Dagboek Raphaël Waterschoot
 Gesetz- und Verordnungsblatt fur die okkupierten Gebiete Belgiens.
Bulletin officiel des Lois et Arrêtés pour le territoire belge occupé.
Wet en Verordeningsblad voor de bezette strekenvan België.

(TEXTES OFFICIELS door mij aangepast na omzetting)

RÉDIGÉE PAR CHARLES HENRY HUBERICH

DOCTEUR EN DROIT, ANCIEN PROFESSEUR DE DROIT À L'UNIVERSITÉ STANFORD (CALIFORNIE).
MEMBRE DU BARREAU DE LA COURSUPRÊME DES ÉTATS UNIS DE L'AMÉRIQUE,
AVOCATLA HAYE • PARIS - BERLIN - HAMBOURG
ET
ALEXANDER NICOL-SPEYER
DOCTEUR EN DROIT, AVOCAT À LA COUR DE CASSATION DES PAYS-BAS
LA HAYE - ROTTERDAM
Nr 8     02 juli -29 september 1916

LA HAYE    MARTINUS NIJHOF 1916

 

No. 229. — 2. JULI 1916.
BESCHIKKING.
Hoofdstuk I.
Inschrijvingen voor de proef over de moderne talen.

Art. 1. De inschrijvingen voor het hij artikel 1 der wet van 12 Mei 1910 voorziene examen over de moderne talen worden aanvaard, in de hoofdplaats van elke provincie, door de afgevaardigden die gelast zijn over te gaan tot de inschrijvingen voor de op grond van artikelen 10 en 12 van de wet van 10 April 1890 ingerichte voorafgaande examens.
De inschrijvingen worden genomen hetzij rechtstreeks door de belanghebbenden, hetzij door de hoofden van de onderwijsinrichtingen waartoe zij behoren.

Art. 2. Het te betalen recht beloopt 20 frank en wordt door de recipiendi of dezer gemachtigden gestort in handen van den ontvanger der registratie in de plaats waar de inschrijving genomen wordt.
De recipiendi die het examen niet met goed gevolg afgelegd hebben en zich opnieuw aanmelden, evenals zij die zonder voldoende redenen afwezig bleven. moeten andermaal geheel het inschrijvingsrecht betalen.
De recipiendi, die door de jury aangenomen wettige redenen van afwezigheid aanvoeren, betalen, hij een latere inschrijving, nog slechts de helft van dit recht.

Art. 3. Elk afgevaardigde maakt een dubbele lijst op van de door hem aangenomen inschrijvingen. Deze lijst moet bevatten:
1o. Naam, voornamen, datum en plaats van geboorte, en woonplaats van de recipiendi,
2o. hun juist adres,
3o. de opgave van de onderwijsinrichting waar de recipiendus zijne studiën voleind heeft,
4o. de talen waarover het examen moet loopen. Onmiddellijk na afsluiting der lijsten, wordt een daarvan met de kwijtbrieven der storting van het inschrijvingsrecht, aan het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten overgemaakt.

Hoofdstuk II.
Aanstelling der jury.

Art. 4. Besgevallend wordt jaarlijks in iedere provincie een jury aangesteld, om, voor de recipiendi uit de provincie, over te gaan tot het examen over de moderne talen. Deze jury bestaat uit vijf leden, waaronder een voorzitter en een sekretaris. De voorzitter wordt door de regering gekozen uit een dubbele voordracht van kandidaten, welke gedaan wordt door de Koninklijke Vlaamse Academie of door de Koninklijke Academie van België, volgens het gedeelte des lands waar het examen plaats heeft.
Van de vier leden der jury, worden er twee aangeduid door de inrichting waar de recipiendus zijne studiën voleind heeft; de twee andere gekozen door de regering onder de leeraars uit het door den staat bestuurde of ondersteunde onderwijs, zoo de recipiendus zijne studiën voleind heeft in een private onderwijsinrichting en onder de leraars uit het privaat onderwijs, zoo hij zijne studiën voleind heeft in een door den Staat bestuurde of ondersteunde onderwijsinrichting. .
De secretaris wordt door den voorzitter onder de juryleden gekozen. j Met inachtneming van de beginselen die voor de keuze der werkende leden zijn aangegeven, wordt een plaatsvervanger aangeduid voor den voorzitter en voor elk der juryleden.

Art. 5. Op straf van nietigheid, mag niemand als jurylid deelnemen aan het examen van een bloed- of aanverwant tot en met den vierden graad.

Hoofdstuk III.
Zitting der jury.

Art. 6. De jury vergadert in de hoofdplaats van de provincie op een datum welke door den voorzitter bepaald wordt. De voorzitter roept de leden der jury en de recipiendi op.

Art. 7. Het examen loopt over volgende vakken:
A. Voor de recipiendi, die hunne studiën in de Vlaamse gewesten des lands gedaan hebben, en die aan het gewoon Vlaams stelsel onderworpen zijn:
1o. de Vlaamse taal,
2o. de Franse, Duitse of Engelse taal:
B. voor de recipiendi, die hunne studiën in de Vlaamse gewesten des lands gedaan hebben, doch aanspraak mogen maken op de toepassing van het bijzonder stelsel voorzien onder art. 7 der wet van 12 Mei 1910:
1o. de Franse taal,
2o. de Vlaamse taal.
C. voor de recipiendi, die hunne studiën in de Waalse gewesten des lands gedaan hebben:
1o. de Franse taal,
2o. de Vlaamse, Duitse of Engels taal;
D. voor de recipiendi, die hunne studiën in Groot- Brussel gedaan hebben:
1o. de Vlaamse taal,
2o. de Franse taal,
of
1o. de Franse taal,
2o. de Vlaamse taal, naar volgens de verklaring van het gezinshoofd, als moedertaal of gebruikelijke taal van den recipiendus, de Vlaamse of de Franse taal opgeeft;
E. voor de recipiendi, die hunne studiën in de bestuurlijke arrondissementen Aarlen, Bastenaken en Verviers gedaan hebben:
1o. de Franse taal of de Duitse taal,
2o. de Vlaamse taal, de Engels taal of een der heide talen waarover het onder lo vermeld examen niet gelopen heeft.
xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx
Art. 8. Het examen over de eerste taal omvat:
1o. een opstel zonder woordenhoek,
2o. een ondervraging over een geschiedkundig onderwerp in verhand met den cursus uit de retorica of met dien uit de le wetenschappelijke klas. (Voornaamste tijdperken en hoofdfeiten van de vaderlandse geschiedenis).
Het examen over de tweede taal omvat:
1o. een opstel zonder woordenhoek,
2o. het lezen en het mondeling samenvatten en verklaren van een door de jury gekozen tekst.
Voor de vragen op de antwoorden zal uitsluitend gebruik worden gemaakt van de taal waarover de proef loopt.

Art. 9. Voor elk gedeelte van het examen worden punten toegekend aïs volgt:
A. 1o. opstel in de le taal: 70 punten,
2o. ondervraging over de 1e taal: 30 punten,
B. 1o. opstel in de 2e taal: 50 punten,
2o ondervraging over de 2e taal: 25 punten.
Voor 1o en 2o van elk der litteras A en B is te samen de helft der punten vereist.

Art. 10. duur der proef:
A. Geschreven gedeelte:
1o. opstel in de le taal: 4 uren,
2o. opstel in de 2e taal 3 uren.
B. Mondeling gedeelte:
1o. ondervraging over een geschiedkundig onderwerp: 20 m.,
2o. lezen, samenvatten en verklaren van een tekst: 30 m.
De recipiendi mogen evenwel gedurende 15 van deze 30 minuten kennis nemen van den door de jury gekozen tekst.

Art. 11. Het geschreven gedeelte gaat steeds het mondelinge vooraf. Het heeft te gelijkertijd plaats voor al de recipiendi uit een zelfde provincie.

Art. 12. De examens hebben in het openhaar plaats. Het aantal punten, door de recipiendi behaald voor elk vak waarover het examen loopt, wordt in het openhaar afgekondigd.

Art. 13. Het getuigschrift, waarbij de uitslag van het examen wordt vastgesteld, luidt als volgt:
Wij, voorzitter en leden der jury, gelast over te gaan in de provincie. ... tot het bij artikel 1 der wet van 12 Mei 1910 voorzien examen over de moderne talen, bevestigen dat de heer...., geboren te den. . . . met goed gevolg bedoeld examen heeft afgelegd over navermelde vakken: (de talen aangeven waarover het examen van den recipiendus gelopen heeft).
Het getuigschrift wordt ondertekend door al de juryleden die hij het examen aanwezig waren.

Hoofdstuk IV,
Inschrijvingen en Uitgaven.

Art. 14. De opbrengst van de inschrijvingen voor het examen over de moderne talen wordt in de Staatskas gestort.

Art. 15. Ver zittingsdag wordt, onder vorm van aanwezigheidspenning, 25 fr. vergoeding toegekend aan den voorzitter der jury, 23 fr. aan den secretaris en 18 frank aan elk lid.
De zittingsdagen zijn van ten minste 6 uren. Kan, ten gevolge van gevallen van overmacht, deze duur niet bereikt worden, 200 zijn de aanwezigheidspenningen onderscheidenlijk tot 20, 18 en 13 frank te verminderen.

Art. 16. De voorzitters en leden, die in een gemeente wonen, welke meer dan 8 km. van de hoofdplaats der provincie gelegen is, trekken daarenboven reis- en verblijfkosten naar volgende maatstaf berekend:
1o. 1 fr. voor elke 5 km. per spoorweg en 2 fr. per gewonen weg.
2o. 12 fr. per zittingsdag voor verblijfkosten.
Dezelfde vergoeding wordt hun toegekend voor de Zondagen en de wettelijke feestdagen die in den loop van een zittijd vallen, alsmede voor de dagen waarop de werkzaamheden der jury noodzakelijkerwijze zouden geschorst zijn, dit echter voor zover de daardoor ontstaande verblijfkosten in hun geheel niet meer bedragen dan de reiskosten.

Art. 17. Telkens aïs de plaatsvervangende voorzitters en leden opgeroepen zijn om zitting te houden, ontvangen zij dezelfde vergoedingen aïs de titelvoerders.

Hoofdstuk V.
Algemene beschikkingen.

Art. 18. Elke jury houdt een boek voor de processen-verbaal. Dit boek wordt bij eerste en laatste genummerd en op ieder blad door den voorsitter gewaarmerkt.
Het proces-verbaal van elke zitting wordt door den voorzitter, den secretaris en al de leden der jury ondertekend.
Het vermeldt inzonderheid de namen, de voornamen en de geboorteplaats van de recipiendi, alsmede het openings- en het sluitingsuur van de zitting. Het boek der processen-verbaal dient dis aanwezigheidsboek. Tussen de zittijden in, berust het, evenals het archief der jury, in het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten.

Art. 19. Na het sluiten der examens, dient de voorzitter bij het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten, een verslag in over de werkzaamheden gedurende den zittijd.
Hij voegt bij dit verslag:
1o. een naamopgave met den uitslag der examens,
2o. de staten voor de aan de juryleden verschuldigde aanwezigheidspenningen, reis- en verblijfkosten.
Brussel, den 27n Mei 1916.
C. C. III 1602.
No. 229a. — 2. JULI 1916
BESCHIKKING.
Gezien de wet van 10 April 1890—3 Juli 1891 betreffende de begeving der academische graden en het programma der universiteitsexamens en inzonderheid artikel 6 van gemelde wet, luidende aïs volgt: „De vorm van de getuigschriften van middelbare studiën wordt hij een Koninklijk besluit bepaald'\' Gezien de wet van 12 Mei 1910 betreffende de studie der moderne talen in het middelhaar onderwijs van den hogere graad, en inzonderheid de artikelen 5 tot 7 van gemelde wet, waarbij de voorwaarden bepaald zijn van dewelke de vrijstelling van de voorbereidende proef over bedoelde talen afhankelijk is gemaakt; Herzien de besluiten van 31 Januari en 28 Juni 1895 en van 10 Februari 1897 van den Koning der Belgen tot regeling van den vorm der getuigschriften van middelbare studiën;
Wordt beschikt:

Art. 1. De formulieren voor de getuigschriften van middelbare studiën en voor de goedkeuring van gemelde getuigschriften worden als volgt gewijzigd en aangevuld: Formulier Litt. A. Getuigschrift waarbij vastgesteld wordt, dat de houder een volledige humaniora onderwijs, in een middelbare onderwijsinrichting gevolgd heeft.

1. Voor de getuigschriften afgeleverd door een in de Vlaamse gewesten van het land gelegen onderwijsinrichting (Art. 5. lo., van de wet van 12 Mei 1910), als volgt de opsomming der leervakken wijzigen: 4o. de Vlaamse taal; 5o. de Franse, Duitse of de Engels taal. Na de opsomming der leervakken, toevoegen: Ik bevestig insgelijks, voor gans den duur der studiën, 1o. dat de heer. ... de in het Vlaams gegeven leergangen in. . . . (ten minste twee leergangen opgeven, gekozen onder de leergangen in het Latijn. het Grieks, den godsdienst, de geschiedenis, de aardrijkskunde, de wiskunde, de natuurlijke wetenschappen) gevolgd heeft of wel dat. . . . uren (ten minste acht uren) j)er week gewijd zijn geiveest aan het onderwijs in. . . . (de Vlaamse taal of leervakken in. . . . in het Vlaams gegeven) (op bovenstaande lijst voorkomende leervakken); 2o dat .... uren (ten minste drie uren) per week gewijd zijn geiveest aan het onderwijs in. . . . (het Frans, het Engels of het Duits). .

2. Voor de getuigschriften afgeleverd door een in de Waalse gewesten van het land gelegen onderwijsinrichting (Art. 5, 2o van de wet van 12 Met 1910), na de opsomming der leervakken toevoegen: Ik bevestig insgelijks, voor gans den duur der studiën van den heer. . . ., 1o. dat het onderwijs in het Frans gegeven werd (desgevallend bijvoegen) behalve voor den leergang (de leergangen) in. . . . (het Vlaams, Duits, Engels) voor dewelke (dewelke gebruik werd gemaakt van de taal (de talen) zelf waarover het onderwijs liep. of wel dat. . . . uren (ten minste acht uren) per week gewijd zijn geweest aan het onderwijs in. . . . (de Franse taal of leervakken in. . . . in het Frans gegeven); 2o. dat. . . . uren (ten minste drie uren) per week gewijd zijn geweest aan het onderwijs in. . . . (het Vlaams het Engels of het Duits).

3. Voor de getuigschriften afgeleverd door een in Groot-Brussel gelegen onderwijsinrichting aan de leerlingen wier moedertaal of gebruikelijke taal het Vlaams is (Art. 6 der wet van 12 Mei 1910), als volgt de opsomming der leervakken wijzigen: 4o. de Vlaamse taal; 5o. de Franse taal. Na de opsomming der leervakken, toevoegen: Ik bevestig insgelijks: 1o. dat uit de verklaring van het gezinshoofd blijkt, dat de moedertaal of de gebruikelijke taal van den heer .... het Vlaams is; 2o. dat de heer...., gedurende gans den duur zijner studiën, (het overige zoals in formulier 1, lo.) .... gevolgd heeft; 3o. dat de heer .... gedurende dezelfde duur, vier aan .... (de Franse taal of Frans in het gegeven leergangen in . . . .) gewijde lesuren per week gevolgd heeft.

4. Voor de getuigschriften afgeleverd door een in Groot-Brussel gelegen onderwijsinrichting aan leerlingen wier moedertaal of gebruikelijke taal het Frans is (Art. 6 der wet van 12 Mei 1910), als volgt de opsomming der leervakken wijzigen: 5o. de Vlaamse taal. Na de opsomming der leervakken, toevoegen: Ik bevestig insgelijks: 1o. dat uit de verklaring van het gezinshoofd blijkt dat de moedertaal of de gebruikelijke taal van den heer. . . . het Frans is; 2o, dat, gedurende gans den duur der studiën van den heer .... het onderwijs in .... (het overige zoals in formulier 2, lo); 3o. dat de heer .... gedurende dezelfde duur, vier aan .... (de Vlaamse taal of in het Vlaams gegeven leergangen in . . . .) gewijde lesuren les per week gevolgd heeft. N. B. — Voor de leerlingen die hun studiën deels in de stad Brussel of in een der onder artikel 6 van de wet van 12 Mei 1910 opgesomde gemeenten, deels in de Waalse of in de Vlaamse gewesten van het land gedaan hebben, bevestigt het getuigschrift dat de bepalingen van voormelde wet in elk gewest nageleefd werden.

xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx
Voor de getuigschriften afgeleverd door een in de Vlaamse gewesten van het land gelegen onderwijsinrichting, aan de leerlingen die geboren zijn of wier vader of moeder geboren is in het Waals gedeelte des lands of die aldaar gedurende twee jaar hun middelbare studiën gedaan hebben (Art. 7, 2o., paragraaf 1 van de wet van 12 Mei 1910) als volgt de opsomming der leervakken wijzigen: 5o. de Vlaamse taal. Na de opsomming der leervakken, toevoegen: Ik bevestig insgelijks: 1o. dat gedurende gans den duur der studiën van den heer. . . ., die in het Waals gedeelte des lands geboren is of wel wiens. . . . (vader of moeder) in het Waals gedeelte des lands geboren is of wel die gedurende .... jaren (ten minste twee jaren) zijn middelbare studiën gedaan heeft in het Waals gedeelte des lands, (het overige zoals in formulier 2, lo.) 2o. dat, gedurende de zelfde duur, of wel gedurende de schooljaren van den heer .... in het Vlaams land .... uren (ten minste vier uren) per week gewijd zijn geweest aan .... (de Vlaamse taal of in het Vlaams gegeven leergangen in ....).

6. Voor de getuigschriften afgeleverd door een in de Vlaamse gewesten gelegen onderwijsinrichting, aan de leerlingen die geboren zijn te Brussel of in een der onder artikel 6 der wet van 12 Mei 1910 opgesomde gemeenten of wier vader of moeder aldaar geboren is, en wier moedertaal of gebruikelijke taal het Frans is (Art. 7, 2o § 2 van voormelde wet), als volgt de opsomming der leervakken wijzigen: , bo. de Vlaamse taal. Na de opsomming der leervakken, toevoegen: Ik bevestig insgelijks: 1o. dat uit de verklaring van het gezinshoofd blijkt dat de moedertaal of de gebruikelijke taal van den heer. . . ., die geboren is te . . . ., of wel, wiens. . . . (vader of moeder) geboren is te . . . ., het Frans is; 2o. (zoals in formulier 4, 2o) 3o (zoals in formulier 5, 2o) Formulier . B. Getuigschrift waarbij vastgesteld wordt, dat de houder een volledige beroepscursus in een middelbare onderwijsinrichting gevolgd heeft.

1. Voor de getuigschriften afgeleverd door een in de Vlaamse gewesten van het land gelegen onderwijsinrichting (Art. 5, 1o. van de wet van 12 Mei 1910), als volgt de opsomming der leervakken wijzigen: 1o. de Vlaamse taal: 2o. de Franse, de Duitse of de Engels taal. Na de opsomming der leervakken, de vermelding betreffende de studie van de moderne talen (formulier lut. A., 1 toevoegen.

2. Voor de getuigschriften afgeleverd door een in de Waalse gewesten van het land gelegen onderwijsinrichting (Art. 5, 2o van de wet van 12 Mei 1910), na de opsomming der leervakken, de vermelding betreffende de studie van de moderne talen (formulier litt. A„ 2 toevoegen. 3. Voor de getuigschriften afgeleverd door een in Groot-Brussel gelegen onderwijsinrichting, aan de leerlingen wier moedertaal of gebruikelijke taal het Vlaams is, (Art. 6 der wet van 12 Mei 1910), als volgt de opsomming der leervakken wijzigen: 1o. de Vlaamse taal; 2o. de Franse taal. Na de opsomming der leervakken, de vermelding betreffende de studie van de moderne talen (formulier litt. A., 3) toevoegen.

4. Voor de getuigschriften afgeleverd door een in Groot-Brussel gelegen onderwijsinrichting , aan de leerlingen wier moedertaal of gebruikelijke taal het- Frans is, (Art. 6 der wet van 12 Mei 1910), als volgt de opsomming der leervakken wijzigen: 2o. de Vlaamse taal. Na de opsomming der leervakken, de vermelding betreffende de studie van de moderne talen (formulier litt. A. 4) toevoegen.

5. Voor de getuigschriften afgeleverd door een in de Vlaamse gewesten van het land gelegen onderwijsinrichting, aan de leerlingen die geboren zijn of wier vader of moeder geboren is in het Waals gedeelte des lands, of die aldaar gedurende twee jaar hun middelbare studiën gedaan hebben (Art. 7 2o. §' 1 der wet van 12 Mei 1910), ah volgt de opsomming der leervakken wijzigen: 2o. de Vlaamse taal. Na de opsomming der leervakken, de vermelding betreffende de studie van de moderne talen (formulier lut. A, 5) toevoegen.

6. Voor de getuigschriften afgeleverd door een in de Vlaamse gewesten gelegen onderwijsinrichting , aan de leerlingen die geboren zijn te Brussel of in een der onder artikel 6 der wet van 12 Mei 1910 opgesomde gemeenten, of wier vader of moeder aldaar geboren is, en wier moedertaal of gebruikelijke taal het Frans is (Art. 7, 2o., paragraaf. 2 van voormelde wet), dis volgt de opsomming der leervakken wijzigen: 2o. de Vlaamse taal. Na de opsomming der leervakken, de vermelding betreffende de studie van de moderne talen toevoegen. Formulieren Litt. C. en D. Getuigschriften waarbij vastgesteld wordt, dat de houder een cursus van humaniora of van beroepsstudiën in verschillende middelbare onderwijsinrichtingen gevolgd heeft. Voor de aan de formulieren litt. C. en D toe te brengen wijzigingen en aanvullingen, zie hiervoor formulieren litt. A en B. Formulier Litt. G. Goedkeuringsverklaring van de getuigschriften van middelbare studiën. Na de opsomming der leervakken, toevoegen: Overwegende dat de heer . . . . het voorbereidend examen, voorzien hij artikelen 1 tot A der wet van 12 Mei 1910, met goed gevolg heeft afgelegd. of wel Overwegend dat uit gemelde stukken blijkt, dat de heer. . . . voldoet aan de eisen welke hij artikelen 5 tot 7 der wet van 12 Mei 1910 gesteld zijn om vrijstelling te bekomen van het voorbereidend examen, voorzien hij artikelen 1 tot 4 der wet.

Art. 2. Dit besluit zal voor de eerste maal toegepast worden op de getuigschriften, welke afgeleverd zullen worden aan de leerlingen die hun middelbare studiën in 1916 eindigen.
Brussel, den 27n Mei 1916.
C. C. III. 1603.

No. 229b. — 2. JULI 1916

De Verordening van 24 Juni jl. van den Heer Generaalgouverneur, betreffend het heffen van invoerrechten op brandewijn binnen het gebied van Maubeuge, wordt hieronder ter algemene kennis gebracht. Brussel, den 28n Juni 1916. Verordening, betreffend het heffen van invoerrechten op brandewijn binnen het gebied van Maubeuge.

Art. 1. De voorschriften van het Frans toltarief op het betalen van invoerrechten op brandewijn worden, voor het bij het Generaal-Gouvernement aangesloten gebied van Maubeuge van 3 Oktober 1914 af met terugwerkende hracht opgeheven.

Art. 2. Bij het invoeren van brandewijn in het gebied Maubeuge moet aïs tolrecht worden betaald:
1. voor allerhande likeuren en zoogenaamde „aperitief" 330 Fr. per hectoliter vocht, onverschillig welke het alcoholgehalte zij;
2. voor anderen brandewijn:
a) in vaten 310 Fr.
per hectoliter zuiveren alcohol volgens den alcoholmeter van Gay-Lussac op 15° C,
b) in ander vaatwerk 310 ,,
per hectoliter vocht, onverschillig welk het alcoholgehalte is.

Art. 3. Brandewijn, die voor beroepsdoeleinden in vaten wordt ingevoerd, blijft tolvrij, zoverre hij onder ambtelijk toezicht vergald wordt. De Voorzitter van het Burgerlijk Bestuur te Maubeuge bepaalt de wijze waarop het vergallen zal geschieden.

Art. 4. Reeds ingevoerde, tot den verkoop bestemde brandewijn, moet binnen acht dagen na de bekendmaking van deze Verordening, op het Duitse tolkantoor te Maubeuge ter navertolling aangegeven worden. Bij het navertollen worden de onder artikel 2 bepaalde tolrechten tot grondslag genomen; invoerrechten, waarvan bewezen wordt dat zij reeds betaald zijn, worden afgetrokken.

Art. 5. Wie poogt, de op grond van artikels 2 en 4 te betalen invoerrechten te ontduiken, wordt met een boete van viermaal het bedrag der ontdoken tolrechten gestraft; daarbij zullen de tolplichtige waren worden verbeurd verklaard. De bestraffing ontslaat niet van het betalen der rechten op de ingevoerde waren.

Art. 6. Het vaststellen van de onder artikel 5 bepaalde straffen en de verbeurdverklaring der tolplichtige waren ligt in de bevoegdheid van den Voorzitter van het Burgerlijk Bestuur te Maubeuge. Kan het bedrag een boete niet geïnd worden, dan zal het Franse gerechtshof aangesteld bij de Kommandantur te Maubeuge, de boete in een daarmee gelijkstaande gevangenisstraf veranderen. Hierbij moet het bedrag van 3 tot 15 frank met één dag gevangenis worden gelijkgesteld. De op deze wijze uit te spreken gevangenisstraf mag ten hoogste 1 jaar bedragen.

Art. 7. De Verordening wordt met den dag haar bekendmaking van kracht.
Brussel, den 24n Juni 1916.
C. C. lia. 6392.

Op grond van
Art. 3 der Verordening van 17 Februari 1915 (Wet- en Verordeningsblad voor de
bezette streken van België, nr. 41 van 20 Februari 1915), heb ik, in vervanging van den afgetreden Heer Hermann Schoeneberg den Heer Dr. Fritz Wunder tot dwangbeheerder der Société Immobilière d'Anvers Soc. An te Antwerpen, benoemd.
Brussel, den 28n Juni 1916.
B. A. 2205. A.
Xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx
No. 230. — 5. JULI 1916
VERORDNUNG,

Art. 1. De Wirkliche Geheime Ober-Regierungsrat Freiherr von Gagern, lid van het Rekenhof van het Duitse Rijk, is belast met het waarnemen van de Duitse belangen met betrekking tot de werking van het Belgisch Rekenhof.

Art. 2. Deze lasthebber heeft het recht, de gezamenlijke geschriften van het Belgisch Rekenhof in te zien, ophelderende verslagen bij de door dit Rekenhof genomen maatregelen te eisen, evenals dezes zittingen bij te wonen en aldaar het woord te voeren.

Art. 3. De besluiten, door het Belgisch Rekenhof op grond van Art. 8 en 10 der organieke wet genomen, moeten door den lasthebber voor gezien getekend worden.

Art. 4. Ontwerpen van opmerkingen betreffend de algemene rekening, zooverre de rekening voor den tijd bezetting van het land op te maken is, moeten, onder toelichting van het standpunt van het Rekenhof, den lasthebber worden voorgelegd.
Brussel, den In Juli 1916.

No. 231. — 8. JULI 1916.
Verordening betreffend het oprichten van een schoolraad voor de Duitse lagere school te Luik.
§ 1. Voor de leiding der zaken der Duitse school te Luik en voor het beheer der nodige geldmiddelen, wordt een schoolraad opgericht.
§ 2. Deze schoolraad bestaat:
1. uit den dienstdoende voorzitter van het Burgerlijk Bestuur te Luik aïs voorzitter en
2. uit een hogere ambtenaar van het Burgerlijk Bestuur te Luik, die tevens plaatsvervanger is van den voorzitter,
3. uit den bestuurder der Duitse school te Luik,
4. uit twee personen, behorende tot de Duitse Kolonie en in de provincie Luik woonachtig, als leden. De leden van den schoolraad worden door den voorzitter benoemd.
§ 3. Den schoolraad wordt de eigenschap een rechtspersoonlijkheid toegekend. In rechtszaken wordt de schoolraad vertegenwoordigd door den voorzitter of door dezes plaatsvervanger.
§. A. De raad moet in elk schoolkwartaal ten minste eenmaal tot een zitting opgeroepen worden. In de zittingen worden de besluiten bij meerderheid van stemmen genomen. Bij staking van stemmen beslist de stem van den voorzitter. De schoolraad mag steeds besluiten nemen, om 't even hoeveel leden er aanwezig zijn.
§ 5. De voorzitter leidt de lopende zaken; hij is gehouden den schoolraad te raadplegen in alle aangelegenheden van enig belang, inzonderheid éditer bij benoeming of ontslag van onderwijskrachten.
§ 6. De geldzaken worden door een kashouder geleid. Deze wordt door een voorzitter benoemd en zal, zoo mogelijk, genomen worden onder de onderwijskrachten der Duitse lagere school.
§ 7. De kashouder moet jaarlijks rekenschap geven hij den schoolraad. Deze verleent ontlasting.
§ 8. De kashouder mag alleen op aanwijzing van den voorzitter of van dezes plaatsvervanger betalingen doen.
§ 9. Het bedrijfsjaar begint op 1 Oktober van elk jaar en eindigt den 30n September van het volgend jaar. Voor elk bedrijfsjaar zal een begroting der inkomsten en uitgaven opgemaakt worden. De begroting moet door den ,,Verwaltungschef' bij den Generalgouverneur in België worden goedgekeurd. De bevoegdheid van den voorzitter of van dezes plaatsvervanger tot het aanwijzen van betalingen, blijft beperkt tot de bijdragen die in de begroting voorkomen.
§ 10. Binnen twee maand na afloop van elk bedrijfsjaar, stuurt de schoolraad, aan den „Verwaltungschef' bij den Generalgouverneur in België, een zaakverslag over alle gebeurtenissen van enig belang die in het afgelopen schooljaar zijn voorgekomen, alsook over den gang van het schoolbeheer en over het aantal leerlingen. Bij dat verslag zal een op grond der kasboeken afgesloten rekening over het afgelopen bedrijfsjaar gevoegd worden.
Brussel, den 15n Juni 1916.
C. C. lia 6531.
No. 231. — 8. JULI 1916.

Verordening, houdende wijziging der artikelen 8 en 9 van de organieke wet van 15 Juni 1914 op het lager onderwijs.
De artikelen 8 en 9 van de organieke wet van 15 Juni 1914 op het lager onderwijs, worden ook voor het schooljaar 1916 vervangen door de bepalingen der Verordening van 28 Juli 1915 (Wet- en Verordeningsblad,
Brussel, den 24n Juli 1916.
No. 231. — 8. JULI 1916
In uitvoering van artikel 5 der Verordening van 27 Mei 1916 (Wet- en Verordeningsblad, bl. 2213) van den Heer Generalgouverneur, wordt de hierna vermelde gemeente opgenomen in de lijst van gemeenten, aangesloten bij het verzendingskantoor voor de bevoorrading met vroege aardappelen (Verladerbiiro) bij den burgerlijken commissaris te Mechelen. Arrondissement
Brussel-Land.
Gemeente Muizen. Verzendingsstation: Mechelen.
Brussel, den 3n Juli 1916.
No. 231. — 8. JULI 1916.
Verordening, *** betreffend schatting van de graanopbrengst in het jaar 1916.
§ 1. Tussen 20 en 26 Juli 1916, wordt de opbrengst geschat van al de akkers die met graan (wintertarwe, zomertarwe, rogge, masteluin, spelt, wintergerst, zomergerst, haver) werden bebouwd.
§ 2. De schatting moet in elke gemeente door het gemeentebestuur worden gedaan. De boerderijhouders of hun vertegenwoordigers zijn gehouden, juiste aangiften te doen aan het gemeentebestuur en aan de ambtenaars die door de Duitse overheid met het toezicht zijn belast.
§ 3. De schatting geschiedt door middel van invullijsten, die door de bevoegde Provinciale Oogstkommissies (Provinisial Ernte Kommissionen) aan de burgemeesters worden toegezonden en waarop elke landbouwer een afzonderlijke aangifte moet doen voor elk stuk land waarop hij koren en haver heeft gebouwd. Hij moet daarenboven, door eigenhandig zijn naam op de invullijsten te schrijven, bevestigen, dat deze schatting door hem naar zijn beste weten gedaan werd.
§ 4. De schatting der opbrengst omvat alle landbouwbedrijven die, volgens Verordening van 14 April 1916 (Wet- en Verordeningsblad, bl. 1921), hij de opneming der landbouwvlakten in aanmerking komen.
§ 5, alle aangiften zullen de vermoedelijke opbrengst in kilogram per hectare aangeven. De aangiften, die door de landbouwers in dit opzicht niet behoorlijk gedaan werden, moeten door den burgemeester verbeterd worden.
§ 6. De burgemeesters moeten er voor zorgen, dat de kun toegezonden invullijsten behoorlijk en volledig ingevuld zijn. Op het omslagblad, dat zij van de bevoegde Provinciale Oogstkommissie ontvangen, schrijven zij de gemiddelde opbrengst der verschillende graansoorten voor hun gemeente; ten laatste den 28n Juli 1916, sturen zij dat blad, samen met de invullijsten, aan de bevoegde Provinciale Oogstkommissie. Waar de gemiddelde opbrengst een graansoort, zoals zij door de landbouwers op de invullijst aangegeven is, merkelijk onder de gemiddelde opbrengst der gemeente blijft, zal de burgemeester de redenen daarvan opgeven in de daartoe voorbehouden kolom der invullijst.
§ 7. De Provinciale Oogstkommissies ontvangen het nodige aantal invullijsten en omslagbladen van het ,"Agrarstatistisch Buro" (kantoor voor landbouwstatistiek) en zullen alles ingevuld ten laatste den 30n Juli 1916 aan dat kantoor overmaken.
§ 8. Het "Agrarstatistisch Buro" is gelast de gegevens der lijsten en omslagbladen te verwerken. Als dit gedaan is, zullen de Provinciale Oogstkommissies al de oorspronkelijke lijsten terugzenden aan de burgemeesters, die ze, in het gemeentehuis, ter algemene inzage zullen houden.
§ 9. De bedrijfhouders of hun plaatsvervangers, die opzettelijk de aangiften, waartoe zij krachtens deze verordening en de uitvoeringsbepalingen gehouden zijn, niet of onjuist of onvolledig doen, worden met ten hoogste 6 maand gevangenis of met ten hoogste 10 000 mark boete gestraft. Ook kan boete naast gevangenis^ straf uitgesproken worden.
De bedrijfhouders of hun plaatsvervangers, die uit nalatigheid de aangiften, waartoe zij krachtens deze verordening en de uitvoeringsbepalingen gehouden zijn, niet of onjuist of onvolledig doen, worden met ten hoogste drie duizend mark boete gestraft,
§ 10. Bevoegd zijn de krijgsbevelhebbers en krijgsrechtbanken.
Brussel, den 5n Juli 1916.


VERORDNUNG, ***
Verordening *** betreffend overtredingen bij het benuttigen der waterwegen.

Art. 1. De bestaande Belgische bepalingen betreffend bescherming der waterwegen en regeling van het verkeer op de waterwegen zijn ongeldig en worden vervangen door de bepalingen die, in aansluiting daaraan, door de „Baudirektion' (Bestuur van bruggen en wegen) bij het Generaal-Gouvernement reeds uitgevaardigd zijn of nog zullen uitgevaardigd worden.

Art. 2. Wie de voorschriften der Duitse krijgsoverheden betreffend bescherming der waterwegen, regeling van het verkeer op de waterwegen en bewaking van schippers en vaartuigen, of de bevelen tot uitvoering dier voorschriften, overtreedt, wordt gestraft met ten hoogste 1 jaar hechtenis of opsluiting of gevangenis of met ten hoogste 4000 mark boete, zover volgens andere wetsbepalingen geen hogere straffen voorzien zijn.

Art. 3. Bevoegd tot oordeelvellen zijn de Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers. Brussel, den 5n Juli 1916.
No. 231. — 8. JULI 1916.
BERICHTIGUNG.
Lees in artikel VIII, 2e lid, van de Verordening van 15 Juni 1916 betreffend inbeslagneming en gebruik van de gerst (Wet- en Verordeningsblad, hl. 2275): „Gerst, mout of moutkiemen' in plaats van „gerstemout of moutkiemen\ Brussel, den In Juli 1916.
C. C. VIL 6U8.
No. 232. — 10. JULI 1916.
BEKANNTMACHUNG.
Met liet oog op de vertegenwoordiging van het .”Frauenheinh” (Tehuis voor Vrouwen) hij de overheden, en het dienen van advies hij het beschermend komiteit, benoem ik den heer Landrat Dr. von Woyna tot beheerder van het Duits “Frauenheim” in België.
Voor gevallen, die aan mijn beslissing onderworpen zijn, moeten verslagen en voorstellen van den beheerder mij door den „Verwaltungschef' voorgelegd worden.
Brussel, den In Juli 1916.
C. C. I. 2043.
No. 232. — 10. JULI 1916.
Verordening *** betreffend de overlegging der aangiften tot het patentrecht. Wordt verlengd tot en met 31 Juli 1916, het tijdsbestek dat voor de overlegging der aangiften tot het patentrecht wordt voorzien bij artikel 10, § 2, van het besluit van 18 Mei 1916, waarbij de wetgeving in zake rechtstreekse belastingen wordt gewijzigd (Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, Nr. 213).
Brussel, den 8n Juli 1916.

De nieuwe rechtstreekse belastingen, ingevoerd bij besluit van 18 Mei 1916 ten einde het in de Belgische begroting voorkomend tekort te dekken, betreffen namelijk de landbouwers, warmoezeniers, bloemen en boomkwekers, wijngaardeniers, fokkers en alle andere landbouwexploitanten; anderdeels worden aan een klimmend patentrecht onderworpen alle patentplichtigen, wier gezamenlijke beroepswinsten, wedden of verdiensten, behaald of verkregen in een of meer gemeenten, ten minste 10,000 frank per jaar bedragen.
Er wordt aan de bij die bepalingen bedoelde schatplichtigen een tijdsbestek tot en met 31 Juli aanstaande verleend, om de aangiften over te leggen, voorzien bij artikelen 3, § 3, en 4, § 5, van voormeld besluit; zij zullen te dien einde formulieren bekomen. Deze moeten ten spoedigste, behoorlijk ingevuld en ondertekend, teruggezonden worden aan den bevoegden ontvanger der belastingen. De schatplichtigen, die geen formulieren zouden ontvangen hebben, zijn evenwel gehouden de vereiste aangifte ten laatste op 31 Juli aanstaande te doen, bij den ontvanger der belastingen hunner hoofdinrichting.
De schatplichtigen die de bovenstaande voorschriften niet naleven, hebben benevens de verschuldigde belasting een boete van 53 tot 848 frank, voorzien bij artikel 37 der wet van 21 Mei 1819, te betalen.
Brussel, den 8n Juli 1916.C. C, Ilh 1821.
Verordening betreffend het hernemen van den dienst der postchecks en postoverschrijvingen. Het Keizerlijk Duits beheer van posterijen en telegrafen in België is gemachtigd, den dienst der postchecks en overschrijvingen, zoals deze in het koninkrijk België op grond van de wet van 28 December 1912 en van de Koninklijke besluiten van 25 Februari 1913 en 27 Februari 1914 was ingesteld, van 16 September 1916 af voor het gebied van het Generaal-Gouvernement met inachtneming der volgende afwijkingen, te hernemen.
I. Het tegoed dat bij het uitbreken van den oorlog op Belgische postchequerekeningen geboekt was, kan niet overgeschreven worden op de nieuwe rekeningen.

II 1) Alle postkantoren nemen aanvragen aan voor het openen van een postcheckrekening,

2) Alle postkantoren kunnen gelden aannemen op stortingsbulletins en uitbetalingen doen van betalingsmandaten.

3) Het kantoor van postchecks te Brussel levert aan titularissen van postchequerekeningen formulieren voor stortingsbulletins in hoeveelheden van 50 stuk en meer, tegen een vergoeding van 5 centiem per 5 stuk. Iedereen kan op de postkantoren kosteloos een formulier bekomen.

4) Op de scheurcoupons der stortingsbulletins, der check en der overschrijvingen mag, behalve de naam en de woonplaats van den afzender, alleen de naam en de woonplaats van den derden persoon aangegeven worden, ten gunste of ten laste van wien de betaling geschiedt. Geen andere aanduidingen zijn toegelaten; zij zouden den het stortingsbulletin, de chech of de overschrijving ongeldig maken.

5) Het beheer van posterijen belast zich niet met het inschrijven van de bedragen van kwijtbrieven, waardepapieren en dergelijke. (Art. 12 van het besluit van 25 Februari 1913) op het tegoed eener rekening; dit tegoed kan alleen door stortingsbulletins postwissels of overschrijvingen van een andere postchequerekening vermeerderd worden.

6) Telegrafische stortingsbulletins of betalingsmandaten zijn niet toegelaten.

7) De dienst der postchecks en overschrijvingen blijft vooralsnog beperkt tot het verkeer binnen het gebied van het Generaal-Gouvernement.

III. leder titularis eener postcheckrekening mag bij het kantoor van postchecks te Brussel aanvragen, het bedrag van een tegoed, dat weer dan 400 mark bedraagt, dagelijks in ronde sommen van 100 mark of veelvouden daarvan op de aan de Nationale Bank geopende postcheckrekening over te schrijven. Voor deze overschrijvingen is het gebruikelijk overschrijvingsrecht (5 centiem) te betalen.
Voor het afhalen van op zulke wijze op de postcheckrekening van de Nationale Bank overgebrachte gelden, worden geen rechten geheven.

IV. Aan het kantoor van postchecks te Brussel gerichte brieven mogen gesloten verzonden worden; zij worden niet aan den militairen toezichtdienst onderworpen. Het kantoor van postchecks belast zich met het onderzoek van den inhoud dezer brieven.
Brussel, den 29n Juni 1916.
No. 234. — 16. JULI 1916
Verordening houdende opheffing der Verordening van 4 November 1915 betreffend bestrijding van mond- en klauwzeer in het arrondissement Verviers.
De Verordening van 4 November 1915 betreffend bestrijding van mond- en klauwzeer (Wet- en Verordeningsblad, nr .138, bl. 1305), waarbij voor het arrondissement Verviers (provincie Luik) bijzondere bepalingen werden vastgesteld, is hierbij opgeheven.
Brussel, den 3n April 1916.
G. G. IV. C. 3263.
No. 234. — 16. JULI 1916.
VERORDENING.
Enig artikel.
De heer E. Haerens, hoofdingenieur, bestuurder van le klasse van bruggen en wegen, rang hebbende van L gewoon hoogleraar in de faculteit van wetenschappen aan de hogeschool van Gent, is belast met de betrekking van beheerderopziener van deze hogeschool, en van bestuurder der scholen van burgerlijke bouwkunde en van kunsten en fabriekwezen aan de hogeschool gehecht. Hij bewaart zijne andere bevoegdheden.
Brussel, den 15n Juni 1916.
No. 234. — 16. JULI 1916.

VERORDENING.
Enig artikel.
De heer P. Hoffmann, gewoon hoogleraar in de faculteit van wijsbegeerte en letteren aan de hogeschool van Gent, is benoemd tot rector van deze hogeschool voor de rest van het academisch jaar 1915/16 en voor het driejarig tijdperk 1916/17, 1917/18, 1918/19.
Brussel, den 15n Juni 1916.
No. 234. — 16. JULI 1916.
Enig artikel.
De heer E. Lahousse, gewoon hoogleraar in de faculteit van geneeskunde aan de hogeschool van Gent, is benoemd tot secretaris van den academische Raad dezer hogeschool voor de rest van het academisch jaar 1915/16 en voor het academisch jaar 1916/17. Brussel, den 15n Juni 1916.
xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx
No. 234. — 16. JULI 1916.

VERORDNUNG, ***
Verordening *** betreffend de stapelopneming voor metaalbewerkingsmachienen binnen het Gebied van het Generaal-Gouvernement in België.

Art. 1. Met het oog op het vaststellen der binnen het Gebied van het Generaal-Gouvernement voorhanden metaalbewerkingsmachienen, wordt eene stapelopneming gedaan; alle metaalbewerkingsmachienen moeten aangegeven worden. Voor de aangifte dient de op 21 Juli 1916 voorhanden stapel tot maatstaf.

Art. 2. Volgende voorwerpen moeten aangegeven worden:
1e Masse alle draaibanken van 125 mm. spitshoogte en meer,
2e „ „ revolverdraaibanken van 125 twïn. spitshoogte en meer^
3e „ „ automatische draaibanken,
4e „ „ fraiseermachienen (universeel-vertikaal-, horizontaal-, handhefboomfraiseermachinen)
5e „ „ snij- en schaafmachienen voor rechte tandraderen, kegelraderen, raderen voor schroef zonder eind en raderen met schroeflijn.
6e „ „ schaafmachienen,
7e „ „ boormachienen voor gaten van meer dan 5 mm. (zuilen-, staander- en straalboormachienen)
8e „ „ stootmachienen,
9e „ ,, vijlschroeven,
10e „ „ vertikale draaibanken om af te werken en te polijsten,
11ie „ „ horizontale polijst- en fraiseertoestellen,
12e „ „ groevensnij, groevenfraiseer- of groeftoestellen,
13e „ „ doorslagmachienen, plaatscharen, ijzersnijders en draagbalkscheren met hand- en mekanieke bewerking,
14e „ „ plaatbewerkingsmachienen (afkanten plooimachienen)
15e „ '„ hamers (val-, lucht-, stoom- en veerhamers),
16e „ „ persen, excentrieke-, spil- en wrijfpersen,
17e „ „ perstoestellen (water- en luchtdrukpersen),
18e Masse alle metaaUagen (cirkel-, beugel-, en lintzagen),
19e „ ,, slijpmachienen,
20e „ „ afsteekmachienen,
21e „ „ schroefdraadsnijmachienen,
22e „ „. schroefmachienen.

Art. 3. De aangiften moeten voor alle klassen omvatten: Den ouderdom van de machien, het merk en of de machien ogenblikkelijk in of buiten gebruik is. Buitendien voor de le Masse: afstand tussen de spitsen, hoogte der spitsen, spilboring, lei- en trekspïl. Voor de 2e Masse: hoogte der spitsen, spilboring, aantal werktuigen, „ maximum doorsnede van het materiaal
en draallengte, aantal spillen,
„ : tafelafmetingen; voor vertikale fraiseermachienen, afstand tussen de verdeelschijf en de spil,
„ : maximum doorsnede der te fraiseeren tandraderen,
„ : schaaflengte, schaafbreedte en schaafhoogte,
„ : wijdte, diepte der boring en grootte der te boren gaten, aantal boorspillen,
„ : dwarsloop, overlangse en vertikale loop van de tafel, loop van het werktuig en tafelafmetingen,
„ : loop van het werktuig, dwarsloop van de tafel, tafelafmetingen,
„ : doorsnede der plaatschijf, maximum doorsnede en hoogte, aantal steunsels,

Voor de 11e Masse: aantal spillen, doorsnede der spillen en tafelafmetingen,
„ 12e „ : breedte, lengte en diepte der te fraiseren groeven,
„ 13e „ : afmetingen, sterkte van het te bewerken materiaal, werkkracht der machienen,
„ 14e „ : afmeting van het te bewerken materiaal,
„ 15e „ : heiblok,
„ 16e „ : sterkte der spillen, maximum doorsnede of wijdte, werkkracht der machien, maximum afstand tussen de tafel en den drukkingsspilkop,
„ 17e „ ; drukking der machien,
„ 18e „ : bladdoorsnede of lengte van het zaagblad, hij zaagmachienen de afstand tussen de verdeelschijf en het blad,
„ 19e „ : een of twee slijpschijven, afmetingen der slijpschijven, bij ronden bladslijpmachienen, slijplengte en spitshoogte,
„ 20e „ : sterkte van het te bewerken materiaal,
„ 21e „ : grote van de te snijden schroefdraad,
„ 22e „ : spilboring.

De aangiften moeten ten laatste den 28n Juli 1916 hij de „Kreischefs" en Kommandanturen' ingeleverd worden, die de lijsten aan den „General der Fussartillerie beim General-Gouverneur in Belgien" overmaken. Van 21 Juli 1916 af, moet de voorgaande en de nieuwe bezitter binnen 8 dagen bij den generaal der artillerie te voet (General der Fussartillerie) te Brussel, Wetstraat, 10, aangifte doen van elke verandering van bezit der aangegeven voorwerpen.

Art. 4. Alle machienen, die na den 21n Juli 1916 gereed gemaakt worden voor het gebruik, moeten binnen 8 dagen aangegeven worden.

Art. 5. Wie de onder artikel 2 opgesomde machienen in bewaring heeft, is verplicht aangifte te doen.

Art. 6. Wie opzettelijk of uit nalatigheid de voorgeschreven aangifte verzuimt of ze onvolledig of onjuist doet, wordt met ten hoogste 6 maand gevangenis of met ten hoogste 10,000 mark boete gestraft. Beide straffen kunnen tegelijk worden uitgesproken. Worden aan te geven stapels verzwegen, zo kunnen deze ten bate van het Duits legerbeheer verbeurd verklaard worden.

Art. 7. Bevoegd tot rechtsvervolging zijn de Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers.
Brussel, den 7n Juli 1916.
G. G. 2030-10 II.
No. 234. — 16. JULI 1916
VERORDNUNG,
Verordening betreffend opheffing van voorgaande korenverordeningen.
De Verordeningen van 5 Juni 1915 (Wet- en Verordeningsblad blz. 671), van 30 Juni 1915 (Wet- en Verordeningsblad blz. 747), van 11 Juli 1915 (Wet- en Verordeningsblad blz. 778), van 23 Juli 1915 (Wet- en Verordeningsblad blz. 829) wet de Uitvoeringsbepalingen van 30 Juli 1915, de Verordening van 10 Augustus 1915 (Wet- en Verordeningsblad blz. 868), de Bekendmaking van 10 Augustus 1915 (Wet- en Verordeningsblad blz. 869), de Verordening van 28 Augustus 1915 (Wet- en Verordeningsblad blz. 968), de Bekendmakingen van 10 September 1915 (Wet- en Verordeningsblad blz. 1016), van 24 September 1915) Wet- en Verordeningsblad blz. 1105), van 9 Oktober 1915 (Wet- en Verordeningsblad blz. 1179), van 18 December 1915 (Welen Verordeningsblad blz. 1463), van 22 Januari 1916 (Wet- en Verordeningsblad blz. 15^+6), de Verordening van 29 Februari 1916 (Wet- en Verordeningsblad blz. 1691) met de Uitvoeringstermijn van 29 Februari 1916 (Wet- en Verordeningsblad blz. 1692), de Verordening van 16 April 1916 (Wet- en Verordeningsblad blz. 1947) en de Bekendmaking van 31 Mei 1916 (Wet- en Verordeningsblad blz. 2248), worden hierbij opgeheven.

Voor strafbare handelingen, die voor de uitvaardiging dezer Verordening begaan werden, blijven de tot dus ver bestaande bepalingen van toepassing.

Hetzelfde geldt voor het afstaan van de uit den oogst 1915 tot eigen gebruik en opvoedering afgestane hoeveelheden.

De Verordening van 16 Mei 1916 (Wet- en Verordeningsblad blz. 2158) over den aankoop van de nog voorhanden stapels, blijft van kracht.
Brussel, den 8n Juli 1916.
Z. E. K. 3765a.

No. 235. — 18. JULI 1916.
De met drie sterretjes gemerkte Verordeningen worden ook door middel van aanplakbrieven bekend gemaakt. Alle andere Verordeningen moeten door de gemeenteoverheid volgens de gebruikelijke wijze van bekendmaken vooral aan de belanghebbenden medegedeeld worden.
Verordening *** over de inbeslagneming van het koren.
§ 1. Het koren van alle slag, als rogge, tarwe, spelt, zowel zuiver als met andere graansoorten vermengd, en gedurende het oogstjaar 1916 binnen het gebied van het Generaal-Gouvernement gewonnen, wordt hierbij, zodra het afgemaaid is, ten bate der burgerbevolking binnen het gebied van bet Generaal-Gouvernement aangeslagen. De beslaglegging strekt zich ook uit op het uit aangeslagen koren gemalen meel en de hiermede vervaardigde bakkerijwaren. Met het ontdorsen wordt het stro, met het uitmaken worden de zemelen van de inbeslagneming vrij. De beslaglegging strekt zich uit op het koren en meel uit vroegere oogstjaren, ook zover dit voor eigenvoeding of voor vervoedering bestemd was, doch daartoe niet werd opgebruikt.

§ 2. Zoverre in de hierna volgende bepalingen niet anders wordt beschikt, is het verboden aan de aangeslagen stapels wijzigingen toe te brengen of er bij overeenkomst of verdrag over te beschikken.

§ 3. De bezitter van aangeslagen stapels is gerechtigden verplicht, alle tot het behoud der stapels vereiste maatregelen te nemen; hij is gerechtigd en verplicht te dorsen. Hij is verplicht, waarachtige aangiften over zijne korenstapels te doen.

§ 4. Zoo de bezitter van aangeslagen stapels, binnen den tijd die hem door de bevoegde overheid gesteld werd, de tot het behoud er van vereiste maatregelen niet neemt, kan de overheid deze op kosten van den bezitter door een derden persoon laten uitvoeren. Hetzelfde geschiedt, wanneer de bezitter het koren niet dorst binnen den tijd, die hem door de bevoegde Provinciale Oogstkommissie (Provinzial Ernte Kommission) werd voorgeschreven.

§ 5. a) Wie aangeslagen stapels onbevoegd van de hand doet of die onbevoegd verwijdert uit de gemeente, waarin se aangeslagen werden, wie ze beschadigt, vernietigt, verheelt, onbevoegd verwerkt of verbruikt,
h) wie aangeslagen stapels onbevoegd verkoopt, hoopt of op enige andere wijze vervreemdt of verwerft
c) wie de verplichtingen onder § 3 dezer Verordening niet nakomt, worden met ten hoogste 5 jaar of ten hoogste 20,000mark boete gestraft; ook kan verbeurdverklaring van de hij overtreding gebruikte stapels uitgesproken worden. Bevoegd zijn de Duitse bevelhebbers en krijgsrechtbanken.

§ 6. Het aangeslagen koren zal tegen gereed geld aangekocht en, in den vorm van brood, weel en zemelen, ter beschikking gesteld worden van de bevolking binnen het gebied van het Generaal-Gouvernement. Voor het gebruik van vrijgegeven koren tot andere doeleinden, dan tot het vervaardigen van brood, is in elk afzonderlijk geval de goedkeuring der Centrale Oogstkommissie (Zentral Ernte Kommission) nodig.

§ 7. Aan het Nationaal Hulp- en Voedingskomiteit verleen ik het uitsluitelijk recht de aangeslagen stapels, ook uit den korenoogst van 1916, en de mogelijke overschotten aan koren uit voorgaande oogstjaren, tegen een door mij vast te stellen eenheidsprijs op te kopen. De beslaglegging wordt door dezen aankoop niet opgeheven.

§ 8. Ik behoud mij voor, desnoods een hoeveelheid van ten hoogste 10.000 ton van het aangeslagen koren te verkavelen aan de door mij aan te duiden kantoren ten einde er moutkoffie van te maken.

§ 9. Het uitvaardigen van uitvoeringsbepalingen blijft voorbehouden.
Brussel, den 8n Juli 1916.Z. E. E. 3765 b.
No. 235. — 18. JULI 1916. 111
Verordening, betreffend de Oogstkommissies. § 1. De Centrale Oogstkommissie (Zentral-Ernte- Kommission) en de Provinciale Oogstkommissies (Provinsial-Ernte-Kommissionen) blijven als overheden bestaan.

§ 2. De Centrale Oogstkommissie is een rechtstreeks onder mij staande overheid, waarvan de voorzitter, de leden en dezer bestendige plaatsvervangers door mij benoemd worden. Als voorzitter zetelt een vertegenwoordiger van het Generaal-Gouvernement. Als leden der kommissie zetelen een vertegenwoordiger van:
a) het Burgerlijk Bestuur (Zivilverwaltung); dit lid is tevens waarnemend voorzitter,
b) de Politieke Afdeling (Politische Abteilung),
c) den Kommissaris-Generaal voor de banken (Generalkommissar fur die Banken),
d) de Intendantie van het leger (Armee-Intendantur) des Generaal-Gouvernement,
e) de veeartsenijkundige Afdeling (Veterinarabteilung) des Generaal-Gouvernement,
f) het Nationaal Komiteit,
g) de „Commission for Relief".
Bij staking van stemmen beslist de stem van den voorzitter. De voorzitter heeft het recht, deskundigen met raadplegende stem op de zittingen uit te nodigen.
De besprekingen geschieden in de Duitse taal.

§ 3 .De Oogstkommissie voor elke provincie bestaat uit:
a) den Voorzitter van het Burgerlijk Bestuur of dezes plaatsvervanger, als voorzitter,
b) twee officieren of ambtenaars, leden der economische commissie der provincie,
c) een lid der Bestendige Afvaardiging,
d) een vertegenwoordiger van den graanhandel der provincie,
e) een vertegenwoordiger van den landbouw der provincie.
De leden onder c tot e mogen, in den regel, niet te gelijker tijd leden van het Nationaal Hulp- en Voedingskomiteit zijn.
f) De Gouverneur der provincie benoemt de leden der kommissie, evenals een bestendigen plaatsvervanger voor elk lid. Bij staking van stemmen beslist de stem van den voorzitter. De voorzitter is bevoegd deskundigen met raadplegende stem op de zittingen uit te nodigen. De voorzitter heeft het recht tegen de besluiten der kommissie verzet aan te tekenen en, door tussenkomst van den „Verwaltungschef en van de Centrale Oogstkommissie, mijn beslissing in te roepen. Het kanton Maubeuge wordt onder de Provinciale Oogstkommissie te Bergen geplaatst. Om de belangen van het kanton Maubeuge te vertegenwoordigen, zetelt de voorzitter van het Burgerlijk Bestuur te Maubeuge, of dezes vertegenwoordiger als lid in de Provinciale Oogstkommissie te Bergen.

§ 4. De Centrale Oogstkommissie heeft te bepalen welke hoeveelheden telkens van de beslaglegging vrijgegeven en ter beschikking der bevolking gesteld mogen worden.
Zij bewaakt de broodbevoorrading der Belgische bevolking en moet inzonderheid er voor zorgen, dat, van den gehelen Belgische korenoogst van 191G. na overhouding van het vereiste zaaikoren, niet meer dan 1/12 maandelijks verbruikt wordt. Zij moet mij buitendien voorstellen doen over de eenheidsmaten van het verbruik per kop der bevolking, over de inkoopprijzen van het gedorste koren, over het malen en over de hoogste prijzen voor den verkoop van gedorst koren, meel, zemelen en brood. De Centrale Oogstkommissie geeft, door tussenkomst van den „Verwaltungschef", de nodige aanwijzigingen aan de Provinciale Oogstkommissie — bij vraagpunten van principieel belang, na vooraf mijn beslissing vernomen te hebben — en bewaakt er de uitvoering van.

§ 5. De Oogstkommissie elke provincie doet de maandelijkse vrijverklaring van het koren. De vrijverklaring geschiedt op grond der statistieken: deze moeten verzameld en bestendig bijgehouden worden. Die kommissie bewaakt de eigene, en, deze voorkomend uit andere provinciën aangevoerde stapels, het inachtnemen der vastgestelde koopprijzen evenals, over het algemeen, alle bedrijfshandelingen van het bijzonder kantoor, dat door het Nationaal Komiteit in elke provincie voor aankoop en bedeling van het inlands koren zal worden opgericht. Zij is bevoegd, te dien einde aan de Belgische gemeenten aanwijzigingen te geven; de schikkingen over beslaglegging op het koren onder § A dezer Verordening vermeld, mogen alleen door haar genomen worden.

§ 6. Wie de tot uitvoering dezer Verordening uitgevaardigde schikkingen en aanwijzingen niet nakomt, wordt met ten hoogste 5 jaar gevangenis of met ten hoogste 20.000 mark boete gestraft; ook kan gevangenis naast de boete en verbeurdverklaring der tot strafbare handelingen bestemde of gebruikte stapels uitgesproken worden.
De verbeurdverklaarde stapels moeten door tussenkomst der Provinciale Oogstkommissie aan het bevoegde Provinciaal Komiteit worden afgestaan. Het koren valt, ook na het afstaan, onder toepassing der Verordeningen over de inbeslagneming. De betaling der verbeurdverklaarde waren moet door het Komiteit aan de Provinciale Oogstkommissie gedaan worden, Deze staat het hieruit voortkomende geld niet aan de krijgsschatkist af, maar wel aan de bestendige kommissies om ze voor menslievende doeleinden binnen de provinciën te gebruiken. Bevoegd zijn de Duitse krijgsbevelhebbers en krijgsrechtbanken.

§ 7. Het uitvaardigen van uitvoeringsbepalingen blijft mij voorbehouden.
Brussel, den 8n Juli 1916.
Z, E. K. 3765c.
No. 235. — 18. JULI 1916.
Uitvoeringsbepalingen tot de Verordening van 8 Juli 1916 betreffend de Oogstkommissies.
I. Vaststelling van den voorraad koren.

1. De Provinciale Oogstkommissies (Provinzial- Ernte-Kommission) stellen vast, hoeveel koren (naar soorten ingedeeld) in de verschillende gemeenten voorhanden is.

2. De Provinciale Oogstkommissies maken de vaststelling van de stapels der provincie aan de Centrale Oogstkommissie (Zentral-Ernte-Kommission) over.

3. De Centrale Oogstkommissie stelt op grond der haar door de Provinciale Oogstkommissies voor elke provincie aangegeven stapels en op grond een door mij later te hevelen opneming van den oogst, de in het gehele gebied van het Generaal-Gouvernement voorhanden hoeveelheid koren vast.

4. Het Nationaal Hulp- en Voedingskomiteit mag van de ingezamelde gegevens kennis nemen.

II. Aankoop van het aangeslagen koren.

1. De prijs per 100 kgr. inlands koren mag bij den verhoop door den voortbrenger, voor
Tarwe 26.00 frank,
Spelt 21.50
Rogge 24.50
Masteluin 25.00 „
niet overtreffen.
Het koren moet van goede hoedanigheid en droog zijn. Voldoet het niet aan deze voorwaarden, zoo moet de prijs verlaagd worden. Kan men het niet eens worden, zoo beslist het Hoofdkomiteit te Brussel.
De hoogste prijzen gelden voor leveringen zonder zak.
De voortbrenger moet het koren op den spoorwagen op het dichtst bij zijn boerderij gelegen station, of in de dichtsbij gelegen stapelplaats van het Nationaal Komiteit leveren.

2. Het Nationaal Komiteit is verplicht, alle koren aan te kopen, dat niet voor zaaikoren of voor eigen gebruik nodig is. Het moet het aangekochte koren naar de stapelplaatsen en molens voeren en het aldaar opstapelen. Het Nationaal Komiteit moet het koren volgens de door mij, op voorstel van de Centrale Oogstkommissie bepaalde maalgraden, laten malen. Het moet het koren in de stapelplaatsen voor bederf bewaren, Het koren moet zoo bewaard worden, dat de stapels te allentijde kunnen nagegaan worden.

3. De beslaglegging blijft tegenover het N. K. van kracht. Die is niet gerechtigd over het koren of het meel te beschikken, alvorens het door de Provinciale Oogstkommissie afgestaan werd. De voorzitter der Provinciale Oogstkommissie is gerechtigd, alle ter bewaking van de opneming en ter uitvoering van den opkoop vereiste schikkingen te nemen.

III. Vrijverklaring van de beslaglegging.

1. De vrijverklaring van de beslaglegging geschiedt door de Provinciale Oogstkommissies.

2. Het afstaan van het zaaikoren en van het koren voor eigen gebruik geschiedt onder de volgende voorwaarden:
a) Voor het vaststellen van de hoeveelheid zaaikoren per hektaar, dienen de akkervlakten uit het jaar 1916 tot grondslag; als zaaigoed worden den landbouwers volgende hoeveelheden van elke soort koren afgestaan:
Rogge 175 kgr.
Wintertarwe 190 „
Zomertarwe ... 200 „
Spelt 250 „
Masteluin 185 „
Ondergaat de akkervlakte van het aanstaande jaar of de verdeling er van ten opzichte van het voorgaande jaar een wijziging, zoo kan de betreffende landbouwer zich met een, door zijnen burgemeester tegengetekend verzoekschrift, ten laatste den In November tot de bevoegde Provinciale Oogstkommissie wenden.
Deze is bevoegd de hoeveelheid af te staan zaaigoed in overeenstemming te brengen met de voorgestelde wijziging. Nadere bepalingen geven de Provinciale Oogstkommissies.

b) De ondernemers van landbouwbedrijven met een gezamenlijke akkervlakte van ten minste 1 hectare, mogen uit hun voorraden voor de voeding der leden van hun gezin, het personeel inbegrepen, per hoofd en per maand 9.3 kgr. tarwe, rogge en masteluin of 12A kgr. spelt verbezigen, waarbij de nodige hoeveelheid voor heel het jaar hij de ondernemers in bewaring blijft.
Bij de toewijzing van koren voor eigen gebruik moet in de eerste plaats spelt, masteluin en tarwe, en wel in de hier aangenomen volgorde, worden afgestaan. Waar voor het merendeel of uitsluitend rogge gewonnen wordt, zal slechts een derde der hoeveelheid koren voor eigen gebruik in rogge worden afgestaan; het overschot zal hem, ingeval de eigen voortbrengst aan tarwe en masteluin en spelt niet volstaat, door het N. K. onder den vorm van tarwe of van een andere, door den voortbrenger zelf te bepalen korensoort, geleverd worden.
Het afstaan van koren voor het eigen gebruik der voortbrengers, zoals de Pr. Oogstkommissies voor den tijd van 15 September tot 15 Oktober 1916 het voor de eerste maal zullen vaststellen, geschiedt zolang geen afwijkende bepaling uitgevaardigd wordt, in gelijke hoeveelheden en op gelijke wijze stilzwijgend op 15 van elke volgende maand.
De ondernemers van landbouwbedrijven met een gezamenlijke akkervlakte van minder dan 1 hektaar, mogen de op hun boerderij gewonnen hoeveelheden koren uitsluitend ten gerieve van hun eigen bedrijf gebruiken, maar niet verkopen. Nadere bepalingen geven de Provinciale Oogstkommissies, die met het toezicht over het gebruik van den oogst dezer landbouwers belast zijn. Hetzelfde geldt voor de regeling van het arenlezen en de behandeling der daaruit gewonnen stapels.

c) De landbouwers mogen van de benodigdheid voor het jaar, maandelijks en per stuk rundvee 7,5 kgr. rogge van hun oogst afnemen. Het aantal runderen is hij de op 14 April 1916 bevolen opneming vastgesteld.

d) De Provinciale Oogstkommissie zal elke landbouwer afzonderlijk mededelen, hoeveel rogge hij mag behouden voor voeder en voor zaaigoed. De Provinciale Oogstkommissies stellen voor goed vast welke hoeveelheid elke landbouwer te leveren heeft; zij zijn gerechtigd te dien einde de vereiste maatregelen en bepalingen voor te schrijven. Wat de landbouwer op zijn boerderij boven de hem als afgestaan medegedeelde hoeveelheden aan zaai-,brood- en voederrogge voortbrengt, moet hij aan het Nationaal Hulp- ene Voedingskomiteit verkopen. Dit geldt voor alle korenstapels, die de landbouwers boven de aangegeven hoeveelheid in hun bezit hebben en die tengevolge een mogelijkheid te lage aangifte, in de mededelingen, door de Provinciale Oogstkommissies aan de landbouwers gezonden, niet meegerekend werden.

3) Voor het overige stelt de Centrale Oogstkommissie, in overeenstemming met het Nationaal Komiteit, maandelijks de hoeveelheid koren of meel vast. die in elke provincie voor het gebruik afgestaan wordt.

4) De Provinciale Oogstkommissies machtigen het Nationaal Komiteit over de in de provincie afgestane hoeveelheden koren te beschikken. Het Nationaal Komiteit moet bewijzen, uit welke stapels het de afgestane hoeveelheden neemt.IV. Verkoopprîjzen.

1) Ik bepaal elke maand op grond der mij door de Centrale Oogstkommissie gedane voorstellen, de door het Nationaal Komiteit te berekenen verkoopprijzen voor gedorst koren, meel, zemelen en brood.

2) De Centrale Oogstkommissie neemt voor de door haar voorgestelde verkoopprijzen den aankoopprijs,
zoowel van het inlands als van het ingevoerd koren
tot grondslag, waarbij een overeen te komen opslag toegelaten
is.

3) Het Nationaal Komiteit is verplicht, de aankoopprijzen onder voorlegging van de bewijsstukken mede te delen.

V. Bewakingsbepalingen.
1) De burgemeesters zijn er voor verantwoordelijk dat in hunne omschrijving niet in strijd met de beslaglegging gehandeld wordt.
2) De Provinciale Oogstkommissies laten door geschikte personen nagaan, of niet onbevoegd over het aangeslagen koren beschikt wordt en of alleen de afgestane hoeveelheden aan de verbruikers afgeleverd worden. De personen die daarmede belast zijn, moeten hun opdracht door een getuigschrift van den voorzitter der Provinciale Oogstkommissie kunnen bewijzen; zij hebben te allen tijde toegang tot alle bergplaatsen, zolders en molens, om. zich van den omvang en den toestand der stapels, alsook van de manier waarop deze bewaard zijn, te kunnen overtuigen.
3) Het Nationaal Komiteit moet boekhouden over den aankoop, het vervoer en de berging van de aangekochte hoeveelheden koren, evenals over het malen en over de stapels meel en zemelen. De boeken moeten juiste aangiften bevatten over al wat binnenkomt en uitgaat en te allen tijde een klaar overzicht geven over de voorhanden stapels binnen de verschillende omschrijvingen en over de wijzigingen, die daaraan werden toegebracht.
4) Op dezelfde wijze moet worden boekgehouden over de gezamenlijke uitgaven, welke door aankoop, vervoer, berging, malen en verdeling of door andere oorzaken ontstaan. De hoeken moeten ook de ontvangsten, ten gevolge van het afleveren van gedorst horen, van meel, zemelen of om, andere oorzaken gedaan, doorlopend bevatten.
5) Over de aangekochte en aan de stapelhuizen, molens enz. voortgeleverde hoeveelheden koren moeten bijzondere lijsten opgemaakt worden, die de soort van het koren, het gewicht, den eenheidsprijs en het betaald bedrag dienen te vermelden. Van deze lijsten moet een afschrift aan de verkopers en een aan de Provinciale Oogstkommissie afgeleverd worden.
6) Het Nationaal Komiteit moet verder den 15n en den laatsten van elke maand gezamenlijke lijsten over alle binnen de betreffende provincie aangekochte en aan de stapelhuizen, molens, enz. geleverde hoeveelheden koren, volgens gemeenteomschrijvingen gerangschikt, in dubbel afschrift hij de Provinciale Oogstkommissie inleveren. De stapelplaatsen moeten daarop aangeduid staan. De Provinciale Oogstkommissie moet nagaan, of de gezamenlijke lijsten met de afzonderlijke (zie nummer 5) overeenkomen. De Provinciale Oogstkommissie levert een afschrift der gezamenlijke lijsten in hij de Centrale Oogstkommissie, die over deze lijsten boekhoudt.
7) De Centrale Oogstkommissie bepaalt in overeenstemming met het Nationaal Komiteit de bij het boekhouden in acht te nemen grondslagen, evenals de bijzonderheden over vorm en inhoud van de ter bewaking dienende lijsten. Zij neemt in elk afzonderlijk geval de vereiste maatregelen voor de uitvoering van de gehele bewakingswerkzaamheid.
8) Het Nationaal Komiteit is verplicht, te allen tijde de over den aanhoop, het vervoer en de berging gehouden boeken en lijsten, evenals de over de ontvangsten een uitgaven gehouden boeken te laten inzien en de juistheid er van te laten onderzoeken. De Centrale Oogstkommissie is met de bewaking belast.
VI. Overschotten.
De overschotten die het Nationaal Komiteit van den aan- en verkoop van koren overhoudt, moeten ter beschikking van de bestendige afvaardigingen gesteld worden, naar verhouding van de in elke provincie voor het gebruik afgestane hoeveelheden koren of meel (nr, III,S); de bestendige afvaardigingen zullen deze overschotten voor menslievende doeleinden binnen de provincies gebruiken.
VIL Slotbepalingen.
De beheerkosten van de Centrale Oogstkommissie en van de Provinciale Oogstkommissie gelden als staatsuitgaven.
Brussel, den 8n Juli 1916.
Z. E. K. 3765d.
No. 235. — 18. JULI 1916.
Verordening *** over het malen en vervoeren van koren.
§ 1. Al wie in het bezit is van een molen, en zelfs ook van een koren-handmolen of van enig ander toestel voor het malen van koren als bij bedrijf, is verplicht deze, ten laatste op 31 Juli a. s., bij den bevoegden burgemeester aan te geven. De burgemeesters moeten de binnengekomen aangiften ten laatste op 8 Augustus a. s. aan de bevoegde Provinciale Oogstkommissies (Provinziale-Ernte-Kommissionen) overmaken.

§ 2. Het verwerken van koren tot meel of voedergort mag alleen geschieden in molens, die tot hoofdbedrijf dienen. Maattoestellen, die, volgens omvang en aard. aan andere hoofd bedrijven ondergeschikt zijn, kunnen mits goedkeuring der bevoegde Provinciale Oogstkommissie in gang gehouden worden.
§ 3 Het aan bieden, te koop stellen en verkopen van alle handmolens en machienen voor het malen van koren als huis- of bij bedrijf, is ver boden.

§ 4. Op voorstel der Centrale Oogstkommissie (Zentral- Ernte-Kommission) stel ik den maalgraad, voor het inlandse evenals voor het ingevoerde koren, op 82 % vast. Deze maalgraad moet zoo verstaan worden, dat uit 100 delen koren niet meer dan 82 delen meel mogen gewonnen worden. De vastgestelde maalgraad geldt ook voor het koren van hen die zich zelf gerieven. Verantwoordelijk voor het inachtnemen van den maalgraad zijn de molenaars, die toelating hebben om, koren te verwerken.

§ 5. Voor koren, dat naar den molen gebracht wordt om gegort te worden, moet de gort, hij het verlaten van den molen, hetzelfde gewicht hebben als in het leveringsbewijs voor het koren is aangegeven, na aftrekking van het maalverlies.

§ 6. Het verlies hij het malen mag hij het vervaardigen van broodmeel 2 %, van voedergort 1 % niet overtreffen.

§ 7. leder vervoer van koren moet van een geleibrief vergezeld zijn.

§ 8. De Provinciale Oogstkommissies mogen, voor hunne omschrijvingen, binnen de bepalingen dezer Verordening, uitvoeringsbepalingen en, inzonderheid, de voor het wegvoeren en voor het bewaken der molens vereiste voorschriften uitvaardigen.

§ 9. Wie de bepalingen dezer Verordening en de daartoe uitgevaardigde uitvoeringsbepalingen overtreedt, of de onder § 3 voorgeschreven aangifte verzuimt, wordt met ten hoogste 5 jaar gevangenis of met ten hoogste 20.000 mark boete gestraft. Ook kan boete en gevangenzetting tegelijk worden uitgesproken. Bij verheling en ongeoorloofde benuttiging of tekoopstelling van maaltoestellen, evenals hij het ongeoorloofd malen van koren, kan bovendien verbeurdverklaring worden uitgesproken.
Bevoegd zijn de Duitse krijgsbevelhebbers en krijgsrechtbanken.
Brussel, den 8n Juli 1916.
Z. E. K. 3765e.

No. 236. — 21. JULI 1916.
Verordening *** betreffend de inbeslagneming en benuttigen van suikerijwortels (cichorei).

Art. 1. De suikerijwortels uit den oogst van 1916\ 1917y binnen het Gebied van het Generaal-Gouvernement gewonnen, met inbegrip van die welke voor de witloofteelt hebben gediend, worden hierbij aangeslagen.

Art. 2. Het is verboden aan de aangeslagen wortels wijzigingen toe te brengen of er bij overeenkomst of verdrag over te beschikken. Dergelijke overeenkomsten of verdragen zijn ongeldig. Het vervoederen of branden der wortels is verboden. Uitzonderingen op het verbod van vervoederen kan de Verwaltungschef' bij den General-Gouverneur in België op verzoek toelaten.

Art. 3. De Suikerij-afdeling (Zichorienabteilung) der Zentral-Einkaufs-Gesellschaft fur Belgien m. h. te Brussel is met de benuttiging der suikerijwortels belast.

Art. 4. Elke bezitter van suikerijwortels is verplicht, zijn stapels tegen gereed geld af te leveren aan de Suikerijafdeling der ',,Zentral-Einkaufs-Gesellschaft'' of aan de door haar aangeduide personen, die dan hun hoedanigheid van lasthebbers moeten bewijzen. De verkoop aan andere personen is verboden. Wie suikerijwortels verkoopt is verplicht, zich te vergewissen dat de kopers de nodige volmacht hebben, en zich het voorgeschreven bewijs (le lid) te doen voorleggen.
Wordt de levering van de suikerijwortels aan de lasthebbers der Suikerijafdeling der ,,Zentral-Einkaufs- Gesellschaft" geweigerd, zoo kan de „Kreischef' op verzoek der „Z. E. G." bevelen, dat de stapels onteigend worden tegen een prijs die 20 % lager is dan de onder Art. 5 voorziene koopprijs; desnoods wordt daarbij de tussenkomst der krijgsmacht ingeroepen.

Art. 5. De koopprijs der gedroogde suikerijwortels hangt af van hunne hoedanigheid en bruikbaarheid. Die prijs wordt vastgesteld door de Suikerijafdeling der „Z. E. G.", die er rekening mede houdt, dat voor 100 kgr. beste gedroogde suikerijwortels, ter vertrekstatie geleverd, hoogstens 25 frank mogen berekend worden. De betaling geschiedt met gereed geld.

Art. 6. Het vervoeren van de suikerijwortels binnen België per spoor, per schip of per as mag alleen geschieden op grond van een vrachtbrief, een connossement of een geleibrief voor het vervoer per as, afgeleverd door de Suikerijafdeling der Zentral-Einkaufs-Gesellschaft en door den „Verwaltungschef* hij den Generalgouverneur afgestempeld.

Art. 7. Artikelen 1—6 zijn ook van toepassing op alle suikerijwortels uit vroeger jaren.

Art. 8. Overtredingen van artikelen 2, 3, 4, 5 en 6 worden met ten hoogste 5 jaar gevangenis of met ten hoogste 20,000 mark boete gestraft. Ook kan boete naast gevangenisstraf worden uitgesproken. ' Buitendien kan verbeurdverklaring van de tot overtreding aanleiding gevende waar uitgesproken worden. Bevoegd zijn de Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers.

Art. 9. Met de uitvoering dezer Verordening is de ,,Verwaltungschef' hij den Generalgouverneur helast.

Art. 10. De Verordeningen van 13 Augustus 1915 „betreffend het aanslaan van suikerijpeen (Wet- en Verordeningsblad nr. 107, hh. 880), van 16 September 1915 „over het gebruik der versgewonnen suikerijpeen" (Wet- en Verordeningsblad nr. 120, hh. 1044) en van 23 Oktober 1915 „betreffend het benuttigen der aangeslagen suikerijpeen (Wet- en Verordeningsblad nr. 134, bh. 1267) zijn ingetrokken. Brussel, den 14n Juli 1916.
C. C. VIL 6390.

No. 236. — 21. JULI 1916.

Verordening over het toelaten van Oostenrijkse en Hongaarse openbare oorkonden in België.
Oorkonden, die door een Oostenrijkse of Hongaarse openbare overheid of door eenen met openbaar gezag bekleden persoon der Oostenrijks- Hongaarse monarchie opgemaakt of afgeleverd werden, moeten voor het gebruik in België toegelaten worden,
indien zij door het K. en K. Oostenrijks- Hongaars Commissariaat hij den Generalgouverneur in België voor echt verklaard zijn.
Brussel, den 14n Juli 1916.


No. 236. — 21. JULI 1916.

Verordening *** over de regeling van den handel in boter.
Art. 1. De prijs, dien de vervaardiger hij den verkoop in 't groot mag vragen voor boter, vrij te Brussel geleverd, de gebruikelijke verpakking erbij begrepen (grondprijs), wordt met ingang van 25 Juli 1916 per kilogram aïs volgt vastgesteld:
I Zoete roomboter. Zuivere boter (ten hoogste 18 % water inhoudend) (zoete roomboter van Iste hoedanigheid) 5,— frank
Boter meer dan 18—50 % water inhoudend (zoete roomboter van 2de hoedanigheid) 3,— „
II. Gezouten boter. Zuivere boter (ten hoogste 18 % water inhoudend) gezouten boter van Iste hoedanigheid) 4,80 frank
Boter meer dan 18—50 % water inhoudend (gezouten boter van 2de hoedanigheid) 2.80 „
Art. 2. De grondprijzen dienen tot maatstaf voor het gebied van het Generalgouvernement in België, zoover overeenkomstig artikel 7 geen afwijkende bepalingen worden getroffen.
Art. 8. Het vervaardigen van boter, meer dan 50 % water inhoudend, is, in wijziging van artikel 6 uit het besluit van den koning der Belgen, gedagteekend op 20 Oktober 1903 en gewijzigd bij besluit van 18 September 1904, verboden. Voor het overige blijven de bepalingen uit dit besluit van kracht.
Art. 4. In de boter mag niet meer dan 4 % zout gemengd worden.
Art. 5. Bij den voortverkoop van boter mag de toeslag voor den verkoop ten hoogste in den groothandel: 0.15 fr. per kgr boter, in den kleinhandel: 0.40 fr.. per kgr. boter van Iste hoedanigheid, 0.30 fr. per kgr. boter van 2de hoedanigheid, bedragen. Zoowel in den groot- aïs in den kleinhandel mag de toeslag slechts eenmaal toegepast worden, ontheven of de waar in beide handels meermaals van eigenaar verwisseld heeft. De toeslag omvat alle bedrijfskosten van den handel, in den groothandel bovendien de gezamenlijke kosten van vervoer tot op de verkoopplaats van den kleinhandelaar, in den kleinhandel de mogelijke kosten van vervoer tot aan de woning van den verbruiker.
Art. 6. Door kleinhandel in den zin van deze Verordening is te verstaan de verkoop aan den verbruiker, zoover het niet gaat om hoeveelheden boven 5 kgr.
Art. 7. Met het oog op bizondere markttoestanden in de gouvernementsdistrikten, hebben de krijgs- en vestingsgouverneurs het recht voor de vervaardigers van boter in deze distrikten of gedeelten daarvan, hoogste prijzen vast te stellen, die afwijken van de grondprijzen (artikel 1), alsook de botermarkten zelf te regelen; zij zullen het Generalgouvernement op de hoogte houden van de maatregelen, die zij te dien einde zouden nemen.
Art. 8. De hoogste prijzen voor den verkoop in 'f klein, worden volgens de grondprijzen (artikel 1) berekend, met inachtneming der handelstoeslagen (artikel 5) of, bijaldien afwijkingen werden getroffen, volgens deze afwijkingen ( Art. 7).
Art. 9. De kleinhandelaars moeten de verkoopprijzen, alsook de soorten van boter (artikel 1), op een goed zichtbare plaats uithangen. In vaste verkoopplaatsen moeten prijs en soort in de uitstalling ; bij verkoop van boter op voertuigen langs de straat, op den buitenkant van het voertuig; op de markt aan de verkoopkraam uitgehangen worden.
Art. 10. De kleinhandelaar mag niet weigeren de in zijn bedrijf gebruikelijke hoeveelheden boter aan den I verbruiker, tegen betaling in gereed geld aan den aangekondigden prijs, te verkopen, noch den verkoop der boter afhankelijk maken van het medenemen van andere waren.
Art, 11. Overtredingen van vorenstaande bepalingen worden met ten hoogste één jaar hechtenis of gevangenis of met ten hoogste 10.000 mark boete gestraft. Beide straffen kunnen tegelijk worden uitgesproken. De waar kan bovendien verbeurd verklaard worden. De krijgsrechtbanken en de krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.
Art. 12. De Verordening van 30 November 1915 Wet- en Verordeningsblad, bladz. 1397), artikelen I, III, IV en V van de Verordening van 12 Februari 1916 (Wet- en Verordeningsblad,. bladz. 1625) en de Verordening van 8 April 1916 (Wet- en Verordeningsblad, hls. 1899) zijn opgeheven. Brussel, den 16n Juli 1916. C. C. VII 6726.
No. 236. — 21. JULI 1916.
Verordening *** houdend verbod om koren te branden.
Het branden van allerhande koren zonder mijn voorafgaande toelating, is hierbij verboden.
Overtredingen worden met ten hoogste 5 jaar gevangenis of met ten hoogste 20.000 mark boete gestraft. Ook kunnen heide straffen tegelijk, benevens de verbeurdverklaring van de gebrande of van de voor het branden bestemde voorraden, uitgesproken worden.
Bevoegd tot oordeelvellen zijn de Duitse krijgsrechtbanken en krijgsoverheden.
Brussel, den 19n Juli 1916.
Z. E. K. 3874.
No. 237. — 26. JULI 1916.
Verordening waarbij de afdeling voor sociale voorzorg (Abteilung Soziale Fursorge) van het beheer van het Rood Kruis van België wordt afgescheiden.
Over de afscheiding der afdeling ,,Sociale Voorzorg" van het beheer van het Belgisch Rood Kruis, bepaal ik hetgeen volgt:
1) De afdeling voor Sociale Voorzorg van het Belgisch Rood Kruis treedt voortaan zelfstandig op en draagt den naam: CENTRALE voor Sociale Voorzorg.
De bestuurder, de afdelingsoversten en de overige leden worden door den Generalgouverneur benoemd.
De bestuurder is belast met het uitvaardigen van de nodige uitvoeringsbepalingen voor het ten uitvoer brengen van praktische voorzorgsmaatregelen; hij is bevoegd, zelfstandig aan de commissarissen van het Belgisch Rood Kruis die aanwijzingen te geven, welke voor het doel der Sociale Voorzorg nuttig zijn.

2) De Centrale voor Sociale Voorzorg heeft voor opdracht, volgens de grondregels voor het Internationaal Rood Kruis, in de ruimste mate een sociale voorzorg toe te passen om de noden van de bevolking binnen het Gebied van het Generaal-Gouvernement te verzachten of te verhelpen, om het even tot welken godsdienst of staat of tot welke. politieke partij de noodlijdende behoort. Zij heeft het recht, den naam en de kentekens van het Belgisch Rood Kruis te dragen: zij blijft ook hij het Belgisch Rood Kruis aangesloten, doch treedt voor de uitvoering der nodige maatregelen zelfstandig op. Haar bestuurder is verantwoordelijk voor het gebruik der gelden binnen de bevoegdheid van zijn ambt.
Brussel, den 16n. Juli 1916.
D. B. R. Kr. 10545.

No. 237. — 26. JULI 1916.

De met drie sterretjes gemerkte Verordeningen worden ook
door middel van aanplakbrieven bekend gemaakt. Alle andere
Verordeningen moeten door de gemeente-overheid volgens de gebruikelijke
wijze van bekendmaken vooral aan de belanghebbenden medegedeeld worden.
Verordening *** betreffend het verbod, rafelmachienen te gebruiken.

Art. 1. Het verwerken op rafelmachienen van wollen, halfwollen, katoenen en alle andere vodden, voorwerpen en afval der textielwaren vervaardiging is verboden.

Art. 2. De Verwaltungschef hij den Generalgouverneur in België, Afdeling voor Handel en Nijverheid is gemachtigd, uitzonderingen op de bepaling van Art. 1 toe te staan.

Art. 3. Wie de voorschriften dezer Verordening opzettelijk of uit grove nalatigheid overtreedt, wordt gestraft met ten hoogste één jaar gevangenis en met ten hoogste 20.000 mark boete of met een van beide straffen. De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.
Brussel, den 19n Juli 1916.
No. 237. — 26. JULI 1916.
Bekendmaking *** over wijziging van de grenzen van het Generaal-Gouvernement. Het Zuidelijk deel van het arrondissement Kortrijk West-Vlaanderen) wordt op 22 Juli 1916 hij het Etappengebied der 4e Armée, de gemeenten Tielrode, Temse, Sint-Nicolaas (Waas) en Nieuwkerken-Waas (Oost-Vlaanderen) worden op 24 Juli 1916 hij het Gebied van het Generaal-Gouvernement aangesloten.
De vermelde vier gemeenten staan van dan af onder den Gouverneur der vesting Antwerpen; het burgerlijk bestuur er van is in handen van den Zivilprâsident der Provincie Oost-Vlaanderen te Gent. De bekendmaking van 19 December 1915 nr. 14881 bs. 1436 van het Wet- en Verordeningsblad wordt dienovereenkomstig gewijzigd,
Brussel, den 31n Juli 1916.

No. 238. — 29. JULI 1916.
Verordening betreffend de jaarwedden der hoogleraars aan de staatshogescholen. In afwijking van artikel 9 der wet van 15 Juli 1849 en van de wet van 14 Maart 1863 wordt betreffend de jaarwedden der hoogleraars aan de staatshogescholen, het volgende bepaald:

Art. 1. De gewone hoogleraars genieten een jaarwedde van 8000 frank die, drie jaar na de benoeming tot gewoon hoogleraar, met 500 frank en, na nogmaals drie jaar, weer met 500 frank verhoogd wordt.

Art. 2. De buitengewone hoogleraars genieten een jaarwedde van 6000 frank die, 3 jaar na de benoeming tot buitengewoon hoogleraar, met 500 frank en, na nogmaals 3 jaar, weer met 500 frank verhoogd wordt.

Art. 3. Aan verdienstelijke gewone hoogleraars boven de 50 jaar, die sedert meer dan 25 jaar in staatsof gemeentedienst werkzaam zijn en sedert ten minste 3 jaar het maximum hunner jaarwedde genieten, kan een verhoging van een tiende, en, na nogmaals 3 jaar, weer een verhoging van een tiende van het maximum hunner jaarwedde toegekend worden.

Art. 4. Aan afzonderlijke hoogleraars kunnen om bijzondere reden, bijslag of vergoedingen toegestaan worden.

Art. 5. De onder artikelen 1 en 2 voorziene verhogingen kunnen reeds voor afloop van het 3e of 6e jaar na de benoeming tot hoogleraar verleend worden, indien de betreffende ten minste 6 of 12 jaar in staatsof gemeentedienst werkzaam is geweest.

Art. 6. Vorenstaande bepalingen zijn op niet in dienst zijnde hoogleraars niet van toepassing.

Art. 7. De verordening wordt op 1 Juli 1916 van kracht. Brussel, den 19n Juli 1916.

No. 239. — 31. JULI 1916.
Verordening *** over de stapelopneming van weefsels, gemaakte en gebreide goederen en van lintwaren in België.
§ 1. Wie weefsels, gemaakte en gebreide goederen, linten, snoeren, gordellint, veters, koord (nestels, enz,) rijgveters, bretels en rekgombanden in bewaring heeft, is gehouden van deze waren naar den maatstaf van de hyperbijgevoegde Overzichtstafel aangifte te doen. Van elke soort moeten bij de aangifte monsters gevoegd worden; ook dienen de voorhanden hoeveelheden (in meter; voor gebreide goederen, evenals voor lintwaren en breiwerken, tricotwaren, enz. het aantal stukken) daarbij aangegeven. De aangifte moet ten laatste op 21 Augustus 1916 bij het ,Militàrisches Textil-Beschaffimgsamt" gedaan zijn. De stapels moeten aangegeven worden, zoals zij bij den aanvang van 31 Juli 1916 (proefdag) in werkelijkheid voorhanden zijn.
Alle natuurlijke en rechtspersonen, alle handelsbedrijven, evenals openbaar rechtelijke lichamen en verenigingen, die aan te geven voorwerpen in eigendom of in bewaring hebben, of bij wie zulke goederen zich onder toltoezicht bevinden, zijn verplicht daarvan aangifte te doen.
Stapels, die op den proefdag (31 Juli 1916) niet bij den eigenaar in bewaring liggen, moeten zoowel door den eigenaar als door den persoon, bij wien ze op dezen dag in bewaring zijn (pakhuishouder, expediteur, enz.) aangegeven worden.
Zij die aan te geven voorwerpen in bewaring hebben, zonder daarvan eigenaar te zijn, hoeven enkel de bij hen geborgen hoeveelheden, alsook de eigenaars aan te geven; zij hebben de andere kolommen van de lijst van aangifte (§ 10) echter niet in te vullen.
Stapels, die na den proefdag (31 Juli) aankomen, doch reeds voor desen dag afgesloten waren, moeten alleen door den bestemmeling aangegeven worden. Behalve hij, die de goederen in bewaring heeft, is ook de persoon, die ze ter beschikking van een derde aan een pakhuishouder of expediteur overgelaten heeft, gehouden aangifte te doen. Twijfelt men of zijn goederen al dan niet onder de verplichte aangifte vallen, zoo heeft hij ze vooreerst aan te geven.

§ 2.Zijn niet aan de verplichte aangifte onderworpen :
1) Stoffen uit natuur- en kunstzijde; 2) Halfzijden stoffen, zoover ketting en inslag uitsluitend uit natuur- of uit kunstzijde vervaardigd is;
3) Alle stoffen en lintwaren, die uitsluitend of voor het mierendeel vervaardigd zijn uit onder 1 en 2 genoemde stoffen;
4) Zijden en halfzijden gebreide goederen en 7naasiverk, inzonderheid zijden en halfzijden kousen, sokken en handschoenen. Gelden als halfzijden goederen in dezen zin, kousen en sokken wier vlak ten minste voor de helft uit natuur- of kunstzijde bestaat, alsook met zijde overwerkte kousen en sokken;
5) Wollen of katoenen vrouwen- en kinderkousen en -sokken, wollen of katoenen handschoenen met' mazen;
6) Kanten en garneringborduurwerk, passementwerk voor meubels;
7) Petten (klakken), hoeden, sluiers en voiletten, hoedenfluweel;
S)Regen- en zonneschermen;
9) Afgejmste tapijten, bedspreien en gekleurde tafellakens;
10) Afgepaste gordijnen en behangsels. Tulen gordijnen aan het stuk;
11) Vrouwenhanden;
12) Geconfectioneerd, genaaid, witgoed (ongewassen) voor vrouwen h. v. hefjes, ruches, plooikraagjes, jabots, enz.;
13) Afgemaakte heren- en kinderklederen, militaire uniformen, hesetsels voor uniformen en militaire uitrustingsstukken;
14) Alle afgemaakte vrouwen- en meisjesmantels, vrouwen- en meisjesklederen, vrouwen- en meisjesblousen;
15) Met pels gevoerde en overtrokken kledingstukken
16) Afgemaakt ondergoed voor vrouwen en meisjes;
17) Linnen en kleedjes voor zuigelingen;
18) Afgemaakte keurslijven en cache-corsets;
19) Met tekeningen versierd tafellinnen;
20) Afgemaakte huis- en fantasieschorten;
21) Gedragen kledingstukken;
22) Boordjes en manchetten, plastrons en horststukken voor hemden, nachtgewaden en kamerrokken voor heeren;
23) Stof van een en dezelfde hoedanigheid, om 't even welke de kleur en de tekening zij en wel voor de goederen bedoeld onder I van de Overzichtstafel:
Bij hoeveelheden tot 200 meter met minder dan 100 cM. breedte, of bij hoeveelheden tot 100 meter met 100 cm, of meer breedte; wollen of halfwollen herenstoffen evenwel slechts bij hoeveelheden tot 50 meter; voor de goederen bedoeld onder II van de Overzichtstafel:

Breiwaren (tricots, enz.), sweaters, gebreide boezeroenen, onderklederen tot 30 stuk housen en zakken tot 60 paar buisvormige weefsels tot 50 kïlogram, van een en dezelfde hoedanigheid, om 't even welke de kleur, de tekening en de afmetingen zijn; voor goederen bedoeld
onder III der Overzichtstafel:
Allerhande dekens, h. v. bedde-, reis- en paardedekens, voor elk tot 15 stuk, van een en dezelfde hoedanigheid, om 't even welke de kleur, de tekening en de afmetingen zijn; stof voor dekens tot 100 meter van een en dezelfde hoedanigheid, opneemdoeken tot 600 stuk; voor goederen bedoeld onder IV van de Overzichtstafel:

Linten, snoeren, Veters, lischkoord (nestels, enz.) uit katoen, in hoeveelheden tot 10.000 meter van elke hoedanigheid, breedte of dikte, tekening of kleur; al de andere soorten van deze artikelen in hoeveelheden tot 5000 meter,
gordellint in hoeveelheden tot 1000 meter,
rekgombanden in hoeveelheden tot 300 meter,
rijgveters in hoeveelheden tot 50 gros,
bretels van om 't even welke kleur en tekening,
voor elke hoedanigheid in hoeveelheden tot 12 dozijn.
24) Alle andere wollen en katoenen stoffen, die tot 2 meter lang zijn.

§ 3. leder, die verplicht is aangifte te doen, moet een magazijnhoek houden, waarin elke verandering in de voorhanden hoeveelheden en het daarvan gemaakt gebruik na te gaan is. In geval een dergelijk boek reeds gehouden wordt, hoeft men geen nieuw magazijnboek meer te beginnen. In het magazijnboek moet intussen hij elke post over aan te geven waren, duidelijk met rode inkt aangetekend worden, dat aan de aangifteplicht is voldaan. De lasthebbers van militaire en burgerlijke overheden zijn bevoegd, te allen tijde de magazijnhoeken, handelshoeken en zaakpapieren te onderzoeken, alsook de lokalen te bezichtigen, waarin het voorhanden zijn van aan te geven voorwerpen kan worden vermoed.

§ 4. Van de, overeenkomstig § 1 en § 2 aan te geven waren, mag tot op 30 September 1916 slechts het tiende deel van iedere, volgens de Overzichtstafel te onderscheiden soort verkocht, versneden of verwerkt worden; deze waren mogen echter wel aan het Duitdrisches Textil-Beschaffungsamt" te Brussel worden verkocht. Voor het overige is het tot nader bevel verboden, waren van dezen aard zonder de toelating van het Militàrisches Textil-Beschaffîingsamt" te Brussel te vervreemden, te versnijden of te verwerken. Het beroepswijze vervaardigen van kledingstulken van dat deel der aan te geven waren, waarover; mag worden beschikt, is alleen op bestelling en slechts dan toegelaten, wanneer de zakenman te dien einde van zijn klient een vaste opdracht heeft bekom^en, waarin het aantal kledingstukken en de prijs voor elk voorwerp is aangegeven. Het snijden met enig door krachtmiddelen (woloren, enz.) aangezette knipmachien, alsook met knipmachienen, die met de hand of met de voeten bewogen worden, is verboden.

§ 5. Weefsels, gemaakte en gebreide goederen, evenals lintwaren van den in de Overzichtstafel beschreven aard, die thans in bewerking zijn, of die in de toekomst zullen vervaardigd worden, mogen zodra hij afgewerkt zijn, niet vervreemd, versneden of verwerkt worden; dit verbod geldt ook voor de kleinste hoeveelheid. Van al deze waren moet maandelijks, en wel voor de eerste maal op 1 September 1916, een aanvullende aangifte worden gedaan. De bepalingen van lid 1 en lid 2 zijn niet toepasselijk op voorwerpen, waarvan bewezen kan worden, dat zij na den 31n Juli uit het buitenland werden ingevoerd, of dat zij vervaardigd zijn van grondstoffen die na dezen datum werden ingevoerd.

§ 6. De bezitters van voorwerpen, waarop het vervreemdingsverbod toepasselijk is, zijn gehouden dezelve tot nader bevel te bewaren en met de nodige zorg te behandelen. De voorwerpen, waarop het vervreemdingsverbod toepasselijk is, moeten gescheiden van de beschikbare voorraden bewaard worden en zijn als zoodanig herkenbaar te maken. Ten laatste op 21 Augustus 1916 moeten bedoelde voorwerpen voor de eerste maal van elkaar gescheiden en herkenbaar gemaakt zijn.

§ 7. De aangifte mag alleen gedaan worden op ambtelijke bewijzen van aangifte voor weefsels, gemaakte en gebreide goederen. De bewijzen van aangifte zijn bij het ,,Militârisches Textil-Beschaffungsamt" te Brussel, of bij den bevoegden „Kreischef' aan te vragen.

§ 8. Alle aanvragen en aanzoeken, betreffende deze Verordening of de gebeurlijk daarbij uit te vaardigen uitvoeringsbepalingen zijn te richten tot het „Militâriches Textil-Beschaffungsamt" te Brussel, Wetenschapstraat 35.

§ 9. Wie opzettelijk de aangifte, waartoe hij krachtens deze Verordening verplicht is, niet binnen den vastgestelden termijn doet, of wetens en willens valse of onjuiste opgaven geeft, wordt met ten hoogste twee jaar gevangenis en met ten hoogste 50 000 mark boete of met een dezer heide straffen gestraft. Tevens zal de verbeurdverklaring der niet aangegeven voorraden ten bate van het „Militàrisches Textïl-Beschaffungsamt" uitgesproken worden, om 't even of zij den overtreder toebehoren of niet. Wie uit nalatigheid de aangifte, waartoe hij krachtens deze Verordening verplicht is, niet binnen den vastgestelde termijn doet, of onjuiste of onvolledige opgaven geeft, wordt met ten hoogste 6 maand gevangenis en met ten hoogste 10.000 mark boete, of met een dezer beide straffen gestraft. Bovendien kan de verbeurdverklaring van de niet aangegeven voorraden ten bate van het Militàrisches Textil-Beschaffimgsamt" uitgesproken worden. Wie opzettelijk of uit grove nalatigheid de overige bepalingen van deze Verordening overtreedt, wordt met ten hoogste een jaar gevangenis en met ten hoogste 20.000 mark boete of met een dezer beide straffen gestraft. De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.

§ 10. De bepalingen van § 3, lid 3, 4, 8 en 9, lid 1, 2e zin en lid 2, 2e zin, uit deze Verordening zijn niet toepasselijk op de waren, waarvan bewezen kan worden, dat zij op den proefdag (31 Juli) het eigemdom uitmaakten van de „Commission for Bellef in Belgium' of van het Nationaal Hulp- en Voedingskomiteit.Brussel. den 19n Juli 1916.
C. C. IV A. 9278.

OVERZICHTSTAFEL.
7. Weefsels die per meter worden verkocht:
a) Stof geschikt voor bovenklederen van heren vrouwen en kinderen,
1) uit wol, halfwol of dierenhaar vervaardigd,
2) uit katoen, linnen, halflinnen of uit andere plantenvezels, enz.
b) Stof geschikt voor onderklederen van heren, vrouwen en kinderen,
1) uit wol, halfwol of uit dierenhaar vervaardigd,
2) uit katoen, linnen, halflinnen of uit andere plantenvezels, enz.,
c) Stof voor beddegoed,
d) Stof voor dekens, voor opneemdoeken, voor dekzeilen, markiezen, dekkleeden, enz., voor voedering en voor alle onder a) b) c) niet opgesomde weefsels, gemaakte en gebreide goederen en lintwaren.
II. Gekonfektioneerde onderklederen,
voor mannen en jongelingen, alsook breiwaren, sweater, kousen en sokken en artikelen uit buisvormige weefsels.
III. Dekens,
bedde- reis-, paardedekens, enz. Stof voor dekens en opneemdoeken van elke soort.
IV. Linten,snoeren, veters, lischkoord (nestels, enz.), gordellint, rekgombanden, rijgveters en bretels van elke soort.

No. 239. — 31. JULI 1916.
Verordening *** betreffend het aangeven van stapels koper en tin.

§ 1. Voorwerpen, die onder toepassing der Verordening vallen. Al de stapels in vasten en vloeibaren toestand behorend tot onderstaande klassen en die op 1 Augustus 1916 in het gebied van het General-Gouvernement voorhanden zijn, moeten naar den maatstaf der hiernavolgende bepalingen aangegeven worden:

A.— Koper en tin in ertsen, als ruw metaal, half afgewerkt, e. a.
Klasse 1. Koper in ertsen, bij- en tussenproducten van de metaalindustrie, met ten minste 2 % metaalgehalte.
„ 2. Koper in scheikundige voortbrengselen (kopervitriool, koperafschrapsel) .
„ 3. Onbewerkt koper, allerhande geraffineerd en ongeraffineerd ruw koper, elektrolytkoper erbij begrepen.
„ 4. Bewerkt koper, inzonderheid gesmeed, geplet, getrokken, gegoten, geperst, uitgesneden, gespoten, gesneden, gehoord, gedraaid, geschaafd, gevijld koper (evenals alle afzonderlijke delen, reserve- of onderdelen, die niet tot voorwerpen en toestellen, gereed voor het gebruik, in elkaar gezet zijn).
Daartoe behoren pijpen, blote draden en kabels. Uitgezonderd zijn draden, waarvan de middellijn minder dan 0.5 mm bedraagt, touwen \en weefsels uit zulke draden vervaardigd, blik en foelie, waarvan de dikte minder dan 0,2 mm bedraagt, alsook schroeven en moeren, die minder dan 5 gram per stuk wegen.

„ 5. Koperdraad en koperen kabels met ten minste 5 mm. middellijn, van een omwoeling voorzien. Uitgezonderd zijn met zijde omwoelde en met elastiek geïsoleerde draden.
Klasse 6. Allerhande koperafval en oud koper, ook in uiteengenomen oude machienen en toestellen en delen daarvan.

„ 7. Koper in legeringen met zink, inzonderheid geelkoper en tombale, onbewerkt in staven, platen en dergelijke vormen, alsook bewerkt als hij de 4e klasse.
„ 8. Koper in legeringen met tin, inzonderheid brons en pinshek, onbewerkt en bewerkt als hij de 4e klasse.
„ 9. Koper in legeringen met nikkel, inzonderheid nieuwzilver, alpaka, alfenide, onbewerkt en bewerkt als hij de 4e klasse.
„ 10. Koper in legeringen met andere, hierboven niet genoemde metalen, onbewerkt of bewerkt als hij de 4e klasse.
,„ 11. Koper der klassen van 7 tot 10 als allerhande oud materiaal en afval, ook in uiteengenomen oude machienen en toestellen en delen daarvan.
„ 12. Tin in ertsen, hij- en tussenprodukten der metaalindustrie met ten minste 2 % van het algeheel gewicht metaalgehalte.
„ 13. Tin in scheikundige voortbrengselen (tinas, tinzouten, e. a).
„ 14. Tin als Straits-, Banka-, Penang- en Lammtin.
„ 15. Tin bewerkt als hij de 4e klasse, inzonderheid ook pijpen, onafgewerkte kokers, huizen en keukengerei (vaatwerk).
„ 16. Allerhande tinafval en oudtin.
„ 17. Tin in legeringen met andere dan de hierboven opgesomde metalen (witmetaal, soldeertin).
„ 18. Tinfoelie (stagniool).


B. — Koper en tin in afgewerkte fabrikaten ten dienste van de nijverheid.
Klasse 19. Geplaatste afgezondere blanke leidingen, koperen geleidingen der elektrische spoorvegen en trams en onoverdekte spoorstaafverbindingen erbij hegrepen.
„ 20. Boven- en ondergronds geplaatste, geïsoleerde leidingen met koperen geleiders (kabels):
a) bovengronds geplaatst, wanneer afzonderlijke geleiders meer dan 25 mm, doorsnede hebben,
b) ondergronds geplaatst, wanneer afzonderlijke geleiders meer dan 50 mm doorsnede hebben.
„ 21. Koperen banden en aansluitingsleidingen van schakeltoestellen.
„ 22. Koperen fornuizen.
„ 23. Geplaatste koperen pijpen van 10 mm en meer dan 10 mm buitendoorsnede.
„ 24. Trommels uit legeringen met tin in gasmeters.
C. — Koper, brons, geelkoper en tin van afgewerkte fabrikaten voor huishoudelijke doeleinden, e. a.
Klasse 25. Allerhande koperen, bronzen en geelkoperen keukengerei (vaatwerk) en huishoudelijke voorwerpen voor keukens en bakkerijen.
„ 26. Koperen, bronzen en geelkoperen wasketels, badkuipen, warmwaterhouders van kookmachines en van haarden, waterbakken en pijpleidingen.
„ 27. Tinnen opzetstukken en bedekkingen op toonbanken, geplaatste tinnen pijpen van 10 mm en meer dan 10 mm buitendoorsnede, zoals b. v. bierdarmen.
De aangifte der stapels geldt ook voor deze der hierboven onder A, B en C opgesomde koperen, bronzen, geelkoperen en tinnen voorwerpen, die van een overtreksel (metaal, lak, verf en dergelijke voorzien zijn. Uitgezonderd zijn met koper, geelkoper en tin (b. v. galvanisch) overtrokken en geplatteerde voorwerpen die van ijzer of van een ander dan genoemde metalen zijn vervaardigd. Zijn eveneens uitgezonderd met zilver en goud overtrokken voorwerpen.

§ 2. Personen, vennootschappen, enz., die onder toepassing dezer Verordening vallen. Vallen onder toepassing dezer Verordening:
1. wat betreft de in § 1 onder A en B genoemde klassen 1 tot en met 24, alle natuurlijke en rechtspersonen, vennootschappen, lichamen of verenigingen van privaatrechtelijke of openbaarrechtelijke natuur in wier bedrijven de bij de klassen 1 tot en met 24 opgesomde voorwerpen voortgebracht of bewerkt, verbruikt' of gebruikt worden, of die zulke voorwerpen wegens hun handelsbedrijf of anderszins uit winstbejag in bewaring hebben, zover de stapels onder hun bewaring staan of zich bij hen of voor hen onder toezicht bevinden;
2. Wat betreft de in § 1 onder C genoemde klassen 25 tot en met 27:
a) ondernemingen ter verpleging of herberging van vreemde personen, inzonderheid hotels, herbergen en slijterijen, spijshuizen, koffiehuis-, pasteibakkerij-, bakkerij-, vleeshouwerij- en Keukeninrichtingen,
b) badhuizen, strafinrichtingen (strafkolonies, enz.) werkhuizen (verbeterhuizen, enz.},
c) fabrieken, handelshuizen en privaatpersonen, die de hij de klassen 25 tot en met 27 opgesomde voorwerpen, welke bestemd zijn tot den verkoop, in bezit of bewaring hebben.
Voor stapels vermeld hij de klassen 1 tot en met 27 die op vreemde zolders, in pakhuizen en andere bergplaatsen liggen, zijn de bezitters der betreffende bewaarplaatsen verplicht aangifte te doen, bijaldien hij die gerechtigd is er over te beschikken, zijn stapels niet zelf onder slot houdt. De gasfabrieken moeten de trommels van de gasmeters aangeven.

§ 3. Uitzonderingen.
Moeten niet aangegeven worden:
a) de stapels eener klasse, wanneer hun gezamenlijk gewicht de onderstaande Hoeveelheid der betreffende klasse niet te boven gaat:
Bij klasse 1 tot 11 en bij 19 tot 23, 100 kg kopergewicht,
Bij klasse 12 tot 18 en bij 24, 20 kg tingewicht,
Bij klasse 25 en 26, 20 kg kopergewicht,
Bij klasse 27, 10 kg tingewicht;
b) voorwerpen, die van uit een artistiek, kunsthistorisch of oudheidkundig oogpunt waarde bezitten:
c) koper enz. van elektrische machines vervormers, transformatoren en daarbij behorende toestellen en wisselstukken, die overeenkomstig de Verordening van 6 Maart 1916 (Wet- en Verordeningsblad Nr. 188) aangegeven zijn.

§ 4. Stapelaangifte.
De stapels der onder § 1 vermelde Massen 1 tot en met 27 moeten door hen, die onder toepassing vallen van § 2 dezer Verordening, ten laatste den 1 September 1916 op bijzondere lijsten aangegeven worden, te weten: de stapels der klassen 1 tot en met 24 op geld, die der Massen 25 tot en met 27 op groene lijsten van aangifte. De bevoegde „Kreischef' (Kommandant, Ahschnittskommandeur) bepaalt in aansluiting aan deze Verordening hij wege van een bijzondere bekendmaking, op welke kantoren de ingevulde lijsten van aangifte af te leveren, en waar deze lijsten kosteloos te verkrijgen zijn.
Tot maatstaf voor de aangifte dient de stapel, zoals deze op 1 Augustus 1916 is.
De stapels moeten in kilogram aangegeven worden, Gaat het vaststellen van het gewicht met bijzondere moeilijkheden gepaard, zoals h. v. voor ingemetselde metalen delen, dan volstaat een gewetensvolle schatting van het gewicht of de aanduiding van het voorwerp naar aard en afmetingen.

§ 5. Goede bewaring en gebruik der voorwerpen. De personen, vennootschappen, enz., genoemd in § 2, zijn verantwoordelijk voor de goede bewaring en voor het ter beschikking houden van de voorwerpen, die onder de verplichte aangifte vallen. Afgewerkte fabrikaten (Masse 19 tot en met 27), die hij het van kracht worden dezer Verordening reeds in gebruik waren, mogen ook voorlopig met dezelfde bestemming als tevoren in gebruik blijven. Voorwerpen, die onder de verplichte aangifte vallen, mogen alleen aan de „Zentral-Einkaufsgesellschaft fur Belgien m. h. H." te Brussel of aan haar lasthebber verkocht worden. Voor het overige mag er alleen rechtzakelijk over beschikt wcn'den met toelating van het kantoor voor grondstoffenbeheer hij de afdeling voor Handel en Nijverheid (Rohstoffverwaltungsstelle der Abteilung fur Handel und Gewerbe), Kunstbelevingslaan, 30. Elk gebruik der aangeduide voorwerpen, ten gevolge waarvan het daarin bevatte metaal wordt verwijderd is verboden.
§ 6. Strafbepalingen.
Wordt met ten hoogste 5 jaar gevangenis en met ten hoogste 20.000 Mark boete of met een dezer straffen gestraft:
a) wie verzuimt de voorgeschreven stapelaangifte te doen, of wetens en willens of uit grove nalatigheid een valse of onvolledige aangifte doet,
b) wie in strijd met de voorschriften van § 5 de in § 1 opgesomde voorwerpen verkoopt of koopt of er anders rechtzakelijk over beschikt, of die deze voorwerpen verwijdert,
c) wie op enige andere wijze deze verordening overtreedt.
De poging tot overtreding is strafbaar.
Buiten de straf kan het voorwerp, waarop de overtreding betrekking heeft, verbeurd verklaard worden. Bevoegd tot oordeelvellen zijn de Duitse krijgsrechtbanken
en krijgsoverheden.
Brussel, den 8n Juli 1916.
G. G. K. R. 2147/16.
No. 240. — 2. AUGUST 1916.
De met drie sterretjes gemerkte Verordeningen worden ook door middel van aanplakbrieven bekend gemaakt. Alle andere Verordeningen moeten door de gemeente-overheid volgens de gebruikelijke wijze van bekendmaken vooral aan de belanghebbenden medegedeeld worden.
Verordening *** over het benuttigen van suikerbieten en van de daaruit gewonnen voortbrengselen.

Art. I. Het bij Verordening van 24 November 1915 ingerichte kantoor voor de suikerverdeling (Zuckerverteilungsstelle) blijft voortbestaan. Het staat onder de/1 „Verwaltungschef' hij den General-Gouverneur in België.
Het kantoor voor de suikerverdeling regelt, volgens aanwijzing van den ,,Verwaltimgschef\ de benuttiging der suikerbieten en der daaruit gewonnen voortbrengselen van in- en buitenlandsen oorsprong, en is gerechtigd, alle tot het vervullen harer taak vereiste vaststellingen te doen of door gevolmachtigden te laten doen.
De uitgaven van het kantoor voor de suikerverdeling worden gedekt door een te betalen recht op den afstand van suiker, mêlasse en beetenstroop voor het verbruik; het bedrag van dat recht wordt door den „Vericaltungschef' vastgesteld.

Art. IL Het kantoor voor de suikerverdeling wordt door een bijraad ter zijde gestaan. Beze vergadert naar naar behoefte op uitnodiging van den voorzitter van het kantoor voor de suikerverdeling, oni de gewichtige vraagpunten betreffend het benuttigen van de suiker, van de bieten en van de daaruit gewonnen voortbrengselen te bespreken.
De bijraad bestaat uit:
a) een vertegenwoordiger van het Belgisch ministerie van Landbouw en een van het Belgisch ministerie van Financiën;
b) vier vertegenwoordigers van de voortbrengers (landbouwers, suiker- en stroopfabrikanten);
c) zes vertegenwoordigers van de verbruikers (daaronder vier van suikerverwerkende nijverheden en van de gemeentebesturen) ;
d) één vertegenwoordiger van den groothandel en één van den kleinhandel in suiker.
De leden en een selfde aantal plaatsvervangers worden door den „Verwaltungschef" benoemd; zij zijn te allen tijde herroepelijk. De leden genieten voor hun werkzaamheid geen bezoldiging.

Art. III. Alle beroepsbedrijven, die suikerbieten onder om het even welken vorm voor fabrikatiedoeleinden willen gebruiken, zijn gehouden hiertoe de toelating van het kantoor voor de suikerverdeling aan te vragen.
Het drogen en roosten van suikerbeten of gedeelten ervan is verboden, evenals het vervoederen van suikerbeten onder welken vorm ook, uitgenomen als pulp.
Art. IV. Wie meer dan 100 kgr. suiker of bietenstroop voor eigen of andermans rekening in bewaring heeft, is verplicht een lijst te houden, waarop hij nauwkeurig elk binnenkomen en uitgaven van suiker moet optekenen.
Deze lijst moet bevatten:
a) voor al wat binnen komt: aangifte van datum, soort, afkomst, herkomst, gewicht, eigenaar en stapelplaats, verder datum en nummer van den patentbrief, die het vervoer vergezeld heeft;
b) voor al wat uitgaat:
datum, soort, bestemmeling, bestemmingsplaats en gewicht, verder datum en nummer van den patentbrief voor de levering, of aangifte van de gebruiksbestemming in geval van eigen verbruik.
De bewijsstukken betreffend binnenkomen en uitgaan van suiker en bietenstroop moeten worden bewaard.
Wie meer dan 1000 kgr. suiker voor eigen of andermans rekening in bewaring heeft, is gehouden, daarvan terstond kennis te geven aan het kantoor voor de suikerverdeling , onder toevoeging van een afschrift der onder lid 1 vermelde lijst.
Het kantoor voor de suikerverdeling kan, op verzoek van de verplichting tot aangifte ontslaan.

Art. V. Met het oog op een behoorlijke gerieving van de bevolking en om het spekulatief opdoen van suiker en de bijprodukten er van, evenals van bietenstroop te voorkomen, is de „Verwaltungschef' bevoegd:
a) een opneming te bevelen van alle stapels boven 25 kgr.;
h) het kantoor voor de suikerverdeling te machtigen, stapels van den beschikkingsgerechtigde door dwang aan te kopen tegen een door den „Verwaltingschef goed te keuren prijs, en die stapels op gepaste wijze ter beschikking der verbruikers te stellen.

Art. VI. Voor de voortbrengselen die gedurende het bedrijfsjaar 191511916 gewonnen zijn, blijven de bij Verordeningen of bekendmakingen van 24 September, 22 en 23 December 1915 (Wet- en Verordeningshlad bl. 1235, 1467, 1472) vastgestelde hoogste prijzen behouden.
De „Verwaltungschef' is gemachtigd, bij bekendmaking hoogste prijzen vast te stellen, voor de gedurende het bedrijfsjaar 191611917 gewonnen suikerbieten en voor alle daaruit gewonnen voortbrengselen, evenals voor de verpakking.
Art. VII Wie de bepalingen dezer Verordening of de ter uitvoering hiervan door den „Verwaltungschef uitgevaardigde schikkingen, inzonderheid ook de voorschriften over de hoogste prijzen overtreedt of wie gene of onjuiste aangiften doet, wordt, ongewinderd de anders voorziene straf, met ten hoogste 6 maand gevangenis of met ten hoogste 20,000 mark boete gestraft.
Ook kunnen beide straffen tegelijk uitgesproken worden.
In bijzonder erge gevallen, vooral bij het overschrijden van hoogste prijzen, kan de straf op 2 jaar gevangenis of op 80,000 mark boete gebracht worden.

Art. VIII. Bevoegd tot oordeelvellen zijn de krijgsrechtbanken en de krijgsbevelhebbers.

Art. IX. De Verordeningen van 11 en 24 September 1915, 24 November 1915, 22 en 23 December 1915 (Wet- en Verordeningsblad bl. 1043, 1235, 1377, 1467, 1472) zijn opgeheven. Brussel, den 18n Juli 1916.
C. C. VII 6935.

Verordening *** over de benutting van haver.

Art. 1. De haveroogst uit het jaar 1916 binnen het gebied van het General-Gouvernement in België wordt hierbij, van aïs hij afgemaaid is, ten bate der burgerbevolking uitsluitend voor vervoedering aangeslagen. De beslaglegging strekt zich ook tot den haver uit. Het stroo wordt na het dorsen van de beslaglegging vrij, Elke ondernemer van een landbouwbedrijf is plicht, voor ordentelijk binnenbrengen van den haveroogst te zorgen.

Art. 2. Zoverre hieronder niet anders wordt beschikt, is het verboden:
a) aan de aangeslagen haver wijzigingen toe te brengen,
b) bij overeenkomst of verdrag ten bate van derde personen er over te beschikken.

Art. 3. leder bezitter van haver is gehouden, alle maatregelen te nemen tot het behoud van de voorraden en de haver met de zorgvuldigheid van een ordentelijk huisvader te behandelen. Voert een bezitter van haver een der hiervoren bepaalde maatregelen niet uit binnen den tijd, die door den ..Kreischef" of door dezes lasthebber is vastgesteld, zoo laat deze die maatregelen op kosten van den ondernemer door derden uitvoeren.

Art. 4. De bezitters van haver moeten op verzoek al hun haver, met de enkele uitzondering der in art. 6, nrs. 1 en 2 vermelde zaai- en voederhaver, tegen betaling afstaan aan de afnemers, die door den ,,Kreischef zijn aangeduid; zij moeten die haver op tijd aanvoeren, leveren en verzenden. Inzonderheid zal op deze wijze uit de voor het eigen gebruik overtollige stapels der haverbezitters, door dwang voorzien worden in de behoefte van de kolenmijnen. van de inrichtingen tot algemeen nut en van de vervoerondernemingen die voor het openbaar welzijn onontbeerlijk zijn.

Art. 5. Aïs hoogste prijs voor haver van goede, marktgeschikte hoedanigheid met een laatste gewicht van 44 kgr. per hektoliter, wordt een algemene prijs van 33 frank vastgesteld. De prijs voor minderwaardige haver wordt, zoo nodig, op voorstel van een door den „Kreischef' aangestelden deskundige, overeenkomstig de mindere waarde lager gesteld.

Art. 6. Ten bate van den bezitter van het landbouwbedrijf worden, voor den tijd van 15 September 1916 af, de volgende hoeveelheden van de beslaglegging vrij verklaard:
1. ah zaaigoed, 170 kgr. van de beste hoedanigheid en van eigene voortbrengst voor elke hektaar van zijn land, dat in 't jaar 1916 met haver was bezaaid. Voor het aanwenden van grotere hoeveelheden zaaihaver, het ruilen van zaaigoed of het aanschaffen van vreemd zaaigoed op oni 't even welke wijze, is de goedkeuring van den ,Kreischef der betrokken arrondissementen vereist;
2. als voederhaver, 1500 gram per dag en per paard. Van de voederhaver mag maandelijks slechts één twaalfde van de hoeveelheid voor het ganse jaar vervoederd worden. Dat rantsoen kan door den „Kreischef' verhoogd worden: voor gekeurde dekhengsten, voor mijnpaarden die onder den grond werken en voor paarden in steengroeven en bossen werkende paarden, evenals voor paarden, waarop entstof genomen wordt, tot 5000 gram, voor andere zware trekpaarden, voor paarden die ten dienste van het algemeen welzijn gebuikt worden, zoals die der geneesheren, vervoerondernemers, huurhouders, grotere verbruiksinrichtingen en inrichtingen voor krengbenuttiging, evenals voor moeder en teeltmerries, tot 2500 gram.
Anderzijds kan voor paarden die een groot deel van het jaar op de weide lopen, het vrij te verklaren rantsoen door den „Kreischef' met één derde verminderd worden.
3. Van de haver die boven de volgens nrs. 1 en 2 vrijverklaarde hoeveelheid overschiet, mag maandelijks één twaalfde verkocht worden, zoverre echter, tot het einde der voorgaande maand, geen leveringen overeenkomstig artikel 4 verlangd werden.
4. Paardenbezitters, die hun nodige haver niet zelf voortbrengen, mogen niet meer vervoederen dan de in nr. 2 bepaalde rantsoenen.

Art. 7. 1. Bij de aanstaande oogstschatting geeft elke landbouwer zijn vermoedelijken haveroogst aan. Met de ambtelijke korenkaart („Inlichting'') ontvangt hij een mededeling over de gehele hem toegekende hoeveelheid zaai- en voederhaver en over de overschietende hoeveelheid, die overeenkomstig de artikelen 4 en 6 te koop is te stellen.
2. De „Kreischefs" hebben het recht, door lasthebbers te allen tijde stalen te nemen, de herkomst van de haverleveringen te onderzoeken en op welke wijze het nodige toezicht te voeren, opdat het voorgeschreven verbruikstwaalfde niet worde overschreden.

Art. 8. De burgemeesters zijn gehouden er over te waken, dat de landbouwers hunner gemeente binnen ééne maand niet meer dan het hun toegestane twaalfde vervoederen of verkopen. leder verkoper van haver moet, onmiddellijk na den verkoop, de verkochte hoeveelheden bij den bevoegden burgemeester aangeven. De burgemeesters moeten den In van elke maand, den bevoegden .,Kreischef' mededelen, hoeveel van de maandelijkse twaalfden die in hun gemeente voor den verkoop werden vrijverklaard, verkocht geworden. De Kreischefs moeten de juistheid dezer aangiften onderzoeken en over de haverstapels in de verschillende gemeenten boek houden.

Art. 9. De bepalingen dezer Verordening zijn ook van toepassing op de overblijvende havervoorraden uit den oogst van 1915. Deze overschotten behoren tot de te koop te stellen hoeveelheden. (Zie artikel 4, artikel 6, nr. 3 en Art. 7, nr. 1.)

Art. 10. Wie de bepalingen dezer Verordening overtreedt, wordt met ten hoogste 5 jaar gevangenis of met ten hoogste 20.000 mark boete gestraft. Beide straffen kunnen tegelijk uitgesproken worden. Tevens kan, in de gevallen voorzien onder artikel 2, de haver verbeurdverklaard worden. De verbeurdverklaarde haver wordt verkocht en de opbrengst er van voor liefdadige doeleinden afgestaan aan het Rood Kruis van België.

Art. 11. Bevoegd tot oordeelvellen zijn de Duitse krijgsrechtbanken en de krijgsbevelhebbers. Brussel, den 21n Juli 1916.
C. C. VU. 6961.


Verordening *** betreffend de regeling van den boterhandel.

Art. 1. Van 1 September 1916 af mogen alleen de bond van boterverkopers, genoemd Fédération Nationale des Unions Professionnelles de Marchands et Producteurs de Beurre de daarbij aangesloten beroepsverenigingen van handelaars, genoemd ,,unions Professionnelles Provinciales de Marchands et Producteurs de Beurre" en de leden dezer verenigingen van beroepswege handeldrijven in boter. De standregelen van den bond der boterverkopers zijn aan mijn goedkeuring onderworpen. Onder handeldrijven in den zin van lid 1 is niet te verstaan:

1. het niet van beroepswege aan- en verkopen van boter, inzonderheid ook door staats- en gemeentebesturen, verbruiksinrichtingen en -coöperatieven, inrichtingen van algemeen nut en andere dergelijke instellingen,
2. het verkopen door de voortbrengers aan de verbruikers, aan den bond van boterverkopers, aan de daarbij aangesloten beroepsverenigingen van handelaars en de leden dezer verenigingen, evenals aan de onder nr. 1 genoemde inrichtingen en instellingen.
Art. 2. Boterhandelaars, wier onbetrouwbaarheid in opzicht hunner handelszaak gebleken is, kunnen door den voorzitter van het burgerlijk bestuur, bevoegd voor de plaats waar dit handelsbedrijf is gevestigd, van den aïs beroep gedreven handel in boter voor het gebied van het Generaal-Gouvernement uitgesloten worden. De voorzitter van het burgerlijk bestuur kan verder den aan- en verkoop van boter door de onder nr. 1 van lid 2 van artikel 1 genoemde inrichtingen en instellingen, beperkingen opleggen.

Art. 3. De personen, die gerechtigd zijn boter aan te kopen, moeten dat steeds kunnen bewijzen. Deze bepaling geldt niet voor de personen die boter kopen voor eigen verbruik.

Art. 4. Overtredingen van vorenstaande bepalingen worden m,et ten hoogste één jaar hechtenis of gevangenis, of met ten hoogste tien duizend mark boete gestraft. Beide straffen kunnen ook tegelijk uitgesproken worden. Buitendien kan tot de verbeurdverklaring van de waar worden besloten.

Art. 5. Bevoegd tot oordeelvellen zijn de krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers.

Art. 6. Artikel II der Verordening van 12 Februari 1916 (Wet- en Verordeningshlad hl. 1625) is opgeheven. Brussel den 26n Juli 1916.
C. C. VII 6994.

Op grond mijner Verordening van 8 Jidi 1916 betreffend de oogstkommissies, evenals der uitvoeringsbepalingen van 8 Jidi 1916 tot dezer Verordening, heb ik op voorstel der Centrale Oogstkommissie (Zentral-Ernte-Komniission, de hoogste prijzen voor den verkoop van gedorst koren, meel, zemelen en brood voorshands als volgt vastgesteld:
Voor tarwe uit stapelplaats of molen geleverd fr. 40.54 per 100 kg.
Voor rogge „ , . » . ;, 27.40 , „ „
Voor masteluin „ „ , , , ,. 29.43 „ „ ,
„ ongepelde spelt „ „ , „ „ 25.44 .. , „
„ tarwezemelen uit molen geleverd . . , 22.— . „ ^
„ masteluinzemelen „ „ „ • • « 20.— ,. „ „
„ roggezemelen „ „ . . , 18.— „ „ „
„ tarwemeel aan hakkers of verbruikers geleverd „ 50.51 „ , ,
„ roggemeel aan hakkers of verbruikers geleverd „ 35.32 „ „ „
voor masteluinmeel aan bakkers of verbruikers geleverd „ 37.39 „ „ „
voor tarwemeel op 60 °/o of fijner gemalen, aan pasteihakkers geleverd „ 80.— „ „ „
voor roggemeel op 60 °/o of fijner gemalen aan pasteihakkers geleverd „ 65.— „ „ „
voor, tarwebrood aan verbruikers geleverd . . „ —.45 „ kgr.

Deze hoogste prijzen worden op 15 Augustus van kracht.
Den Provincialen Oogstkommissies (Provincial Ernte Kommissionen) wordt de bevoegdheid verleend, voor de omschrijving van afzonderlijke gemeenten op verzoek of na raadpleging van de burgemeesters, telkens een lageren hoogsten prijs voor tarwebrood, evenals hoogste prijzen voor brood, tot het bereiden waarvan roggemeel wordt gebruikt, vast te stellen.
Voor de verkopen der voortbrengers van koren aan het Nationaal Hulp- en Voedingskomiteit, blijven de hoogste prijzen, vastgesteld in de uitvoeringsbepalingen tot de Verordening van 8 Juli 1916 betreffend de oogstkommissies, van kracht.
Brussel, len 27n Juli 1916.
Z. E. K. U.
No. 240. — 2. AUGUST 1916
1) Elke politieke betoging in het openhaar is verboden. Zijn o. a. aïs zodanig te beschmiiven: samenscholingen in de straten, toejuichingkreten en smaadgeroep,
het sluiten van winkels, magazijnen, koffiehuizen, spijshuizen, enz., het dragen van hij afspraak bepaalde klederen van dezelfde kleur, het dragen van kentekens en dies meer.
2) Overtredingen worden, zoover geen zwaardere straf is voorzien, met ten hoogste 6 maand opsluiting of gevangenis of met ten hoogste 20.000 mark boete gestraft. Gevangenisstraf en boete kunnen tegelijk worden uitgesproken.
3) De krijgsrechtbanken en de krijgsoverheden zijn tot oordeelvellen bevoegd.
Brussel, den 30n Juli 1916.
G. G. là. 12690.
No. 241. — 6. AUGUST 1916.
Verordening, *** betreffend het voorbrengen van paarden.

Art. 1. Wie de bevelen, uitgevaardigd door de Gouverneurs, Kommandanten en „Kreischef' betreffend het aangeven en voorbrengen van paarden voor de opeising, of de uitvoeringsvoorschriften van dezelfde bevelhebbers tot bedoelde bevelen overtreedt, wordt met ten hoogste 6 maand hechtenis, of gevangenis, of met ten hoogste 10.000 mark boete gestraft.
Ook kan bij opzettelijke overtreding verbeurdverklaring van de verheelde paarden uitgesproken worden.

Art. 2. Bevoegd tot oordeelvellen zijn de krijgsrechtbanken en de krijgsbevelhebbers.
Brussel, den 4n Augustus 1916 .
No. 241. — 6. AUGUST 1916.
Ministerie van Wetenschappen en kunsten.
Aan onderstaande gemeenten of personen zijn bij Beschikking van den Heer Generalgouverneur, als buitengewone ondersteuning voor den regelmatigen dienst der lagere school, de volgende sommen verleend.
Dienstjaar 1915. frank Provinicie Franken
Balen ad Vesder Luik 700
Membach Luik 500
Virginal Brabant 500
Molenstede Brabant 300
Gyzelbrechtegem West Vlaanderen 330
Dilsen Limburg 738
Mettekoven Limburg 500
Henri Barbieur in Chimay Henergouwen 1000
Spalbeek Limburg 600
Beauraing Namen 200
Ferrieres Luik 400
Neeroeteren Limburg 1044
Masnuy St Pierre Henegouwen 1728
Dienstjaar 916
Palisleul Luxemburg 1200
Masnuy St Pierre Henegouwen 1728
Veulen Limburg 1000
No. 242. — 10. AUGUST 1916.
De met drie sterretjes gemerkte Verordeningen worden ook door middel van aanplakbrieven bekend gemaakt. Alle andere Verordeningen moeten door de gemeenteoverheid volgens de gebruikelijke wijze van bekendmaken vooral aan de belanghebbenden medegedeeld worden.

Verordening *** houdende verbod gedurende de maand Augustus 1916 binnen het gebied van het General-Gouvernement paarden van de hand te doen, aan te schaffen en uit te voeren.

§ 1. Het is verboden gedurende de maand Augustus 1916 binnen het gebied van het Generaal-Gouvernement op enige wijze paarden van de hand te doen en voorgoed of voor tijdelijk gebruik aan te schaffen; het is evenzo verboden paarden van de ene gemeente naar de andere over te brengen. De „Kreischef' kan aan de huidige bezitters uitzonderingen toestaan. De paardenmarkten, die voor de maand Augustus binnen het gebied van het Generaal-Gouvernement waren vastgesteld, worden hierbij opgeheven.

§ 2. Wie deze Verordening overtreedt, wordt met ten hoogste 1 jaar gevangenis of met een boete van 300 tot 10.000 mark gestraft. Beide straffen kunnen tegelijk uitgesproken worden. Ook kan tot de verbeurdverklaring der paarden worden besloten.

§3. De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot strafvervolging bevoegd. Brussel, den 26n Juli 1916.
G. G. F. 6077.

No. 242. — 10. AUGUST 1916.

Art. 1. Exploten, die van Duitse rechtbanken of andere Duitse overheden uitgaan en voor een binnen het Gebied van het Generalgouvernement in België verblijvenden, niet tot het Duitse leger behorenden persoon bestemd zijn, Kunnen derwijze worden besteld, dat zij den bestemmeling door een lasthehber van den „Verwaltungschef" tegen ontvangstbewijs overhandigd worden. Bij gebreke van een ontvangstbewijs van den bestemmeling, volstaat een bewijs van den lasthebber, waaruit blijkt dat het exploot overhandigd werd en wanneer dit is geschied.

Art. 2. Artikel 1 der Verordening van 1 April 1814 evenals de wet van 28 Juni 1889 worden als volgt aangevuld: Indien de bestemmeling in Duitsland verblijft, moet het exploot, door tussenkomst van het Belgisch ministerie van rechtswezen, bij den „Verwaltungschef bij den Generalgouverneur in België worden ingediend. De bestelling geldt eerst als zijnde gedaan van het ogenblik af waarop het exploot den bestemmeling tegen bewijs overhandigd, of volgens de in Duitsland geldige voorschriften besteld geworden is.

Art. 3. De „Verwaltungschef' is bevoegd tot het uitvaardigen van uitvoeringsbepalingen. Brussel, den 29n Juli 1916.
C. C. F/a. 5861.
No. 242. — 10. AUGUST 1916.
Verordening* betreffend vorming van leerkrachten voor de lagere scholen en bewaarscholen (kindertuinen), zoomede de onderwijzersdiploma's. Om te voorzien in het vormen van onderwijzers die bekwaam zijn om overeenkomstig de voorschriften van artikel 20 der wet van 15 Juni 1914 in de lagere scholen en in de bewaarscholen te onderwijzen verorden ik hetgeen volgt, onder wijziging van de Koninklijke hesluiten:
1) van 4 September 1896 betreffend de Staats lagere normaalscholen,
2) van 4 September 1896 betreffend de aanneming door den Staat van de lagere normaalscholen der provinciën en der gemeenten en van de vrije lagere normaalscholen,
3) van 21 September 1884 betreffend het examen voor onderwijzers, voorzien in de wet op het lager onderwijs.

Art. 1. In de Staatsnormaalscholen en in de door den Staat aangenomen normaalscholen, moet het onderwijs in alle vakken, uitgezonderd het onderricht in de tweede en derde taal, gegeven worden in de taal, welke op het programma van de school of van hare afzonderlijke afdelingen als voertaal is vastgesteld. Het bepalen der voertaal geschiedt voor de Staatsnormaalscholen door het ministerie van Wetenschappen en Kunsten, voor de vrije inrichtingen door hun bestuurder. Dezes besluit moet samen met de aanvraag om aanneming der inrichting door den Staat ingediend worden. Wijzigingen moeten door het ministerie worden goedgekeurd.

Art. 2. Geen onderwijzer mag in een klas onderwijs 18 geven, zoo hij de voor die klas voorgeschreven voertaal niet volkomen machtig is.

Art. 3. De leerboeken en leermiddelen voor de afzonderlijke vakken, moeten opgesteld zijn in de taal, die voor dit vak aïs voertaal is voorzien, Voor diploma’s en getuigschriften moet de voertaal gebruikt worden van de klas, waartoe de leerling behoort. Dit geldt ook voor de bevelen van het schoolbeheer en voor het schriftelijk verkeer met de ouders der scholieren.

Art. 4. Zoo de van Staatswege aangenomen normaalscholen de vorenstaande bepalingen, of de op grond er van uitgevaardigde bevelen van de opzieners aangesteld voor de normaalscholen, of van het ministerie voor Wetenschappen en Kunsten niet naleven, lopen zij gevaar, niet langer door den Staat erkend te worden en de staatstoelage te verliezen.

Art. 5. De middenjury, voorzien onder artikel 24 der wet van 15 Juni 1914 op het lager onderwijs, zal voor elk der drie landstalen (Vlaams, Frans, Duits) afzonderlijk samengesteld worden. De examens worden, met uitzondering van dat voor de tweede en de derde taal, uitsluitend afgenomen in de taal, voor welke de jury aangesteld is. In dezelfde taal zal ook het diploma over het examen opgesteld worden.

Art. 6. Het onderwijzersdiploma, af te leveren door de Staatsnormaalscholen en door de van Staatswege aangenomen normaalscholen, evenals het diploma over het voor de jury afgelegd examen (artikelen 24 en 15 der wet van 15 Juni 1914 op het lager onderwijs) moeten uitdrukkelijk vermelden, of de kandidaat bekwaam is, het lager onderwijs te geven in een Vlaamse of Waalse of Duitse klas. In de formulieren, die hij de besluiten van 4 September 1896 en 21 September 1884 voor bedoelde diplomas zijn vastgesteld, luidt de slotzin voortaan als volgt:
„Ter oorkonde waarvan, de jury dit diploma van lageren onderwijzer voor de klassen met: („Vlaamse- „ Franse- voertaal ,, Duitse ) afgeleverd heeft

Art. 7. Onderwijzers, die het onder artikel 6 vermelde diploma na 1 Oktober 1916 bekomen hebben, mogen in de scholen, vallende onder toepassing der wet van 15 Juni 1914, alleen in een klas onderwijzen, waarvan de voertaal dezelfde is als in het diploma is opgegeven.

Art. 8. Artikel 5 lid 2 en artikel 6 lid 1 zijn insgelijks van toepassing op het hij koninklijk besluit van 27 Juni 1898 en hij ministerieel besluit van 28 Juni 1898 voorzien examen tot het verkrijgen van het diploma van onderwijzeres in de bewaarscholen (kindertuinen) en op dit diploma. De slotzin op het voor dit diploma gebruikelijke formulier zal voortaan luiden: „Ter oorkonde waarvan, haar dit diploma van onderwijzeres der bewaarscholen (kindertuinen) voor de klassen met „Vlaamse 1 „ Franse voertaal „ Duitse afgeleverd werd.*'

Art. 9. Onderwijzeressen, die het onder artikel 8 vermelde getuigschrift na 1 Oktober 1916 bekomen hebben, mogen in de onder Staatstoezicht staande kindertuinen alleen in een klas onderwijzen, waarvan de voertaal dezelfde is als die in het diploma is opgegeven.

Art. 10. Binnen een maand na afkondiging van deze Verordening, moeten de bestuurders der door den Staat aangenomen normaalscholen, bij het ministerie van Wetenschappen en Kunsten aangeven, welke voertaal voor hunne inrichting en voor de afzonderlijke afdelingen er van vastgesteld is.
Voor het overige worden de bepalingen dezer Verordening met aanvang van het schooljaar 1916 1917 van kracht.
Brussel, den 2n Augustus 1916.C. C. ///a. 2658.

No. 242. — 10. AUGUST 1916.
Bekendmaking betreffend afbakening van het gebied der Provinciale Oogstkommissies te Antwerpen en Bergen.

De Centrale Oogstkommissie (Central Ernte Kommission) heeft met toestemming van den Heer Generalgouverneur hesloten, dat de vier in Oost-Vlaanderen gelegen gemeenten: Tielrode, Temsche, Sint- Niklaas (Waas) en Nieuwkerken (Waas) bij de Provinciale Oogstkommissie (Provinsial Ernte Kommission) Antwerpen ingedeeld worden.

De 15 in West-Vlaanderen gelegen gemeenten: Aalbeke, Bellegem, Bossuit, Kooigem, Dottenijs, Spiere, Helkijn, Herseeuw, Lauwe, Lowingen, Marke, Moeskroen, Rekkem, Rollegem en St-Denijs, die hij bekendmaking van 9 Augustus 1915 van den voorzitter der Centrale Oogstkommissie (Wet- en Verordeningsblad 868), onder de Provinciale Oogstkommissie te Bergen geplaatst werden, vallen na hun afscheiding van het gebied van het Generaal-Gouvernement weer buiten het gebied der Provinciale Oogstkommissie te Bergen.
Brussel, den 7n Aug. 1916.
Z. E. K. 221.

No. 242. — 10. AUGUST 1916.
Verordening betreffend verhoging van de postrechten op brieven en postkaarten voor het
postverkeer met het Etappen- en Operatiegebied in West-België.
Mijn Verordening van 10 Mei 1916 over de verhoging van de postrechten op gewone, aan het posttarief onderworpen brieven en postkaarten binnen het gebied van het Generaal-Gouvernement, is, met ingang van 15 Augustus 1916, ook toepasselijk op het postverkeer met het Etappen- en Operatiegebied in West- België.
Brussel, den 8n Augustus 1916.
C. C. lia. 7999.
No. 243. — 14. AUGUST 1916.
Verordening ***betreffend beperkt gebruik van vlees en vet.

Art. 1. In gasthoven, herbergen en spijsgidsen, evenals in maatschappijen verversingslokalen mag slechts êén vleesgerecht per maaltijd opgediend worden.

Art. 2. In gasthoven, herbergen en spijshuizen, evenals in maatschappij- en verversingslokalen mogen:
1) Op Maandag en Donderdag geen vlees, wild, gevogelte, vis en andere spijzen, die met vet of spek gebraden, gebakken of gestoofd zijn, evenals gesmolten vet, en
2) Op Zaterdag geen varkensvlees opgediend worden. Het toebereiden van spijzen in dezer eigen vet zonder bijkomende vetstoffen is toegelaten.

Art. 3. Als vlees in den zin dezer Verordening gelden runds-, schapen- ,kalfs- en varkensvlees, evenals vlees van allerhande gevogelte en wild, evenals verduurzaamd vlees, allerhande worsten en spek. Als vet gelden boter, gesmolten vet en reuzel, margarine, kunstkeukenvet, evenals allerhande dierlijke en plantaardige oliën en vetten.

Art. 4. Overtredingen worden gestraft met acht dagen tot zes maand gevangenis en met 26 tot 500 frank boete of met één van beide straffen. Buitendien kan . de sluiting voor een tijd of voor goed van de bedrijven, waarin deze Verordening overtreden werd, uitgesproken worden. Bevoegd tot oordeelvellen zijn de strafkamers der Belgische rechtbanken van eersten aanleg. Brussel, den 9n Augustus 1916.C C. VII 7472.
No. 243. — 14. AUGUST 1916.
Verordening, * * * betreffend beperkt gebruik van room.

Art. 1. Met het oog op een hetere benuttiging van ongeroomde melk, is het verboden:
1. room in den handel te brengen, uitgenomen voor het vervaardigen van boter;
2. ongeroomde melk of room in beroepsbedrijven hij het hakken te bezigen of aldus toebereide bakkerijwaren te verkopen, te koop te stellen of anders in den handel te brengen;
3. ongeroomde melk of room tot het vervaardigen van chocolade en andere cacaohoudende toebereidingen, bonbon en dergelijke voortbrengselen te bezigen;
4. zuivere of verwerkte, of met andere spijzen vermengde slagroom in den kleinhandel, inzonderheid in melkwinkels^ pastel- en broodbakkerijen, gasthoven, herbergen en spijshuizen evenals verversingslokalen op te dienen.
De burgerlijke kommissarissen (Zivilkammissare) kunnen, zonodig op grond van geneeskundige getuigschriften, uitzonderingen toestaan.

Art. 2. Aïs room geldt alle met vetgehalte verrijkte melk, ook verdikt en in poeder.

Art. 3. De belanghebbende bedrijfhouders zullen, op een goed zichtbare plaats, een afdruk dezer Verordening in hunne verkoop- en bedrijfslokalen uithangen.

Art. 4. Overtredingen worden gestraft met acht dagen tot zes maand gevangenis en met 26 tot 500 frank boete of met één van heide straffen. Buitendien kan de sluiting voor een tijd of voor goed der bedrijven, waarin deze Verordening overtreden werd, uitgesproken worden.
Bevoegd tot oordeelvellen zijn de strafkamers der Belgische rechtbanken van eersten aanleg.
Brussel, den 9n Augustus 1916.
C. C. VII. 7472.
No. 244. — 18. AUGUST 1916.
Verordening betreffende het kosteloos geneeskundig toezicht der lagere scholen.

Art. 45 van de wet van 15 Juni 1914 op het lager onderwijs luidt als volgt:
„Elke gemeente is gehouden een kosteloze dienst voor medisch schooltoezicht in te richten, welke dienst omvat een onderzoek der leerlingen hij de opneming in de school en ten minste één schoolbezoek per maand. Deze dienst strekt zich uit over al de onder het beheer dezer wet staande scholen.
De algemene voorwaarden, waaronder dit toezicht geschiedt, worden hij koninklijk besluit geregeld. De geneesheren-opzieners van de gemeentescholen worden benoemd door den gemeenteraad; de geneesheeen-opzieners van de aangenomen en aanneembare scholen worden door het bestuur dier scholen benoemd en door het schepencollege toegelaten, behoudens beroep hij den Koning ingeval de toelating wordt geweigerd.
Na elk schoolbezoek zendt de geneesheer-opziener aan den burgemeester een verslag, waarvan een afschrift! wordt overgemaakt aan het gezondheidstoezicht, aan den opziener van het onderwijs in het gebied en aan het bestuur der belanghebbende school.
Met afwijking van artikel 68, 6°, der wet van 12 September 1895, kunnen de leden van den gemeenteraad en de burgemeesters met het ambt van geneesheer- opziener belast worden behoudens goedkeuring, door den Koning, van de beraadslaging van den Koning, van de beraadslaging van den gemeenteraad die den belanghebbende benoemt en zijne jaarwedde bepaalt." Dit voorschrift wordt door deze Verordening van kracht. In uitvoering ervan worden de volgende schikkingen getroffen.

Art. 1. Het kosteloos schooltoezicht, dat door de gemeenten dient ingericht, strekt zich uit over de gemeentelijke, aangenomen en private ondersteunde lagere scholen en bewaarscholen (kindertuinen)
De gemeenten die ontslagen zijn van het stichten of van het onderhouden een lagere school, zijn gehouden het geneeskundig toezicht in te richten in de op haar gebied gelegen aangenomen en private ondersteunde lagere scholen en bewaarscholen (kindertuinen). De gemeenten die gemachtigd zijn een gemeenschappelijke school in te richten en te onderhouden, kunnen het kosteloos geneeskundig toezicht dier scholen gemeenschappelijk regelen.

Art. 2. De taak van het geneeskundig schooltoezicht bestaat in: het vaststellen van den gezondheidstoestand der leerlingen; het raadgever van de leden van het onderwijzend personeel, aan de kinderen en aan de ouders; het bevorderen van voorbehoedende gezondheidsmaatregelen. De geneeskundige behandeling der leerlingen maakt geen deel uit van de taak van het geneeskundig toezicht.

Art, 3. Het geneeskundig schooltoezicht omvat ten minste:
I) een onderzoek der kinderen hij hun opening in de school, alsook in den loop van het 3e, 5e en laatste studiejaar.
Dit onderzoek strekt zich uit over den lichamelijken en verstandelijken toestand der kinderen; de uitslag ervan zal opgetekend worden in een tabel van het hierna afgedrukt model; het omvat daarenboven de belangrijke mededelingen aan den geneesheer opziener gedaan door de ouders der leerlingen, door den behandelden geneesheer (met toestemming van de familie) en door den onderwijzer.
Een geneeskundig onderzoek door den geneesheer der familie, die zijn bevindingen naar het voorgeschreven model opmaakt, ontslaat den leerling van het onderzoek in de school, zoo deze bevindingen aan den geneesheer-opziener worden meegedeeld.
De tabel dient geheim gehouden en persoonlijk door den geneesheer-opziener achter slot bewaard, die ze, nadat het kind voor goed de school heeft verlaten, overmaakt aan het ministerie van Binnenlandse Zaken (Geneeskundige Afdeling), waar zij gedurende 50 jaar bewaard wordt. Haar inhoud mag enkel op aanvraag aan de overheden meegedeeld worden. De behandelde geneesheer kan eveneens de toelating bekomen ze te raadplegen, zoo de betrokkene of zijn wettige plaatsvervanger er in toestemt.

II) Een herhaald onderzoek van de leerlingen, die de geneesheer-opziener aan een bewaking meent te moeten onderwerpen.

III) Een maandelijks bezoek der school, gedurende hetwelk de geneesheer-opziener de kinderen onderzoekt, die hem door den onderwijzer aangeduid worden aïs zijnde verdacht van ziekte, of die dienen bewaakt te worden; hij stelt betrekkelijk deze scholieren de maatregelen voor die hij nodig acht.
De onderwijzer zal den geneesheer opziener de waarnemingen van lichamelijken, geestelijken en zedelijken aard mededelen, die hij tengevolge van zijn gestadigen omgang met de leerlingen en zijn betrekkingen met de ouders in staat is te maken.
Na elk maandelijks schoolbezoek zal de geneesheeropziener over zijn waarnemingen verslag doen aan den burgemeester, die het zonder uitstel heeft mede te delen aan het bestuur der school, aan het schooltoezicht en aan het gezondheidstoezicht.

IV). Een halfjaarlijks bezoek der schoollokalen en der bijgebouwen. Dit bezoek strekt zich uit over: de ligging en den toestand van de school- en bijgebouwen, het getal en de ruimte der klassen, het getal leerlingen van elke klas, de verlichting, de vernieuwing van de lucht en de verwarming, de banken, de borden, het reinigen en het ontsmetten der verschillende schoollokalen, het drinkwater, de afvoering van het vuil water en de uitwerpsels, de gemakken, de speelplaatsen, de gangen en de kleerkamers. De geneesheer-opziener doet aan het schooltoezicht verslag over zijn bezoek.

V) In geval een besmettelijke ziekte heerst in de school of in de gemeente, vermeerdert de geneesheer opziener het getal zijner bezoeken voor zooveel het nodig is; hij zorgt voor het naleven van al de voorschriften met betrekking tot het verwijderen en het heraannemen der zieke leerlingen, en gebeurlijk tot de sluiting en de heropening der klassen, evenals tot de ontsmetting der schoollokalen. Zoo zich in de school wezenlijke of verdachte gevallen van besmettelijke ziekte voordoen, moet de onderwijzer zonder uitstel den geneesheer-opziener daarvan kennis geven.
vervolg verordening schooltoezicht
Art. 4. Het onderzoek der leerlingen geschiedt in een lokaal der school of in een in de nabijheid gelegen lokaal, dat door het bestuur der inrichting ter beschikking van den geneesheer-opziener gesteld wordt. Bit lokaal moet wel verlicht en verwarmd zijn; er moet een lengtemaat en een weegtoestel voorhanden zijn.

Art. 5. De geneesheren-opzieners worden voor ten minste 5 jaar aangesteld.

Art. 6. De gemeente is gehouden aan den geneesheer- opziener een behoorlijke wedde of een toereikende vergoeding voor elk onderzocht kind te betalen. Betrekkelijk het bedrag der wedde of der vergoeding mag geen verschil gemaakt worden tussen de door den geneesheer-opziener bezochte scholen.

Art. 7. Een model van plaatselijk reglement, waardoor het minimum der inrichting van het kosteloos geneeskundig schooltoezicht is vastgesteld, wordt als bijlage bij deze Verordening gevoegd.

Art. 8. Het Hoofd van het Burgerlijk Beheer (Verwaltungschef) bij den Generalgouverneur in België is belast met de uitvoering van deze Verordening.
Brussel, den 21n Juli 1916.C. C. III. 2192.
No. 244. — 18. AUGUST 1916.
MODEL VAN PLAATSELIJK REGLEMENT
betreffende de inrichting van het kosteloos geneeskundig toezicht in de lagere scholen. Op grond van artikel 75 der gemeentewet en van artikel 45 der wet op het lager onderwijs, alsmede van de ter uitvoering dier wet uitgevaardigde Verordening van den Generaalgouverneur betreffende de inrichting van een kosteloos geneeskundig schooltoezicht in dato 21 Juli 1916 besluit de Gemeenteraad wat volgt:

Art. 1. In de gemeente ..........wordt een kosteloos geneeskundig schooltoezicht ingericht (1), dat zich uitstrekt over de gemeentelijke, aangenomen en private ondersteunde lagere scholen en bewaarscholen (kindertuinen).

Art. 2. Het geneeskundig schooltoezicht omvat:
1) een grondig geneeskundig onderzoek van elke leerling hij zijn opneming in den school, alsook in den loop van het 3e, 5e en laatste studiejaar;
2) herhaalde onderzoeken der leerlingen voor dewelke een bijzondere geneeskundig bewaking voorzien werd;
3) een maandelijks bezoek der school;
4) een halfjaarlijks bezoek der school- en bijgebouwen;
5) bezoek der school bij het uitbreken van besmettelijke ziekten.
6) Aanmerking. — Daar waar de omstandigheden het toelaten, zal zoo mogelijk een geneesheer-opziener worden aangesteld, die dit ambt als voornaamste bezigheid moet uitoefenen ; gebeurlijk zullen verschillende gemeenten tot een ressort van geneeskundig schooltoezicht verenigd worden. Men zal zoveel mogelijk vermijden dit ambt aan den geneesheer der armen toe te vertrouwen.
De taak van den geneesheer-opziener bestaat in het vaststellen van den gezondheidstoestand der leerlingen, het raadgeven aan de leden van het onderwijzend personeel, aan de kinderen en aan de ouders, en het bevorderen van voorbehoedende gezondheidsmaatregelen. De geneeskundige behandeling der leerlingen maakt geen deel uit van de taak van den geneesheer-opziener. De geneesheer-opziener zal aan de onderwijzers en aan de ouders het verband uitleggen, dat bestaat tussen de lichamelijke en de verstandelijke ontwikkeling der kinderen.
Hij zal maatregelen voorstellen, die geschikt zijn om den lichamelijke toestand der kinderen te vrijwaren en te verbeteren.
Hij zal aan de leerlingen passende raad geven betrekkelijk de gezondheidsleer. Hij zal zoo nodig de ouders, rechtstreeks of door tussenkomst der onderwijzers, aanmanen over de gezondheid hunner kinderen te waken, of hen voorstellen hun kinderen, met het oog op geneeskundige behandeling, te doen onderzoeken door een anderen geneesheer. Hij zal ook de kinderen aanduiden, voor wie een bijzonder onderricht nodig blijkt te zijn. Ingevolge het geneeskundig onderzoek van het laatste studiejaar, zal de geneesheer-opziener gebeurlijk de ouders de beroepen aanduiden, die voor hun kind, gezien dezes lichamelijke toestand, niet passen.

Art. 3. De gemeenten en de schoolbeheren stellen ieder jaar voor de scholen die van hen afhangen, in gemeen overleg met den geneesheer-opziener, den dag vast waarop het geneeskundig schooltoezicht zal plaats hebben. De ouders moeten enige dagen vooraf daarvan verwittigd worden.
Bij gelegenheid van dit onderzoek zal de geneesheer opziener vaststellen of in de familie van den leerling besmettelijke ziekten, inzonderheid longtering, heersen. Het onderzoek strekt zich in de eerste plaats uit over de ogen, de oren, den mond, de tanden, de hoofdhuid, het hart, de longen, het beender- en zenuwstelsel.
Het onderzoek van jongens en meisjes geschiedt afzonderlijk en met overeenstemmende medewerking.
De geneesheer-opziener zal zich vergewissen of de kinderen te gepaster tijd ingeënt en heringeënt werden, en zijn waarnemingen op de voorgeschreven tabel aantekenen. Deze tabel is streng vertrouwelijk te behandelen, en moet persoonlijk door den geneesheer-opziener achter slot bewaard worden. Zoo het kind van school verandert, wordt de tabel aan de nieuwe inrichting meegedeeld, en wanneer het kind de school voor goed verlaat, wordt zij overgemaakt aan het ministerie van Binnenlandse Zaken, Geneeskundige • Afdeling, waar zij gedurende 50 jaar bewaard blijft.
De geneesheer-opziener zal den onderwijzer de leerlingen aanduiden die tengevolge van een gebrek aan het gezicht of het gehoor, in de klas een bijzondere plaats moeten innemen, of die, om reden van een lichamelijke, verstandelijke of zedelijke ziekelijkheid, een bijzondere bewaking of behandeling in het onderwijs nodig hebben.
Indien de geneesheer-opziener acht dat een geneeskundige behandeling vereist wordt, licht hij de ouders daarover in. Bij voorkomend geval zal hij de vrijstelling voorstellen van baden, turnen, zang of andere leervakken, of het verlenen van bijzondere gunsten (voeding door de school, enz.; de getuigschriften van andere geneesheren, die tot deze gevallen betrekking hebben, worden aan zijn goedkeuring onderworpen.
Na het geneeskundig onderzoek der leerlingen zal de geneesheer-opziener den burgemeester een verslag doen toekomen over den gezondheidstoestand der kinderen; deze zal er een afschrift van mededelen aan het bestuur der school, aan het schooltoezicht en aan het gezondheidstoezicht; hij voorkomend geval zal hij zelf voorstellen doen met het oog op de verbetering van den gezondheidstoestand der leerlingen. De besturen der scholen moeten ter beschikking van den geneesheer-opziener een behoorlijk verwarmd, verlicht en ingericht lokaal stellen, waar een lengtemaat en een weegtoestel moet voorhanden zijn.

Art. 4. Bij gelegenheid van het maandelijks schoolbezoek zal de onderwijzer den geneesheer-opziener de kinderen aanduiden, hij wie kenmerken van een ziekte waar te nemen zijn, of die zijne aandacht op een andere wijze op zich getrokken hebben; betrekkelijk deze leerlingen, die hij op een afzonderlijke lijst vermeldt, zal de geneesheer-opziener de maatregelen treffen, die hem nodig schijnen. Bij het uitbreken van besmettelijke ziekten, bij verdachte of andere, dringende gevallen, moet de onderwijzer onmiddellijk den geneesheer-opziener verwittigen .
Indien het nodig is een dringende of doortastende maatregel te treffen, moet de geneesheer-opziener dit binnen 24 uren aan den burgemeester of aan het schoolkomiteit kenbaar maken.
Art. 5. De schoollokalen en bijgebouwen moeten om de zes maanden door den geneesheer-opziener bezichtigd worden. Deze bezichtiging strekt zich uit over: de ligging en den toestand van de school- en bijgebouwen, het aantal en de ruimte der klassen, het getal leerlingen van elke klas, de verlichting, de vernieuwing van de licht en de verwarming, de banken, de horden, het reinigen en het ontsmetten der verschillende schoollokalen, het drinkwater, de afvoering van het vuil water en de uitwerpsels, de gemakken, de speelplaatsen, de gangen en de kleedkamers. Bij het optrekken van nieuwe gebouwen of hij wezenlijke veranderingen dient het advies van den gezondheidsopziener ingewonnen.

Art. 6. Door ruggespraak met de onderwijzers tijdens de regelmatige schoolbezoeken, door besprekingen met de ouders in zekere gevallen, of ter gelegenheid van gemeenschappelijke bijeenkomsten, zal de geneesheer- opziener de ouders en de onderwijzers, de voornaamste vraagstukken trachten te doen begrijpen ter voorkoming van ziekten, ter behandeling der huid, der tanden, ter beschutting tegen besmettelijke ziekten, enz. De geneesheer-opziener zal er op drukken dat de spelen, de lichaamsoefeningen, de sport en een redematig gebruikmaken van den vrijen tijd voordelig zijn voor de gezondheid der kinderen.

Art. 7. Bij het uitbreken van besmettelijke ziekten zal de geneesheer-opziener, volgens de noodwendigheden, het getal zijner bezoeken vermeerderen. Hij moet voor de uitvoering der nodige gezondheidsmaatregelen zorgen, en beletten dat een door een besmettelijke ziekte aangetast kind de school weer bezoekt, vooraleer alle aanstekingsgevaar door het kind verdwenen is. Hij moet de gemeente of het schoolbestuur de gebeurlijke sluiting der inrichting om reden van besmettelijke ziekten aanraden. Bij deze gelegenheid heeft hij rekening te houden met de in bijlage III behandelde punten.
De schooloverheid en de geneesheer-opziener moeten zorgen dat de kinderen, wier ouders, broeders of zusters door besmettelijke ziekten, zoals tyfus (zenuwkoorts), scharlakenkoorts, keelontsteking, windpokken, enz. aangetast zijn, niet terugkeren naar de school zonder een getuigschrift van den behandelende geneesheer ingeleverd te hebben, waarin vastgesteld is, dat er voor hunne medeleerlingen geen gevaar van besmetting bestaat. Deze bepalingen gelden ook voor de onderwijzers, die zelf, of wier familieleden met wie zij samenwonen aan besmettelijke ziekten lijden.

Art. 8. De besturen der verschillende soorten lagere scholen en bevaarscholen (kindertuinen), zijn met de uitvoering van dit hesluit helast. De meningsverschillen, die bij de uitvoering van dit besluit zouden ontstaan, moeten aan de beslissing van het ministerie van Wetenschappen en Kunsten onderworpen worden.

Art. 9. De gemeenteraad benoemt den Heer tot geneesheer-opziener der gemeente. Deze benoeming geldt voor een tijdperk van jaar.
In de akte van benoeming zijn (wordt) de scholen (de school) aan te duiden, die de geneesheer-opziener 7noet bezoeken.

Art. 10. De besturen der aangenomen en privaat e ondersteunde lagere scholen en bewaarscholen (kindertuinen) onderwerpen de benoeming van den geneesheer- opziener aan de goedkeuring van het schepenlege.

Art. 11. De volgens artikels 7 en 8 benoemde geneesheer- opziener geniet een jaarwedde van .... (1). (1) Aanmerking. — De gemeenteraad kan ook beslissen : De geneesheer-opziener geniet een vergoeding van .... voor elk kind dat hij onderzoekt.

Art. 12. Het schepencollege is met de uitvoering van dit besluit belast. Het besluit wordt met ingang van 191 van kracht. , den
De gemeenteraad.

De Geneesheer-opziener. Bijlage I Van. het Plaatselijk Reglement
Ik heb de eer U te berichten, dat het voor de leerlingen voorgeschreven onderzoek zal plaats hebben op
Het is wenselijk, hoewel niet nodig, dat de ouders daarbij aanwezig zijn.
Gij wordt verzocht op de volgende vragen te antwoorden:
Heersen er besmettelijke ziekten in de familie?
Ja — Neen — Welke?
Zijn in uwe familie gevallen van longtering voorgekomen?
Wanneer en bij wie?
De Geneesheer-opziener.
Deze fiche zal, na invulling, door het kind onder gesloten omslag ter school afgegeven worden. De op gaven worden streng vertrouwelijk behandeld.

Bijlage III van het Plaatselijk Reglement.

Voorschriften betreffende de sluiting van scholen ten gevolge van besmettelijke ziekten.
I. — Door het groot besmettingsgevaar van zekere kinderziekten (scharlakenkoorts, mazelen, keelontsteking, enz.) en de lichte aanstekelijkheid dezer ziekten binnen de school, gezien het nauwe samenleven van de kinderen, die er zeer vatbaar voor zijn, worden de gezondheidsoverheden er dikwijls toe gedwongen de sluiting der school te bevelen, ten einde de voortzetting dezer ziekte te voorkomen. Indien de sluiting op tijd geschiedt, slaagt men er soms in epidemieën te voorkomen, die zich zonder dien maatregel in de wijk of in de gemeente gemakkelijk zouden verspreid hebben.

II. — De sluiting der school is noodzakelijk, wanneer zich op korten tijd verscheiden gevallen van zekere epidemieën voordoen onder de kinderen van verschillende families, die dezelfde school bezoeken.
Alvorens de sluiting der school te bevelen, dienen de gezondheidsoverheden rekening te houden met de min of meer uitgebreide verspreiding in de gemeente of in de wijk waar de leerlingen verblijven van de ziekte, voor dewelke tot het sluiten der school zou Worden besloten. Indien de ziekte op deze plaatsen, vooral onder de werkende klassen, zeer verspreid is, zal de sluiting van de school dikwijls niet het minste nut opleveren.
Daarbij zullen de gezondheidsoverheden dikwijls met den bijzonder ernstige aard van een heersende ziekte, die tot de sluiting der school aanleiding geeft, rekening te houden hebben.

III. — In alle gevallen is de sluiting een school een mes met twee sneden: hij het gebruik ervan dient men dan ook de verschillende gevallen te onderscheiden. Want, zo het sluiten een school soms kan voorkomen dat een epidemieën een epidemisch karakter aannemen, zal deze maatregel anderzijds dikwijls de uitbreiding der ziekte in de hand werken. Gezonde hinderen kunnen moeilijk gedurende dagen en weken in de enge woningen der werkende klassen opgesloten blijven. Aan een gebrekkelijke bewaking onderworpen, zullen zij met andere kinderen uit hetzelfde huis of uit de buurt spelen, en zo lopen zij meer gevaar besmet te worden, dan wanneer zij den ganse dag in de school doorgebracht hadden.

IV. — Tot de sluiting der school mag in geen geval met overhaasting worden overgegaan. Zo de kinderen bij hun aankomst in de school regelmatig bewaakt, en zo de van ziekte verdachten onmiddellijk naar huis gestuurd worden, zal men de sluiting der school dikwijls kunnen vermijden.
In de scholen van een tamelijke grote stad, waar de lokalen genoegzaam gescheiden zijn, en waar de kinderen der verschillende klassen zelden met elkaar omgaan, is het dikwijls onnodig de ganse school te sluiten. Hier zal het voldoende zijn de kinderen van de klas waar zich gevallen van ziekte hebben voorgedaan, van de bijwoning der lessen te ontslaan.
V. — De ouders dienen erover ingelicht dat zij er het grootste belang bij hebben, hunne van het bijwonen der lessen ontslagen kinderen niet bloot te stellen aan het besmettingsgevaar, met hen toe te laten op straat, op de openbare plaatsen, enz., met andere kinderen te spelen.

VI. — Na de sluiting der scholen moeten de overheden, in overeenkomst met de aanwijzingen der regering, overgaan tot de nodige ontsmettingswerken.

VII. — Be dag van de herneming der lessen wordt ter kennis van de ouders gebracht. De school of de klas mag niet heropend worden, vooraleer de aanstekingsperiode der ziekte, voor dewelke zij moest worden gesloten, voorbij is.

I--Besmettelijke ziekten voor dewelke de school behoort gesloten te worden.
1. Mazelen. — Zelden vooraf te herkennen; de sluiting der school is slechts doelmatig zoo ze op tijd geschiedt, binnen vier of vijf dagen na de vaststelling van het eerste ziektegeval. Treedt de ziekte bijzonder erg op, zoo dienen die scholen en klassen gesloten, welke bijgewoond worden door de leerlingen van 3 tot 6 jaar; op dien ouderdom immers zijn de mazelen gevaarlijker dan voor oudere kinderen. De school mag slechts veertien dagen na de sluiting heropend worden.

2. Scharlakenkoorts. — Het is raadzaam de school te sluiten, zoo er herhaalde gevallen voorkomen, en zoo de zieke voor het overige niet heerst in de gemeente of in de wijk der school. De school mag slechts veertien dagen na de sluiting heropend worden.

3. Keelontsteking. — De sluiting zal onder dezelfde voorwaarden als hij gevallen van scharlakenkoorts geschieden. De school mag slechts drie weken na de sluiting heropend worden.

4. Typhus. — Deze ziekte kan aanleiding geven tot de sluiting der school, zoo de gevallen van ziekte zich vrij snel vermenigvuldigen. De school mag slechts nadat het gezondheidstoezicht ze bezichtigd en zijn goedkeuring verleend heeft heropend worden.
5. Verlamming van het ruggegraadmerg bij kinderen. — De sluiting van de school moet bevolen worden wanneer zich onder de kinderen verscheidene gevallen van ziekte voordoen, of wanneer een epidemie heerst in de gemeente of in de wijk der school. De school mag slechts met de goedkeuring van het gezondheidstoezicht heropend worden.

II --Besmettelijke ziekten, voor dewelke de school over 't algemeen niet hoeft gesloten te worden.
6. Kinkhoest. — Het is bijna nooit mogelijk de school op tijd te sluiten.
7. Pokken. — Indien al de leerlingen ingeënt of heringeënt worden, is de sluiting der school overbodig.
8. Kwaad hoofdzeer (schurft) en korrelachtige oogontsteking. — De sluiting der school is niet nodig; het volstaat dat de zieke leerlingen afgezonderd worden.
9. Windpokken (varicelle), rubiole, oorlap of ontsteking der oorklieren. — Het goedaardig karakter dat deze ziekten gewoonlijk vertonen, maakt de sluiting der scholen overbodig.
No. 245. — 22. AUGUST 1916.
Verordening *** betreffend opneming en behandeling der opbrengst van den aardappeloogst van 1916. In het belang een voldoende en gelijkmatige gerieving der Belgische burgerlijke bevolking met aardappelen, bepaal ik:

Art. I. De voortbrengers van aardappelen zijn verplicht, de werkelijke gehele opbrengst van hun aardappeloogst van het jaar 1916 ten laatste den 15n oktober 1916 bij het gemeentebestuur aan te geven. Deze aangifte moet de gehele opbrengst van den aardappeloogst omvatten, zonder aftrekking van om 't even welke hoeveelheid 't zij voor plantgoed bestemd, 't zij tot eigen gebruik van den voortbrenger vereist voor de voeding van mensen en dieren. Met de opbrengst van den aardappeloogst moet tezelfdertijd de grootte van het aardappelland aangegeven worden. De aangifte der oppervlakte moet in hectaren en aren worden gedaan.
De plicht tot aangifte geldt voor alle voortbrengers van aardappelen, om het even welke de grootte is van het aardappelland. In de aangifte moeten de hoeveelheden aardappelen niet vermeld worden, die reeds voor den 15n september 1916 met de toestemming of op bevel van de overheid afgeleverd zijn, zoals inzonderheid de vroege aardappelen, die in de gemeenten, aangesloten bij het verzendingskantoor bij den burgerlijke commissaris (Verladehburo beim Zivïlkommissar) te Mechelen, reeds verzonden werden.

Art. II. Elk voortbrenger van aardappelen moet de aangifte slechts in één enkele gemeente doen en wel in de gemeente, die hij bewoont. Hij moet daarbij de opbrengst en de oppervlakte van de met aardappelen bebouwde landerijen, die in andere gemeenten geëxploiteerd worden, mede aangeven.

Art. III. De voortbrengers van aardappelen zijn verplicht, de aardappelstapels, die zij op bevel van de overheid moeten te koop stellen, zorgvuldig te bewaren, evenals het nodige voor het behoud der aardappelen te doen. Voor het overige blijven de bestaande bepalingen, inzonderheid, wat aangaat de tot het verzenden van aardappelen vereiste geleibrieven, evenals de regeling van het verbruik van aardappelen voor mensen en dieren enz. van kracht.

Art. IV. Overtredingen der vorenstaande bepalingen worden met ten hoogste één jaar hechtenis of gevangenis of met ten hoogste 10.000 mark boete gestraft. Ook kunnen beide straffen tegelijk uitgesproken worden. Bovendien kan tot verbeurdverklaring der waarde worden besloten. Bevoegd tot oordeelvellen zijn de krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers.

Art. V. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschef) wordt met de uitvoering der Verordening belast.
Brussel, 25 Augustus 1916,

No. 245. — 22. AUGUST 1916.
Terechtbrenging *** bij de Verordening van 21 Juli 1916 over de benuttiging van haver (Wet- en Verordeningsblad, bl. 2455).
Aan het begin van Art. 5 der Verordening van 21 Juli 1916 over de benuttiging van haver, moeten 2 woorden worden toegevoegd. De eerste zin zal aïs volgt luiden:

Art. 5. Als hoogste prijs voor 100 kgr. haver van goede, marktgeschikte hoedanigheid met een laagste gewicht van 44 kgr. per hektoliter, wordt een algemene prijs van 33 frank vastgesteld.
Brussel, den 18n Augustus 1916.
G. G. /7a 535. 8. IL
No. 246. — 25. AUGUST 1916.
In aanvulling der Verordening van 19 Juli 1916 over de stapelopneming van weefsels, gemaakte en gebreide goederen en van lintwaren in België, verder kortweg „Verordening" genoemd, wordt bepaald:

1. Behalve de in de Verordening opgesomde voorwerpen, moeten eveneens aangegeven worden:
a) handdoeken van elke soort (h. v. toilethanddoeken, keukenhanddoeken, badhanddoeken, enz.) bij hoeveelheden van meer dan 60 stuk van dezelfde hoedanigheid, om 't even welke de kleur, de tekening en de afmetingen zijn;
b) zakdoeken hij hoeveelheden van meer dan 60 stuk van dezelfde hoedanigheid, om 't even welke de kleur, de tekening en de afmetingen zijn;
c) beddenlakens bij hoeveelheden van meer dan 15 stuk van dezelfde hoedanigheid, om 't even welke de kleur, de tekening en de afmetingen zijn;
d) herenhemden bij hoeveelheden van meer dan 30 stuk van dezelfde hoedanigheid, om 't even welke de kleur, de tekening en de afmetingen zijn;
e) gebreide en gemaakte handschoenen, wanten tot stof, voor heren en jongelingen, bij hoeveelheden van meer dan 60 paar van dezelfde hoedanigheid, om ‘t even welke de kleur, de tekening en de afmetingen zijn. De hiermede in strijd zijnde uitzonderingsbepaling van paragraaf 2 nummer 5 der Verordening is opgeheven, zover zij op handschoenen betrekking heeft.
f) sjerpen voor heren en jongelingen bij hoeveelheden van meer dan 60 stuk van dezelfde hoedanigheid, om 't even welke de kleur, de tekening en de afmetingen zijn.

2. Behalve de in paragraaf 2 der Verordening opgesomde voorwerpen, moeten niet aangegeven worden:
a) dameszakdoeken, die geborduurd of van kant voorzien zijn,
b) gemaakte gestikte dekens,
c) kinderbretellen.

3. Indien de stapels der stoffen, opgesomd onder paragraaf 2 nummer 23 van de Verordening, de voorhanden coupons erbij begrepen, de aldaar bepaalde hoogste hoeveelheid voor een en dezelfde hoedanigheid overtreffen, zo moet de gehele stapel van de betreffende hoedanigheid, dus met inbegrip van bedoelde hoogste hoeveelheid, aangegeven worden,

4. Aan paragraaf 4 van de Verordening is achter lid 2 het volgende toe te voegen: „Het voorschrift van lid 2 is niet toepasselijk op firma’s, die tot dusver kledingstukken voor den rechtstreekse verkoop voor eigen gebruik lieten maken in haar naaiplaatsen of aan huis.''

5. De termijn voor de aangifte (paragraaf 1 lid 1 344 der Verordening) en voor de scheiding pp. (paragraaf 6 lid 2 der Verordening) is tot 28 Augustus 1916 verlengd.

6. De lijsten van aangifte en de stalen moeten vry van porto- en vrachtkosten ingezonden worden,
Brussel, den 22n Augustus 1916.
C. C. IV. A. 11916.
No. 247. — 28. AUGUST 1916.
Verordening *** betreffend het in beslag nemen van de rijwielbanden en het opnemen van de stapels. (Beperking van het rijwielverkeer.)
§ 1. Deze Verordening is van toepassing op alle buiten- en binnenbanden van rijwielen (ook op den afval ervan) die thans voorhanden zijn of die voortaan vervaardigd of ingevoerd worden, zoel de nieuwe als de gebruikte en deze die nog enkel als oud rekgom te beschouwen zijn, en om het even of die handen al dan niet reeds afgewerkt zijn of al dan niet aan de wielen zitten, zoover zij nochtans niet het eigendom zijn van Duitse krijgs- of burgerlijke overheden.

§ 2. Beslaglegging.
Alle voorwerpen die onder toepassing dezer Verordening vallen worden hierbij aangeslagen. De beslaglegging heeft voor uitwerking dat het verboden is de aangeslagen voorwerpen te benuttigen of te wijzigen (verwerken, vernietigen) of er rechtszakelijk (door aankoop, verkoop, schenking) over te beschikken, zooverre dit niet op grond der volgende schikkingen toegelaten wordt.

§ 3. Gebruikstoelating.
Van 20. September 1916 af, mogen de onder § 1 vermelde voorwerpen tot het gebruik, waartoe zij bestemd zijn, alleen voortgebezigd worden door de personen die een rijwieltoelating van de onder § 4 vermelde krijgskantoren ontvangen hebben. Die rijwieltoelating wordt slechts op aanvraag verleend (§ 4) en alleen aan de personen die, bij gemis van andere geschikte vervoermiddelen, een rijwiel nodig hebben, en wel:
1. aan bedienden en werklieden, voor het verkeer van en naar hunne werkplaats;
2. als vervoermiddel van en naar de school; in heide gevallen, moet de afstand meer dan 2 kilometer bedragen;
3. ter uitoefening van een beroep of bedrijf van algemeen en openbaar nut;
4. aan personen die, ten gevolge van hun lichaamstoestand (ontbreken van ledematen, verlamming, enz.), het rijwiel niet kunnen missen. De toelating wordt alleen verleend voor het doel en voor den weg of omschrijving die in de rijwieltoelating vermeld staan, evenals voor den daarin aangeduide persoon.

§ 4. Rijwieltoelating.
De onder § 3 voorziene toelating om de onder § 1 vermelde voorwerpen te blijven benuttigen moet aangevraagd worden op ambtelijke formulieren (formulier Al, A2), die bij alle plaatselijke kommandanturen te verkrijgen zijn. Die aanvraag moet ingediend worden bij de plaatselijke kommandantuur van de woonplaats van den aanvrager, en wel door de werkgevers voor de personen bedoeld in cijfer 1 van § 3, door de schoolhoofden voor de personen bedoeld in cijfer 2 (beide op gezamenlijke aanvragen) en door het gemeentebestuur voor de personen .bedoeld in cijfer 3; de personen bedoeld in cijfer 4 voegen bij hun aanvraag een getuigschrift van den krijgsdokter. Voor het afleveren van het getuigschrift is een recht van 10 mark te betalen; bij wijze van uitzondering, wanneer het bewezen is dat de betrokken persoon behoeftig is, kan de Kreischef hem van het betalen van dit recht ontslaan. De plaatselijke kommandanturen sturen de aanvragen, na er hun advies over te hebben gegeven, onmiddellijk aan de Kreischef; zij delen de beslissing van
den Kreischef aan den aanvrager mede, desgevallend onder aflevering van de rijwieltoelating. Wordt de aanvraag afgewezen, zoo blijft deze op de plaatselijke kommandantuur.
De toelating is te allen tijde herroepelijk en wordt maar voor ten hoogste zes maanden afgeleverd. Voor de aanvraag om vernieuwing van de rijwieltoelating gelden dezelfde bepalingen als voor de eerste aanvraag. In geval de voorwaarden, waarop een rijwieltoelating verleend werd, wijzigingen ondergaan (verhuizing, staking van het werk, sterfgeval, enz.) zijn de werkgevers of schoolhoofden en gemeentebesturen gehouden, dit hij de betrokken plaatselijke kommandantuur aan te geven.

§ 5. Verkooptoelating.
Voor den aankoop van de onder § 1 vermelde voorwerpen, zoverre zij door vorenstaande bepalingen aangeslagen zijn en niet meer mogen gebruikt worden, werden bij de motorwagenkantoren (Kraftfahrstellen) in de Gouvernements-hoofdplaatsen „verzamelkantoren voor rijwielbanden" (Sammelstellen fur Fahrradbereifung) ingericht; de motorwagenkantoren kunnen desnoods met toestemming van het General-Gouvernement verdere verzamelkantoren inrichten en dit ter algemene kennis brengen. De onder de Verordening vallende voorwerpen mogen alleen aan zulk een verzamelkantoor voor rijwielbanden" afgestaan worden. De verzamelkantoren zullen voor de ingeleverde rijwielbanden tot den 15n september 1916 de volgende prijzen betalen:
Klasse A „zeer goed'\ Buitenband M. 4.—, binnenband M. 3.—, darm M. 7.—
Klasse B „al het overige, uitgenomen oud rekgom", Buitenband M 3.—, binnenhand M. 2.— darm M. 5.—

§ 6. Aangifteplicht.
De onder de Verordening vallende voorwerpen die ten laatste den 15n september 1916 niet aan een verzamelkantoor afgestaan zijn, moeten aangegeven worden, om het even of zij al dan niet aan de wielen zitten en of een rijwieltoelating voor de rijwielen afgeleverd werd. De aangiften moeten ten laatste den 20n september in dubbel afschrift op ambtelijke lijsten van aangifte (formulier B) ingediend worden bij het motorwagenkantoor dat voor de bewaarplaats der buiten en binnenhanden bevoegd is; deze lijsten zijn kosteloos hij de plaatselijke kommandanturen te verkrijgen; een der beide exemplaren wordt afgestempeld en aan den meldingsplichtige overhandigd, om hem tot bewijs zijner aangifte te dienen. Een reeds vroeger gedane aangifte of beslaglegging ontslaat niet van den hierboven bedoelden aangifteplicht.
Tot aangifte zijn verplicht:
1. de eigenaar.
2. hij, die de banden in bewaring heeft (bezitter of stapelhouder) ,
3. elk, die in eigen of andermans belang gerechtigd is, over de banden te beschikken.
De aangifte door een der vermelde personen ontslaat de andere van de aangifte.

§ 7. Verplichting tot verkopen.
Alle onder deze Verordening vallende voorwerpen, die ten laatste den 15n september 1916 niet bij een verzamelkantoor ingeleverd zijn of niet op een rijwiel zitten dat bij rijwieltoelating (§ 4) tot het verkeer toegelaten is, moeten op verzoek der motorwagenkantoren aan het Duits legerbeheer afgestaan worden. Regeling der vergoeding geschiedt dan door de motorwagenkantoren.

§ 8. Vernieuwing der banden.
De banden van de toegelaten rijwielen (§ 4) worden, desnoods en zover doenlijk, door het bevoegde motorwagenkantoor vernieuwd uit de stapels der aangekochte banden en op grond der betaalde overnemingsprijzen. De afgegeven oude band wordt vergoed.

§ 9. Strafbepalingen.
Wie de in deze Verordening vastgestelde verlichtingen overtreedt en wie de aangiften, waartoe hij volgens de Verordening gehouden is, niet of onjuist doet, wordt gestraft met ten hoogste 10.000 mark boete en met ten hoogste één jaar gevangenis of met één van beide straffen. Ook kan verbeurdverklaring der verheelde voorwerpen uitgesproken worden. Bevoegd zijn de krijgsrechtbanken en krijgsbevel- hebbers.

§ 10. De Verordening van 10 Augustus 1915 betreffend aangifte van rekgombanden, oude gom, enz. (W. en V. bz. 875) blijft hierbij onaangeroerd; de aanvullingsverordening daartoe van 30 november 1915 (W. en V. bz. 1391) wordt opgeheven. Verder worden hierbij van 20 september 1916 af opgeheven: de Bekendmaking van 10 Oktober 1915 betr. benuttiging van rijwielen en de wijziging van 2 Met 1916 (W. en V. bz. 2059) aan de Bekendmaking van 7 April 1916 (W. en V. bz. 1917), evenals de door de Gouvernementen uitgevaardigde Verordeningen betreffend de grenzen van het rijwielverkeer.

§ 11. Deze Verordening wordt onmiddellijk van kracht.
Brussel, den 22n augustus 1916G. G. 77b. 17751 T.
No. 247. — 28. AUGUST 1916.

Verordening *** houdende wijziging van de Verordening van 27 Maart 1916 betreffende den verkoop van kunstmeststoffen.
Nummer 13 der aan de Verordening van 27 Maart 1916 betreffend. den verkoop van kunstmeststoffen (Wet- en Verordeningsblad, hl. 1859), toegevoegde lijst moet luiden aïs volgt:
Prijs De prijs geldt frank : voor : Verpakking
13) Potaschzouten — — —
a) Kaïniet-Hartsalz, basis 12,4-% zuivere potasch 6.— 100 kgr. los
b) Herik-Kaïniet (Katnite pour la destruction des sénés), basis 12,4% zuivere potasch 7
c) Sylviniet, basis 12,4% zuivere potasch 6
d) Kleine chloorpotasch 40%, basis 40% zuivere potasch . . 18.35 „ > „
e) Chloorpotasch , basis 80% chloorpotasch {overeenkomend met ongeveer 50% zuivere potasch) 25.50
f) Zwavelzure potasch, basis 90% zwavelzure potasch (overeenkomend met 48,9% zuivere potasch) 29.35
g) Dubbel sulfaat van potasch en magnesia, basis 48% zwavelzure potasch (overeenkomend met ongeveer 26% zuivere potasch) 18.20
Bij de levering dezer voortbrengselen in papieren zakken is de overeenkomstig artikel 4, lid 2, der Verordening van 27 Maart 1916 toegelaten bijslag op 1.25 frank per 100 kgr. vastgesteld.
Brussel, den 22n Augustus 1916.
No. 248. — 30. AUGUST 1916.
Verordening *** betreffend regeling van den handel in boter.

Art. 1. De gemiddelde hoeveelheid melk, die tot nu toe in een melkbedrijf tot boter verwerkt werd, moet ook verder tot vervaardiging van boter worden gebruikt. Alleen deze personen, die reeds voor den In Augustus 1914 voor beroep hadden kaas uit ongeroomde melk te vervaardigen, mogen ongeroomde melk tot kaas verwerken. Zulke bedrijven mogen ten hoogste dezelfde hoeveelheid ongeroomde melk tot kaas verwerken, die reeds voor den In Augustus 1914 tot het bereiden van kaas werd gebruikt. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschef) kan uitzonderingen toestaan.

Art. 2. Het slachten van melkkoeien, 't is te zeggen van koeien die dagelijks meer dan 4 liter melk geven, is verboden.
Dit verbod geldt met voor gedwongen slachtingen, 't is te zeggen, wanneer het dier ten gevolge van zware ziekte of van een ongeval moet worden afgemaakt; in beide gevallen is daartoe de bevestiging van den bevoegden aangenomen veearts vereist. Het gedwongen slachten van melkkoeien moet onmiddellijk aan den burgemeester der gemeente waar de slachting plaats vindt, onder voorlegging der getuigschriften van den aangenomen veearts medegedeeld worden; deze zal de aangiften met de getuigschriften van den aangenomen veearts aan den burgerlijke commissaris (Zivilkommissar) bij den Kreischef overmaken.

Art, 3. Elk vervaardiger van boter is gehouden, van 4 september 1916 af. zijn gezamenlijke geregelde boteropbrengst (artikel 1) aan den bond van boterverkopers, genoemd „Nationale Bond van de Beroepsverenigingen der Verkopers en Voortbrengers van Boter tegen den vastgestelde hoogsten prijs te verkopen en, aan de door den bevoegden burgemeester, in overeenstemming met den bevoegden burgerlijke commissaris (Zivilkommissar) , aan te duiden kantoren en op de vast te stellen tijdstippen in de gemeente af te leveren.
Moet niet afgeleverd worden:
1) de hoeveelheid boter, die de voortbrenger of de bij een melkerij aangesloten landbouwers, overeenkomstig de algemene grondregels over het verbruik van boter (artikel 10), voor de eigen voeding nodig hebben;
2) de hoeveelheid boter, die de voortbrenger, overeenkomstig dezelfde grondregels, overlaat aan de bevolking zijner gemeente voor dezer eigen voorziening, alsook aan de in lid 2, nummer 1 van artikel I der Verordening van 26 Juli 1916, betreffend de regeling van den boterhandel (Wet- en Verordeningsblad, bî. 2459) opgesomde Staats- en gemeentebesturen, verbruiksinrichtingen en -coöperatieven, inrichtingen van algemeen nut en andere dergelijke inrichtingen. In geval een voortbrenger van boter volkomen of ten dele verhinderd is, zijn leveringsplicht na te komen, zoo moei hij den bevoegden burgerlijke commissaris (Zivilkommissar) zijn redenen op behoorlijke wijze uiteenzetten.

Art. 4. Wordt de boter niet vrijwillig geleverd, zo kan tegen een prijs die 10 % beneden den hoogste prijs blijft, ten bate van den bond van boterverkopers onteigend worden..

Art. 5. Het aanleggen van botervoorraden door voortbrengers en handelaars is verboden. De door de voortbrengers en handelaars tot nu toe aangelegde botervoorraden worden te beginnen met 1 September 1916 aangeslagen, om in den handel gebracht te worden. De voortbrengers en handelaars moeten de op 1 September 1916 nog voorhanden botervoorraden ten laatste op 10 September 1916 bij den Staatskommissaris van den bond van boterverkopers te Brussel aangeven. (Zich wenden tot den Staatskommisaris van den hond van Belgische boterverkopers — „Staatskom7nissar des Belgischen Buttervertriebverbandes te Brussel. Elke: voortbrenger en handelaar is verplicht, zijn botervoorraden aan den hond van boterverkoopers, genoemd: Nationale Bond van de Beroepsverenigingen der Verkopers en Voortbrengers van Boter tegen den vastgestelden hoogsten prijs te verkopen.

Art. 6. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwaltingschef) is gemachtigd de prijzen voor boter, aan den voortbrenger te betalen, in afwijking van de bepalingen der Verordening van 16 Juli 1916 (Weten Verordeningsblad, hl. 2411) voor het gehele gebied van het General-Gouvernement of van afzonderlijke provinciën te regelen en hierbij voor melkerijboter, die een ambtelijk kontroolmerk draagt, ten bate van den voortbrenger een bijslag tot den aankoopprijs vast te stellen.

Art. 7. Van 8 September 1916 af mag boter uit de gemeente waar zij gemaakt is, nog alleen met ambtelijke geleibrief vervoerd worden.

Art. 8. Buiten de lasthebbers van de politie zijn ook de personen die daartoe van den Staatskommissaris opdracht hebben bekomen gerechtigd, de lokalen waarin melkerijvoortbrengselen vervaardigd, bewaard of te koop gesteld worden, te betreden en deze te bezichtigen. Zij mogen verder het overleggen van zakenboeken, rekeningen en andere in den handel gebruikelijke stukken verlangen en deze inzien.

Art. 9. Overtredingen der vorenstaande bepalingen, evenals der Verordening van 16 Juli 1916 (Wet- en Verordeningsblad, bl. 2411) en der Verordening van 26 Juli 1916 (Wet- en Verordeningsblad, bl. 2459), worden met 8 dagen tot zes maand gevangenis en met 26 tot 500 frank boete of met een van beide straffen gestraft. Buitendien kan de sluiting voor een tijd of voor goed van zulke bedrijven uitgesproken worden, waarin een overtreding van deze Verordening is voorgekomen. Verder kan tot de verbeurdverklaring der waar besloten worden. Bevoegd tot oordeelvellen zijn de strafkamers der Belgische rechtbanken van 1n aanleg.

Art. 11 der Verordening van 16 Juli 1916, evenals artikelen 4 en 5 der Verordening van 26 Juli 1916 zijn opgeheven.

Art. 10. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschef) is met de uitvoering van vorenstaande Verordening belast. Hij kan alle tot de geregelde voltrekking vereiste uitvoeringsbepalingen uitvaardigen, en inzonderheid algemene grondregelen voor het botergebruik vaststellen.
Brussel, den 22n Augustus 1916.
C. C. VIL 7953.

In uitvoering van artikel 6 der Verordening van 22 Augustus 1916 van den heer Generalgouverneur, over de regeling van den handel in boter (Wet- en Verordeningsblad ,bl. 2560), wordt ter kennis gebracht: De prijs (grondprijs), die voor zoete melkerijroomboter, met ten hoogste 18 % vreemde bestanddelen en voorzien van een ambtelijke kontroolmerk, door den voortbrenger mag worden gevraagd bij den verkoop franco te Brussel, met inbegrip van de gebruikelijke verpakking, is voorshands op 6 frank per kgr. verhoogd. Brussel, den 24n Augustus 1916.
No. 248. — 30. AUGUST 1916.

Bekendmaking betreffend het te betalen recht op den afstand van suiker, melasse en bietenstroop. In uitvoering van artkel 1, lid 3, der Verordening van 18 Juli 1916 over het benuttigen van suikerbieten en van de daaruit gewonnen voortbrengselen (Wet- en Verordeningshlad, bl. 2451), stel ik voor de voortbrengselen, gewonnen gedurende het bedrijfsjaar 1916/1917, onderstaande rechten vast:
1. voor het afstaan van suiker voor het gebruik 0,40 frank per 100 kgr.
2. voor het afstaan van melasse en bietenstroop 0,20 frank per 100 kgr.
Voor de voortbrengselen, gewonnen gedurende het bedrijfsjaar 1915/16, blijven de door de uitvoeringsbepaling van 15 Februari 1916 (Wet- en Verordeningsblad, bl. 1615) vastgestelde rechten op den afstand van krach t.
Brussel, den 22n Augustus 1916.
C. C. VII. z. V. 19179.
No. 249. — 2. SEPTEMBER 1916.
De met drie sterretjes gemerkte Verordeningen worden ook door middel van aanplakbrieven bekend gemaakt. Alle andere Verordeningen moeten door de gemeente-overheid volgens de gebruikelijke wijze van bekendmaken vooral aan de belanghebbenden medegedeeld worden.
Verordening *** betreffend het vervoederen van ongeroomde melk.

Art. 1. Ongeroomde melk mag alleen aan kalveren opgevoerd worden, die niet meer dan 14 dagen oud zijn. Voor het overige is het verboden ongeroomde melk als voeder voor dieren te gebruiken.

Art. 2. Overtredingen worden gestraft met 8 dagen tot 6 maanden gevangenis en met 26 tot 500 frank boete, of met een van beide straffen. Bevoegd tot oordeelvellen zijn de strafkamers der Belgische rechtbanken van 1n aanleg en voor het kommandanturgebied Maubeuge, de Franse rechtbank dezer stad.
Brussel, den 28n Augustus 1916.
C. C. VII 7986.
No. 249. — 2. SEPTEMBER 1916.

Bekendmaking *** betreffend hoogste prijzen voor suiker, melasse en suikerbietenstroop, uit het bedrijfsjaar 1916/17. Op grond van artikel VI, lid 2, der Verordening van 18 Juli 1916 over de benuttiging van de suikerbieten en de daaruit gewonnen voortbrengselen (Weten Verordeningsblad, bl. 2451), stel ik volgende hoogste prijzen vast:
voor 100 hgr. ruve suiker (grondslag 88 % voortbrengst) 55 frank
vergeoise 62 frank
kristalsuiker 62 frank
gemalen raffinade (afval van klontjessuiker) 64 frank
klontjessuiker (raffinade) ... . . 72 frank
melasse (grondslag 46 %, Clerget-Eerzfeld 4r Bé Méthode Langlet) 12 frank
suikerbietenstroop van beste hoedanigheid (dichtheid van ten minste 41° Bé Langlet in geleende vaten) 55 frank
Deze prijzen gelden voor de levering vrij op wagen vertrekstation (Staatsspoorweg)en, behalve voor stroop, zonder verpakking.

Voor verpakking mogen per 100 kgr. berekend worden:
a) voor ruwe suikerzakken 2.00 frank,
b) voor kristalsuiker- en raffinadezakken 2.50 frank
c) voor verpakking van klontjessuiker kisten, papier inbegrepen 3.50 „

De hoogste prijzen voor suiker stijgen bij levering na den 31n December 1916 van af den 1n van elke volgende maand met 0.25 fr., tot ten hoogste 1.25 frank.
Wordt de suiker en suikerbietenstroop door tussenkomst van den handel te koop gesteld, 200 mag hij de bovenvermelde hoogste prijzen alles in alles een bijslag van ten hoogste 6 % berekend worden.
Brussel, den 28n Augustus 1916.
C. C. VIL 19799.
No. 249. — 2. SEPTEMBER 1916.
Op grond mijner Verordening van 8 Juli 1916 betreffend de Oogstkommissies, evenals der uitvoeringsbepalingen van 8 Juli 1916 tot dese Verordening, heb ik, op voorstel der Centrale Oogstkommissie (Zentral- Ernte-Komniission) , de hoogste prijzen voor den verkoop van gedorst koren, meel, zemelen en brood voorshands aïs volgt vastgesteld:
voor tarwe uit stapelplaats of molen geleverd fr. 41.21 per 100 kg.
„ rogge „ „ „ „ „ „ 27,60 „ „ „
„ mastelijn „ „ ,, „ 29.90 „ „
„ ongepelde spelt , , 25,80 „ „ „
„ tarwezemelen uit molen geleverd. . „ 22.— „ ,, „
,, masteluinzemelen „ „ „ , . ,. 20,— ,, ,, „
„ roggezemelen „ „ ;, . . „ 18,— „ „ ^
„ tarwemeel aan bakkers of gebruikers geleverd „ 51,29 „ „ „
„ roggemeel „ ., ., ,. ,- , 35,55 „ „ ,,
,, masteluinmeel „ „ ., „ ,, 37,60 ,, „ „
., tarwemeel op 60 % of fijner gemalen, aan pasteibakkers geleverd , 80,
„ „ „ „ roggemeel op 60 % of fijner gemalen, aan pasteibakkers geleverd „ 65,
„ tarwebrood aan gebruikers geleverd . . ,, 0,46 „ kg.
Deze hoogste prijzen worden op 15 September van kracht.
Den Frovincialen Oogstkommissies (Provinsial- Ernte-Kommissionen) wordt de bevoegdheid verleend, voor de omschrijving van afzonderlijke gemeenten op verzoek of na raadpleging van de burgemeesters, telkens eenen lageren hoogsten prijs voor tarwebrood, evenals hoogste prijzen voor brood, tot het bereiden waarvan roggemeel wordt gebruikt, vast te stellen. Voor de verkopen der voorbrengers van koren aan het Nationaal Hulp- en Voedingskomiteit, blijven de hoogste prijzen, vastgesteld in de uitvoeringsbepalingen tot de Verordening van 8 Juli 1916 betreffend de Oogstkommissies, van kracht. Brussel, den 20n Augustus 1916.
Z. E. K, 512.

No. 249. — 2. SEPTEMBER 1916.

Bekendmaking betreffend het koopen van zaaikoren.
In aansluiting aan mijn Verordening van 8 Juli
1916 betreffend de Oogstkommissies (Wet- en Verordeningsblad,bl. 2391-2294) § 4, lid 2, bepaal ik wat volgt:
Wenst een landbouwer tot verbetering of vermeerdering van zijn zaaigoed zich beter of meer zaaigoed aan te schaffen, zoo moet hij hieromtrent ten laatste op 1 November 1916 een aanvraag indienen bij den burgemeester zijner gemeente, die ze aan de bevoegde Provinciale Oogstkommissie (Provinzial-Ernte-Kommission) overmaakt. In geval deze toestemt, kan de landbouwer het verlangde zaaigoed bekomen uit de aan het Nationaal Komiteit afgestane korenstapels,tegen een prijs, die niet hoger mag gaan dan den telkens vastgestelde hoogsten prijs uit de stapelplaats of uit den molen.
De landbouwer moet de hoeveelheid koren van eigen voortbrengst, die ten gevolge van het bijkopen van zaaigoed in zijn bedrijf overschiet, aan het Nationaal Komiteit inleveren.
De Provinciale Oogstkommissie zal den landbouwer mededelen, in welke mate zijn leveringsverplichting aan de opkopers van het Nationaal Komiteit, ten gevolge van den inkoop van zaaikoren, verhoogd wordt.
Brussel, den 30n Augustus 1916.
Z. E. K, 513.
No. 249. — 2. SEPTEMBER 1916.

Verordening, betreffend het verbod van betaling tegenover Roemenië betreffend het vermogen van Roemeense onderdanen.

Art. 1. De bepalingen der Verordening van 3 november 1914 „betrekkelijk verbod van betaling tegen Engeland en Frankrijk" , in de bewoording der Verordening van 12 Augustus 1915 (Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België nrs. 10 en 109) worden, bij wijze van vergelding ook toepasselijk verklaard op Roemenië.
De toepassing is aan volgende beperkingen onderworpen:
1) Voor de vraag, of het verbod van betaling en de schorsing tegen den overnemer geldt of niet (artikel 2, 2e alinéa der Verordening), komt niet in aanmerking de woonplaats of de zetels des ondernemers, maar enkel of de overdraging na of voor den 28n Augustus 1916 plaats gehad heeft.
2) De aanduidingen omtrent de tijdsbepaling van het in kracht treden der Verordening van 3 november 1914, worden vervangen door de tijdsbepaling van het in werking treden deze Verordening.

Art. 2. Ook Roemenië geldt aïs vijandelijke staat in den zin der Verordening van 5 Mei 1916 betreffend het vermogen van onderdanen van vijandelijke staten Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, nr. 212), met dien verstande, dat 28 Augustus 1916 de in artikel 1 aangegeven tijdsbepaling van 9 oktober 1915 vervangt.
Brussel den 30n Augustus 1916.
B. A. 2479 A.
No. 250. — 5. SEPTEMBER 1916. (Nihil).

No. 251. — 7. SEPTEMBER 1916.
De Franse vertaling van de Verordening van lA Juli 1916, C. C. VII. 6390, van den heer Generaalgouverneur, betreffend de inbeslagneming en benutting van suikerijwortels (Wet- en Verordeningsblad, bl. 2409), is met het oog op de vakwoorden herzien geworden. Hier volgt de herziene Franse vertaling van bedoelde Verordening.

No. 251. — 7. SEPTEMBER 1916.

Verordening over den handel in ontplofbare stoffen.

Art. 1. De Duitse mijnbeheren (Bergverwaltungen) te Luik, Charleroi, en Bergen zijn bevoegd ontplofbare stoffen en ontstekingsmiddelen (gewone ontstekers, elektrische zunders, lonten, enz.) af te leveren voor private doeleinden; het Duits mijnbeheer te Luth heeft deze bevoegdheid voor de provinciën Luik, Limburg en Antwerpen; het Duits mijnbeheer te Charleroi voor de provincie Namen, het Zuidoostelijk gedeelte der provincie Henegouw, waarvan het Hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschef) de grenzen nader zal bepalen, en het tot de rechterlijke arrondissementen Nijvel en Leuven behorend gedeelte der provincie Brabant; het Duits mijnbeheer te Bergen voor het Noordwestelijk gedeelte der provincie Henegouw en het tot het rechterlijk arrondissement Brussel behorend gedeelte der Provincie Brabant Aanvragen om levering van ontplofbare stoffen en ontstekingsmiddelen moeten schriftelijk, met aangifte van het doeleinde, van de bewaarplaats en van de met de bewaring en aanwending belasten persoon, tot het bevoegd mijnbeheer gericht worden.

Art. 2. De Duitse mijnbeheren stellen den belanghebbenden met de afgifte van ontplofbare stoffen en ontstekingsmiddelen de bij artikel 1 der Verordening van 1 oktober 1915 over het verschuilen van ontplofstoffen (Wet- en Verordeningsblad nr. 125) vereiste schriftelijke toelating ter hand. Zij kunnen terzelfder tijd ook aanwijzingen geven voor het bewaren en aanwenden der ontplofbare stoffen en ontstekingsmiddelen.

Art. 3. Ontplofbare stoffen en ontstekingsmiddelen in het bezit van partikulieren, mogen alleen in bergplaatsen bewaard worden, die op grond van het koninklijk besluit van 29 oktober 1894, door de bevoegde Belgische overheid zijn goedgekeurd en bij het Duitse mijnbeheer werden aangegeven.
De Duitse mijnbeheren kunnen uitzonderingen toestaan. Vroegere toegestane uitzonderingen zijn van 20 september 1916 af niet meer geldig. Aanvragen om vernieuwing moeten onmiddellijk ingediend worden.

Art. 4. De bergplaatsbezitter moet zorg dragen voor de veilige bewaring, inzonderheid voor den ordelijken toestand en de sluiting der bergplaats, voor het houden van een stapelboek volgens bijgaand model en voor het doelmatig gebruik van de ontplofbare stoffen en ontstekingsmiddelen. Het stapelboek met den vanwege de bevoegde krijgsoverheid of het Duitse mijnbeheer aangestelde personen op verzoek voorgelegd worden.

Art. 5. Zijn er tekens voorhanden, dat het slot ener bergplaats beschadigd, dat de veilige bewaring in gevaar of dat ontplofbare stof ontvreemd is, zo moet de bergplaatsbezitter onmiddellijk den naastbijzijnden krijgsbevelhebber daarvan kennis geven.

Art. 6. Met ten hoogste 5 jaar gevangenis en ten hoogste 20.000 mark boete of met één van beide straffen wordt gestraft; al wie de voorschriften onder artikelen 3, 4 en 5 of de door het Duits mijnbeheer, krachtens artikel 2, lid 2, dezer Verordening gegeven bevelen overtreedt. Bevoegd tot oordeelvellen zijn de krijgsbevelhebbers en krijgsrechtbanken. Brussel, den 30n Augustus 1916.
G. G. J. I. 8034 16.

No. 252. — 10. SEPTEMBER 1916.
***

De met drie sterretjes gemerkte Verordeningen worden ook door middel van aanplakbrieven bekend gemaakt. Alle andere Verordeningen moeten door de gemeente-overheid volgens de gebruikelijke wijze van bekendmaken vooral aan de belanghebbenden medegedeeld worden.
Verordening *** over den handel în weefsels, gemaakte en gebreide goederen, en lintwaren in België.

§ 1. Het „Militàrisches Textil-Beschaffungsamt te Brussel heeft het recht, zich 75 % aan te schaffen van de goederen, bedoeld onder § 1 der Verordening van 19 Juli 1916 over de stapelopneming van weefsels, gemaakte en gebreide goederen en van lintwaren in België (Wet- en Verordeningsblad nr. 239), en voorhanden bij personen, die gehouden zijn er aangifte van te doen. In geval geen onderhandse verkoop, op grond van de overeenkomstig § 2 te berekenen prijzen, tot stand komt, mag het, Militarisches Textil-Beschaffungsamt te Brussel de betreffende goederen onteigenen. Bit recht geldt enkel voor de goederen, opgesomd in de 8 volgende categorieën, zover het Militarisches Textil-Beschaffîingsamt te Brussel, het billijk oordeelt bedoelde goederen tegen lagere dan bij de betreffende nummers aangegeven prijzen et berekenen:

1. Herenstoffen, zover de prijs van den handel in 't groot, hij ongeveer 140 centimeter stofbreedte, meer dan 14 mark per meter bedraagt.
2. Witgoed, zover de prijs van den handel in 't groot, hij ongeveer 80 centimeter stofbreedte meer dan 2 mark per meter en voor halflinnen en heellinnen stoffen, bij ongeveer 80 centimeter stofbreedte, meer dan 3 mark per meter bedraagt.
3. Heel wollen beddedekens, zover de prijs van den handel in het groot meer dan 30 mark per stuk bedraagt.
4. Gemaakte dag- en nachthemden voor heren, zover de prijs van den handel in het groot meer dan 7 mark per stuk bedraagt.
5. Wollen stoffen voor vrouwenkleding en -mantels, zover de prijs van den handel in 't groot, bij ongeveer 130 centimeter stofbreedte, meer dan 10 mark per meter bedraagt.
6. Katoenen, eenkleurige of veelkleurige weefstoffen voor klederen en schorten, zover de prijs van den handel in 't groot, bij ongeveer 90 centimeter stofbreedte, meer dan 3 mark per meter bedraagt.
7. Katoenen, met borduursel versierde stoffen voor klederen en schorten, zover de prijs van den handel in 't groot, bij ongeveer 90 centimeter stofbreedte, meer dan 6 mark per meter bedraagt.
8. Bedrukte katoenen kledingstoffen, zover de prijs van den handel in 't groot, bij ongeveer 90 centimeter stofbreedte, meer dan 2 mark per meter bedraagt. Waar in vorenstaande lijst prijzen voor bepaalde breedteafmetingen der stoffen als grens aangegeven zijn, moet de prijs bij andere stofbreedte overeenkomstig hoger of lager berekend worden. Wordt op de prijzen een afslag toegestaan, dan gelden de prijzen waarvan de afslag afgetrokken is.

vervolg verordening
§ 2. Bij onderhandsen aankoop dient de prijs, die in België voor 25 Juli 1914 voor soortgelijk goederen als verkoopprijs van den fabrikant in den handel gold, tot grondslag: bij dezen prijs komt een bijslag van 20 tot 45 %. Voor de onderhands gekochte goederen is bij de levering 50 % van den vastgestelden prijs te
bepalen; de andere helft wordt na het onderzoek der goederen voldaan. In geval de goederen onteigend worden, ontvangt de leveraar een opeisingsbekentenis (Beitreibungsanerkenntnis) , waarin hoeveelheid, aard en waarde der goederen zijn aangegeven. De „Reichsentschadigungs- kommission' beslist overeenkomstig de bestaande grondregels over de schadeloosstelling
.
§ 3. Wordt gestraft met ten hoogste 1 jaar gevangenis en met ten hoogste 20 000 mark boete of met een dezer beide straffen zover de algemene strafwet geen zwaardere straffen voorziet:
1. Wie weigert onteigende voorwerpen af te leveren, of ze op verlangen van den verwerver te brengen of te verzenden,
2. Wie onbevoegd een in beslag genomen voorwerp verwijdert, beschadigt of vernielt, verkoopt of koopt of het op enige andere wijze uit winstbejag van de hand doet of verwerft. De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot oordeelvellen bevoegd.

§ 4. De bepalingen dezer Verordening zijn niet toepasselijk op goederen, waarvan bewezen kan worden, dat zij op den proefdag, vastgesteld bij verordening van 19 Jul 1916 over de stapelopneming van weefsels, afgemaakte en gebreide goederen en van lintwaren in België (Wet- en Verordeningsblad, nr. 239 "van 31 Juli 1916) het eigendom uitmaakten van de Commission for Relief in Belgium of van het Nationaal Hulp- en Voedingskomiteit, of waarvan bewezen kan worden, dat zij na dien proefdag door deze laatsten uit het buitenland zijn ingevoerd.
Brussel, den 19n Juli 1916.
C. C. IV. A. 9279

No. 252. — 10. SEPTEMBER 1916.

Verordening *** over den handel in textielgrondstoffen, in half afgewerkte en afgewerkte fabricaten, evenals in hun afvalvoortbrengselen.

§ 1. De stapels voorwerpen van hieronder aangeduide soort, die op 12 september 1916 (proefdag) in het gebied van het Generalgouvernement voorhanden zijn, moeten overeenkomstig de volgende bepalingen worden aangegeven, namelijk:
1) katoen, kunstkatoen, jute en hennep,
2) katoenen, kunstkatoen, kunstzijden en alle andere met deze stoffen gemengde of getwijnde garens,
3) zuiverwollen en halfwollen garens, evenals alle met wol van mn 't even welke soort gemengde of getwijnde garens,
4) bindgaren, bindtouwen en koorden,
5)oude en nieuwe touwen en kabels,
6) voorspinsels (wieken, enz.) van de onder 1-5 aangeduide voortbrengselen,
7) poetskatoen,
8) spin- en weefafval van de onder 1-5 aangeduide voortbrengselen.

§ 2. Alle natuurlijke en rechtspersonen, privant of openbaar rechtelijke vennootschappen, lichamen en verenigingen, die op 12 september 1916 (proefdag) voorwerpen van de in § 1 aangeduide soort in bewaring hebben, zijn verplicht daarvan aangifte te doen. In geval zulke voorwerpen niet bij den eigenaar in bewaring liggen, moeten zij zowel door den eigenaar als door den persoon, bij wien ze in bewaring zijn (pakhuishouder, expéditeur, enz.), aangegeven worden. Verder is ieder, die na den proefdag aan te geven voorwerpen in bewaring ontvangt, welke reeds voor dien dag aan zijn adres waren verzonden, verplicht aangifte te doen. Twijfelt iemand of zijn goederen al dan niet aan te geven zijn, zoo moet hij ze aangeven.

§ 3. Is niet verplicht aangifte te doen:
1) wat betreft de voorwerpen aangeduid in § I onder 2 en 3: wie van één soort en kleur dier voorwerpen niet meer dan 5 kgr. in bewaring heeft,
2) wat betreft de voorwerpen aangeduid in § 1 onder 1, 6 en 7: wie van één soort dier voorwerpen niet meer dan 25 kgr. in bewaring heeft,
3) wat betreft de voorwerpen aangeduid in § 1 onder 4: wie van één soort dier voorwerpen niet meer dan 300 kgr. in bewaring heeft,
4) wat betreft de voorwerpen aangeduid in § 1 onder 5: wie van één soort wier goederen niet meer dan 600 kgr. in bewaring heeft, alsook wie zulke voorwerpen in zijn nijverheidsbedrijf gebruikt, zover zij tot het in stand houden van zijn nijverheidsbedrijf vereist zijn.

§ 4. De aangifte van de stapels naar soort en gewicht voor elke soort, moet ten laatste op 15 September 1916 bij onderstaande kantoren geschieden:
1) wat betreft de goederen aangeduid in § 1 onder 1 en 7: bij de „Rohstoff-Verwaltungsstelle\ te Brussel, Kunstherlevingslaan, 30,
2) wat betreft de goederen aangeduid in § 1 onder 2, evenals de voorspinsels (wieken, enz.) en de spin en weefafval dier voortbrengselen: bij de „Baumtvollgarn- Abrechnungsstelle\ te Brussel, Grand Hôtel, Anspachlaan, 29,
3) wat betreft de goederen opgesomd in § 1 onder 3, evenals de voorspinsels (wieken, enz.) en spin- en weefafval dier voortbrengselen: bij de „Einkaufsstelle der Kriegswollbedarfs-Aktiengesellschaft, Garnabteilung", te Brussel, Grand Hôtel, Anspachlaan 29,
4) wat betreft de goederen aangeduid in § 1 onder 4 en 5: bij de ,,Zentral-Einkaufsgesellschaft fur Belgien, Abteilung Bindegarne', te Brussel, Jonkheerstraat, 2-4.
5) wat betreft de goederen opgesomd in § 1 onder 6 en 8: bij de op grond van nummers 1-4 van dezen paragraaf (§ 1) bevoegde kantoren en vennootschappen voor de overeenstemmende garens en weefsels. De aangifte moet, onder bijvoeging van een staal voor elke soort, schriftelijk worden gedaan, en wel voor voorwerpen aangeduid in § 1 onder nummer 3, op lijsten van aangifte, die te dien einde kosteloos te bekomen zijn bij den bevoegden „Kreischef' (Kommandant, Abschnittskommandeur) Voor de aangifte geldt de stapel, zooals bij op den proefdag was.

§ 5. De kantoren en vennootschappen, vermeld in § A hebben het recht, de overeenkomstig § 1 aan te geven stapels op te kopen. Zover geen ondershandse aankoop, op grond van de overeenkomstig § 6 te berekenen prijsen tot stand komt, mag het Generalgouvernement Sektion K. R., op voorstel van voormelde kantoren en vennootschappen, de betreffende goederen onteigenen ten bate dier kantoren en vennootschappen.

§ 6. Bij onderhandsen aankoop dient de prijs, die in België voor 25 Juni 1914 voor soortgelijke goederen aïs verkoopprijs van den fabrikant in den handel gold, tot grondslag; bij dezen prijs komt een bijslag van 30 tot 60 %. Voor de ondershands gekochte goederen, is bij de levering voor afval 50 %, voor andere goederen 75 % van den vastgestelden prijs te betalen; het overige bedrag wordt na het onderzoek der goederen voldaan.
In geval de goederen onteigend worden, ontvangt de leveraar een opeisingsbekentenis (Beitreibungsanerkenntnis), waarin hoeveelheid, aard en waarde der goederen sijn aangegeven. De „Reichsentschâdigimgskommission* beslist overeenkomstig de bestaande grondregels over de schadeloosstelling,

§ 7. Van den verkoop overeenkomstig § 5, aan de aldaar genoemde kantoren en vennootschappen afgezien, mag voorlopig tot op 15 Oktober 1916 slechts het tiende deel van de aan te geven stapels vervreemd of verwerkt worden. Voor het overige mogen soortgelijke goederen nog vervreemd, noch verwerkt worden; onder verwerken is in den zin van dit voorschrift inzonderheid te verstaan: het spinnen, twijnen, verven, weven, breien en vlechten.

§ 8. De bezitters van overeenkomstig § 1 aan te geven voorwerpen zijn verplicht, deze voorhands te bewaren en met de nodige zorgen te behandelen. Afgezien van de uitzonderingsbepaling van § 7, le zin, is elke bezitsverandering van de aan te geven voorwerpen eveneens verboden.
§ 9. Wie de voorschriften van deze Verordening opzettelijk of uit grove nalatigheid overtreedt, wordt gestraft met ten hoogste 1 jaar gevangenis en met ten hoogste 20.000 mark boete, of met een van beide straffen, zover de algemene strafwet geen zwaardere straffen voorziet. Daarenboven kan de verbeurdverklaring der voorwerpen, waanrop de strafbare handeling betrekking heeft, ten bate van de in § 4 genoemde kantoren en vennootschappen uitgesproken worden; bij opzettelijke overtredingen van deze Verordening moet de verbeurdverklaring worden uitgesproken. De poging tot overtreding is strafbaar.

§ 10. De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsoverheden zijn tot oordeelvellen bevoegd. § 11. De voorschriften van artikelen 5, 6, 7, 8 en 9, lid 1, 2e zin, van deze Verordening zijn niet toepasselijk op goederen, waarvan bewezen kan worden, dut zij op den proefdag, het eigendom waren van de "Commission for Relief in Belgium" of van het Nationaal Hulp- en Voedingskomiteit. Brussel, den 22n Augustus 1916.
C. C. IV A 11972.

No. 252. — 10. SEPTEMBER 1916.
Eenig artikel.
Artikel 9 der wet tot regeling van het op Staats- kosten gegeven Hooger Onderwijs van 15. 7. 1849 Word aïs volgt aangevuld:
verdienstelijke mannen, die hunne bezigheid buiten de Universiteit hebben en die tot vertegenwoordiging van enig bijzonder wetenschappelijk vak onder de leerkrachten eener Universiteit worden opgenomen, kunnen tot gewoon ere-professor benoemd worden.
Met deze benoeming verkrijgen zij den rang der gewone professoren en de rechten der docenten.
Hunne wedde wordt, voor elk geval, afzonderlijk bepaald. Zij tellen niet mede in het bij artikel 10 van voormelde wet vastgestelde getal professoren. Tot uifoefening na hunne hoofdbezigheid behoeven zij de bij artikel 12 van bewuste wet voorgeschreven machtiging niet.
A H. Q., den 22n Augustus 1916.
C. C. Illh 558

No. 252. — 10. SEPTEMBER 1916.

Tot oordeelvellen in zake overtredingen van de Verordeningen van 9 Augustus 1916 betreffend beperkt gebruik van vlees en vet (Wet- en Verordeningsblad hl. 2495), van 9 Augustus 1916 betreffend beperkt gebruik van room" (Wet- en Verordeningsblad bl. 2497), evenals van 22 Augustus 1916 betreffend regeling van den handel in boter (Wet- en Verordeningsblad hl. 2559), is voor het Gebied der Kommandantur Maubeuge de Franse rechtbank te Maubeuge bevoegd.
Brussel, den 2n September 1916
C. C. Via 7235,
No. 253. — 13. SEPTEMBER 1916.

Verordening over de liquidatie van Britse ondernemingen.
§ 1. De liquidatie kan bevolen worden van al de ondernemingen wier kapitaal voor het merendeel aan Britse onderdanen toebehoort, of wier leiding of bewaking thans haar zetel op Brits gebied heeft of waarvan dit tot hij het uitbreken van den oorlog het geval was. Dit geldt ook voor elke Britse deelneming aan een onderneming. Als ondernemingen in den zin dezer Verordening zijn ook te beschouwen de hulphuizen, agentschappen, pakhuizen, nalatenschappen, onroerende goederen en om het even welke andere goederen.
Zijn bevoegd de liquidatie te bevelen:
1. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschef) hij den Generalgouverneur in België voor de ondernemingen die in België een nijverheidsbedrijf onderhouden, een warenhandel of verzekeringszaken drijven, evenals voor pakhuizen en onroerende goederen;
2. De algemene Commissaris voor de banken in België (Generalkommissar fur die Banken in Belgien) in de overige gevallen. Het bevel tot liquidatie moet vooraf door mij goedgekeurd worden.

§ 2. De liquidatie moet door een liquidator worden uitgevoerd volgens algemene en bijzondere voorschriften, waarvan ik mij het uitvaardigen voorbehoud.
De liquidator wordt benoemd: door het Hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwaltungschef) hij den Generaalgouverneur in België, in de gevallen voorzien onder § 1, lid 2, nr. 1; door den Algemenen Kommissaris voor de Banken in België, in de gevallen voorzien onder § 1, lid 2, nr. 2,

§ 3. De voor een onderneming aangestelde liquidator moet zich in het bezit der onderneming stellen. Hij alleen is bevoegd alle rechtshandelingen voor de onderneming
aan te gaan. Hij kan de onderneming in haar geheel van de hand doen.
De bevoegdheden van den eigenaar der onderneming en van andere personen om rechtshandelingen voor de onderneming aan te gaan, zijn geschorst. Dit geldt ook voor de bevoegdheden van al de lasthebbers.
Wordt voor de Britse deelneming aan een onderneming een liquidator aangesteld, zoo oefent deze alle rechten van den Britsen rechthebbende uit; hij is inzonderheid ook berechtigd, dat aandeel af te staan aan de onderneming zelf of aan derde personen, Gaat het om de deelneming aan een vennootschap onder gemeenschappelijke naam of aan een vennootschap bij wijze van geldschieting, zo kan de liquidator de vennootschap opzeggen, zonder eenige termijn in acht te nemen.
Werd het aandeelrecht in een oorkonde beschreven, zo kan de overheid, die de liquidatie heeft bevolen, de onderneming verplichten de oorkonde die de liquidator als vervallen zal verklaren, door een nieuwe te vervangen.

§ 4. De liquidator kan, in strijd met de voorschriften der Verordening van 3 November 1914, betrekkelijk verbod van betaling tegen Engeland, eisen dat de aangegane verbintenissen worden nagekomen; het verbod van betaling en het uitstel lopen ten einde één maand na dat de liquidator het nakomen der verbintenissen heeft geëist. In geval het uitstel voor een wissel, waarover het protest overeenkomstig § 4, der Verordening van 3 November 1914 verlengd werd, op grond van het voorschrift van lid 1 ten einde loopt, blijven niettemin protest en verhaal op den wissel voorshands verboden. Dit voorschrift is ook op checks van toepassing.

§ 5. De beschikkingsbeperkingen van artikel 1 der Verordening van 5 Mei 1916, betreffend het vermogen van onderdanen van vijandelijke Staten, zijn op het onder liquidatie vallende vermogen niet van toepassing, in geval de beschikkingen van den liquidator uitgaan.

§ 6. Zijn zekere gegevens voor handen die toelaten oan te nemen, dat een onderneming in de categorie valt, waarover § 1 handelt, zo heeft de tot het bevelen van de liquidatie bevoegde overheid het recht,\ boeken en geschriften in te zien en van de beheerders, bezitters en bedienden, evenals van alle personen, die in staat zijn omtrent de onderneming mededelingen te doen, inlichtingen over de zakentoestanden te verlangen.

§ 7. De onderneming moet alle uit de liquidatie voortvloeiende kosten dragen. Deze kosten gelden aïs bevoorrechte schuldvorderingen. Het deel van de opbrengst der liquidatie, dat aan Britse staatsburgers toekomt, moet in bewaring worden gegeven. De overheid, die de liquidatie beveelt, kan de uitbetaling van de voor hun onderhoud vereiste bedragen toestaan aan in België wonende rechthebbenden van Brits staatsburgerschap.

§ 8. De liquidator is voor de uitvoering der hem opgedragen werkzaamheden uitsluitend tegenover den Generalgouverneur verantwoordelijk.

§ 9. Als Brits gebied in den zin dezer Verordening gelden: Groot-Brittannië en Ierland, evenals al de Britse koloniën en buitenlandse bezittingen, met uitzondering van Canada en de Zuid-Afrikaanse Unie; als Britse staatsburgers gelden de burgers dezer landen, evenals de volgens het Brits recht opgerichte rechtspersonen.

§ 10. Wie opzettelijk enen overeenkomstig deze Verordening aangestelde liquidator voorwerpen geheel of gedeeltelijk onttrekt of hij het onttrekken behulpzaam is, of wie de onder § 6 voorgeschreven inlichtingen opzettelijk niet geeft of bewust uit nalatigheid valse verklaringen doet, wordt wet ten hoogste 100.000 mark boete en ten hoogste 5 jaar gevangenis of met één van beide gestraft. De poging tot overtreding dezer Verordening is strafbaar. Bevoegd tot oordeelvellen zijn de Duitse krijgsrechtbanken en de Duitse krijgsbevelhebbers.
Brussel, den 29n Augustus 1916.
No. 253. — 13. SEPTEMBER 1916.

Dienstbevel over het gebruîk van de Duitse en de Vlaamse taal in de dienstbetrekkingen van de Belgische bestuursoverheden van den Staat (in uitvoering der wet van 22 Mei 1878). Ik breng onderstaand dienstbevel ter kennis, en vestig er de aandacht op, dat het voorlopig voor de gemeentebesturen in de Vlaamse en Duitse gewesten niet toepasselîjk is gemaakt, in de verwachting dat bedoelde gemeentebesturen, waar dit nog niet het geval mocht mjn, voortaan uit zijn eigen beweging aan de moedertaal der bevolking, zoals het behoort, ook in de ambtelijke betrekkingen de haar toekomende plaats zullen toekennen.
Voor de gerechtelijke overheden blijven de bepalingen der wet van 3 Mei 1889, gewijzigd bij koninklijke besluit van 31 Mei 1891 van toepassing. Ik verwacht dat deze bepalingen eveneens stipt zullen worden nageleefd.

I. Voorschriften over het gebruik der Vlaamse taal.
1. Tot het Vlaamse land in den zin van dit dienstbevel behoren:
a) de provinciën Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen, Antwerpen, Limburg en, binnen de provincie Brabant, de arrondissementen Brussel en Leuven;
b) in de provincie Luik de gemeenten: Attenhoven Auhel, Elisem, Laar, Landen, Moelingen, Neerhespen, Neerlanden, Neertvinden, Overhespen, Overtvinden, Remersdaal, Roost-Krenwik, Rumsdorp, 's-Graven- Voeren, Sint-Pieters-Voeren, Teuven, Waasmond, Wals-Houthem, Walshets, Wange, Wezeren;
c) in de provincie Henegouw de gemeenten: Bever, Edingen, Everheek, Lettelingen, Mark, Sint Pieters- Kapelle.

2. De voorschriften uitgevaardigd voor de bestuursoverheden van den Staat in de niet tot het Generalgouvernement behorende bezette gedeeïten der provinciën West- en Oost-Vlaanderen (Operatie- en Etappengebied) worden hierbij niet gewijzigd. Overeenkomstig deze voorschriften moet in het Vlaamse land voor de schriftelijke betrekkingen in den inwendigen dienst van elk bestuur, alsook met de bestuursoverheden van den Staat, het Vlaams worden verbruikt. Elk schrijven, tot de middenbesturen gericht,, moet uitsluitend in de Vlaamse taal opgesteld zijn.

3. Al de bestuursoverheden en ambtenaren van den Staat, die binnen het tot het General-gouvernement behorende Vlaamse land gevestigd zijn, moeten uitsluitend in het Vlaams schrijven aan overheden, gemeenten en bijzonderen binnen het Operatie- en Etappengebied

4. De bestuursoverheden en ambtenaren van den Staat, wier ambtsomschrijving geheel of gedeeltelijk binnen het Vlaamse gedeelte van het Generalgouvernement ligt, moeten in hun schriftelijke betrekkingen met gemeenten en bijzonderen binnen dat gebied, de Vlaamse taal gebruiken, tenzij de bestemmeling om een Frans antwoord verzocht of zelf in het Frans geschreven heeft. Verblijft d afzender zowel als de bestemmeling binnen Groot-Brussel, zo mogen de schriftelijke betrekkingen in het Vlaams of in het Frans geschieden; zij moeten in het Vlaams gevoerd worden, wanneer de bestemmeling daarom verzocht of zelf in het Vlaams geschreven heeft.

Tot het gebied Groot-Brussel behoren de gemeenten: Anderlecht-Kuregem, Brussel, Etterbeek, Elsene, Sint-Gillis, Sint-Pieters-Jette, Sint-Joost-ten-Noode, Koekelberg, Laken, Sint-Jans-Molenheek, Schaarbeek, Ukkel, Vorst.

5. In de onderlinge dienstbetrekkingen der bestuursoverheden en ambtenaren van den Staat binnen het Vlaams gedeelte van het General-gouvernement, moet de Vlaamse taal gebruikt worden. Voor Groot- Brussel is de bepaling onder nr. 4, lid 2, op bedoelde dienstbetrekkingen van toepassing. In de dienstbetrekkingen der Ministeries en andere middenbesturen te Brussel met de onmiddellijk onder hen staande overheden in het Vlaams gedeelte van het Generalgouvernement, mag tot 1 Januari 1917 de Vlaamse of de Franse taal gebruikt worden. Van dat tijdstip af moeten ook deze dienstbetrekkingen uitsluitend in de Vlaamse taal gevoerd worden. Dit geldt nu reeds voor de dienstbetrekkingen der Ministeries met al de onmiddellijk onder hen staande overheden en ambtenaren binnen het gebied van het Generalgouvernement, die in hun hetrekkingen met de Ministeries de Vlaamse taal gebruiken.

6. In het Vlaams gedeelte van het Generalgouvernement, moet de Vlaamse taal hij de inwendige dienstbetrekkingen van elke overheid worden gebruikt. Dit geldt niet voor den inwendigen dienst der bestuursoverheden van den Staat in Groot-Brussel.

7. De bepalingen onder nrs. 1—6 zijn ook van toepassing, zoverre voor de schriftelijke betrekkingen der overheden formulieren gebruikt worden. De voorhanden stapels Franse formulieren mogen tot 1 Januari 1917 binnen het gebied van het Generalgouvernement veder worden gebruikt, ook indien zij met deze voorschriften niet overeenstemmen. Volgens mijn nadere bevelen zullen zij echter in het Vlaams gedeelte van het Generalgouvernement nu reeds geleidelijk verwijderd en voor de betrekkingen met de Waalse provinciën gebuikt worden tot zij uitgeput zijn. Bij elken nieuwen druk van formulieren moet de tekst ervan mijnen Generalreferenten ter goedkeuring worden voorgelegd.
Ik behoud mij het recht voor, omtrent de andere binnen de afzonderlijke diensttakken in gebruik zijnde formulieren (kasboeken, registers, enz.) bijzondere maatregelen te nemen, evenals in bijzondere gevallen uitzonderingen op bovenstaande bepaling toe te laten.

8. Naar den geest van de wet van 18 April 1898, moeten alle gedrukte of door enig ander mechanisch of scheikundig middel vermenigvuldigde ambtelijke omzendbrieven, in het Vlaams gedeelte van het Generalgouvernement in het Vlaams opgesteld zijn. Een Franse vertaling mag er aan toegevoegd worden. Alle bekendmakingen en mededelingen, die de overheden en de ambtenaren tot de bevolking richten, moeten in het Vlaamse land in het Vlaams opgesteld zijn. Een Franse vertaling mag er aan toegevoegd worden, wanneer daartoe dringende behoefte bestaat. Dit is namelijk het geval in de gemeenten waar een aanzienlijk deel der inwoners de Vlaamse taal niet machtig is. Daarentegen mogen wetenschappelijke en statistische uitgaven der Ministeries, die doorloopend het licht zien en, die tot nu toe uitsluitend in het Frans uitgegeven werden, zoverre er geen vertverven of verliezen van rechten uit voortvloeit, tot den In Januari 1917 nog verder uitsluitend in het Frans verschijnen.


9. Voorschriften over het gebruik der Duitse taal.
1. Het HoogDuits taalgebied in den zin van dit dienstbevel, omvat de volgende gemeenten:
(Voor de namen zie hierboven.)

2. Elk schrijven, dat door de Ministeries of de andere Middenbesturen te Brussel aan gemeenten en bijzonderen in het HoogDuits taalgebied gericht wordt, moet in de Duitse taal opgesteld zijn, tenzij de bestemmeling om een Vlaams of Frans antwoord verzocht of zelf in 't Vlaams of in 't Frans geschreven heeft. Hetzelfde geldt voor de bestuursoverheden en ambtenaren van den Staat, tot wier ambtsomschrijving plaatsen van het HoogDuits taalgebied behoren.

3. In het HoogDuits taalgebied moeten de bestuursoverheden en ambtenaren van den Staat in de onderlinge dienstbetrekkingen, evenals in hun dienstbetrekkingen met de Ministeries en in hun inwendigen dienst de Duitse taal gebruiken.

4. Alle bekendmakingen en mededelingen, die de overheden en de ambtenaren tot de bevolking richten, moeten binnen het HoogDuits taalgebied in de Duitse taal opgesteld zijn. Een Franse vertaling mag er aan toegevoegd worden, wanneer daartoe dringende behoefte bestaat. Dit is namelijk het geval in de gemeenten, waar een aanzienlijk deel der imwoners de Duitse taal niet machtig is.

III. Afzonderlijke bepalingen.
De bepalingen van bovenstaand dienstbevel zijn, overeenkomstig de wet van 24 Juni 1885 en die van 26 Augustus 1913, ook op de Nationale Maatschappij van Buurtspoorwegen en op de Nationale Maatschappij der waterleidingen van toepassing.

IV. Slotbepaling.
De dienstbevelen van 22 Maart 1916, evenals de omzendbrieven van 29 April en 16 Juni 1916 aan de Algemene sekretarissen der Ministeries, houden hierbij op van kracht te zijn. Brussel, den 2n September 1916.


No. 253. — 13. SEPTEMBER 1916.
Verordening *** betreffend den verkoop van moutkoffie door het Nationaal Komiteit.

§ 1. In uitvoering mijner Verordening van 19 Juli 1916 houdend verbod om koren te branden (Wet- en Verordeningsblad, hl. 2414), verleen ik aan het Nationaal Komiteit de toelating, moutkoffie, uit gebrand koren vervaardigd, in den handel te brengen.

§ 2, De door het Nationaal Komiteit in den handel gebrachte moutkoffie wordt uitsluitend verkocht in een eenvormige verpakking, die aan de Centrale Oogstkommissie (Zentral-Ernte-Kommission) onderworpen, en door haar onderzocht en goedgekeurd werd,

§ 3. Deze eenvormige verpakking bestaat uit een bruinen papieren zak, die 500 gr. moutkoffie inhoudt en op de voorzijde met roode letter het volgende opschrift draagt: TORRÉALINE
Paquet de 500 grammes en met zwarte letter het opschrift:
Marque déposée. „Comité National de secours et d'Alimentation."
Op de keerzijde van den zak staat in het Vlaams en in het Frans de volgende melding:
De ,Torréaline' is een heel zuiver en gezond product, zij mag maar in gesloten pakken verkocht worden.
„De „Torréaline' wordt nergens anders verkocht dan in de magazijnen van het „Comité national de secours et d'alimentation". De kopers zullen bediend worden volgens den voorraad die in de magazijnen is en alleenlijk voor hun persoonlijk gebruik. Het is hun verboden ze te verkopen'
Elke zak is aan het boven- en het ondereind met een rond etiket gesloten, zodat men het pak niet openen kan zonder een der etiketten te scheuren. Op elk etiket staat met witte letter op roden grond het opschrift:. „Torréaline' en er boven of er onder met kleine rode letter op witten grond het opschrift:
„Comité national de secours et d' alimentation^'

§ 4. De prijs voor 500 gr. torrealine bedraagt voorshands 0.50 fr.

§ 5. Het is verboden, moutkoffie te koop te stellen en te verkopen in andere dan in gemelde verpakking en in winkels die daartoe geen toelating hebben bekomen.

§ 6. Overtredingen van het verbod onder § 5 worden met ten hoogste 1 jaar gevangenis of met ten hoogste 5,000 mark boete gestraft. Beide straffen kunnen tegelijk uitgesproken worden; ook kunnen de ongeoorloofd gebruikte voorraden verbeurdverklaard worden. Bevoegd tot oordeelvellen zijn de Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers.
Brussel, den 7n September 1916.
Z. E. K. 622.


No. 254. — 15. SEPTEMBER 1916.
Bij besluit van 6 September 1916 werd de Maatschappij van het Gemeentekrediet gemachtigd voor rekening van verschillende besturen, een lening van
zestig miljoen frank (60.000.000 frank) tegen 4 % aan te gaan; zij heeft dezelve onderschreven met benutting van haar stamkapitaal en van haar steunkapitalen.


No. 254. — 15. SEPTEMBER 1916.
***
De met drie sterretjes gemerkte Verordeningen worden ook door middel van aanplakbrieven bekend gemaakt. Alle andere Verordeningen moeten door de gemeente-overheid volgens de gebruikelijke wijze van bekendmaken vooral aan de belanghebbenden medegedeeld worden.

Verordening *** houdende vaststelling van hoogste prijzen voor aardappelen.

Art. 1. De hoogste prijs voor aardappelen uit den oogst van 1916, door den voortbrenger geleverd, bedraagt in het hele gebied van het Generalgouvernement: voor de blauwe reuzen (Ardeense dikke blauwe)
8.— frank per 100 kgr.
voor alle andere soorten 10,— frank per 100 kgr.
Het Hoofd van het Burgerlijk Bestuur (Verwaltungschef) kan voor bijzonder fijne tafelaardappelen uitzonderingen op de vorenstaande prijzen toestaan.

Art. 2. De hoogste prijzen gelden voor goede, gezonde aardappelen van eenzelfde soort, zonder vermenging.

Art 3. De hoogste prijzen gelden voor leveringen zonder zak, Zij bevatten de kosten van vervoer tot aan de naaste goederenstatie, of, bij vervoer te water, tot aan de naaste aanlegplaats van schip of schuit.

Art. 4. Overtredingen worden met ten hoogste één jaar gevangenis of met ten hoogste 10.000 mark boete gestraft; ook kunnen beide straffen tegelijk worden uitgesproken. Buitendien kan tot de verbeurdverklaring vani dé aardappels besloten worden.

Art. 5. Bevoegd tot oordeelvellen zijn de Duitse krijgsrechtbanken en krijgsoverheden.

Art. 6. De Verordening van 27 Met 1916 betreffend het regelen der bevoorrading met vroege aardappelen (Wet- en Verordeningsblad bl. 2213) zal met ingang van 16 september 1916 op van kracht te zijn; daarentegen zijn van gemelden datum af, de algemene bepalingen betreffend die regeling van den handel in en de bevoorrading met aardappelen in de gemeenten, die tot nog toe aangesloten zijn bij het verzendingskantoor bij den burgerlijken kommissaris (Verlader-Bûro beim Zivilkommissar) te Mechelen van toepassing. De Verordening van 29 januari 1916 (Wet- en Verordeningsblad bl. 1564) is opgeheven. De Verordening van 28 september 1915 (Wet- en Verordeningsblad bl. 1090) blijft, zoverre vorenstaande Verordening of de Verordening van 17 januari 1916 (Wet- en Verordeningsblad bl. 1525) geen afwijkende bepalingen bevat, van kracht.
Brussel, den 7n september 1916.

No. 254. — 15. SEPTEMBER 1916.
Bij bevel van den Heer Generalgouverneur, blijft voor de nijverheidswerklieden van de provincies Hennegouw en Luik, die zwaren arbeid te verrichten hebben, het op 31 Mei 1916 toegestaan bijrantsoen van 100 gram koren, tot nader bericht verder toegekend.
Brussel, den lin. September 1916.
Z. E. K. 678.
No. 254. — 15. SEPTEMBER 1916.
Verordenîng *** houdende verbod gedurende de maanden September en Oktober 1916 binnen het gebied van het Generalgouvernement paarden van de hand te doen, aan te schaffen en uit te voeren.

§ 1. Het is verboden gedurende het tijdstip van 12 September tot 31 Oktober 1916 binnen het gebied van het Generalgouvernement op eenige wijze paarden van de hand te doen en voorgoed of voor tijdelijk gebruik aan te schaffen; het is evenzo verboden paarden van de eene gemeente naar de andere over te brengen. De Kreischef kan aan de huidige bezitters uitzonderingen toestaan.
De paardenmarkten, die voor vorengemeld tijdstip binnen het gebied van het Generalgouvernement waren vastgesteld, worden hierbij opgegeven.

§ 2. Wie deze Verordening overtreedt, wordt met ten hoogste 1 jaar gevangenis of met een boete van 300 tot 10.000 mark gestraft. Beide straffen kunnen tegelijk uitgesproken worden. Ook kan tot de verbeurdverklaring der paarden worden besloten.

§ 3. De Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn tot strafvervolging bevoegd. Brussel, den 12n September 1916.
G. G. y. 7381.
No. 255. — 18. SEPTEMBER 1916.
Verordening houdende wijziging der Verordening van 15 Aprîl 1916 over den uitvoer van goederen.

Art. 3 der Verordening van 15 April 1916 over den uitvoer van goederen (Wet- en Verordeningshlad, bl. 1969), is aïs volgt gewijzigd:
Voor den doorvoer van goederen door het gebied van het Generalgouvernement is geen toelating nodig, wanneer de goederen op grond van een doorvoervrachthrief verzonden worden:
1) uit Duitsland,
2) uit of naar het Operatie- en Etappengehied in het Westen, wanneer de uit- of invoer door het Kantoor voor In- en Uitvoer (Ein- und Ausfuhrstelle) bij het Groot Hoofdkwartier is toegelaten. Alle andere doorvoer wordt als in- en uitvoer behandeld."
Brussel, den 13n Septemher 1916.
C. C. IV c. H. 19218.
No. 255. — 18. SEPTEMBER 1916.
Ministerîe van Wetenschappen en Kunsten.
Lager onderwijs.
1. De heer V. Dache, kantonnaal schoolopziener, is bij beschikking van 9 Augustus 1916 van den Generalgouverneur in Belgïè tot hoofdschoolopziener 3de klasse benoemd.
2. De heer D. J. Delvaux, onderwijzer aan de gemeenteschool te Paliseul, is hij beschikking van 19 Augustus 1916 van den General-gouverneur in België tot kantonnaal schoolopziener 3de klasse benoemd.
C. C. Illa 3233.
No. 257. — 23. SEPTEMBER 1916.
In wijziging der Verordening van 24 Juni 1916 (Wet- en Verordeningsblad, bl. 2311), bepaal ik hierbij:
De onder Art. 5 en 7 der wet van 1 Februari 1844 in de bewoording der wetten van 15 Augustus 1897 en 28 M\ei 1914 voorziene termijn voor het vaststellen van rooilijnen en het inleiden der onteigeningsprocedure neemt aanvang, zonder rekening te houden met het tijdstip waarop de aanvraag om te mogen bouwen ingediend werd, op 1 Oktober 1916, indien deze aanvragen op zulke openbare plaatsen en straten slaan, waarvan door de oorlogsgebeurtenissen één of meer huizen verwoest werden.
Brussel, den 16n. September 1916.
C. C. VIII B. 1480.
No. 257. — 23. SEPTEMBER 1916.
Verordening *** over de stapelaangifte van zwavel zwavelhoudende grondstoffen, zwavelzuur, asbest, asbestfabricaten en sodiumvloeispaathkiezelzuurzout.
Alle stapels van navermelde stoffen:
a) zwavel in alle vormen,
b) zwavelhoudende grondstoffen, zoals blenden, zwavelkies, gaszuiveringsstoffen,
c) zwavelzuur in alle verdichtingsgraden,
d) asbest in ruwen en bewerkten toestand, asbesthoudende materialen (warmtebeschermstoffen, verbindingen, enz.),
e) sodiumvloeispaathkiezelzuurzout (Na2 Si Fl^), die op 25 September 1916 binnen het Gebied van het Generaal-Gouvernement voorhanden zijn, moeten ten laatste op 10 Oktober 1916 aangegeven worden bij het Hoofd van het Burgerlijk bestuur bij den Generalgouverneur, afdeling voor handel en nijverheid, grondstoffenkantoor (Verwaltungschef beim Gêneralgouverneur, Abteilung fur Handel und Gewerbe, Rohstoffverwaltungsstelle) , Kunstherlevingslaan 30, te Brussel. De meldingsplicht geldt ook voor zulke stapels, die reeds hij afzonderlijke beschikking zijn aangeslagen, evenals voor zulke, die voor het gebruik vrij verklaard werden.

Art. 2. De in artikel 1 bedoelde stapels moeten niet aangegeven worden, in geval zij niet groter zijn dan
a) 100 kgr. voor de stoffen onder letter a),
b) 1000 kgr. voor de stoffen onder letter b),
c) 1000 kgr. voor de stoffen onder letter c)
d) 100 kgr. voor de stoffen onder letter d),
e) 10 kgr. voor de stoffen onder letter e).

Art. 3. Zijn verplicht aangifte te doen, alle private en openbaarrechtelijke nijverheidsondernemingen, vennootschappen, bonden en afzonderlijke personen, in wier bedrijven de in artkel 1 opgesomde stoffen vervaardigd, verwerkt, verkocht of bewaard worden, om het even of de stapels al dan met hun eigendom zijn.

Art. 4. De onder artkel 3 aangeduide personen, vennootschappen enz. zijn verantwoordelijk voor de goede bewaring en het houden te beschikking van de aan te geven stoffen; het is den belanghebbenden verboden, de aangegeven stapels zonder toelating van het grondstoffenkantoor der afdeling voor handel en nijverheid te verkopen, of er anderszins hij rechtshandeling over te beschikken. De voor het gebruik vrijverklaarde stapels vallen niet onder dit verbod.

Art. 5. Wordt gestraft me t ten hoogste 5 jaar gevangenis en ten hoogste 20.000 mark boete of met één van beide straffen: a) wie verzuimt de voorgeschreven stapelaangifte te doen of wie bewust of uit grove nalatigheid een valse of onvolledige aangifte doet,
b) wie, in strijd met de voorschriften van artkel 4, de onder artikel 1 vermelde voorwerpen verkoopt of koopt, of er anders in rechtszakelijk over beschikt, of die voorwerpen verheelt,
c) wie op enige andere wijze deze Verordening overtreedt.
De poging tot overtreding is strafbaar. Naast voornoemde bestraffing kunnen de stoffen, waarop de overtreding betrekking heeft, verbeurdverklaard worden.
Bevoegd tot oordeelvellen zijn de Duitse krijgsrechtbanken en krijgsoverheden.
Brussel, den 16n. September 1916.
C. C. IV. R. 27132.
No. 258. — 26. SEPTEMBER 1916.
Verordening *** over het vervoer van goederen binnen het gebied van het Generaal-Gouvernement.
Art. 1. Binnen het gebied van het Generaal-Gouvernement \Bekendmakingen van 19 December 1915 (Wet- en Verordeningsblad bl. 1436) en van 21 Juli 1916 (bl. 2421) van den heer Generalgouverneur in België mogen de in kolom 1 van bijlage 1 dezer Verordening opgesomde goederen maar vervoerd worden mits toelating der in kolom 2 van bijlage 1 aangeduidi overheden. 32 Uitgenomen voor onbeduidende hoeveelheden, is de toelating ook vereist voor het vervoer binnen het gebied een zelfde stad of gemeente.

Art. 2, De toelating wordt verleend door het afdrukken van een stempel volgens bijlage 2, waarin de ronde Rijksadelaarsstempel staat met, als randschrift, den naam van de overheid die de toelating verleent. Het toelatingsbewijs moet binnen 5 dagen na verloop van den geldigheidsduur teruggegeven worden. De stempelafdruk moet door een officier of door een beambte ondertekend zijn. Voor de ondertekening volstaat een gestempelde handtekening. De bevoegde overheden kunnen ook bestendige toelatingen verlenen.

Art. 3. Wie de voorschriften deze Verordening overtreedt, wordt gestraft met ten hoogste drie jaar gevangenis en met ten hoogste 30.000 mark boete of met één van beide straffen. De poging tot overtreding is strafbaar. Naast de straf kan ook de verbeurdverklaring der goederen uitgesproken worden. Bevoegd tot oordeelvellen zijn de Duitse krijgsrechtbanken en bevelhebbers.

Art. 4. De Verordening van 15 April 1916 over het vervoer van goederen binnen het Generaal-Gouvernement Wet- en Verordeningsblad bl. 2073) is opgeheven. De in andere Verordeningen voorkomende bijzondere bepalingen over het vervoer van goederen blijven van kracht.
Blijven eveneens van kracht, de bepalingen der Belgische toi- en accijnswetten betreffend vervoerbewijzen voor tolverschuldigde waren.
Brussel, den 5n September 1916

BIJLAGE 1.
tot de Verordening over het vervoer van goederen binnen het gebied van het Generaal-Gouvernement.

Kolom 1.
Goederen waarvoor een vervoertoelating vereist is:
a. Metaalbewerkingsmachienen.
b. Elektrische machines, transformatoren, toestellen en alle materialen dienende tot herstelling van elektrische inrichtingen, met uitzondering van leiding en accumulatoren (zie 3).
c. Overzeeshout, notelaarhout, populierhout, alle hout uit de bergplaatsen te Antwerpen (binnenfortenlijn.) Pletmateriaal (allerhande halffabricaten, zoals metaalstaven, staafijzer, billettes, platen, ens.), ijzeren staalplaten uit pletmolens, spoorstaven en ander materiaal voor spoorivegen met normaal en met smal spoor en voor veldspoorwegen, door stoom of elektriciteit gedreven, vrachtlocomotieven zonder spoor, locomobielen, houtbewerkingsmachienen, kaapstanders en windassen, pompen, luchtverversers en compressoren, leidingbuizen, cementmachine.
Er is geen vervoertoelating nodig voor het wegbrengen uit stapels van minder dan 10 ton, noch voor vervoer van platen uit de stapels van tussenhandelaars.
d. Motorwagens, motorrijwielen, verbrandingsmotoren, de delen en onderdelen er van, allerhande ruwe gummi, met inbegrip van guttapercha, bewerkt of onbewerkt, vermengd of zuiver gummibanden en alle andere gummiwaren, oude gummi, gummiafval, spiritus, benzine, benzol, suiver of vermengd, solventnafta.
e. Levens-, genotmiddelen en voederstoffen, vee en paarden, die uit het gebied der Kommandantuur Maubeuge binnen het Belgisch tolgebied moeten gebracht worden.
f. Bijproducten uit het koksbedrijf, uitgenomen zuiver benzol en solventnafta (zie à,).
g. Bijprodukten der gasfabrieken, met inbegrip van de benuttigde gaszuiveringsstof, doch niet gasbons, zuiver benzol en solventnafta (zie û).
h. Minerale, dierlijke en plantaardige olie- en vetstoffen en de bezinksels er van, uitgenomen boter, benzine, zuiver benzol en de uit teer gewonnen stoffen (zie d, f en g). Verder lakken, olieverven, petroleum,, verfoplossingsmiddelen, hars, beenderen, horens, hoeven, beendermeel, beendergort, lederafval om lijm te koken, voederstoffen uit kreng- en pensbenuttigingsinrichtingen, schoenblik, allerhande zeep, calciumcarbid, oliezaad en lijnkoek. Een vervoertoelating is niet nodig voor zendingen binnen het gebied ener zelfde stad of gemeente en voor zendingen, bestemd voor de vetsmelterij van J. Weinhausen, Brussel.
i. Vensterglas, spiegelglas van elke soort en dikte, allerhande ongebruikte flessen.

Art. 1 lid 2 is niet van toepassing.
k. Kies, natuurstenen, vuurvaste stenen en allerhande kalkmateriaal, evenals inzonderheid ruwe kalkstenen, gebrande kalk, marmer, krijt; verder gebroken stenen, ruwe blokken, bewerkte blokken, straatstenen, ruwe fosfaten, slakkenzand, grof grint, mijnhout, uitgenomen zendingen die bestemd zijn voor Duitse krijgs- en burgerlijke overheden (niet voor ondernemers), of die door zulke overheden of door een onder dwangbeheer staande onderneming verzonden worden.

Art. 1, lid 2 is niet van toepassing.
1. 1, Wol, zoowel geschoren als aan de huid, katoen, vlas, hennep, jute, zijde, kunstzijde, leder in hoeveelheden van ten minste 50 kgr., balata en de half- en heelfabricaten er van (daaronder te verstaan alle tussengraden van grondstof tot afgewerkte waar, evenals alle oud-materiaal), drijfriemen uit om 't even welke stof, dierenhaar, afval, vodden en de daaruit gewonnen voortbrengselen;
2. Papierafval;
3. Alle ruwe, half- en heelfabrikaten uit zacht lood, geplet lood en hard lood, antimonium, cadmium koper en kopervitriool, evenals de legeringen van deze metalen, zoals inzonderheid brons, roodkoper, messing, nieuwzilver, witmetaal, soldeertin, metaal voor zetmachines, schriftmetaal, stereotypiemetaal, galvanos, platen voor muziekinstrumenten uit legeringen van tin en lood (zoover het geen kunst- of kunstnijverheidsvoorwerpen betreft); verder wolfram, mangaanijzer, met inbegrip van de ertsen en legeringen daarvan, inzonderheid werktuigstaal van allerhande vorm in staven, als afval en in heel- of halfafgewerkte werktuigen.
Een vervoertoelating is niet nodig voor afzonderlijke zendingen van minder dan 5 kgr.;
4. Chloorkalk, zwavel, zwavelhoudende grondstoffen, salpeterzuren en zwavelzuren, vrij en in alle verbindingen, allerhande aniline- en teerderiven in alle vermengingen, aluin, zwavelzure aluminiumoxide, geziverde ammoniak, borax, azijnzuren en de zouten er van, ruwe houtgeest en methylalcohol.

Art. 1, lid 2 is alleen op zwavelzuren, evenals op aniline- en teerverven van toepassing;
5. Blokken (klompen);
6. Handmolens en grutwerktuigen voor granen;
7. Alle vorenstaande, niet onder a tot l vermelde goederen, die aangeslagen sijn of moeten aangegeven worden.
Van de onder 1 vermelde goederen hebben echter de volgende geen vervoertoelating nodig:
a) touwwerk in afzonderlijke zendingen van minder dan 50 kgr.,
b) kunstbloemen,
c) alle monsterzendingen.

Kolom 2.
Overheid, die de toelating verleent:
a. General der Fussartillerie beim General-Gouvernement in Belgien (Generaal der Artillerie te voet bij het Generalgouvernement in België), Wetstraat, 10, Brussel.
b. Maschinenbeschaffungsstelle der Kgl. Feldzeugmeisterei, Brussel, Ruysbroeckstraat, 74.
c. General der Ingénieur- und Pionierkorps beim Generalgouvernement in Belgien, Abtlg., J. II (Generaal van het geniekorps bij het Generalgouvernement in België, Afd. J. II) Regentlaan, 39, Brussel. General des Ingénieur- und Pionierkorps beim Generalgouvernement in Belgien, Abtlg. J. III b (Gênerai- gouvernement in België, Afd. J. III) Wetstraat, 10, Brussel.
d. Leitung des Kraftfahrwesens beim Generalgouvernement in Belgien (Motorwagenbestuur bij het Generalgouvernement in België) Wetstraat, 10, Brussel.
e. Kommandant van Maubeuge.
f. Kohlenzentrale in Belgien (Kolencentrale in België), Kanselarijstraat, 19, Brussel.
g. Hauptstelle fiir Gas, Wasser und Elektrizitàt (Hoofdkantoor voor gas, water en elektriciteit) , Koningstraat, 66, Brussel.
h. Oelentrale in Belgien (Oliecentrale in België), Kolonïénstraat, 54, Brussel.
i. Duits mijnbestuur (Bergverwaltung) van de omschrijving, van waaruit het vervoer moet geschieden.
k. Duits mijnbestuur van de omschrijving, van waaruit het vervoer moet geschieden.
1. Verwaltungschef beim Generalgouverneur in Belgien, Abteilung fur Handel und Gewerbe (Hoofd van het burgerlijk bestuur bij den General-gouverneur in België, Afdeling voor handel en nijverheid), Kunstherlevingslaan, 30, Brussel.

BIJLAGE 2.
Model van den stempel.
Het vervoer van (den naam der goederen invullen) van (plaats) naar (plaats) per schip—spoor— buurtspoorweg—vrachtwagen is toegelaten.
Geldig tot
(Stempel)
den 19
Deze vervoertoelating moet binnen vijf dagen na het verstrijken van den slottermijn teruggegeven worden. Wie dat verzuimt is strafbaar en loopt gevaar geen nieuwe toelatingen meer te krijgen.

No. 258. — 26. SEPTEMBER 1916.
Op grond mijner Verordening van 8 Juli 1916 hetreffend de Oogstkommissies, evenals der uitvoeringsbepalingen van 8 Juli 1916 deze Verordening, heb ik, op voorstel der Centrale Oogstkommissie (Zentral Ernte-Kommission) , de hoogste prijzen voor den verkoop van gedorst koren, meel, zemelen en brood voorshands als volgt vastgesteld:

voor tarwe uit stapelplaats of molen geleverd fr. 45.05 per 100 kg.
„ rogge „ , , „ , „ 27.88 , „ ,
„ masteluin „ „ , „ , 29.36 . , „
„ ongepelde spelt „ , „ „ , 26.94 „ , „
„ tarwezemelen uit molen geleverd . . . , 22.— „ ,„ ,
„ masteluinzemelen „ „ „ . . . „ 20.— „ „ „
„ roggezemelen „ , , . . . , 18.— „ „ „
„ tarwemeel aan bakkers of verbruikers geleverd „ 56.05 „ „
„ roggemeel aan hakkers of verhruikers geleverd „ 35.96 „ , „
„ masteluinmeel aan bakkers of verbruikers geleverd „ 37.34 „ „ „
„ tarwebrood aan verbruikers geleverd . . „ —.49 „ kgr.

Deze hoogste prijzen worden op 15 October van kracht. De Provincialen Oogstkommissies (Provinziaï-Ernte- Kommissionen) wordt de bevoegdheid verleend, voor de omschrijving van afzondrlijke gemeenten op verzoek of na raadpleging van de burgemeesters, telkens eenen lageren hoogsten prijs voor tarwebroodj evenals hoogste prijzen voor brood, tot het bereiden waarvan roggemeel wordt gebruikt, vast te stellen.
Voor de verkopen der voortbrengers van koren aan het Nationaal Hulp- en Voedingskomiteit, blijven de hoogste prijzen, vastgesteld in de uitvoeringsbepalingen tot de Verordening van 8 Juli 1916, betreffend de Oogstkommissies, van kracht.
Brussel, den 25n September 1916.
Z. E. K. 912,
No. 259. — 29. SEPTEMBER 1916.
Verordening betreffend de trapsgewijze opheffing van het moratorium voor de Oost-Vlaamse gemeenten Tielrode, Temse, Sint-Niklaas (Waas) en Nieuwkerken (Waas). Voor de, door bekendmaking van 21 Juli 1916 (Wet- en Verordeningsblad voor de belette streken van België, nr. 165) aan het gebied van het Generalgouvernement in België toegevoegde vier Oost-Vlaamse gemeenten Tielrode, Temse, Sint-Niklaas (Waas) en Nieuwkerken (Waas) wordt de Verordening van 5 januari 1916 betreffend de trapsgewijze opheffing van het moratorium, met volgende wijzigingen, geldig:

1. In plaats van artikel 1 der Verordening komt volgend artikel 1:
„De bij Verordening van 16 juni 1916 (Verordeningsblad voor het Etappengebied van het IVe leger nr. 39) bepaalde termijn voor het protestopmaken en andere noodwendige handelingen tot vrijwaring van verhaal, worden voor wissels, die voor den 3n Augustus 1914 getrokken werden en van 31 Juli 1914 tot en met 30 september 1916 binnen het gebied van het General-gouvernement in Belgié betaalbaar zijn, tot na het verstrijken van 27 maanden en 7 dagen na den vervaldag, echter niet langer dan tot 8 April 1917 verlengd.
Voor het verstrijken van den in lid 1 bepaalden termijn, kan geen betaling gevorderd worden van den indossant en van de andere aansprakelijke personen. Het protestopmaken is van de afkondiging dezer Verordening af alleen binnen de laatste zeven dagen voor het verstrijken van den in lid 1 bepaalden termijn toegelaten. Aangaande de intresten, blijven de tot nu bestaande voorschriften ongeroerd.*'
2. In plaats van artikel 9 komt volgend artikel 9:
„Deze Verordening wordt op 1 oktober 1916 van kracht
Brussel, den 12n september 1916.
B. A. 2554.
No. 259. — 29. SEPTEMBER 1916.
Verordening *** betreffend den verkoop van inlandse levensmiddelen en voederstoffen.

Art. 1. De voorzitters van het burgerlijk bestuur der provincies (Prâsidenten der Zivilverwaltung) zijn gerechtigd, zakenbedrijven van bijzondere, rechtspersonen, vennootschappen, samenwerkende maatschappijen of bonden, welke inlandse levensmiddelen en voederstoffen verkopen, tijdelijk of voor goed te sluiten, indien deze de bevolking uitbuiten of, om de prijzen op te jagen, voorraden uit den handel achter houden, indien zij zekere klassen der bevolking of zekere personen, zonder gegronde reden, van den warenaankoop uitsluiten of daarbij bevoordeligen, of anderszins tegen het belang van 't algemeen handelen. De belanghebbenden kunnen tegen de beslissingen der voorzitters van het burgerlijk bestuur verzet aantekenen bij het Hoofd van het burgerlijk bestuur (Verwaltungstchef) bij den General-Gouverneur. De uitspraak van het Hoofd van het burgerlijk bestuur is beslissend.

Art. 2. Wordt een zakenbedrijf krachtens artikel 1 gesloten, zoo kunnen de aldaar voorhanden voorraden levensmiddelen en voederstoffen door de voorzitters van het burgerlijk bestuur, ten bâte der burgerlijke bevolking in Belgiê, onteigend worden. De verkoop er van geschiedt voor rekening en op kosten van den houder der gesloten zaak. Deze ontvangt de opbrengst van den verkoop, na aftrek van de onkosten.

Art. 3. De voorzitters van het burgerlijk bestuur, de burgerlijke commissarissen (Zivilkommissare) bij de „Kreischefs' of hunne lasthebbers zijn gerechtigd, te allen tijde in bedrijf- en andere lokalen der belanghebbende zakenhuizen vaststellingen te doen, inzonderheid de boeken en de zakenpapieren in te zien, evenals de vergaderingen van de in artikel 1 bedoelde rechtspersonen, vennootschappen, samenwerkende maatschappijen of bonden bij tewonen.

Art. 4. Al wie de op grond van artikel 1 tot 3 door de voorzitters van het burgerlijk bestuur of door de burgerlijke commissarissen bij de „Kreischefs' of door hunne lasthebbers genomen bevelen overtreedt, wordt gestraft met ten hoogste één jaar gevangenis en ten hoogste 20.000 mark boete of met één van beide straffen. Bevoegd tot oordeelvellen zijn de Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers.

Art. 5. Deze Verordening is niet van toepassing op het Nationaal Hulp- en Voedingscomiteit.

Art. 6. Het Hoofd van het burgerlijk bestuur is met de uitvoering deser Verordening belast.
Brussel, den 23n september 1916.
No. 259. — 29. SEPTEMBER 1916.
Te rekenen van 1 oktober 1916, zal het gedeelte van het Duits militair arrondissement Doornik, dat ten W. van den spoorweg Ronse—Leuze—Péruweh—Condé ligt, van de Etappeninspektie van het 6de leger afhangen.
Met ingang van dezelfden dag, zullen de gedeelten van bedoeld arrondissement, die tot het Generalgouvernement blijven behoren, het militair arrondissement Ath uitmaken. Het Hoofd van het voormalig arrondissement Doornik, zal den zetel van zijn beheer naar Ath overbrengen.
De bekendmaking van 19 december 1915 (la nr. 14881), in het Wet- en Verordeningsblad verschenen op bladzijde 1436, is dienovereenkomstig gewijzigd.
Brussel, den 27n september 1916..
G. G. 7b 72^5.
 

Vorige pagina    Indexpagina  Volgende pagina

OF GA TERUG MET DE BACKTOETS


Kent U de v.z.w. KONINKLIJKE OUDHEIDKUNDIGE KRING VAN HET LAND VAN WAAS
(afgekort K.O.K.W.)

niet, of wil je meer weten over de doelstelling
en werking van deze kring, klik dan
"hier voor Werking K.O.K.W".

DOCUMENTATIE CENTRUM
M.Z. Zamanstraat 49 9100 Sint-Niklaas
Zaterdagen 9u30 tot 12u30
Documentatie centrum
gesloten in juli en aug.