Dagboek Raphaël Waterschoot
 Gesetz- und Verordnungsblatt fur die okkupierten Gebiete Belgiens.
Bulletin officiel des Lois et Arrêtés pour le territoire belge occupé.
Wet en Verordeningsblad voor de bezette strekenvan België.

(TEXTES OFFICIELS door mij aangepast na omzetting)

RÉDIGÉE PAR CHARLES HENRY HUBERICH

DOCTEUR EN DROIT, ANCIEN PROFESSEUR DE DROIT À L'UNIVERSITÉ STANFORD (CALIFORNIE).
MEMBRE DU BARREAU DE LA COURSUPRÊME DES ÉTATS UNIS DE L'AMÉRIQUE,
AVOCATLA HAYE • PARIS - BERLIN - HAMBOURG
ET
ALEXANDER NICOL-SPEYER
DOCTEUR EN DROIT, AVOCAT À LA COUR DE CASSATION DES PAYS-BAS
LA HAYE - ROTTERDAM
Nr 9      01 oktober 1916- 31 december 1916

LA HAYE    MARTINUS NIJHOF 1916

No. 260. — 1. oktober 1916.
BEKENDMAKING.
Op grond van de artikelen 9, 11, 13, 29 en 31 der organiekewet van 15 Juli 1849 tot regeling van het Hoger onderwijs en op grond van het hesluit van 12/22 Augustus 1916 rakende instelling van ere-professoraten, heb ik navolgende verdere benoemingen aan de Universiteit Gent gedaan:
zijn benoemd:
professor fur deutsche Literaturgeschichte und wissenschaftliclie Grammatik der deutschen Sprache (Verf. vom 2. September 1916).
18. Herr A. Vlamynck, Doktor der Geschichte, Hilfsarchivar am Staatsarchiv zu Gent und Lehrer am Mâdchenathenâum zu Gent, zum Dozenten fur Palaographie und die sonstigen historischen Hilfswissenschaften, als Nachfolger des verstorbenen Dozenten V. Van der Haeghen (Verf. vom 2. September 1916).
II. In der juristischen Fakultàt: 19. Herr J. L. M. Eggen, Dokter der Rechte, Advokat am Appelhof in Gent und Privatdozent an der Universitât Amsterdam, zum ausserordentliehen Professor fur Rechtsgesehichte, burgerliches Recht und Zivilprozessrecht (Verf. vom 9. September 1916). III. In der naturwissenschaftlichen Fakultàt:
20. Herr T. Vernieuwe, Generaldirektor im Ministerium fur Landwirtschaft und offentliche Arbeiten, zum ordentliehen Honorar-professor fur Geschichte der Landwirtschaft und des Gartenbaues (Verf. vom 6. September 1916).
21. Herr F. Brûlez in Watenuaal, Ingénieur der burgerlichen Baukunde, Ingénieur 2. Klasse in der Verwaltung des Telegraphen- und Telephonwesens, zum ausserordentlichen Professor fur darstellende Géométrie (Verf. vom 9. September 1916). IV. In der medizinischen Fakultàt:
22. Herr Arthur Claus, Doktor der Medizin, praktischer Art in Antwerpen, Chefarzt der Irrenan stalt in Mortsel, zum ordentlichen Honorarprofessor fur Psychiatrie und Neurologie (Verf. vom 13. September 1916).
23. Herr Reimond Speleers, Doktor der Medizin, praktischer Arzt in Gent, zum ordentlichen Professor fur Augenheilkunde (Verf. vom 13. September 1916).
24. Herr E. Van Bockstaele, Boktor der Medizin, praktischer Arzt, Direktor des Chirurgischen Instituts und Sanatoriums zu Grammont, zum ordentlichen Honorarprofessor fur allgeMeine und praktische Chirurgie (Verf. vom september 1916).
Brussel, den 23. September 1916.

No. 261. — 4. oktober 1916.
BEKENDMAKING,
De Rector der Gentsche Hoogeschool maakt den belanghebbenden beketnd, dat op 30 october een zittijd zal geopend worden voor het afnemen der examens tot het bekomen der wettelijke academische graden. De inschrijvingen worden aanvaard op het sekretariaat der Hogeschool (Plateaustraat, te Gent) van 4 tot 20 october alle werkdagen van 11 tot 12 uur. Men mag zich ook per brief laten inschrijven, indien het nodige inschrijvingsbedrag te gelijkertijd wordt opgestuurd. N.B. De examens mogen, volgens keus der recipiendi, in het Frans of in het Vlaams worden afgelegd. Gent, den In october 1916.
C. C. Illh 993.

No. 262. — 7. oktober 1916. (Nihil).
No. 263. — 9. oktober 1916.

Verordening *** betreffend drijfriemen en drijfkabels.

§ 1. Al de stapels drijfriemen uit leder of uit andere stoffen en drijfkabels uit hennep of uit andere stoffen, die op 10 oktober 1916 in het gebied van ket Generalgouvernement voorhanden zijn^ moeten ten laatste op 1 November 1916, bij de „Kriegsleder A. G." kantoor te Brussel, Anspachlaan 29, aangegeven worden. De verplichting tot aangifte geldt voor al de nijverkeidsinrichtingen, om het even of het werk stil ligt, of in zijn geheel of slechts gedeeltelijk wordt voortgezet, alsook voor de voorraden, die bij handelaars of in drijfriem- en in kabelfabrieken opgestapeld liggen; verder ook voor de in gebruik zijnde, evenals voor de niet meer gebruikte drijfriemen en kabels en de afval er van, Evenwel zijn de bedrijven, wier stapel drijfriemen en kabels niet meer dan 50 kilogram bedraagt, niet aan de verplichting tot aangifte onderworpen.

§ 2. Al de personen en ondernemingen, die drijfriemen en kabels van de onder § 1 aangeduide soort in bewaring of in gebruik hebben, zijn, onverschillig of deze voorwerpen hun al dan niet in eigendom toebehoren, verplicht daarvan aangifte te doen,

§ 3. Bij de aangifte is te vermelden: 1. het aantal en de afmetingen van riemen en kabels; 2. uit welke stof deze gemaakt zijn;
3. op welke wijze zij gebruikt worden; 4. of zij op het ogenblik der aangifte in gebruik
zijn. De aangifte moet gedaan worden op een daartoe voorgeschreven lijst van aangifte. De belanghebbenden kunnen bedoelde lijst kosteloos verkrijgen hij den bevoegden „Kreischef' (Abschnittskommandeur, Kommandant), of op het kantoor van de „Kriegsleder A. G.".

§ 4. Het kantoor te Brussel van de „Kriegsleder A. G." is gerechtigd, de aan te geven stapels aan te kopen tegen de prijzen, die het Hoofd van het burgerlijk bestuur bij den Generalgouverneur in België Afdeling voor handel en nijverheid (Verwaltungschef beim Generalgouvernenur in Belgien .Abteilung fur Handel und Gewerbe) zal bepalen. Zover geen onderhandse aankoop tegen deze prijzen tot stand komt, kan het Generalgouvernement, Afdeling K. R., de betreffende drijfriemen en kabels onteigenen. In geval van onteigening, ontvangt de leveraar, nadat de voorwerpen geleverd en vervoerd zijn, een ontvangstbewijs, waarop de soort en de hoeveelheid der afgeleverde waar is vermeld. De ,Reichsentschâdigungskommission' (Rijkskommissie tot regeling der schadeloosstellingen} beslist overeenkomstig de bestaande grondregels over de schadeloosstelling.

§ 5. De aan te geven drijfriemen en kabels mogen voorshands in het bedrijf, waar zij tot dusver gediend hebben, ook verder in gebruik blijven; voor het overige zijn de bezitters van bedoelde voorwerpen verplicht, deze tot nader bericht te bewaren en ze met de nodige zorg te behandelen.

§ 6. Afgezien van den verkoop aan de Kriegsleder- Aktiengesellschaff is het verboden na 10 Oktober 1916 op om het even welke wijze rechtszakelijk over de aan te geven drijfriemen en kabels te beschikken alsook deze voorwerpen naar een andere plaats over te brengen. Uitzonderingen kunnen door het Hoofd van het burgerlijk bestuur (Afdeling voor handel en nijverheid) en, in dringende gevallen, ook door de bevoegde Duitse mijnbesturen (Bergverwaltungen) en burgerlijke komnmsarissen (Zivilkommissare) worden toegestaan,

§ 7. Wie de voorschriften van deze Verordening opzettelijk of uit grove nalatigheid overtreedt, wordt, zover een andere strafwet geen zwaardere voorziet, gestraft met ten hoogste één jaar gevangenis en met ten hoogste 20.000 mark boete, of enkel met een van beide straffen. Bovendien kan tot de verbeurdverklaring van de voorwerpen, waarop de strafbare handeling betrekking heeft, besloten worden; in geval van opzettelijke overtreding moet de verbeurdverklaring worden uitgesproken. De poging tot overtreding is strafbaar.

§ 8. De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.
Brussel, den 27n September 1916C. C. IV A 15678.
No. 264. — 12. oktober 1916.
VERORDNUNG, ***
Verordening *** betreffende benuttiging van halfsuiker- en voederbeten, wortelen, rapen van elke soort en koolrapen. In aanvulling der Verordening van 13 Maart 1916 (Wet- en Verordeningsblad, bl. 1765) betreffend het branden van beten en stroop, verorden ik wat volgt:

Art. I. Het is verboden halfsuiker- en voedbeten, wortelen, rapen van elke soort en koolrapen, evenals gedeelten ervan in de nijverheid, zowel in kleine ais in grote ondernemingen, te benuttigen. Onder benuttiging in de nijverheid is ook het drogen en roosten van deze voortbrengselen te verstaan. Het roosten van voederbeten tot het verkrijgen van een koffiesurrogaat is toegelaten. Voor het overige is het Hoofd van het Burgerlijk Bestuur (Verwaltungschef) gemachtigd, uitzonderingen toe te staan.

Art. II. Overtredingen worden overeenkomstig de Verordening van 13 Maart 1916 gestraft.

Art. III. Bevoegd tot oordeelvellen zijn de Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers,
Brussel, den 6n Oktober 1916,
C. C. VII
No. 264. — 12. oktober 1916.
Verordening *** houdende verbod om banketbakker en te bakken.
Aangezien het Nationaal Komiteit aan bankethakkers geen meel meer levert, verorden ik, om het onttrekken van inlands koren aan het doel, waartoe het bestemd is, te beletten en om de voorziening der bevolking van brood te verzekeren, het navolgende:

§ 1, Het is verboden meel- en meelachtige stoffen te gebruiken om, van beroepswege banketbakkerijwaren te hakken.

§ 2. Als banketbakkerij wordt in den zin dezer Verordening geldt alle gebak, dat meel of meelachtige stoffen bevat en dat door toevoeging van andere stoffen van om het even welken aard ,b. v. van vet, zoetmakende voortbrengselen, honig, fruit, eiwit, chokolade, amandels, of door een bijzondere wijze van hakken de kenteekenende eigenschappen van gewoon brood verloren heeft.

§ 3. Dit verbod geldt voor alle ambachts- en nijverheidsbedrijven, inzonderheid voor banketbakkerijen, biscuit-, cakes-, beschuit- en koekjesfabrieken, hotels, drank- en spijshuizen, gaarkeukens, verversings- en verenigingslokalen.

§ 4. De voorzitters der provinciale Oogstkommissies (Provinzial-Emte-Kommissionen) kunnen uitzonderingen toestaan, inzonderheid voor zulke fabrieken, die gebak voor zieke en zwakke personen en ontbijtkoek maken
§ 5. Banketbakkerijwaren van de onder § 2 aangeduide soort, die tot op den dag der afkondiging van deze Verordening gemaakt zijn, mogen tot en met 15 November 1916 te koop gesteld en verkocht worden. Van den 16n November 1916 af is ook dat verboden, indien, overeenkomstig § 4, geen uitzondering werd toegestaan. De voorzitters der provinciale Oogstkommissies, kunnen de tijdruimte op aanvraag verlengen.

§ 6. De voorzitters der provinciale Oogstkommissies zijn bevoegd door hunne lasthebber
a)alle tot het uitvoeren dezer Verordening nodige vaststellingen te doen,
b) buiten de straffen voorzien onder

§ 7: .1} bakhuizen en bakinrichtingen, waarin zonder toelating banketbakkerijwaren ( § 2) worden gemaakt, te sluiten,
2) van den dag der afkondiging dezer Verordening af alle aangetroffen, zonder toelating gemaakte banketbakkerijwaren ( § 2), evenals
3) alle meelvoorraden die tot het maken van verboden ( § 2) bestemd z^n, en,
4) van den 16n November 1916 af, bovendien alle te koop gestelde of verkochte banketbakkerijwaren ( § 2) y zonder betaling verbeurd te verklaren en ten bate der bevolking aan het gemeentebestuur over te maken.

§ 7. Wie de bepalingen dezer Verordening overtreed wordt met ten hoogste 6 maand gevangenis en met ten hoogste 2000 mark boete of met één van deze beide straffen gestraft. Bevoegd tot oordeelvellen zijn de krijgsbevelhebbers en de krijgsrechtbanken,
Brussel, den 6n Oktober 1916,
Z. E. K, 1123,
No. 264. — 12. oktober 1916.
Verordening, *** betreffend vergaderingen en verenigingen.
Ter wijziging mijner Verordening van 26 Met 1916 betreffend vergaderingen en verenigingen (Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, bl. 2206), verorden ik het navolgende:

Art. 3 van voornoemde Verordening moet als volgt worden gelezen:

Art. 3. Voor vergaderingen van bijzondere is ook de voorafgaande toelating nodig. In plaats van de toelating volstaat de voorafgaande kennisgeving, wanneer het vergaderingen met zuiver kerkelijke gezellige-, wetenschappelijke-, beroeps- of kunstdoeleinden betreft. Voor vergaderingen, die in het Wet en Verordeningsblad aan te kondigen zijn, is geen voorafgaande kennisgeving nodig.
Brussel, den lOn Oktober 1916,
C. C. V. 9928.
No. 265. — 15. oktober 1916.
Verordening *** betreffend de stapelopneming van machines met alle toebehoren.

Art. 1. Alle onder artikel 2 opgesomde machines, die binnen het gebied van het Generaal-Gouvernement in privaat bezit voorhanden zijn, moeten worden aangegeven. Voor de aangifte dient de op 1 oktober 1916 voorhanden stapel tot maatstaf.

Art. 2. Volgende voorwerpen moeten aangegeven worden:
Klasse 1. Alle beweegbare en onbeweegbare lokomobielen.
Klasse 2. Alle niet op sporen lopende vrachtlokomotieven en vrachtmotorwagens door stoom of elektriciteit gedreven, dus ook stoomrolblokken, trekmachines voor stoomploegen en andere dergelijke trektoestellen.
Kiasse 3. Houtbewerkingsmachines;
a) Alle ramen voor zagen, spanzagen en blokzagen, waarbij het zaagblad op dezelfde wijze als in een zaagraam bewogen wordt;
b) Alle bloklintzagen;
c) Alle gewone lintzagen, waarvan de vliegradraddoorsnee meer dan 600 mm. bedraagt;
d) Allerhande cirkelzagen zoals tafelcirkelzagen, zoomzagen, slingerzagen, tuimelzagen (zogenaamde groefzaag), schrobzagen, enz.;
e) Alle schaafmachines en wel africht-, ploeg-, keel-, plet- of diktenschaafmachines (deze laatste wanneer de schaafbreedte meer dan 300 mm. bedraagt,) enz.;
f) Allerhande freesmachines met loodrechte of waterpasschijven;
g) Alle gewone loodrechte en waterpas boormachines, die aan niets vastgemaakt zijn, die aan den muur of aan zuilen vastgemaakt worden, enz.;
h) Alle lengteboor- en steekmachines;
i) Alle machines voor het afwerken van wielspaken, hamerstelen, en dergelijke voorwerpen;
k) Allerhande houtdraaibanken;
1) Alle soorten van slijpmachines lot het scherpen van zagen, schaafmessen frezen enz,
Klasse 4. Toestellen voor het aanzuigen en verdringen van water, stof, slijk enz. (pompen^ luchtverversers, compressoren) en wel:
a) Alle handpompen in fabrieken waar het werk stil ligt in pakhuizen, evenals in fabrieken, die zulke pompen vervaardigen;
b) Alle zuiger- en stoompompen en met drijfkracht bewogen pompen;
c) Alle centrifugaalpompen, met tandraderiverh, door -stoom of drijfkracht bewogen pompen;
d) Alle compressoren voor lage of hoge drukking;
e) Alle vleugelluchtverversers en turbocompressoren voor lage of hoge drukking.
Klasse 5. Alle stapels aan niet ingebouwde huizen* voor water-, gas- en luchtleiding, uit gegoten ijzer, gesmeed ijzer of blik.
Klasse 6. Alle kaapstanders en windassen voor kabel of kettingwerk.
Klasse 7. Alle met de hand bewogen en door stoom of of elektriciteit gedreven, ingebouwde of beweegbare gewone kranen, portaal- en brugkranen, evenals alle met de hand bewogen en door stoom of elektriciteit gedreven beweeg"- bare draaikranen.
Klasse 8. Alle beweegbare door stoom of elektriciteit gedreven baggermachines met grijpers.
Klasse 9. Alle met de hand bewogen en door stoom of elektriciteit gedreven grondgraafmachines, drijf- en zuigbaggermachines.

Art. 3. De aangiften moeten ten laatste op 31 Oktober 1916 hij de „Kreischefs" of hij de Kommandanturen ingediend zijn. Van 1 Oktober af is elke bezitsverandering en het vervoer der opgesomde voorwerpen, zonder de toelating van den generaal der genie (General der Pioniere), verboden.

Art. 4. Alle machines van den onder artikel 2 aangeduid en aard, welke na 1 Oktober 1916 afgewerkt worden, zijn binnen 8 dagen aan te geven.
Art. 5. Alle personen, die deze machines in bewaring hebben, zijn gehouden aangifte te doen.

Art. 6. Wie verzuimt de voorgeschreven aangifte te doen of ze onvolledig of onjuist doet, of wie zonder toelating van den generaal der genie bedoelde machines van bezitter doet veranderen of ze vervoert, wordt met ten hoogste 6 maand gevangenis of ten hoogste 20.000 mark boete gestraft. Beide straffen kunnen ook tegelijk uitgesproken worden. Aan te geven stapels, die verzwegen zijn, kunnen ten bate van het Duitse legerbestuur verbeurd verklaard worden.

Art. 7. Bevoegd tot rechtsvervolging zijn de Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers.

Art. 8. De generaal der genie bij het Generaal-Gouvernement in België, is gerechtigd, uitvoeringsbepalingen bij deze Verordening uit te vaardigen.
Brussel, den 25n September 1916.
17090/16.
No. 265. — 15. oktober 1916
Uitvoeringsbepalingen bij de Verordening^ van 25 September 1916 GG. J. Illa No. 17090 16 betreffend de stapelopneming van machines met alle toebehoren. De aangiften moeten voor de machines in elk geval vermelden:
Bezitter, bergplaats, fabriekmerk (vervaardiger), ouderdom toestand, of de machinei al dan niet in gebruik is. Voor elke klasse moet een bijzonder meldingsblad worden gebruikt. Verder moet m£n:
Voor klasse 1: vermelden of de machines beweegbaar of onbeweegbaar zijn, de gemiddelde en hoogste werkkracht in PK., aantal: wentelingen per minuut, de overdruk in atmosferen, stookvlakte van den ketel in m^ aangeven.
Voor klasse 2: vermelden of door stoom of door elektriciteit gedreven worden; (in dit laatste geval, of zij hun stroom rechtstreeks uit een geleidingsnet of wel door middel van accumulatoren ontvangen); of de inrichting rechtstreeks voor het vervoer van personen of vrachten gebruikt kan worden (zoals dit h. V. het geval is hij personen- of vrachtmotorwagens), dan wel of dit alleen door middel van tussentoestellen mogelijk is (zoals, h. v., hij inrichtingen voor stoomploegen); het vermogen van den in de inrichting ingebouwde motor — hij stoomdrijfkracht, stookvlakte van den ketel en bedrijfsoverdrukking in atmosferen; — hij elektrische drijfkracht, stroomsoort en spanning, opgeven hoeveel personen- of vrachtwagens kunnen getrokken worden: verder het gewicht der zware kracht en de eigenlijke laadvlakte.

Voor Masse 3:
a) vermelden of de machines waterpas of loodrecht zijn; ook de doorsnede of de dikte en de breedte van het te zagen hout opgeven, hoogst mogelijk aantal zagen, breedte van het zaagblad; hij blokzagen, of de stam in de lengte of dwars gesneden wordt.
b) de middellijn van het vliegrad en de grootste breedte van het zaagblad, de grootste hoogte van de zaagsnede evenals den aard van het vermogen opgeven en vermelden of de machine waterpas of loodrecht is.
c) middellijn van het vliegrad en de grootste breedte van het zaagblad opgeven. d) de doorsnee van het zaagblad, de breedte en de lengte van de tafel opgeven en verwielden
of het gestel van ijzer of van hout is. Bij zoomzagen bovendien enige aanduidingen omtrent gestel, tafel en omtrent het vermogen geven; bij slingerzagen, of zij aan de zoldering, aan den grond of aan den muur vastgemaakt zijn, of zij ijzeren of houten ramen hebben; de lengte van het raam opgeven; by tuimelzagen de grootste te bereiken breedte en diepte der groeven; bij schrobzagen enige aanduidingen geven over de wijze van gebruik.
e) de breedte van het schaafmes, de breedte en de lengte van de tafel, het aantal der schijven en de soort van messen opgeven.
f) vermelden of de machine een loodrechte of waterpas schijf heeft; aanduiden of zij een vervoerslede heeft voor het te bewerken stuk; enige aanduidingen omtrent de soort der uitvoerbare freeswerken.
g) vermelden of de machine op zich zelf staat dan wel aan den muur bevestigd, loodrecht, of waterpas is; de hoogste grootte der te boren gaten opgeven.
h) de grootste doorsnede en de diepte der gaten opgeven, vermelden of er een toestel tot het boren en groeven van wielnaven is.
i) enige aanduidingen geven omtrent de dikte en de lengte der spaken en hamerstelen die vervaardigd kunnen worden en het aantal stukken opgeven die tegelijkertijd kunnen vervaardigd worden,
k) de hoogte der spitsen en den afstand tusscn dezelve opgeven. 1) enige aanduidingen geven omtrent de soort en de grootte der te scherpen sagen, messen. frezen, enz. vermelden of de voortbeweging met de h and of automatisch geschiedt.
Voor Masse 4: a, b, c) de soort der pomp (enkel of meervoud werkend niet zuiger, plungerzuiger of met tegendruk, het vermogen in liter per uur, of, indien deze niet bekend voor a) en b) ; het aantal cilinders, de binnendoorsnee van de cilinders, de doorsnee van den zuiger, van de plungerzuiger en van de zuigerstang, de speelruimte van den zuiger; voor c); de binnendoorsnee van de zuig- en van de uitstromingsklep; verder voor a), b) en c); drukhoogte in meter, soort der drijfkracht, aantal wentelingen.
d) de soort der drijfkracht, het aantal wentelingen, hoogste bedrijfsdruk in atmosferen of mm. waterzuil opgeven; verder het aantal der cilinders en de binnendoorsnee der cilinders, de speelruimte van den zuiger en zoo mogelijk de luchtlevering per uur in m2, de binnendoorsnee van de zuig- en van de uitstromingsklep.
e) voor vleugelluchtverversers opgeven: of het a een tafel- of wand- of zoldering- .of muurluchtververser is; de soort der drijfkracht, het aantal wentelingen per minuut, de doorsnee van het vleugelrad, en den druk in mm. waterzuil vermelden; voor turbocompressoren het aantal wentelingen, de hoogste bedrijfsdruk, de doorsnee van de zuig- en uitstromingsklep en zoo mogelijk de leverbare hoeveelheid per uur in m2 opgeven. Voor klasse 5: aard van het materiaal opgeven, vermelden of er randen, handen en repen zijn, de binnendoorsnee, en de wanddikte aanduiden.
Voor klasse 6: korte aanduidingen geven (omtrent den bouw (waterpas of loodrecht), de trommel of katroldoorsnede, de dikte en het weerstandsvermogen van het touw of van de ketting, de draag- of trekkracht; indien deze onbekend zijn, de lengte van den arm der draaikruk, de doorsnee en de breedte der drijfriemschijf, de werkkracht en het aantal wentelingen der drijfmachine en de overdrachtsverhouding tussen drijfkracht en trommel opgeven.
Voor klasse 7: In brede trekken vernielden of de machines met de hand bewogen of door stoom of elektriciteit gedreven worden; in geval zij door stoom worden gedreven, de stookvlakte en het weerstandsvermogen van den ketel het vermogen van de machine in P. K. opgeven: in geval zij door elektriciteit worden gedreven, het aantal motoren in P. K., de sterkte van den stroom en de spanning opgeven. Het hoogste draagvermogen en een bondige beschrijving van de hef- en bewegingstoestellen geven. In 't bijzonder voor gewone kranen, portaal- en brugkranen vermelden, of zij ingebouwd of beweegbaar zijn, de breedte aan de binnenzijde tussen de voetstukken, den afstand tussen de sporen, de hoogte aan de binnenzijde, de grootste afstand tussen de vrachthaak en den grond opgeven. voor draaikranen: den afstand tussen de sporen de grootste vracht en de grootste afstand tussen den vrachtwagen den grond opgeven.
Voor klasse 8: de soort van de weg te nemen stof vermelden; opgeven of de machine door stoom of elektriciteit gedreven wordt; in h et eerste geval, de stookvlakte en het weerstandsvermogen van den ketel, evenals het vermogen van de drijfmachine opgeven; in het tweede geval, het aantal drijfmotoren en hun vermogen, de sterkte van den stroom en de spanning opgeven. Het grootste schepbereik van den grijpemmer, het grootste draagvermogen en de grootste voordelige tilhoogte boven den grond opgeven. Bondige inlichtingen geven omtrent de hef- en bewegingstoestellen.
Voor klasse 9: vermelden of de machines met de hand bewogen of door stoom of elektriciteit gedreven worden; of het droog-, zwem- of spoelbaggers zijn. Het vermogen per uur, de stookvlakte en het weerstandsvermogen van den ketel, het vermogen der machines in P.K., alsook het aantal elektromotoren, hun vermogen, de sterkte van den stroom en de spanning opgeven. Een bondige beschrijving van de algemene inrichting geven, en zoo mogelijk, er een schets of een afbeelding bijvoegen.
De aangiften, bij de „Kreischefs" of Kommandanturen binnengekomen, moeten over den dienstweg aan den „General der Pioniere hij het Generaal-Gouvernement te Brussel worden overgemaakt.
Brussel, den 22n September 1916.
ibt. J. IIla. Nr. 17220/16.
No. 265. — 15. oktober 1916.
VERORDENING. ***
aanvulling mijner Verordening van 16 September 1916 over de stapelaangifte van zwavel, zwavelhoudende grondstoffen, zwavelzuur, asbest, asbestfabricaten en natriumfluosilicaat (Wet- en Verordeningsblad, nr. 257, bl. 2671) bepaal ik het navolgende:

Art. 1. Al de stapels boraks (NaBO), die op 20 Oktober 1916 binnen het gebied van het Generaal-Gouvernement voorhanden zijn en meer dan 50 kg. bedragen, moeten ten laatste op 1 November 1916 bij het Hoofd van het burgerlijk bestuur, Afdeling voor handel en nijverheid, kantoor voor grondstoffen (Verwaltungschef Abteilung fur Handel und Gewerbe, Rohstoffverwaltungsstelle), aangegeven worden.

Art. Voor het overige zijn de voorschriften uit voornoemde Verordening van 16 September 1916 op de aangifte van boraks en op het houden ter beschikking van de aangegeven stapels van toepassing.
Brussel, den 7n Oktober 1916.
C. C. IV A 15120.

No. 266. — 17. oktober 1916.
Verordening *** betreffend het opnemen en in beslag nemen der stapels snelwerktuigstaal(rapidestaal).
Onder opheffing van de voorschriften der Verordening van 22 April 1916 betreffend het aanslaan en stapelaangeven van mangaan, wolfram enz van 22 april*
(Weten Verordeningsblad bl. 2078), zover er op wolframstaal met (en minste l% wolframgehalte (artikel 1, klasse 4) betrekking hebben, wordt het navolgende bepaald:

Art. 1. Het in beslag nemen. Hierbij wordt al het snelwerktuigstaal van om het even welke soort en benaming in beslag genomen. Onder snelwerktuigstaal is te verstaan staal in legering met wolfram (tungsten), vanadium of iridium, zoals bij voorbeeld de merken: Novo, Capital, Tireless, Mushet, Bôhler-Rapid, Becker-Rapid, Torno, Velocity, Goliath, Clifton, Armstrong, e. a. De inbeslagneming strekt zich uit op snelwerktuigstaal onder vorm van staven in oorspronkelijke toestand of in stukken gesneden, op snelwerktuigstaal onder vorm van gans- of halfafgewerkte, nieuwe of gebruikte werktuigen van om het even welke soort, alsook op afval van om het even welke soort en hoeveelheid.

Art, 2. Het aangeven der stapels. Al de stapels voorwerpen, die krachtens artikel 1 onder de inbeslagneming vallen, moeten, ten laatste op 31 october 1916, schriftelijk aangegeven worden bij de Afdeling voor handel en nijverheid, kantoor voor grondstoffen (Abteilung fur Handel und Gewerbe, Rohstoffverwaltungsstelle), Kunstherlevingslaan 30, te Brussel. De belanghebbenden zullen voor de aangifte gebruik maken van de daartoe voorgeschreven lijsten van aangifte. Deze zijn kosteloos de te verkrijgen bij den bevoegden „Kreischef' (Abschnitts- Kommandeur) , alsook op de Afdeling voor handel en nijverheid (kantoor voor grondstoffen). Vroeger gedane aangiften, b. v. op grond van de hoger vermelde Verordening „betreffend het aanslaan en stapelaangeven van mangaan enz. ontslaan niet van de verplichting tot aangifte. Heeft een en dezelfde onderneming bijhuizen binnen het gebied van het Generaal-Gouvernement, zoo moet voor elk dezer bijhuizen een afzonderlijke lijst van aangifte worden ingevuld.

Art, 3. Personen, vennootschappen, enz., die onder toepassing van deze Verordening vallen. Vallen onder toepassing van deze Verordening: a) alle nijverheidsondernemers en -ondernemingen in wier bedrijf de onder artikel 1 opgesomde voorwerpen voortgebracht of verwerkt, gebruikt of verbruikt worden, zover de stapels zich bij hen in bewaring of onder toltoezicht bevinden;
b) alle personen en handelshuizen, die zulke voorwerpen wegens hun handelsbedrijf of anders uit winstbejag in bewaring hebben, zover de stapels zich bij hen in bewaring of onder toltoezicht bevinden;
c) alle gemeenten, openbaar rechtelijke lichamen en verenigingen, in wier bedrijf zulke voorwerpen voortgebracht, verwerkt of verbruikt worden, of die zulke voorwerpen in bewaring hebben, zover de stapels zich bij hen in bewaring of onder toltoezicht bevinden. Bij stapels, die op vreemde zolders, stapelplaatsen of andere bergplaatsen liggen, zijn, bijaldien hij die gerechtigd is om over de stapels te beschikken, deze zelf niet onder het slot houdt, de bezitters der betreffende bewaarplaatsen voor het naleven dezer Verordening verantwoordelijk. Zijn binnen het gebied van het Generaal-Gouvernement bijhuizen voorhanden (fabrieken, filialen, kantoren en dergel,), zo is het hoofdhuis ook voor de aangifte van deze bijhuizen verantwoordelijk (zie artikel 2),

Art. 4. Werking der inbeslagneming. Het is verboden, de voorwerpen die onder de inbeslagneming vallen, op welke wijze ook te gebruiken, te verwerken of er enige wijziging aan toe te brengen. Afgewerkte werktuigen uit snelwerktuigstaal, waarvan bewezen kan worden, dat zij op het ogenblik van het in kracht treden dezer Verordening nog in gebruik waren, mogen voorlopig ook verder in gebruik blijven; het kantoor voor grondstoffen kan evenwel de verdere benuttiging van deze werktuigen verbieden. De Afdeling voor handel en nijverheid kan, in bijzondere gevallen, naar aanleiding van schriftelijke aanvragen uitzonderingen op het verbod van lid 1 toestaan. Behoudens in onderstaande gevallen van uitzondering, is het verboden over de voorwerpen, die onder de inbeslagneming vallen, enige rechtszakelijke beschikking te treffen of bedoelde voorwerpen op welke wijze ook van bezit te doen veranderen.

Art. 5. Toelating tot vervreemding. Het is toegelaten de onder toepassing der Verordening vallende voorwerpen te verkopen:
1. aan de „Zentral-Einkaufsgesellschaft fur Belgien\ 54 Koloniënstraat, te Brussel;
2. aan de personen, die een schriftelijke machtiging hebben van de Afdeling voor handel en nijverheid, om bedoelde voorwerpen aan te kopen. Verder zijn rechtszakelijke beschikkingen, op grond van een schriftelijke goedkeuring der Afdeling voor voor handel en nijverheid, hij wijze van uitzondering toegelaten.

Art. 6. Prijzen.
De kantoren en personen, die op grond van artikel 5 gemachtigd zijn aankopen te doen, zullen voorshands voor één kilogram snelwerktuigstaal volgende prijzen betalen franko geleverd. Verzamelplaats voor staal (Stahl Sammellager) Brussel-Zuidstatie: met Tan 6% tot 8% wolframgehalte van 5 tot 7.50 frank z ijn hoedanigheid van eigenaar hoeft te bewijzen, den koopprijs naar bevinding van de ontleding. Mogelijke veranderingen in vorenstaande prijzen, julien bij wege van openbare bekendmaking door de Afdeling voor handel en nijverheid ter kennis gebracht worden.

Art. 7, Onteigeningsrecht. Het snelwerktuigstaal onder vorm van staven en stukken of ais afval, dat onder toepassing dezer Verordening volt, doch ten laatste op 15 december 1916 niet vrijwillig aan de in artikel 5 opgesomde kantoren en personen verkocht zou zijn, kan, op voorstel van de Afdeling voor handel en nijverheid, ten bate van het Duits legerbestuur (Deutsche Heeresverwaltung) onteigend worden. In dit laatste geval bekomt de onteigende eigenaar een opeisingsbekentenis; de „Reichsentscadigungskommission" (Rijkskonmissie tot regeling der schadeloosstellingen) kent, overeenkomstig de bestaande grondregels, de schadeloosstelling toe.

Art. 8. Strafbepalingen.
Wie de bepalingen dezer Verordening opzettelijk of uit grove nalatigheid overtreedt, wordt met ten hoogste 5 jaar gevangenis en met ten hoogste 25,000 "mark boete, of met één dezer beide straffen gestraft. Bovendien kan het voorwerp, waarop de strafbare handeling betrekking heeft, bij vonnis ten bate van het Duits legerbestuur verbeurdverklaard worden; in geval van opzettelijke overtreding moet de verbeurdverklaring worden uitgesproken. De poging tot overtreding is strafbaar. De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.
Art. 9. De stapelaangifte overeenkomstig vorenstaande Verordening waarborgt straffeloosheid aan al wie de bepalingen aangaande wolframstaal uit de Verordening van 22 April, „betreffend het aanslaan van stapel aangeven van mangaan, wolfram\ enz. heeft overtreden^ in geval bij de afkondiging van vorenstaande Verordening evenwel nog geen strafvordering aanhangig was gemaakt. Brussel, den 30n september 1916.
C, C, IV./R. 20139.
C, C, IV./R. 20139.
No. 266. — 17. oktober 1916.
BEKENDMAKING ***
Met ingang van 1 Oktober 1916, heeft het gebied der Kommandantur Maubeuge opgehouden deel uit te maken van het gebied van het Generaal-Gouvernement, en is het afgestaan aan de Etappen-Inspekties van het 1e en het 2e leger.
De achtergrens tussen het Etappengebied van beide legers en het Generalgouvernement volgt voortaan van La Flamengrie tot Tout-Vent de Belgische- Franse grens.
De bekendmaking van 19 December 1915 Isl nr. 14881, verschenen in het Wet- en Verordeningsblad, bh 1436, wordt hierbij dienovereenkomstig gewijzigd,
Brussel, den 12n Oktober 1916.
G. G. 7b 7679.
No. 267. — 20. oktober 1916.

Beschikking betreffend de voertaal in de door den Staat ondersteunde avondscholen. Betreffend de voertaal in de avondscholen, die krachtens de ministeriële beschikking van 21 September 1998 (Moniteur belge, nr. 265, bl. 4050) door den Staat worden ondersteunt, worden in aansluiting aan de bepalingen van artikel 20, lid 1 en 2, nit de wet van 15 Juni 1914 op het lager onderwijs de volgende schikkingen genomen:

Art. 1. In de avondscholen wordt het onderwijs in de moedertaal der leerlingen gegeven; in de bijzondere leergangen kan het onderwijs in alle of in enkele vakken niet alleen in de moedertaal, maar tegelijker tijd ook in een van de beide andere landstalen gegeven worden..

Art. 2. Als moedertaal van den leerling geldt de taal, waarin hij op de lagere en de middelbare school onderwijs genoten heeft. Het hoofd der avondschool is verplicht, bij het inschrijven van den leerling het overleggen van een getuigschrift over de voertaal te verlangen. Kan de leerling zulk getuigschrift niet overleggen, zoo stelt het schoolhoofd, na den leerling te hebben onderzocht vast, welke taal als moedertaal van den leerling zal gelden. De leerling en, zo hij minderjarig is, ook zijn ouders hebben het recht, bij het schooltoezicht verzet aan te teken en tegen de beslissing van het schoolhoofd. De moedertaal van elke leerling moet op de lijst der leerlingen aangeduid zijn.

Art. 3. De schoolopziener moet de school bezoeken en daarbij, zoverre nodig, het schoolhoofd raadplegen, de getuigschriften inzien en de leerlingen ondervragen, om zich te overtuigen, dat de vaststelling van de moedertaal nauwgezet is geschied. Over bezwaren gevallen moet aan den hoofdopziener verslag gegeven worden.

Art. 4. De beslissing die betreffend de moedertaal genomen is, blijft zolang geldig, als de leerling een door den Staat ondersteunde avondschool bezoekt.

Art. 5. Zijn er voor een leergang, afgezien van de onder artikel 1, lid 1 voorziene tweetalige leergangen, leerlingen met verschillende moedertaal ingeschreven, zoo moet het onderwijs in de taal van de meerderheid der leerlingen gegeven worden. Het is verboden, leergangen, klassen of afdelingen met dubbele voertaal in te richten. Wanneer, in Groot-Brussel en in de gemeenten aan de taalgrens in een leergang met 2 klassen ten minste 40 ten honderd, met 3 klassen ten minste 30 ten honderd, met meer dan 3 klassen ten minste 15 ten honderd, van het gezamenlijk aantal leerlingen een andere taal tot moedertaal heeft dan die welke als voertaal van den leergang geldt, dan moet voor die minderheid een bijzondere klas worden ingericht. In de overige gewesten zal men, in gelijke omstandigheden, zoover doenlijk een zelfde regeling treffen. In het gebied van Groot-Brussel en der gemeenten aan de taalgrens zal men zich richten naar de beschikkingen van 18 Maart 1916 (W. en V. nr. 192, bl. 1791) en van 29 April 1916 (W. en V. nr. 208 bl. 2089} van het Hoofd van het Burgerlijk Bestuur bij den Generalgouverneur in België (Verwaltungschef).

Art. 6. Zijn er in een avondschool leerlingen met verschillende moedertaal ingeschreven, zo moet het schoolhoofd onmiddellijk na aanvang van het schooljaar, den kantonnalen schoolopziener in een verslag mededelen, hoeveel onder deze leerlingen in de verschillende leergangen komen en welke bijzondere klassen en afdelingen voor hen werden ingericht. De kantonnale schoolopziener moet een samenvatting dezer verslagen aan den hoofdopziener inzenden.

Art. 7. Gaat de leerling naar een andere avondschool over, zoo geeft het schoolhoofd aan hem of, zoo hij minderjarig is, aan het gezinshoofd, een getuigschrift betreffend de taal, waarin de betrokken leerling tot dan toe het avondschoolonderwijs genoten heeft. Het hoofd der nieuwe school is verplicht, bij de inschrijving van den leerling, het overleggen van dit getuigschrift te verlangen.
Art. 8. Geen onderwijzer mag in een klas onderwijzen, zo hij de voor die klas voorgeschreven voertaal niet volkomen machtig is.

Art. 9. De leerboeken en leermiddelen voor de verschillende vakken moeten opgesteld zijn in de taal. die voor dit vak dis voertaal is voorzien. De getuigschriften omtrent het bezoek van de school de diploma’s en de certificaten, moeten opgesteld zijn in de voertaal van de klas, waartoe de leerling behoort. Hetzelfde geldt voor de schikkingen van het schoolbestuur en voor het schriftelijk verkeer met de leerlingen en met de ouders.
Art. 10. Worden vorenstaande bepalingen of de op grond er van genomen schikkingen van het school toezicht of van het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten niet nageleefd, zoo stelt de gemeente of het schoolbestuur er zich aan bloot, de staatsondersteuning geheel of gedeeltelijk te verliezen.

Art. 11. De voorschriften van deze beschikking worden met aanvang van het schooljaar 1916/17 van kracht. Het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten Jean, in dringende gevallen, betreffend de uitvoering der bepaling van artikel 5, lid 8, uitstel verlenen.
Brussel, den 4n oktober 1916.
C. C. Ilisi 2733.
No. 267. — 20. oktober 1916.
Verordening *** betreffend de bestrijding van de razernij.
'\
§ 1. Loslopende honden moeten voorzien zijn van een halshand met een penning, waarin het volgnummer van het hondenregister en de naam van de gemeente, waar de bezitter zijn woonplaats heeft, gepent staan. De penning moet hij kleine honden 2 cm., bij grotere soorten 3 cm. middellijn hebben; hij mag uit koper, uit blik of uit een legering van koper en zink vervaardigd zijn.
De bezitter ontvangt den penning van het gemeentebestuur wanneer hij zijn hond aangeeft. Hij is verplicht aangifte te doen binnen drie dagen na het van kracht worden dezer Verordening of na het aanschaffen van een hond.
Honden die geen penning dragen, worden beschouwd als honden zonder meester en behandeld ais de honden bedoeld in het 2de lid van § 7. !

§ 2. Onverminderd de verplichting tot het dragen van een halshand en van een penning, moeten de honden, welke rondventers, marskramers, enz. begeleiden, hetzij personen die bedrijf rondtrekken (zigeuners) ten allentijde een muilkorf dragen of aan de keten liggen of aan den leiband gehouden worden.

§ 3. Wanneer een hond verdachte tekens van razernij vertoont, moet de bezitter hem onmiddellijk doden, of het dier in afwachting van het optreden van den burgemeester, die onverwijld moet verwittigd worden. in een veilige plaats opsluiten, die onbevoegden niet kunnen openen.

§ 4. De burgemeester moet onmiddellijk den bevoegden veearts verwittigen; zoo deze, na een ter plaatse gedaan onderzoek, vaststelt of vermoedt dat het om een geval van razernij gaat, geeft hij den ,,Kreischef" , den Gouvernementsveearts en den veeartstoeziener per telegram daarvan kennis.
De burgemeester moet het razend of het van razernij verdacht dier onmiddellijk laten doden. Hetzelfde geschiedt met alle honden en katten, waarvan bewezen is of vermoed wordt, dat zij met razende dieren in aanraking geweest zijn. In elk geval moeten alle honden en katten die zich binnen de besmette hoeve bevinden, gedood worden. Is een persoon door een van razernij verdachten hond geheten, zoo moet de hond, indien dit zonder gevaar kan geschieden, niet afgemaakt, maar tot de einduitkomst van het onderzoek door den aangenomen veearts opgesloten worden.

§ 5. De lijken van afgemaakte of gestorven razende of van razernij verdachte honden, moeten veilig bewaard en tegen den invloed van het weer beschut worden, totdat een veearts ze onderzocht heeft. Het is verboden zulke lijken te villen.
§ 6. Andere huisdieren dis honden en katten, die met razende of van razernij verdachte dieren, zeker of vermoedelijk in aanraking geweest zijn, maar nog geen verschijnselen van razernij vertonen, moeten onmiddellijk en zolang er gevaar bestaat, het is te zeggen: 6 maand voor paarden en runderen en 3 maand voor schapen en geiten, onder bewaking der politie geplaatst worden. Zolang zij geen verschijnselen van razernij vertonen, mogen zij benuttigd, ter weide gebracht en ge slacht worden. In geval van slachting moeten de gedeelten van het dier, die verdachte wonden of littekens vertonen, verwijderd worden, zodat zij geen gevaar meer opleveren. Zodra zich verschijnselen van razernij vertonen moet de bezitter of dezes vertegenwoordiger den burgemeester daarvan kennis geven. De § § 3, 4 en 5 zyn dan dienovereenkomstig op deze dieren van toepassing.

§ 7. Heeft een razende of van razernij verdachte hond los rondgelopen, zoo zijn de volgende schikkingen van kracht, welke door den bevoegden Gouverneur of Kommandant bij plakbrief ter kennis der bevolking zullen worden gebracht:
1. Al de honden van de binnen een kring van 15 km, om de besmette plaats gelegen gemeenten, hun grondgebied inbegrepen, moeten worden vastgelegd, aan de ketting gehouden of opgesloten.
2. Met vastleggen gelijkgeste is het houden van den hond aan den leiband wanneer hij daarenboven een muilkorf draagt, die naar vorm en grootte van het dier past en die het bijten onmogelijk maakt,
3. Trekhonden mogen gebezigd worden, op voorwaarde dat zij vast ingespannnen zijn en voorzien van een muilkorf, die aan het voorgeschreven model beantwoordt.
4. Het uitvoeren van honden buiten het gesperd gebied (kring van 15 km.), is alleen mits goedkeuring van den „Kreischef* toegelaten.
5. De „Kreischef* kan op bijzondere aanvraag het gebruiken van loslopende schapershonden tot het bewaken van kudden toestaan. Als kudde in dezen zin wordt beschouwd een verzameling van ten minste 6 dieren.
De honden die in strijd met deze Verordening los rondlopen, worden gevangen of, indien dit onmogelijk of gevaarlijk is, ter plaatse gedood. De gevangen honden, ook wanneer zij onverdacht zijn, worden eveneens afgemaakt, indien hun bezitter ze niet binnen 12 uur afgehaald heeft. Verder zullen op den bezitter van honden, die Jos rondlopen of niet voorzien zijn van een muilkorf volgens het voorgeschreven model, de onder § 13 vastgestelde strafbepalingen worden toegepast.

§ 8. De „Kreischef" kan voor de in den politiedienst gebezigde honden, evenals voor jachthonden, uitzonderingen toestaan voor den duur van het dienstgebruik.

§ 9. Is de plaats, waar een geval van razernij werd vastgesteld, minder dan 15 km. van de grens der provincie verwijderd, zoo moet het Gouvernement der aangrenzende Etappen-Inspektie verwittigd worden.
§ 10. Komen in dezelfde streek verscheidene gevallen van razernij voor, dan kan de Gouverneur het gesperd gebied tot 30 km. om de besmette plaats heen uitbreiden en, voor de buiten dit gebied gelegen gemeenten der gehele provincie, het dragen van een muilkorf volgens het voorgeschreven model voor alle loslopende honden bevelen.

§ 11. De bepalingen, uitgevaardigd nadat een zeker en verdacht geval van razernij is vastgesteld, blijven ten minste 3 maand na het voorkomen van het laatste geval van kracht. Zij kunnen slechts ingetrokken worden hij plakbrief van den bevoegden Gouverneur of Kommandant, na voorafgaande goedkeuring van den Generalgouverneur.

§ 12. De uitvoering dezer Verordening en het nodige toezicht daartoe is in de eerste plaats aan de gemeenten opgedragen; deze moeten daarmede de in haren dienst staande personen (politieagenten, veldwachters, enz.) belasten en een geordend hondenregister houden. De burgemeester moet alle overtredingen onverwijld den bevoegden “Kreischef* mededelen.

§ 13. Overtredingen van deze Verordening worden met ten hoogste 1000 mark boete of met ten hoogste één jaar gevangenisstraf gestraft. Ook kunnen beide straffen tegelijk worden uitgesproken. Voor de rechtsvervolging zijn de Duitse krijgsrechtbanken en krijgsoverheden bevoegd.
Brussel, den 6n Oktober 1916.
G. G. /7c. Nr. 5409.
Verordening *** betreffend huiden, vellen, leder en looistoffen.
Onder opheffing mijner Verordening van 20 November 1915 betreffend den handel in huiden van grootvee, kalf, schapen- en geitenvellen, looistoffen en leder (Wet- en Verordeningsblad nr. 145, bl. 1349) bepaal ik het navolgende:

§ 1. Al de stapels van hieronder vermelde waren, die op 15 Oktober 1916 binnen het gebied van het Generaal-Gouvernement voorhanden zijn moeten ten laatste op 1 November 1916 bij de „Kriegsleder A. GJ\ kantoor te Brussel, Anspachlaan 29, aangegeven worden:
a) huiden van grootvee en paardenvellen, vellen van veulens, ponys en kalveren (zelfs wanneer slechts één stuk voorhanden is),
b) vellen van schapen, geiten en geitjes, wanneer meer dan 10 stuk van één zelfde soort voorhanden zijn,
c) konijne-, haze-, honde- en kattevellen, evenals ruwe vellen van allerhande wild, wanneer meer dan 25 stuk van één zelfde soort voorhanden zijn.
d) allerhande looigaar leder, indien de stapel meer dan 100 kg. bedraagt van elke soort, voor waren die per gewicht worden verkocht of, voor waren die per meter of per stuk worden verkocht, uit meer dan uit 30 stuk van elke soort bestaat; verder alle nog in de looi en huidevetterij of in bewerking zijnde leder.
e) looischors (run), looihout, looiextrakt en ((X)ijus.

§ 2. Alle personen en ondernemingen die op 15 Oktober 1916 waren der onder § 1 vermelde soort en in de aldaar aangeduide hoeveelheid in bewaring hebben, zijn verplicht aangifte te doen cm het even of zij van deze waren eigenaar zijn of niet.
Wie waren der onder § 1 vermelde soort in zijn lokalen heeft, zonder dat hij met de bewaring er van belast is, moet van de aanwezigheid dezer waren aan de „Kriegsleder A. G.", kantoor te Brussel kennis geven.

§ 3. De belanghebbenden moeten hun aangifte ( § 2, lid 1) afzonderlijk volgens aard en soort, onder aanduiding van de hoeveelheid doen, op formulieren, die de „Kriegsleder A. G.", kantoor te Brussel, daartoe kosteloos verkrijgbaar stelt. .
§ 4. Wie na den 15n Oktober 1916 waren van de onder § 1 vermelde soort en in de aldaar aangeduide hoeveelheid in bewaring krijgt, moet die ten laatste binnen 30 dagen op dezelfde wijze aangeven.
§ 5.Buiten de onder § § 6 en 7 voorziene gevallen, is elke rechtszakelijke beschikking over de aan te geven waren, alsook het overbrengen van deze waren van een plaats naar een andere verboden. Het is verboden op stuk te looien.
§ 6. Alleen de „Kriegsleder A. G.", kantoor te Brussel, en de door het Hoofd van het burgerlijk bestuur, afdeling voor handel en nijverheid (Verwaltungschef, Abteilung fur Handel und Gewerbe) gemachtigde handelaars en verenigingen van handelaars hebben het recht aan te geven waren aan te kopen. Deze handelaars en verenigingen van handelaars moeten de waren, die zij bijeengebracht hebben, ten kope ter beschikking stellen van de „Kriegsleder A. g:
Komt er geen onderhandse aankoop tot stand, zoo kan het Generaal-Gouvernement, sectie K. R., de betreffende waren onteigenen; in dit geval ontvangt de leveraar, nu het vervoer der waren, een ontvangstbewijs (Empfangsschein) over de soort en de hoeveelheid van het geleverde. De „Reichsentschadigungskommission „(Rijkskommissie tot regeling der schadeloos- stellingen) beslist volgens de bestaande grondregelen over de schadeloosstelling.
§ 7. Nijveraars en ambachtslieden, die aan te geven waren in hun eigen bedrijf verwerken, mogen voorshands van hun voorraad maar zoveel afnemen, als tot het voortzetten van hun bedrijf in den bestanden omvang vereist is. Voor het overige is elke rechtszakelijke beschikking over aan te geven waren slechts dan geoorloofd, wanneer een vrijgavebrief toelating geeft er over te beschikken. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur, afdeling voor handel en nijverheid, levert dezen vrijgavebrief af; aanvragen betreffend de vrijgavebrieven moeten tot de „Krijgslieden A. GJ\ kantoor te Brussel, gericht worden.
§ 8. Wie de voorschriften dezer Verordening opzettelijk of uit grove nalatigheid overtreedt, wordt, bijaldien volgens een andere strafwet geen hogere straf is voorzien, met ten hoogste één jaar gevangenis en ten hoogste 20,000 mark boete of met één van deze straffen gestraft. Bovendien kunnen de voorwerpen, waarop de strafbare handeling betrekking heeft, verbeurdverklaard worden; bij opzettelijke overtredingen moet de verbeurdverklaring worden uitgesproken. De poging tot overtreding is strafbaar.

§ 9. Bevoegd tot oordeelvellen zijn de Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers. Brussel, den 10n Oktober 1916.
C. C. IV A 16116.
No. 267. — 20. oktober 1916.
Verordening betreffend den arbeidsduur in de schoenwarenfabrieken.

Art. 1. In schoenwarenfabrieken mag ten hoogste gedurende 24 uren per kalenderweek gewerkt worden. De voorschriften op de beperking van vrouwen- en kinderarbeid blijven van kracht.

Art. 2. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschef) bij den Generalgouverneur in België is gemachtigd uitzonderingen toe te staan op de bepaling van artikel 1, lid 1. Re arbeidsduur mag evenwel in den loop van één maand met meer dan 105 uren. bedragen. leder aanvraag voor uitzonderingen moet vergezeld gaan van een bedrijfsplan, waaruit de aard van het werk, de indeling van de werkuren en het aantal werklieden blijkt voor de tijdruimte gedurende dewelke de uitzonderingen zullen gelden.

Art. 3. Nijveraars (eigenaars, werkbestuurders enz.), die vorenstaande Verordening, wat betreft de voorschriften op de beperking van den arbeidsduur, overtreden, worden met ten hoogste één jaar gevangenis en met ten hoogste 20.000 mark boete, of met een van deze beide straffen gestraft. De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.

Art. 4. Deze Verordening wordt met ingang van 16 Oktober van kracht. Brussel, den lOn Oktober 1916.
C. C. IVsi 16117.
No. 267. — 20. oktober 1916.
BESCHIKKING.
Gezien artikel 12 der wet van 10 April 1890-3 Juli 1891 aangaande het toekennen der academische graden en het programma der Universiteitsexamens;
Gezien het koninklijk Besluit tot inrichting der aan de Gentse Universiteit toegevoegde scholen voor burgerlijke houwkunde, kunsten en fabriekwezen; Gezien het inrichtingsreglement van bedoelde scholen;
Overwegende dat de huidige omstandigheden, een afwijking van de artikelen 8 van gemeld besluit en 12 van vermeld reglement vorderen: Dp voorstel van den heer Beheerder-Opziener der Gentse Universiteit, bestuurder van de voorbereiden school voor burgerlijke bouwkunde: beschik ik:
De jury gelast met het afnemen in den zittijd der maand October 1916 van het ingangsexamen tot de voorbereidende school voor burgerlijke bouwkunde de (wettelijke graad) gehecht aan de Universiteit te Gent, is samengesteld als volgt: Voor de namen zie hierboven.

Herr E. Uaerens, Direktor der Schule fur burgerliehe Baukunde Vorsitzender.
Herr F. Brûlez, Universitàtsprofessor.
Herr F. A. Vollgraff, „
Herr Menzerath, „
Herr P. L. Tack,
Herr A. Vlamynck, Universitâtsdozent.

Naar keus der recipiendi, mag het examen afgelegd worden in het Nederlands of in het Frans, De heer Tack zal de leerlingen, die een Nederlands opstel maken, en de heer Menzerath deze die een Frans opstel maken ondervragen.
Art. 2. De jury benoemt, in haar midden, eene secretaris.
Art, 3. De zitting wordt op Maandag 30 October 1916, te 9 uur 's morgens, in het gebouw der voorbereidende school, geopend. De inschrijvingen worden in gemelde school (Instituut der Plateaustraat, te Gent) aanvaard.
Art. 4. In geval een jurylid verhinderd is, zal de heer Beheerder-Opziener der Universiteit te Gent, bestuurder der voorhbreidende school van burgerlijke houwkunde, belast met de uitvoering van deze beschikking, in diens vervanging voorzien.
Brussel, den 11n Oktober 1916.
C. C. Illh 1038.

No. 267. — 20. oktober 1916.
BESCHIKKING.
Gezien het inrichtingsreglement van bedoelde scholen;
Overwegende dat de huidige omstandigheden, een afwijking van de artikelen 8 van gemeld besluit en 12 van gemeld reglement vorderen;
Op voorstel van heer Beheerder-Opziener der Gentse Universiteit, bestuurder van de voorbereidende scholen voor burgerlijke bouwkunde kunsten en fabriekwezen; beschik ik:
De jury gelast met het afnemen, in den zittijd der maand October 1916, van het ingangsexamen tot de voorbereidende scholen voor burgerlijke bouwkunde, kunsten en fabriekswezen (academische graad), gehecht aan de Universiteit te Gent, is samengesteld ais volgt:

Herr E. Haerens, Direktor der technische Spezialschulen,
Vorsitzender.
Herr F. Brûlez, Universitàtsprofessor.
Herr F. A. Vollgraff, „
Herr Menzerath, „
Herr P. L. Tack,
Herr A. Vlamynch, Universitatsdozent.

Naar keus der recipiendi, mag het examen afgelegd worden in het Nederlands of in het Frans. De heer Tack zal de leerlingen, die een Nederlands opstel maken, en de heer Menzerath deze die een Frans opstel maken ondervragen.
Art. 2. De jury benoemt in haar midden een secretaris.
Art, 3. De zitting wordt op Maandag 30 October 1916, te 9 uur 's morgens, in het gebouw der voorbereidende school, geopend.
De inschrijvingen worden in gemelde school (Instituut der Plateaustraat, te Gent) aanvaard.
Art. 4. In geval een jurylid verhinderd is, zal de heer Beheerder-Opziener der Universiteit te Gent, bestuurder der voorbereidende scholen voor burgerlijke bouwkunde, kunsten en fabriekswezen, belast met de uitvoering van dit besluit, in diens vervanging voorzien.
Brussel, den 20n Oktober 1916.

No. 267. — 20. oktober 1916.
VERORDENING,
Overwegende, dat hij Verordening van 15/17 Maart 1916 de Nederlandse taal als voertaal hij het onderwijs ter Universiteit Gent ingevoerd werd,'dat een aantal professoren der Universiteit Gent, die geweigerd hebben of er niet toe in staat zijn de in de Nederlandse taal te geven leergangen te hervatten, op grond hiervan niet meer in werkelijke dienst zijn en dus dienen vervangen. dat, anderdeels, het getal professoren voor iedere faculteit der Staatsuniversiteiten hij artikel 10 der wet tot regeling van het hoger onderwijs van 15 Juli 1849, zoals die door de wetten van 22 Mei 1822, 22 Mei 1892, 30 Juni 1893 en 1 Juli 1896 gewijzigd werd, is vastgesteld. wordt, met ingang van 15 Juli 1916, verordend:
Enig artikel.
Bij de toepassing van artikel 10 der wet van 15 Juli 1849, zoals die door de voormelde 4 wetten gewijzigd werd, komen alleen de in werkelijke dienst zijnde professoren in aanmerking.
A. H. Q., den 30n September 1916.

No. 267. — 20. oktober 1916.
Verordening *** betreffend het verzekeren van de bevoorrading der burgerlijke bevolking met aardappelen.
Ter wijziging van artikel 1 mijner Verordening van 29 Januari 1916, betreffend het verzekeren van bevoorrading der burgerlijke bevolking met aardappelen
(Wet- en Verordeningsblad, nr. 173, bl. 1563),bepaal ik het navolgende:
Aan ieder varken mag niet meer dan 1 kg. aardappelen per dag vervoederd worden. Het hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschef) bij den Generaalgouverneur is gemachtigd, met het oog op de uitvoering van deze Verordening, nadere schikkingen te treffen.
2. Het verbod om aan andere dieren dan aan varkens aardappelen te vervoederen, evenals de artikels 2, 3, 4 en 5 uit de Verordening van 29 januari 1916, blijven van kracht,
Brussel, den 14n oktober 1916.

No. 267. — 20. oktober 1916.
Verordening *** houdende wijziging van de Verordening van 22 Augustus 1916. (Wet- en Verordeningsblad, bl. 2559.)
Enig artikel.
Art. 9 der Verordening van 22 Augustus 1916, betreffend regeling van den handel in boter, is opgeheven.
Overtredingen van de Verordeningen van 22 Augustus 1916 (Wet- en Verordeningsblad, hl. 2559), van 16 Juli 1916 (Wet- en Verordeningsblad, bl. 2411), en van 26 Juli 1916 (Wet- en Verordeningsblad, hl. 2459) worden met ten hoogste één jaar hechtenis of gevangenis. of met ten hoogste 1O.OOO mark boete gestraft. Beide straffen kunnen ook tegelijk worden uitgesproken. Bovendien kan tot verbeurdverklaring der waar besloten worden, ten bate van den Staatskommissaris van den bond van Belgische boterverkopers (Staatskommissar des Belgise Buttervertriebsverhandes), die ze voor de burgerlijke bevolking beschikhaar zal stellen.
De krijgsrechtbanken en de krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd. Brussel, den 18n oktober 1916,

No. 268. — 23. oktober 1916.
Verordening betreffend de geldigheid der Verordeningen en Beschikkingen, uitgevaardigd voor het gebied van het Generalgouvernement, in de Oost-Vlaamse gemeenten Tielrode, Temse, Sint-Niklaas (Waas) en Nieuwkerke (Waas).
Enig artikel.
Voor de Oost-Vlaamse gemeenten: Tielrode, Temse, Sint-Niklaas (Waas) en Nieuwkerke (Waas)y die, naar luid der bekendmaking van 21 Juli 1916
(Wet en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, nr. 237, bl. 2421), bij het gebied van het Generalgouvernement zijn aangesloten, worden de voor het gehele gebied van het Generalgouvernement uitgevaardigde Verordeningen, evenals de in het Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België afgekondigde algemene beschikkingen van het Hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschef bij den Generalgouverneur in België, hierbij van kracht verklaard.
Alle voor de vermelde gemeenten in het Verordeningsblad voor het Etappengebied van het IVe leger afgekondigde Verordeningen van den Opperbevelhebber van het IVe leger, of van aan hem ondergeschikte overheden, houden terzelfder tijd op van kracht te zijn.
Brussel, den lOn oktober 1916.

No. 268. — 23. oktober 1916.
Verordening, *** houdende beperking van het verbruik van vlees en vet.

Art. 1 . In gasthoven, herbergen en spijshuizen, evenals in maatschappij- en verversingslokalen mag slechts één vleesgerecht per maaltijd opgediend worden.
Art. 2. Het is verboden in gasthoven, herbergen en spijshuizen, evenals in maatschappij- en verversingslokalen:
1) Maandags en Donderdags vlees, wild, gevogelte, vis en andere spijzen, die met vet of spek gebraden, gebakken of gestoofd zijn, evenals gesmolten vet op te dienen, het toebereiden van deze voedingsmiddelen in hun eigen vet, zonder toevoeging van andere vetstoffen, is toegelaten;
2) Dinsdags en Vrijdags vlees, vleeswaren en spijzen, die geheel of ten dele uit vlees of vleeswaren bestaan, evenals spek op te dienen;
3) Zaterdags varkensvlees op te dienen. In drank- en spijszalen van spoorwegstaties is het toegelaten aan reizigers schijven vlees of vleeswaren op brood op te dienen.
Art. 3. Als vlees in den zin dezer Verordening geldt runds-, kalfs-, schapen en varkensvlees, evenals vlees van allerhande gevogelte en wild. Als vleeswaren gelden allerhande verduurzaamd vlees en alle soorten van worsten.
Art. 4 Overtredingen van vorenstaande Verordening worden met 8 dagen tot 6 maand gevangenis en met 26 tot 500 frank boete of met een dezer straffen gestraft. Buitendien kan voor enigen tijd de sluiting uitgesproken worden van de bedrijven, waarin deze Verordening overtreden werd. Bevoegd tot oordeelvellen zijn de strafkamers der Belgische rechtbanken van eersten aanleg.
Art. 5. Deze Verordening wordt op 25 oktober 1916 van kracht. De Verordening van 9 Augustus 1916, betreffend beperkt gebruik van vlees en vet (Weten Verordeningsblad, nr. 243, bl. 2495) houdt op van kracht te zijn met ingang van denzelfden dag.
BrusseL den 14n oktober 1916.
C. C. VIL 9511.
No. 268. — 23. oktober 1916.
Verordening *** betreffend de vleeskeuring. Ter aanvulling der artikelen 12y 13, en 23 van het Koninklijk besluit van 23 maart 1901 op de vleeskeuring, verorden ik het navolgende:

Art. 1. In den handel mag alleen volkomen deugdelijk vlees van runderen, kalveren, schapen en varkens gebracht worden. Vlees van mindere hoedanigheid van deze dieren valt onder de beperkingen van Art. 2 dezer Verordening. Als volkomen deugdelijk geldt zulk vlees, dat bij de keuring tot geen bedenken aanleiding heeft gegeven. Behoudens nadere bepalingen, uit te vaardigen door het Hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschef) geldt als vlees van mindere hoedanigheid;
1) vlees, dat zonder schadelijk voor de gezondheid of anders volkomen ongeschikt voor het verbruik te zijn, enigszins van deugdelijk vlees verschilt wat reuk, smaak, kleur, samenstelling, duurzaamheid en dergelijke betreft;
2) vlees, dat op grond der bevinding bij de keuring, door dampsterilisering, koken of bewaren in een koelkamer, geschikt voor het gebruik werd gemaakt.
Art. 2. Het vlees van mindere hoedanigheid moet met een bijzondere stempel (vierkanten stempel van paarse kleur, met de woorden „mindere hoedanigheid'') gemerkt worden en mag alleen, in bijzonder daartoe aangewezen plaatsen (vleeshouwerijen voor vlees voor mindere hoedanigheid [Freibânken]), en onder ambtelijk toezicht, aan de verbruikers geleverd worden. Aan voortverkopers, inzonderheid aan slachters en aan varkensslachters, hotel- en spijshuishouders zal geen vlees van mindere hoedanigheid worden verkocht. Een zelfde koper zal per dag slechts een bepaalde hoogste hoeveelheid kunnen bekomen. De veearts, die met de vleeskeuring is belast, zal deze hoogste hoeveelheid vaststellen. Hij zal eveneens den prijs van het vlees van mindere hoedanigheid bepalen; voor één kilo runds- kalfs- en schapenvlees mag deze evenwel 2 frank, voor één kilo varkensvlees 2.50 frank niet te boven gaan.

Art. 3. Overtredingen van de voorschriften van artikel 2 worden met gevangenis van 8 dagen tot 6 maand en met boete van 26 tot 500 frank of met één van beide straffen gestraft. Ook kan de openbaarmaking van het vonnis bevolen worden. Bevoegd tot oordeelvellen zijn de strafkamers der Belgische rechtbanken van Isten aanleg.
Brussel, den 14 oktober 1916,C. C. VII. 9513,

No. 268. — 23. oktober 1916.
Verordening *** houdende verbod bovenmatige voorraden aan vlees en vleeswaren in huishoudens van bijzonderen op te doen.
Art. 1, In een huishouden van bijzonderen mogen terzelfder tijd per hoofd niet meer dan 3 kgr. en in 't geheel niet meer dan 15 kgr. vlees, vleeswaren en spek in voorraad gehouden worden. Voorraden die deze hoeveelheden overtreffen, zijn ten laatste tot hij het van kracht worden dezer Verordening (artikel 5) in den handel te brengen. De bevoegde burgerlijke kommissaris (Zivilkommissar) kan uitzonderingen toestaan.
Art. 2. De lasthebbers der Duitse overheid, alsook de burgemeesters en de organen der politie zijn bevoegd, in de huishoudens van bijzonderen vaststellingen omtrent voorraden aan vlees en vleeswaren te doen. Ongeoorloofde voorraden (artikel 1) moeten verbeurdverklaard en ten bate der bevolking aan het gemeentebestuur afgestaan worden.
Art. 3. Met gevangenis van 8 dagen tot 6 maand en met boete van 26 tot 500 frank, of met een van beide straffen wordt gestraft:
1. wie, in strijd met het verbod uit artikel i, voorraden in bewaring heeft;
2. wie zich tegen het doen van vaststellingen, overeenkomstig artikel 2, zin 1, verzet of deze op andere wijze verijdelt; de poging tot overtreden is strafbaar.
Bevoegd tot oordeelvellen zijn de strafkamers der Belgische rechtbanken van Isten aanleg.
Art. 4. De voorraden aan vlees en vleeswaren voortkomende van geslachte varkens, die in het eigen bedrijf van den bezitter gemest werden, vallen niet onder toepassing van vorenstaande Verordening.
Art. 5. Deze Verordening wordt met ingang van 25 Oktoher 1916 van kracht.
Brussel, den 14n Oktober 1916.

No. 268. — 23. oktober 1916.
Beschikking *** betreffend de inbeslagneming van vlees van zieke dieren. Op grond van artikel 1 der Verordening van 14 October 1916, betreffend de vleeskeuring (Wet- en Verordeningsblad, bl. 2860), en bij wijziging van het ministerieel besluit van 31 Maart 1901, betreffend de inbeslagneming van vlees van zieke dieren, beschik ik het navolgende:
I. Het vlees geldt als minder deugdelijk, in den zin van artikel 1 der Verordening van 14 oktober 1916:
A. Wanneer bij het geslacht dier wel geen ziekte is vastgesteld, waardoor het vlees schadelijk voor de gezondheid of, om een andere reden, volkomen ongeschikt voor het verbruik wordt, doch het vlees evenwel:
1) enigszins van deugdelijk vlees verschilt wat reuk, smaak, kleur, samen^telling, duurzaamheid enz. betreft wanneer het namelijk enigszins een onaangename geslachtsreuk heeft, zoals bij beren, naar genees- of ontsmettingsmiddelen riekt, enigszins waterig is of ten gevolge van geelzucht een enigszins gele kleur heeft aangenomen;
2) voortkomt van een al te zeer vermagerd dier of
3) van een te jong of onvolkomen ontwikkeld kalf of
4) van een dier dat in een dringend geval moest afgemaakt worden of
5) van een dier dat niet volkomen uitgebloed is.

B. Wanneer het vlees, op grond van de bevinding der keuring, geschikt voor het verbruik gemaakt werd door de dampsterilisering, het koken of het bewaren in een koelkamer; daartoe behoort ook het vlees van dieren die door tuberculose of door gortigkeid aangetast zijn (sie de bekendmakingen van 20 oktober 1915 en van 17 Augustus 1916 van het ministerie van Binnenlandse Zaken, houdende wijziging van het ministeriëel besluit van 31 Maart 1901), alsook het vlees van dieren die enigermate aan roodvonk, besmettelijke varkensziekte of varkenspest lijden.
II. Het gehele lichaam is als volkomen ongeschikt voor het verbruik in beslag te nemen, wanneer bij het dier een der onderstaande gebreken werd vastgesteld:
1) natuurlijke dood;
2) miltvuur, houtvuur, runderpasteurellose;
3) razernij;
4) snot;
5) runderpest;
6) bloedverettering of bloedvergiftiging;
7) roodvonk bij varkens, wanneer het spiervlees en de vetweefsels een aansienlijke doordringing hebben ondergaan;
8) besmettelijke varkensziekte en varkenspest, wanneer het dier sterk vermagerd of de algemeene gesteldheid ten gevolge van ziekte ernstig is;
9) spierkramp;
10) sterke geelzucht;
11) sterke waterzucht;
12) sterke pis- of geslachtsreuk; misselijke reuk; of smaak van het vlees naar genees- of ontsmettingsmiddelen, enz.;
13) gevorderde staat van bederving of van dergelijke ontbinding;
14) trichineziekte;
15) tuberculose en gortigheid, in de gevallen vermeld in de bekendmakingen van 20 oktober 1915 en
17 Augustus 1916 van het ministerie van Binnenlandse Zaken,, zover geen toelating werd gegeven om het vlees, na dampsterilisering, koking of bewaring in een koelkamer, of enkele stukken ook zonder zulke behandeling in den handel te brengen.
By cijfer 1: Is het die zonder voorafgaande ziekte plotseling gestorven ten gevolge van een ongeluk (bliksem, schedel- of nekwervelbreuk, gedwongen doodschieting, doodbloeding en dgl.) en onmiddellijk daarna van het ingewand ontdaan, zoo is het vlees er van te behandelen als in geval van gedwongen slachting
(vgl. 1 A 4 hierboven).
Brussel, den 15n oktober 1916.
No. 268. — 23. oktober 1916.
Verordening *** houdende aanvulling der Verordening van 22 Augustus 1916 over den handel in textielgrondstoffen, in halfafgewerkte en afgewerkte fabricaten, evenals in hun afvalvoortbrengselen. Ter aanvulling van § 7 der Verordening van 22 Augustus 1916 over den handel in textielgrondstoffen, in halfafgewerkte en afgewerkte fabricaten evenals in hun afvalvoortbrengselen (Wet- en Verordeningsblad nr. 252, hl. 2599) wordt bepaald:
l.Ook na den 15n oktober 1916 mag alleen het tiende deel der aan te geven stapels van de hand gedaan of verwerkt worden,
2. Voor het overige mogen waren van dezen aard buiten de verkopen aan de onder § 4 van vermelde Verordening aangeduide kantoren en maatschappijen noch van de hand gedaan noch verwerkt worden. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur, Afdeling voor handel en nijverheid (Verwaltungschef, Abteilung fur Handel und Gewerbe) kan uitzonderingen op dit verbod toestaan.
Brussel, den 14n oktober 1916.
C. C. 77a 16893.

No. 268. — 23. oktober 1916.
Verordening *** houdende aanvulling der Verordening van 19 Juli 1916 over de stapelopneming van weefsels, gemaakte en gebreide goederen en van lintwaren. Ter aanvulling van §4, lid 1, der Verordening van 19 Juli 1916, over de stapelopneming van weefsels, gemaakte en gebreide goederen en van lintwaren in België (Wet- en Verordeningsblad nr. 239, bl 2435), wordt bepaald:
1. Van de aan te geven waren mogen behalve het reeds vrijverklaard tiende gedeelte van elke warensoort (hoedanigheid) , nog 15 %, tezamen aldus 25 %, verkocht versneden of verwerkt worden. De overige 75 % blijven overeenkomstig de Verordening van 19 Juli 1916, over den handel in weefsels, gemaakte en gebreide goederen en lintwaren in België (Wet- en verordeningsblad nr. 252, hl. 2595) ter beschikking van het „Militarisches Textil-Beschaffungsamt" te Brussel.
2. Op de verder vrij verklaarde hoeveelheden is § 4, lid 2 en 3 der Verordening van 19 Juli 1916, over de stapelopneming van weefsels, gemaakte en gebreide goederen en van lintwaren in België met nr. 4 der aanvullende Verordening van 22 Augustus 1916 (Wet- en Verordeningsblad nr.246, hl. 2539) van toepassing.
Brussel, den 14n oktober 1916.
C. Ce 77a 16894.

No. 268. — 23. oktober 1916.
Verordening ***. Aangifte van staande populierstammen binnen het gebied van het Generalgouvernement. Hierbij bepaal ik, dat ieder eigenaar van staande of van na 1 April 1916 gevelde, maar nog niet verwerkte populierstammen, ten laatste op 1 november a. s. bij den bevoegden Kreischef moet aangeven welke stammen hij heeft
a) van 1,00 meter tot 1,99 meter omtrek,
b) van 2,00 meter en meer omtrek.
De omtrek moet 1,50 meter boven den voet van den stam gemeten worden. De staan- of ligplaats van de stammen moet in de aangifte nauwkeurig opgegeven zijn.
Overtredingen worden met ten hoogste 3 jaar gevangenis en met ten hoogste 10.000 mark boete, of met een dezer beide straffen gestraft. Bovendien kunnen de niet aangegeven stapels verbeurdverklaard worden. De krijgsrechtbanken en krijgsoverheden zijn tot oordeelvellen bevoegd.
Brussel, den 17n Oktober 1916.
G. G. J. II. 4230/16.

No. 269. — 25. oktober 1916.
BEKENDMAKING.
Met toestemming van den Heer Generaalgouverneur in België heb ik, overeenkomstig de Verordeningen van 17 februari 1915 en 26 Augustus 1915, het huis Lambiotte & Co., te Brussel, onder dwangbeheer geplaatst. De heer Richard Lohe is tot dwangbeheerder benoemd.
Brussel den 22n Augustus 1916.
C. C. IV A. 16545.
No. 269. — 25. oktober 1916.
Verordening*** betreffend den handel in metaalbewerkingsmachines.
Art. 1, Alle aan- en verkoop van metaalbewerkingsmachines binnen het gebied van het Generalgouvernement is verboden. De generaal der artillerie te voet (Generaal der Fussartillerie) bij den Generaalgouverneur is gemachtigd uitzonderingen toe te staan.
Art. 2. Alle aan- en verkoop, zonder toelating, van metaalbewerkingsmachines, evenals alle hulp daartoe, wordt met ten hoogste 5 jaar gevangenis en met ten hoogste 25.000 mark boete, of met één van deze beide straffen gestraft.
De poging daartoe is eveneens strafbaar. Het voorwerp, waarop de strafbare handeling betrekking heeft, kan ten bate van het Duit legerbestuur (Deutsche Heeresverwaltung) verbeurdverklaard worden.
Art. 3. De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn bevoegd tot oordeelvellen. Brussel, den 20n oktober 1916.
G. G. A. 3069/16 II.
No. 270. — 28. oktober 1916.
BEKENDMAKING ***
Op grond mijner Verordening van 8 Juli 1916 betreffend de Oogstkommissies, evenals der uitvoeringsbepalingen van 8 Juli 1916 tot deze Verordening, heb ik, op voorstel der Centrale Oogstkommissie (Zentral- Ernle-Kommission), de hoogste prijzen voor den verkoop van gedorst koren, meel, zemelen en brood voorshands dis volgt vastgesteld:
voor tarwe uit stapelplaats of molen geleverd fr. 44.10 per 100 kg,
n rogge uit stapelplaats of molen geleverd fr 7 per 100 kg
, masteluin uit stapelplaats of molen geleverd fr5 per 100 kg
„ ongepelde speltuit stapelplaats of molen geleverd fr26,87 per 100 kg
, tarwezemelen uit molen geleverd. . „ 22,per 100 kg
„ masteluinzemelen „ „ „ . . ,, 20,-per 100 kg
« roggezemelen , « „ . . , 18per 100 kg
„ tarwemeel aan bakkers of gebruikers geleverd Fr 54,69 per 100 kg
, roggemeel aan bakkers of gebruikers geleverd Fr 5 per 100 kg
„ masteluinmeel aan bakkers of gebruikers geleverd Fr 37,50 per 100 kg
„ tarwebrood aan gebruikers geleverd Fr 0,48 „ kg.
Beze hoogste prijzen worden op 15 november van kracht.
Ben Provincialen Oogstkomniissies (Frovinzial- Ernte-Kommissionen) wordt de bevoegdheid verleend, voor de omschrijving van afzonderlijke gemeenten op op verzoek of na raadpleging van de burgemeesters, telkens een lagere hoogsten prijs voor tarwebrood, evenals hoogste prijzen voor brood, tot het bereiden waarvan roggemeel wordt gebruikt, vast te stellen. Voor de verkopen der voortbrengers van koren aan het Nationaal Hulp- en Voedingskomiteit, blijven de hoogste prijzen, vastgesteld in de uitvoeringsbepalingen tot de Verordening van 8 Juli 1916, betreffend de Oogstkommisies, van kracht.
Brussel, den 2An oktober 1916.
Z. E. K. 1306.
No. 270. — 28. oktober 1916.
Verordening, *** houdende verbod, binnen het gebied van het Generaalgouvernement, paarden van de hand te doen, aan te schaffen, af te staan en merries, die meer dan 3 jaar zijn te laten dekken.

§ 1. Het van de hand doen en het bestendig, evenals het tijdelijk beperkt aanschaffen van paarden in om het even welken vorm, alle overbrengen van paarden van de een gemeente naar de andere, alsook het laten dekken van merries, die meer dan 3% jaar oud zijn is voor het gebied van het Generaalgouvernement tot nader bericht verboden. De bevoegde „Kreischef' kan, voor de huidige bezitters der paarden, uitzonderingen toestaan.
De binnen het gebied van h^t Generaalgouvernement vastgestelde paardenmarkten zijn hierbij opgeheven.
§ 2. Wie deze Verordening overtreedt, wordt met ten hoogste één jaar gevangenis of met een boete van 300 tot 10.000 mark gestraft. Beide straffen kunnen tegelijk uitgesproken worden. Ook kan de verbeurdverklaring der paarden worden uitgesproken.
§ 3. De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot strafvervolgen bevoegd,
Brussel, den 24n oktober 1916.
G. G. V. 8914.
No. 271. — 31. oktober 1916.
BEKENDMAKING,
Op grond van de artikelen 9, 11 y 13, 29 en 31 der wet van 15 Juli 1849 tot regeling van het hoger onderwijs en, op grond van de Verordening van 12/22 Augustus 1916 houdende instelling van eere-professoraten, heb ik navolgende verdere benoemingen aan de Universiteit Gent gedaan.
Zijn benoemd:
II In de philosofischen Fakultât:
25. Herr Paul Menzerath, Doktor der Philosophie, friiherer Mitarbeiter fiir Psychologie am Soziologischen Institut Solvay zu Briissel, Lektor an der Universitat Bonn, zum ausserordentliehen Professor fur Psychologie (Verf. vom 10. Oktober 1916).
26. Herr A. Jacoh, Doktor der Philosophie zu Antwerpen, zum Dozenten fiir niederlândische Sprache und Literatur (Verf. vom 14 Oktober 1916. //. In der juristischen Fakultât.)
27. Herr J. H. Labberton, Doktor der Rechte und der Staatswissenschaften, Abteilungschef in der Provinzialkanzlei von Zeeland zu Middelburg, zum ordentlichen Professor fur Naturrecht und Moralfilosophie (Verf. vom 10. oktober 1916.)
28. Herr Lodewijk Dosfel, Doktor der Rechte zu Dendemonde, zum ordentlichen Professor fiir belgisches Staatsrecht und burgerliches Recht, 1 und 2. Buch (Verf. vom 7. Oktober 1916).
29. Herr A. Th. M. Jonchx, Doktor der Rechte und Advokat zu Gent, zum ausserordentlichen Professer fiir Strafrecht und Fiskalreckt (Verf. Vom 18. Oktober 1916).
III In der naturwissenschaftlichen Fakutàt:
30. Herr J. A. Volgraff, Doktor der Philosophie, Privatdozent an der Universitât Leiden, zum ausserordentlichen Professor fur Mathematik (Verf. vom 30. September 1916).
IV. In der medizinischen Fakutät:
31. Herr Karel Borms, Doktor der Medizin, praktischer Arzt zu Wetteren, zum ausserordentlichen Professor fur innere Medizin (Verf. vom 27. September 1916).
32. Herr A. Picard, Doktor der Medizin, praktischer Arzt zu Antwerpen, zum Dozenten fur topographische Anatomie und Leiter der anatomischen Arbeiten (Verf. vom 27. September 1916).
33. Herr Hendrik Schoenfeld, Doktor der Medizin, praktischer Arzt zu Gent, zum ordentlichen Professor fiir Chirurgie (Verf. vom 7. Oktober 1916). Brûssel, den 18. Oktober 1916.
Brussel den 18n oktober 1916.
C. C. III B 1110.
No. 271. — 31. oktober 1916.
Verordening *** houdende wijziging van Artikel 6 der Verordening van 22 Augustus 1916, betreffend regeling van den handel in boter.
Artikel 6 der Verordening van 22 Augustus 1916, betreffend regeling van den handel in boter (Wet- en Verordeningsblad, hl. 2559), moet als volgt gelezen worden:
Het Hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschef) is gemachtigd, de prijzen voor boter bij den voortbrenger gekocht, evenals den bijslag voor den voortverkoop der boter, in afwijking van de bepalingen der Verordening van 16 Juli 1916 (Wet- en Verordeningsblad, bl. 2411),v oor het gehele gebied van het Generaalgouvernement of van afzonderlijke provinciën te regelen en hierbij voor melkerijboter, die een ambtelijk kontroolmerk draagt, ten bate van den voortbrenger, een bijslag tot den aankoopprijs vast te stellen,
Brussel, den 23n oktober 1916.
C. C. VII. 9748.
No. 272. — 2. november 1916.
BEKENDMAKING. ***
In uitvoering van artikel 6 der Verordening van 22 Augustus 1916 van den heer Generaalgouverneur Weten Verordeningsblad, hl. 2559) in de bewoording der Verordening van 23 oktober 1916 (Wet- en Verordeningsblad, bl. 2891), is de prijs voor 1 kgr. boter bij den voortbrenger gekocht, met ingang van 1 november a. s. vastgesteld ais volgt:
1) Ongezouten boter, die ten hoogste 18 % vreemde bestanddelen bevat 6.50 fr.
2) Gezouten boter, die ten hoogste 18 % vreemde bestanddelen bevat 6,20 fr.
3) Melkerijboter, die het ambtelijk kontroolmerk draagt en ten hoogste 18 % vreemde bestanddelen bevat 7,00 fr.
4) Ongezouten boter, die meer dan 18 % tot ten hoogste 50 % vreemde bestanddelen bevat 3.50 fr.
5) Gezouten boter, die meer dan 18 % tot ten hoogste 50 % vreemde bestanddelen bevat 3.20 fr.
Vorenstaande prijzen gelden voor boter gekocht in plaats van de voortbrengst, de gebruikelijke verpakking in perkamentpapier van klompen, wegende 500 gram, eroder begrepen.
De toeslag voor den voortverkoop van boter mag hij den verkoop niet meer bedragen dan:
0,25 fr. per kgr. . . in den handel in het groot
0,40 fr per kgr. in den handel in 't klein.
0,40 fr per kgr in den handel in 't klein.
Brussel, den 23n Oktober 1916,
C. C. VU 9748.
No. 272. — 2. november 1916.
Dienstbevel op het gebruik van de Duitse en de Vlaamse taal in de dienstbetrekkingen der Belgische postoverheden (in uitvoering der wet van 22 Mei 1878).
I. Voorschriften over het gebruik der Vlaamse taal.
1. Tot het Vlaams land in den ein van dit dienstbevel behoren:
a) de provincies Oostvlaanderen, Westvlaanderen, Antwerpen, Limburg en, binnen de provincie Brabant, de arrondissementen Brussel en Leuven:
b) in de prrovincie Luik, de gemeenten: Attenhoven. Auhel, Elisem, Laar, Landen, Moelingen, Neerhespen, Neerlanden, Neerwinden, Overhespen, Overwinden, Remersdaal, Roost-Krenwik, Rumsdorp, 's-Graven-Voeren, Sint-Maartens-Voeren, Sint-Pieters Voeren, Teuven, Waasmond, Wals- Houthem, Walsbets, Wange, Wezeren;
c) in de provincie Henegouw, de gemeenten: Bever, Edingen, Everbeek, Lettelingen, Mark, Sint- Pieters-Kapelle.
2. Alle Belgische postoverheden, postambtenaren en -bedienden, die hun zetel hebben in het bij het Generalgouvernement behorend Vlaams land, moeten uitsluitend in het Vlaams schrijven, aan overheden, gemeentebesturen of bijzonderen binnen het Operatie en Etappengebied.
3. De Belgische postoverheden, postambtenaren en -bedienden, wier ambtsomschrijving geheel of gedeeltelijk binnen het Vlaams gedeelte van het Generalgouvernement ligt, moeten in hun schriftelijke betrekkingen met gemeenten en bijzonderen binnen dat gebied, de Vlaamse taal gebruiken, tenzij de bestemmeling om een Frans antwoord verzocht of zelf in het Frans geschreven heeft.
Verblijft de afzender zowel als de bestemmeling binnen Groot-Brussel, zo mogen de schriftelijke betrekkingen in het Vlaams of in het Frans geschieden; zij moeten in het Vlaams gevoerd worden wanneer de bestemmeling daarom verzocht of zelf in het Vlaams geschreven heeft.
Tot het gebied van Groot-Brussel behoren de gemeenten: Anderlecht-Kuregem, Brussel, Etterbeek, Elsene, Sint-Gillis, Sint-Pieters-Jette, Sint-Joost-ten- Noode, Koekelberg, Laken, Sint-Jans-Molenbeek, Schaarbeek, Ukkel, Vorst.
4. In de onderlinge dienstbetrekkingen der Belgische postoverheden, postambtenaren en bedienden binnen het Vlaamse gedeelte van het Generalgouvernement evenals in hun dienstbetrekkingen met andere bestuursoverheden ambtenaren en bedienden van den Staat binnen dit gebied, moet de Vlaamse taal worden gebruikt. Voor Groot-Brussel is de bepaling onder nr. 3, lid 2, dienovereenkomstig van toepassing.
5. In de dienstbetrekkingen binnen elke afzonderlijke postoverheid in het Vlaams gedeelte van het Generalgouvernement, moet de Vlaamse taal worden gebruikt. In Groot-Brussel mag ook de Franse taal gebruikt worden.
6. De bepalingen onder nrs. 1-5 zijn ook van toepassing, zoverre voor de schriftelijke betrekkingen der overheden formulieren worden gebezigd. De voorhanden stapels Franse formulieren mogen tot 1 november 1916 verder gebezigd worden, ook wanneer zij met deze voorschriften niet in overeenstemming zijn. Na het verstrijken van deze termijn moeten de overblijvende stapels bij het beheer van posterijen en telegrafen worden ingezonden.
7. Naar den geest van de wet van 18 April 1898 moeten alle gedrukte of door enig ander mechanisch of scheikundig middel vermenigvuldigde ambtelijke omzendbrieven in het Vlaams gedeelte van het Generalgouvernement in de Vlaamse taal opgesteld zijn. Een Franse vertaling mag er aan toegevoegd worden. Alle bekendmakingen en mededelingen, die de Belgische postoverheden postambtenaren en bedienden tot de bevolking richten, moeten in het Vlaamse land in het Vlaams opgesteld zijn.
Een Franse vertaling mag er aan toegevoegd worden, wanneer daartoe dringende behoefte bestaat. Dit is namelijk het geval voor de gemeenten, waar een aanzienlijk deel der inwoners de Vlaamse taal niet machtig is.

II. Voorschriften over het gebruik der Duitse taal.
1} Het Hoogduits taalgebied in den zin van dit bevel, omvat de volgende gemeenten:
“ Das hochdeutsche Sprachgebiet im Sinnedieser Dienstanweisung umfasst die folgenden GeMeinden :
a) in der Provinz Liittich: Anbel, hinsichtlich des Teils Klause (La Clouse) , Balen, Gemmenich, Hienri-Chapelle, Homburg-Bleyberg, Homburg (Mitte), Membach, Mjontzen-Bleyberg, Montzen (Mitte), Moresnet, Sippenaken, Welkenraad ;
b) in der Provinz Luxemburg; Arel (Arlon) [mit Spetz (Quatre Bras)], Athem (Athus), Attert [mit Parett und Schoekweiler], Boekholz (Beho) [mit den Teilen Deyfeld und Urth-Waterniaal], Bonnert [mit den Teilen Frassem, Neumiihle, Altenhofen (Viville), und Waltzingen], Diedenburg (Thiaumont) [mit den Teilen Lischert und Lottert], Elcherot (Nobressart) [mit Almeroth und Luchert], Feiteler (Fauvillers), hinsichtlich der Teile Bôdingen und Wiesenbach, Girsch (Guirseh) [mit Heckbus], Heischlingen (Heinsch) [mit Freilingen, Papiermiihle, Watzerat (Posterie) und Stockem), Hei-zig (Hachy) [mit Offen (Fouches) und Saas (Sampont)], Hewerdingen (Habergy) [mit den Teilen Bebingen
und Gelf], Holdingen (Halanzy), hinsichtlich Bettenhofen Battincourt) und Eisch auf der Hurst (Aix sur Cloie), Hondelingen (Hondelange) [mit Biiwingen und Wolkringen], IbingMi (Aubange) [mit Klemeresch (Clemerais)], Martelingen (Martelange) [mit Greimelingen, Neuperl und Ractelingen] , Metzig (Messancy) [mit Gerlingen, Laser, (Longeau), Niedlimigen (Noedelange) und Tiirpingen (Turpange)], Niederelter (Autelbas) [mit Oberelter, Hardenburg (Clairfontaine und Sterpenich)], Selinge (Selange), Tintingen (Tintange) [neb&t Oeil, Romeldingen und Wamach], Tôrnich [mit Glandfurt (Pont Lagland) und Uedingen] , Tontelingen (Tontelange) [mit Beierchen (Côte rouge)].”
2. Elk schrijven, dat door het Belgisch ministerie van Zeewezen, Posterijen en Telegrafen te Brussel aan gemeenten en bijzonderen in het Hoogduits taalgebied gericht wordt, moet in de Duitse taal opgesteld zijn, tenzij de bestemmeling om een Vlaams of Frans antwoord verzocht of zelf in het Vlaams of in het Frans geschreven heeft. Hetzelfde geldt voor de Belgische postoverheden, postambtenaren en -bedienden, tot wier ambtsomschrijving plaatsen van het Hoogduits taalgebied behoren.
3. In de onderlinge dienstbetrekkingen der Belgische postoverheden, postambtenaren en -bedienden binnen het Hoogduits taalgebied, in hun dienstbetrekkingen met andere bestuursoverheden, ambtenaren en bedienden van den Staat binnen dit gebied, evenals in hun dienstbetrekkingen met het Belgisch ministerie van Posterijen te Brussel en in hun inwendige dienst, moet de Duitse taal worden gebruikt.
4. Alle bekendmakingen en mededelingen, die de Belgische postoverheden, postambtenaren en -bedienden tot de bevolking richten, moeten binnen het Hoogduits taalgebied, in de Duitse taal opgesteld zijn.
Een Franse vertaling mag er aan toegevoegd worden wanneer daartoe dringende behoefte bestaat. Bit is namelijk het geval voor de gemeenten, waar een aanzienlijk deel der inwoners de Duitse taal niet machtig is.
III. Slotbepaling.
De in aanmerking komende besturen der omschrijvingen (Kreis-Postamter) moeten de omschrijvingsbestuurders, de Belgische postontvangers, evenals de overige Belgische ambtenaren en bedienden aanwijzing geven, dat zij zich voortaan naar vorenstaande grondregelen zullen te gedragen hebben. De beschikkingen van 5 Mei 1916 I K, nr. 184, van 28 June 1916 I K, nr. 270 en van 5 Augustus 1916 I K, nr. 316, gericht tot de besturen der omschrijvingen Antwerpen, Mechelen, Hasselt, Brussel en Leuven, evenals tot het postkantoor Brussel I en tot het ministerie van Zeewezen, Posterijen en Telegrafen te Brussel, houden hierbij op van kracht te zijn.
Brussel, den 15n oktober 1916.
No. 272. — 2. november 1916.
VERORDENING, *'*
De Verordening van 10 Augustus 1915 „betreffende aangifte van rekgombanden, oude gom, gomafval en ruwe gom" (Wet- en Verordeningsblad nr. 107 van 19 Augustus 1915), wordt hierbij als volgt gewijzigd:
Bij artikel 1: Moeten eveneens aangegeven worden: bij b) allerhande oudgummi, om het even in welke hoeveelheid,
e) allerhande afgewerkte gummiwaren, uitgezonderd de hoeveelheden, die zich, bij het van krachtworden der Verordening, in den kleinhandel, d. w. z. in openbare verkoopplaatsen bevinden.
Bij artikel 4: Alleen de personen, die een geldige, door het Motortvagenpark (Kraftwagenpark) voor Belgiè, te Brussel, afgeleverde inkooptoelating voor de betreffende omschrijving kunnen vertonen, mogen gummi en gummiwaren van elke soort ,met uitzondering der onder letter e, van artikel 1 opgesomde voûrwerpen, verkopen.
Bij artikel 7: Bij overtredingen kan, naast de straf de verbeurdverklaring der ontdoken voorwerpen uitgesproken worden. Bijaldien deze niet meer bereikbaar zijn, kan de storting huner waardevergoeding worden geëischt.
Brussel, den 17n Oktoher 1916.
G. G. F/b 19884/T.

No. 272. — 2. november 1916.
Verordening *** betreffend de stapelopneming van verbrandingsmotoren.
§ 1. Voorwerp der Verordening.
Vallen onder toepassing dezer Verordening:
a) Alle verbrandingsmotoren door motorwagens, motorrijwielen, motorboten, vliegtuigen, motorploegen en motorlokomobielen, zoverre zij met ten gevolge der Verordening van 26 Mei 1915, op het verkeer met private motorvoertuigen, aangegeven zijn en hij die verplicht is bedoelde voorwerpen aan te geven niet in 't bezit is van een kwijtschrift over de gedane aangifte.
b) Alle onbeweegbare verbrandingsmotoren.
c) Alle wezenlijke delen en onderdelen bij sl) en h), zoverre zij op de ambtelijke formulieren van aangifte vermeld staan.
§ 2. Stapelopneming.
Al de onder § 1 vermelde voorwerpen, die binnen bet gebied van het Generalgouvernement voorhanden zijn, zoverre zij zich niet in 't bezit van Duitse krijgsoverheden bevinden, moeten aangegeven worden.
De eigenaar of alle personen, die bedoelde voorwerpen in bewaring hebben, zijn gehouden aangifte te doen. Voor de aangifte dient de op 10 november 1916 voorhanden stapel tot maatstaf. Men zal zich daarbij bedienen van de ambtelijke formulieren van de Leitung des Kraftfahrwesens" (Bestuur van de Motorwagendienst) bij het Generalgouvernement. De Kraftfahrstellen (Motorwagenkantoren) stellen deze formulieren verkrijgbaar. De aangifte moet ten laatste op 25 november bij de bevoegde „Kraftfahrstellen" ingediend zijn. Van 10 november 1916 af moet elke verandering van bezit van bedoelde voorwerpen bij de Leitung des Kraftfahrwesens aangegeven worden; voor het vervoer dezer voorwerpen gelden de bepalingen der Verordening van 25 september 1916 over het vervoer van goederen binnen het gebied van het Generaalgouvernement (Wet- en Verordeningsblad nr, 258, bijlage Id.)

§3 Gebruikstoelating.
Al de aan de meldingsverplichting onderworpen verbrandingsmotoren mogen, zoverre zij op 10 november 1916 in gebruik zijn, verder benuttigd worden, Daarentegen is voor elke vervorming der aangegeven motoren, voor elke bewerking van onderdelen en, voor elke voltooiing van halfafgewerkte motoren of delen van motoren, de toelating van de „Leitung des Kraftfahrwesens" vereist. Dit geldt echter niet voor noodwendige herstellingen aan in gebruik zijnde motoren enz.

§ 4. Wie de voorgeschreven aangifte niet, onvolledig of onjuist doet, of wie bedoelde voorwerpen van bezit doen veranderen of dezelfde vervoerd heeft zonder daarvan de voorgeschreven aangifte te hebben gedaan. wordt met ten hoogste 6 maand gevangenis of met ten hoogste 20.000 mark boete gestraft. Beide straffen kunnen ook tegelijk uitgesproken worden. Aan te geven voorraden, die opzettelijk niet aangegeven zijn, kunnen ten bate van het Duits legerbestuur (Deutsche Heeresverwaltung) , verbeurdverklaard worden.
§• 5. Bevoegd tot strafvordering zijn de Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers.
Brussel, den 20n oktober 1916.
G. G. Vlh 19951/T.
No. 272. — 2. november 1916.
Bekendmaking, betreffend de grensbepaling van de omschrijving der provinciale Oogstkommissie (Provinzial-Ernte-Kommission) te Bergen.

De volgende 92 gemeenten die tot het arrondissement Doornik behoren:
Anseroeul, Antoing, Anvaing, Are-Ainières, Bailleul, Barry, Baugnies, Beelers, Blandain, Bleharies, Bossuit, Braffe, Brasmenil, Bruyelle, Bury, Callenelle, Calonne, Celles, Chercq, Cordes, Dergneau, Ellignies, Ere, Escanafles, Esplechin, Esquelmes, Estaimbourg, Eetaimpuis, Evregnies, Fontenoy, Forest, Froidmont, Froyennes, Gallaix, Gaurain-Ramecroix, Guignies, Haequegnies, Havinnes, Hérinnes, Herquegies, Hertain, Hollain, EDowardries, Jollain-Merlin, Kain, La Glanerie, Lamain, Leplaigne, Leers-Nord, Lesdain, Marquain, Maubray, Maulde, Melles, Molembaix, Montroeul- au-bois, Mont-Sain-Aubert, Mourcourt, Nechin, Obigies, Orcq, Pecq, Péronnes, Pipaix Poquelles, Pottes, Quartes, Ramegnies-Cbin, RaMeignies lez-Quevaucamp, Rongy, Roucourt, Rumes, Rumillies, Saint-Léger, Saint- Maur, Taintignies, Temp leiive, Thieulain, Thimougies, Thimaide, Tournai, Vaulx, Velaines, Vezon, Warchin, Warcoing, Wasmes- Aiidemetz-Briffoeil, Watriix)nt Wez-Velvain, Wiers Willaupuis, Willemeau

en de 64 gemeenten, die tot het arrondissement Maubeuge behoren.
Aibse, Amfroipret, Asseyent, Audignies, Bavai, Beaufort, Beaurieux, Bellinies, Bérelles, Bernieries, Bereillies, Bettignies, Bettrichies, Boussignies s/Roc, Boussières, Boussois Cerfontaine, Choisies, Clairfayts, Colleret, «Consolre, Damousies, Dimechaux, Dimont, Ecoles, Eclaibes, Elesmes, Feignies, Ferrière-la-Grande, Ferrière-la-Petite, Gognies- Chaussée, Gussignies, Hjargnies, Hautmont, Hestrud, Hon-Horgies, Houdain, Jeumont, La Flamengrie, La Longueville, Lez-Fontaine, Limont-Fontaine, Louvignies-Bavai, Louvroil, Mairieux, Marpent, Maubeuge, Mecquignies, Neuf-Mesnil Obies, Obrechies, Quivelon, Recquignies, Rousies, St.-Remy-du- Nord, St. Waast, Sars-Poteries, Solrinnes, Solre-le- Château, Taisnières s/Hon, Vieux-Mesnil, Vieux- Reng, Villers-Sire-Nicole, Wattignies-la-Victoire,
die totnogtoe onder de provinciale Oogstkommissie te Bergen geplaatst waren, houden, na de afscheiding van het gebied Doornik en Maubeuge van het gebied van het Generalgouvernement, op deel uit te maken van de omschrijving der provinciale Oogstkommissie te Bergen.
Brussel, den 25n Oktoher 1916.
Z. E. K. 1315.

No. 273. — 5. november 1916. 187
HOOGESCHOOL TE GENT.
Ingeschreven Studenten voor examens tot het bekomen der wettelijke akademische graden, in den zittijd van Oktober 1916:
Wetenschappelijke Faculteit : Voor het kandidaatsexamen in de natuurlijke wetenschappen, voorbereidend tot de geneeskunde: . Van Tichelen, Georges, van Antwerpen. Fakulteit van Wljsbegeerte en Letteren:
Voor het tweede kandidaatsexamen in de wijsbegeerte en letteren (Germaanse philologie) : De Boeck, Frans, van Erpe (Aalst),
De Rector maakt bekend, dat de zittijd voor het afnemen der examens tot het bekomen der wettelijke akademisehe graden, zal geopend worden ter Hoogeschool, in al de fakulteiten, op Maandag, 30 Oktober aanstaande, om 4 uur namiddag.
Gent, den 25n Oktober 1916.
€ . C. Illh 1234.

No. 273. — 5. november 1916. Pag. 2913
Verordening betreffend de Belgische Begroting der Ontvangsten en Uitgaven voor order voor het dienstjaar 1916.
Enig artikel. De ontvangsten en uitgaven voor order voor het dienstjaar 1916 worden wederzijds geraamd op de som van honderd en twintig miljoen achthonderd drie en zeventig duizend zeshonderd vijf en dertig frank (120.873.635 fr.).
Brussel, den 28n Oktober 1916.
C. C. 77a 11013.

No. 273. — 5. november 1916.
Verordening houdende regeling voor de verdeling der studiebeurzen.
Het Koninklijk besluit van 26 December 1890 wordt ingetrokken en vervangen door navolgende Regeling voor de verdeling der studiebeurzen :
Art. 1. De bij artikel 54 der wet van 10 April 1890 ingestelde studiebeurzen worden, te rekenen van het jaar 1914 af, nog enkel verdeeld over de universiteiten welke hare gewone werkzaamheid hervat hebben. Ten minste 40 dezer beurzen worden jaarlijks den studenten voorbehouden die zich bekwamen tot een doctoraat in de faculteit van wijsbegeerte of in de wetenschappelijke faculteit. De beurzen, welke in de jaren 1914 en 1915 niet werden begeven kunnen in de volgende jaren gebruikt worden tot vermeerdering van het aantal of in bijzondere gevallen, tot verhoging van het bedrag der in het eerste lid bedoelde beurzen.
Art. 2. De wedstrijd tot begeving der beurzen heeft in elke der op grond van artikel 1 in aanmerking komende universiteiten plaats, volgens een door deze opgemaakt en door het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten goedgekeurd reglement.
Art. 3. De aanvragen tot het bekomen van studiebeurzen behoren ieder jaar uiterlijk op 1 November, in 1916 editer tot uiterlijk op 15 November, ingediend te worden bij de Bestendige Deputatie der provincie waar aanzoeker zijne woonplaats of zijn vast verblijf heeft. De Bestendige Deputatie, na onderzocht te hebben of de aanvragen vergezeld gaan van al de vereiste stukken, zendt ze aan de betrokken universiteit.
Bij elke aanvraag dienen getuigschriften gevoegd, waaruit blijkt:
1. dat aanzoeker weinig bemiddeld is,
2. dat hij houder is van een diploma of een getuigschrift rakende eene proef van kandidaat in de wijsbegeerte, de natuurlijke wetenschappen, de natuur- en wiskundige wetenschappen, van kandidaat-ingenieur of notaris, of van een getuigschrift van middelbare studiën, overeenkomstig artikel 5 der wet van 10 April 1890, of van een getuigschrift van een met goed gevolgd afgelegde voorbereidende proef, overeenkomstig artikel 10 of 12 van gemelde wet.
Art. 4. De beurzen worden voor 1 jaar bij beschikking van het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten verleend. Dezelfde personen kunnen die verdere jaren blijven genieten zonder nieuwe wedstrijd.
Art. 5. De beurzen mogen niet opnieuw begeven worden:
1. Zo de beurshouder, ingevolge verbetering van mjn geldelijken toestand, geen aanspraak meer heeft op de hem verleende gunst,
2. zo de beurshouder de voorgeschreven proeven niet aflegt binnen den normalen studietijd (K. B. van U November 1892),
3. zo hij verzuimt de lessen te volgen.
Art. 6. De beurzen worden per halfjaar uitbetaaid.
A. H. Q., den Un Oktober 1916.
C. C, Illh 847.

No. 273. — 5. november 1916.
Verordening rakende het begeven van faculteitsprijzen in de universiteiten.
Art. 1. Buiten de beurzen en prijzen, bij de tot dusverre bestaande wetten en Verordeningen, kunnen jaarlijks in iedere Universiteit faculteitsprijzen tot een gezamenlijk bedrag van 5.000 frank verdeeld worden onder de studenten, die elk binnen het studiejaar onderscheiden hebben door het overleggen van een wetenschappelijk werk, zelfs van geringen omvang. De niet verdeelde sommen mogen niet op het volgend jaar overgebracht worden.
Art. 2. Door het College van Assessoren der Universiteit toegevoegde bijzondere scholen een gedeelte toegewezen van de beschikbaar gestelde som van 5.000 frank. Een gedeelte daarvan komt ook toe aan de scholen welke aan eene faculteit toegevoegd zijn.
Art. 3. Tot het dingen naar de faculteisprijzen worden enkel de studenten toegelaten, die zijn ingeschreven in de Universiteit hij dewelke zij mededingen, deel hebben genomen aan oefeningen in een seminarium, een instituut of laboratorium en, bij het overleggen van hun werk, nog geen einddiploma bekomen hebben. De werken dienen ieder jaar bij den deken der faculteit uiterlijk op 10 Met overgelegd.
Art. 4. ledere faculteit of bijzondere school beslist over de toekenning der prijzen, overeenkomstig een door de Universiteit opgemaakt en door het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten goedgekeurd reglement. De uitspraak dient voor 20 Juni gedaan.
Art. 5. Het genot van eene bij artikel 54 der wet van 10 April 1890 voorziene beurs sluit toekenning van een faculteitsprijs slechts dan uit, wanneer het overgelegde werk in hoofdzaak overeenkomt met het werk dat tot grondslag dient of gediend heeft voor het begeven van de beurs.
Art. 6. Het bedrag der prijzen wordt bepaald naar de waarde van het overlegde werk. Het mag niet hooger dan 250 frank zijn.
Art. 7. Namen van bekroonden met de titels hunner werken dienen aan het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten bekendgemaakt.
A. H. Q., den Un Oktober 1916.
C. C. Illh 854.
No. 273. — 5. november 1916.
VERORDENING.
By wijziging van het voorschrift uit het laatste lid lid van artikel 2 der wet van 15 Mei 1846, is de termijn hetreffende de afwikkeiing der inkomsten en uitgaven voor het dienstjaar 1915, tot 31 December 1916 verlengd.
Brussel,den 14n Oktober 1916.
C. C. //a 11251.
No. 273. — 5. november 1916.
BEKENBMAKING,
Krachtens artikelen 14, 21 en 22 van het koninklijk besluit van 6 Oktober 1855, betreffende de ambtelijke keuring der maten en gewichten, wordt voorgeschreven wat volgt:
Bij het ijken der maten, gewichten en weegwerktuigen gedurende het dienstjaar 1917 aan de keuring onderworpen, zullen de ijkers, overeenkomstig de bestaande bepalingen,
1° de thans gebruikte bestendige merken,
2° de periodische merken der letter % (chi) voor de maten en gewichten en, het cijfer 17 (zeventien) voor de weegwerktuigen bezigen.
Brussel den 28n October 1916,
No. 273. — 5. november1916.
BERICHT,
Provinciale pensioencommissiën.
By verordeningen van den heer Opperbevelhebber van het IVe léger gedagtekend van 26 Augustus 1916 en van den heer Gouverneur-general in België, van 27 September 1916, werden, met ingang van den In Juli 1916, voor eenen termijn van drie jaar, benoemd tot leden van de provinciale pensioencommissiën de hiernavermelde leden der Bestendige afvaardigingen van de provincieraden, magistraten en ambtenaars:
Provincie Antwerpen.
De heer Montens lid der Bestendige afvaardiging van den provincieraad;
De heer Hoofdingenieur-Bestuurder van den provincialen dienst van Bruggen en Wegen, in vervanging van den heer Bestuurder-Dienstoverste van de exploitatie der Staatsspoorwegen.
Provincie Brabant.
De heer Eerste Advocaat-generaal bij het Beroepshof, te Brussel;
De heer Hoofdingenieur-Bestuurder van den provincialen dienst van Bruggen en Wegen, in vervanging van den heer Boogaerts, Bestuurder bij het Beheer van Staatsspoorwegen.
Provincie Oostvlaanderen.
De heer Provinciale Bestuurder der Registratie en DoMeinen, te Gent;
De heer Hoofdingenieur-Bestuurder van den provincialen dienst van Bruggen en Wegen.
Provincie Westvlaanderen.
De heer Landas, lid der Bestendige afvaardiging van den Provincieraad;
De heer Provinciale Bestuurder der Registratie en DoMeinen, te Brugge.
Provincie Henegouw.
De heer Provinciale Bestuurder der Registratie en DoMeinen, te Bergen;
De heer Algemeene Opziener der Mijnen, te Bergen;
De heer Hoofdopziener van het lager onderwijs.
Provincie Luik.
De heer provinciale Bestuurder der Registratie en DoMeinen, te Luik;
De heer provinciale Bestuurder der rechtstreekse belastingen, douanen en accijnzen, te Luik,
Provincie Limburg.
De heer Procureur des Konings bij de rechtbank van eersten aanleg, te Hasselt;
De heer Provinciale Bestuurder der Registratie en DoMeinen te Hasselt;
De heer provinciale Bestuurder der rechtstreekse belastingen, douanen en accijnzen, te Hasselt,
Provincie Luxemburg.
De heer Provinciale Bestuurder der Begistratie en BoMeinen, te Aarien:
De heer provinciale Bestuurder der rechtstreekse belastingen douanen en accijnzen, te Aarlen.
De heer hoofdopziener van het lager onderwijs, te Aarlen;
Provincie Namen.
De heer provinciale Bestuurder der rechtstreekse belastingen, douanen en accijnzen, te Namen;
De heer L. Devaux, lid der Bestendige afvaardiging van den Provincieraad, in vervanging van den heer G, d'Evelette, overleden,
C. C. lia 10747.
No. 273. — 5. november 1916.
Verordening houdende wijziging van het organiek reglement van het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten. Onder gedeeltelijhe wijziging der koninklijke besluiten van 17 Oktober 1910 en 23 Maart 1912, betreffend het organiek règlement van het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten, verorden ik het navolgende:
Art. 1. Bij het beheer
1. van het lager onderwijs, 2. van het middelbaar onderivijs, 3. van het hooger onderwijs, de wetenschappen en de letteren, wordt voor ieder dezer diensttakken een Vlaams en een Waalse afdeling opgericht.
Art. 2. De Vlaamse afdelingen zijn belast met het regelen der aangelegenheden van het beheer van onderwijs (artikel 1) voor het Vlaams land en het Duits taalgebied. Aan de Waalse afdelingen is dezelfde iaak opgedragen voor het Waalse land.
Art. 3. Het aantal algemeen bestuurders wordt met 3 vermeerderd. Aan ieder der algemeen bestuurders van de Vlaamse afdeelingen worden één of meer bestuurders en één of meer afdeelingshoofden, alsook het noodig verder personeel toegevoegd. Het getal ambtenaren en beambten van het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten zal op een lateren datum voor goed vastgesteld worden.
Art. 4. Beze Verordening wordt onmiddellijk van kracht. De Vlaamse en Waalse afdelingen zullen de regeling der loopende dienstzaken met ingang van 15 December 1916 overnemen.
Brussel, den 25n Oktoher 1916.
No. 273. — 5. november 1916.
BESCHIKKING.
Op grond der Verordening van 25 Oktober 1916 houdende wijziging van het organiek règlement van het ministerie van Wetenschappen en Kunsten benoem ik:
1) in de Vlaamse afdeeling van het beheer van het Lager onderwijs: de heer Julius Libbrecht, wonende te Gent, tot dusver bestuurder der Staatsmiddelbare school voor jongens, te Gent, tot algemeen bestuurder, de heer Richard De Cneudt, wonende te Gent, tot dusver leeraar aan de gemeenteschool te Gent tot afdelingshoofd,
2) in de Vlaamse afdeeling van het heheer van het Middelbaar onderwijs: de heer Hypoliet Meert, wonende te Gent, leraar v aan het koninklijk atheneum te Gent, tot algemeen bestuurder,
de heer Jan Leeten, wonende te Aarschot, tot dusver bestuurder der Staatsmiddelbare school voor jongens, te Aarschot, tot afdelingshoofd,
3) in de Vlaamse afdeling van het beheer van het Hooger onderwys, van Wetenschappen en Letteren: de heer Dr. Pieter Tack, wonende te Etterbeek-Brussel, leraar aan het koninklijk atheneum te Elsene- Brussel en ere-professor aan de hoogeschool te Gent, tot algemeen bestuurder,
de heer Bohert Van Boy, wonende te Gent, advokaat en sekretaris van den rektor der Hoogeschool te Genty tot afdelingshoofd.
Brussel, den 28n Oktober 1916.
C. C. Ilisi 3978.
No. 274. — 7. november 1916.
Verordening *** betreffend uitbreiding van de omschrijving der zedenpolitie te Antwerpen. In uitbreiding mijner Verordening van 6 Maart 1915 betreffend inrichting eener zedenpolitie te Antwerpen enz., bepaal ik hierbij, dat de zedenpolitie der buitengemeenten Ekeren en Kapellen bij de zedenpolitie der stad Antwerpen aangesloten en, onder den Voorzitter van het burgerlijk bestuur (President der Zivilverwaltung) voor de provincie Antwerpen, als hoofd der zedenpolitie van Groot-Anttverpen, geplaatst is.
Art. 2 der Verordening van 6 Maart 1915 wordt dienoveenkomstig van toepassing.
Brussel den 25n Oktober 1916.
C. C. F 10634.
No. 274. — 7. november 1916.
Verordening *** betreffend het verzekeren van de bevoorrading der Belgische burgerlijke bevolking met aardappelen.
Art. 1. artt 13 verboden aardappelen aan vee te vervoederen.
Art. 2. Overtredingen van deze Verordening worden met ten hoogste één jaar hechtenis of gevangenis, of met ten hoogste 10.000 mark boete gestraft. Beide straffen kunnen ook tegelijk worden uitgesproken. De krijgsrechtbanken en de krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.
Art. 3. De Verordening van 14 Oktober 1916, betreffend het verzekeren van de bevoorrading der Belgische burgerlijke bevolking met aardappelen (Wet- en Verordeningsblady bl. 2850) evenals artikel 1 en 2 der Verordening van 29 Januari 1916, over hetzelfde voorwerp, (Wet- en Verordeningsblad, bl. 1563) zijn opgeheven.
Art. 4. Deze Verordening wordt met ingang van 15 November a. s. van kracht.
Brussel, den 29n Oktober 1916.
K. V. S. 11369.
No. 275. — 10. november 1916.
BEKENDMAKING.
Met toestemming van den Heer Generalgouverneur in België, heb ik, overeenkomstig de Verordeningen van 17 februari en 26 augustus 1915, de firma „Societé Anonyme des Carrières du Viroin' te Vierves, onder dwangheheer geplaatst. Tot dwangheheerder is de mijnraadsheer (Bergrat) Hasse henoemd.
Brussel, den 12n September 1916.
ce. C. IVsi 18519.
No. 276. — 13. november 1916.
Verordening *** betreffend het inbeslagnemen van koper, tin, brons en geelkoper.
§ 1. De voorwerpen, die onder toepassing vallen van de Verordening van 8 Juli 1916, betreffend het aangeven van stapels koper en tin (Wet- en Verordeningsblad, Nr. 239), worden hierbij in beslag genomen.
§ 2. De overeenkomstig de Yerordening van 8 Juli 1916 aan te geven voorwerpen kunnen uiterlijk op 14 December 1916, tegen gereed geld aan de „Zentraleinkaufsgesellsehaft fur Belgien", te Brussel, Koloniënstraat 54, alsook aan dezer gemachtigden worden verkocht. Al de voorwerpen van Klasse A en C, opgesomd in de Verordening van 8 Juli, die voor 15 december 1916 niet vrijwillig verkocht zullen zijn, zijn hierhij met ingang van 15 december ten bate van het Duits legerbestuur (Heeresverwaltung) onteigend en moeten op algemenen of bijzonderen eis van de Afdeling voor handel en nijverheid, Kantoor voor grondstoffen (Abteilung fur Handel und Gewerbe, Rohstoffverwaltungsstelle), binnen een bepaalden termijn uit elkander genomen en, tegen een ontvangstbewijs, afgeleverd worden.
De voorwerpen opgesomd in Klasse B der Verordening van 8 Juli, kunnen van 15 december af, op voorstel van de Afdeling voor handel en nijverheid, Kantoor voor grondstoffen, op algemeen of bijzonder bevel van het Generalgouvernement, Afdeling K. R., ten bate van het Duits legerbestuur onteigend worden. In geval van onteigening zijn de bezitters eveneens verplicht de voorwerpen uit elkander te nemen en af te leveren volgens de onderrichtingen van de Afdeling voor handel en nijverheid, Kantoor voor grondstoffen; bij de aflevering zal hun een ontvangstbewijs ter hand gesteld worden. Indien de onteigening plaats heeft, bepaalt de „Reichsentschadigungskommission" (Rijkskonmissie tot regeling der schadeloosstellingen), de schadeloosstelling overeenkomstig de bestaande grondregelen. In geval van niet nakoming van de termijnen, vastgesteld voor het uit elkander nemen en afleveren der voorwerpen, worden deze op kosten van den bezitter uit elkander genomen en afgehaald; in dit geval wordt hoegenaamd geen schadeloosstelling toegekend.
§ 3. Wie zich niet gedraagt naar de overeenkomstig § 2 uitgevaardigde algemene of bijzondere bevelen wie inzonderheid de verplichting om aan te geven, voorwerpen uit elkander te nemen en af te leveren opzettelijk of uit grove nalatigheid niet nakomt, wordt gestraft met ten hoogste 3 jaar gevangenis en met ten hoogste 30,000 mark boete of met één van beide straffen. De krijgsrechtbanken en de krijgsbevelhebbers zijn bevoegd tot oordeelvellen.
Brussel den 18 november 1916.
C. C. /Fa 18433.
No. 277. — 16. november 1916.
Verordening *** betreffende het heffen van rechtstreekse en onrechtstreekse belastingen in het bij het Generalgouvernement aangesloten Frans grondgebied Givet-Fumay.
§ 1. De Verordening van 3 januari 1915, betreffende de uitbreiding van de Belgische tol- en belastingwetten op het bij het Generalgouvernement aangesloten Frans grondgebied Givet-Fumay (Wet- en Verordeningsblad nr. 29 blz. 99), is, betreffende de rechtstreekse belastingen, de belasting op het brouwen, de vergunningsrechten en den kwijtbriefzegel met terugwerkende kracht tot op den dag van haar van kracht worden, opgeheven. Van dezen dag af zijn de Franse wetten op de vermelde belastingen weer van toepassing. De Verordening van 3 januari 1915 blijft, wat de tolwetten betreft, van kracht.
§ 2. De overeenkomstig § 1 volgens de Franse wetten te betalen belastingen worden, te rekenen van 1 januari 1916 ten bate van het Duitse Bestuur, overeenkomstig artikel 48 der Haagse overeenkomst betreffende de regeling der wetten en gebruiken van den oorlog te lande, geheven.
§ 3. Bij het heffen der rechtstreekse belastingen moet de aanslag van 1914 tot grondslag gelegd worden, met dien verstande echter, dat elke der betreffende gemeenten verplicht is de haar daarbij toekomende gezamenlijke som aan rechtstreekse Staats- en departementale belastingen te betalen. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschef) bij den Generaalgouverneur in België, kan, billijk rekening houdende met schade door den oorlog veroorzaakt, of met andere bijzondere omstandigheden, het gezamenlijke bedrag der te betalen belastingen verlagen. De betaling geschiedt door de gemeenten bij driemaandelijkse stortingen, telkens op 15 januari, 15 April, 15 Juli, 15 oktober van elk jaar. De Voorzitter van het burgerlijk bestuur (President der Zivilverwaltung) voor de provincie Namen bepaalt de vervaldagen van het jaar 1916. Deze is ook belast door dwangmaatregel de achterstallige bedragen van de gemeenten in te vorderen, indien deze niet bijtijds haar stortingen doen. De gemeenten ontvangen, als vergoeding voor het heffen en beheren dezer gelden, een aandeel van 10 % op het binnengekomen bedrag van de rechtstreekse Staats- en departementale belastingen.
§ 4. De gemeenten moeten de gezamenlijke som aan rechtstreekse Staats- en departementale belastingen hoofdelijk op de belastingschuldigen verdelen. Deze verdeling moet door den Voorzitter van het burgerlijk bestuur voor de provincie Namen worden goedgekeurd. Voor afwezige personen, die hun woonplaats hebben in de gemeente of er eigendommen bezitten, mogen de burgemeesters ter hunner vervanging in belastingzaken waarnemers aanstellen.
Desnoods geschiedt de invordering der hoofdelijk verdeelde bedragen overeenkomstig de Franse voorschriften, die bij de door dwangmaatregel ingevorderde rechtstreekse belastingen toegepast worden.
§ 5. Voor den duur van den huidige oorlog blijven de voor den aanslag en de heffing der belastingen geldige verjaringstermijnen geschorst.
§ 6. De personen, die vergunningsrechten te betalen hebben, moeten op grond van den kwijtbrief over hun laatste betaling, de vergunningsrechten met den kwijtbriefzegel in de gemeentekas storten, waar zij ook hun rechtstreekse belastingen betalen.
§ 7. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur bij den Generaalgouverneur in België, is belast met de uitvoering van deze Verordening,
Brussel, den 16 november 1916.
No. 277. — 16. november 1916.
BEKENDMAKING.
Met toestemming van'den heer Generalgouverneur in Belgiè, heb ik, overeenkomstig de Verordening van 17 Februari 1915 (Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van Belgié, Nr. 41, van 20 Februari 1915), het bankhuis Nagelmackers Fils é Co., te Luik en te Brussel, onder dwangbeheer geplaatst. Ik heb den heer Dr. Millier voor het bankhuiis te Luik en den heer B. Kaufmann voor het bankhuis te Brussel tot dwangbeheerders benoemd.
Brussel, den 9n November 1916,
B. A, G, 24,
No. 277. — 16. november 1916.
BEKENDMAKING. Overeenkomstig de Verordening van 17 Fehruari 1915 van den Heer Generalgouverneur in België (Weten Verordeningsblad, Nr. 41, van 20 Februari 1915), heb ik, naast de reeds benoemde dwangbeheerders, voor onderstaande banken: Crédit Lyonnais Banque de Paris et des Pays-Bas Comptoir National d'Escompte de Paris Société Belge de Crédit Industriel et Commercial et de Dépots Société de Dépôts et de Crédit, Nagelmackers Fils é Co., alle te Brussel, den heer Edmund Wilberg tot dwangbeheerder benoemd.
Brussel, den 13n. November 1916.
B. A. 22635.
No. 278. — 18. november 1916.
Verordening op het gebruik van sacharine en soortelijke zoetstoffen.
Art. 1. Het gebruik van sacharine en soortgelijke zoetstoffen kan, afgezien van de gevallen bedoeld onder artikel 93, § 3 der wet van 21 Augustus 1903, betreffende het vervaardigen en invoeren van suiker, ook tot het vervaardigen van bier en limonade, alsook tot andere doeleinden toegelaten worden.
Art. 2. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschef) is bevoegd tot het verlenen van deze toelating; hij stelt eveneens de voorwaarden vast, waaronder sacharine en soortgelijke zoetstoffen voor de onder artikel 1 vermelde doeleinden mogen worden gebruikt.
Art. 3. Artikel 94, § 4, der wet van 21 Augustus 1903 wordt door volgend voorschrift vervangen: „De in dit artikel bedoelde voortbrengselen worden door het beheer van geldwezen in beslag genomen en verbeurd verklaard." Beze bepaling is ook van toepassing op zoetstof, die voor het van kracht worden der Verordening in beslag genomen werd.
Art. 4. Sacharine en soortgelijke zoetstoffen, die overeenkomstig artikel 1 gebezigd worden, zijn aan een verbruiksrecht van 125 frank per kilogram onderworpen, dat bij aflevering aan den verbruiker verschuldigd is en door dezen laatste moet betaald worden.
Brussel, den 18n november 1916.

Uitvoeringsbepalingen bij de Verordening van 11 november 1916 op het gebruik van sacharine en soortgelijke zoetstoffen.
1. Het kantoor voor de suikerbedeling (ZuckerverteilungssteUe) belast zich met den invoer, den aan- en verkoop van zoetstof en regelt den handel in deze waar.
2. De ingevoerde en in beslag genomen hoeveel heden zoetstof worden in het stapelhuis te Brussel neergelegd.
3. De vrijverklaring van zoetstof geschiedt alleen op grond van een vrijverklaringsbrief afgeleverd door het het kantoor voor de suikerbedeling.
4. De verkoopprijs voor 1 kilogram zuivere zoetstof is op 300 mark vastgesteld.
5. Al de door het Belgische tolbeheer in beslag genomen zoetstof wordt ter beschikking gesteld van het kantoor voor de suikerbedeling.
6. Het te betalen verbruiksrecht ten bedrage van 125 fr, per kilogram zuivere zoetstof, wordt door het Belgisch beheer van geldwezen geheven.
7. De zoetstof wordt in het stapelhuis te Brussel verpakt en over de post aan de accijnskantoren der betreffende brouwerijen verzonden.
8. De accijnsbedienden dienen de zoetstof in de brouwerijen op de brouwdagen toe, volgens den maatstaf van 25 gram zoetstof per 100 kilogram grondstof.
9. De accijnsbedienden houden een boek, waarin het binnenkomen en het uitgaan van zoetstof is na te gaan. De accijnsbedienden moeten de verbruikte hoeveelheden in het accijnsboek aantekenen; deze laatste moeten met de door het kantoor van toezicht op de brouwerijen (Brauerei-Kontrollstelle) op de brouwkaarten aangegeven hoeveelheden overstemmen.
Brussel den 19n november 1916.
No. 279. — 21. november 1916.
BEVEL HOUDENDE OPLEGGING VAN EEN KRIJGSBELASTING.
Onder opheffing van het bevel van 8/10 november 1915 (Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, Nr. 139 van 11 november ioiT): Verordeningsblad voor het Etappegebied van het IVe leger, Nr. 12 van 13 november 1915) wordt, overeenkomstig artikel 49 der Haagse Overeenkomst betreffende de regeling der wetten en gebruiken van den oorlog te lande, de Belgische bevolking hierbij tot nader bericht, ais bijdrage tot de onderhoudskosten van het léger en het bestuur in het bezet gebied, een krijgsbelasting ten bedrage van vijftig miljoen frank per maand opgelegd.
De 9 provinciën van België zullen zich de nodige bedragen aanschaffen door middel van leningen. De keizerlijke Kommissaris-generaal voor de banken (Generalkommissar fur die Banken) in België bepaalt vorm en inhoud van de door de provinciën uit te geven schuldbrieven. De betaling van de eerste storting moet ten laatste op 10 december 1916, die der volgende telkens ten laatste op den l0n van elke maand geschieden, aan de „Feldkriegskasse (Kas van het veldleger) des kaiserlichen Generalgouvernements' te Brussel. De keizerlijke Kommissaris-gêneral voor de banken in België is bevoegd te bepalen, tot welke bedragen de maandelijkse stortingen telkens in marken of in franken aan de „Feldkriegskasse' moet worden overgemaakt. Brussel en A. H. Q. van hel IVe en Vie leger, den 20n november 1916.
C, C. Ilh 2625.

Nr. 279. — 21. november 1916.
Verordening, betreffende den buitengewone zittijd der provincieraden.
Art. 1. De provincieraden der Belgische provinciën zijn hierbij tot een buitengewone zittijd op Zaterdag, 2 december 1916, 's middags te 12 uur (Duitse tijd), in de hoofdplaatsen der provinciën opgeroepen.
Art. 2. De afkondiging dezer oproeping geschiedt alleen in het Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België en in het Verordeningsblad voor het Etappengebied van het IVe leger.
Art. 3. De uitnodiging van de leden der provincieraden geschiedt door de bestendige afvaardiging. De gouverneur der provincie is niet gehouden op de zitting aanwezig te zijn. De bestendige afvaardiging benoemt in haar schoot het lid, dat den zittijd zal openen en sluiten. De opening en de sluiting geschiedt voor de provinciën Antwerpen, Brabant, Henegouw Limburg, Luik, Luxemburg en Namen in de naam van den Keizerlijke Duitse Generaalgouverneur, voor de provincie Henegouw terzelfder tijd in den naam van den Opperbevelhebber van het VI leger, voor de provinciën Oost- en West-Vlaanderen in den naam van den Opperbevelhebber van het IVe leger.
Art. 4. De zittijd duurt niet langer dan een dag en wordt bij gesloten deuren gehouden. Op de dagorde staan slechts de drie volgende punten, waarover uitsluitend mag worden beraadslaagd:
a) wijze van opbrengen van de aan de bevolking van den Belgische Staat, bij bevel van 20 november 1916, opgelegde krijgsbelasting;
b) dekking der op 15 januari 1917 vervallen provincieschuldbrieven;
c) betaling van de intresten der in december 1915 aangegane krijgsbelastingslening.
Art. 5. De provincieraden nemen in de zittijd, welk ook het aantal aanwezige leden zij, geldige besluiten.
Brussel A. H. Q. van het IVe en VI leger, den 20n November 1916.
C. C. 77b 2625.
Nr. 279. — 21. november 1916.

Verordening *** tot aanvulling van de koninklijke besluiten van 31 Mei 1891 en van 10 Januari 1896. In uitvoering van artikel 1 der wet van 3 Mei 1889 op het gebruik der Vlaamse taal in strafzaken ew, met het oog op den uitslag der volkstelling van 31 December 1910, verorden ik ter aanvulling van de koninklijke besluiten van 31 Mei 1891 en van 10 Januari 1896, het navolgende:
A7't. 1. Volgende gemeenten zijn verder gevoegd hij de gemeenten, tot dusver opgegeven als Vlaamse gemeenten in den zin van artikel 1 der wet van 3 Mei 1889:
1. Provincie Brabant: Brussel, Schaarbeek, Sint-Gillis, Sint-Joost-ten- Noode, Molenstede, Sluisen.
2. Provincie Henegouw: Lettelingen, Mark bij Edingen.
3. Provincie Limburg: Herstappe.
4. Provincie Luik: Aubel, Roost-Krenwik.

Art. 2, Het Hoofd van het burgelijk bestuur (Verwaltungschef) bij den Generalgouverneur is belast met de uitvoering van deze Verordening.
Brussel, den 15n November 1916.
C. C. Ilisi 3661.
No. 280. — 21. november 1916.
HOOGESCHOOL TE GENT.
Ingeschreven student voor een examen tot het bekomen van een wettelijken academischen graad in den zittijd van October 1916 (bijkomende lijst).
Faculteit van Rechtsgeleerdheid.
Voor het kandidaatsexamen:
Démarrez Julius, van Gothem,
Gent, den 28n Oktober 1916.
C. C. Illh 1296.
No. 280. — 24. november 1916. (Nihil).
VERORDNUNG, ***

No. 281. — 26. november 1916.
Verordening *** houdende wijziging der Verordening van 27 Maart 1916 betreffende den verkoop van kunstmeststoffen.
Art. 1. Artikel 1 der Verordening van 27 Maart 1916 betreffende den verkoop van kunstmeststoffen (Wet- en Verordeningsblad hl. 1859), is ais volgt aangevuld: „De op de lijst niet vermelde kunstmeststoffen mogen door den eersten verkoper (voortbrenger, invoerder) alleen met toestemming van het Hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschef) en in de door hem vastgestelde voorwaarden, inzonderheid wat den verkoopsprijs betreft, in den handel gebracht worden.
Art. 2. De hij de Verordening van 27 Maart 1916 gevoegde lijst is ais volgt gewijzigd en aangevuld: Naam der meststof.
No. 281. — 26. november 1916.

Verordening houdende wijziging der Verordeningen van 9 en 28 Augustus, evenals van 14 Oktober 1916. (Wet- en Verordeningsblad, bl. 2497, 2567, 2858-61).
Art. 1. Artikel 4 der Verordening van 9 Augustus 1916, betreffend beperkt gebruik van room, wordt door volgend voorschrift vervangen: Overtredingen worden met ten hoogste één jaar hechtenis of gevangenis, of met ten hoogste 10.000 mark boete gestraft. Beide straffen kunnen tegelijk worden uitgesproken. Bovendien kan de sluiting van de zaken, waarin een overtreding dezer Verordening is begaan, tijdelijk of voor goed bevolen worden. De krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.
Art. 2. Artikel 2 der Verordening van 28 Augustus 1916, betreffende bet vervoederen aan dieren van ongeroomde melk, wordt door volgend voorschrift vervangen: Overtredingen worden met ten hoogste één jaar hechtenis of gevangenis, of met ten hoogste 10.000 mark boete gestraft. Beide straffen kunnen tegelijk worden uitgesproken. De krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.
Art. 3. Artikel 4. der Verordening van 14 oktober 1916, houdende beperking van het verbruik van vlees en vet, wordt door volgend voorschrift vervangen: Overtredingen worden met ten hoogste één jaar hechtenis of gevangenis, of met ten hoogste 10.000 mark boete gestraft. Beide straffen kunnen tegelijk worden uitgesproken. Bovendien kan de sluiting in de zaken, waarin een overtreding dezer Verordening is begaan, tijdelijk of voor goed bevolen worden. De krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.
Art. 4. Art. 3 der Verordening van 14 oktober 1916, betreffende de vleeskeuring, wordt door volgend voorschrift vervangen: Overtredingen worden met ten hoogste één jaar hechtenis of gevangenis, of met ten hoogste 10.000 mark boete gestraft. Beide straffen kunnen tegelijk worden uitgesproken, De krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.
Art. 5. Artikel 3 des Verordening van 14 oktober 1916, houdende verbod bovenmatige voorraden vlees en vleeswaren in huishoudens. van bijzonderen op te doen, wordt door volgend voorschrift vervangen: Met ten hoogste één jaar hechtenis of gevangenis, of met ten hoogste 10.000 mark boete wordt gestraft:
1. Wie in strijd met het verbod uit artikel 1 voorraden in bewaring heeft;
2. wie zich tegen het doen van vaststellingen overeenkomstig artikel 2, le lid, verzet of deze op een andere wijze verijdelt; de poging tot overtreden is strafbaar. Beide straffen kunnen tegelijk worden uitgesproken.
De krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.
Brussel, den 18n november 1916,
C. C. Via 9849.

No. 282. — 29. november 1916. (Nihil).
No. 283. — 2. december 1916.
Verordening *** houdende wijziging van de Verordening van 5 oktober 1916, betreffende benutting van halfsuiker- en voederbieten, wortelen, rapen van elke soort en koolrapen (Wet- en Verordeningsblad, blz. 2793).
Art. 1 van de Verordening van 5 oktober 1916, C. C. VII 9438 (Wet- en Verordeningsblad, hl. 2793), moet ais volgt gelezen worden: Het is verboden halfsuiker- en voederbieten, wortelen, rapen van elke soort en koolrapen, evenals gedeelten ervan in de nijverheid, zowel in kleine als in grote ondernemingen, te benuttigen. Onder benuttigen in de nijverheid is ook het drogen en roosten dezer voortbrengselen te verstaan.
Het Hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschef) is gemachtigd, uitzonderingen toe te staan, inzonderheid ook het roosten van voederbieten tot het verkrijgen van een koffie-surrogaat toe te laten,
Brussel, 22 november 1916.
C. C. VII 10355.
No. 283. — 2. december 1916.
BEKENDMAKING. ***
Op grond mijner Verordening van 8 Juli 1916 betreffende de Oogstkommissies, evenals der uitvoeringsbepalingen van 8 Juli 1916 tot deze Verordening, heb ik, op voorstel der Centrale Oogstkommissie (Zentral- Ernte-Kommi^sion) , de hoogste pijzen voor den verkoop van gedorst koren, meel, zemelen en brood voorshands als volgt vastgesteld:
Voor tarwe uit stapelplaats of molen geleverd fr. 42.90 per 100 kg.
Voor rogge uit stapelplaats of molen geleverd fr.28,64 per 100 kg.
Voor masteluin uit stapelplaats of molen geleverd fr 29.79 per 100 kg.
Voor ongepelde spelt uit stapelplaats of molen geleverd fr 27.34 per 100 kg.
Voor zemelen uit molen geleverd , 21.50 per 100 kg.
Voor tarwemeel aan bakkers of verbruikers geleverd .53,41 per 100 kg.
Voor roggemeel aan bakkers of verbruikers geleverd „ 36.02 per 100 kg.
Voor masteluinmeel aan bakkers of verbruikers geleverd „ 37.42 per 100 kg.
Voor tarwebrood aan verbruikers geleverd . . „ —.47 „ kgr.
Deze hoogste prijzen worden op 15 December van kracht. Den Provincialen Oogstkommissies (Provimiale Ernte-Kommissionen) wordt de bevoegdheid verleend, voor de omschrijving van afzonderlijke gemeenten op verzoek of na raadpleging van de burgemeesters telkens een lageren hoogsten prijs voor tarwebrood, evenals hoogste prijzen voor brood, tot het bereiden waarvan roggemeel wordt gebruiker vast te stellen. Voor de verkopen der voortbrengers van koren aan het Nationaal Hulp- en Voedingskomiteit blijven de hoogste prijzen, vastgesteld in de uitvoeringsbepalingen tot de Verordening van 8 Juli 1916, betreffende de Oogstkommissies, van kracht.
Brussel, den 27n november 1916,
Z. E. K. 1738,
No. 284. — 4. december 1916.
Verordening betreffende de uitvoering van het bevel van 20 November 1916, waarby een oorlogsbelasting werd opgelegd.
Gezien de provincieraden der provincies Antwerpen, Brabant, Limburg Luik en Namen in hun buitengewonen zittijd van 2 December 1916, geweigerd hebben hun medewerking te verleenen bij het opbrengen der middelen ter betaling van de krijgsbelasting, die de Belgische bevolking werd opgelegd bij bevel van 20 November 1916, en de provincieraad van de provincie Luxemburg zijn medewerking slechts voorwaardelijk heeft toegezegd, worden de daarop betrekking hebbende besluiten, als zijnde in stryd met de openbare belangen, overeenkomstig artikel 89 van de provinciale wet van 30 April 1836, opgeheven.
Terzelfdertijd zijn de krijgsgouverneurs der provincies
Brabant, Limburg, Luik, Luxemburg en Namen, voor Antwerpen de krijgsgouverneur en de vestinggouverneur, samen met de Voorzitters der burgerlijke besturen (Prâsidenten der Zivilverwaltungen) aldaar, met bindende kracht, elk wat zijn provincie betreft, gemachtigd tot het nemen van onderstaande maatregelen:
1. solidair met de andere provinciën voor den duur van 6 maand de noodzakelijke maatregelen tot betaling der krijgsbelasting die de Belgische bevolking, van 10 December 1916 af opgelegd werd te nemen en desnoods daartoe een lening aan te gaan;
2. de nodige maatregelen te nemen met het oog op de betaling der intresten en de terugbetaling dezer lening, met het oog op de dekking der provincieschuldbrieven, die op 15 Januari 1917 vervallen, alsook met het oog op de betaling der intresten van de in December 1915 aangegane belastingslening;
3. tot het Duits bestuur het verzoek te richten, dat de benoodigde sommen voor de betaling der intresten en de delging dezer leeningen, den provincim gezamenlijk uit de Belgische begroting, ais gemeenschappelijhe toelage zouden toegestaan ivorden;
4. solidair met de andere provinciën een leening aan te gaan ten behoeve der dekking van de betaling der intresten en van de delging, in geval het verzoek onder Nr. 3 afgewezen wordt;
5. de noodige oorkonden te onderteekenen.
Brussel, den 3n December 1916.
C, C. 77b 2798.
No. 284. — 4. december 1916.
Verordening betreffende de uitvoering van het bevel van 20 november 1916, waarij een oorlogsbelasting werd opgelegd.
De provincieraad der provincie Oost-Vlaanderen heeft in zijn zittijd van 2 december 1916, waarin, overeenkomstig de Verordening van 20 november 1916 een besluit moest worden genomen over den aard van het opbrengen der middelen ter betaling van de krijgsbelasting, die de Belgische bevolking werd opgelegd bij volgend besluit genomen: te weigeren de medewerking der provincie.
Dit besluit is niet van aard om de opbrengst van de krijgsbelasting te verzekeren en is derhalve in strijd met de openbare belangen; om die reden is het, overeenkomstig artikel 89 uit de provinciale wet van 30 April 1836, opgeheven.
Tezelfdertijd zijn de voorzitter van het burgerlijk bestuur (President der Zivilverwaltung) der provincie Oost-Vlaanderen met bindende kracht voor genoemde provincie gemachtigd tot het nemen van onderstaande maatregelen:
1. solidair met de andere provinciën voor den duur van 6 maand de noodzakelijke maatregelen tot betaling der krijgsbelasting die de Belgische bevolking, van 10 december 1916 af opgelegd werd te nemen en desnoods daartoe een lening aan te gaan;
2. de nodige maatregelen te nemen met het oog op de betaling der intresten en de terugbetaling dezer lening, met het oog op de dekking der provincieschuldbrieven die op 15 januari 1917 vervallen, alsook met het oog op de betaling der intresten van de in december 1915 aangegane belastingslening;
3. tot het Duits bestuur het verzoek te richten, dat de benodigde sommen voor de betaling der intresten en de delging dezer leningen, den provinciën gezamenlijk uit de Belgische begroting, ais gemeenschappelijke toelage zouden toegestaan worden;
4. solidair met de andere provinciën een lening aan te gaan ten behoeve der dekking van de betaling der intresten en van de delging, in geval het verzoek onder Nr. 3 afgewezen wordt;
5. de nodige oorkonden te ondertekenen.
Brussel en A. H, Q. van het IVe leger, den 3n
december 1916.
C. C. Ilh 2798.
No. 284. — 4. december 1916.
Verordening betreffende de uitvoering van het bevel van 20 november 1916, waarbij een oorlogsbelasting werd opgelegd.
De provincieraad der provincie Henegouwen heeft in zijn zittijd van 2 december 1916, waarin, overeenkomstig de Verordening van 20 november 1916 een besluit moest worden genomen over den aard van het opbrengen der middelen ter betaling van de krijgsbelasting, die de Belgische bevolking werd opgelegd, volgend besluit genomen: te weigeren de medewerking der provincie.
Dit besluit is niet van aard om de opbrengst van de krijgsbelasting te verzekeren en is derhalve in strijd met de openbare belangen; om die reden is het, overeenkomstig artikel 89 uit de provinciale wet van April 1836 opgeheven,
Terzelfder tijd is de gouverneur militair der provincie Henegouwen, samen met den voorzitter van het burgerlijk bestuur (Prâsidenten der Zivilverwaltung) aldaar), met bindende kracht voor genoemde provincie gemachtigd tot het nemen van onderstaande maatregelen:
1. solidair met de andere provinciën voor den duur van 6 maand de noodzakelijke maatregelen tot betaling der krijgsbelasting die de Belgische bevolking, van 10 december 1916 af opgelegd werd te nemen en desnoods daartoe een lening aan te gaan;
2. de nodige maatregelen te nemen met het oog op de betaling der intresten en de terugbetaling dezer lening, met het oog op de dekking der provincieschuldbrieven, die op 15 januari 1917 vervallen, alsook met het oog op de betaling der intresten van de in december 1915 aangegane belastinglening;
3. tot het Duits bestuur het verzoek te richten, dat de benodigde sommen voor de betaling der intresten en de delging dezer leningen, den provinciën gezamenlijk uit de Belgische begroting, als gemeenschappelijke toelagen zouden toegestaan worden;
4. solidair met de andere provinciën een lening aan te gaan ten behoeve der dekking van de betaling der intresten en van de delging, in geval het verzoek onder Nr. 3 afgewezen wordt; 5. de nodige oorkonden te ondertekenen.
Brussel en A. H. Qu. van het VII leger, den 3n
december 1916.
C. C. 77b 2798
No. 284. — 7. DECEMBER 1916.

Art. 5, 12 en 13 der Verordening van 17 Januari 1916, betreffende de regeling van de aardappelbevoorrading (Wet- en Verordeningsblad blz. 1525), worden vervangen door volgende voorschriften:
Art. 5. De burgerlijke Kommissarissen (Zivilkommissare) kunnen een termijn vaststellen tot wanneer de gemeenten hun de overeenkomstig artikel 4 af te leveren hoeveelheden aardappelen ter beschikking moeten stellen. Aardappelen, die op dien termijn niet afgeleverd zijn, zullen door de burgerlijke Kommissarissen zonder vergoeding worden verbeurdverklaard en, door het Aardappelbevoorradingskantoor (Kartoffelversorgungsstelle) voor de Belgische bevolking worden beschikbaar gesteld. Alleen de hoeveelheid die ieder voortbrenger voor eigen verbruik nodig heeft, evenals de hem toekomende hoeveelheid pootaardappelen, vallen buiten de verbeurdverklaring.
Art. 12. Overtredingen van de voorschriften dezer Verordening, evenals van de krachtens artikel 10 genomen schikkingen, worden met ten hoogste een jaar hechtenis of gevangenis, of met ten hoogste 10.000 mark boete gestraft. Ook kunnen beide straffen tegelijk worden iiitgesproken. Er kan eveneens tot verbeurdverklaring der waar worden besloten.
Art. 13. De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.
Brussel, den 29n November 1916.
K. V. S. 12603.
No. 286. — 10. DECEMBER 1916.
Verordening *** betreffende geleidingen voor elektrische verlichting en drijfkracht.
Art. 1. Met het aanleggen vannieuwe geleidingen voor elektrische verlichting en drijfkracht, evenals met het het voltooien of wijzigen van bestaande inrichtingen mag niet worden aangevangen, doùi na onderzoek door en met toelating van àe hiernavolgende Duitse overheden: Hoofdkantoor voor gas, tvater en elektriciteit (Hauptstelle fiir Gas, Wasser und Elektrizitàt) , te Brussel, Bestuur van bruggen en wegen (Baudirektion) b^ het General-Gouvernement in België, Keizerlijk Duits Post- en telegraafbestuur (Kaiserlich deutsche Post- und Telegraphenverwaltung), te Brussel,
binnen het vestingsgebied van Antwerpen: „Verkehrs-Offizier vom Platz Antiverpen,
binnen het vestingsgebied van Namen: „Verkehrs-Offizier vom Platz, Namen,
buiten het vestingsgebied van Antwerpen en Namen: Verkehrs-Offizier heim General-Gouvernement te Brussel.
De aanvragen moeten vergezeld gaan van tekeningen en beschrijvingen in dubbel exemplaar en zijn uitsluitend te richten tot het Hoofdkantoor voor gas, water en elektriciteit, te Brussel, dat, na overee/nkomst met de in aanmerking komende diensten, de toelating verschaft.
Art. ILEr is geen toelating noodig voor: , geleidingen binnenshuis en geleidingen boven of <mder grondstukken, wanneer de geleidingen in 't bezit mjn van bijzonderen en niet tot openbaar nut dienen en zoverre
1. voor het leggen er van geen koper of aluminium gebezigd ivordt en
2. de geleidingen ten minste 10 meter verwijderd blijven van alle tot openbaar nut dienende geleidingen en grondstukken, inzonderheid van straten, wateren en telefoon- en telegractfc^leidingen en zij geen telefoon- of telegraafgeleidingen kruisen.
Art. III. De voorschriften der Bekendmaking van 22 December 1914, punt B, „Telefoon- en telegraaf - inrichtingen' van den Gêneralgouverneur, evenals de beschikking van 2 Januari 1915, IV A Nr. 1801, van het Generalgouvernement, betreffende „Telefoonaansluitingen van Belgische overheden" blijven in hun geheel van kracht.
Art. IV. Wie de voorschriften van deze Verordening opzettelijk of uit grove nalatigheid overtreedt, wordt, zoverre een andere strafwet geen hogere straf bepaalt, met ten hoogste drie maanden gevangenis en met ten hoogste 5.000 mark boete, of met één van beide straffen gestraft. Daarenhoven kan de verbeurdverklaring van de voorwerpen ivaarop de strafbare handeling betrekking heeft, uitgesproken worden. De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.
Brussel den 2n December 1916.
No. 286. — 10. DECEMBER 1916.
Verordening houdende wijziging van de Verordening van 22 April 1916 „over de gerechtelijke bescherming van vreemdelingen". (Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, Nr. 209).
Eenig artikel. De eerste volzin van artikel 2, le lid, uit de Verordening van 22 April 1916, luidt voortaan als volgt: Personen die het Brits, Frans, Riissisch, Italiaans, Roemeens of Portugees staatsburgerschap bezitten, evenais rechtspersoonlijkheden, maatschappijen en verenigingen, die in Groot-Brittanje en lerland Frankrijk, Rusland, Italie, Roemenië, en Portugal of in de koloniën of buitenlandse bezittingen en protectoraten dier Staten gevestigd zyn, kunnen voor Belgische rechtbanken geen aanspraak op vermogensrechtvorderingen maken, noch tot vrijwaring of doordrijving van zulke aanspraken de hulp van het Belgisch gerechtswezen, inzonderheid van deurwaarders, inroepen,
Brussel, den 2n December 1916.
C. C. F/a 10224.
No. 287. — 12. DECEMBER 1916.
Verordening *** betreffende de onteigening van suikerbieten. In aanvulling der Verordening van 18 Juli over het benuttigen van suikerbieten en van de daaruit gewonnen voortbrengselen (Wet- en Verordeningsblad bl. 2451), bepaal ik het nu volgende:
Art. 1. De „Kreischefs" zijn bevoegd suikerbieten, waarvan niet kan worden bewezen, dat zij voor 15 januari 1917 aan de door het kantoor voor de suikerverdeling (Zuckerverteilungsstelle) gemachtigde suiker- en beetstroopfabrieken verkocht of afgeleverd werden, te onteigenen tegen den hoogsten prijs, door het Hoofd va het burgerlijk bestuur (Verwaltungschef) vastgesteld, met aftrek van 15 frank per 1000 kgr. De onteigende bieten moeten onmiddellijk aan het kantoor voor de suikerverdeling worden overgemaakt, dat ze, tegen uitbetaling van den vollen hoogsten prijs, maar suiker- of beetstroopfabrieken binnen het gebied van het Generalgouvernement weg zal doen voeren, Het kantoor voor de suikerverdeling stelt den verbouwer met de opbrengst van den koopprijs schadeloos en maakt het overschot, voortkomende van de 15 frank die voor elke 1000 kgr. worden afgetrokken voor liefdadigheidsdoeleinden over aan de bestendige afvaardiging der betreffende provincie.
Art. 2. Wie suikerbieten, die volgens artikel 1 mogen worden onteigend, of die reeds onteigend werden, verdoken of verborgen houdt of op andere wijze aan de beschikking van het kantoor voor de suikerverdeling onttrekt, wordt overeenkomstig artikel VII der Verordening van 18 Juli 1916 gestraft. De krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.
Brussel, den 2n december 1916.
C. C. VII Z. V. 23047.
No. 287. — 12. DECEMBER 1916.

Bekendmaking *** betreffende het vaststellen van hoogste pryzen voor suikerbeeten. Op grond van artikel 77, 2e lid, der Verordening van 18 Juli 1916 over het benuttigen van suikerbeeten en van de daaruit gewonnen voortbrengselen (Wet- en Verordeningsblad, bl. 2451), stel ik den hoogsten prijs voor suikerbeeten, met ingang van 15 Janiiari 1917, vast op
55 frank per 1000 kgr. vry in fabriek.
Voor suikergraden boven 14 % wordt geen vergoeding toegestaan.
Brussel, den In December 1916.
C. C. VII z. V. 23047.
No. 288. — 15. DECEMBER 1916.
Verordening *** betreffende de stapelaangifte van ijzer- gietijzer- en staalschroot, evenals van gegoten ijzeren grondplaten en gieterijvormkassen.
§ 1. Al de stapels ijzer-, gietijzer- en staalschroot, gegoten grondplaten en gieterijvormkassen, die op 15 december 1916 binnen het gebied van het Generalgoevernement voorhanden zijn moeten aangegeven worden.
§ 2. Vallen onder toepassing van deze Verordening: Klasse 1 ijzerschroot laadbaar voor ovens (de afmetingen 150 X, 50 y, 50 cm, niet te boven gaande) ;
,, 2 ijzerschroot niet laadbaar voor ovens;
„ 3 staalschroot laadbaar voor ovens (de afmetingen 150 X, 50 y 50 cm.niet te boven gaande);
„ 4 staalschroot niet laadbaar voor ovens;
„ 5 schroot in massa;
„ 6 smeltijzer plaatijzerafval- en -schroot, oud, nieuw los en in pakken;
„ 7 gietijzerschroot in hanteerbare klompen, niet verbrand en verbrand;
„ 8 niet stuk gemaakte klompen gietijzer van om het even welken aard;
„ 9 gietspaanders;
„ 10 staal en ijzerspaanders;
„ 11 gemengde spaanders;
„ 12 hamerslag;
,, 13 gegoten ijzeren grondplaten (ook deze die in gebruik zijn of in magazijn liggen);
„ 14 gegoten ijzeren vormkasten (alle, ook die in gebruik zijn of in magazijn liggen);
„ 15 stalen vormkasten; oude spoorstaven en ander oud spoorwegen trammateriaal;
„ 17 alle ander oud ijzer, oud staal en gietijzer, evenals alle afval dezer voorwerpen vaat om het even welken aard en vorm,
§ 3. Al de stapels, zoverre voor elk het gezamenlijk gewicht niet minder dan 10 ton bedraagt, de reeds in beslag genomen, bij een andere overheid reeds aan No. gegeven, of vastgestelde stapels inbegrepen, moeten worden aangegeven.
§ 4. Al wie bedoeld schroot in eigendom, bezit of bewaring heeft, rechtspersonen en maatschappijen inbegrepen, is verplicht aangifte te doen.
§ 5. De stapels moeten, volgens de in § 2 opgegeven klassen 1—17 gerangschikt, met het naar schatting aangeduid tongewicht, ten laatste op 31 december a. s. bij de Afdeling voor handel en nijverheidskantoor voor grondstoffen (Abteilung fur Handel und Gewerbe, Rohstoffvertvaltungsstelle), Kunstherlevingslaan 30, Brussel, schriftelijk aangegeven worden, onder benuttiging van het merkwoord „Schrottmel'
De fabrieken die op het ogenblik schroot van om het even welken aard gebruiken, moeten te gelijkertijd aangifte doen van hun stapels en van hun dagelijks verbruik aan schroot en de echtheid van dit verbruik bewijzen, alsook een lijst inleveren van hun nog lopende verdragen voor het leveren van schroot. Van nieuwe, na 31 december a. s. afgesloten schrootleveringsverdragen moeten aangifte worden gedaan.
§ 6. De gebruikelijke handel van schroot ondergaat ten gevolge van deze stapelaangifte geen onderbreking. Voor alle vervoer van schroot per hoeveelheid van ten minste één spoorwagenlading, hetzij per spoorweg, per buurtspoorweg, per voertuig of te water, gelden van heden af de voorschriften der Verordening op het vervoer van 5 september 1916. De Afdeling voor handel en nijverheid, kantoor voor grondstoffen, Kunstherlevingslaan 30, Brussel, is bevoegd tot verlenen van vervoertoelatingen.
§ 7. Overtredingen van deze Verordening worden met ten hoogste 6 maand gevangenis en met ten hoogste 6000 mark boete, of met een van beide straffen gestraft. Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevel hebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.
Brussel den 2 december 1916.
C. C. IV. K. 23433.

No. 288. — 15. DECEMBER 1916.
Verordening betreffende de bevoegdheden van de Vlaamse en Waalse Afdeling van liet Ministerie van Wetenschappen en Kunsten.
Art. 1. In den zin van artikel 2 der Verordening van 25 oktober 1916 (Wet- en Verordeningsblad, blz. 2930)behoren:

1. Tot het Vlaamse land:
a) de provincies Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen, Antwerpen, Limburg ew, in de provincie Brabant, de arrondissementen Brussel en Leuven;
b) in de provincie Luik, de gemeenten: Attenhoven, Elism, Laar, Landen, Moelingen, Neerhespen, Neerlanden, Neertvinden, Overhespen, Overwinden, Remersdaalf Roost-Krenwik, Rumsdorp, 's-Graven- Voeren, Sint-Martens-Voeren, Sint-Pieiers- Voeren, Teuven, Waasmond, Wals-Houthem, Wals bets, Wangé, Weseren;
c) in de provincie Henegouwen de gemeenten: Bever, Edingen, Everbeek, Lettelingen, Mark, Sint-Pieters- Kapelle.

2. Tot het Duits taalgebied:
a) in de provincie Luik de gemeenten:
Homburg-Bleiberg, Homburg (Mitte), Membach, Montzen-Bleiberg, Montzen (Mitte), Moresnet, Sippenaken, Welkenraad ;
b) in de provincie Luxemburg, de gemeenten: Arel (Arlon) [mit Spetz (Quatre Bras)], Athem (Athus), Attert [mit Parett und Schoekweiler] , Bochholz (Belio) [mit den Teilen Deyfeld und ITrth-Watermaal] , Bonnert [mit den Teilen Frassem, Neumiilile^, Altenhoven (Viville) und Waltzingen, Diedenburg (Thiaumont) [mit den Teilen Lischert und Lottert], Elcheroth (Nobressart) [mit Almerath und Luchert], Feiteler (Fauvillers), hinsichtlich der Telle Bôdingen und Wiesenbaeh, Girseh (Guirsch) [mit Heckbus], Heischlingen (Heinsch) [mit Freilingen, Papiermiihle, Watzerat (Posterie) und Stoekem,] Herzig (Haehy) mit Offen (Fouches) und Saas (Sampont). Hewerdingen (Habergy) [mit den Teilen Bebingen und G-elf], Holdingen (Halanzy), hinsichtlich Bettenhofen (Battincourt) und Esch auf der Hurt (Aix sur Cloie), Hondelingen (Hondelange) [mit Bliwingen und WoLkringen] Ibingen (Aubange) mit Klemersch (Clemerais), Martelingen (Martelange) [mit Greimeliugen, Neuperl und Radelingen], Metzig (Messancy) mit Gerlingen, Laser (Longeau), Niedlingen (Noedelange) und Tiirpingen (Turpange), Nieder-Elter (Autelbas) [mit Ober-Elter, Bardenburg (Clairfontaine) und Sterpesnich] Selingen (Selange), Tintingen (Tintange) [nebst Oeil, Romeldingen und Warnach], Tômich [mit Glandfurt (Pont Lagland) und Uedingen], Tontelingen (Tontelange [mit Beierchen (Côte rouge)].

Art. 2. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschef) bei den Generalgouverneur in België zal de bepalingen uitvaardigen, die, met het oog op de uitvoering dezer Verordening en der Verordening van 25 Oktober 1916^ inzonderheid ook inzake de rekenplichtigheid in beide afdelingen van het ministeries verder nodig mochten blijken. Ht} kan tot nader bericht eveneens bepaalde onderwijsinrichtingen die van het ministerie afhangen en in het Vlaamse land of in het Duits taalgebied liggen, van de Waalse afdeling en, bepaalde onderwijsinrichtingen, die in het Walenland liggen, van de Vlaamse afdeling afhankelijk maken.
Brussel, den 13n december 1916.
C. C. ///a 4537.
No. 289. — 18. DECEMBER 1916.
Verordening waarbij de wetgeving in zake rechtstreekse belastingen wordt gewijzigd. De wetgeving in zake rechtstreekse belastingen wordt aangevuld of gewijzigd ais volgt:
I. Grondbelasting.
Arti 1, § 1. De bepalingen der § § 1 en 2 van artikel één van het besluit van 18 Met 1916 (Wet- en Verordeningsblad Nr. 213, bl. 2145 v.), betreffende het aanslaan van de veranderde gronden, zin toepasselijk op al de ongebouwde eigendommen welke, alhoewel niet van aard veranderd zijnde, waardevermeerderingen of verminderingen hebben ondergaan waardoor een nieuwe rangschikking wordt gewettigd.
§ 2. Voor het jaar 1917 worden aanvullende aanslagen van ambtswege gevestigd of verminderingen van grondbelasting verleend, naar verhouding van de vermeerdering of de verlaging van het kadastraal inkomen der eigendommen welker waarde voor 1 januari 1916 heeft toe- of afgenomen,
II. Patentrecht.
Art, 2. De hengst- en stierhouders zijn met ingang van het jaar 1916 aan het patentrecht onderworpen.
Art. 3. § 1. Met wijziging in artikel 3 van voormeld besluit van 18 Mei 1916, worden de bosexploitanten aan patentrecht onderworpen, op voet van één ten honderd der zuivere opbrengst van hun exploitatie gedurende het jaar voorafgaande aan dat van den aanslag, zelfs wanneer zij gedurende laatstbedoeld jaar niet exploiteren. Door belastbare zuivere opbrengst wordt verstaan de met een vijfde verminderde onzuivere opbrengst van de verkopingen, kappingen, snoeiingen of andere verrichtingen.
§ 2. De belasting is verschuldigd in elke der gemeenten waaronder de geëxploiteerde bossen gelegen zijn.
§ 3. Bedoelde patentplichtigen zijn gebonden, jaarlijks, per gemeente, aangifte te doen van de verschillende exploitatieverrichtingen welke zij gedurende het vorig jaar hebben gedaan, alsmede van hare ruwe opbrengst per soort. Wat betreft d&n aanslag over het jaar 1916, behoort deze aangifte voor 1 januari 1917 te worden gedaan.
III. Taken op de werkelijke inkomsten en winsten.
Art. 4. § 1. Met tijdelijke afwijking van de wet 1 september 1913, waarbij een taks op de werkelijke inkomsten en winsten wordt gevestigd, worden de vennootschappen op aandeelen wier winsten over het in 1915 afgesloten maatschappelijk boekjaar niet voor dit boekjaar, het voorwerp uitmaakten van eenigerlei verdeeling onder de aandeelhouders, bij wijze van uitzondering aan gemelde taks onderworpen over het dienstjaar 1916, op grond van de helft der bedoelde ivinsten voor zooveel deze ten minste 10,000 frank bereiken. Worden namelijk ais winsten beschouwd, de reserves of voorzieningsfondsen hoe ook genaamd, de overdracht en alle andere soortgelijke bestemmingen.
§ 2. Vennootschappen op aandelen welke dividenden hebben uitgekeerd tot een minder bedrag dan de helft hunner winsten over gemeld hoekjaar, zijn insgelijks hogerbedoelde taks verschuldigd, doch alleen op voet van het verschil tussen deze twee sommen.
§ 3. De bij § voorziene taks is insgelijks van toepassing op de vennootschappen op aandelen welke over het in 1915 afgesloten maatschappelijk hoekjaar hunne balans niet hebben opgemaakt; zij zijn belastbaar volgens het vermoed bedrag haar winsten over dit boekjaar
§ 4. Onder gelijkvormige de toepassing van artikel 10 der genoemde wet dient, op straf van de bij artikel 13 van deze wet voorziene boete, de aangifte benodigd tot uitvoering van bovenstaande bepalingen voor 1 januari 1917 te worden gedaan. Desvoorkomend wordt de taks overeenkomstig art. 12 derzelfde wet, van ambtswege vastgesteld.
§ 5. Bij toepassing van § 2 van artikel 3 van gemelde wet worden de vennootschappen vrijgesteld van de taks wegens de inkomsten uitgedeeld door middel van de winsten welke te hun laste krachtens dit artikel in de taks werden aangeslagen.
Art. 5. De taks op de intresten, premiën en loten van obligatiën is op aangifte te betalen binnen de twee maanden na den vervaldag dezer inkomsten, op straf van den wettelijke interest berekend naar verhouding van het verwijl. Aangaande gemelde inkomsten welke voor 1 november 1916 zijn vervallen wordt de taks voor 1 januari 1917 voldaan.
Art. 6. De bepalingen van artikel 7 van het besluit van 18 Mei 1916, betreffende het bedrag der provinciën gemeenteopcentiemen op de taks op de werkelijke inkomsten en winsten over de dienstjaren 1915 en 1916 worden toepasselijk gemaakt ten aanzien van het werkjaar 1917.
IV. Bijzondere bepalingen.
A. Provincieopcentiemen op het patentrecht. Art. 7. i § 1. In vervanging van de op 4 en 5 Januari 1916 aangenomen maar niet goedgekeurde provincietaks, wordt het bedrag van de provincieopcentiemen op het patentrecht over 1916, op de hiernavermelde cijfers gebracht wat betreft de verschillende landbouwexploitanten (met inbegrip van de bosexploitanten en degenen die het bindend patentrecht verschuldigd zijn: Brabant 30; Oost Vlaanderen 45; Henegouwen 200; Luik 100 (met inbegrip van de taks voor maatschappelijke bijstand en voorziening) ; Limburg 35; Luxemburg 40; Namen 85.
§ 2. Indien de opbrengst denier opcentiemen en degene der provincieopcentiemen op de taks op de werkelijke inkomsten en winsten voortvloeiende uit artikel 4 van deze Verordening, onvoldoende zijn om in gemelde provincietaks te voorzien, worden, bij wijze van omslag onder de in § 1 van dit artikel bedoelde patentplichtigen, tot het vereiste beloop aanvullende belastingen, gevestigd; de provinciale Bestuurder der belastingen stelt het percent van dezen omslag vast.
B. Fiskale verjaringstermijnen.
Art. 8. Worden met één jaar verlengd de verjaringstermijnen voor de invorderbaarheid van de gesloken rechten en voor de vervolgingen tot inning van rechtstreekse belastingen en daarmede gelijkgestelde taks.
C. Aangiften der landbouwexploitanten voor 1917.
Art. 9. De aangiften voor het patentrecht van 1916 onderschreven door de landbouwexploitanten die in 1917 nog belastbaar zijn naar de buurtwaarde van de onroerende goederen welke zij exploiteren, zijn geldig voor dat jaar, indien gemelde huurwaarde juist werd aangegeven en in 1916 geen vermeerdering van minstens een tiende heeft ondergaan.
D. Afschaffingen.
Art. 10. Worden afgeschaft:
1°) Litt. A van artikel 4 der wet van 6 April 1823; 2° j § 3 van Art. 11 van het Besluit van 18 Mei 1916. Brussel, den 17n december 1916.
C. C. Ilh 2780.
No. 289. — 18. DEZEMBEK 1916.
Verordening *** houdende wijziging van § 4 der Verordening van 22 Augustus 1916, betreffende het in beslag nemen van de rijwielbanden en het opnemen van de stapels (Beperking van het rijwielverkeer) [Wet- en Verordeningsblad van 28 Augu»ijs 1916, Nr. 247, bl. 2547 en volgende].
De eerste volzin van § 4 luidt voortaan als volgt: De onder § 3 voorziene toelating, om de onder § 1 vermelde voorwerpen, evenals rijwielen zonder rekgombanden te blijven benuttigen, moet aangevraagd worden op ambtelijke formulieren, die bij alle plaatselijke kommandanturen (Ortskommandanturen) te verkrijgen zijn.
BrusseL den 9n December 1916.
G. G. F/b 34603/M.
No. 289. — 18. DECEMBER 1916.
BEKENDMAKING,
Sommige lieden verkeren in 't onzekere over de vraag of en in hoeverre ook de kopers de vastgestelde hoogste prijzen voor de verschillende waren moeten in acht nemen. Volgens de bewoording der door den Heer General-Gouverneur op 28 September 1915 uitgevaardigde Verordening (Wet- en Verordenings blad, bL 1093,) die hierachter opnieuw afgedrukt wordt, staat vast, dat ook de kopers verplicht zijn de hoogste prijzen in acht te nemen en, dat zij in geval van overlreding dezelfde straffen oplopen als de verkopers.
Brussel den 9n December 1916,
Verordening over het bestraffen van het overschrijden der hoogste prijzen
Wie levensmiddelen, voederstoffen en andere waren, waarvoor een hoogste prijs is vastgesteld, tegen hogeren dan den vastgestelden prijs koopt, verkoopt of voor zulke waren een hogeren dan den vastgestelden hoogsten prijs biedt of verlangt, wordt met ten hoogste één jaar hechtenis of gevangenis of met ten hoogste 10.000 mark boete gestraft. De boete kan tegelijk met opsluiting uitgesproken worden. Bovendien kan ook tot de verbeurdverklaring der waar, die verhandeid werd, besloten worden. De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.
Brussel, den 28n September 1915.
C. C. VII 11025.

No. 289. — 18. DECEMBER 1916.
VERORDENING,
Verordening betreffende de verlenging van het mandaat van den griffier der provincie Luxemburg.
Met buitenkrachtstelling van daarmede in strijd zijnde voorschriften, bepaal ik het navolgende:
Het op 3 december vervallen mandaat van den griffier der provincie Luxemburg, Joris Thonon,wordt hier bij tot 30 juni 1917 verlengd. Beze benoeming heeft terugwerkende kracht op 4 december 1916.
Brussel, 9n december 1916.
C. C. V 12219,

No. 289. — 18. DECEMBER 1916.
Verordening *** betreffende de bezuiniging van brandstoffen en verlichtingsmiddelen.
§ 1. Lichtreclames van om het even welken aard zijn verboden. Met lichtreclames gelijkgesteld de verlichte naamopschriften, verlichte aanduidingen van huizen, enz., bij winkels, zakenhuizen, gasthoven en spijshuizen, drankslijterijen en koffiehuizen, schouwburgen, kinema's evenals bij volstrekt al de plaatsen van uitspanning en vermaak.
§2. Al de winkels en huizen van verkoop moeten te 7 uur 's avonds sluiten. Alleen apotheken en zulke winkels waar de verkoop van levensmiddelen, sigaren sigaretten en tabak de voornaamste tak van bedrijf uitmaakt, zijn daarvan uitgezonderd.
§ 3. Gasthoven en spijshuizen, drankslijterijen en koffiehuizen, alsook schouwburgen kinema's, lokalen waarin voorstellingen plaats hebben, openbare plaatsen van uitspanning en vermaak, zoals music-halls en dergelijke inrichtingen, moeten te 10 uur 's avonds sluiten. De krijgsgouverneurs der provincies kunnen bij wijze van uitzondering een later sluitingsuur, evenwel niet tot na 12 uur 's avonds toelaten.
§ 4. De verlichting van de uitstalramen, alsook de binnenverlichting van de winkels en van de lokalen en zakenhuizen, die voor den verkoop aan het publiek dienen moet tot het volstrekt nodige worden beperkt. Hetzelfde geldt voor gasthoven en spijshuizen, drankslijterijen en koffiehuizen, schouwburgen, kinema's lokalen waarin voorstellingen worden gegeven alsook voor alle openbare plaatsen van ontspanning en vermaak, zoals music-halls en dergelijke inrichtingen. De krijgsgouverneurs hebben de vereiste schikkingen te treffen.
De buitenverlichting van uitstalramen en van gebouwen, tot nijverheids- of beroepsdoeleinden, is verboden. De krijgsgouverneurs kunnen uitzonderingen toelaten. De bepaling van den van lid 1 is daarbij toepasselijk.
§ 5. De verlichting van de openbare straten en pleinen moet zodanig beperkt worden, ais het belang der openbare veiligheid zulks toelaat. De krijgsgouverneurs hebben de vereiste schikkingen te treffen.
§ 6. De elektrische trams en de daarmede gelijk te stellen buurtspoorwegen moeten hun bedrijf in zulke mate beperken, als met de vereisten van het verkeer enigszins overeen te brengen is. De krijgsgouverneurs hebben de passende beschikkingen te treffen.
§ 7. De voortdurende verlichting van de voorhuizen en trappen na 9 uur 's avonds is verboden. De krijgsgouverneurs kunnen uitzonderingen toelaten.
§ 8. Binnen het bereik van de vesting Antwerpen worden de bevoegdheden, die hiervoren aan de krijgsgouverneurs toegekend zijn, door den vestinggouverneur aldaar uitgeoefend.
§ 9. Wie de voorschriften dezer Verordening overtreedt, wordt met ten hoogste één jaar gevangenis en met ten hoogs 10.000 mark boete of met een van beide straffen gestraft. De krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.
Brussel, den 13n December 1916.§ 9. Wie de voorschriften dezer Verordening overtreedt, wordt met ten hoogste één jaar gevangenis en met ten hoogs 10.000 mark boete of met een van beide straffen gestraft. De krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.
Brussel, den 13n December 1916.
No. 290. — 20. DECEMBER 1916.
Verordening betreffende het verbod van betaling tegenover Italië en betreffende het vermogen van Italiaanse onderdanen. Bij wijze van vergelding wordt het navolgende bepaald:
Art, 1. Het is verboden, rechtstreeks of onrechtstreeks, met gereed geld, wissels of checks, door overdrachten of op een andere wijze betalingen te doen naar Italië, naar de Italiaanse koloniën en buitenlandse bezittingen, evenals naar de gebieden, die door Italiaanse strijdkrachten bezet zijn, alsook geld of waardepapieren rechtstreeks of onrechtstreeks naar de hiervoren opgesomde gebieden over te maken of over te dragen, bijaldien zulke betalingen, overmakingen of overdrachten handelszaken zijn, of bijaldien zij geschieden
1. om zaken te verwezenlijken, die voor één partij of voor beide partijen handelszaken zijn,
2. wissels of checks te betalen,
3. intrestkoepons uit te betalen van schuldbrieven van het Duitse Rijk of van een Duitse bondstaat, die voor 31 Juli 1914 uitgegeven zijn.
Art. 2. De voorschriften van Art. 1, 2e lid, evenals van artikelen 2, 3, 4, 5, 6 en 7 der Verordening van 3 november 1914, „betrekkelijk verbod van betaling tegen Engeland en Frankrijk*\ in de bewoording der Verordening van 12 Augustus 1915 (Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België Nrs. 10 en 109), worden ook op de door artikel 1 opgesomde gebieden toepasselijk verklaard. De schorsing geldt slechts zover aanspraken van zaken of waardepapieren in aanmerking komen van den door artikel 1 dezer Verordening bedoelden aard. Voor de vraag, of het verbod van betaling en de schorsing tegenover den overnemer geldt (artikel 2, 2e lid, der Verordening van 3 november 1914), komt niet in aanmerking de woonplaats of de zetel van den overnemer, maar enkel of de overneming na of voor 30 April 1916 heeft plaats gehad.
De aanduidingen omtrent de tijdsbepaling van het in werking treden der Verordening van 3 november 1914, worden vervangen door de tijdsbepaling van het in werking treden dezer Verordening.
Art. 3. Als vijandelijke Staat in den zin der Verordening van 5 Mei 1916, betreffende het vermogen van onderdanen van vijandelijke Staten (Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, Nr, 212), gelden ook Italië, de Italiaanse koloniën en buitenlandse bezettingen, met dien verstande echter dat 30 April 1916 de door artikel 1 aangegeven tijdsbepaling 9 oktober 1915 vervangt.
Brussel, den 9n december 1916.
B. A. 23838.
No. 290. — 20. DECEMBER 1916.
Verordening, betreffende de verlenging van het voorrecht, aan de „Société Générale de Belgique" verleend, om bankbrieven uit te geven.
Het bij Verordeningen van 22 December 1914 en van 14 December 1915 (Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, Nr. 24, van 24 December 1914 en Nr. 15 van 18 december 1915) aan de ,,Société Générale de Belgique'' tot 22 December 1916 verleend uitsluitelijk recht om bankbrieven uit te geven, wordt hierbij opnieuw voor den dutir van één jaar, tot 22 December 1917, verlengd.
Brussel, den 17n December 1916.
B, A. 24079.
No. 291. — 23. december 1916.
Verordening houdende toekenning van voorlopige kredieten te gelden op de begrotingen voor voor het dienstjaar 1917.
Art 1. Voorlopige kredieten, te gelden op de begrotingen der gewone uitgaven voor het dienstjaar 1917, worden geopend, te weten: Franks
Aan het Ministerie van Financiën, voor den dienst der openbare schuld . . . 17.415.000
Aan het Ministerie van Financiën, voor de dotatiën 364.000
Aan het Ministerie van Justitie .... 14.514.300
Aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken 3.137.250
Aan het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten 21.772.050
Aan het Ministerie van Nijverheid en Arbeid 7.674.500
Aan het Ministerie van Financiën . . . 56.942.350
Aan het Ministerie van Landbouw en Openbare Werken 14.600.220
Aan het Ministerie van Financiën, voor onwaarden en terugbetalingen . . . 820.500
Aan het Ministerie van Financiën, voor de ontvangsten en uitgaven voor order . 60.436.820
Art, 2. Beze Verordening wordt met ingang van 1 januari van kracht.
Brussel, den 17n december 1916.
C. C. lU 12902.
No. 291. — 23. december 1916.
VERORDENING.
Verordening betreffende het heffen van belastingen gedurende het jaar 1917.
De rechtstreekse en onrechtstreekse belastingen juli en in hoofdsom en opcentiemen ten voordele van de Staat, gedurende het jaar 1917 verder geïnd worden, volgens de op 31 december 1916 geldende wetten en tarieven, welke den omslag en, de heffing er van regelen.
Art. 2. Deze Verordening wordt met ingang van 1 januari 1917 van kracht.
Brussel, den 17n december 1916.
C. C. /7a 12902.
No. 291. — 23. december 1916.
Verordening *** betreffende aanvulling van de Verordening van 21 Juli 1916, over de benutting van haver. Enig artikel.
Art. 1 der Verordening van 21 Juli 1916 wordt aangevuld als volgt: De ten voordele der burgerlijke bevolking aangeslagen haver uit den oogst van 1916, kan in de bedrijven, die door den „Kreischef" toegelaten zijn, ook worden verbruikt voor het vervaardigen van menselijke voedingsmiddelen.
Brussel den 12n december 1916,
C.C.VI 11449.
No. 291. — 23. december 1916.
Verordening betreffende uitbreiding en vereenvoudiging van den dienst der postchecks en postoverschrijvingen.
Het keizerlijk Duits beheer van posterijen en telegrafen in België is gemachtigd, de Verordening van 29 juni 1916 heropenden dienst der postchecks en postoverschrijvingen met ingang van 1 januari 1917 uit te breiden en te vereenvoudigen als volgt:
I. De dienst der postoverschrijvingen die overeenkomstig punt II, 7 van de Verordening van 29 juni 1916 vooreerst tot het verkeer binnen het gebied van het Generalgouvernement beperkt bleef, wordt, op grondslag van de bepalingen der op 1 november 1910 in het koninkrijk België in werking getreden overeenkomst over den dienst der postoverschrijvingen en van de uitvoeringsbepalingen tot die overeenkomst, alsook van het koninklijk besluit van 15 oktober 1910, derwijze op het verkeer tussen België en Duitsland uitgebreid, dat overschrijvingen zijn toegelaten van rekeningen bij het kantoor van postchecks te Brussel op rekeningen bij het kantoor van postchecks te Brussel op rekeningen bij een kantoor van postchecks in Duitsland en omgekeerd. Daarbij worden de bepalingen van bovenbedoelde overeenkomst gewijzigd wat volgende punten betreft:
1. Op de keerzijde van den scheurkoepon der overschrijvingen of, in de plaats daarvan, de keerzijde van het kredietbericht, mogen geen mededelingen voor den bestemmeling geschreven worden; zulke mededelingen zouden den scheurkoepon of het kredietbericht ongeldig maken.
2. Voor de wederzijdse vereffening gelden navolgende grondregelen:
a) de bedragen, die op een en dezelfden dag wederzijds overgeschreven zijn, worden, zover zij elkander dekken, onmiddellijk vereffend.
b) Het niet vereffend bedrag wordt op het debiet van het schuldig blijvend debet geboekt. Voor de schuld zijn, van den zesden dag na de afgifte der overschrijvingslijsten af, intresten op te brengen. De interest blijft 1 t. h. beneden het ambtelijk bedrag van het bankdisconto in het land van het schuldeisend beheer, en bedraagt ten minste 3t.h.. en ten hoogste 4,2 t. h. Voor de berekening komen alleen bedragen van ten voile 1000 mark in aanmerking.
II. De Duitse overheden binnen het gebied van het Generalgouvernement genieten volle vrijstelling van rechten voor hun ambtelijk verkeer van postchecks en postoverschrijvingen binnen dat gebied, alsook voor hun ambtelijk verkeer van overschrijvingen naar Duitsland; de Belgische staats- en gemeenteoverheden genieten de vrijstelling van rechten in dezelfden omvang, ais die hun voor postzendingen is toegekend.
III. Het voor stortingsbulletins en postchecks vastgestelde hoogste bedrag van 8.000 mark = 10.000 frank, mag tot om het even welk bedrag overschreden worden, wanneer de storter of lastgever en de bestemmeling van het stortingsbulletin of van het kredietbericht beide Duitse overheden zijn.
Brussel, den 12n november 1916.
P. T. IV H. R. Nr. 271.
No. 291. — 23. december 1916.
Verordening *** betreffende lijm en gelatine.
Art. I. Al de stapels beenderlijm, lederlijm en gelatine van meer dan 50 kilo, die op 23 december 1916 binnen het gebied van het Generalgouvernement voorhanden zijn, om het even of zij voor den voortverkoop dan wel voor het eigen gebruik moeten dienen, worden hierbij in beslag genomen. Zij moeten ten laatste op 6 januari 1917 schriftelijk hij de Oliecentrale (Oelicentrale) in België te Brussel, aangegeven zijn.
Art. II. De niet vervaardigde of nieuw ingevoerde waren van de onder artikel I vermelde soort, zijn van af het ogenblik van de vervaardiging of van den invoer te beschouwen als aangeslagen waren en moeten binnen acht dagen na de vervaardiging of na den invoer bij de Oliecentrale worden aangegeven.
Art. III. Zowel de eigenaar als ieder bezitter, inzonderheid de stapelhouder, zijn verplicht aangifte te doen. Zij die verplicht zijn aangifte te doen moeten zich van elke werkelijke en rechtelijke beschikking over de waar onthouden; zij hebben evenwel voor de goede bewaring ervan te zorgen.
Art, IV. De Oliecentrale beschikt over de aflevering der stapels. De vergoeding geschiedt volgens de algemene grondregelen betreffende de inbeslagneming van goederen.
Art. V. Overtredingen worden met ten hoogste 10.000 mark boete en met ten hoogste 6 maanden gevangenis of met één van beide straffen gestraft. Terzelfder tijd kan de verbeurdverklaring der stapels uitgesproken worden.
De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.
Brussel, de 18n december 1916.
€. C. /Fa 23050.
No. 291. — 23. december 1916.
Bekendmakingen betreffende de liquidatie van Britse ondernemingen. Met toestemming van den Heer Generaalgouverneur in België, heb ik, overeenkomstig de Verordening van 29 Augustus 1916 over de liquidatie van Britse ondernemingen (Wet- en Verordeningsblad voor de belette streken van België, nr. 253, van 13 september 1916, volgende liquidaties bevolen:
1. van het in België voorhanden vermogen van de firma „Antwerp Water Works Company Limited London", te Antwerpen. [Liquidator: de heer Dr. J. M. Lappenberg, Rechtsanwalt te Antwerpen, Kantoor van toezicht over handelsondernemingen (Aufsichtsstelle fur Handelsunternemungen) .
2. van het in België voorhanden vermogen van de firma „Imperial Continental Gas Association', te Londen E. C, inzonderheid van de haar toebehorende ondernemingen „Compagnie du Gaz d'Anvers' te Antwerpen, en „Compagnie Continentale du Gaz de Bruxelles \ te Brussel. (Liquidator: de heer Dr. J. M. Lappenherg, Rechtsanwalt te Antwerpen, Kantoor van toezicht over handelsondememingen) . De liquidator verstrekt nadere inlichtingen.
Brussel, den 16n december 1916.
C. C. /Fa 23349.
No. 291. — 23. december 1916.
Verordening over de verjaringstermijnen. Enig artikel.
De schuldvorderingen van kooplieden en ambachtslieden wegens levering van waren of uitvoering van werken, op personen, die geen kooplieden zijn (artikel 2 en 3 van de wet van 1 Mei 1913} verjaren, zover e nog niet verjaard zijn, niet voor afloop van het jaar 1917.
Brussel, den 17n december 1916,
C. C. IVa 22527.
No. 291. — 23. december 1916.
BEKENDMAKING. *** Op grond mijner Verordening van 8 Juli 1916 betreffende de Oogstcommissies, evenals der uitvoeringsbepalingen van 8 Juli 1916 tot deze Verordening, heb ik, op voorstel der Centrale Oogstcommissie (Zentral- Ernte-Kommission) , de hoogste prijzen voor den verkoop van gedorst koren, meel, zemelen en brood voorshands als volgt vastgesteld:
voor tarwe uit stapelplaats of molen geleverd fr.50.95 per 100 kg,
voor rogge uit stapelplaats of molen geleverd fr.28,73 per 100 kg
voor masteluin uit stapelplaats of molen geleverd fr. 30,11 per 100 kg
voor ongepelde spelt uit stapelplaats of molen geleverd fr. 27,58 per 100 kg
voor zemelen uit den molen geleverd ... „ 21,50 per 100 kg
voor tarwemeel aan bakkers of gebruikers geleverd , 63,25 per 100 kg
voor roggemeel aan bakkers of gebruikers geleverd, 45 per 100 kg
voor masteluinmeel aan bakkers of gebruikers geleverd 37,84 per 100 kg
voor tarwebrood aan gebruikers geleverd 0,55 „ kg.
Deze hoogste prijzen worden op 1 januari 1917 van kracht.
Den Provincialen Oogstkommissies (Frovinzial-Ernte- Kommissionen) wordt de bevoegdheid verleend, voor de omschrijving van afzonderlijke gemeenten op verzoek of na raadpleging van de burgemeesters, telkens een lageren hoogsten prijs voor tarwebrood, evenals hoogste prijzen voor brood tot het bereiden waarvan roggemeel wordt gebruikt, vast te stellen. Voor de verkopen der voortbrengers van koren aan het Nationaal Hulp- en Voedingskomiteit, blijven de hoogste prijzen vastgesteld in de uitvoeringsbepalingen tot de Verordening van 8 Juli 1916, betreffende de Oogstcommissies, van kracht.
Brussel, den 19n december 1916.
Z. E. K. 2028,
No. 291. — 23. December 1916.
Verordening betreffende de regeling van denhandel in brandewijn en gist.
354 . No. 291. — 23. DECEMBER 1916.
Verordening betreffende de regeling van den handel in brandewijn en gist.
Art. 1. Het vervaardigen van brandewijn en gist,evenals de handel in deze beide, tot de voorziening van de Belgische bevolking dienende voortbrengselen,wordt, onder toezicht van het Hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschef) bij den Generaal gouverneur in België, door de Brandewijncentrale(Brandwein-Zentrale) in België geregeld. Aan het hoofd van de Brandewijncentrale wordt,door den Generaal gouverneur in België, een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter benoemd. Bovendien stelt het Hoofd van het burgerlijk bestuur drie bijzitters aan, waarvan ten minste twee Belgen moeten zijn, en, die zo nodig, in belangrijke vragen hun deskundig oordeel te geven hebben.
Art. 2. Tot het vervaardigen van brandewijn en gist mag slechts worden overgegaan met de te allen tijde herroepbare toelating van de Brandewijncentrale en met inachtneming van de door deze laatste vastgestelde voorwaarden. Tegen de weigering en intrekking van bedoelde toelating mag, binnen twee weken te rekenen van dendag der kennisgeving af, verzet aangetekend worden bij het Hoofd van het burgerlijk bestuur, die zonder beroep beslist.
Art, 3. Wie brandewijn vervaardigt (stoker) of in ketelwagens of vaten invoert in het gebied van het Generaal-Gouvernement, is verplicht dezen brandewijn tegen vergoeding aan de Brandewijncentrale over te laten (
Artikel 6). Wie met aanvang van 24 december 1916 brandewijn,waarvan de rechten, en de tol niet betaald zijn,in bewaring heeft, of gerechtigd is er over te beschikken,is eveneens verplicht deze waar aan de Brandewijn centrale over te laten. Alle overeenkomsten en beschikkingen, die in strijd zijn met deze Verordening, houden hierbij op van kracht te zijn,
Art. 4. Wordt de brandewijn niet vrijwillig overgelaten,zoo kan het Hoofd van het burgerlijk bestuur,op voorstel van de Brandewijncentrale, den eigendom der waar aan deze laatste overdragen. De overgang van eigendom heeft plaats op het ogenblik dat de bezitter van den brandewijn of hij, die gerechtigd is erover te beschikken, het bevel der eigendom overdraging ontvangt.
Art. 5. De brandewijn is af te leveren in overeenkomst met de aanwijzingen der Brandewijncentrale. Al wie verplicht is brandewijn aan de Brandewijncentrale over te laten, is gehouden deze laatste naar waarheid inlichtingen te verschaffen omtrent den aard en den omvang van zijn vervaardiging en van zijn voorraad, alsook de afgevaardigden der Brandewijncentrale toegang te verlenen tot stokerijen, burelen en stapelplaatsen, en hun de zakenboeken te laten nazien. Inzonderheid is hij, die met aanvang van 24 december 1916 brandewijn, waarvan de rechten en de tol niet betaald zijn, in bewaring g heeft, gehouden ten laatste op 29 december 1916, de Brandewijncentrale naar waarheid inlichtingen te verschaffen omtrent de voorraden, onder aangeving der soorten en der bijnaam genoemde eigenaars. De brandewijnvoorraden moeten, tot op het ogenblik dat de Brandewijncentrale of de door de Brandedewijncentrale aangegeven andere personen ze overnemen,behoorlijk bezwaard, behandeld en volgens dein den handel gebruikelijke wijze verzekerd worden.
Art. 6. De brandewijn is tegen een passende prijs over te nemen. De te betalen prijs voor den over te nemen brandewijn en de voorwaarden van betaling worden. Nadat de bezitters gehoord zijn, door den voorzitter van de Brandewijncentrale of door dezes plaatsvervanger vastgesteld. Tegen deze vaststelling mag binnen twee weken, te rekenen van den dag der kennisgeving a/,verzet aangetekend worden bij het Hoofd van het burgerlijk bestuur, die zonder beroep beslist.
Art. 7. De prijs waar tegen de Brandewijncentrale den overgelaten brandewijn voort verkoopt, wordt vastgesteld door het Hoofd van het burgerlijk bestuur nadat geschikte deskundigen zijn gehoord. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur schrijft eveneens de overige voorwaarden voor, inzonderheid wat den verkoop van de brandewijnvoortbrengselen in den kleinhandel betreft.
Art. 8. De overschotten van de Brandewijncentrale zullen volgens nadere bepalingen van het Hoofd van het burgerlijk bestuur gebruikt worden, om de kosten van beheer in het bezet Belgisch gebied te bestrijden.
Art. 9. Al de betwistingen, ontstaan tussen de Brandewijncentrale en derde personen, worden dooreen te Brussel zetelend scheidsgerecht beslecht. Het scheidsgerecht is samengesteld uit den voorzitter en twee leden, waarvan een vertegenwoordiger van de stokerijnijverheid en een vertegenwoordiger van de nijverheden waar brandewijn wordt verwerkt. De Artikelen 1005 tot 1028 van de Belgische burgerlijke rechtspleging zijn niet toepasselijk op dit scheidsgerecht. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur benoemd de leden van het scheidsgerecht; voor ieder lid wordt een plaatsvervanger aangeduid. Het staat het scheidsgerecht vrij, deskundigen en getuigen te horen. Het scheidsgerecht regelt –zelf zijn werkzaamheden. Het bepaalt naar vrije schatting de kosten van de rechtspleging, de partijkosten inbegrepen. De voorzitter stelt de vergoeding vast die de leden van het scheidsgerecht en de deskundigen voorde uitoefening van hun bezigheden toekomt, evenals de vergoeding voor tijdverlet en reiskosten van de getuigen en van de deskundigen. De uitspraken van het scheidsgerecht zijn zonder beroep.
Art. 10. Overtredingen van deze Verordening of van de daartoe uitgevaardigde uitvoering bepalingen worden gestraft met ten hoogste 3 jaar gevangenis of met ten hoogste 100. 000 mark boete. Ook kunnen beide straffen tegelijk worden uitgesproken. Naast deze straffen kan tot de verbeurd verklaring van den brandewijn, evenals in geval van overtreding van Artikel 2 tot de verbeurdverklaring der stokerij gereedschappen worden besloten. De verbeurd verklaarde brandewijn is, overeenkomstig Artikel 6, aan de Brandewijncentrale over te laten. De krijgsrechtbanken en de krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.
Art. 11 De Belgische tol- en accijnswetten worden door deze Verordening niet gewijzigd.
Art. 12. Uitvoeringsbepalingen tot deze Verordening worden door het Hoofd van het burgerlijk bestuur uitgevaardigd.
Art. 13. Deze Verordening wordt met ingang van 23 december 1916 van kracht.
Brussel, den 13n december 1916. C. C. lia 129U.
No. 292. — 26. DECEMBER 1916.
VERORDNUNG,
Verordening waarby regelingen en overdrachten veroorloofd en bqkredieten ^erleend worden op de begroting van het dienstjaar 1915.
I. — Regelingen.
Art. I. Ten einde de Vereffening mogel^k te maken van schuldvorderingen die tot het dienstjaar 1914 en vroegere dienstjaren hehooren wordt machtiging verleend om aan te rekenen:
A Op de begroting van Justitie voor 1915:
1° ten laste van Art. 10 (Rechthanken van eersten aanleg en van koophandel) , een som van honderd frank (100 frank);
2'^ ien lasle van art 18 (Gerechtskosten in Ujl^iraffelijke en boetstraffelijke zaken, in politiezaken, enz.)f een som van twintig duizend frank (20.000 frank);
3° ten laste van Art. 28 (Lagere geestelijkheid van den katholieken eeredienst)^ eene som van vijfhonderd frank (500 frank);
4° ten laste van Art. 30 (Hervormde en Anglicaansche eeredienst. — Personeel), eene som van zevenhonderd frank (700 frank);
5° ten laste van Art. 31 (Hervormde en Anglicaansche eeredienst, — Toelagen, enz.) eene som van honderd frank (100 frank);
6° ten laste van Art. 43 (Onderhoudy kleeding, slaapgerief en voeding van de gevangenen^ enz.) y eene som van zeshonderd frank (600 frank);
7° ten laste van Art. 59 (Toelagen aan tvetenschappelijke tijdschriften, hetreffende de rechtswetenschap, enz.) een som van negenhonderd frank (900 frank);
B. Op de begroting van Wetenschappen en Kunsten voor 1915, ten laste van Art. 29 (Materieel der Staatshoogescholen enz.), een som van honderdveertig frank zeven en veertig centiemen (fr. 140.47);
C. Op de begroting van Financiën voor 1915: 1° ten laste van Art. 3 (Honoraria der advocaten en der pleitbezorgers van het département. — Proceskosten), eene som van acht duizend vyfhonderd frank (8,500 frank);
2° ten laste van Art. 18 (Wachtgelden van ambtenaren en beaynbten in beschikbaarheid) , eene som van vijf duizend vierhonderd frank (5,400 frank);
3° ten laste van Art. 23 (Jaarwedden van het personeel van de registratie en het zegel), eene som van dertig frank vijf en twintig centiemen (fr. 30,25);
4° ten laste van Art. 24 (Jaarwedden van het personeel der doMeinen), eene som van twaalf duizend vijfhonderd acht en dertig frank acht en twintig centiemen (fr. 12.538,28);
5^ ten laste van Art. 25 (Percentsgewijze hezoldiging der ontvangers. — Kosten van inning), eene som van drie duizend achthanderd drie en zeventig frank vier en twintig centiemen (fr. 3,873,24);
6^ ten laste van Art. 28. (Materieel), eene som van tien duizend vijfhonderd vier en twintig frank zeven en zeventig centiemen (fr. 10,425.77);
D. Op het hijvoegsel van de begroting van Financi'én voor 1915: ten laste van Art. 31 (Verleening om de ontoereikende inkomsten te dekken van de pensioenkassen voor weduwen en weezen, van het ooorzieningsfonds der loodsen en andere agenten van het Zeewezen, &n van het Central voorzie-» ningfonds der gemeentesecretarissen) , eene som van vijf millioen vierhotnderd en een duizend honderd negen en dertig frank zes en vijftig centiemen (fr. 5,401,139.56);
E. Op de begroting van Landhouw en Openhare Werken voor 1915.
Tabel A. (Landbouw.)
1° ten loste van Art. 19 (Voordrachten over landbouw enz. . . Practische centraalschool en leergangen voor hoefsmederij), een som van dertien frank acht en tivintig centiemen (fr. 13.28);
2° ten laste van Art. 29 (Matrieel der Staatstuinhouwscholen, enz.), een som van twee duizend driehonderd negentig frank negentien centiemen (fr. 2.390,19);
Tabel B. (Openbare Werken.)
1° ten laste van Art. 3 (Wegen: oniderhoud, verhetering, rechtmaking, enz.) eene sont van vyftienhonderd acht en vijftig frank hvee en veertig centimen (fr. 1.558,42);
2° ten laste van Art. 5 (Paleizen, hôtels, gebouiven en monumenten toehehoorende aan den Staat: onderhoud eaiz.), eene som van drie duizend zeshonderd frank (3.600 frank);
3° ten laste van Art. 6 (Militaire gehouwen en gehouwen van de Gendarmerie, onderhoud enz.), een som van driehonderd tivaalf frank vijftien centiemen (fr. 312,15);
4° ten laste van Art. 7 (Vaarten, rivieren, polders, hesproeiingen, enz.) eene som van negen duizend frank (9,000 frank);
5° ten laste van Art. 9 (Havens, kust, vuurtorens, enz.) eene som van vijf en vijftig frank (55 frank);
6° ten laste van Art. 19 (Commissie belast met de studie der vraagstukken hetreffende de inrichting der omstreken van Antwerpen), eene som van acht frank vier en negentig centiemen (fr. 8.94).
F. Op de begroting der Onivaarden en der Terughetalingen voor 1915, ten laste van art 7 (Régistratie en doMeinen. — Teruggave van verkeerdelyk geheven rechten, enz.), eene som van zes duizend vijfhonderd een en dertig frank negen en dertig centiemen (fr. 6.531,39).
II. — Overdrachten.
Art. 2. Worden toegelaten, ten heloope van vierhonderd vijf en tachtig duizend zeshonderd twee en zeventig frank zeven en tachtig centiemen (fr. 485.672.87), de overdrachten op de begroting voor het dienstjaar 1915, omstandig vermeld in de hij de tegenwoordige verordening gevoegde tahel A en beloopende:
Voor de begroting van Justitie . . fr. 111,500.—
Voor de begroting van Wetenschappen en Kunsten fr. 355,946,29
Voor de begroting van Financiën . fr. 17,000.—
Voor de begroting van Landhouw en Openhare Werken fr. 1.226.58
Te zamen . . fr. 485.672.87
III. Bykredieten.
Art. 3. Bijkredieten te hrengen op de begrotingen "Voor het dienstjaar 1915, ten beloope van elf millioen jsevenhonderd en zeventien duizend vierhonderd frank acht en veertig centiemen (fr. 11.717.400,48) zijn geopend. Die door de gewone middelen van de begroting te hestrijden kredieten zijn overeenkomstig de hij deze verordening gevoegde tahel B vt>,deeld en heloopen:
Voor de begroting der Dotatiën . fr. 5.888.30
Voor de begroting van Justitie . fr. 157.500.—
Voor de begroting van Binnenlandsche Zaken fr. 25.—
Voor de begroting van Nyverheid en Arheid fr. 926.14
Voor de begroting van Financiën fr. 11.533.006.04
Voor de begroting van Landhouw en Openhare Werken . . . . fr. 20.055.—
Te zamen . . fr. 11.717.400.18
IV. Verschillende bepalingen.
Art. 4. In de begroting van Financiën voor 1915, wordt de omschrijving van Art. 29 (Uitgaven van de doMeinen) aangevuld door de woorden: „Er inbegrepen de doMeinuitgaven van allen aard aan vroegere dienstjaren toebehoorende."
Art. 5. Deze verordening zal den dag harer afkondiging in werking treden.
Brussel, den 23n December 1916.
C. C. lia 11975.
No. 292. — 26. DECEMBER 1916.
Verordening betreffende den buitengewonen zittijd van den provincieraad der provincie Westvlaanderen.
Art. 1. De provincieraad der provincie Westvlaanderen is hierbij, op Woensdag 10 Januari 1917, '5 voormiddags te 11 uur (Duitse tijd), te Brugge, hoofdplaats der provincie, tot een buitengewonen zittijd opgeroepen.
Art. 2. De afkondiging dezer oproeping geschiedt alleen in het Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België en in het Verordeningsblad voor het Etappengebied van het IVe léger.
Art. 3. De uitnoodiging der leden van den provincieraad geschiedt door de bestendige afvaardiging. De opening en sluiting geschiedt namens den Opperbevelhebber van het IVe léger door den Voorsitter van het burgerlijk bestuurf (Prâsident der Zivil' verwaltung) of, op zijn beveh door het medelid der bestendige afvaardiging dat door deze laatste is aangewezen.
Art. 4, De zittijd duurt niet langer dan twee dagen en wordt hij gesloten deuren gehouden. Op de dagorde staan slechts de twee volgende punten, waarover alleen mag worden beraadslaagd: Vaststelling van de rekeningen over ontvangsten en uitgaven voor het afgelopen rekeningsjaar 1916 en vaststelling van de provinciebegroting voor het rekeningsjaar 1916 en vaststelling van de provinciebegroting voor het rekeningsjaar 1917.
Art. 5. De provincieraad neemt in dezen zittijd, welk ook het aantal aanwezige leden zij, geldige besluiten. Algemeen Hoofdkwartier van het IVe léger en Brussel, den 21n December 1916.
y 12624
C. C. irb 2887.
No. 292. — 26. DECEMBER 1916.
BESCHIKKING.
Overeenkomstig lid 1 van artikel 4 der wet van 5 Juli 1899 op de riviervisvangst, wordt artikel 26 van het koninklijk besluit van 31 Met 1913, betreffende het afleveren van visverloven, als volgt aangevuld:
Art. 1. Afgezien van de bepalingen van artikel 26 uit het koninklijk besluit van 31 Mei 1913 over het onttrekken van visverloven, mogen geen visverloven van meer dan 2 frank worden afgeleverd aan:
a) kinderen beneden 16 jaar;
h) personen, die in de laatste drie jaar, wegens overtreding van de voorschriften op de visserij, tot een boete van 50 frank of meer veroordeeld werden;
c) personen, die bij rechterlijk vonnis een der onder artikel 31 van het Strafwetboek vermelde rechten — niet slechts het recht om wapens te dragen — hebben verloren;
d) personen, die bij vonnis onder bewaking der politie gesteld zijn.
Art. 2. Wie een visverlof van meer dan 2 frank aanvraagt, moet den met het afleveren der visverloven belasten beambte een getuigschrift van de gemeenteoverheid zijner woonplaats overleggen, waaruit blijkt dat geen der in artikel 1 onder a d vermelde gevallen voor hem in aanmerking komt.
Brussel, den 18n december 1916,

No. 292. — 26. DECEMBER 1916.
Uitvoeringsbepalingen tot de Verordening van 13 december 1916 betreffende de regeling van den handel in brandewijn en gist.
Op grond van artikel 12 der Verordening van 13 december 1916 betreffende de regeling van den handel in brandewijn en gist, besluit ik tot nader order ket volgende:
Art. 1. Brandewijn in den zin der Verordening van 13 December 1916, is alle niet verwerkte brandewijn (flegmes, alcools rectifiés et alcools non rectifiés). De bijproducten blijven vrij, voor zover er geen andere wettelijke bepalingen zijn, en bijzonderlijk de fusel valt niet onder de toepassing der Verordening, zolang hij niet meer dan 8 gewichtsgedeelten wijngeest per 100 inhoudt.
Art. 2. De stokerijen en gistfabrieken in werking bij het in kracht treden der Verordening, moeten tot 6 januari 1917 aan de Brandewijncentrale (Brandwein- Zentrale) , waarheidsgetrouw, alle grondstoffen aangeven, welke zij in magazijn hebben of waarover zij beschikken.
Art. 3. De stokerijen en gistfabrieken in werking zijnde bij het in kracht treden der Verordening, moeten, tot 3 januari 1917, schriftelijk de toelating aanvragen, welke door Art. 2 der Verordening van i/3 december 1916 voorgeschreven is. Tot de mededeling van het antwoord op deze aanvraag, maar ten laatste tot 20 Januari 1917, is het de fabrieken toegestaan hun bedrijf voort te zetten.
Art. 4. Het is verboden brandewijn te verzenden, te vervoeren of aan te nemen zonder een geleibrief welke door de Brandewijncentrale opgesteld is.
Brussel, den 22n december 1916.
C C. lia 12914.
No. 293. — 28. DECEMBER 1916.
Verordening *** betreffende de inbeslagneming en afleveringsverplichting van huishoudelijke voorwerpen uit koper, tin- nikkel, geelkoper, brons en tombak.
§ 1. De hierna vermelde voorwerpen zijn hierbij in beslag genomen en aan de afleveringsverplichting onderworpen.
§ 2. Beweeglijke en nagelvaste huishoudelijke voorwerpen uit koper, tin, nikkel, geelkoper, brons en tombak, om het even of zy al dan niet bruikbaar zyn:
1. Allerhande keuken-, huisgerief en huishoudelijk gereedschap, uitgezonderd messen, lepels en vorken.
2. Wasketels, badkuiperij toestellen om warm water te bereiden en andere ketels en vaten.
3. Uithang- en naamborden in huizen en aan huisgevels; handgrepen, deurkloppers en belegsels aan deuren en huizen, zoverre zij niet dienen om te sluiten.
4. Ogen, roeden en bijhorigheden om traplopers en andere tapijten vast te maken.
5. Gewichten.
6. Ander huisgerief en pronkvoorwerpen uit tin. De onder 1-6 vermelde voorwerpen vallen onder de inbeslagneming en de afleveringsverplichting ook dan, wanneer zij niet in huishoudingen in engeren zin, maar in andere bewoonde en onbewoonde gebouwen en lokalen voorhanden zijn (b.v, in dienstlokalen van overheden, ekonomaten, spijslokalen, enz., van fabrieken, trapzalen).
§ 3. Van de inbeslagneming en afleveringsverplichting zyn ontslagen:
1. Voorwerpen aan en in kerken en andere gebouwen en lokalen, die tot godsdienstige doeleinden dienen.
2. Voorwerpen in gasthuizen en klinieken evenals in het particulier bezit van geneesheren, apothekers en andere personen, die de geneeskunst mogen beoefenen, zoverre die voorwerpen voor de ziekenverpleging of bij de beroepswerkzaamheid van geneesheren, enz. onontbeerlijk zijn en niet kunnen vervangen worden.
3. Voorwerpen in openbare verzamelingen.
4. Voorwerpen, die zich in handels- of nijverheidsbedrijven bevinden en ofwel voor den verkoop bestemd, of tot het bedrijf nodig zijn; voor deze voorwerpen zal een afzonderlijke Verordening verschijnen.
§ 4.De inbeslagneming heeft volgende uitwerking: Het is verboden aan de onder de inbeslagneming vallende voorwerpen enige wijziging toe te brengen. Elke rechtszakelijke beschikking over de in beslag genomen voorwerpen, evenals elke verandering van bezit is verboden, zoverre in de volgende paragrafen geen uitzonderingen worden toegestaan. De in beslag genomen voorwerpen moeten zorgvuldig behandeld worden; zij mogen tijdelijk op regelmatige wijze verder worden gebruikt.
§ 0. Afleveringsverplichting: De aflevering van de in beslag genomen voorwerpen moet op bevel der Afdeling voor handel en nijverheid (Abteilung fur Handel und Gewerbe), op de tijdstippen en in de kantoren, die bedoelde afdeling voor de aflevering zal aanduiden, plaats hebben; zij kan ook gedaan worden aan de „Zentrai Einkaiifsgesellschaft fur Belgien", voordat het bevel tot aflevering is gegeven. Van het ogenblik af waarop de aflevering is geschied, gaat de eigendom der afgeleverde voorwerpen over op het Duits legerbestuur. Voorwerpen die onder oogpunt van kunst, kunstnijverheid of geschiedenis waarde hebben, zijn niet aan de afleveringsverplichting onderworpen, in geval de afleveringskantoren die voorwerpen ais zodanig erkennen. Het afleveringskantoor kan om bijzondere redenen voorlopige vrijstelling van de afleveringsverplichting toestaan.
§
§ 6. Schadeloosstelling: Voor de afgeleverde voorwerpen worden navolgende prijzen betaald:
voor 1 kgr. koper . ... 4.00 frank
tin 7.50
nikkel .... 13.00
geelkoper . . . 3.00
brons .... 3.00
tombak . . . 3.00
Bij het vaststellen van het gewicht wordt beslag uit niet aangeslagen stoffen niet medegerekend. De betaling geschiedt met gereed geld op grond der schatting gedaan door het afleveringskantoor. De betaling geschiedt aan den afleveraar, zonder onderzoek naar zijn eigendomsrecht. Indien de afleveraar weigert de betaling te aanvaarden, zo wordt hem een ontvangstbewijs afgeleverd; de vaststelling der schadeloosstelling geschiedt in dit geval door de Rijkskommissie tot regeling der schadeloosstellingen (Reichsentschàdigungskommission) volgens de bestaande grondregelen.
§ 7. Personen en bedrijven waarop de Verordening toepasselijk is: Deze Verordening is toepasselijk op:
1. Huiseigenaars, bewoners van appartementen en hoofden van huishoudens.
2. Personen, bonden en verenigingen van privaat of openbaar rechtelijke natuur, wier gebouwen of lokalen de onder § 2 vermelde voorwerpen bevatten. Hiertoe behoren inzonderheid ook staats-, kerkelijke en gemeente inrichtingen en -bedrijven, met inbegrip van bedrijven, inrichtingen en dienstlokalen die in het bezit of onder bewaring zijn van Duitse krijgs of burgerlijke overheden of van dezer ambtenaren en beambten. Wat betreft de gebouwen die door de eigenaars of bewoners verlaten zijn of niet bewoond worden, zijn de gemeentebesturen voor de uitvoering dezer Verordening verantwoordelijk; de plaatselijke kommandanturen zijn gerechtigd, aan de gemeenten dienaangaande nadere onderrichtingen te geven. Voor woonhuizen, die door Duitse militairen of burgers, krachtens het recht van inkwartiering bezet zijn, is de uitvoering dezer Verordening ten laste der bevoegde krijgsoverheden (plaatselijke kommandanturen).
§ 8. Weghaling door dwang: wordt aan het bevel tot aflevering niet of niet bijtijds gevolg gegeven, zo kan, buiten de strafrechtelijke vervolging, de weghaling door dwang ten koste van den bezitter geschieden. Te dien einde kunnen huiszoekingen worden gedaan. In geval van weghaling door dwang, wordt hoegenaamd geen schadeloosstelling toegekend; door het weghalen zelf gaat de eigendom op het Duits legerbestuur over.
§ 9. Medewerking der gemeenten: de gemeenten en de gemeentebesturen, evenals de gemeenteambtenaren en -beambten zijn verplicht hun medewerking te verlenen wanneer de met de uitvoering dezer Verordening belaste overheden zulks verlangen.
§ 10. Uitvoeringsbepalingen: Het Hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschef) bij den Generaalgouverneur, Afdeling voor Handel en Nijverheid, is gemachtigd, uitvoeringsbepalingen tot deze Verordening uit te vaardigen.

wist je dat?
Tombak, ook wel als tombac of tambac gespeld, is een goedkoop metaal. De legering bestaat voor ten minste 70% uit koper en bevat verder zink. Etymologisch is het woord afgeleid van het Maleis waarin "tambaga" koper betekent. De legering lijkt op messing maar is goudkleuriger en wordt daarom soms rood messing genoemd.
§ 11. Strafbepalingen: Wie de voorschriften dezer Verordening of de op grond er van uitgevaardigde uitvoeringsbepalingen opzettelijk of uit grove nalatigheid overtreedt, wordt met ten hoogste twee jaar gevangenis en met ten hoogste 20.000 mark boete of met een van beide straffen gestraft. Wie tot overtreden van deze Verordening en van de uitvoeringsbepalingen uitnodigt of aanzet, wordt zoverre volgens de algemene strafwet geen zwaarder straffen zijn voorzien, op dezelfde wijze gestraft. De poging tot overtreden is strafbaar. De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.
Brussel, den 13 december 1916.
No. 293. — 28. DECEMBER 1916.
Met ingang van 1 januari 1917 zal het Belgisch arrondissement Bergen van de etappeninspektie van het Iste leger en het krijgsarrondissement Aarlen van de etappeninspektie van het 5de leger afhangen. De krijgsgouverneurs van Bergen en van Aarlen zullen hun ambtszetel in genoemde steden gevestigd houden.
Met ingang van denzelfden dag zullen de gedeelten van het huidig krijgsarrondissement Bergen, die tot het Generalgouvernement blijven behoren, het krijgsarrondissement Zinnik uitmaken. Het Hoofd van het voormalig krijgsarrondissement Bergen zal den zetel van zijn beheer naar Zinnik overbrengen. De grens van beide krijgsarrondissementen en van het Belgisch arrondissement scheidt het etapppengebied van heide hiervoor genoemde legers van het Generalgouvernement. De bekendmaking van 19 december 1915 /a Nr. 14881, Wet- en Verordeningsblad, hl. 1436, wordt hierbij overeenkomstig gewijzigd.
Brussel, den 27 december 1916.
No. 294. — 31. DECEMBER 1916.

No. 294. — 31. DECEMBER 1916.
BESCHIKKING.
Overeenkomstig de wet van 23 Jimi 1894 oj) de maatschappijen van onderlingen bijstand, wordt de onderlingen verzekeringsmaatschappij „Mutuelle Saint Joseph te Grosage (Henegouw) hierbij wettelijk erkend.
Brussel, den 16n Augustes 1916.
C. C. VII 7512.

No. 294. — 31. DECEMBER 1916.
BEKENDMAKING.
Op grond van de artikelen 9, 11, 13, 29 en 31 der wet van 15 Juli 1849 tot regeling van het hoger onderwijs en, op grond van de Verordening van 12/22 Augustus 1916 houdende instelling van eere-professoraten, heeft de Heer Generaalgouverneur in België, navolgende verdere benoemingen aan de Universiteit Gent gedaan:

I. In de Faculteit van Wijsbegeerte en Letteren: . de heer Hippoliet Meert, Dr. in de Germaanse filologie, algemeen bestuurder aan het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten, thans te Gent, benoemd tot gewoon ere-professor voor praktische oefeningen in de Nederlandse taal (Beschikking van 25 november 1916), . de heer Pieter Thibau, Br. in de Wijsbegeerte en Letteren, tijdelijk leraar aan het koninklijk Atheneum te Gent, bij verdere waarneming van dit ambt, belast met het houden van filologische oefeningen in de Griekse en Latijnse taal (Beschikking van 29 november 1916), en de heer Paul Menzerath, Dr. in de Wijsbegeerte en Letteren, buitengewoon hoogleraar in de zielkunde, buitendien tijdelijk belast met het houden van voorlezingen over Romaanse taal en letterkunde (Beschikking van 25 october 1916).

II. In de Faculteit van Rechtsgeleerdheid : 36. de heer René -Claeys, Dr, in de handelswetenschappen, te Merelbeke, met ontheffing van den "vereisten wettelijke doktorsgraad, tot buitengewoon hoogleraar in het volkenrecht en in de sociale wetenschappen (Beschikking van 14 oktober 1916), en de heer Karel Heyndriekx, Dr. in de rechten, stadssecretaris te Sint-Niklaas-Waas, tot gewoon ere-professor in het bestuurlijk recht (Beschikking van 31 oktober 1916).

III. In de Faculteit der Geneeskunde :
de heer C. ten Horn, Dr. in de geneeskunde, gewezen leider der heelkundige en urologische afdeling bij ket Marinehospitaal te Den Helder (Nederland), uit Veendam (Nederland) tot buitengewoon hoogleraar in de heelkunde (Beschikking van 11 november 1916) j en de Heer Professer Edmond Forster, Dr. in de geneeskunde, privaatdocent aan de Universiteit Berlijn, eerste assistent aan de psychiatrische Kliniek der Charité" te Berlijn, tijdelijk belast met het houden van voorlezingen over de weefselleer (Beschikking van 23 november 1916).
Brussel, den 15n december 1916.
C. C. Illh 1391.

No. 294. — 31. DECEMBER 1916.
Verordening betreffend verlenging van de mandaten van de griffiers der provinciën Henegouwen en Namen.
In aansluiting aan mijn Verordening van 19 juni 1916 (Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, bl. 229), verorden ik het navolgende: De mandaten van de griffiers der provinciën Henegouwen, Alfred Longlois, en Namen, X. Bribosia, worden verder tot 30 juni 1917 verlengd. Brussel, den 23n cecember 1916.
C. C. V 12537.

 

Vorige pagina    Indexpagina volgende pagina

OF GA TERUG MET DE BACKTOETS


Kent U de v.z.w. KONINKLIJKE OUDHEIDKUNDIGE KRING VAN HET LAND VAN WAAS
(afgekort K.O.K.W.)

niet, of wil je meer weten over de doelstelling
en werking van deze kring, klik dan
"hier voor Werking K.O.K.W".

DOCUMENTATIE CENTRUM
M.Z. Zamanstraat 49 9100 Sint-Niklaas
Zaterdagen 9u30 tot 12u30
Documentatie centrum
gesloten in juli en aug.