei 1914, op de ouderdomspensioenen ten bate der mijnwerkers, bepaal ik het navolgende :
Artikel 1. De bestaande gemeenschappelijke voorzorgskassen voor de mijnwerkers moeten, met ingang van 1 januari 1917, de verplichtingen nakomen, die hun zijn opgelegd bij de wet van 26 mei 1914, tot aanvulling van de wet van 5 juni 1911, op de ouderdomspensioenen ten bate der mijnwerkers. Het ministerie van Handel en Nijverheid zal de nodige aanwizigingen uitvaardigen voor de behandeling der nieuwe pensioensaanvragen.
Artikel 2. In afwijking van artikel 9, wordt de hoogste bijdrage, die de bij de voorzorgskassen aangesloten ondernemers moeten betalen, tot nader bericht en met terugwerkende kracht van 1 januari 1917 af, van 2,5 % van het werkloon op 3 % verhoogd.
Brussel, den 7n maart 1917.

No. 326. — 26. maart 1917. 219
Bekendmaking. **
Op grond mijner Verordening van 8 juli 1916 betreffende de Oogstkommissies, evenals der uitvoeringsbepalingen van 8 juli 1916 tot deze Verordening, heb ik, op voorstel der Centrale Oogstkommissie {Zentral-Ernte-Kommission) , de hoogste prijzen voor den verkoop van gedorst koren, meel, zemelen en brood voorshands als volgt vastgesteld :
voor tarwe uit stapelplaats of molen geleverd frank 48.88 frank per 100 kgr.
rogge uit stapelplaats of molen geleverd 28,95 frank per 100 kgr.
masteluin uit stapelplaats of molen 29,27 frank per 100 kgr.
ongepelde spelt uit stapelplaats of molen geleverd 25,78 frank per 100 kgr.
zemelen uit den molen geleverd . . .21,50 frank per 100 kgr.
tarwemeel aan bakkers of verbruikers geleverd 57,99 frank per 100 kgr.
roggemeel aan bakkers of verbruikers geleverd 35,45 frank per 100 kgr.
masteluinmeel aan bakkers of verbruikers geleverd 36,20 frank per 100 kgr.
tarwebrood aan verbruikers geleverd „ —.50 „ kgr.
Deze hoogste prijzen worden op 15 april van kracht.

De Provinciale Oogstkommissies {Provinzial-Emte-Kommissionen) zijn bevoegd, voor de omschrijving van afzonderlijke gemeenten, op verzoek of na raadpleging van de burgemeesters, telkens een lageren hoogsten prijs voor brood, tot het bereiden van roggemeel wordt gebruikt, vast te stellen.
Voor den verkoop van koren door de voortbrengers aan het Nationaal Hulp- en Voedingscomiteit, blijven de hoogste prijzen, vastgesteld in de uitvoeringsbepalingen tot de Verordening van 8 juni 1916, betreffende de Oogstkommissies, van kracht.
Brussel, den 23n maart 1917.

No. 327. — 29. maart 1917.
Verordening ***
over het inbeslagnemen van wissen en schors van wissen.
Ter aanvulling en onder wijziging van de tot nog toe door algemene of afzonderlijke beschikkingen van krijgsbevelhebbers uitgesproken inbeslagneming van wissen, bepaal ik hierbij het navolgende :

Artikel 1. De inbeslagneming van de wissen is uitgebreid tot al de groene, droge grauwe en geschilde {gepelde) wissen van om het even welke soort en lengte, die binnen het gebied van het General gouvernement voorhanden zijn. Zover in onderstaande artikelen niet anders is bepaald, is het verboden de in beslag genomen wissen te vervreemden, te vervoeren en te verwerken.

Artikel 2. Wie voorraden aan wissen in bewaring heeft, is verflicht, om het even of hij er vroeger al dan niet aangifte van heeft gedaan, de bij hem voorhanden hoeveelheden, met vermelding van eigenaar en ligplaats, aan te geven. Ingeval de „Kreischef" of een andere bevoegde overheid de wissen vroeger reeds vrijverklaard heeft, moet dat bij de aangifte vermelden worden. De aangifte moet in dubbel exemplaar gedaan worden op formulieren, die bij de „Kreischefs" of andere bevoegde overheden verkrijgbaar zijn gesteld. De ingevulde lijsten van aangifte moeten ten laatste op 15 april 1917 binnengekomen zijn bij de „Abteilung fur Handel und Gewerbe, Bohstoffverwaltungssteïle" {Afdeling voor handel en nijverheid, Kantoor voor grondstoffen) Kunstherlevingslaan 30, te Brussel.

Uit de aangifte moet blijken :
a) hoeveel bundels getrokken wissen
b) hoeveel bundels ongetrokken wissen er bij den inzender voorhanden zijn. Nog niet gesneden wissen moeten per begroeide teeltvlakte in hectaren worden aangegeven.

Artikel 3. De eigenaars, bezitters of 'pachters van wisteelten, evenals de bezitters of beheerders van voorraden aan groene wissen zijn verplicht, er zorg voor te dragen dat hun voorraden bijtijds gesneden en geschild worden. Kan tot liet schillen in het eigen bedrijf niet worden overgegaan, dan mogen de groene misschien aan schillers verkocht worden. In zulke gevallen mag de verkoop en net ten gevolge daarvan noodzakelijk zijnde vervoer zonder toelating geschieden ; daarvan dient evenwel op de voorgeschreven formulieren aangifte te worden gedaan bij het kantoor bedoeld in het 4e lid van artikel 2. De schillers moeten de wissen op de behoorlijke wijze schillen en met de nodige zorg behandelen.

Artikel 4. Al de schors, voortkomend van het schillen der wissen, is hierbij in beslag genomen. Het is verboden schors van wissen dis strooisel, als mest of tot andere doeleinden te gebruiken. De schors van wissen moet gedroogd, behoorlijk gebundeld en tegen vochtigheid beschut worden. De bezitters, die de wissen schillen of doen schillen zijn daarvoor verantwoordelijk.

Artikel 5. Al de voorraden aan droge grauwe wissen of aan geschilde missen van om het even welk lengte, alsook aan schors van wissen mogen uitsluitend verkocht worden aan het huis Struss Vogel, meir 14, te Antwerpen, dat de „Kriegsivirtschafts-Aktiengesellschaft" vertegenwoordigt, of aan de opkopers van genoemd huis, die een opkopingstoelating van het vestingsgouvernement Antwerpen {Festungs-Gouvernment Antwerpen) kunnen vertonen. Bedoelde voorraden moeten aan genoemd huis te koop worden aangeboden ; ingeval de verkoop tot stand komt, zijn zij op uitnodiging tegen betaling met gereed geld af te leveren.
Voor geschilde wissen van eerste hoedanigheid van de beste sortering is de hoogste prijs per bundel van 1 meter.omvang, op den ezel gebonden, vastgesteld op 4.20 fr.; voor wissen van mindere hoedanigheid worden lagere prijzen betaald.
Heeft een bundel bij het overnemen niet den voorgeschreven omvang van 1 meter, dan worden voor elken ontbrekenden centimeter 0.20 fr. afgetrokken.
Voor schors van wissen van beste hoedanigheid op den spoorwegwagen geladen, is de hoogste prijs vastgesteld op 5 fr. per 100 kg.
De wissen en schors van wissen moeten op uitnodiging, gescheiden naar soorten volgens de onderrichtingen van het huis Struss é Vogel, in de door dit huis aangeduide spoorwegstaties stipt afgeleverd en geladen worden. De afdeling K. B. van het Generalgouvernement zal de voorraden aan droge grauwe en geschilde wissen, welke niet te koop aangeboden worden aan het huis Struss é Vogel, of waarvan de verkoop aan dit huis geweigerd wordt, tegen een ontvangbewijs {Gutschein) opeisen. In dit laatste geval zal de „Tteichsentschdigungskommission'" [Eijkskommissie tot regeling der schadeloosstellingen) de vergoeding vaststellen.

Artikel 6. De eigenaars, bezitters en pachters moeten hun wisteelten na het snijden bijtijds van onkruid zuiveren en voor de behoorlijke bewerking er van zorgen.

Artikel 7. Alleen het kantoor, dat in het 4e lid van artikel 2 aangeduid is, kan uitzonderingen op vorenstaande bepalingen toestaan. De inbeslagneming is niet toepasselijk op vroeger reeds door de „Kreischefs" of andere bevoegde overheden vrijverklaarde waren. In de aanvragen om een vrijverklaring of een vervoertoelating te bekomen is op te geven tot welke doeleinden en voor welke huizen de verkoop of de verwerking van de wissen of de schors zou moeten geschieden. Wissen en schors van wissen, die het huis Struss é Vogel aangekocht heeft, mogen zonder toelating vervoerd worden.

Artikel 8. Wie deze Verordening opzettelijk of uit grove nalatigheid overtreedt, wordt met ten hoogste 20.000 mark boete en met ten hoogste 2 jaar gevangenis of met één dezer straffen gestraft. De wissen en de schors van wissen, die het voorwerp der overtreding uitmaken, worden verbeurdverklaard. Ingeval de overtreding en het uit nalatigheid geschiedt, kun van de verbeurdverklaring worden afgezien. De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsoverheden zijn tot oordeelvellen bevoegd.
Brussel, den 21n maart 1917.
C. C. IV B 3989/11.

 

Vorige pagina    Indexpagina volgende pagina

OF GA TERUG MET DE BACKTOETS


Kent U de v.z.w. KONINKLIJKE OUDHEIDKUNDIGE KRING VAN HET LAND VAN WAAS
(afgekort K.O.K.W.)

niet, of wil je meer weten over de doelstelling
en werking van deze kring, klik dan
"hier voor Werking K.O.K.W".

DOCUMENTATIE CENTRUM
M.Z. Zamanstraat 49 9100 Sint-Niklaas
Zaterdagen 9u30 tot 12u30
Documentatie centrum
gesloten in juli en aug.