Dagboek Raphaël Waterschoot
 Gesetz- und Verordnungsblatt fur die okkupierten Gebiete Belgiens.
Bulletin officiel des Lois et Arrêtés pour le territoire belge occupé.
Wet en Verordeningsblad voor de bezette streken van België.

(TEXTES OFFICIELS door mij aangepast na omzetting)

RÉDIGÉE PAR CHARLES HENRY HUBERICH

DOCTEUR EN DROIT, ANCIEN PROFESSEUR DE DROIT À L'UNIVERSITÉ STANFORD (CALIFORNIE).
MEMBRE DU BARREAU DE LA COURSUPRÊME DES ÉTATS UNIS DE L'AMÉRIQUE,
AVOCATLA HAYE • PARIS - BERLIN - HAMBOURG
ET
ALEXANDER NICOL-SPEYER
DOCTEUR EN DROIT, AVOCAT À LA COUR DE CASSATION DES PAYS-BAS
LA HAYE - ROTTERDAM
Nr 7      02 april 1916 tot 30 juni 1916

LA HAYE    MARTINUS NIJHOF 1916

 

No. 195.
2. APRIL 1916. Pag. 1847
Verordening
Gedurende het jaar 1916 blijven nog van kracht:
1°) het koninklijk besluit van 5 December 1913 (Belgisch Staatsblad van 20 December 1913, Nr. 35i),waarbij de prijs per dag onderhoud werd vastgesteld, gedurende het jaar 1914, van de personen welke in de Weldadigheidsscholen, de Toevluchthuizen en de Bedelaarsgestichten zijn geplaatst;

2°) het koninklijk besluit van 24 Maart 1914 Belgisch Staatsblad van 29 Maart 1914, Nr. 88), waarbij de prijs per dag onderhoud werd vastgesteld, gedurende het jaar 1914, van de niet krankzinnige behoeftige, welke in de Gods- en Gasthuizen zijn opgenomen;

3°) het koninklijk besluit van 25 Maart 1914 (Belgisch Staatsblad van 29 Maart 1914, Nr. 88), in zoverre daarbij werd vastgesteld de prijs per dag onderhoud van de krankzinnigen, welke in de van de Burgerlijke Godshuizen afhangende krankzinnigengestichten, in de bewaarplaatsen en in de voorlopige gestichten
en doorgangshuizen zijn opgenomen.
De prijs der dag onderhoud van de krankzinnige behoeftige, welke zijn opgenomen in de overige krankzinnigengestichten, onder 3° niet vermeld, ondergaat gedurende het jaar 1916 een verhoging van tien centiem op de bij het besluit van 25 Maart 1914 bepaalde prijzen.
Afwijkende van artikel 2 van het besluit van 30 Augustus 1903, wordt de vergoeding wegens verblijf van de begeleiders van krankzinnigen, gedurende het jaar 1916, bepaald op 4 frank, 8 frank en 12 frank, naar gelang de terugreis den dag zelf van het vertrek, des anderdaags of twee dagen later geschiedt. Deze vergoeding is onafhankelijk van de reiskosten, krachtens het eerste artikel van het aangehaalde besluit te betalen.
De „Verwaltungschef" bij den Generaalgouverneur in België is belast met de uitvoering van dit besluit. Brussel, den 18n Maart 1916.
No. 196a
5. APRIL 1916.

Verordening *** betreffend den verkoop van Kunstmeststoffen.
Art. 1. Bij het verkopen van in de hieraan toegevoegde lijst opgesomde meststoffen, mengsels van meststoffen erbij begrepen, mag de vervaardiger geen hogere dan de aldaar bepaalde prijzen vragen noch aannemen.

Art. 2. De prijzen gelden voor de onder nr. 13 opgesomde voortbrengselen vrij op den spoorwagen in het grensstation te Herbesthal geleverd; voor alle andere voortbrengselen vrij op de ladingsplaats van het schip of in het spoorstation van de leverende fabriek geleverd, met dezen verstande, dat de kosten van vervoer tot aan de ladingsplaats of het station der leverende fabriek en de kosten van overladen aldaar inbegrepen zijn.

Art. 3. De handelsbijslag voor den voortverkoop der voortbrengselen mag het op de lijst aangegeven bedrag niet te boven gaan, onverschillig of de ware eens of meermaals van bezitter verandert. De handelsbijslag omvat de gezamenlijke bedrijfskosten van den handel. Als verdere bijkosten mogen alleen de werkelijk betaalde vrachtonkosten bijgerekend worden.

Art. 4. De hoogste prijzen (art. 1) gelden, zoverre op de lijst niet anders bepaald wordt, voor los verzonden ware zonder verpakking.
Bij levering in pakgoedzakken mag een bijslag van1,60 fr. de 100 kgr., hij levering in papieren zakken voor de onder nr. 13 der lijst aangeduide voortbrengselen een bijslag van 1 fr. de 100 kgr. in rekening gebracht worden.
Worden de zakken door den koper geleverd, zo mag een vulrecht van 0,40 fr. de 100 kgr. Berekend worden. Leent de verkoper de zaken, zo mag hij hiervoor en voor het vullen tezamen 0,50 fr. de 100 kgr. rekenen.

Art. 5. Mengsels van kunstmeststoffen mogen voor den verkoop slechts door zulke fabriek inrichtingen vervaardigd worden, die reeds voor den 1sten Augustus 1914 mengsels van kunstmest hebben vervaardigd. Het mengen van minerale onopgeloste fosfaten met andere meststoffen is verboden.

Art. 6. Leveringsverdragen, die voor het van kracht worden dezer Verordening tegen hogere prijzen, dan deze in de lijst vastgesteld, gesloten werden, gelden hij het van kracht worden dezer Verordening als tegen den hoogste prijs gesloten, zoverre de levering op dit ogenblik nog niet gedaan is. Een voor het van kracht worden dezer Verordening betaalde, den hoogstens prijs te boven gaande prijs kan niet worden terugverlangd.

Art. 7. De Verwaltungschef is gemachtigd, uitzonderingen op de voorgaande bepalingen toe te staan.

Art. 8. Overtredingen van deze Verordening worden, zoverre niet de strafbepalingen der Verordening van 28 September 1915 over het bestraffen van de overtreding der hoogste prijzen toepasselijk zijn, met ten hoogste 1 jaar hechtenis of gevangenis of met ten hoogste 10.000 mark boete gestraft. Boete en hechtenis of gevangenisstraf kunnen tegelijk uitgesproken worden. De ter sprake komende waren kunnen worden verbeurdverklaard.
Bevoegd zijn de Duitse krijgsrechtbanken en krijgsoverheden.

Art. 9. De Belgische wet van 21 December 1896 over het vervalsen van mest- en voederstoffen blijft van kracht, zoverre niet in deze Verordening afwijkende bepalingen werden opgenomen.
Brussel, den 27n Maart 1916.
No. 196b
5. APRIL 1916.

Lijst der meststoffen en prijzen.
Naam der meststof Prijs in frank De prijs geldt voor Verpakking Bijslag voor den tussenhandel per 100 kg
1) Zwavelzure ammoniak . . 60 100kg Los 2,5fr
2) Hoornmeel 2.10 1kg stikstof Los 1fr
3) Bloedmeel 2.60 1kg stikstof Los 1fr
4) Ledermeel,wolstof en andere dergelijke afval: Los 1fr
a) door stoom of zwavelzuur opgelost 2.10 1kg stikstof Los 1fr
b) ruw 0.5 1kg stikstof Los 0.5fr
5) Gaszuiveringsstof . . . . 3.2 1kg ammoniakalische stikstof Los 0.5fr
6) Beendermeel: 5o/o stikstof, 20"/o fosfoorzuur . . . . 18.75 100kg In zakken bruto v netto 1fr
7) Thomasmeel {Totte Milch é Co.) 0.48 V 1kg fosfoorzuur In zakken 0.5fr
8) Basische s lakken {van andere herkomst) voor 7 en S : minste gehalte 10% fosfoorzuur, daarvan 75% oplosbaar in citroenzuur {Meth. Wagner). 0.43 V 1kg fosforzuur In zakken 0.5fr
9) Superfosfaat 0.75 1kg in citroenzuur fosforzuur Los 0.5fr
10) Beenderneerslag. . . 0.75 1kg in citroenzuur fosforzuur Los 0.5fr
11) Mineraalfosfaat
a) Bernard-fosfaat gecalcineerd
18/20% 5 100kg Los
16/18% , 4.6 100kg Los
12/14 %, 4 100kg los
b) gewoon fosfaat gedroogd en gemalen voor onmiddellijk gebruikt in den Landbouw
18/20% 3 100kg Los
16/18% 2.7 100kg Los
14/16 % 1.8 100kg los
8/9% 0.8 100kg Los
2.7 1 kg stikstof Los
0.8 1 kg in citroenzuur fosforzuur los
12) Organisch gemengde mest met zwavelzuur opgelost (overzeese guano uitgezonderd) 0.65 1 kg kali Los 0.70
13) Kaïniet-Hartzout : Los
a) Kaïniet, basis 12,4% zuiver kali 5.75 100kg los
b ) Hederich- Kaïniet (Kainite pour la destruction des sénés). Basis 12,4% zuiver kali 6.75 100kg Los
c) Sylviniet [Sylvinite) basis 12,4% zuiver kali . . . 5.75 100kg Los
d) Mestzout 40% (pet. Chlorure 40%), basis 40% zuiver kali 18.35 100kg los
e) Chloorkalium (chlor. de potassium) basis 80%chloorkalium (overeenkomend met ongev. 50% zuiver kali) 24.65 100kg Los
f) Zwavelzuur kali {sulf, de potasse) basis 90% zwavelzuur kali (overeenkomend met 48-49% zuiver kali) 29.3 100kg Los
l

No. 196c.
5. April 1916.
Besluit
Hierbij benoem ik den heer Emiel Monnier, deurwaarder te Maubeuge, tot plaatsvervanger van den afwezig zijnde notaris Levecq, te Maubeuge.
Brussel, den 25n Maart 1916.
No. 197.
8. APRIL 1916.
Verordening. ***
Bij het verlaten van het gebied des Generaal-Gouvernement mogen de reizigers, buiten de eenzelvigheidbewijzen en passen, geen schriftelijke mededelingen of drukwerk van gelijk welken aard meenemen, tenware, dat zij hiertoe de bijzondere schriftelijke toelating des Generaal-Gouvernement, der Politieke Afdeling, der Afdeling voor het Bankwezen of des Verwaltungschef bij den Generaal-Gouverneur bezitten. Het verlenen van de toelating om zaakpapieren en dergelijke schriftstukken mede te nemen komt uitsluitend den Commissaris-generaal voor de banken en de hulpkantoren der Afdeling voor het Bankwezen te Antwerpen en Luik, evenals de Afdeling voor Handel en Nijverheid bij den „Verwaltungschef toe.
Voor het overige mogen de reizigers zich naar de plaats hunner bestemming door de post de schriftstukken laten zenden die ze nodig hebben.
Elke handeling in strijd met bovenstaande Verordening wordt met ten hoogste één jaar hechtenis of gevangenis of met ten hoogste 4000 mark. boete gestraft.
Naast boete kan ook gevangenisstraf uitgesproken worden. Deze straffen worden uitgesproken door het krijgsgerecht, en, in lichtere gevallen, door de bevoegde Duitse overheid, krachtens een politievonnis.
Brussel, den 10en April 1916.
No. 198.
10. APRIL 1916. (Nihil).
No. 199.
13. APRIL 1916.
De met drie sterretjes gemerkte Verordeningen worden ook door middel van aanplakbrieven bekend gemaakt. Alle andere Verordeningen moeten door de gemeenteoverheid volgens de gebruikelijke wijze van bekendmaken vooral aan de belanghebbenden medegedeeld worden.

Verordening *** betreffend regeling van den boterhandel.
Enig artikel.
De hij Verordening van 12 Februari 1916 betreffend de wijziging en aanvulling der Verordening van 30 November 1915 over de regeling van den boterhandel (Wet- en Verordeningsblad bis. 1625) vastgestelde hoogste bodemprijzen blijven voorshands van kracht.
Brussel, den 8. April 1916.
No. 200a
16. APRIL 1916
Verordening *** op de jacht en de vogelvangst voor het gebied des Generaal-Gouvernement in België.
(JACHTREGELING.)
1. Jachtjaar, Recht om te jagen. Het jachtjaar loopt van 1 Maart tot den laatste dag van Februari daaropvolgend. Duitse officieren, officieren van gezondheid officieren- veeartsen en beambten die officiersrang hebben, mogen op jacht gaan.

2. Toezicht. („Kreischef", Jachtbestuurder) Toezicht op de jacht oefent de „Kreischef" , die het arrondissement in jachtgebieden indeelt. Bij ontstentenis van enen Kreischef neemt de bevoegde Gouverneur of Commandant zijne ambtsbezigheden over. De „Kreischef" stelt voor elk jachtgebied of voor verscheidene gebieden samen enen officier enz. als jachtbestuurder tot het besturen en nagaan der jachtzaken aan. Voor elke jachtbestuurder moet een plaatsvervanger benoemd worden.

3. Jachtbescherming. De jachtbescherming moet door den jachtbestuurder van het jachtgebied, door het onder hem staande hulppersoneel, door de gendarmerie patrouilles, evenals door elke officier enz., in bezit van een jachtverlof, uitgeoefend worden. De voorhanden bos- en veldwachters moeten, zoverre gene bijzondere bedenkingen in den weg staan, ook ter jachtbescherming gebruikt worden. Men zal in 't bijzonder de aandacht schenken aan het stroppen, dat zeer in gebruik is.
A. Jachtverloven. elke officier enz., die wenst te jagen, verzoekt bij den bevoegden „Kreischef" zijner woonplaats om een kosteloos jachtverlof. Dit jachtverlof (jaarjachtverlof) blijft het hele jachtjaar geldig.
B. De jachtbestuurder kan andere vertrouwbare personen toelaten aan jachten deel te nemen, indien de „Kreischef" hun een jachtverlof (dag jachtverlof) afgeleverd heeft.
Zonder jachtverlof mag niemand jagen binnen het gebied des Generaal-Gouvernement. De „Kreischef' kan in bijzondere gevallen „offizierstellvertreter" , onderofficieren en manschappen met de jacht op roofgedierte en konijnen belasten. Zij ontvangen een op hun naam ingevuld, door den jachtbestuurder ondertekend toelatingsbewijs, waarop het toegewezen jachtgebied vermeld staat, maar zijn daarbuiten niet gerechtigd cm te jagen. Over geschoten konijnen en het gevangen of geschoten roofgedierte beschikt de jachtbestuurder in het Duits belang. Omtrent zwart wild zie nr. 17.
Jachtverloven en toelatingsbewijzen moet men wanneer men op jacht is, steeds bij zich dragen en de met de jachtbescherming belaste militairen op verlangen vertonen.

5. Jachtgebieden.
De officieren enz. in bezit van een jachtverlof verzoeken bij den Kreischef, in wiens arrondissement zij wensen te jagen, om toewijzing van een jachtgebied. De „Kreischef" geeft naar goeddunken één of ook meer jachtgebieden op het jachtverlof aan. De officieren enz. zijn daardoor gerechtigd om, in deze gebieden, volgens nadere aanwijzing van den jachtbestuurder, op jacht, met den bestaanden hond, op loeren op speurjacht te gaan. Heeft een officier enz. zijne standplaats niet in het arrondissement in hetwelk hij wenst te jagen, zo moet hij zich tot twee „Kreischefs'' wenden en wel tot degene, die het jachtverlof aflevert en tot degene, die het gebied aanwijst en dit op het jachtverlof aangeeft.

6. Omtuinde jachtgronden. Bestendig en volkomen omtuinde jachtgronden behoren niet tot de jachtgebieden; daarbinnen mag alleen gejaagd worden met toestemming van den eigenaar of van zijnen lasthebber. Wanneer ene nieuwe omtuining klaarblijkelijk slechts voor doel heeft, een bepaald grondstuk aan de jacht te onttrekken, zoo hoeft deze niet ontzien te worden. De „Kreischef" heeft daarover te beslissen.

7. Jachtgeweren.
Men mag alleen met jachtgeweren jagen. Zie voor uitzonderingen Nrs. 8 en 10. Het bezigen van krijgsgeweren is verboden.

8. Vogelvangst, fazanten- en eendenteelt.
De vogelvangst is gedurende den tijd van 15 November tot den 14n September daaropvolgend verboden. Van den 15n September tot den 14n November is alleen het vangen van lijsters met vogelstrikken toegelaten; daartoe moet men echter een toelatingsbewijs van den „Kreischef' hebben. Over de gevangen lijsters beschikt de vanger. (Geschoten lijsters zijn het eigendom van den jager). Van af 15 November mag geen strop, waarin nog vogels kunnen gevangen worden, meer voorhanden zijn.
De „Kreischef" kan in bijzondere gevallen den houders van fazantenhoven de toelating voor het vangen van een telkens vasttestellen aantal fazanten voor de teelt verlenen. De gevangen fazanten mogen niet in den handel gebracht worden.
De houders van afgesloten teeltinrichtingen mogen daarbinnen wilde eenden vangen. Het voor het Antwerps vestinggebied uitgevaardigd verbod op de vogelvangst blijft van kracht.

9. Blindmaken van vogels.
Het blinden van vogels, het aanwenden en tentoonstellen van geblinde vogels, evenals het rondleuren, handelen en inrichten van zangwedstrijden met geblinde vogels is verboden.

10. Vangen van konijnen en roofgedierte.
Mits bijzondere toelating kan ook personen, die geen jachtverlof bezitten, het vangen van wilde konijnen evenwel alleen met fret en slagnetten —, evenals van roofgedierte, dit ook in vallen en klemmen toegestaan worden. De „Kreischef' verleent de toelating. Wanneer personen die daartoe het recht hebben verkregen op de vangst gaan, moeten zij het op hun naam geschreven toelatingsbewijs, waarop de tijdelijke beperkte toelating en het toegewezen gebied aangegeven staat, bij zich dragen. Over de gevangen konijnen beschikt de vanger. Over gevangen roofgedierte beschikt de jachtbestuurder. (Zie nr. 4).

11. Klopjachten.
De jachtbestuurder bepaalt het tijdstip waarop de klopjachten zullen plaats hebben en leidt dezelve. Hij kan zoveel personen hij wil, in bezit van een jachtverlof, erop uitnodigen.

12. Geschoten en aangeslagen wild. Het geschoten wild is het eigendom van den jachtbezitter, die ervoor echter enkel den prijs bekomt onder \nr. 16 vastgesteld. (Konijnen en roofgedierte tellen niet mede als wild in dezen zin). De jager is gerechtigd, het door hem gevelde wild tegen den vastgestelde prijs over te nemen. Jachttrofeeën (geweien, horens, enz.) zijn zijn eigendom. Het wild of het daarvoor te betalen bedrag, moet door den jager aan den jachtbestuurder worden afgeleverd, die het tegen ontvangstbewijs den burgemeester afgeeft om het den jachtbezitter te overhandigen; in de Franse landstreken moet het den Marie afgegeven worden, die het ten bate van de armenzorg zal besteden. Is het in de Belgische streken niet mogelijk, het den jachtbezitter te overhandigen, zoo moet de opbrengst ervan het Belgisch Rood Kruis ten goede komen. ,
Op dezelfde wijze moet de opbrengst van aangeslagen wild, waarvan de eigenaar niet kan worden vastgesteld, aangewend worden.

13. Wildbrief.
Aan elk stuk wild, dat den burgemeester wordt afgegeven, moet een wildbrief worden vastgemaakt.

14. Wildinvoerbewijzen.
Het uit Duitsland en het buitenland ingevoerd wild, moet een duidelijk te onderscheiden kenmerk dragen. De tolbeambten moeten voor elk ingevoerd stuk wild een wild invoerbewijs, met den dienststempel voorzien, afleveren. Het wild invoerbewijs moet aan elk stuk wild met een touw vastgemaakt zijn, waarvan de einden aan het bewijs met het dienstzegel derwijze moeten vastgelakt zijn, dat een verder bedrieglijk gebruik van het bewijs onmogelijk wordt.

15. Wildhandel.
Burgers mogen geschoten wild alleen weg- en in den handel brengen, wanneer elk stuk met een wildbriefje of wild invoerbewijs voorzien is. Enkel lijsters en konijnen behoeven geen wildbriefje. Jagers, jachtbestuurders, evenals alle andere militairen mogen geen wild in den handel brengen.

16. Wildprijzen.
Voor het wild, door den jager of jachtbestuurder overgenomen, moeten volgende prijzen worden betaald:
a) rood wild (uitgehaald en ongestroopt gewogen) . . . per kgr. M 0.80
b) reewild per stuk M 20.00
c) hazen
d) fazanthanen ,
e) fazanthennen ,
f) eenden ^
g) patrijzen
h) woerhanen
i) boshanen en -hennen . . .
k) korhanen en -hennen ....

17. Zwart wild.
De opbrengst van zwart wild, dat door den jachtbestuurder aan troepenkeukens, lazaretten, enz. kan worden afgestaan, wordt tot het dekken van de onkosten der everzwijnjachten gebruikt. Als verkoopprijs is te bepalen: zwart wild (uitgehaald in de huid gewogen) beneden 50 kg. per kgr. M. 0.80
hoven 50 „ „ „ „ 0.65
Blijft er op het einde van het jachtjaar een overschot, dan wordt dit aan de in aanmerking komende gemeenten overgemaakt.

18. Tijdstip waarop de jacht toegelaten is.
Op volgende tijdstippen is het schieten van wild toegelaten:
a) mannelijk rood- en damwild van 16.8. tot 31.1.
h) vrouwelijk „ „ „ „ 16.10. „ 31.1.
c) reebok „ 1.5. „ 31.12.
d) reegeit „ 1.11. „ 31.12.
e) hazen „ 16.9. „ 31.1.
f) patrijzen, kwakkels . . „ 20.8. „ 31.1.
g) fazanthanen „ 16.9. „ 28.2.
h) bos- en korhennen . . „ 16.9. „ 31.1. en „ 1.3. „ 15.5.
i) fazant-, bos- en korhennen „ 16.10. „ 31.12.
k) woerhanen „ 1.12. „ 31.5.
l) woerhennen . . mogen niet geschoten worden.
m) wilde eenden van 16.7. tot 28.2.
n) sneppen „ 16.7. „ 30.4.
o) lijsters (zie voor den vangtijdnr. 8) „ 15.9. „ 31.1.
p) zwart wild het hele jaar door. 44 50

19. Tijdstip waarop het wild mag verkocht worden.
Geveld wild mag 14 dagen na het sluiten van de jacht voor de betrokken wildsoort, niet meer te koop aangeboden noch verkocht worden.

20. Rood- en damwild.
Tot het schieten van rood- en damwild, evenals van reebokken in het arrondissement Neufchâteau is de bijzondere toelating des Generaal-Gouverneur vereist.

21. Bevoegdheden der Gouverneurs.
De Gouverneurs zijn bevoegd: a) het openen van de jacht op hazen, patrijzen, fazanten, bos- en korhanen, met het oog op den staat der oogstwerkzaamheden ten hoogste 14 dagen te verschuiven;
h) het schieten van reebokken geheel te verbieden, tot een bepaald aantal te beperken of van ene bijzondere toelating afhankelijk te maken.

22. Schade door 't wild veroorzaakt.
De Duitse krijgsoverheden of de personen die op grond van deze jachtregeling mogen jagen, betalen geen vergoeding voor schade door 't wild veroorzaakt.

23. Strafbepalingen.
A. Door den krijgsbevelhebber of de krijgsrechtbanken wordt gestraft:
1. Wie jaagt of wild, alsook vogels, vangt, op een verboden tijdstip of op ene volgens de voren staande bepalingen verboden wijze of zonder ertoe gerechtigd te zijn (zie voor uitzondering lit. B.)
2) Wie het jachtverlof of het toelatingsbewijs niet bij zich heeft of het op verzoek van de militairen, wie het beschermen der jacht is opgedragen, weigert te vertonen.
3) Wie wild binnen den volgens nrs. 18 en 19 verboden tijd of zonder het onder nrs. 13 en 14 voorgeschreven wildbrief of wild invoerbewijs weg- of in den handel brengt.
B. Alle door middel van stroppen of soortgelijk gerief bedreven jachtvergrijpen, worden verder door de Belgische rechtbanken overeenkomstig de in art. 8 der wet van 28 Februari 1882 op de jacht vervatte strafbepalingen gevonnist.
C. De door de krijgsbevelhebbers of krijgsrechtbanken uit te spreken straffen (lit. A.) bedragen ten hoogste 5 jaar gevangenis of ten hoogste 6000 mk. boete. Beide straffen kunnen ook tegelijk uitgesproken worden. Het verbeurdverklaren der door den dader gebruikte gereedschappen enz. is toegelaten, of zij hem in eigendom toebehoren of niet.

24. Vroegere wetten en besluiten.
De Belgische wetten en besluiten blijven van kracht, zoverre zij niet strijdig zijn met de bepalingen dezer Verordening. De jachtregeling van 11 Augustus 1915, gewijzigd bij deze van 17 September 1915 (Wet- en Verordeningsblad blz. 915 en 1087, evenals de Verordening van 5 Oktober 1915 „over het vogelblinden" (Wet- en Verordeningsblad blz. 1165) zijn hierbij opgeheven. Brussel, den In April 1916.
No. 200b
15 APRIL 1916.
BEKENDMAKING. ***
Op 15 April 1916 worden nieuwe pasbepalingen van kracht.
Op de punten, die voor het reizend publiek van belang zijn, wordt hierbij de openbare aandacht gevestigd.
I. eenzelvigheidsbewijs. Zoals reeds op 10 Oktober 1915 door mij verordend werd, moet ieder persoon van welk staatsburgerschap ook, die ten voile 15 jaar geworden is, onverschillig of deze zich binnen of buiten zijn woonplaats ophoudt, een eenzelvigheidsbewijs bij zich dragen.
Al wie in het land komt, van welk staatsburgerschap hij ook weze, moet zich binnen 48 uur na zijne aankomst op het voor zijn eerste oponthoud bevoegd paskantoor aangeven, waar ofwel zijn eenzelvigheidsbewijs of reispas met een merkteken voorzien, d. i. „geviseerd", of waar hem aangewezen wordt, zich onder uitstel op het Belgisch politiebureel, dat voor zijne verblijfplaats bevoegd is, een eenzelvigheidsbewijs aan te schaffen. Wie in het bezit van 2 of meer of ongeldige eenzelvigheidbewijzen is, of den geldigheidsduur van het visum op het eenzelvigheidsbewijs te buiten gaat, maakt zich strafbaar.

II Paspoorten: Buiten het eenzelvigheidsbewijs wordt voor het binnenkomen in het gebied der Generaal-Gouvernement, voor het verlaten van dit gebied, evenals voor de doorreis door het Generaal-Gouvernement een paspoort vereist. Wat het verkeer binnen het Gebied des General Gouvernement betreft, zijn de bepalingen aangaande het reizen naar het grenszonegebied langs de etappe grens en omgekeerd aanzienlijk verzacht geworden. Behalve voor het motorwagen- en rijwielverkeer is alleen voor het spoorwegverkeer uit het pasvrij gebied naar de spoorstations in het grenszonegebied en omgekeerd een paspoort nodig. Daarentegen werd de bewaking betreffend de eenzelvigheidbewijzen in de nabijheid der etappengrens verscherpt.

De bepalingen omtrent het verkeer in het grenszonegebied langs de Nederlandse grens werden niet gewijzigd. Het rijwielverkeer blijft hier voor als na verboden en het motorwagenverkeer alleen voor reizen naar en van de Nederlandse grens toegelaten.
Het verkeer uit het pasvrij in dit grenszonegebied en omgekeerd blijft over het algemeen verboden en wordt alleen in heel bijzondere uitzonderingsgevallen toegelaten, wanneer leven of bestaan van den aanvrager of van naverwanten op het spel staan, of wanneer er spraak is van dringende beroepsreizen van geneesheren, vroedvrouwen, zielverzorgers of aangestelde beambten.
De in het grenszonegebied langs de Nederlandse grens gelegen plaatsen en de spoorwegstations met paspoortverplichting in de nabijheid der etappengrens staan aangegeven op de kaarten en lijsten, die in alle paskantoren uithangen.

De afpalingslijn naar Nederland overigens wordt overkort nog verder verlegd en daardoor het grenszonegebied tot een minimum beperkt. In het overig gebied des Generaal-Gouvernement is elk verkeer uitgenomen het motorwagen- en rijwielverkeer — zonder paspoort toegelaten. De personen aan den meldingsplicht onderworpen, moeten echter ook voor reizen in dit pasvrijgebied de bijzondere toelating van het bevoegd „Meldeamt* hebben.

Reizen naar het buitenland worden alleen toegestaan, wanneer een getuigschrift van een krijgsdokter verklaart, dat de reis tot behoud van de gezondheid dringend nodig is en onbetwistbaar in het betreffend land moet ondernomen worden.

De bepalingen op het motorwagenverkeer, waar voor in het gehele gebied des General Gouvernement een paspoort vereist wordt, blijven van kracht. Ook bepalingen van 10 Oktober 1915 op het rijwielverkeer blijven ongewijzigd van kracht. Bij het overtreden ervan kan eveneens de verbeurdverklaring van het ongeoorloofd gebruikt rijwiel tijdelijk of voor goed uitgesproken worden.

Het benuttigen van paspoorten voor reizen. Naar plaatsen of landen, voor welke zij niet werden afgeleverd, evenals het te buitengaan van den geldigheidsduur van paspoorten wordt gestraft. De houders van paspoorten en eenzelvigheidsbewijzen zijn voor dezer behoud verantwoordelijk. Een zoekraken dezer papieren moeten zij onverwijld hij het voor hun tijdelijke verblijfplaats bevoegd paskantoor melden.

Aangaande het meenemen van brieven, schriftelijke mededelingen en drukwerk allerhande, alsook aangaande het meenemen van geld of geldwaarden wordt naar de Verordening van 1 April 1916 en naar de bepalingen op het paspoort verwezen. Wie deze door mij, voor het paswezen en het rijwielverkeer uitgevaardigde bepalingen overtreedt, inzonderheid, wie zich door onjuiste aangiften een der voorgeschreven bewijzen verschaft of tracht te verschaffen; wie een voorgeschreven bewijs niet bezit, in strijd met de voorschriften niet hij zich draagt of het derde personen laat gebruiken; wie de voorschriften op het aangeven hij een paskantoor, op het afleveren van het bewijs of de hem voor ene reis afzonderlijk opgelegde voorschriften overtreedt en wie zich, zonder daartoe gerechtigd te zijn, in het grenszonegebied ophoudt, evenals een beambte, die een volgens de bepalingen vereist bewijs opzettelijk of uit nalatigheid onjuist of onvolledig aflevert of de aflevering zonder voldoende reden weigert, wordt, zoverre geen andere, zwaardere strafbepalingen van toepassing zijn, met ten hoogste 3 jaar hechtenis of gevangenis of met ten hoogste 20.000 mark. boete gestraft.

Naast gevangenzetting kan ook boete uitgesproken worden. Bevoegd zijn de Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers. Spoorwegmaatschappijen, wie het verboden is reizigers zonder paspoort te vervoeren, moeten voor elke overtreding ene boete van 3» tot 30 mark. betalen. Bij weigering deze boete te betalen en hij meermaals herhaalde overtredingen, kunnen de Gouverneurs hen het voortzetten van hun bedrijf verbieden. Voor het vaststellen van de overtredingsboete zijnde „Kreischefs" en Kommandanten bevoegd. De in vroegere Verordeningen of bepalingen op het paswezen en het rijwielverkeer uitgevaardigde strafbepalingen zijn hierbij opgeheven.
Brussel, den 7n April 1916.G. G. Ild. Nr. 20002.
No. 200c
In aansluiting aan mijne Verordening van 2 Februari1916 C. C. V. 990 (Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België hls. 1570), keur ik
hierbij het besluit goed door den Provincialen Raad der provincie Henegouw in den buitengewone zittijd van 4 Januari 1916 genomen, betreffend het aangaan van een lening ten bedrage van 850.000 frank en het machtigen van de Bestendige Afvaardiging van den Provincialen Raad tot het bespreken en vaststellen van de nadere voorwaarden dezer lening.
Brussel, den 8n April 1916.
No. 200d
16. APRIL 1916. 65
Ik benoem hierhij den veldwachter Coupay te Fumay tot politieKommissaris voor het kanton Fumay met werking van af 15 April 1916.
Brussel, den 8n April 1916.
No. 200e
16. APRIL 1916.
Hierhij geef ih de toelating tot het verkopen en tot het aankondigen in de pers, voor het gebied des General-Gouvernements, van loten der „Gemeinschaftliche Lotterie des Bayerischen Landeshïlfsvereins vom Roten Kreuz und des Beyerischen Frauenvereins vom Roten Kreuz “ goedgekeurd door het koninklijk Beiersch Ministerie van Binnenlandsche Zaken hij besluit van 17 November 1915.
Brussel, den 8n April 1916.
No. 200f
16. APRIL 1916.
Verordenîng *** betreffend de opnemîng van landbouwvlakten in het jaar 1916.
§ 1, Tussen den 20n April en 5n Mei 1916 wordt eene opneming gedaan van alle landbouwvlakten, d. i.: waarvoor wintertarwe, zomertarwe, rogge, masteluin, spelt, zomergerst, wintergerst, haver, boekweit, bonen, erwten, vlas, koolzaad, tabak, hop, chicorei, suikerbieten, voederbieten, wortelen, rapen, aardappelen, klaver, luzern grassen en voedergewassen in aanmerking komen, evenals van hooiland, weiden en boomgaarden.

§ 2. De opneming geschiedt per gemeente en wordt door de gemeenteoverheden gedaan. De landbouwers of hunne plaatsvervangers sijn gehouden, de gemeenteoverheid en hij het toezicht ook den Duitsen beamten en deser lasthebbers de gewenste aangiften te doen.

§ 3. De opneming geschiedt op afzonderlijke lijsten (blad I), die door de landbouwers, en op gezamenlijke lijsten (blad II), die door de plaatselijke overheid worden ingevuld.

§ 4. De opneming omvat alleen de landbouwbedrijven met eene gezamenlijke landbouwvlakte (akkers, hooiland, weides, tuinen) van ten minste 1 hektaar.

§ 5. Elke landbouwer moet de aangifte enkel in ééne en wel, in de door hem bewoonde gemeente doen. Daarbij moet hij mede de landerijen aangeven, die hij in andere gemeenten uitbaat.

§ 6. De aangifte door elken landbouwer te doen omtrent de grootte van zijn huisgezin omvat al de personen, die in zijn bedrijf in den kost zijn.

§ 7. De landbouwers moeten bij de aangifte omtrent hun gezamenlijk getal paarden, runderen en zwijnen den stapel opgeven zoals die op het oogenblik der opneming is.

§ 8. De aangiften over de landbouwvlakten moeten al tezamen in hektaren en aren gedaan worden.

§ 9. Uitbaters van landbouwondernemingen of hun lasthehhers, die opzettelijk de aangiften, waartoe zij op grond dezer Verordening en der uitvoeringsbepalingen verplicht zijn, niet of onjuist of onvolledig doen, worden met ten hoogste 6 maand gevangenis of met ten hoogste 10.000 mark boete gestraft. Naast boete kan ook gevangenisstraf uitgesproken worden.
Uitbaters van landhouwondernemingen of hun lasthebbers, die uit nalatigheid de aangiften, waartoe zij op grond dezer Verordening en der uitvoeringsbepalingen verplicht zijn, niet of onjuist of onvolledig doen, worden met ten hoogste 3.000 mark boete gestraft.

§ 10. Bevoegd tot oordeelvellen zijn de krijgsbevelvoerders en krijgsrechtbanken.
Brussel, den 14n April 1916.
No. 201
18. APRIL 1916. Pag. 1931
Verordening betreffend wijziging der Franse wet van 5 April 1884.

Art. 1. De in het jaar 1916 vallende verkiezingen vvoor de gemeenteraden in de Franse landstreken,die tot het gebied des General-Gouvernements in België behoren, hebben niet plaats.
Art. 2. De huidige gemeenteraadsleden blijven voorshands in hun ambt.
Art. 3. Indien een gemeenteraad tot op drie vierden of minder van zijn ledental gezonken is, zijn de „Presidenten der Zivilverwaltung bevoegd, hem aan te vullen en te dien einde onder de verkiesbare burgers der gemeente het nodig aantal gemeenteraadsleden te benoemen.
Art, 4. Deze verordening wordt met hare afkondiging van kracht.
Brussel, den 12n April 1916.
C. C. 7. 3071.

No. 202a
21. APRIL 1916. Pag. 1943
Verordening *** betreffend het wegbrengen en benuttigen van gestorven en tot menselijke voeding ongeschikte geslachte dieren en gedeelten van dieren.

Ter vervanging der Verordening van 29 Oktober 1915 betreffend het benuttigen van krengen en van geslachte dieren voor menselijke voeding ongeschikt" (Wet- en Verordeningsblad nr. 137) dienen de volgende bepalingen.

Art. 1. Sterft een eenhoevige (paard, ezel, muilezel, muildier), rund, kalf of zwijn (biggen uitgezonderd), of moet zulk dier wegens besmettelijke ziekte afgemaakt worden, zoo dient daarvan aanstonds den bevoegden burgemeester kennis te worden gegeven. Evenzo moeten de gehele lichamen van dieren van de openbare slachthuizen of van de particuliere slachterijen en de in openbare slachthuizen voorhanden delen van dieren, zoverre deze dieren of gedeelten ervan tot menselijke voeding ongeschikt zijn bevonden, aangegeven worden.
De in openbare slachthuizen voorhanden delen van dieren en het tot menselijke voeding ongeschikte bloed moeten, zoverre de Oelzentrale niet anders beschikt, in sluitvaten bewaren, om bederf te voorkomen, met ene 1 % formoloplossing overgoten worden. Gestorven en tot menselijke voeding ongeschikt geslachte dieren, evenals hun gedeelten, moeten aan de door de Oelzentrale aan te duiden inrichtingen voor krengbenuttiging (Kadaververwertungsanstalten) afgeleverd worden; schapen en geiten zijn op verlangen eveneens aan deze inrichtingen af te leveren. Moeten niet aan de benuttingsinrichtingen worden afgeleverd, gedeelten van dieren en tot menselijke voeding ongeschikt bloed, zoverre de „Oelzentrale' hieromtrent anders beschikt, Gestorven dieren moeten met de huid worden afgeleverd.

Art. 2. Zijn tot aangifte verplicht:
1) de eigenaar,
2) de veeartsen en andere vleeskeurders,
3) de bestuurders der slachthuizen of zulke personen, die met de bewaking van de gestorven en geslachte dieren, van de delen daarvan, of van het bloed (art. 1) belast zijn,
4) de bijgehaalde veearts om de besmettelijke ziekte vast te stellen bij gestorven en geslachte dieren, die door zulke ziekte aangetast waren. De aangifte door een dezer personen ontslaat alle anderen ervan.

Art. 3. Voor het wegbrengen van gestorven en tot menselijke voeding ongeschikte geslachte dieren gelden de volgende bepalingen:
1) De dieren, die aan miltvuur, snot, dolheid of schapenpokken gestorven of wegens een dezer plagen afgemaakt werden, moeten in elk geval voor de inrichting voor krengbenuttiging kosteloos worden weggehaald.
2) Gestorven dieren, die niet onder Nr. 1 vallen, evenals geslachte dieren, moeten door de inrichting voor krengbenuttiging kosteloos worden weggehaald.
a) binnen de engere omschrijving waarin de afhaling moet geschieden en die de „Oelzentrale*voor elke vernietigingsinrichting vast zal stellen, ter plaatse zelve,
b) buiten deze omschrijving in de bewaarplaatsen, die de Oelzentrale daartoe zal aanduiden.
3) Het weghalen moet in de gevallen, voorzien onder nrs. 1 en 2 des Zomers binnen 24, des Winters binnen 36 uur, na in kennis stelling van de inrichting voor krengbenuttiging vanwege bevoegde zijde, beginnen.
4) Het vervoeren naar de bewaarplaatsen moet in het geval, voorzien onder nr. 2b, door de zorgen der gemeenten gedaan worden; het moet binnen 16 uur na kennisgeving aan den burgemeester beginnen. De kosten die daaruit voor de gemeenten ontstaan, worden haar volgens nadere bepaling van den „Verwaltungschef' door de „Oelzentrale' vergoed. Verzuimt ene gemeente het vervoer binnen den vastgestelde tijd te bewerkstelligen, zoo moet de bevoegde plaatscommandant het vervoeren op kosten der gemeente door derden laten doen.

Art. 4. Voor gevilde dierlichamen, voor gedeelten en bloed (art. 1) komt den eigenaar geen schadeloosstelling toe. Daarentegen moet voor de huiden van gestorven dieren, zoverre zij bij het afleveren der kreng in bruikbare staat zijn, een schadevergoeding toegestaan worden van ten hoogste:
Voor een paardenhuid (die 20 kg/. of meer weegt) M. 18 per stuk al naargelang de staat van de huid
voor een paardenhuid„ {die minder dan 20kg.weegt) „ 7 per stuk al naargelang de staat van de huid
Voor een runderhuid „ 30 per stuk al naargelang de staat van de huid
Voor een kalfsvel 5. per stuk al naargelang de staat van de huid
Voor een schapenvel met wol » 2. per stuk al naargelang de staat van de huid
Voor een schapenvel zonder wol 1 per stuk al naargelang de staat van de huid
Voor een geitevel 1 per stuk al naargelang de staat van de huid
Voor huiden van zwijnen wordt geen vergoeding toegestaan.

Art. 5. De inrichtingen voor krengbenuttiging zijn verplicht, de uitgestorven, tot menselijke voeding ongeschikte geslachte dieren en delen ervan (art. 1) door hen gewonnen voortbrengselen, tegen billijke prijzen aan de „Oelzentrale' af te staan.

Art. 6. Met ten hoogste één jaar gevangenis en ten hoogste 5000 mk boete of met een van beide wordt gestraft, wie de voorschriften van art. 1, 2, 3 nr. 1 tot 3 en van art. 5 dezer Verordening overtreedt.
Bevoegd zijn de krijgsbevelhebbers en krijgsrechtbanken.
Brussel, den 8n April 1916.

No. 202b
VERORDENING.
De bepalingen der Belgische wetten, volgens welke het Belgisch staatsburgerschap door een verklaring voor de bevoegde overheid kan verkregen worden (art. 8, 9, 13, 14 der Wet van 8 Juni 1909 op de verwerving en het verlies van de nationaliteit en art. 4 der Wet van 6 Augustus 1881 op de naturalisatie) houden op van kracht te zijn.
De Verordening van 21 Oktober 1915 (Wet- en Verordeningsblad nr. 133, blz. 1249, is opgeheven.
Brussel, den 15n April 1916.Brussel, den 15n April 1916.

No. 202c
APRIL 1916. 87
Verordening betreffende samenstelling der Centrale Oogstkommissie (Zentral Ernte Kommission).
Mijne Verordening van 23 Juli 1915 (Wet- en Verordeningsblad nr. 102, bh. 829) wordt aldus gewijzigd: paragraaf 3 wordt door de volgende bewoordingen vervangen:
„De Centrale Oogstkommissie (Zentral Ernte Kommission) is een onmiddellijk onder mij staande ambtelijke kommissie, wier voorzitter, leden en bestendige plaatsvervangers ik benoemen zal.
Zij wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van het General-Gouvernement. Tot leden dezer kommissie zal ik telkens een vertegenwoordiger benoemen:
a) van het Burgerlijk Bestuur (Zivilverwaltung) die tegelijkertijd waarnemend voorzitter is,
b) van de Politieke Afdeling (Politische Abteilung),
c) van den Kommissaris-Generaal voor de banken (Generalkommissar fur die Banken),
d) van de Intendantie van het leger (Armee-Intendantur des General-Gouvernements)
e) van de Veeartsenijkundige Afdeling (Veterinarabteilung des General-Gouvernements)
f) van het Nationaal Komiteit,
g) van het „Commission for Relief.
Bij gelijkheid van stemmen geeft de voorzitter den doorslag. De voorzitter geeft het recht, deskundigen met raadgevende stem-, op de zittingen uit te nodigen.
De besprekingen geschieden in het Duits.''
Brussel, den 16n April 1916.
No. 203.
24 april nihil
No. 204.
26. APRIL 1916. (Nihil).

No. 205a
29. APRIL 1916
Verordening *** over den uitvoer van goederen. Onder opheffing der Verordeningen van 13 Oktober 1915 over uit- en vervoer van goederen en van 15 December 1915 betreffend aanvulling dezer Verordening, der Verordening van 11 December 1915 betreffend den uitvoer van suiker uit het gebied des General- gouvernements (Wet- en Verordeningsblad hh. 1259, 1460, 1427), evenals van art. 2 lid 6 der Verordening van 1 Maart 1916 over den invoer van goederen(Wet- en Verordeningsblad hls. 1737) wordt het volgende bepaald:

Art. 1. Voor den uitvoer van alle goederen uit het gebied des General-Gouvernements (Bekendmaking van 19 December 1915 des Generalgouverneurs in België, Wet- en Verordeningsblad hlz. 1436) wordt de toelating van den „Verwaltungschef' hij den Generalgouverneur in België, Afdeling voor Handel en Nijverheid vereist.

Art. 2. De aanvraag om een uitvoertoelating te bekomen, moet tot de Afdeling voor Handel en Nijverheid, Buitenhandel-kantoor (Ahteilung fur Handel und Gewerbe, Aussenhandelsstelle) , Brussel, Kunstherlevingslaan, 30, gericht worden. In de aanvraag moet in 't bijzonder aangegeven worden:
a) aard en hoeveelheid der uit te voeren goederen,
b) voor wiens rekening de uitvoer geschiedt,
c) wie de bestemmeling der ware is,
d) hoe hoog de verkoopprijs is en op welke wijze deze betaald wordt.
De aanvrager moet in zijne aanvraag onder handtekening bevestigen, dut de gedane aangiften juist De toelating wordt gegeven met den stempel van het Buitenhandel-Kantoor; zij blijft te rekenen van den dag der stempeling drie week geldig. Dese geldigheidsduur kan in den toelatingsbrief verkort of verlengd worden. Het volstaat voor spoorverzendingen, dat de goederen binnen den geldigheidsduur hij het bevoegd spoorwegbeheer ter verzending afgeleverd worden, bij scheepsverzendingen, dat de goederen, en dit moet behoorlijk bewezen worden, binnen den geldigheidsduur op het schip geladen zijn.

Art. 3. Voor den doorvoer van goederen door het gebied der General-Gouvernements is geen toelating nodig, wanneer de goederen op grond van enen doorvoervrachtbrief verzonden worden:
1) uit Duitsland,
2) uit het Etappen- en Operatiegebied in het Westen naar andere gewesten van dit gebied of naar Duitsland. Alle andere doorvoer wordt als in- en uitvoer behandeld.

Art. 4. Waren, die men in strijd met dit verbod poogt uit te voeren zullen aan de grens verbeurd verklaard worden.

Art. 5. Met ten hoogste drie jaar gevangenis en ten hoogste 50.000 mark boete of met één van heide wordt gestraft:
a) wie in zijne aanvraag om een uitvoertoelating te bekomen opzettelijk of uit grove nalatigheid valse aangiften doet,
b) wie zonder de vereiste toelating goederen uitvoert. De poging tot overtreding is strafhaar. Bevoegd zijn de Duitse handelsrechtbanken.

Art. 6. De voorschriften dezer Verordening slaan niet: 1. op verzendingen den Kolencentrale (Kohlenzentrale) en het Hoofdkantoor voor gas, water en elektriciteit (Hauptstelle fur Gas, Wasser und Elektrizitat) ,
2. op het meenemen van reisgoed, voor het persoonlijk gebruik van den reiziger bestemd,
3. op monsters zonder waarde, die niet aangetekend worden,
4. op militair- en privaatgoed voor het militair beheer.

Art. 7. De voorschriften over de hij het indienen van de aanvraag te gebruiken formulieren en den stempel van het Buitenhandel-kantoor worden door den „Verwaltungschefs" uitgevaardigd.
Art. 8. Deze Verordening wordt met het aflopen van den dag harer afkondiging van kracht. Waren, die op dezen dag reeds verzonden waren of binnen een week na dezen dag verzonden worden en waarvan de uitvoer tot dan toe zonder toelating veroorloofd was, mogen nog zonder toelating worden uitgevoerd. Brussel, den 15n April 1916.

No. 205b
Uitvoeringsvoorschriften by de Verordening van 15 April 1916 over den uitvoer van goederen.
Op grond van art. 7 der Verordening van 15 April 1916 over den uitvoer van goederen, wordt het volgende bepaald:
§ 1. Voor de aanvragen om ene uitvoertoelating te bekomen moeten de formulieren volgens het aanhangsel worden gebruikt. De aanvragen moeten telkens in drie exemplaren worden ingezonden. Bij verzending per spoor of per schip moeten bovendien regelmatig ingevulde verzendingspapieren worden overgelegd; wordt ene uitvoertoelating voor verschillende waren tegelijk aangevraagd, zoo moet er een rekening worden bijgevoegd.
§ 2. Voor het verlenen van de uitvoertoelating
moet een vierkante stempel van 6 op 10 cm. worden gebruikt, die links den rijksadelaar met het randschrift General-Gouvernement in België, Aussenhandelsstelle' draagt. In den stempel moet de dagtekening der aflevering en de handtekening van den beambte, die de toelating verleent, ingevuld worden.
Brussel, den 25n April 1916.

In drie exemplaren in te dienen.
Aan de Afdeling voor Handel en Nijverheid,
Buitenhandels-Kantoor
Brussel, 30, Kunstherlevingslaan.
Aanvraag om Uitvoertoelating.
(Verordening van 15 April 1916, W.-V.bl., blz. 1969.)
naar:
1) Van den aanvrager
a) naam :
b) woonplaats : . . . ,
c) straat :
*2) aard der uit te voeren goederen:
*3) hoeveelheid (ton, kgr., kkm., hl., lit., stuks):. . .
.
*4) voor rekening van a) naam:
b) woonplaats en straat: .
c) staatsburgerschap: . .
5) bestemd voor a) naam:..
b) woonplaats en straat:
c) staatsburgerschap:
6) doel en gebruik:
7) wijze van verzending (spoor, schip, wagen, post):
8) verkoopprijs a) gezamenlijk bedrag:.... frank.
b) voor de eenheid : frank.
9) wordt betaald:
a) in welke munt: . . . . gezamenlijk bedrag: , . . .
b) hoe, haar of door welke bank:
c) wanneer:
Ik bevestig de juistheid der voorgaande verklaringen. , den 1916.
Wie onjuiste verklaringen doet zal gestraft worden.
Handtekening.
* Wordt een uitvoertoelating voor verschillende waren tegelijk aangevraagd, zoo moet er een rekening worden bijgevoegd.

No. 205c
29. APRIL 1916.
Bekendmaking. ***
Op grond mijner Verordeningen van 30 Juni en 23 Juli 1915 (nr. 5) betreffend den korenoogst van 1915, evenals mijner Verordening van 28 Augustus 1915 betreffend koren en meel uit vroegere oogstjaren, heb ik, op voorstel der Centrale Oogstkommissie (Zentral Ernte Kommission) , de hoogste prijsen voor den verkoop van gedorst koren, meel, zemelen en brood voorshands als volgt vastgesteld: voor tarwe uit stapelplaats frank of molen geleverd 38.12 frank per 100 kgr.
voor rogge uit stapelplaats of molen geleverd 26.90 frank per 100 kgr.
voor masteluin uit stapelplaats of molen geleverd . . . 29.16frank per 100 kgr.
voor ongepelde spelt uit stapelplaats of molen geleverd . . 24.52frank per 100 kgr.
voor tarwezemelen uit molen geleverd 22 frank per 100 kgr.
voor masteluinzemelen uit molen geleverd 20 frank per 100 kgr.
voor roggezemelen uit molen geleverd 18 frank per 100 kgr.
voor tarwemeel aan bakkers of gebruikers geleverd .... 47.21frank per 100 kgr.
voor roggemeel aan babkers of gebruikers geleverd .... 34.99frank per 100 kgr.
voor masteluinmeel aan bakkers of gebruikers geleverd .36.71frank per 100 kgr.
voor tarwemeel op 60 % of fijner gemalen, aan pasteibakkers geleverd .... 80 frank per 100 kgr.
voor roggemeel op 60 % of fijner gemalen, aan pasteibakkers geleverd 65 frank per 100 kgr.
voor tarwebrood axin gebruikers geleverd 0.43 frank per kgr.
Beze hoogste prijsen worden 1 Mei van kracht. Ben Provincialen Oogstkommissies (Provincial Ernte Kommissionen) wordt de bevoegdheid verleend, voor de omschrijving van afzonderlijke gemeenten op verzoek of na raadpleging van de burgemeesters, telkens eenen lageren hoogsten prijs voor tarwebrood, evenals hoogste prijzen voor brood, tot het bereiden waarvan roggemeel wordt gebruikt, vast te stellen.
Voor de verkoopen der voortbrengers van tarwe en rogge aan het Nationaal Hulp- en Voedingskomiteit, blijven de in mijne Bekendmaking van 10 Augustus 1915 (nr. 4a vastgestelde hoogste prijzen van kracht.
Brussel, den 23n April 1916.No. 206.
No. 206a
2. Mei 1916. Pag. 1985
Verordening over de Belgische begroting voor 1916.
Art. 1. De gewone ontvangsten van den Staat voor het dienstjaar 1916 worden op tweehonderd acht en veertig miljoen zeshonderd negen en veertig duizend negenhonderd vijf en dertig frank (248.649.935 frank) geraamd.

Art. 2. De uitgaven van den Staat voor het dienstjaar 1916 worden op te samen twee honderd vier en zeventig miljoen vierhonderd tachtig duizend vierhonderd vijf en dertig frank (274.480.435 frank) vastgesteld en wel:
Voor de openbare schuld op vier en dertig miljoen achthonderd dertig duizend frank (34.830.000 frank):
Voor de dotaties op zevenhonderd acht en twintig duizend één honderd frank (728.100 frank);
Voor het Ministerie van Justitie op acht en twintig miljoen achthonderd acht en zeventig duizend zeshonderd frank (28.878.600 frank)
voor de gewone uitgaven en één honderd vijftig duizend frank (150.000 fr.) voor buitengewone uitgaven, samen op negen en twintig miljoen acht en twintig duizend zeshonderd frank (29.028.600 frank);
Voor het Ministerie van Binnenlandse Zaken op zes miljoen vier en zestig duizend vijfhonderd frank (6.064.500 frank) voor de gewone uitgaven en tweehonderd tien duizend frank (210.000 frank) voor de buitengewone uitgaven, samen op zes miljoen tweehonderd vier en zeventig duizend vijfhonderd frank (6.274.500 frank);
Voor het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten op één en veertig miljoen zevenhonderd vier en vijftig duizend één honderd frank (41.754.100 frank)
voor de gewone uitgaven en één miljoen zevenhonderd negentig duizend frank (1.790.000 frank)
Door de buitengewone uitgaven, samen op drie en veertig miljoen vijfhonderd vier en veertig duizend één honderd frank (43.544.100 frank);
Voor het Ministerie van Nijverheid en Arbeid op vijftien miljoen tweehonderd zeven en negentig duizend frank (15.297.000 frank)
voor de gewone uitgaven en twee en vijftig duizend frank (52.000 frank)
voor de buitengewone uitgaven, samen op vijftien miljoen driehonderd negen en veertig duizend frank (15.349.000 frank);
Voor het Ministerie van Financiën op één honderd dertien miljoen achthonderd vier en dertig duizend zevenhonderd frank (113.834.700 frank)
voor de gewone uitgaven en vijftig duizend frank (50.000 frank)
voor de buitengewone uitgaven, samen op één honderd dertien miljoen achthonderd vier en tachtig duizend zevenhonderd frank (113.884.700 frank).
Voor het Ministerie van Landhouw en Openbare Werken op acht en twintig miljoen één honderd en vijf duizend negenhonderd vijf en dertig frank (28.105.935 frank)
voor de gewone uitgaven en één miljoen vier en negentig duizend vijf honderd frank 1.094.500 frank) voor de buitengewone uitgaven, samen ap negen en twintig miljoen tweehonderd duizend vierhonderd vijf en dertig frank (29.200.435 frank);
Voor onwaarden en terugbetalingen op één miljoen zeshonderd een en veertig duizend frank (1,640.000 frank).

Art. 3. Het schaffen der middelen tot het dekken van het volgens artikel 1 en 2 gebleken tekort van vijf en twintig miljoen achthonderd dertig duizend vijfhonderd frank (25.830.500 frank) blijft voor een bijzondere Verordening voorbehouden.
Brussel, den 26n April 1916.
No. 206b
2. MAI 1916
In wijziging der Verordeningen van 17 April 1915 (Wet- en Verordeningsblad blz. 448) en van 28 Augustus 1915 (Wet- en Verordeningsblad blz. 957) evenals van 12 Februari 1916 (Wet- en Verordeningsblad blz. 1604), bepaal ik hierbij:
De onder art. 5 en 7 der wet van 1 Februari 1844 in de bewoording der wetten van 15 Augustus 1897 en van 28 Mei 1914 voorziene termijn voor het vaststellen van rooilijnen en het inleiden der onteigeningsprocedure neemt aanvang, zonder rekening te houden met het tijdstip waarop de aanvraag om te mogen bouwen, ingediend werd, op 1n April 1916, indien deze aanvragen op zulke openbare plaatsen en straten slaan, waarvan door de oorlogsgebeurtenissen één of meer huizen verwoest werden.
Brussel, den 19 April 1916.
No. 206c
2. MAI 1916.
Verordening betreffend aanvulling der Verordeningen van 11 Oktober 1915 en van 5 December 1915 over het benuttigen van beenderen en andere dierlijke stoffen.

Art. 1. De bepalingen der Verordening van 11 Oktober 1915 (Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken in België nr. 130) en de bepalingen der aanvulling dezer Verordening van 5 December 1915 (Wet- en Verordeningsblad nr. 152) zijn ook van toepassing op huidafval allerhand (afval van leder om lijm te koken), die in de looierijen voorkomt.

Art. 2. De binnen het gebied des General-Gouvernements voorhanden stapels der onder art. 1 vermelde stoffen, moeten bij de Oliecentrale (Oelcentrale) voor 15 Mei 1916 schriftelijk worden aangegeven.

Art. 3. Overtredingen der voorschriften dezer Verordening worden met ten hoogste 5000 mark boete en met ten hoogste drie maand gevangenis of met een van beide gestraft. Bevoegd zijn de krijgsrechtbanken.
Brussel, den 21n April 1916.


No. 206d
2. MAI 1916.
Verordening betreffend de voertaal in de lagere gemeentescholen, in de aangenomen en aanneembare scholen van het Duitse taalgebied.
Voor het Duitse taalgebied wordt, in uitvoering van art. 20 der organische wet van 15 Juni 1915 op het lager onderwijs, het volgende beschikt:

Artikel 1. Tot het Duitse taalgebied in den zin van deze Verordening behoren de volgende gemeenten:
1. In de provincie Luik:
Aubel met het oog op de wijk La Clouse,
Balen,
Gemmenich,
Henri-Chapelle,
Homburg-Bleiberg,
Homburg-(Binnen [Mitte]),
Memhach,
Montzen-Bleiherg,
Montzen (Binnen Mitte)
Moresnet,
Sippenaken,
Welkenraad.

2. In de provincie Luxemburg:
Arel (Aarlen) [met Spetz (Quatre-Bras)],
Athem (Athus),
Attert [met Parett en Schockweiler],
Bochholz (Bého) [met de wijken Deifeld en Urth-
Watermaaï],
Bonnert [met de wijken Frassem, Neumûhle, Altenhofen,
Viville en Waltzingen^,
Diedenburg (Thiaumont) [met de wijken Lischerten Lottert],
Elcheroth (Nobressart) [met Alemeroth en Luchert]
Feiteler (Fauvillers) met het oog op de wijken Boedingenen Wiesenhach,
Girsch (Guirsch) [met Heckhus],
Heischlingen (Heinsch) [met Freilingen, Papiermiihle,
Watzerat (Posterie en Stockem],
Herzig (Hachy) [met Offen (Fouches) en Saas (Sampont)],
Hewerdingen (Habergy) [met de wijken Bebingen en Guelf],
Holdingen (Halanzy) met het oog op Bettenhofen (Battincourt) en Esch op de Hurt (Aix-sur-Cïoie),
Hondelingen (Hondelange) [met Bilwingen en Wolkringen]
Ibingen (Aubange) [met Klemeresch (Clemarais)]y
Martelingen (Martelange) [met Greimelingen, Neuperl,en Radelingen],
Metzig (Messancy) [met Gerlingen, Laser (Longeau), Niedlingen (Noedelange) en Tûrpingen (Turpange)],
Niederelter (Autelhas) [met Oherelter, Bardenhurg (Clairfontaine) en Sterpenich]
Selingen (Sélange),
Tintingen (Tintange) [naast Oeil, Romeldingen en Warnach ,
Tôrnich met Glandfiilrt (Pont Lagland) en TJdingen],
Tontelingen (Tontelange) ,[met Beierchen (Côte rouge)].

Art. 2. Als moedertaal der kinderen geldt in het Duits taalgebied de Duitse taal, zoo niet het gezinshoofd in ene bijzondere, bij het aangeven van het kind overgelegde schriftelijke verklaring, ene andere taal als moeder- of omgangstaal van het kind aangeeft. Deze verklaring moet voor den helen duur van 's kinds schoolplicht in het schoolarchief bewaard worden.

Art. 3. De gebeurlijke verklaring van het gezinshoofd wordt door het schoolhoofd getoetst om te zien, of het kind in staat is, in de aangegeven taal met vrucht de lessen te volgen. Dit onderzoek moet steunen op: de afstamming van het kind, de omgangstaal zijner naaste omgeving en inzonderheid de kennissen van het kind zelf. Beslist het schoolhoofd, dat het kind niet in staat is, in de aangegeven taal met vrucht de lessen te volgen, zoo moet hij dit besluit op de verklaring van het gezinshoofd neerschrijven, dit zonder verwijl het gezinshoofd mededelen, en er op wijzen dat het hem, overeenkomstig art. 20 der wet, vrijstaat bij het schooltoezicht in beroep te komen; dezes beslissing moet eveneens op de verklaring van het gezinshoofd worden aangetekend.

Art 4. Nadere voorschriften betreffende de wijze waarop de nauwgezetheid van het onderzoek en de juistheid van de beslissing van het schoolhoofd (art. 3) door het schooltoezicht zullen verzekerd en nagegaan worden, blijven voorbehouden.

Art. 5. Is voor een kind de voertaal overeenkomstig vorenstaande voorschriften vastgesteld, dan blijft deze bepaling zolang van kracht, als het kind ene der in het opschrift van dit besluit opgesomde scholen bezoekt.

Art. 6. Wordt ene school door kinderen met verschillende moedertaal bezocht, zoo wordt het onderwijs in de taal der meerderheid der leerlingen gegeven. Het is verboden klassen of afdelingen met dubbele voertaal in te richten. Evenwel zal gezorgd worden, dat, wanneer in enen jaargang ten minste 20 leerlingen zijn, wier moedertaal niet de voertaal is, voor deze ene eigene klas ingericht wordt. De ondersteuning door den staat geschiedt volgens de voorschriften van het besluit van 20 September 1898.

Art. 7. Zijn er in ene school kinderen met verschillende moedertaal, zoo zal het schoolhoofd kort na aanvang van het schooljaar, den kantonnale schoolopziener kennis geven van het aantal kinderen, die in elke jaargang zitten en welke bijzondere klassen en afdelingen voor hen ingericht werden.

Art. 8. Aan het onderwijs in de moedertaal moeten ten minste worden besteed:
In den eersten graad 6 volle schooluren per week
tweeden graad 5 volle schooluren per week
derden graad 4 volle schooluren per week
vierden graad 4 volle schooluren per week.

Art. 9. Het blijft de gemeente of het schoolbestuur vrij, ene of meer talen dis vrij leervak, op het leerplan op te nemen. Opdat hierdoor echter het grondig aanleren der moedertaal niet geschaad worde, mag voorshands met dit onderwijs niet voor het 6e schooljaar warden aangevangen en mogen er niet meer dan drie voile of zes halve uren wekelijks aan besteed worden.

Art. 10. Geen onderwijzer mag in ene klas onderwijs geven, indien hij de voor deze klas vastgestelde voertaal niet volkomen machtig is.

Art 11. Geen onderwijzer mag, behalve hij het onder art. 6 en 9 voorzien onderwijs, de leerlingen in het vrij gebruik der moedertaal beperken.

Art. 12. Handboeken en leermiddelen voor de afzonderlijke vakken moeten in de taal opgesteld zijn, die voor dit vak als voertaal voorgeschreven is. Voor diplomas en getuigschriften moet de voertaal der klas worden gebruikt, waartoe de leerling behoort. Hetzelfde geldt voor de bekendmakingen van het schoolbestuur en de schriftelijke mededeelingen aan de ouders der leerlingen.

Art. 13. Worden borenstaande bepalingen of de op grond ervan genomen schikkingen van het schooltoezicht of van het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten niet nageleefd, zo loopt de gemeente of het schoolbestuur gevaar, dat hun de staatsondersteuning geheel of gedeeltelijk onttrokken wordt.

Art. 14. De voorschriften van deze Verordening worden voor de twee jongste jaargangen twee weken na de afkondiging, voor het overige met aanvang van het schooljaar 1916/17 van kracht.
Brussel, den 22n April 1916.

No. 206e

No. 206.2. MAI 1916. 137
Verordening betreffend de voertaal in de lagere gemeentescholen, in de aangenomen en aanneembare scholen van het Vlaamsehe land. Voor het Vlaamsehe land wardt, in uitvoering van art. 20 der organisehe wet van 15 Juni 1914 op het lager onderwijs, het volgende heschiht:

Art. 1. Tot het Vlaamsehe land in den zin van dit besluit behoren, de bij koninklijke besluiten van 31 Mei 1891 en van 10 Januari 1896 (Moniteur belge van 12 Juni 1891 en van 23 Januari 1896) opgesomde gemeenten, Gemmenich uitgezonderd.
Voor de bij Groot-Brussel behoorende gemeenten: Anderlecht, Elterbeek, Jette, Koekelherg, Laken, St.-Jans-Molenheek, Ukkel en Vorst, gelden de bijzondere
bepalingen van hetbbesluit van 25 Februari1916 (Wet- en Verordeningshlad nr. 186) en der daartoe uitgevaardigde uitvoeringsbepalingen van 18 Maart 1916 (Wet- en Verordeningshlad nr. 192).

Art. 2. In het Vlaamse land geldt de Vlaamse taal als moedertaal der kinderen, zoo niet het gezinshoofd in eene bijzondere, hij het aangeven van het kind overgelegde schriftelijke verklaring, eene andere taal als moeder- of omgangstaal van het kind aangeeft.
Deze verklaring moet voor den heelen duur van 's kinds schoolplicht in het schoolarchief bewaard worden.

Art. 3. De gebeurlijke verklaring van het gezinshoofd wordt door het schoolhoofd getoetst om te zien, of het kind in staat is, in de aangegeven taal met vrucht de lessen te volgen. Dit onderzoek moet steunen op: de afstamming van het kind, de omgangstaal zijner naaste omgeving en inzonderheid de kennissen van het kind zelf. Beslist het schoolhoofd, dat het kind niet in staat is, in de aangegeven taal met vrucht de lessen te volgen, zoo moet hij dit besluit op de verklaring van het gezinshoofd neerschrijven, dit zonder verwijl het gezinshoofd mededelen, en er op wijzen dat het hem, overeenkomstig art. 20 der wet, vrijstaat bij het schooltoezicht in beroep te komen; dezes beslissing moet eveneens op de verklaring van het gezinshoofd worden aangetekend.

Art 4. Nadere voorschriften betreffende de wijze waarop de nauwgezetheid van het onderzoek en de juistheid van de beslissing van het schoolhoofd (art. 3) door het schooltoezicht zullen verzekerd en nagegaan worden, blijven voorbehouden.

Art. 5. Is voor een kind de voertaal overeenkomstig borenstaande voorschriften vastgesteld, dan blijft deze bepaling zolang van kracht, als het kind ene der in het opschrift van dit besluit opgesomde scholen bezoekt.

Art. 6. Wordt ene school door kinderen met verschillende moedertaal bezocht, zoo wordt het onderwijs in de taal der meerderheid der leerlingen gegeven. Het is verboden klassen of afdelingen met dubbele voertaal in te richten. Evenwel zal gezorgd worden, dat, wanneer in enen jaargang ten minste 20 leerlingen zijn, wier moedertaal niet de voertaal is, voor deze ene eigene klas ingericht wordt. De ondersteuning door den staat geschiedt volgens de voorschriften van het besluit van 20 September 1898.

Art. 7. Zijn er in ene school kinderen met verschillende moedertaal, zoo zal het schoolhoofd kort na aanvang van het schooljaar, den kantonnale schoolopziener kennis geven van het aantal kinderen, die in elke jaargang zitten en welke bijzondere klassen en afdelingen voor hen ingericht werden.

Art. 8. Aan het onderwijs in de moedertaal moeten ten minste worden besteed:
In den eersten graad 6 volle schooluren per week
tweeden graad 5 volle schooluren per week
derden graad 4 volle schooluren per week
vierden graad 4 volle schooluren per week.

Art. 9. Het blijft de gemeente of het schoolbestuur vrij, ene of meer talen dis vrij leervak, op het leerplan op te nemen. Opdat hierdoor echter het grondig aanleren der moedertaal niet geschaad worde, mag voorshands met dit onderwijs niet voor het 6e schooljaar warden aangevangen en mogen er niet meer dan drie voile of zes halve uren wekelijks aan besteed worden.

Art. 10. Geen onderwijzer mag in ene klas onderwijs geven, indien hij de voor deze klas vastgestelde voertaal niet volkomen machtig is.

Art 11. Geen onderwijzer mag, behalve hij het onder art. 6 en 9 voorzien onderwijs, de leerlingen in het vrij gebruik der moedertaal beperken.

Art. 12. Handboeken en leermiddelen voor de afzonderlijke vakken moeten in de taal opgesteld zijn, die voor dit vak als voertaal voorgeschreven is. Voor diplomas en getuigschriften moet de voertaal der klas worden gebruikt, waartoe de leerling behoort. Hetzelfde geldt voor de bekendmakingen van het schoolbestuur en de schriftelijke mededeelingen aan de ouders der leerlingen.

Art. 13. Worden vorenstaande bepalingen of de op grond ervan genomen schikkingen van het schooltoezicht of van het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten niet nageleefd, zo loopt de gemeente of het schoolbestuur gevaar, dat hun de staatsondersteuning geheel of gedeeltelijk onttrokken wordt.

Art. 14. De voorschriften van deze Verordening worden voor de twee jongste jaargangen twee weken na de afkondiging, voor het overige met aanvang van het schooljaar 1916/17 van kracht.
Brussel, den 22n April 1916.


No. 206f

2. MAI 1916.
Wijziging' in de bewoording der Bekendmaking van 7 April 1916 G. G. Ild nr. 20002.
De Behendmahing van 7 April 1916 G. G. Ild 20002, hlz. 1916-1919 in het Wet- en Verordeningshlad, wordt als volgt gewijsigd:
1. Onder nr. II, achtste alinéa, moet tusschen de îvoorden „worden' en „alleen toegestaan' worden ingelascht „over het algemeen\
2. Nr. II, tiende alinéa, enz. hekomt volgende hewoording: Het rijwielverkeer is in het geheele gebied des G. G. alleen binnen de steden, in den omvang door de Gouverneurs vastgesteld, personen toegelaten, die in dese steden woonachtig zijn.
Buiten de gemeenteomsehrijving is het rijwielverkeer, en wel alleen mits het nemen van een rijwielpaspoort, toegestaan aan: dokters, veeartsen, beambten in den dienst van het Duitsch bestuur (deze laatsten echter alleen onder uitdrukkelijle, schriftelijke toelating van den hoven hen staanden Gouverneur) binnen den kring hunner werkzaamlieid; bedienden en arbeiders voor het verkeer tusschen hunne woning en werkplaats; ischolieren voor het verkeer tusschen hunne woning en school.
3. Alinéa 14 en volgende hekomen het opschrift „Verordening over paswezen en rijwielverkeer.


No. 206g
2. MAI 1916.

Verordening betreffende de wijziging der tax op de kinemavertoningen en de toepassing der tax op andere openbare vermakelijkheden.

Art. 1. § 1. De tax waaraan, krachtens artikel één der wet van 3 September 1913, de ondernemers van kinemavertoningen zijn onderworpen, wordt op de inrichters van alle openbare vertoningen, concerten, bals, wedrennen, spelen of andere vermakelijkheden toepasselijk gemaakt.
Met wijziging in artikel één van voormelde wet, wordt het bedrag der tax eenvormig gesteld op tien ten honderd van het totaal der ruwe ontvangsten hoe ook genaamd; worden alleen daarvan afgetrokken, de sommen welke afstand aan menslievende werken behoorlijk is bewezen.
§ 2. De taxe wordt onderscheidenlijk op vier, zes of acht frank per dag gesteld voor de ondernemers of inrichters wier totaal van de ruwe ontvangsten, gedurende de helft een maand gedaan, gemiddeld minder is dan zestig, tachtig of honderd frank per dag van vertoning of van vermakelijkheid.
§ 3. Worden vrijgesteld, degenen wier gemiddelde som van gemelde ontvangsten minder is dan veertig frank per dag van vertoning of van vermakelijkheid.

Art. 2. § 1. Geen provincie- en gemeenteopcentiemen mogen op die tax gesteld worden.
§ 2. Echter wordt van de tax één achtste aan de provincie en drie achtsten aan de gemeente toegekend.
§ 3. Desgevallende, wordt het bedrag dier aandelen afgetrokken van de bijzondere provincie- of gemeentebelastingen, welke op de openbare vertoningen of andere vermakelijkheden gelegd zijn.

Art 3. Artikelen 2, 10 en 11 der wet van 3 September 1913 vervallen; de andere bij de tegenwoordige Verordening.
Deze Verordening wordt met ingang van 16 Mei 1916 van kracht.
Brussel, den 23n April 1916.


No. 207a
4. Mei 1916.
Overeenkomstig de Verordening van 17 Februari 1915 (Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België nr. 41 van 20 Februari 1915) heb ik, in vervanging van den als dwangbeheerder aftredende Heer Wilhelm Tang, tot dwangbeheerder der Banque de Paris et des Pays-Bas, te Brussel, den heer Leopold Haensch benoemd.Brussel, den 27n April 1916.
No. 207b
4. Mei 1916.
Overeenkomstig de Verordening van 17 Februari 1915 des Heren Generalgouverneurs in Belgje (Wet en Verordeningsblad nr. 41 van 20 Februari 1915) heb ik, naast de reeds benoemde dwangbeheerders, in vervanging van den aftredende Heer Wilhelm Tang tot dwangbeheerder der volgende banken: (Voor de namen zie hierboven) .
Brussel, den 27n April 1916.

No. 207c
4. MAI 1916. 149
AMBTELIJKE BERICHTEN. —
Ministerie van wetenschappen en kunsten.
BEHEER VAN HET LAGER ONDERWIJS,
Examen van onderwijzer voorzien bij artikel 24 der samengeordende regelingswet.
Oproep tot de kandidaten.
Jury s worden belast met het afnemen, in Juli 1916, van het examen door artikel 24 der samengeordende regelingswet op het lager onderwijs ingesteld.
De personen, die wensen dit examen af te leggen, moeten minstens 19 jaar oud zijn op 15 December 1916; niemand kan van deze voorwaarde ontslagen worden.

Zij moeten voor den 10n Juni 1916, bij het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten, hun vraag indienen, op ongezegeld papier geschreven, opgesteld naar onderstaand model.
Deze moet vergezeld gaan:
1° van een uittreksel der geboorteakte van den kandidaat;
2° Van een getuigschrift van zedelijkheid en goed gedrag afgeleverd door het bestuur der gemeente waar de kandidaat woonachtig is;
3° Van een geneeskundig getuigschrift, verklarende dat de kandidaat door geen gebrekkelijkheid aangetast is, van aard het gezag, dat de onderwijzer op zijne leerlingen moet hebben, te verminderen;
4° Van een verklaring, de getuigschriften en diploma's opgevende, waarvan de kandidaat houder is, met aanduiding der inrichtingen waar ze afgeleverd werden.
N. B. Het uittreksel der geboorteakte en het getuigschrift van zedelijkheid moeten op zegel geschreven worden, overeenkomstig de voorschriften van het Zegelwethoek van 25 Maart 1891.

De aspiranten worden te gepasten tijde door de zorgen van den voorzitter der jury bijeengeroepen.

Model van de vraag ter inschrijving voor het examen van onderwijzer of van onderwijzeres.
De ondergetekende {naam, voornamen, beroep), wonende te , {straat, nummer, zoo nodig), provincie ,
geboren te ,den 18 , wenst zich te laten inschrijven op de lijst der personen die, in 1916. het examen van onderwijzer –onderwijzeres door artikel 24 der samengeordende regelingswet op het lager onderwijs willen afleggen.
( hij/zij biedt zich aan als onderwijzer/onderwijzeres voor de Vlaamse plaatsen /voor de Waalse plaatsen)
(Dagtekening).
(Handtekening)
.
Model voor het Geneeskundig getuigschrift.
Ik ondergetekende (naam, voornamen en adres), doctor in de geneeskunde, enz., verklaar dat M. . . (naam, voornamen en adres), met geen der kwalen behept is welke opgesomd zijn in de onderrichting die gevoegd was bij het ministerieel aanschrijven van 31 December 1897 (beheer van het lager onderwijs, 2e afdeling, nr. 13. 1201), noch met andere Lichaamsgebreken, die aan het gezag dat een onderwijzer aver zijne leerlingen behoort te hebben, afbreuk zouden kunnen doen. ,den 19
(Handtekening).

No. 208a
.7. Mei 1916.
Verordening *** over het vervoer van goederen binnen het General-Gouvernement.

Art. 1. Voor het vervoer van de in kolom 1 van het aanhangsel hij deze Verordening opgesomde goederen binnen het General-Gouvernement (Bekendmaking van 19 December 1915 des Generalgouverneurs in België, Wet- en Verordeningsblad bis. 1436), is de toelating van het in kolom 2 aangeduide dienstkantoor nodig.

Art. 2. De toelating wordt gegeven door het opzetten van een vierkanten stempel 4 ; 4 cm. groot, waarin de ronde rijksadelaarstempel staat met het randschrift van het kantoor, dat ze verleent, en de woorden: Vervoer van .... naar. . . . toegelaten' den datum, waarop ze verleend wordt, en de handtekening van een officier of beambte.
De vervoertoelating is geldig voor drie weken te rekenen van den dag waarop ze gegeven werd, bijaldien in de toelating niet uitdrukkelijk een andere geldigheidsduur vastgesteld is.
Binnen 24 uur na het voltrokken vervoer, moet de toelatingsbrief naar het afleverend kantoor teruggezonden worden. Deze bepaling geldt niet voor spoor en scheepsverzendingen. De voorschriften des Gouvernement Antwerpen over het vrijgeven der in Antwerpen gesperde goederen vallen niet onder toepassing van vorenstaande bepalingen.

Art, 3. Met ten hoogste drie jaar gevangenis en met ten hoogste 30.000 mark boete of met één van heide wordt gestraft, wie de bepalingen dezer verordening overtreedt. De poging tot overtreding is strafhaar. Naast de straf Jean ook verbeurdverklaring der goederen uitgesproken worden.
Bevoegd zijn de Duitse krijgsrechtbanken.

Art. 4. De bepalingen der Verordening van 17. Januari 1916 met bijgaande uitvoeringsvoorschriften van 17 Januari 1916 (Wet- en Verordeningsblad hls. 1525 en 1529 over het vervoer van aardappelen blijven van kracht. De bepalingen der Belgische tol- en accijnswetten betreffend vervoerbewijzen voor tolverschuldigde waren blijven van kracht. Brussel, den 15n April 1916.
No. 208b
AANHANGSEL
Bij de verordening over het vervoer van goederen binnen het General-Gouvernement.
Kolom 1.
Goederen, waarvoor een vervoertoelating vereist is:
a) metaalbewerkingsmachines ;
b) elektrische machines, transformatoren en toestellen;
c) overzees hout, notelaarhout, alle hout uit de bergplaatsen te Antwerpen (binnenfortenlijn), pletmateriaal (halffabrikaten allerhand, zoals metaalstaven, staafijzer, billettes, platen, enz.}. ijzer- en staalplaten hoven 1 mm. dikte, spoorstaven en ander materiaal voor veld- en buurtspoorwegen. Er is geen vervoertoelating vereist voor het wegbrengen uit bergplaatsen, van vrachten beneden 10 ton, noch voor vervoer van platen uit bergplaatsen van tussenhandelaars ;
d) motorwagens, motorwielen (delen en onderdelen ervan), ruwe gummi, ruwe rehgom en reJcgom, gummihanden, oude gummi en gummiafval, spiritus, benzine, zuiver benzol, en solventnafta;
e) levens- en genotmiddelen en voederstoffen, evenals vee en paarden, die uit het gebied der Kommandanteur Maubeuge in het Belgische tolgebied binnengebracht worden;
f) bijproducten uit het koksbedrijf, uitgenomen zuiver benzol en solventnafta;
g) bijproducten der gasinrichtingen, inbegrepen benuttigde gaszuiveringsstoffen en uitgenomen gashohs, zuiver benzol en solventnafta;
h) minerale, dierlijke en plantaardige olie- en vetstoffen en de overblijfsels ervan, uitgenomen boter, benzine, zuiver benzol en de uit teer gewonnen stoffen; verder lakken, olieverven, petroleum, verfoplossingsmiddelen, hors, beenderen, horens, hoeven, beendermeel, beendergort, afval van leder om lijm te koken, voederstoffen uit kreng- en pensbenuttigingsinrichtingen, schoenblink, allerhande zeep en calciumcarbid.
Een vervoertoelating is niet vereist voor zendingen, bestemd voor de vetsmelterij van J. Weinhausen, Brussel;
i) vensterglas hoogstens 1.8 mm. dik, alle flessen met hoogstens 250 gr. inhoud;
k) 1. wol, katoen, vlas, hennep, jute, zijde en alle half- en deelfabrikaten daaruit (daaronder te verstaan alle tusschengraden van grondstof tot afgewerkte ware). Afval en vodden daarvan en de daaruit gewonnen voortbrengselen.
2. papierafval
3. alle ruwe, half- en heelfabricaten uit lood, hardlood, koper, messing, roodkoper, brons, aluminium, fijnzink, zink, nikkel, tin, zover het geen kunst- of kunstnijverheidsvoorwerpen betreft,
4. chloorkalk, zwavel, zwavelhoudende grondstoffen, zwavelzuren vrij en in alle verbindingen, salpeterzuren vrij en in alle verbindingen, allerhande aniline- en teerverven en in alle vermengingen, aluin, zwavelzure aluminiumoxyde, gezuiverde geconcentreerde en watervrije ammoniak,
5. alle vorenstaande onder a tot g niet opgesomde goederen, die aangeslagen of moeten verklaard worden.
Van de vorenstaande onder k opgesomde goederen is
echter geen vervoertoelating vereist voor:
a) gemaakte kledingstukken,
b) gemaakt ondergoed,
c) wollen of katoenen stofcoupons, kleermakersartikelen, katoenen en linnen naaigarens in afzonderlijke zendingen beneden 10 kgr.,
d) kanten, borduursels, passementen en knopen,
e) katoenen en zijden linten, ook veters (rijgsnoeren),
f) hoeden, mutsen dassen,
g) voetekleding uit wol, katoen, zijde.
h) rijglijven,
i) nagemaakt pelswerk,
k) touwwerk in afzonderlijke zendingen beneden 50 kgr.,
l) kunstbloemen,
m) alle monsterzendingen.
Kolom 2.
Kantoren, die de toelating geven:
a) General der Fussartillerie heim General-Gouvernement in Belgien (Wetstraat, 10, Brussel).
b) Maschinenheschaffungsstelle der Koniglichen Feldzeugmeisterei, (Èuyshroeckstraat, 74, Brussel).
c) General des Ingénieur- und Pionierkorps heim General-Gouvernement in Belgien (Wetstraat, 10, Brussel).
d) Leitung des Kraftfahrwesens heim General-Gouvernement in Belgien (Wetstraat, 10, Brussel.)
e) Kommandant van Mauheuge.
f) Kohlenzentrale in Belgien (Kanselarijstraat, 19, Brussel).
g) Haupstelle fur Gas, Wasser und Electrizitât (Koningstraat 66, Brussel).
h) Oelzentrale in Belgien (Koloniënstraat 54, Brussel.)
i) Bergverwaltung Charleroi.
k) Verwaltungschef heim Generalgouverneur in Belgien, Ahteilung fur Handel und Gewerbe (Kunsthervelingslaan, 30, Brussel).
No. 208c

Verordening betreffend het aanslaan en stapelaangeven van mangaan, wolfram, chromium, molybdaenium, vanadium, titanium, kobalt, nikkel, enz.

Artikel 1.
Inbeslagneming. Alle stapels der hierachter opgesomde klassen, in vasten en vloeiharen toestand, worden hierbij in beslag genomen:
Klasse 1. Mangaan als metaal en in ijzerlegeringen (ferromangaan en spiegelijzer).
Klasse 2. Mangaan in ertsen en slakken.
Klasse 3. Wolfram als metaal en als wolframijzer (ferrowolfram).
Klasse 4. Wolframstaal met ten minste 1 % wolframgehalte.
Klasse 5. Wolfram, in ertsen, in slakken, in bij- en tussenproducten.
Klasse 6. Chromium als metaal en als chromiumijzer (ferrochromium).
Klasse 7. Chromiumstaal met ten minste 0,5 % chromiumgehalte.
Klasse 8. Chromium in ertsen, in zouten, in slakken, in bij- en tussenproducten.
Klasse 9. Molybdaenium als metaal en in legeringen (ferromolybdaenium).
Klasse 10. Molybdaenium in ertsen, in slakken, in bij- en tussenproducten.
Klasse 11. Vanadium als metaal en in legeringen (ferrovanadium) .
Klasse 12. Vanadium in ertsen, in zouten, in zuren, in slakken, in bij- en tussenproducten.
Klasse 13. Titanium als metaal en in legeringen (ferrotitanium) .
Klasse 14: Titanium in ertsen, in slakken, in bij- en tussenproducten.
Klasse 15. Kobalt als metaal en in legeringen (ferrokobalt).
Klasse 16: Kobalt in ertsen, in zouten, in slakken, in bij- en tussenproducten.
Klasse 17: Nikkel als metaal en in legeringen.
Klasse 18. Nikkel in ertsen, in zouten, in slakken, in hij- en tussenproducten.
Klasse 19: Ferrosilicium, ferrofosfoor, silicospiegels silicomangaanaluminium.
Klasse 20. Staalijzer en spiegelijzer met 3-20 % mangaangehalte.
Klasse 21. Haematietruwijzer.
De inbeslagneming strekt zich hij de vorenstaande ijzerlegeringen ook uit op afval en oud materiaal, evenals op afgewerkt en half afgewerkte werktuigen.

Artikel II.
Personen, vennootschappen, enz. die onder toepassing der Verordening- vallen. Vallen onder toepassing dezer Verordening:
a) alle nijverheidsondernemers en -huizen, in wier bedrijven de onder art. I opgesomde voorwerpen voortgebracht of verwerkt of gebruikt of verbruikt worden, in zoverre de stapels zich hij hen in bewaring of onder toltoezicht bevinden;
b) alle personen en huizen, die zulke voorwerpen wegens hun handelsbedrijf of anders uit winstbejag in bewaring hebben, zoverre de stapels zich hij hen in bewaring of onder toltoezicht bevinden;
c) alle gemeenten, openhaar rechtelijke lichamen en verenigingen, in wier bedrijf zulke voorwerpen voortgebracht of verwerkt of verbruikt worden, of die zulke voorwerpen in bewaring hebben, in zoverre de stapels zich hij hen in bewaring of onder toltoezicht bevinden. Bij stapels, die op vreemde zolders, in stapelplaatsen en andere bergplaatsen liggen, zijn, bijaldien hij, die gerechtigd is om er over te beschikken, zijn stapels niet zelf onder slot houdt, de héritiers der betreffende bewaarplaatsen voor het naleven dezer Verordening verantwoordelijk. Zijn binnen het gebied des General-Gouvernements hijhuizen voorhanden (bijfabrieken, bijwinkels, bijkantoren en dergelijke) zoo is het hoofdhuis gehouden ook voor deze bijhuizen aan te geven.

Artikel III.
Werking der inbeslagneming.
1. De onder art. II vermelde personen, vennootschappen enz. zijn voor de goede bewaring en het ter beschikking houden der in beslag genomen voorwerpen verantwoordelijk.
2. Alle gebruik der in beslag genomen voorwerpen is enkel mits uitdrukkelijke toelating der Afdeling voor Handel en Nijverheid (Abteilung fur Handel und Gewerbe), Kunstherlevingslaan 30, Brussel, veroorloofd. Zoverre de voorwerpen op het ogenblik van het van kracht worden dezer Verordening tot het in gang houden van het bedrijf vereist zijn, wordt het gebruik ervan, totdat de Afdeling voor Handel en Nijverheid er over beslist heeft, op een zonder verwijl in te dienen aanvraag in den tot dan bestaande omvang toegelaten.
3. Alle rechtzakelijke beschikkingen over de in beslag genomen voorwerpen, uitgezonderd de beschikkingen door de Afdeling voor Handel en Nijverheid uitdrukkelijk toegelaten, zijn verboden en van geen waarde.

Artikel IV. Stapelaangifte.
Alle stapels der onder art. I in beslag genomen voorwerpen in vasten en vloeiharen toestand moeten, onder aangifte van hoeveelheid, stapelplaats en eigenaar, ten laatste den In Juni 1916 hij de Afdeling voor Handel en Nijverheid, Kantoor voor grondstoffenbeheer (Abteilung fur Handel und Gewerbe, Bohstoffverwaltungsstelle)
Kunstherlevingslaan, 30, Brussel, schriftelijk aangegeven worden. Indien enkele der onder art. I opgesomde voorwerpen voorts in België ingevoerd of nieuw gewonnen worden, zoo moet dese aangroei voor het einde der maand, waarin de invoer of de voortbrenging geschiedt, hij voornoemd kantoor aangegeven worden. Gehouden aan te geven zijn de onder art II vermelde personen, vennootschappen, enz.

Artikel V.
Strafbepalingen. Met ten hoogste 5 jaar gevangenis of ten hoogste 20.000 mark boete wordt gestraft:
a) wie zonder toelating der Afdeling voor Handel en Nijverheid de onder art. I opgesomde voorwerpen verkoopt of koopt of er anders rechtzakelijk over beschikt;
b) wie onbevoegd deze voorwerpen wegbrengt of het daarin besloten metaal op enige andere wijze aan de inbeslagneming onttrekt;
c) wie deze voorwerpen zonder de voorgeschreven toelating in zijn bedrijf gebruikt:
d) wie verzuimt de voorgeschreven stapelaangifte te doen of een valse of onvolledige aangifte doet; e) wie op enige andere wijze deze Verordening overtreedt. de poging tot overtreding is strafbaar. Buiten deze straf kan het voorwerp, waarop de overtreding betrekking heeft, van bestuurswege voor het Duitse Rijk zonder vergoeding verbeurd verklaard worden. Bevoegd zijn de Duitse krijgsbevelhebbers en krijgsrechtbanken.
Brussel, den 22n April 1916.
No. 208d
Op grond van art. 1 en 3 der Verordening van 8 Aprïl 1916, betreffend het wegbrengen en benuttiging van gestorven en tot menselijke voeding ongeschikte geslachte dieren en gedeelten van dieren (Wet- en Verordeningsblad nr. 202), wordt het volgende ter kennis gebracht:

Art. 1. Ah inrichtingen voor krengbenuttiging (art. 1) gelden voorshands de vilderijen te:
Schoten bij Antwerpen
Deurne bij Diest
St. Pieters Jette bij Brussel
Sluize bij Tongeren
Vaux-sous-Chèvremont bij Luik
Laroche arrondissement Marche
Libramont provincie Luxemburg
Andenne provincie Namen
Châtelet bij Charleroi
Fayt-lez-Manage arrondissement Charleroi
Pont-Allant bij Maubeuge
Blaton provincie Henegouwen
Pecq bij Doornik.

Art. 2. De omschrijvingen ter inlevering van de onder 1 vermelde inrichtingen voor krengbenuttiging worden als volgt begrensd:
1. Inrichting voor krengbenuttiging Schoten:
a) arrondissement Antwerpen
b) arrondissement Mechelen
c) het gedeelte van het arrondissement Turnhout, ten W. der spoorlijn Lier-Herentals-Turnhout gelegen.

2. Inrichting voor krengbenuttiging Deurne:
a) het gedeelte van het arrondissement Turnhout, ten 0. der spoorlijn Lier-Herentals-Turnhout gelegen.
b) arrondissement Maaseik
c) de gedeelten der arrondissementen Hoei-Borgworm en Leuven, ten N.-O. der spoorlijn Mechelen-Leuven- Borgworm gelegen
d) het arrondissement Hasselt, behalve de ten Z. der gemeente Weier gelegen zuidspits en de gemeente Zutendaal.

3. Inrichting voor krengbenuttiging St. Pieters Jette : ,
a) arrondissement Brussel
b) arrondissement Nijvel
c) het gedeelte van het arrondissement Leuven, ten Z.-W. der spoorlijn Mechelen-Leuven-Borgworm gelegen.

4 Inrichting voor krengbenuttiging Sluize:
a) arrondissement Tongeren
b) gemeente Zutendaal en de ten Z. van Weier gelegen zuidspits van het arrondissement Hasselt.

5. Inrichting voor krengbenuttiging Vaux-sous Chèvremont :
a) arrondissement Luik
b) arrondissement Verviers, behalve de gemeenten Bra en Lierneux
c) het gedeelte van het arrondissement Hoei-Borgworm, dat ten 0. der lijn Boëlhe-Darion-Omal deze plaatsen inbegrepen), en ten 0. der spoorlijn Omal-Hoei-Clavier tot aan de provinciegrens in de nabijheid der plaats Bende, ligt.

6. Inrichting voor krengbenuttiging Laroche:
a) arrondissement Bastnach
b) arrondissement Marche
c) de zuidspits van het arrondissement Verviers met de gemeenten Bra en Lierneux
d) het gedeelte van het arrondissement Dinant, dat ten Z. der spoorlijn Havelange-Ciney-Ivoir, ten O. der spoorlijn Ivoir-Dinant-Heer en ten N. van den steenweg van Givet-Beauraing-Pondrome (Beauraing en Pondrome inbegrepen) ligt
e) gemeente Martelingen, arrondissement Arel (Aarlen).

7. Inrichting voor krengbenuttiging Libramont:
a) arrondissement Arel (Aarlen) (behalve Martelingen)
b) arrondissement Neufchateau
c) het gedeelte van het kanton Givet, liggend ten Z. van den steenweg Givet-Beauraing-Pondrome (Beauraing en Pondrome niet inbegrepen).

8. Inrichting voor krengbenuttiging Andenne:
a) het gedeelte van het arrondissement Hoei-Borgworm, dat ten Z. der spoorlijn Leuven-Luik, ten W. der gemeenten Boëlhe-Darion-Omal (deze niet inbegrepen) , dit is. ten W. der spoorlijn Omal-Hoei- Clavier tot aan de provinciegrens in de nabijheid der plaats Bende, ligt
b) het ten N. der spoorlijn Havelange-Giney-Ivoir- Anhée-Bioul gelegen gedeelte van het arrondissement Dinant
c) het gedeelte van het arrondissement Namen, dat ten 0. der spoorlijn Grand-Leez-Gembloers-Jemeppe sur Sambre d. i. ten 0. van de gemeenten Ham sur Sambre, Fosse, Bioul (deze plaatsen inbegrepen) ligt.

9. Inrichting voor krengbenuttiging Châtelet:
a) het ten W. der spoorlijn Grand-Leez-Gembloers-Jemeppe s/Sambre, d. i. ten 0. van de gemeenten Ham s/Sambre, Fosse, Bioul (deze plaatsen met inbegrepen) liggend gedeelte van het arrondissement Namen
b) het ten W. der spoorlijn Bioul-Anhée-Dinant-Blaimont (deze plaatsen niet inbegrepen) liggend gedeelte van het arrondissement Dinant
c) het ten W. der spoorlijn Givet-Révin liggend gedeelte van het hanton Givet
d) arrondissement Philippeville
e) arrondissement Charleroi, behalve het ten W. der spoorlijn Buzet-Luttre-Courcelles-Piéton-Anderlues gelegen gedeelte
f) het gedeelte van het arrondissement Thuin, dat ten 0. der spoorlijn Landelies-Thuin en Thuin-Beaumont (beide laatste plaatsen niet inbegrepen), evenals ten Z. van den steenweg Beaumont-Leugnies, ligt (Leugnies niet inbegrepen).

10. Inrichting voor krengbenuttiging Fayt-lez- Manage :
a) het ten W. der spoorlijn Buset-Luttre-Courcelles- Piéton-Anderlues liggend gedeelte van het arrondissement Charleroi
b) het ten W. der spoorlijn Landelies-Thuin (Landelies niet inbegrepen) en ten W. der spoorlijn Thuin Beaumont en ten N. van den steenweg Beaumont- Leugnies gelegen gedeelte van het arrondissement Thuin
c) het voormalige arrondissement Zinnik, uitgenomen het ten W. van de plaats Bever (Biévène) en van het station Silly liggend gedeelte.

11. Inrichting voor krengbenuttiging Pont-Allant bij Manbeuge: het tot het General-Gouvernement behorende kanton Maubeuge.

12. Inrichting voor krengbenuttiging Blaton:
a) het ten W. van Bever en het station Silly gelegen gedeelte van het voormalige arrondissement Zinnik
b) arrondissement Bergen
c) arrondissement Doornik, behalve het voor de inrichting tot krengbenuttiging Pecq aangewezen werkelijk gedeelte.

13. Inrichting voor krengbenuttiging Pecq:
a) het tot het General-Gouvernement behorende gedeelte van het arrondissement Kortrijk.
b) het gedeelte van het arrondissement Doornik, dat ten N. der spoorlijnen Rijsel-Doornik en Doornik- Quartes, d. i. ten O. der grens van het voormalig arrondissement Ath van Quartes tot Wattripont ligt.

Als „engere omschrijvingen ter aflevering" (art 3, nr. 2a gelden de voor elke inrichting voor krengbenuttiging vastgestelde omschrijvingen ter aflevering, uitgezonderd de hierachter vastgestelde verzamelomschrijvingen, uit welke het wegvoeren van wege de gemeenten aan de bevoegde .,verzamelkantoren" (art. 3, nr. 2b) moet geschieden.
De gemeenten, waar verzamelkantoren bestaan, behoren tot de engere omschrijving voor aflevering der bevoegde inrichting voor krengbenuttiging. In deze gemeenten gestorven dieren worden aldus ter plaatse door het vilderijgespan afgehaald.

Tot verzamelkantoren worden verklaard:
1. Voor de Inrichting voor krengbenuttiging Deurne :
a) Mol: voor het ten N. der Schelde-Maasvaart gelegen gedeelte van het arrondissement Turnhout. zoverre het tot de omschrijving ter aflevering der bevoegde inrichting voor krengbenuttiging Deurne behoort. Afleveringskantoor te bevragen bij de plaatselijke Kommandantur.
b) Peer: voor het arrondissement Maaseik, behalve de gemeenten Neerpelt, Overpelt, Lommel, Eksel, Hechtel, Helchteren, Houthalen. Afleveringskantoor te bevragen bij den gemeentesecretaris.

2. Voor de Inrichting voor krengbenuttigiiig St. Pieters Jette: Waver: voor dat gedeelte der arrondissementen Nijvel en Leuven, dat ten 0. van de spoorlijn Charleroi-Ottignies-Waver-Leuven ligt. Onder de op dese spoorlijn liggende plaatsen leveren alleen Limelette, Limai, Bierges, Gastuche, Archennes en Florival aan het verzamelkantoor Waver af. — Afleveringskantoor: Stal voor het afgekeurde in het slachthuis.

3. Voor de Inrichting voor krengbenuttiging Vaux-sous-Chèvremont :
a) Battice: voor het Noordelijk gedeelte van het arrondissement Verviers tot aan den steenweg Herve-Batice-Welkenraed; verder voor de ten Z. van dezen steenweg gelegen gemeenten Grand- Rechain, Petit-Rechain en Chaineux.Afleveringskantoor te bevragen bij de plaatselijke Kommandantur.
b) Pepinster: Voor het middengedeelte van het arrondissements Verviers, ten Z. van de onder a) beschreven verzamelomschrijving Battice tot aan de gemeente Francorchamps (deze inbegrepen). Niet inbegrepen zijn de gemeenten Xhendelesse, Soiron en Olne, welke tot de engere omschrijving voor aflevering der inrichting voor krengbenuttiging Vaux-sous-Chèvremont behoren. Afleveringskantoor te bevragen bij de plaatselijke Kommandantur.
c) Aywaille: voor dat gedeelte der arrondissementen Hoei-Borgworm en Luik, dat ten Z.-O. der spoorlijn Ouffet-Rivage, Sprimont (deze plaatsen inbegrepen) en Louveigné ligt en voor het overblijvend gedeelte van het arrondissement Verviers, behalve de gemeenten Bra en Lierneux, welke tot de engere afleveringsomschrijving der inrichting voor krengbenuttiging Laroche behooren. Afleveringskantoor te bevragen bij de plaatselijke Kommandantur.

4. Voor de Inrichting voor krengbenuttiging Laroche :
Scy voor het gedeelte der boven aangeduide afleveringsomschrijving der inrichting voor krengbenuttiging Laroche, dat ten W. van de rivier Wimbe en den steenweg Villers-sur-Lesse-Haversin- Barvaux-Maffe-Bonsin (deze plaatsen inbegrepen) ligt. Afleveringskantoor te bevragen bij de Rijkswacht te Scy.

5. Voor de Inrichting voor krengbenuttiging Libramont
a) Houdemont voor het arrondissement Arel (Aarlen) uitgenomen de gemeente Martelingen (tot de afleveringsomschrijving Laroche behorend) en de gemeenten Muno, Fontenoille, Chassepierre, Ste. Cécile, Florenville, Lacuisine, Izel, Chiny, Les- Bulles, Jamoigne, Termes en Rossignol, die tot de engere afleveringsomschrijving Libramont behoren. — Afleveringskantoor te bevragen bij den burgemeester.
b) Gedinne, voor bet Zuidelijk gedeelte van het arrondissement Dinant, ten Z. van den steenweg Givet- Beauraing-Pondrome (Beauraing en Pondrome niet inbegrepen) voor de gemeenten Bagimont, Sugny, Pussenmange en voor het ten 0. der spoorlijn Givet-Révin gelegen gedeelte van het kanton Givet. Afleveringskantoor te bevragen bij de plaatselijke kommandantur:

6. Voor de Inrichting voor krengbenuttiging Châtelet Philippeville, voor het gedeelte der arrondissementen Thuin en Philippeville-Givet, dat ten Z. der plaatsen Sivry, Renlies, Vergnies-Erpion, Daussois, Jamiolle, Jamagne, Franchimont, Romedenne en Agimont ligt (al deze plaatsen uitgezonderd). Afleveringskantoor te bevragen bij de plaatselijke Kommandantur.

7. Voor de Inrichting voor krengbenuttiging Blaton : Cuesmes, voor het arrondissement Bergen behalve het gedeelte, dat ten W. der spoorlijn Valencijn- St. Ghislain en St. Gislain, Sirault-Ath ligt.
Brussel, den 2n Mei 1916.

No. 208e

Verordening betreffend de voertaal in de lagere scholen, aangenomen en aanneembare scholen in de gemeenten der taalgrens. Voor de gemeenten der taalgrens wordt, in uitvoering van artikel 20 der organieke wet van 15 Juni 1914 op het lager onderwijs, het volgende beschikt:
Art. 1. Tot de gemeenten der taalgrens behoren de volgende gemeenten:
(Voor de namen zie Duitse tekst hieronder).
I. An der deutsch-wallonischen Sprachgrenze :

1. in der Provinz Luttich:
Andrimont, Anbel mit Ausnahme des Teiles La Clouse, Bilstein, Clermont, Limburg-Dolhain, Thimister.

2. in der Provinz Luxemburg:
Alt-Salm (Vielsalm), Feiteler ohne Wiesenbach und Bôdingen, Holdingen (Halanzy) ohne Bettenhofen und Esch auf «der Hurt, Hollingen (Hollange).

II. An der vlamisch-wallonischen Sprachgrenze :
1 In der Provinz Luttich:
Bernau, Bettenhoven (Bettinoonrt), Bombaye, Borgworm (Waremme), Haccourt, Lixhe, Roost-Kremwik, Visé (Wesent).

2. in der Provinz Limburg:
Bitsingen, Eben-Emaal, Herstappe, Kruisworm (Corswarem), Otringen (Otrange), Kukkelingen op den Jeker, Ter Naaien (Lanaye). Wonk.

3. in der Provinz Brabant:
Bevekom (Beauvechain), Eigen Brakel (Braine-rAlleiid), Kasteel-Brakel (Braine-le-Châteaii), Klabeek (Clabecq), Nethen, Quenast, Rebecq-Rognon, Sinte-Renelde (Saintes), Sluizen (L'Ecluse), Ter Hulpen (La Hulpe). Tweebeek (Tubize), Waterloo, Waver.

4. in der Provinz Hennegau:
Ellezele (Elleselles), Evregnies Lettelingen (Petit-Enghien), Mark, Schalafie (Escanaffles), St. Léger, Steenput (Estaimpuis), Twee Akkers (Acren les deux), Vloesberg (Flobecq), Warcoing, Wattripont.

5. in der Provinz Ostflandern:
Amougies, Orroir, Rozenaken (Russeignies).

6, in der Provinz Westflandern :
Dottenys (Dottignies). Herseeuw (Uerseaux), \ Lowingen (Luiiige), Moescroen (Mouscron) Nederwaasten (Bas-Warneton), Ploegsteert, Waasten (Warneton).

Art. 2. Op de gemeenten, die aan de taalgrens liggen, zijn de bepalingen van de Verordening van 25 Februari 1916 (Wet- en Verordeningsblad nr. 186) van toepassing, met dien verstande, dat op de formulieren (artikelen 1 en 7) aan de Duits-Waalse taalgrens ook de Duitse taal in aanmerking komt en de Iste zin van artikel 15 volgenderwijze luidt:
Eén maand na de afkondiging van deze Verordening zijn voor den eersten (jongsten) jaargang geen tweetalige klassen meer toegelaten; de leerlingen uit zulke, tot nu bestaande klassen, vormen den grondslag voor nieuwe Vlaamse, Franse of Duitse klassen.
Brussel, den 29n April 1916.


No. 208f.
7. MAI 1916,

Verordening *** betreffend werkverschaffing aan werklozen.
§ 1. Werken, die rechtstreeks of onrechtstreeks voor doel hebben, werklozen tegen vergoeding onledig te 212 No. 208.7. MAI 1916, houden (werken voor werklozen) , moeten bij den burgemeester der gemeente, op wier gebied zij ondernomen worden, voor het ten uitvoerleggen aangemeld worden. De burgemeester is verplicht de aanmelding aan den burgerlijke Kommissaris (Zivilkommissar) van het kanton over te maken. De burgerlijke Kommissaris zorgt voor de beslissing van wege den president van het burgerlijk bestuur van de provincie. De uitvoering van werken voor werklozen zonder goedkeuring is verboden. Werken voor werklozen, waarvan de uitvoering bij het van kracht worden dezer Verordening reeds aangevangen werd, moeten ten laatste op 1 Juni 1916 aangemeld zijn.
§ 2. Wie werken voor werklozen, die nog niet goedgekeurd werden, laat uitvoeren of er de uitvoering van bewerkt, wordt met ten hoogste drie jaar gevangenis en met ten hoogste 20.000 mark boete of met één van beide gestraft. De burgemeester die verzuimt de aanmelding bij den burgerlijke Kommissaris te doen of het aanvangen van niet goedgekeurde werken voor werklozen toelaat, ondergaat dezelfde straf.
§ 3. Uitzonderingen op de bepalingen van § 1 worden door den Generalgouverneur toegelaten.
§ 4. Bevoegd zijn de Duitse krijgsrechtbanken en de Duitse krijgsoverheden.
§ 5. Deze Verordening wordt met hare afkondiging van kracht.
Brussel, den 2n Mei 1916.

C. C. /Fa 3248.

No. 209.
10. MAI 1916. Pag. 2105
Verordening over de gerechtelijke bescherming van vreemdelingen.
Art. 1. De Verordening van 25 September 1914 (Wet- en Verordeningsblad nr. 5) is opgeheven. Geen vonnis en geen bevel mag door de Belgische rechtbanken tegen vreemdelingen geveld of verleend worden, die ten gevolge van den oorlog verhinderd zijn hun rechten waar te nemen; deze bepaling is echter op onderdanen van Staten, die met het Duitse Rijk in oorlogstoestand zijn niet van toepassing. Geen Belgische rechtbank mag over eisen of aanzoeken van 't is gelijk welken aard verhandelen of beslissen, die tegen personen, in dienst van het Duitse, Oostenrijk-Hongaarse, Turkse of Bulgaarse leger, ingediend worden. Als in dienst van het Duitse leger staande, worden ook de beambten der Duitse overheid in België aanschouwd.

Art. 2. Personen, die het Engels, Frans of Russisch staatsburgerschap bezitten, evenals rechtspersoonlijkheden, maatschappijen en verenigingen, die in Engeland, Frankrijk of Rusland of in de koloniën dezer Staten gevestigd zijn, kunnen voor Belgische rechtbanken geen aanspraak op vermogensrechtsvorderingen maken, noch tot vrijwaring of doordrijving van zulke aanspraken de hulp van het Belgisch gerechtswezen, inzonderheid van deurwaarders, inroepen. De rechtbanken mogen over zulke schuldvorderingen niet verhandelen of beslissen, en het gerechtswezen mag aan hun vrijwaring of doordrijving de hand niet lenen. De bepaling van § 1 is niet van toepassing op personen, die zich in België blijvend gevestigd hebben, voor zoverre de geldend gemaakte aanspraken uit het regelmatig bedrijf hunner inlandse zaken gesproten zijn. De bepaling van § 1 geldt ook voor de rechtsopvolgers der aldaar vermelde personen, voor zoverre de vorderingen niet voor den 9n Oktober 1915 op hen overgegaan zijn.

Art. 3. De bepalingen van art. 1 en 2 gelden ook voor rechtszaken, die hij een Belgische rechtbank of een gerechtsorgaan reeds aanhangig zijn. In het geval voorzien hij artikel 1 § 3, mogen ook reeds gevelde vonnissen of bevelen van 't zij gelijk welken aard en gebeurlijke andere titels niet meer uitgevoerd worden.

Art. 4. Uitzonderingen op de voorschriften van art. 2 en 3 kan de „Verwaltungschef" hij den Generalgouverneur in België toestaan. De Verwaltungschef hij den Generalgouverneur in België kan, in dringende gevallen, voor het vermogen van een persoon, in dienst van het Duitse leger, zo deze zelf belet is het te beheren, een ambtelijke beheerder aanstellen en dezes bevoegdheden en verplichtingen regelen.

Art. 5. Deze Verordening is alleen binnen het Belgisch gebied des General-Gouvernements in België van toepassing. Zij treedt met den dag harer afkondiging in kracht.
Brussel, den 22n April 1916.

No. 209b
10 mei 1916
Uitvoeringsvoorschriften bij de Verordening van 21 Maart 1916, betreffend de regeling der bierbevoorrading (Wet en Verordeningsblad blz. 1831.) § 1. De onder artikel III der Verordening van 21 Maart 1916 voorziene schattingskommissie bestaat uit:
1. den voorzitter, of zijn plaatsvervanger,
2. een door de Fédération des Brasseurs Belges aan te duiden lid, of dezes plaatsvervanger,
3. een door het Belgisch Brouwerij-Consortium voor te stellen lid, of dezes plaatsvervanger. Voorzitter, leden en hun plaatsvervangers worden door den Verwaltungschef benoemd.
§ 2. De uitspraak der schattingskommissie moet door den voorzitter uitvoerbaar verklaard en met het voorschrift van uitvoerbaarheid voorzien worden, krachtens hetwelk de uitvoering kan geschieden.
§ 3. De schattingskommissie bepaalt naar eigen goedvinden het bedrag der kosten van de rechtspleging. Zij stelt voor hare leden de hun (volgens 2 en 3 van § 1) voor hun bemoeiing, tijdverlies en reiskosten toekomende vergoeding vast met goedkeuring van den „Verwaltungschef" . Evenzo de vergoeding voor getuigen en deskundigen.
Brussel, den 5n Mei 1916.

No. 209c
10 mei 1916

Bekendmaking *** en Verordening betreffend den nieuwen termijn van aangifte van de aardappelvoorraden. Bij Verordening van 26 Februari 1916 (Wet- en Verordeningsblad, bl. 1678) heb ik den bezitters van aardappelen een bijkomende termijn verleend, om hen in de gelegenheid te stellen, de bij Verordening van 5 December 1915 (Wet- en Verordeningsblad, bl. 1405), voorgeschreven aangifte hunner voorraden te doen of de gedane aangifte te verbeteren.
Naar ik verneem, schijnt die kennisgeving in zekere delen van het General-Gouvernement niet alle belanghebbenden te hebben bereikt. Daarom heb ik besloten den bezitters van aardappelen nog een laatsten termijn tot 1 Juni 1916 te verlenen, om hen gelegenheid te geven de vereiste aangifte te doen. Ik meen nu echter ook te mogen verwachten, dat de landbouwers hun plicht tegenover hun landgenoten, inzonderheid tegenover de arme volksklassen en de bevolking van de nijverheidsstreken jullie indachtig zijn, en dat zij de gebeurlijk nog verborgen gehouden voorraden onverwijld, op de bij mijn verordening van 17 Januari 1916 aangeduide wijze, ter beschikking hunner medeburgers zullen stellen.leder, inzonderheid ieder landbouwer en ieder koopman, die, spijts de genadigheid waarvan ik herhaald blijk heb gegeven, aardappelvoorraden niet aangeeft, zal overeenkomstig mijn Verordening van 5 December 1915, met ten hoogste 6 maand gevangenis of met ten hoogste 10.000 mark boete gestraft worden. Ook zullen, zo mogelijk, de niet aangegeven voorraden verbeurd verklaard worden. Ik verorden hetgeen volgt: Verordening. Blijft vrij van de straf onder art. 4 der Verordening van 5 December 1915 (Wet- en Verordeningsblad bl. 1405) bepaald, al wie ten laatste op 1 Juni 1916, vroegere onjuiste of onvolledige aangiften van bij hem in bewaring zijnde aardappelstapels heeft verbeterd. In dit geval worden ook de stapels aardappelen, die vroeger niet aangegeven werden, niet verbeurd verklaard. De nieuwe, volledige aangifte moet bij de overheid der gemeente gedaan worden, in wier omschrijving de aardappelen voorhanden zijn.
Brussel, den 6n Mei 1916
.
No. 209d
10 mei 1916
K. V. S. 3872.
VERORDNUNG.
Bij besluit van 5 Mei 1916 werd de Maatschappij voor gemeentelijk krediet gemachtigd voor rekening van verschillende besturen een lening van 30 miljoen
frank) (30.000.000 frank) tegen 4 % aantegaan; zij heeft die zelve onderschreven met benuttiging van haar stam- en steunkapitaal.

No. 210a.
12. MAI 1916.
Verordening betreffend de voertaal in de lagere gemeentescholen, aangenomen en aanneembare scholen van het Walenland.
Voor het Walenland wordt, in uitvoering van art. 20 der organieke wet van 15 Juni 1914 op het lager onderwijs, het volgende beschikt:

Art. 1. Tot het Walenland in den zin van deze Verordening behoren alle zulke gemeenten, voor dewelke het gebruik der voertaal nog niet bij Verordening van 25 Februari 1916 (Wet- en Verordeningsblad nr. 186) en de daarbij uitgevaardigde uitvoeringsbepalingen van 18 Maart 1916 (Wet- en Verordeningsblad nr. 192) en bij de Verordeningen van 22 April 1916 (Weten Verordeningsblad nr. 206) en van 29 April 1916 (Wet en Verordeningsblad nr. 208) geregeld werd.

Art. 2. In het Walenland geldt de Franse taal als moedertaal der kinderen, zoo niet het gezinshoofd in een bijzondere, bij het aangeven van het kind overgelegde schriftelijke verklaring, eene andere taal als moeder- of omgangstaal van het kind aangeeft. Deze verklaring moet voor den helen duur van 's kinds schoolplicht in het schoolarchief bewaard worden.

Art.3. De gebeurlijke verklaring van het gezin hoofd wordt door het schoolhoofd getoetst, om te zien of het kind in staat is, in de aangegeven taal met vrucht de lessen te volgen. Dit onderzoek moet steunen op de afstamming van het kind, de omgangstaal zijner naaste omgeving en inzonderheid de kennissen van het kind zelf. Beslist het schoolhoofd, dat het kind niet in staat is, in de aangegeven taal met vrucht de lessen te volgen, zoo moet hij deze beslissing op de verklaring van het gezinshoofd neerschrijven, dit zonder verwijl het gezinshoofd mededelen, en er op wijzen dat het hem, overeenkomstig art. 20 der wet, vrijstaat hij het schooltoezicht in beroep te komen; deze beslissing moet eveneens op de verklaring van het gezinshoofd worden aangetekend.

Art. 4. Nadere voorschriften betreffende de wijze waarop de nauwgezetheid van het onderzoek en de juistheid der beslissing van het schoolhoofd (art. 3) door het schooltoezicht zullen verzekerd en nagegaan worden, blijven voorbehouden.

Art. 5. Is de voertaal voor een kind overeenkomstig vorenstaande voorschriften vastgesteld, dan blijft deze bepaling zoo lang van kracht, als het kind een der in het opschrift dezer Verordening opgesomde scholen bezoekt. \

Art. 6. Wordt een school door kinderen met verschillende moedertaal bezocht, zoo wordt het onderwijs in de taal van de meerderheid der leerlingen gegeven. Het is verboden klassen of afdelingen met dubbele voertaal in te richten. Evenwel zal gezorgd worden, dat, wanneer in enen jaargang ten minste 20 leerlingen zijn, wier moedertaal niet de voertaal is, voor deze ene eigene Masse ingericht wordt. De ondersteuning door den staat geschiedt volgens de voorschriften van het besluit van

Art. 7. Zijn er in een school kinderen met verschillende moedertaal, zoo zal het schoolhoofd kort na aanvang van het schooljaar, den kantonnale schoolopziener kennis geven van het aantal kinderen, die in elke jaargang zitten en welke bijzondere klassen en afdelingen voor hen ingericht werden.

Art. 8. Aan het onderwijs in de moedertaal moeten ten minste worden besteed:
In den eersten graad 6
„ „ tweeden „ 5
„ „ derden „ 4
„ „ vierden „ 4 voile schooluren per week.

Art. 9. Het blijft de gemeente of het schoolbestuur vrij, een of meer talen als vrij leervak in het leerplan opnemen. Opdat hierdoor echter het grondig aanleren der moedertaal niet geschaad worde, mag voorshands met dit onderwijs niet voor het 6de schooljaar worden aangevangen en mogen er niet meer dan drie volle of zes halve uren wekelijks aan besteed worden; ook mag een leerling slechts het onderwijs in één enkele andere taal volgen.

Art. 10. Geen onderwijzer mag in ene klas onderwijs geven, indien hij de daarvoor vastgestelde voertaal niet volkomen machtig is.

Art. 11. Geen onderwijzer mag, behalve hij het onder art. 6 en 9 voorzien onderwijs, de leerlingen in het vrij gebruik der moedertaal beperken.

Art. 12. Handhoeken en leermiddelen voor de afzonderlijke vakken, moeten in de taal opgesteld zijn, die voor dit vak als voertaal voorgeschreven werd. Voor diplomas en getuigschriften moet de voertaal der klas worden gebruikt, waartoe de leerling behoort. Hetzelfde geldt voor de bekendmakingen van het schoolbestuur en de schriftelijke mededeelingen aan de ouders der leerlingen.

Art. 13. Worden vorenstaande bepalingen of de op grond ervan genomen schikkingen van het schooltoezicht of van het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten niet nageleefd, zoo loopt de gemeente of het schoolbestuur gevaar, dat hun de staatsondersteuning geheel of gedeeltelijk onttrokken wordt.

Art. 14. De voorschriften dezer Verordening worden voor heide jongste jaargangen twee weken na de afkondiging, voor het overige met aanvang van het schooljaar
1916/17 van kracht.
Brussel, den 30n April 1916.


No. 210b.
12. MAI 1916. 237
Verordening over het heffen van rechten bij het verlenen van invoer- en uitvoertoelatingen.
Art. 1. Voor het verlenen van invoer- en uitvoertoelatingen (Verordeningen van 1 Maart 1916 over den invoer van goederen en van 15 April 1916 over den uitvoer van goederen, Wet- en Verordeningsblad blz. 1737 en 1969), moet een recht van 1 % van de in de aanvraag aan gegeven waarde worden betaald.
Aanvragen voor een bedrag van beneden 100 frank komen voor dit recht niet in aanmerking. Bij aanvragen voor een bedrag van 1000 frank en meer wordt elke breuk van 100 frank vol berekend.
Art. 2. Het recht is te betalen voordat de toelating verleend wordt.
Art. 3. Uitzonderingen op dese Verordening kan de „Verwaltungschef' bij den General-Gouverneur (Afdeling voor Handel en Nijverheid) toestaan.
Brussel, den 2n Mei 1916.

No. 210b.
12. MAI 1916
De dit jaar te houden verkiezingen voor leden der handelsrechtbanken zullen niet plaats hebben. De mandaten van de leden der handelsrechtbanken die in het jaar 1916 aflopen, worden voorshands verlengd.
Brussel, den 6n Met 1916.

No. 211
.15. MAI 1916. (Nihil).

No. 212a.
18. MAI 1916. Pag. 2133
Verordening betreffend het vermogen van onderdanen van vijandelijke staten.

Art. 1. Het in België voorhanden vermogen van personen, die tot enen vijandelijke staat behoren, kan, ongeminderd verderstrekkende schikkingen der krijgsbevelhebbers, enkel met goedkeuring van den Kommissaris-generaal voor de banken in België vervreemd, afgestaan of belast worden. Hiermede in strijd zijnde besluiten, die na het in kracht treden dezer Verordening genomen worden, zijn nietig; vroeger. doch na den 9en Oktober 1915 genomen besluiten kunnen door den Kommissaris-generaal voor de banken ongeldig verklaard worden, indien zij genomen werden om vermogens aan de toepassing dezer Verordening te onttrekken. Tot het in België voorhanden vermogen in den zin dezer Verordening behoren inzonderheid ook aandelen in een onderneming, die in België haren zetel heeft, evenals vermogensrechtelijke schuldvorderingen aller aard, indien zij gericht zijn tegen personen die in België woonachtig of gevestigd zijn. Ongeroerd blijft de aannemelijkheid der uitvoering van een voor den 9n Oktober 1916 verworven pand- of retentierecht.

Art. 2. De onder art. 1 aangeduide beperkingen gelden niet voor besluiten, die in een regelmatig handelsnijverheids-, land- of bosbouwbedrijf of ter voorziening in de dagelijkse levensbehoeften genomen worden, zoverre het een rechtszaak onder personen betreft, die in België aanhoudend verblijven. Die onder art. 1 aangeduide beperkingen gelden verder niet voor het onder een toezicht of beheer in den zin der Verordeningen van 26 November 1914 en 17 Februari 1915 (in de bewoording van 18 Februari 1916) staande vermogen, zoverre de besluiten met goedkeuring van den toezichter of van den dwangbeheerder genomen worden.

Art. 3. Het is verboden, zonder goedkeuring van den Kommissaris-generaal voor de banken in België, zaken, aan onderdanen van vijandelijke staten toebehorende, inzonderheid waardepapieren, rechtstreeks of onrechtstreeks naar het buitenland te brengen, voor zoverre het niet het meenemen van reisgoed geldt. De Kommissaris-generaal voor de banken kan in nadere bepalingen aangeven wat onder reisgoed moet worden verstaan.

Art. 4. De verderstrekkende voorschriften der Verordeningen betreffend de betalingsverboden tegenover Engeland en Frankrijk, Rusland en Finland van 3 November en 28 November 1914 in de bewoording der Verordening van 12 Augustus 1915 (Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België nrs. 10, 17 en 109), evenals het betalingsverbod tegenover Egypte en Frans-Marokko van 29 Oktober 1915 (Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België nr. 136) blijven ongeroerd.

Art. 5. Als vijandelijke staten in den zin dezer Verordening gelden Groot-Brittannië en Ierland, Frankrijk, Rusland, Finland en Portugal, de koloniën; beschermgebieden en buitenlandse bezittingen dezer staten, evenals het Britse bezettingsgebied in Egypte en de onder Franse beschermheerschappij staande gewesten van Marokko. Met personen tot vijandelijke staten behorend staan gelijk de Belgische staatsburgers, die
1. na het uitbreken van den oorlog België vrijwillig hebben verlaten en zich buiten het Duitse Rijk of België bevinden, of
2. in vijandelijke staten wonen of verblijven, tenzij het militairen of staatsbeambten betreft, die ten gevolge van hun dienst gedwongen werden België te verlaten.

Art. 6. Met onderdanen van vijandelijke staten staan gelijk in den zin dezer Verordening de vijandelijke staten zelf, evenals privaat- of openbare rechtspersoonlijkheden, maatschappijen en verenigingen allerhand, die in de vijandelijke staten hun zetel hebben, tenzij geen der houders van de onderneming onderdaan van een vijandelijke staat is. Met onderdanen van vijandelijke staten staat verder gelijk, elke in het niet-vijandelijke buitenland gevestigde onderneming, wier gezamenlijke eigenaars onderdanen zijn van vijandelijke staten.

Art. 7, Met ten hoogste vijf jaar gevangenis en met ten hoogste honderd duizend mark, of met een van beide wordt gestraft, al wie de bepalingen onder art. 1, 2 of S dezer Verordening overtreedt, of aan een overtreding deelneemt. De poging tot overtreding is strafbaar.' Bevoegd zijn de krijgsbevelhebbers en krijgsrechtbanken.

Art. 8. De Kommissaris-generaal voor de banken in België wordt met de uitvoering dezer Verordening belast.

Art. 9. Deze Verordening is alleen voor het Belgisch gebied des General-Gouvernement in België van toepassing. Zij wordt den dag harer afkondiging, de bepaling onder art. 3 echter eerst den tweeden dag na de afkondiging van kracht. Brussel, den 5n Mei 1916.

Uitvoeringsbepaling betreffend reisgoed.
Op grond van art. 3 en 8 der Verordening van 5 Mei 1916 over het vermogen van onderdanen van vijandelijke staten, bepaal ik het volgende:
Enig artikel. Onder reisgoed moet worden verstaan: allerhande gebruiksvoorwerpen, die reizigers tot persoonlijk gerief of tot het uitoefenen van hun beroep op reis bij zich hebben, of die hun te dien einde vooruit of nagezonden worden.
Brussel, den 6n. Mei 1916,

No. 212b
18. MAI 1916.
VERORDENING.
De Verordening van 17 November 1915 (afgekondigd in het Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken in België nr. l14 van 24 November 1915) is ook de voor den 24 November 1915 afgelegde verplichtingen en borgstellingen van toepassing, zoverre de aanvragen om vrijstelling van het stempelrecht voor den In Augustus 1915 gedaan werden. Reeds betaalde stempelrechten kunnen teruggegeven worden.
Brussel, den 9n Met 1916.

No. 212c.
18. MAI 1916. 251
Verordening *** betreffend verhoging van de postrechten voor brieven en postkaarten. Voor gewone, aan het posttarief onderworpen brieven en postkaarten, binnen het gebied van het Generaal-Gouvernement op de post besteld en bestemd voor plaatsen binnen het gebied van het Generaal-Gouvernement, zullen van 1 Juni 1916 af de tot dusver geheven rechten door de volgende vervangen worden:
Brieven (ook briefkaarten) tot 20 gr. . 15 centiem.
voor elke bijkomende 20 gr. 10 centiem.
Postkaarten, gewone 8 centiem.
met antwoordkaart . . . 16 centiem.
Voor aangetekende brieven en postkaarten komt daarbij nog een aantekenrecht van 25 centiem.
De bestemmeling moet voor onvoldoend of niet gefrankeerde brieven en postkaarten het dubbele betalen van het ontbrekend frankeerbedrag, gebeurlijk met opwaartse afronding tot den halven deciem.
Brussel, den l0n Mei 1916.
No. 212d
18. MAI 1916.
Verordening Enig artikel.
De Verordening van 19 December 1915 (Wet- en verordeningsblad), betreffend de regeling van den verkoop van slachtzwijnen en zwijnenvlees evenals de Verordening van 22. 2. 1916 betreffend wijziging en aanvulling der Verordening van 19. 12. 1915 betreffend de regeling van den verkoop van slachtzwijnen en zwijnenvlees (Wet- en Verordeningsblad bis. 1662) worden opgeheven.
Brussel, den l0n Mei 1916.
No. 212e
18. MAI 1916.

Verordening betreffend verbod van betaling tegenover Portugal.
Enig artikel.
De bepalingen der Verordening van 3 November 1914 „betrekkelijk verbod van betaling tegen Engeland en Frankrijk", in de bewoording der Verordening van 12 Augustus 1915 (Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, nrs. 10 en 109) worden, bij wijze van vergelding ook toepasselijk verklaard op\ Portugal, zijn koloniën en buitenlandse bezittingen.
De toepassing is aan volgende beperkingen onderworpen:
1) Voor de vraag, of het verbod van betaling en de schorsing tegen den overnemer geldt of niet (artikel 2, 2e alinea der Verordening), komt niet in aanmerking de woonplaats of de zetel des ondernemers, maar enkel of de overdraging na of voor den 9n Maart 1916 plaats gehad heeft.
2) De aanduidingen omtrent de tijdsbepaling van het in kracht treden der Verordening van 3 November 1914, worden vervangen door de tijdsbepaling van het inwerking treden dezer Verordening.
Brussel, den 16n Mei 1916.B. A. 2003 A.

No. 213a.
20. MAI 1916. Pag. 2145
BESLUIT waarbij de wetgeving in zake rechtstreekse belastingen wordt gewijzigd.
De wetgeving in zake rechtstreekse belastingen wordt gewijzigd als volgt:

I. Grondbelasting.

Artikel 1.
§ 1. De onbebouwde gronden, bedoeld hij artikel 65 der wet van 3 Frimaire jaar VII, welke in bebouwbare gronden, in weiden, in bossen zijn omgezet, of anders in waarde zijn gebracht, alsmede de andere ongebouwde eigendommen, welke enigerlei verandering van aard hebben ondergaan, zijn, op grond van hun nieuwen aard, met ingang van In Januari van het tweede jaar volgende op dat hunner verandering, in de grondbelasting aan te slaan. De schatting dier onroerende goederen wordt gedaan met inachtneming der schatting van de eigendommen van zelfden aard en met gelijksoortige opbrengst.

§ 2. De eigenaars, bezitters, vruchtgebruikers of erfpachters van onder § 1 bedoelde veranderde ongebouwde eigendommen zijn, onder verbeurte der boete waarmede artikel 4 der wet van 5 Juli 1871 bedreigt, gehouden, bij den ontvanger der belastingen van het gebied, aangifte te doen van de ligging, de grootte en den nieuwen aard dier erven, alsmede van de dagtekening hunner verandering. Gemelde aangifte moet binnen de zes maanden na de verandering of de wijziging van aard worden gedaan.

§ 3. Wordt opgeheven, de vrijstelling van grondbelasting welke gedurende vijftien jaar wordt verleend voor alle gebouwen en woningen gesticht op aan de gemeenten toebehorende of toebehoord hebbende braakgronden. Die bouwwerken zijn, gelijk de andere gebouwde eigendommen, belastbaar met ingang van In Januari van het tweede jaar volgende op dat hunner ingebruikneming.

Artikel 2.
§ 1. De eigenaars, bezitters, vruchtgebruikers of erfpachters van onroerende goederen gelegen in een of meer gemeenten en waarvan het totale bedrag der kadastrale inkomsten op In Januari van het jaar van aanslag ten minste 2.000 frank is, worden over die inkomsten aan een bijkomende grondbelasting onderworpen, waarvan de percentagevoet op het tweeduizendste van het totaal gesteld is, zonder dat gemelde voet zes mag te boven gaan.

§ 2. De inschrijving in de kohieren der grondbelasting of in den kadastrale legger heeft ten gevolge dat de bijbelasting te voldoen is; deze is verschuldigd zelfs ingeval van onverdeeldheid en over het totale bedrag van de kadastrale inkomsten der onroerende goederen. De in den loop van het jaar opkomende wijzigingen doen slechts voor het volgende jaar hun uitwerking gevoelen.

§ 3. De Staat, de provinciën, de gemeenten en de openbare inrichtingen worden van de bijbelasting vrijgesteld.

§ 4. De bijbelasting wordt geregeld in de gemeente van de woonplaats der belastingplichtigen of, indien deze niet metterwoon in België gevestigd zijn, in de gemeente waar de kadastrale waarde hunner goederen het hoogste is. Gemelde bijbelasting mag, geheel noch gedeeltelijk, ten laste der pachters of huurders worden gelegd, niettegenstaande alle hiermede tegenstrijdig beding, welke ook de dagtekening daarvan zij. Op die bijbelasting mogen geen provincie- of gemeenteopcentiemen, noch op dezelfde grondslag een verwante taxe worden gelegd. Voor het overige wordt de bijbelasting geheel en al met de grondbelasting gelijkgesteld.

§ 5. Mits voor de afsluiting van het dienstjaar, waarover de bijbelasting is verschuldigd, daartoe het verzoek wordt gedaan, mag de bestuurder der belastingen een verlaging van die bijbelasting verlenen in verhouding tot de verliezen van inkomsten welke de schatplichtigen gedurende het jaar van den aanslag hebben geleden, en welke tot een kwijtschelding of verlaging der grondbelasting aanleiding hebben gegeven.

II. Patentrecht.

Artikel 3.
§ 1. De landhouwers warmoezeniers, bloemen- of hoofkwekers, wijngaardeniers, fokkers en alle andere landhouwexploitanten worden in de tabel nr. 3 gevoegd hij de wet van 21 Mei 1819 ingedeeld, en, in de gemeente van hun hoofdinrichting , aan het patentrecht onderworpen op voet van 4 ten honderd der werkelijke of vermoede huurwaarde van de onroerende goederen welke zij exploiteren. De maatstaf van het recht wordt op 5 ten honderd gebracht wanneer deze huurwaarde ten minste 1500 frank bereikt.

§ 2. Door werkelijke huurwaarde wordt verstaan de jaarlijkse huur of pacht, door een ah normaal erkende huurceel vastgesteld, des voorkomend verhoogd met de lasten welke door den huurder of pachter, ter ontlasting van den eigenaar, gedragen worden. De vermoede huurwaarde der onverhuurde of abnormaal verhuurde onroerende goederen wordt geschat met inachtneming van de werkelijke huur der eigendommen van gelijken aard en met gelijksoortige opbrengst.

§ 3. De onder § 1 aangewezen patentplichtigen zijn gehouden in hun jaarlijkse aangifte te vermelden den naam van den eigenaar, de ligging, de grootte en de werkelijke of vermoedelijke huurwaarde van de door hen geëxploiteerde onroerende goederen.

Artikel 4.
§ 1. De patentplichtigen van wie de in een of meer gemeenten behaalde of verkregen beroepswinsten,- wedden of -verdiensten in hun geheel ten minste 10.000 frank per jaar bereiken, worden over deze inkomsten belast op grond van een percentagevoet bepaald op het tienduizendste van het totaal, zonder dat gemelde voet 5 mag te boven gaan. Deze bepalingen zijn insgelijks van toepassing wanneer de inkomsten voortvloeiende uit meerdere beroepen, nijverheids- of handelsbedrijven, ambachten of neringen, voor een jaar tezamen 10.000 frank bereiken of overtreffen.

§ 2. De hierboven onder §, 1 voorziene belasting is gevestigd op de vastgestelde of vermoede beroepswinsten van het vorige jaar of van het in dat jaar afgesloten maatschappelijk hoekjaar. Nochtans wordt, voor de nieuwe patentplichtigen, rekening gehouden van de inkomsten verkregen in den loop van het eerste jaar; voor degenen die hun zaken laten varen en wier inkomsten over het laatste jaar hoger zijn dan die van het vorige jaar, wordt op de volgens laatstbedoelde inkomsten geregelde belasting een bijbelasting derwijze gevestigd, dat de gehele aanslag geëvenredigd zij aan de inkomsten over het jaar der staking van de zaken.

§ 3. Door inkomsten, in het patentrecht aan te slaan, wordt verstaan het overschot der ruwe ontvangsten, met inbegrip der winsten van speculaties, in aftrek der beroepskosten en lasten waarvan de uitgaven welke een persoonlijke aard hebben uitgesloten zijn.

§ 4. Wat de patentplichtigen betreft, welke in meerdere gemeenten hun bedrijf uitoefenen of inrichtingen bezitten, wordt de aanslag vastgesteld in de gemeente hunner hoofdinrichting. De opcentiemen worden toegepast als in zake taxe op de werkelijke inkomsten .en winsten (wet van In September 1913), naar verhouding van de in elke provincie of elke gemeente behaalde winsten, wedden of voordelen.

§ 5. De patentplichtigen, welke onder toepassing van § 1 vallen, zijn gehouden, aan den ontvanger der belastingen hunner hoofdinrichting, jaarlijks aangifte te doen van de ligging en den aard van hun inrichtingen, alsmede van het bedrag der winsten, wedden of voordelen in elke dezer behaald. De aan het patentrecht onderworpen vennootschappen voegen hij deze aangifte een gewaarmerkt afschrift van hun balans en winst- en verliesrekening.

§ 6. De bepalingen van § 1 zijn toepasselijk welke ook de huidige wijze van aanslag zij. Nochtans, blijven de bankiers, welker jaarlijkse winsten minder dan 35.000 frank bedragen, aan het hij art. 19 der wet van 1 September 1913 ingevoerde bijzondere stelsel onderworpen.

§ 7. Ingeval van bedrog in de aangifte is als boete, behalve de belasting, een som gelijk aan het drievoudig bedrag dezer belasting verschuldigd.

§ 8. Voor zover bij dit besluit daarvan niet wordt afgeweken, zijn de bepalingen betreffende het patentrecht op de onder § 1 aangewezen patentplichtigen toepasselijk.

III. Taxe op de werkelijke inkomsten en winsten.

Artikel 5.
Het bedrag van de taxe op de werkelijke inkomsten en winsten (wet van 1 September 1913 wordt, wat betreft de interesten der obligaties en de premiën of loten aan de obligatiehouders toegekend, van 4 op 6 ten honderd gebracht.

Artikel 6.
§ 1. De beheerders, Commissarissen en vereffenaars van vennootschappen op aandelen die, over een staatsfinanciën-dienstjaar, belast werden op grond van wedden waarvan het totaal ten minste 20.000 frank beloopt, zijn, voor, het volgende dienstjaar, een bijtax verschuldigd gevestigd op die gezamenlijke wedden, en waarvan de percentagevoet wordt gesteld op het twintigduizendste van het totaal, zonder 5 te mogen overtreffen, Deze bepaling is insgelijks toepasselijk op de gouverneurs, bestuurders, censoren of anderen, welke betrekkingen overeenkomende met die van beheerders, Commissarissen en vereffenaars waarnemen.

§ 2. De bijtax wordt geregeld in de gemeente van de woonplaats der belastingplichtigen of, indien dese niet metterwoon in België gevestigd zijn, in de gemeente waar het bedrag hunner wedden het hoogste ?s; gemelde bijtax mag, geheel noch gedeeltelijk, ten laste der vennootschappen worden gelegd. Op die bijtax mogen geen provincie- of gemeenteopcentiemen, noch op dezelfde grondslag een verwante taxe worden gevestigd. Voor het overige wordt de bijtax geheel en al met de taxe op de werkelijke inkomsten en winsten gelijkgesteld.

Artikel 7.
Met wijziging in het Se lid van artikel 18 der wet van 1 September 1913 en in de reglementaire bepalingen aangenomen door de provincie- en gemeenteraden om de toepassing er van te verzekeren, mogen de opcentiemen betreffende de taxe op de werkelijke inkomsten en winsten niet van rechtswege voor de dienstjaren 1915 en 1916 verhoogd worden; echter, die waarvan het bedrag minder dan 50 is, mogen automatisch tot op dese grens opgevoerd worden indien de desbetreffende reglementen dezen maatregel voorzien,

IV. Bepalingen tot verzekering van de invordering der belastingen.

Artikel 8.
De ministeriële beambten belast met de verkoping van meubelen of van onroerende goederen mogen de opbrengst daarvan niet uit handen geven dan na aftrek van de nog onafbetaalde rechtstreekse belastingen waarvoor de verkochte goederen tot waarborg dienen; bij voorkomend geval, zijn zij tot beloop van gemelde opbrengst persoonlijk aansprakelijk voor de betaling van de nog verschuldigde lasten.

V. Inwerkingstelling van het besluit.
Overgangsbepalingen.

Artikel 9.
§ 1. De eerste belastingen, voortvloeiende uit de artikelen 1 tot 6, worden voor het jaar 1916 vastgesteld. Editer artikel 1, §§ 1 en 2, wordt voor dat jaar slechts toegepast met betrekking tot de onbebouwde gronden waarvan de verandering van voor 1 Januari 1915 dagteekent; deze eigendommen worden voor 1916 aangeslagen volgens het minimum kadastraal inkomen der eigendommen van hun nieuwen aard.

§ 2. De reeds gevestigde aanslagen in zake grondbelasting en patentrecht worden overeenkomstig de bepalingen van § 1 verbeterd of aangevuld.

§ 3. De bepaling van art. 5 is niet toepasselijk op de daarin bedoelde inkomsten vervallen voor de inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel 10.
§ 1. De hij § 2 van artikel 1 voorgeschreven aangifte moet voor 1 Juli 1916 worden gedaan ten opzichten der voor In Januari 1916 veranderde onroerende goederen, welke uit dien hoofde voor het lopende jaar niet mochten aangeslagen zijn.

§ 2. Onder verbeurte der boete waarmede artikel 37 der wet van 21 Mei 1819 bedreigt, moeten de hij § 3 van artikel 3 en bij § 5 van artikel 4 voorgeschreven aangiften, wat betreft 1916, voor aanstaanden 1 Juli worden gedaan.

Artikel 11.
§ 1. De ten bate van den Staat gevestigde 20 opcentiemen op het patentrecht worden, met ingang van het jaar 1916, ten laste van de onder artikelen 3 en 4 aangewezen schatplichtigen geheven op grond van de in overeenkomst met die bepalingen te regelen aanslagen.

§ 2. De provincie- en gemeenteopcentiemen, die voor het jaar 1916 op de hoofdsom van de thans bestaande grond- en patentbelastingen gevestigd zijn, worden, met ingang van 1916, volgens den goedgekeurden percentagevoet, ten laste van de onder artikelen 1, 3 en A aangewezen schatplichtigen geheven op grond van de in overeenkomst met die bepalingen te regelen aanslagen. Echter worden de gemeenteopcentiemen slechts op die wijze en tegen dien percentagevoet geheven dan bijaldien de gemeenten daaromtrent niet anders beslissen.

§ 3. Indien de onder voorgaande § 2 bedoelde provincieopcentiemen onvoldoende zijn om het tekort te dekken, dat in de begrotingsontwerpen der provinciën voor 1916 voorkomt, worden de provincieopcentiemen op de in artikelen 3 en 4 van dit besluit aangeduide patentrechten door den provincialen bestuurder der belastingen van ambtswege zoo verhoogd, dat de opbrengst van het gezamenlijke der opcentiemen, in elke provincie, het bedrag bereikt, hetwelk de belastingen moesten opbrengen, die door de provincieraden op 4 en 5 Januari 1916 werden aangenomen, doch niet goedgekeurd zijn. Die opcentiemen vervangen gemelde belastingen. Desgevallende, worden aanvullende aanslagen tot het vereiste beloop gevestigd.

VI. Vervallen bepalingen.
Artikel 12.
Worden afgeschaft:
1°) Artikelen 111 tot 118 der wet van 3 Frimaire jaar VII, en artikelen 12 en 13 dergene van 25 Maart 1847;
2°) Litt. 1 en p van artikel 3 der wet van 21 Mei 1819 en laatste lid van § 1 der bij die wet gevoegde tabel nr. 15.
Brussel, den 18n Mei 1916.
No. 213b
20. MAI 1916. 285
In aansluiting aan mijne Verordeningen van 2 Februari 1916 CC. V. 990 en van 8 April 1916 CC. V. 3200 (Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België blz. 1570 en blz. 1919), verorden ik hierbij, betreffend de nog niet goedgekeurde besluiten van 4/5 Januari 1916 van de provincieraden der provinciën binnen het gebied van het General-Gouvernement, wat volgt:
1. Worden goedgekeurd:
a) alle besluiten der provincieraden over wijziging en aanvulling der provinciebegrotingen uit de afgelopen rekeningsjaren, evenals over bekrachtiging van de door de bestendige afvaardigingen der provincieraden bij het beheer dezer begrotingen genomen maatregelen.
b) het besluit van den provincieraad der provincie Antwerpen over het aangaan een lening ten bedrage van 1.000.000 frank (artikel 27 der provinciebegroting voor 1916 van titel I).
c) het besluit van den provincieraad der provincie Brabant over wijziging van de bepalingen betreffend den grondslag en het heffen der hondenbelasting,
d) het besluit van den provincieraad der provincie Limburg over het aangaan een lening van 700.000 frank.
Voor zover in het hiervorenstaande het heffen van belastingen en het aangaan van leningen goedgekeurd wordt, worden ook de hierop betrekking hebbende inkomstenartikelen der provinciebegrotingen voor 1916 goedgekeurd. Wordt eveneens goedgekeurd het inkomstenartikel in de provinciebegroting voor 1916 der provincie Henegouwen, dat betrekking heeft op de provincielening van 850,000 frank, goedgekeurd bij mijne Verordening van 8 April 1916, (Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België blz. 1919).
De hiervoren verleende goedkeuring tot het heffen van belastingen is alleen geldig tot 31 December 1916.
2. De goedkeuring van alle onder 1 niet vermelde besluiten der provincieraden binnen het gebied van het General-Gouvernement over het invoeren en heffen van nieuwe belastingen, evenals van alle hierop betrekking hebbende inkomstenartikelen der provinciebegrotingen wordt geweigerd. De hieruit voortvloeiende tekorten in de begrotingen der provinciën worden overeenkomstig artikel 11 § 3 der Verordening betreffend wijziging van wetten over rechtstreekse belastingen van den huidige dag gedekt. Het opnemen van de overeenkomstig deze bepaling aan de provinciën verschafte inkomsten, in de provinciebegrotingen onder den vorm der bijgevoegde vaststelling van aanvullingsartikelen der begroting, wordt aan de provincieraden voor aanstaanden zittijd overgelaten. Brussel, den 18n Met 1916.

No. 213c
15 mei 1916.
Verordening *** tegen de (vrijwillige) werkeloosheid. Onder opheffing der met gelijkluidende titel verschenen Verordening van 15 Augustus 1915 (Wet- en Verordeningsblad nr. 108, hls. 889), verorden ik wat volgt:

Art. 1. Wie bij navorsingen, die tot doel hebben zijn behoeftigheid vast te stellen, over zijn persoonlijke toestand wetens en willens of uit nalatigheid valse aangiften doet, wordt, bijaldien de bestaande wetten geen hogere straf bepalen, met ten hoogste zes weken gevangenis gestraft; daarbij kan nog tot 1000 mark boete uitgesproken worden.

Art. 2. Wie een werk, dat hem aangeboden wordt en met zijn bekwaamheid overeenkomt, zonder voldoende reden weigert te aanvaarden of voort te zetten, ofschoon hij uit openbare of bijzondere middelen ondersteund of door zijn weigering behoeftig wordt, wordt met veertien dagen tot één jaar gevangenis gestraft. Als voldoende moet inzonderheid elke op het volkenrecht steunende grond worden beschouwd. In plaats van strafrechtelijk vervolgd, kan hij bij dwangbevel der Gouverneurs en met dezelfde rechten beklede bevelhebbers, evenals der Kreischefs, ter werkplaats gebracht worden.

Art. 3. Wie een volgens artikel 2 strafbare weigering tot werken door het verlenen van onderstand of op andere wijze wetens en willens in de hand werkt, wordt met ten hoogste 10.000 mark boete gestraft, waarbij nog gevangenis van ten hoogste 2 jaar kan uitgesproken worden.

Art. 4. Werken gemeenten, maatschappijen of andere inrichtingen de weigering tot werken volgens artikel 3 in de hand, zo wordt de straf tegen de leidende personen uitgesproken.

Art. 5. Geldsommen, waarvan bewezen is, dat zij tot onderstand der onder artikel 2 vermelde personen weten dienen, worden ten bate van het Belgisch Rode Kruis verbeurd verklaard.

Art. 6. De krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers zijn bevoegd bij overtredingen van artikelen 2—i der Verordening en bij die overtredingen van artikel 1 der Verordening, die begaan worden tegenover Duitse overheden of troepen en tegenover door mij aangestelde overheden of verenigingen. De strafkamers der Belgische rechtbanken van In aanleg zijn bevoegd in die gevallen van overtreding van artikel 1 der Verordening, welke volgens voorgaand lid niet tot de bevoegdheid behoren van de krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers.
Brussel, den 15n Mei 1916.
No. 213d
20. MAI 1916
Verordening *** betreffend den aankoop van de nog voorhanden stapels koren en meel uit het oogstjaar 1915 en uit vroegere jaren.

§ 1. Alle landbouwers moeten hun koren ten laatste op 1 Juni a. s. gedorst hebben en het ter beschikking houden van de opkopers van het Nationaal Komiteit.

§ 2. Het Nationaal Komiteit is gehouden, al het koren en het meel uit den oogst van 1915 en uit vroegere oogstjaren, dat zich in handen der landbouwers bevindt, voorzover het niet voor eigen gebruik en als voederkoren afgestaan werd, ten laatste op 1 Juli a.s. op te kopen, het naar de bergplaatsen en molens te vervoeren en het op te stapelen. Waar de aankoop door het Nationaal Komiteit ten laatste op 1 Juli a. s. niet gedaan werd, moeten de eigenaars, al de voormelde stapels, die nog in hun handen zijn, ten laatste op 10 Juli a. s. door den burgemeester hunner gemeente bij de bevoegde Provinciale Oogstkommissie (Provincial Ernte Kommission) aangeven.

§ 3. Het Nationaal Komiteit heeft het recht, de tot 1 Juli a. s. hij de landbouwers opgekochte stapels in beslag genomen koren en meel, voor zover het deze niet bijtijds vervoeren kan naar stapelplaatsen, die aan de Provinciale Oogstkommissies bekend zijn, in voorlopige, onder het toezicht van een vertrouwbaren persoon te stellen tussenstapelplaatsen neer te leggen, die aan de Provinciale Oogstkommissie met den naam van den houder der tussenstapelplaats moeten bekendgemaakt worden.

§ 4. Het Nationaal Komiteit is gehouden alle aanlopen aan koren en meel, dat in tussenstapelplaatsen neergelegd wordt, volgens aard en hoeveelheid aan de Provinciale Oogstkommissies op dezelfde wijze aan te geven, als tot dusver voor de koreninkopen gebruikelijk was.

§: 5. De strafbepalingen der Verordeningen van 30 Juni 1915 (Wet- en Verordeningsblad, blz. 747 vgd.) van 23 Juli 1915 (Wet- en Verordeningsblad blz. 829 vgd.) en van 29 Februari 1916 (Wet- en Verordeningsblad bb. 1691) zijn op deze Verordening van toepassing. Wordt geen straf uitgesproken, zoo kan de verbeurdverklaring door de (Militaire) Gouverneurs worden bevolen.

§ 6. Het verbeurdverklaarde koren en meel wordt door bemiddeling der Provinciale Oogstkommissies aan de bevoegde Provinciale Hulpkomiteiten tegen betaling toegewezen. Op het verbeurdverklaarde koren is de Verordening over de beslaglegging van toepassing. De betaling der verbeurdverklaarde waren moet, met inachtneming der door mij vastgestelde hoogste prijzen, door het Komiteit geschieden. Het daarbij uitbetaalde geld moet niet aan den militairfiskus, maar wel aan de bevoegde kommissies voor werken van liefdadigheid binnen de provinciën worden overgemaakt.

§ 7. Alle vroegere door de Provinciale Oogstkommissies en de Kreis-chefs vastgestelde, op later dan de hiervoor aangeduide termijnen vallende dors- en leveringstermijnen worden hierbij ingetrokken.
Brussel, den 16n Mei 1916.
No. 213e
20. MAI 1916.
BEKENDMAKING

1. In de Staatsmiddelbare normaalscholen te Gent en Nijvel (voor jongens), te Brussel en Luik (voor meisjes) zijn de jury s belast met het uitreiken, in 1916, van de diplomas van aspirant geaggregeerd leraar, aspirante regentes, geaggregeerd leraar en regentes, alsmede van de getuigschriften betreffende de examens over de Germaanse talen, vergaderen op een door de voorzitters te bepalen datum.

II. De recipiendi die private studiën deden, mogen zich aanbieden voor een of andere van bovengemelde jury's; zij die zich aanmelden tot het examen van geaggregeerd leraar en zich willen wijden aan het onderwijs in een Vlaamse plaats, moeten dit verklaren op het ogenblik hunner inschrijving.

III. Jury's belast met het uitreiken van de diplomas van asjnrant geaggregeerd leraar, geaggregeerd leraar, aspirante regentes en regentes, alsmede van de getuigschriften betreffende de examens over de Germaanse talen aan de leerlingen der middelbare vrije normaalscholen te Malonne, te Leuven, te Thielt, te O.-L.-V.-Waver, te Nijvel, te Jupille, te Champion, te Doornik, te Eekloo, te Landen, te Gent (Maatschappij voor hoger onderwijs voor jonge meisjes), te Gent (Dames van het Christelijk onderwijs), te Turnhout, te Bastenaken, te Sint-Niklaas (Waas) en te Pecq, zullen vergaderen in het lokaal der normaalschool in elke dezer plaatsen op een door de voorzitters te bepalen datum.

IV. De inschrijvingen zullen aanvaard worden van 5 tot en met 20 Juni. Latere aanvragen komen niet in aanmerking. De inschrijvingen zullen aanvaard worden: Zie de namen hierboven.

Die Einschreibungen werden entgegengenommen :
fur die Provinz Brabant: im Ministerium fur Wissenschaft und Kunst, Brussel, rue de la Charité, 25,
fur de Provinz Antwerpen: von Herrn Jacobs, Provinzialverwaltung zu Antwerpen,
fur die Provinz Westflandern : von Herrn H. Axters, Provinzialverwaltung zu Brugge,
fur die Provinz Ostflandern: von Herrn C. De Zutter, Provinzialverwaltung zu Gent,
fur die Provinz Hennegau : von Herrn P. Roland, Provinzialverwaltung zu Mons,
fur die Provinz Luttich: von Herrn H. Joiris, Provinzialverwaltung zu Luttich,
fur die Provinz Limburg: von Herrn L. Mesotten, Provinzialverwaltung zu Hasselt,
fur die Provinz Luxemburg: von Herrn J. Chenot, Provinzialverwaltung zu Arel,
fur die Provinz Namur: von Herrn F. Hustin, Provinzialverwaltung zu Namur.


V. De examenkosten zijn vastgesteld zoals volgt: Examen van aspirant geaggregeerd leraar of van aspirante regentes: 20 frank; Examen van geaggregeerd leraar of van regentes: 50 frank. De tijdens een vorige zitting uitgestelde recipiendi betalen slechts het vierde der examenkosten; de tijdens een vorige zitting afgewezen recipiendi betalen de helft dier kosten. De kosten zijn te betalen hij de inschrijving. Brussel, den 16n Mei 1916.
No. 213f
20. MAI 1916. 305

Bij besluiten van 14 April 1916 van den Generalgouverneur in België werd de ontslagaanvraag, ingediend door de heren Th. Sera, bureeloverste, M.-L.-J.Mathot, le hoofdbesteller, Ch. Fermette, hoofdklerk, alle drie ambtenaren bij het Belgisch beheer van posterijen, ingewilligd.
Voornoemden zijn gemachtigd, hunne aanspraak op het wettelijk pensioen te doen gelden.
No. 213g
20. MAI 1916.
Oproep.
De zesde senaat der Reichsentschadigungskommission (Rijksschadeloosstelingskommissie) te Berlijn heeft den 23n Maart 1916 besloten:

1. Er wordt vastgesteld, dat te Antwerpen, in de stapelplaats van het „Bureau Maritime J. H. Wackerharth, namens het Duits Rijk beslag is gelegd op de goederen vermeld in de optekenlijst van 25 Januari 1915 van den gevolmachtigde van het Koninklijk Pruisisch Ministerie van Oorlog, namelijk 410 balen Oost-Indisch ruwkatoen gemerkt X§7y 1/121, 312/500, tot een totaalgewicht van 73263.5 kgr. netto, door het Huis Ralli Brothers uit Karatsji met stoomschip „Kandelfels" naar Hamburg verzonden en te Antwerpen als noodhaven gelost.

2. De waarde dezer goederen wordt voorlopig vastgesteld op 81633.71 mark. (een en tachtig duizend zeshonderd drie en dertig mark 71 pf.)

3. De beslissing over het toestaan van een schadeloosstelling blijft voorbehouden, daar de vorige eigenaar van het aangeslagen katoen thans onbekend is. Alle personen, die op het ogenblik der beslaglegging eigendoms- pand- of enig ander recht op dese goederen hadden, worden hierbij uitgenodigd zich ten laatste op 15 Juli 1916 bij de Rijksschadeloosstellingskommissie te Berlijn onder het zakennummer G. B. III 767 aan te geven en een verzoek, om toekenning van een schadevergoeding of om vaststelling van den vorigen eigenaar of van andere rechthebbenden in te dienen. Verzuimt men de aangifte tijdig te doen, zo wordt den vorigen eigenaar of anderen rechthebbenden voor den duur van den huidige oorlog, alleen dan een schadevergadering toegestaan wanneer hij geen schuld heeft aan het verzuim om de aangifte tijdig te doen, en wel een anderen rechthebbende alleen dan wanneer en in zoverre niet reeds den vorigen eigenaar een schadevergoeding werd toegestaan.
Berlijn, den 29n April 1916.


No. 214a
23. MAI 1916. Pag. 2169
Uitvoeringsvoorschriften.

Met het oog op de uitvoering der Verordening van 29 April 1916 betreffend de voertaal in de lagere gemeentescholen, aangenomen en aanneembare scholen van de gemeenten der taalgrens (Wet- en Verordeningsblad nr. 208), worden hierbij onderstaande schikkingen genomen:

I Verklaring der Gezinshoofden.
Be eentalige klassen (artikel 6 der Verordening) zullen bij het begin van het schooljaar 1916-1917 ingericht worden voor de scholieren van de twee eerste jaargangen, bij het begin van het schooljaar 1917/1918 voor de drie eerste jaargangen, en zoo verder. De hoofdopziener zal voor den Isten Juli van ieder jaar het hoofdbeheer laten weten hoeveel formulieren (bijlagen 1 en 2 der Verordening) er voor elke school nodig zijn; dit laatste zal de formulieren aan de schoolhoofden laten geworden. Telkens als een nieuwe scholier zich laat inschrijven, zal het schoolhoofd zonder uitstel de door hem te ondertekenen uitnodiging tot de vereiste verklaring aangaande de moedertaal van het kind (bijlage 1 der Verordening), alsook het formulier voor deze verklaring (bijlage 2 der Verordening) aan het betrokken gezinshoofd zenden. Voor het opmaken dezer verklaring moet een termijn van acht dagen toegestaan worden, waarvan in de uitnodiging melding dient gemaakt.

II. Onderzoek der Verklaringen.
Om de gewetensvolle uitvoering van artikel 20 der wet tot regeling van het lager onderwijs mogelijk te maken, moet, als eerste vereiste, de moedertaal of de gebruikelijke taal van het kind naar waarheid worden vastgesteld. In de eerste plaats dient de verklaring van het gezinshoofd daarbij tot maatstaf aangenomen, zolang niet gebleken is, dat zij met de waarheid niet overeenkomt, d. i. dat het kind onbekwaam is de lessen in de aangegeven taal met vrucht bij te wonen. De ondervinding heeft geleerd, dat de verklaringen van de gezinshoofden dikwijls aan een ernstig onderzoek moeten onderworpen worden. Zo dient bij voorbeeld de veel verbreide mening bestreden, als zou de taal die in de bewaarschool gesproken wordt noodzakelijkerwijze de moedertaal der kinderen zijn. Om het onderzoek van de verklaring der gezinshoofden ten volle te waarborgen, zal het schoolhoofd, wanneer het zelf de betrokken taal niet of slechts op onvoldoende wijze machtig is, aan het onderzoek twee onderwijzers, die deze taal machtig zijn, laten deelnemen. In dit geval moet het gemeentebestuur of het schoolbeheer de leden van het onderwijzend personeel aanduiden, die met het schoolhoofd zullen deel uitmaken van de kommissie van onderzoek. Wanneer het schoolhoofd door onderwijzers is bijgestaan, blijft hij niettemin verantwoordelijk voor de gewetensvolle uitvoering van het onderzoek. Tot grondslag van dit onderzoek zal dienen: de afkomst van het kind, de taal die door de ouders en in de naaste omgeving van het kind gewoonlijk gesproken wordt, en inzonderheid de taalkennis van het kind zelf. Het gebeurt ook, dat het gezinshoofd verschillende talen als moedertaal of gebruikelijke taal van het kind opgeeft. In zulk geval heeft men te handelen alsof het gezinshoofd hoegenaamd geen verklaring had afgelegd (artikel 3 der Verordening).
III. Beroep bij het Schooltoezicht.
In de gevallen voorzien onder artikel 2, 2e lid. en onder artikel 3 der Verordening, heeft het gezinshoofd het recht hij het schooltoezicht in beroep te gaan tegen de beslissing van het schoolhoofd. Ten einde met volle kennis van zaken een oordeel te kunnen vellen, zal de opziener zich naar de school begeven, om de verklaringen van het schoolhoofd te aanhoren en desnoods ten overstaan van het schoolhoofd den scholier opnieuw te ondervragen. De beslissing van den opziener moet op de verklaring (van het gezinshoofd) aangetekend worden.

IV. Inrichting der Klassen.
Zodra de moedertaal der scholieren is vastgesteld, zullen de klassen naar gelang van de noodwendigheden ingericht worden. Hierbij mag men niet uit het oog verliezen, dat de bij artikel 6 der Verordening vastgestelde getallen (20 "voor een klas en 10 voor een afdeling) slechts minimum- getallen zijn, en dat de klassen en de afdelingen derhalve ook een groter aantal scholieren mogen bevatten.

V. Schooltoezicht.
Ten einde het schooltoezicht in staat te stellen, de juistheid van de verklaringen der gezinshoofden, het onderzoek der schoolhoofden, evenals de uitvoering der voorschriften betreffend de inrichting van klassen en afdelingen doelmatig te kunnen nagaan, zal het schoolhoofd de overzichtstafels, (aan de Verordening als bijlage 3 en 4 toegevoegd), binnen veertien dagen na het heropenen der school aan den kantonnale schoolopziener laten geworden. De opziener moet bij den aanvang van het schooljaar de scholen bezoeken in dewelke volgens zijn mening het inrichten van Vlaamse, Franse of Duitse klassen noodzakelijk is; hij zal onderzoeken hoe deze klassen ingericht werden, of, in geval zulke klassen nog niet samengesteld zijn, de oorzaken vaststellen waarom daartoe nog niet werd overgegaan. Hij zal zich de verklaringen der gezinshoofden laten voorleggen, en zich, door den uitleg van het schoolhoofd te aanhoren en desnoods door den scholier te onderzoeken, ervan overtuigen, of het schoolhoofd de verklaringen gewetensvol getoetst heeft. Hij zal ook bij alle andere schoolbezoeken inzonderheid moeten nagaan op welke wijze de indeling der kinderen is geschied, in hoeverre de hem medegedeelde inlichtingen betrouwbaar zijn en of wellicht de een of de andere scholier niet onbekwaam is het onderricht in de taal der klas, waarin hij ingedeeld werd, met vrucht te volgen. Stelt hij dit laatste geval vast, dan moet hij van ambtswege ingrijpen, en den hoofdopziener onverwijld daarvan verwittigen. Hij zal eveneens verslag opmaken over alle twijfelachtige gevallen, die hij zou kunnen waarnemen. De opziener zal verder letten op de bekwaamheid der onderwijzers op taalkundig gebied (artikel 11 der Verordening).
De hoofdopziener heeft voor 1 November van ieder jaar aan het Ministerie een volgens gemeenten, schoolbeheren en scholen gerangschikt algemeen overzicht in te zenden, waarin de gegevens der beide hoger bedoelde tafels 3 en 4 samengevat zijn. Het Ministerie zal ten gepasten tijde een formulier voor deze statistiek beschikbaar stellen. De hoofdopziener zal daarenboven ook de onderwijzers aanduiden, die aan de vereiste voorwaarde van artikel 11 niet voldoen, evenals de scholen, waarin een of ander punt van de voorschriften der Verordening niet of op onnauwkeurige wijze ten uitvoer is gebracht. Is het schooltoezicht de mening toegedaan dat in een of ander geval een uitzondering op de voorschriften betreffend het inrichten van klassen op grond van artikel 6, 3e lid, te rechtvaardigen zou zijn, dan moet de hoofdopziener het Ministerie met nauwkeurige aangifte der redenen daarvan kennis geven.

VI. Verandering van School der Kinderen.
De beslissing aangaande de moedertaal van een kind genomen, blijft geldig zoo lang dit kind een gemeenteschool, een aangenomen of aanneembare lagere school bezoek in de gemeenten, aangeduid bij artikel 1 der Verordening van 29 April 1916. Verandert het kind van school (artikel 5 der Verordening), dan geeft het schoolhoofd het gezinshoofd een bewijsschrift betreffend de taal, in dewelke het hind tot dan toe het onderwijs genoten heeft. Het hoofd der nieuwe school is verplicht hij het inschrijven van den scholier te verlangen, dat dit bewijsschrift hem voorgelegd wordt. Is dit geschied, dan verzoekt hij het hoofd van de school, voorheen door het kind bezocht, hem de oorspronkelijke verklaring van het gezinshoofd te doen toekomen, en voegt dezelve hij het archief zijner school. Behoort de scholier tot een der klassen. die onder toepassing vallen van artikel 6 der Verordening, dan wordt hij overeenkomstig de verklaring nopens zijn moedertaal hij een Vlaamse, Franse of Duitse klas ingedeeld, zover deze in de nieuwe school bestaat of te gevolge van zijn inschrijving aldaar in te richten is; bestaan dergelijke klassen echter niet, dan kan hij zijn studies voortzetten in de taal waarin hij die begonnen heeft.

VII. Eerbied voor de landstalen.
De leden van het onderwijzend personeel zijn. de landstalen eerbied verschuldigd. Het is hun streng verboden, zich tijdens de uitoefening van hun onderwijzersambt met minachting over een dezer talen uit te laten. Overeenkomstig, artikel 13, 2e lid, der Verordening, zijn alle bepalingen uitgaande van het schoolbestuur en gericht tot verscheiden klassen met verschillende voertaal, in deze verschillende talen uit te vaardigen.

VIII. Verzachte toepassing.
De gemeenten of de schoolbeheren stellen naar gelang van de plaatselijke noodwendigheden de zogenaamde verzachte toepassing vast, die zij op grond van artikel 10 der Verordening voor hun scholen wensen aan te vragen. Zij moeten hun besluiten voor den 15n Juli van ieder jaar aan den kantonnale schoolopziener laten geworden. deze zal de betreffende stukken, met zijn opmerkingen, aan den hoofdopziener overhandigen, die op zijn beurt er zorg voor te dragen heeft, dat al de besluiten betreffende bedoelde verzachte toepassing, met de daarbij behorende stukken en zijn persoonlijke opmerkingen voor den 15n Augustus van ieder jaar op het Ministerie binnengekomen zijn.

IX. Overgangstijd.
De bepalingen van artikel 6 der Verordening van 29 April 1916 betreffend het inrichten der klassen zullen trapsgewijze toegepast worden. Onmiddellijk na de afkondiging dezer voorschriften, moeten de scholieren van den eersten jaargang, overeenkomstig artikel 6 der Verordening het onderricht in hun moedertaal ontvangen. De hoofdopziener zal zonder uitstel het Ministerie laten weten hoeveel exemplaren van de formulieren ieder kantonnale schoolopziener nodig heeft, ten einde te bewerken dat de uitnodiging tot de verklaring nopens de moedertaal der kinderen bijtijds aan het gezinshoofd en het formulier voor deze verklaring (bijlagen 1 en 2 der Verordening) bijtijds aan het schoolhoofd kunnen bezorgd worden. De schoolhoofden moeten zodanige maatregelen treffen dat het onderzoek van de verklaringen onmiddellijk kunnen geschieden. Daarna zullen zij de behoorlijk ingevulde tafels, in overeenstemming met de hijlagen 3 en 4 der Verordening, aan den kantonnale schoolopziener zenden.
Deze tafels zijn voor de eerste toepassing der Verordening alleen met betrekking tot den eersten jaargang op te maken. Het schooltoezicht maakt zijn opmerkingen in het onder het Ve hoofdstuk bedoelde overzicht, dat ten laatste op 1 Juli van dit jaar op het Ministerie moet binnengekomen zijn. Intussen zullen de kantonnale schoolopzieners zich ervan overtuigen, of de hierboven voorgeschreven maatregelen regelmatig ten uitvoer gebracht zijn; zij zullen te dien einde de scholen bezoeken, de verklaringen toetsen, den uitleg van de schoolhoofden aanhoren en het onderzoek van het schoolhoofd nogmaals toetsen. Doen zich twijfelachtige gevallen voor, dan moeten deze den hoofdopziener medegedeeld worden. Hoewel voor de indeling in klassen van scholieren, die thans het eerste studiejaar reeds achter den rug hebben, geen wijziging voorzien is, schrijft artikel 15, 2de lid, der Verordening hij wijze van uitzondering dit jaar ook voor deze categorie, de formaliteiten voor van de verklaring nopens de moedertaal, evenals het daaruit voortvloeiend onderzoek. Deze formaliteiten moeten dan ook hij het aanvangen van het eerstvolgend studiejaar terzelfder tijd als voor de nieuwe scholieren vervuld worden. De aangifte van het nodig aantal formulieren, bedoeld in het le hoofdstuk, 2e lid, van deze voorschriften, zal dit jaar dienovereenkomstig aan te vullen zijn. In de scholen, die door kinderen met verschillende moedertaal bezocht worden, zijn de voorschriften aangaande het inrichten der klassen bij het begin van het eerstkomend schooljaar voor de kinderen van de twee eerste jaargangen toepasselijk. De andere scholieren mogen hun studie in de vroeger gekozen taal voortzetten. In de scholen met Vlaamse of Duitse lagere jaargangen, doch waarin de jaargang 3, 4 of 5 tot dusver een overgangsklas vormde, terwijl de hogere klassen aan het Frans of het tweetalig stelsel waren onderworpen, wordt de overgangsklas afgeschaft en sullen de Vlaamse kinderen, die in September van dit jaar in deze klas zouden moeten overgaan, verder hun onderwijs in de Vlaamse taal, Duitse kinderen in de Duitse taal genieten.
Brussel, den 17n Mei 1916. No. 21423. MAI 1916. 333
No. 214b
23. MAI 1916.

Met het oog op de uitvoering der volgende Verordeningen betreffend de voertaal in de lagere gemeentescholen, aangenomen en aanneembare scholen
1. van 22 April 1916 voor het Vlaamse land (Wet- en Verordeningsblad nr. 206),
2. van 29 April 1916 voor het Duitse taalgebied (Wet- en Verordeningsblad nr. 206),
3. van 30 April 1916 voor het Walenland (Wet- en Verordeningsblad nr. 210),
worden hierbij onderstaande schikkingen genomen.

1. Vaststellen van de moedertaal.
De eerste vereiste tot een nauwgezette uitvoering van artikel 20 der schoolwet, is de met de waarheid overeenkomende vaststelling der moeder- af omgangstaal van het kind. Als zulke geldt in het Vlaamse land de Vlaamse, in het Walenland de Franse en in het Duitse taalgebied de Duitse taal, indien het gezinshoofd hij het aangeven van een schoolplichtig geworden , niet in een bijzondere schriftelijke verklaring een andere taal als moeder- of omgangstaal aangeeft.
Onderzoek van de verklaring van het gezinshoofd. De afgelegde verklaring blijft geldig, zolang niet is gebleken, dat zij met de waarheid niet overeenkomt, d. i. dat het kind onbekwaam is, de lessen in de aangegeven taal met vrucht bij te wonen. De ondervinding heeft geleerd, dat de verklaringen van de gezinshoofden dikwijls aan een ernstig onderzoek moeten onderworpen worden. Zoo dient b. v. de veel verbreide mening bestreden, als zou de taal die in de bewaarschool gesproken wordt, noodzakelijkerwijze de moedertaal der kinderen zijn. Om nopens het onderzoek van de verklaring der gezinshoofden vollen waarborg te geven, moet het schoolhoofd, indien het zelf de taal, die voor de beslissing in aanmerking komt, niet of slechts onvolkomen machtig is, zich door twee onderwijzers doen bijstaan, die deze taal goed kennen. In dit geval moet het gemeentebestuur of het schoolbeheer de onderwijzers aanduiden, die met het schoolhoofd zullen deel uitmaken van de kommissie van onderzoek. De medewerking an onderwijzers ontslaat het schoolhoofd niet van de verantwoordelijkheid voor de nauwgezette uitvoering van het onderzoek.
Tot grondslagen voor dit onderzoek dienen: de afstamming van het kind, de door de ouders en de naaste omgeving van het kind gewoonlijk gebruikte taal en vooral de taalkennis van het kind zelf. Het beroep bij het schooltoezicht. In de gevallen voorzien onder artikel 3, 2de lid der Verordeningen, heeft het gezinshoofd het recht hij het schooltoezicht in beroep te gaan tegen de beslissing van het schoolhoofd. Ten einde met volle kennis van zaken een oordeel te kunnen vellen, zal de opziener zich naar de school begeven, om de verklaringen van het schoolhoofd te aanhoren en desnoods, ten overstaan van het schoolhoofd, den scholier opnieuw te ondervragen. De beslissing van den opziener moet op de verklaring (van het gezinshoofd) aangetekend worden.

II. Bepalen van de voertaal.
Bijzondere klassen voor de kinderen, die naar hun taal ingedeeld, de minderheid uitmaken. De moedertaal der meerderheid onder de leerlingen is de taal der school: in deze taal wordt het onderwijs in alle klassen en in alle vakken gegeven, zover niet voor een anderstalige minderheid onder de leerlingen een bijzondere klas is ingericht (artikel 6 lid 3 der Verordeningen). Dit geldt ook voor scholen en klassen, in welke kinderen, mits het betalen van schoolgeld, worden opgenomen. In geen geval is het geoorloofd, in de lagere klassen een andere taal als voertaal te gebruiken, dan in de hogere klassen, of zogezegde overgangsklassen met gemengde voertaal te laten voortbestaan. Voor een anderstalige minderheid mogen bijzondere klassen eerst dan ingericht worden, wanneer in enen jaargang ten minste 20 leerlingen zijn, wier moedertaal niet de voertaal der school is. Werd eenmaal zulke klas ingericht, zoo wogen de leerlingen ervan ook in latere jaargangen in een bijzondere klas verenigd blijven, zelfs dan, wanneer hun aantal beneden 20 valt. In deze klas moeten later binnenkomende kinderen van den zelfden jaargang met dezelfde moedertaal geplaatst worden.

III. Schooltoezicht.
Om het schooltoezicht in staat te stellen, de juistheid der verklaringen der gezinshoofden, de nauwgezetheid van het onderzoek der schoolhoofden, evenals de uitvoering der voorschriften op de voertaal doeltreffend na te gaan, moet het schoolhoofd het onder artikel 7 der Verordeningen voorgeschreven verslag aan den kantonnale schoolopziener binnen de veertig dagen na de heropening van het schooljaar indienen. De opziener moet in het begin van het schooljaar deze scholen bezoeken, in welke een aanzienlijk aantal leerlingen voorhanden is, wier moedertaal niet de voertaal der school is. Hij laat zich de verklaringen der gezinshoofden voorleggen: hij overtuigt zich door het aanhoren van het schoolhoofd en desnoods door het ondervragen van den leerling, of de verklaringen door het schoolhoofd nauwgezet getoetst werden. Hij stelt vast, of en in welken omvang voor de leerlingen, die naar hun taal ingedeeld, de minderheid uitmaken, bijzondere klassen werden of moeten worden ingericht; in het laatste geval doet hij onverwijld verslag aan den hoofdopziener, die zich met het gemeente- of schoolbeheer in betrekking stelt. Ook bij alle andere schoolbezoeken wijdt de opziener zijne aandacht aan deze punten en let verder op de bekwaamheid der onderwijzers op taalkundig gebied (artikel 11 der Verordeningen). Voor 1 November van elk jaar moet de hoofdopziener een naar gemeenten, schoolbeheren en scholen gerangschikt algemeen overzicht, waarin de op grond van artikel 7 der Verordeningen gedane opgaven samengevat zijn, bij het ministerie indienen. Dit zal hem een formulier voor de statistiek ter beschikking stellen. Tegelijkertijd moet de hoofdopziener de onderwijzers aanduiden, die aan de vereiste voorwaarde van artikel 11 niet voldoen, evenals de scholen, waarin een of ander punt van de voorschriften der verordeningen niet of op onnauwkeurige wijze ten uitvoer is gebracht.

IV. Verandering van school der kinderen.
De beslissing aangaande de moedertaal van een kind genomen, blijft geldig zoo lang dit kind een gemeenteschool, een aangenomen of aanneembare lagere school van hetzelfde taalgebied Verandert het kind van school (art. 5 der Verordeningen). dan geeft het schoolhoofd aan het gezinshoofd een bewijsschrift betreffend de taal, in dewelke het kind tot dan toe het onderwijs genoten heeft. Het hoofd der nieuwe school is verplicht bij het inschrijven van den scholier te verlangen, dat dit bewijsschrift hem voorgelegd worde. Is dit geschied, dan verzoekt hij het hoofd van de school, voorheen door het kind bezocht, hem de oorspronkelijke verklaring van het gezinshoofd te doen toekomen, en voegt dezelve bij het archief zijner school,

V. Eerbied voor de landstalen.
De leden van het onderwijzend personeel zijn al de landstalen eerbied verschuldigd. Het is hun streng verboden, zich bij het uitoefenen van het onderwijzersambt, met minachting over een der landstalen uit te laten.

VI. Overgangsbepalingen.
Om de nieuwe bepalingen voor beide eerste jaargangen van kracht te maken, moet de voertaal voor elke school onmiddellijk volgens de moedertaal der meerderheid onder de leerlingen bepaald worden; er dient tevens zorg voor gedragen, dat beide eerste jaargangen hun onderwijs uitsluitend in deze taal ontvangen. Komen er, naar aanleiding van dezen maatregel, verklaringen van gezinshoofden nopens de moedertaal hunner kinderen binnen, zo moeten deze verklaringen in den zin van artikel 3 der Verordeningen en hoofdstuk I dezer uitvoeringsvoorschriften behandeld worden; men zal ook onderzoeken of er reden bestaat, om bijzondere klassen voor een minderheid in taalopzicht (artikel 6 lid der Verordeningen) in te richten. Voor het sluiten van het huidige schooljaar, moet de kantonnale schoolopziener alle ter sprake komende scholen in 't bijzonder bezoeken, om zich in den zin der betreffende bepalingen van hoofdstuk III dezer uitvoeringsvoorschriften ervan te overtuigen, dat voor beide eerste jaargangen de hiervoren aangeduide bepalingen regelmatig ten uitvoer zijn gebracht geworden. Komen twijfelachtige gevallen voor, dan moet hij den hoofdopziener daarover verslag doen. Voor het overige worden de Verordeningen met aanvang van het schooljaar 1916-1917 in hun geheel van kracht.
Brussel, den 17n Mei 1916.
No. 214c
23. MAI 1916.
C. C. III 1605.
Bekendmaking ** betreffend het opheffen der beslaglegging op het hooi uit het oogstjaar 1915. Mijne Verordening van 6 Augustus 1915 over de beslaglegging op het hooi uit het oogstjaar 1915 binnen de Belgische gewesten van het General-Gouvernement (Wet- en Verordeningsblad 1915, blz. 853-56), wordt hierbij opgeheven.
Brussel, den 15n Mei 1916.G. G. /7a. 622/511.

No. 215a
26. MAI 1916. Pag. 2185
De met drie sterretjes gemerkte Verordeningen worden ook door middel van aanplakhrieven bekend gemaakt. Alle andere Verordeningen moeten door de gemeente-overheid rolgens de gebruikelijke wijze van bekendmaken vooral aan de belanghebbeden medegedeeld worden. No. 215b
.26. MAI 1916. 353
Op grond mijner Verordeningen van 30 Juni en 23 Juli 1915 (nr. 5) betreffend den korenoogst van 1915, evenals mijner Verordening van 28 Augustus 1915 betreffend koren en meel uit vroegere oogstjaren, heh ik, op voorstel der Centrale Oogstkommissie (Zentral Ernte Kommission), de hoogste prijzen voor den verkoop van gedorst koren, meel, zemelen en brood voorshands als volgt vastgesteld:

voor tarwe uit stapelplaats of molen geleverd fr. 42.04 per 100 kg.
Rogge uit stapelplaats of molen geleverd fr.7, per 100 kg.„
masteluin uit stapelplaats of molen geleverd fr. 29,20 per 100 kg.
ongepelde spelt uit stapelplaats of molen geleverd fr. 25,12 per 100 kg.
tarwezemelen uit molen geleverd.fr 22.per 100 kg.
masteluinzemelen uit molen geleverd.fr 20,— >, per 100 kg.
roggezemelen uit molen geleverd.fr 18,— per 100 kg.
Tarwemeel aan bakkers of gebruikers geleverd fr. 52,79 per 100 kg.
roggemeel aan bakkers of gebruikers geleverd fr. 35,53 „ per 100 kg.
masteluinmeel aan bakkers of gebruikers geleverd fr. 36,46 per 100 kg.
tarwemeel op 60% of fijner gemalen, aan pasteihakkers geleverd fr. 80 per 100 kg.
roggemeel op 60% of fijner gemalen, aan pasteihakkers geleverd fr. 65 per 100 kg.
tarwebrood aan gebruikers geleverd fr. 0,46 „ kg.
Deze hoogste prijzen worden op 1 Juni van kracht.

Den Provincialen Oogstkommissies (Provincial Ernte Kommissionen) wordt de bevoegdheid verleend, voor de omschrijving van afzonderlijke gemeenten op verzoek of na raadpleging van de burgemeesters, telkens een lageren hoogste prijs voor tarwebrood, evenals hoogste prijzen voor brood, tot het bereiden waarvan roggemeel wordt gebruikt, vast te stellen. Voor de verkopen der voortbrengers van tarwe en rogge aan het Nationaal Hulp- en Voedingskomiteit, blijven de in mijne Bekendmaking van 10 Augustus 1915 (nr. 4a) vastgestelde hoogste prijzen van kracht.
Brussel, den 23n Mei 1916.Z. E. K. 3266.
No. 216
.28. MAI 1916. (Nihil).
No. 217a
31. Mei 1916. Pag. 2205
De met drie sterretjes gemerkte Verordeningen worden ook door middel van aanplakbrieven bekend gemaakt. Alle andere Verordeningen moeten door de gemeente-overheid volgens de gebruikelijke wijze van bekendmaken vooral aan de belanghebbenden medegedeeld worden.

Verordening ***betreffend overtredingen van schikkingen der krijgsbevelhebbers. Wie de door de krijgsbevelhebbers uitgevaardigde schikkingen ter regeling van het economische leven en het verkeer of ter bevordering van de gezondheid overtreedt, wordt, zover door andere bepalingen geen zwaardere straf vastgezet is, met ten hoogste 5 dagen gevangenis of met ten hoogste 50 mark boete gestraft. Zijn de overtredingen ook volgens het Belgisch recht strafbaar, zo blijft dit van kracht en blijven de Belgische overheden bevoegd, indien door de krijgsoverheid tegen de overtreders geen vervolging ingesteld wordt.
Brussel, den 25n Mei 1916.
G. G. III. 4972.

No. 217b
31. MAI 1916.
Verordening *** betreffend vergaderingen en verenigingen.
Onder opheffing der Verordening van 16 Januari 1915 betreffend vergaderingen en politieke verenigingen (Wet- en Verordeningsblad nr. 34, blz. 119), verorden ik wat volgt:
Art. 1. Vergaderingen in open lucht zijn verboden.
Art. 2. Openbare vergaderingen zijn verboden, indien er politieke aangelegenheden moeten ter bespreking komen en daarover dient beraadslaagd te worden. In alle andere gevallen is een voorafgaande toelating nodig. Voor besloten vergaderingen is ook een voorafgaande toelating nodig. In plaats van een toelating volstaat de voorafgaande kennisgeving, wanneer het vergaderingen met zuiver kerkelijke-, gezellige-, wetenschappelijke-, beroeps- of kunstdoeleinden betreft.
Art. 4. Voor vergaderingen met godsdienstige doeleinden en zittingen van overheden binnen hunne bevoegdheid, is noch toelating noch voorafgaande kennisgeving nodig.
Art. 5. Bevoegd tot het verleenen der toelating (artikel 2 en 3) en het aannemen der kennisgeving (artikel 3) is de Plaatskommandant en bij ontstentenis de Kreis-chef. De toelating moet ten minste 5 dagen te voren aangevraagd, de kennisgeving ten minste 3 dagen te voren medegedeeld worden. Plaats, tijd en doel der vergadering moeten worden aangegeven.
Art. 6. Verantwoordelijk voor overtredingen van de voorschriften onder artikel 1 tot 3 zijn niet enkel de beleggers, de inrichters en leiders. maar ook de deelnemers aan de vergaderingen.
Art. 7. Alle clubs en verenigingen met politieke doeleinden of ter bespreking van politieke aangelegenheden zijn gesloten. Het is verboden zulke clubs en verenigingen opnieuw op te richten. Strafbaar zijn leiders, stichters en leden dezer verenigingen.
Art. 8. Overtredingen dezer Verordening worden met ten hoogste een jaar of met ten hoogste 5000 mark boete gestraft. Beide straffen kunnen tegelijk uitgesproken worden.
Ter oordeelvelling zijn de krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers bevoegd.
Brussel, den 26n Met 1916.

No. 218
3. JUNI 1916. Pag. 2213
Verordening*** betreffend het regelen der bevoorrading met vroege aardappelen.

Art. 1. Het ten nutte maken van den vroegen aardappeloogst van 1916 wordt het Aardappelbevoorradingskantoor (K. V. S.) te Brussel opgedragen. De K. F. S. zal zich, vooreerst in den vorm van onderhandse opkoop, de nodige hoeveelheid voor het gebruik aanschaffen met dien verstande, dat de aankoop van de vroege aardappelen bij de voortbrengers en de levering ervan in de afzetgebieden, aan een bij den burgerlijke kommissaris (Zivilkommissar) te Mechelen in te richten verzendingskantoor opgedragen wordt. De werkzaamheid van het verzendingskantoor strekt zich uit tot de gemeenten die op de hieronder volgende lijst vermeld staan.

Art. 2. Het begin van den vroegen aardappeloogst wordt door den „Verwaltungschef" bepaald.

Art. 3. De aankoop van vroege aardappelen geschiedt tegen den door den burgerlijke kommissaris te Mechelen, in overleg met het Aardappelbevoorradingskantoor vast te stellen dagprijs die voor de vroege aardappelen, welke op den betreffenden dag verhandeld worden als hoogste prijs geldt, in den zin der Verordening van 28 September 1915 „over het bestraffen van overtredingen tegen de hoogste prijzen' (Wet- en Verordeningsblad blz. 1093.)

Art. 4. Voor het overige blijven de bepalingen der Verordening van 17 Januari 1916 betreffend de regeling van de aardappelbevoorrading (Wet- en Verordeningsblad, blz. 1525) van toepassing, zover in het vorenstaande geen andere regeling wordt bepaald. Voor het beslechten van alle bij het ten nutte maken van den vroegen aardappeloogst van 1916 voorkomende betwistingen, is het onder artikel 11 der Verordening van 17 Januari 1916 aangeduide scheidsgerecht uitsluitend bevoegd.

Art. 5. De „Verwaltungschef' wordt met de uitvoering dezer Verordening belast. Hij is gemachtigd, wijzigingen aan de lijst der onder artikel 1 vermelde gemeenten toe te brengen.

Art. 6. Overtredingen van de op grond van artikel 5 genomen schikkingen worden met ten hoogste één jaar hechtenis of gevangenis of met ten hoogste 10,000 mark. boete gestraft. Beide straffen kunnen tegelijk worden uitgesproken. Bovendien kan verbeurdverklaring der waren uitgesproken worden. Bevoegd zijn de Duitse krijgsrechtbanken en de krijgsbevelhebbers. Brussel, den 27en Mei 1916.

No. 218b
3. JUNI 1916. 373

Lijst van gemeenten, aangesloten b|j het verzendingskantoor voor de bevoorrading met vroege aardappelen (Verladerburo) bij den burgerlijken kommissaris (Zivilkommissar) te Mechelen.
Arrondissement Mechelen.

Alle gemeenten van het arrondissement met de volgende verzendingsstations:
Sint-Amands, Puurs, Hombeek, Mechelen-Hoofdstation, Mechelen-Nekkerspoel, Boischot, Heist-op-denBerg, Beerlaar, Nijlen.

Arrondissement Brussel-Land.

Gemeenten. Verzendingsstation.
Peizegem, Steenhuftel, Malderen . . MALDEREN.
Londerzeel, Ramsdonk, Nieuwenrode LONDERZEEL.
Kapellen op den Bosch, Nieuwenrode,
Humbeek, Wolverthem . . . KAPELLENOPDENBOSCH.
Eppegem, Peuti, Perk, Elewijt, Weerde,
Zemst, Hofstade WEERDE

Arrondissement Leuven.

Hever, Boortmeerheek, Haacht, Keerbergen,
Tremeloo BOORTMEERBEEK.
Haacht, Tildonk, Werchter,Tremeloo,Baal WESPELAAR.
Rotselaar, Tildonk WIJGMAAL.
Rotselaar, Holsbeek, Sint Pieters-Rode,
Houwaard, Kortijk-Dutsel, Nieuwrode,
Wezemaal, Werchter . . . ROTSELAAR.
Gelrode, Nieuwrode, Betekom, Baal GELRODE.
Aarschot, Rillaar, Scherpenheuvel,
Sichem, Messelbroek, Molenstede,
Testelt, Langdorp, Begijnendijk,Betekom AARSCHOT.

Vestinggebied Antiverpen.
Pulderbosch, Pulle,Zandhoven,Viersel BOUWEL en NIJLEN.
Emblehem, Broekhem, Ranst, Vremde,
Boekhout, Linth, Duffel, Koninkshoikt LIER.
Hove, Edegem, Aartselaar, Reet, Linth KONTICH-KAZERNEN.
Lier, Linth, Waarloos, Reet, Rumpst,
Sinte- Katelijne- Waver, Koninkshoikt DUFFEL.
Ruisbroek, Hingene PUURS.
Heindonk, Blaasveld, Willebroek. . HOMBEEK of MECHELEN.

Arrondissement Turnhout.
Turnhout, Oud-Turnhout, Arendonk,
Ravels, Weelde, Poppel. Merksplas.
Beerse, Vosselaar TURNHOUT.
Tielen, Lichtaart. Kasterlee, Gierle,
Wechelderzande, Sint-Pieters- Lille, Poederlee TIELEN.
Herenthals, Vorselaar, Grohbendonk. Herenthout HERENTHALS.
Olen, Oevel, Tongerloo ..... OLEN.
Geel, Oevel, Eindhout, Meerhout . . GEEL.
Noorderivijk, Morhhoven, Olen, Oevel,
Zoerle-Farwijs, Tongerloo,Hulshout NOORDER WIJK.
Westmeerheek, Houtvenne, Ramsel,
Herselt, Varendonk, Veerle, Vorst,
Westerloo,Zoerle-Parwijs, Hulshout WESTMEERBEEK
Bouwel, Vorselaar, Herenthout . . BOUWEL.


No. 218c
.3. JUNI 1916. 373
Uitvoeringsvoorschriften by de Verordening betreffend
het regelen der bevoorradîng met vroege
aardappelen.
Op grond van art. 5 der Verordening van 27 Met
1916 des Heeren Generalgouverneurs wm'dt bepaald:

§ 1. De hevoorrading der hurgerbevolking met
vroege aardappelen uit het onder art. 1 der Verordening
vermeld gebied, geschiedt uitsliiitend door de tiisschenkomst
van de K. V. S.
De eigenhevoorrading in nahurige gemeenten, monder
de tusschenkomst van de K. V. S. (nr. 3 litt. c der uitvoeringsvoorschriften
van 17 Januari 1916 hij de Verordening
van zelfden datum des Heeren Gêneralgouverneurs
— Wet en Verordeningshlad hl. 1529 —) valt
weg, wat de hevoorrading wet vroege aardappelen hetreft.

§ 2. De gemeenten moeten haren voorraad aan
vroege aardappelen^ overeenkomstig de hestaande voorschriften,
hij de K. V. S. hestellen. De koopprijs moet
vooraf gestort tvorden.

§ 3. De inrichting en samenstelling van het versen374
dingshantoor (art. 1 der Verordening) geschiedt, met
goedkeuring van den „VerîvaUungschef\ door den burgerlijken
ko^nmissaris te Mechelen.

§ 4. Het verzendingskantoor staat onder toezicht
van de K. V. S. De burgerlijke kommissaris hij den
^Kreischef" te Mechelen wordt met het plaatselijk toezicht
en de leiding van het kantoor helast.

§ 5. Het verzendingskantoor hedient zich, hij het
hewerkstelUgen van den aankoop, van onder art, 1 der
Verordening vermelde gebieden bewonende en door den
burgerlijken kommissaris te benoemen verzenders als
opkoopers.
Buiten de reeds toegelaten verzenders kunnen ooh
zulke handelaars door den burgerlijken kommissaris te
Mechelen met het opkoopen van vroege aardappelen
helast worden, die reeds voor den len Augustus 1914
voor beroep hadden vroege aardappelen hij de landbovîvers
op te koopen.

§ 6. Betreffend het toezicht op het vervoer gelden
de hestaande bepalingen, met dezen verstande, dat voor
het geheele vroege aardappelgebied, de onder nr. 3 litt. c
der uitvoeringsvoorschriften van 17 Januari 1916
hij de Verordening van den Heer General-gouverneur
van denzelfden datum voorziene geleibrieven alleen
door den burgerlijken koenmissaris te Mechelen afgeleverd
worden.

§ 7. Voor het overige blijven de bepalingen der uitvoeringsvoorschriften
van 17 Januari 1916 hij de Verordening
van den Heer General-gouverneur van denzelfden
datum van kracht, zoover vorenstaande schikkingen
geen afîvijkende regeling hepalen.
Brussel, den 27en Mei 1916.
K. V. S. 4950.

No. 218d
3. JUNI 1916. 375
Verordening *** betreffend vlas en klodden. Onder opheffing der Verordening van 10 Januari 1916 betreffend vlas en werkklodden (Wet en Verordeningsblad voor de belette streken van België, nr. 167), wordt het volgende bepaald:

Art. 1. Wie stapels bewerkt vlas of klodden in bewaring heeft, is verplicht, de op den eersten van elke maand voorhanden hoeveelheden, gescheiden volgens vlas en klodden, onder aangifte van de eigenaars en de stapelplaats, bij de overheid der gemeente (burgemeester), waar de stapelplaats zich bevindt, den 3n van elke maand aan te geven. De gemeenten moeten door tussenkomst der burgemeesters de stapels vlas en klodden, die in hun gemeenteomschrijving voorhanden zijn, gescheiden volgens vlas en klodden, onder aangifte van de eigenaars en de stapelplaats, bij de burgerlijke commissarissen tot den 5n van elke maand aangeven. De plicht van aangifte slaat niet op ruwe of stengelvlas.

Art. 2. Binnen het gebied van het General-Gouvernement worden voor vlas en klodden volgende hoogste prijzen vastgesteld:
1. In water geroot vlas.
a) 350 frank per baal van 104 kg. bruto of 103 kg. netto Kortrijks vlas van goede, sterke ketting en fijne vezelen, vrij van lemen (afschrapsels) en volkomen droog. Voor het zeldzame, allerfijnste Kortrijks vlas, dat zich buiten de genoemde eigenschappen nog door gans bijzondere fijnheid en sterkte, door de hoogste geschiktheid om gesponnen te worden en door een gelijkmatig lichte kleur onderscheidt en waarvan kop en voet volkomen zuiver bewerkt zijn, stijgen de hoogste prijzen tot 400 frank per baal van 104 kg. bruto of 103 kg. netto.
b) 250 frank de 100 kg. Vlaanderens blauwe vlassen van beste hoedanigheid en volkomen zuivere bewerking.
2. Op gras geroot vlas (Veldfoten). 180 frank per 100 kg. gezwingeld, op gras geroot vlas, om 't even van welke herkomst, van beste hoedanigheid en volkomen zuivere bewerking.
3. Klodden.
a) 80 frank voor gezwingelde klodden, van beste hoedanigheid.
b) 100 frank voor zuivere naturen, van beste hoedanigheid.
c) 120 frank voor snutjes, van beste hoedanigheid.
d) IW frank voor kammelingen (gehekelde) van beste hoedanigheid. Voor mindere hoedanigheden en bij slechtere bewerking dalen de hoogste prijzen naar evenredigheid voor alle soorten van vlas en klodden.

Art. III. De verkoop van vlas of van klodden is alleen toegelaten aan:
1. de grondstofafdeling te Gent, Gouvernementsstraat 18
2. de vlaskantoren te Kortrijk en Lokeren,
3. de door den „Verwaltungschef bij den Generalgouverneur, afdeling voor handel en nijverheid, tot aankoop gemachtigde Belgische spinnerijen.

Art. 4. De tot 20 Juni 1916 niet verkochte stapels vlas en klodden uit vroegere oogstjaren moeten, op verzoek van de bevoegde burgerlijke commissarissen, aan de onder art. 3, nrs. 1 en 2 vermelde ambtelijke kantoren afgestaan worden. Wordt men het over den prijs niet eens, dan stelt genoemde overheid, bijgestaan door ten minste één Belgische deskundige, dezen vast.

Art. 5. Met ten hoogste één jaar gevangenis en met fen hoogste 20.000 (twintig duizend) mark boete of met één van beide wordt gestraft:
1. wie zijne stapels vlas of klodden bij de gemeenteoverheid niet of onjuist aangeeft,
2. wie de vastgestelde hoogste prijzen te boven gaat,
3. we iemand anders uitnodigt tot het sluiten van een verdrag, waardoor de hoogste prijzen overtroffen worden, of wie zich tot zulk verdrag aanbiedt,
4. wie vlas of klodden aan anderen dan aan de onder art. 3 vermelde kantoren verkoopt of van de hand doet,
5. wie na 20 Juni 1916 zijn oude stapels vlas of klodden, ondanks het verzoek der bevoegde burgerlijke commissarissen, niet hij de onder art. 3 nrs. 1 en 2 ver- vernielde kantoren inlevert,
6. wie stapels vlas of klodden vernietigt of onbruikbaar maakt,
7. burgemeesters, die de binnen hun gemeenteomschrijvingen voorhanden stapels vlas of klodden, welke hun bekend waren of naar de omstandigheden moesten bekend zijn, bij de burgerlijke commissarissen niet of onjuist aangeven. In de gevallen voorzien hij nrs. 1—6 kan bovendien de verbeurdverklaring van het vlas of van de klodden worden uitgesproken. Bevoegd zijn de Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers.
Brussel, den 27n Mei 1916.
No. 219
5 JUNI 1916. (Nihil).
No. 220a
8. JUNI 1916. 391
Verordening betreffend wijziging van het decreet van 10 Vendémiaire van het jaar IV (2 Oktober 1795) over de verantwoordelijkheid der gemeenten voor diefstallen, plunderingen en gewelddaden. Met het oog op de vaststelling van de schade, in Augustus 1914, ten gevolge van baldadigheden in verscheidene gemeenten van Oost-Vlaanderen aangericht, en op het nemen van een beslissing over de verplichting tot schadevergoeding, worden artikelen 2-8 Titel V van het decreet van 10 Vendémiaire van het jaar IV door de volgende bepalingen vervangen.
Art. 1. Het vaststellen van de schade, evenals het nemen van een beslissing over de verplichting tot schadevergoeding geschiedt, in de gevallen voorzien onder Titel IV artikel 1 en Titel V artikel 1 van het Decreet, op aanvraag van den schadelijdende, door het scheidsgerecht voor de provincie Antwerpen opgericht (op grond der Verordening van 3 Februari 1915 van den Generalgouverneur in België (Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België nr. 37).
Art. 2. Het scheidsgerecht regelt zelf zijn werkzaamheid. Het heeft het recht, getuigen en deskundigen onder eed te verhoren of te doen verhoren. Alle rechtbanken en overheden moeten aan het verzoek, te dien einde door den voorzitter gedaan, gevolg geven.
Art. 3. Het scheidsgerecht wordt door den voorzitter bijeengeroepen. Het beslist bij meerderheid van stemmen. Zijn beslissingen zijn onherroepelijk en onmiddellijk uitvoerbaar.
Art. 4. Spreekt het scheidsgerecht een veroordeling tot schadevergoeding uit, zo wordt deze veroordeling door den voorzitter binnen de 3 dagen medegedeeld aan den Voorzitter van het Burgerlijk Bestuur (Prâsident der Zivilverwaltung) der provincie Oost- Vlaanderen. Deze zal ze binnen de 5 dagen aan het veroordeelde gemeentebestuur overmaken.
Art. 5. De gemeente moet het bedrag der schadevergoeding ter uitbetaling aan den rechthebbende binnen de 10 dagen storten in de kas of bewaargevingsplaats, welke de Voorzitter van het Burgerlijk Bestuur daartoe zal aanduiden. Geschiedt deze storting niet op tijd, zo worden artikels 11 en 12 Titel V van het decreet dienovereenkomstig toegepast.
Art. 6. Het scheidsgerecht bepaalt naar vrije waardering de kosten van het geding, de onkosten der partijen inbegrepen. Het ereloon, dat de leden van het scheidsgerecht en den deskundigen voor hun bemoeiing toekomt, alsook de vergoeding der getuigen voor tijdverlet en reiskosten, worden door den voorzitter vastgesteld.

Art. 7. Werd een eis tot schadevergoeding reeds bij een andere rechtbank ingediend, zo gaat de verdere behandeling der zaak in den toestand, waarin zij zich bij het van kracht worden dezer Verordening bevindt, op het scheidsgerecht over.
Art. 8. Aanvragen om een beslissing over een eis tot schadevergoeding moeten ten laatste op 1 Juli 1916 ingediend worden. Voor na deze datum ingediende aanvragen bestaat geen aanspraak op behandeling door het scheidsgerecht.

H. Q, den 21n Mei 1916.d
er Oberfehlshaber,
herzog Albrecht von WürttembergNo.220b
No. 220b
8. JUNI 1916. 391
Verordening *** betreffend den handel in slachtvee.
Art. 1, Handel in allerhande slachtvee mogen alleen zulke personen uitoefenen, die 1) voor den 1n Augustus 1914 niet aan- en verkopen van slachtvee van beroep hadden en die
2) een toelatingsbewijs tot het voortzetten van hun handelsbedrijf in slachtvee bezitten. Bevoegd tot het afleveren van het toelatingsbewijs is de burgerlijke commissaris (Zivilkommissar) van het arrondissement, waarin het bedrijf van den handelaar gevestigd is. Dit toelatingsbewijs laat den handel in allerhande slachtvee toe binnen het gebied van het General-Gouvernement. De op grond der Verordening van 22 Februari 1916, betreffend den handel in rundvee en varkens (Wet- en Verordeningsblad bl. 1661) verleende toelatingsbewijzen blijven geldig. Ook deze geven het recht binnen het gebied van het General-Gouvernement voortaan handel te drijven in allerhande slachtvee.
Art. 2. Wie slachtvee aan veehandelaars van beroep verhoopt of van veehandelaars van beroep koopt, of als lasthebber voor dezer rekening verkoopt, is verplicht, zich ervan te overtuigen of deze personen de toelating hebben om handel te drijven in slachtvee en het vertoon van het voorgeschreven toelatingsbewijs (artikel 1, lid 2) te verlangen. Aan dit verlangen moet worden voldaan.
Art. 3. Overtredingen van vorenstaande bepalingen worden met ten hoogste één jaar hechtenis of gevangenis of met ten hoogste 10 000 mark boete gestraft. Ook kunnen beide straffen tegelijk worden toegepast Bovendien kan de verbeurdverklaring der waar uitgesproken worden.
Art. 4. Bevoegd zijn de Duitse krijgsrechtbanken en de krijgsbevelhebbers.
Art. 5. De Verordening van 22 Februari 1916 betreffend den handel in rundvee en varkens (Wet- Cr Verordeningsblad, hl. 1661) is opgeheven.
Brussel, den 30n Met 1916.

No. 221a
11. JUNI 1916. Pag. 2245
Verordening *** betreffend regeling van het slachten van varkens en kalveren. Van af 15 Juli 1916 worden de beschikkingen van 1 en 25 Februari 1915 (Wet- en Verordeningsblad nr. 49, bl. 255, en nr. 52, bl. 305), betreffend het verbod zichtbaar drachtige zeugen en varkens beneden 60 kg. levend gewogen, evenals vrouwelijke kalveren. te slachten, door volgende Verordening vervangen,:

Art. 1. Het is verboden zichtbaar drachtige zeugen, varkens beneden 60 kg. levend gewogen, evenals mannelijke en vrouwelijke kalveren de tot de teelt ongeschikte, zoogenoemde „paardsbillen” inbegrepen, te slachten. Zijn die kalveren te beschouwen alle jonge runderen, die niet ten minste twee volwassen snijtanden bezitten. Het verhod geldt niet voor gevallen van nood, d. w. z. voor zulke gevallen, waarin ten gevolge eener zware ziekte van het dier of ten gevolge een ongeval, het slachten op grond van een getuigschrift van den bevoegden aangenomen veearts noodzakelijk is.

Art. 2. Het slachten in gevallen van nood van dieren tot de onder artikel 1 vermelde soorten behoren, moet, onder voorlegging der getuigschriften van den aangenomen veearts, onmiddellijk bij den burgemeester der plaats waar het slachten plaats heeft, aangegeven worden, die de aangiften tezamen met de getuigschriften van den aangenomen veearts aan den ,,Kreischef\ (hij ontstentenis van een „Kreischef" aan de „Kommandantur') met de regelmatige, alle veertien dagen in te leveren slachtbrieven in te zenden heeft.

Art, 3. Overtredingen van het slachtverbod (artikel 1) worden met ten hoogste 1000 mark boete of met ten hoogste 6 maand hechtenis of gevangenis gestraft. Ook kan de verbeurdverklaring der in strijd met het verbod geslachte dieren uitgesproken worden.
Bevoegd zijn de krijgsbevelhebbers en de krijgsrechtbanken.
Brussel, den 27n Mei 1916.

No. 221b
11. JUNI 1916. 399
Verordening *** betreffend de Provincieraden. Onder overeenkomstige buiten kracht verklaring van met deze Verordening in strijd zijnde bepalingen, inzonderheid van deze vervat in artikelen 4, 36, 41 der provinciale verkiezingswet en van artikel 44 der provinciewet verorden ik hetgeen volgt:

Art. 1. De in 1916 vallende verkiezingen voor de provincieraden van de provincies Antwerpen, Brabant, Henegouwen Limburg, Luik, Luxemburg en Namen, zullen niet gehouden worden. De mandaten der leden van hier voren genoemde provincieraden, die in 1916 hadden moeten vernieuwd worden, zijn tot nader bericht verlengd.
Art. 2. De leden van de bestendige afvaardigingen der in artikel 1 genoemde provincieraden, die in Juli 1916 hadden moeten aftreden, zullen tot nader bericht hun ambt blijven vervullen.
Art. 3. De gewone zittijden, door de in artikel 1 genoemde provincieraden te houden in de maanden Juli of Oktober, zullen in 1916 niet plaats hebben.
Brussel, den 5n Juni 1916.

No. 221c
11. JUNI 1916. 401
BEKENTMAKING
Met goedkeuring van den Heer Generalgouverneur wordt het rantsoen koren tot nader bericht met 100 gram vermeerderd voor de nijverheidswerklieden van de provincies Henegouw en Luik, die zware arbeid te verrichten hebben. Deze vermeerdering wordt met ingang van 1 Juni van kracht en blijft slechts toegestaan zolang in genoemde nijverheidsgebieden een merkbare aardappelnood heerst.
Brussel, den 31n Mei 1916.Z. E. K. 3465.

No. 222
.14. JUNI 1916. (Nihil).
No. 223
.16. JUNI 1916. (Nihil).

No. 224
.19. JUNI 1916. Pag. 2263
VERORDNUNG, ***
Verordening ***betreffend het verbod, staande koren uit den oogst van 1916 van de hand te doen.
§ 1. Het is verboden om 't even welke rechtsverhandeling over staande koren uit den oogst van 1916 aan te gaan. Uitzonderingen kan de bevoegde Kreischef onder gelijktijdige verwittiging van de provinciale Oogstcommissie toestaan.
§ 2. Rechtsverhandelingen over staande lioren uit den oogst van 1916, die reeds voor uitvaardiging van deze Verordening aangegaan werden, zijn ongeldig.
§ 3. Overtredingen van § 1 dezer Verordening worden met ten hoogste 5 jaar gevangenis of met ten hoogste 20.000 Mk. boete gestraft; ook kunnen beide straffen tegelijk worden uitgesproken. Bevoegd zijn de krijgsrechtbanken en, in lichtere gevallen, de krijgsoverheden.
Brussel, den 14n Juni 1916.
Z. E. K. 3499.

No. 225
.22. JUNI 1916. Pag. 2269
De met drie sterretjes gemerkte Verordeningen worden ook door middel van aanplakbrieven bekend gemaakt. Alle andere Verordeningen moeten door de gemeente-overheid volgens de gebruikelijke wijze van bekendmaken vooral aan de belanghebbenden medegedeeld worden.

Verordening. ***
Aangifte van houtstapels binnen het gebied van het General-Gouvernement. In aansluiting aan mijne Verordening van 27 November 1915 afd. J. Nr. 14145/15 (Wet- en Verordeningsblad van 3 December 1915 Nr. 149 bz. 1390) wordt er op gewezen, dat stapellijsten over alle bergplaatsen binnen het gebied van het General-Gouvernement door de eigenaars of door de stapelhouders ten laatste den 15n van elke maand bij de bevoegde Kreischef moeten ingediend worden.
Deze verordening wordt derwijze uitgebreid, dat overtredingen met ten hoogste 3 jaar gevangenis en met ten hoogste 10.000 mark of met één van beide gestraft worden. Buitendien kan verbeurdverklaring van de niet aangegeven houtstapels uitgesproken worden. Bevoegd zijn de krijgsrechtbanken en de krijgsoverheden. Brussel, den 16n Juni 1916. Ik bepaal, dat vorenstaande Verordening in de verschillende plaatsen bij plakbrief ter algemene kennis worde gebracht.
No. 226a
.24. JUNI 1916. 407

DEEL 1
Verordening *** betreffend inbeslagneming en gebruik van de gerst (zomer- en wintergerst) evenals van de moutkiemen uit het oogstjaar 1916, binnen het gebied van het General-Gouvernement. Gerstenzentrale.

Art. 1. Het voortbestaan der bij Verordening van 20 Juli 1915 ingerichte Gerstenzentrale wordt bevolen. Zij bestaat uit:
a) een lid van het Burgerlijk Bestuur als voorzitter;
b) een lid van het Burgerlijk Bestuur als voorzitter- plaatsvervanger;
c) een lid van het Belgisch Ministerie van Landbouw;
d) een lid der Fédération générale des Brasseurs Belges;
e) een vertegenwoordiger der Belgische gistfabrikanten;
f) een vertegenwoordiger der Belgische graanhandelaars;
g) een lid van den Hogeren Landbouwraad.
De leden onder a en b worden door mij benoemd.
De leden onder c tot g worden benoemd door den
Verwaltungschef; zij zijn steeds herroepelijk. De vertegenwoordigde belangengroepen mogen voorstellen bij den yerwaltungschef indienen. De zittingen der Gerstenzentrale worden door den voorzitter belegd. Al de leden, met uitzondering van de vertegenwoordigers der Zivilverwaltung (Burgerlijk Bestuur) y ontvangen voor elke zitdag een aanwezigheidspenning van 5 mark ieder en de terugbetaling hunner reiskosten. De Gerstenzentrale bezit de rechten een rechtspersoonlijkheid. Zij wordt vertegenwoordigd door haren voorzitter of zijnen plaatsvervanger of door hun gevolmachtigde. De voorzitter of dezes plaatsvervanger heeft onbeperkte macht in de leiding der werkzaamheden.

Art. 2.
I. De Gerstenzentrale is gemachtigd te beschikken over den ganse oogst van dit jaar aan zomer- en wintergerst binnen het gebied van het General-Gouvernement, op welken oogst ik hierbij beslag leg. De Gerstenzentrale koopt de niet tot zaaigerst bestemde gerst naargelang van deugdelijkheid en bruikbaarheid tegen hoogstens 36 frank de 100 kilo gerst, vrij ter leveringsplaats, plus 6 % intrest per jaar voor alle na den I2 September 1916 aangekochte gerst. De Gerstenzentrale laat aan elke bezitter van een landbouwbedrijf 150 kilo zaaigerst van eigen voortbrengst en beste hoedanigheid per hectare van zijn land dat, naar luid der oogstboeken (art. 6 deze verordening), gedurende het jaar 1916 met gerst was bezaaid. Deze hoeveelheid gerst blijft, tot ze uitgezaaid wordt, aan de beslaglegging onderworpen. Den eigenaars van zaaigerst kan een onderlinge ruiling hunner zaaigerst op aanvraag schriftelijk toegestaan worden door de Zivilkommissaren bij de Kreischef. Het toelatingsbewijs geldt als geleibrief bij 't vervoer (Zie art. 8.).'

II Alle moutkiemen binnen het gebied van het General-Gouvernement worden hierbij met beslag gelegd. De beslaglegging slaat op vers gewonnen moutkiemen, zodra de kieming voltrokken is. Op moutkiemen die, volgens bewijs, na 15 November 1915 uit het buitenland ingevoerd werden, is deze beslaglegging niet toepasselijk. De Gerstenzentrale koopt de moutkiemen, naar gelang deze stofvrij en bruikbaar zijn, tegen hoogstens 45 frank per 100 kilo op.

Art. 3.
I. De Gerstenzentrale verdeelt de door haar aangekochte gerst naar de volgende grondregels:
1) aan de gistfabrikanten voor de bewezen behoefte, volgens een op te maken verdelingsrooster;
2) aan de moutkoffiebranderijen, volgens een op te maken verdelingsrooster;
3) aan de brouwerijen, volgens de aanwijzingen van het brouwerij toezichtkantoor.
10 % der aangekochte gerst moet echter vooraf door de Gerstenzentrale bij voorraad worden ingehouden. De Gerstenzentrale bepaalt hare verkoopprijzen naar goeddunken; zij zal zoveel doenlijk hare verkoopprijzen maar om zoveel boven den aankoopprijs stellen, als dit tot het dekken van hare onkosten nodig schijnt. Mocht er een winstoverschot zijn, zo zal dit, na de ontbinding der Gerstenzentrale en de volledige afhandeling der werkzaamheden, voor liefdadige doeleinden over de verschillende provinciën verdeeld worden, en wel in verhouding tot de door elke provincie geleverde hoeveelheid gerst. De afnemers leveren de nodige zakken voor de door hen gekochte gerst.

II De Gerstenzentrale verkoopt de door haar gekochte moutkiemen, volgens een door haar vastgestelde verdelingsrooster, aan de door haar aangeduide gistfabrikanten, tot het uitsluitend vervaardigen van gist, door middel van luchtgisting.
Zij verhoogt den verkoopprijs zoo, dat ze hare bedrijfsonkosten dekt.
Mocht er een winstoverschot zijn, zoo zal dit, na de ontbinding der Gerstenzentrale en de volledige afhandeling der werkzaamheden, voor liefdadige doeleinden over de provinciën verdeeld worden, en wel in verhouding tot de door elke provincie geleverde hoeveelheid moutkiemen.

Art. 4. De voorzitter der Zivilverwaltung in de verschillende provinciën, of dezes plaatsvervanger, is gehouden:
1) de provincie in gerstenkantons in te delen;
2) de gerstcommissionarissen te benoemen {art. 7);
3) voor de provincie bepaalde dorstermijnen voor den gerstoogst vast te stellen.
De uit deze werkzaamheid voortvloeiende onkosten zijn ten laste der Gerstenzentrale.

Art. 5. De Zivilkommissarissen bij de Kreischef zijn belast met het toezicht over de gerstcommissionarissen, over de gerststapels, over het gebruik van de zaaigerst in de kantons en over het inachtnemen der dorstermijnen,
Zij zorgen ook voor een regelmatige oogstboekhouding in de gemeenten en moeten desgevallend op aanwijzing der Gerstenzentrale, een oogstboek doen aanleggen op kosten der in gebreke zijnde gemeente. De uit deze werkzaamheid voortvloeiende onkosten zijn ten laste der Gerstenzentrale.

Oogstboeken.

Art. 6. Elke gemeente moet een oogstboek naar het door de Gerstenzentrale voorgeschreven model bijhouden en alle vereiste gegevens voor een regelmatige oogstboekhouding bezorgen. Zij zorgt voor de bewaring van dit oogstboek.
Het oogstboek moet volgende aanduidingen bevatten:
1) De namen der gerstvoortbrengers
2) De oppervlakte van het met gerst bezaaide land;
3) De schatting van den gerstoogst;
4) De opbrengst aan gedorste gerst;
5) Aantekening over verkoop en afvoer van gerst afzonderlijk.
Met het vaststellen van de opbrengst gedorste gerst in het oogstboek, geldt de in de afzonderlijke bedrijven voorhanden gerst als bij de Gerstenzentrale tegen brandschade kosteloos verzekerd. De door brand veroorzaakte schade wordt vergoed tot het bedrag van 80% der waarde van de verbrande of door het vuur onbruikbaar geworden of in waarde verminderde gerst zoverre de schade niet door andere verzekering reeds gedekt is. Voor brandschade die door eigen schuld des eigenaars werd veroorzaakt of die met krijgshanddelingen samenhangt, wordt geen schadevergoeding toegestaan. De Gerstenzentrale, de voorzitters der Zivilverwaltung, de Zivilkommissarissen bij de Kreischef of dezer plaatsvervangers hebben het recht de oogstboeken in te zien.

Gerstcommissionarissen.

Art. 7. De Gerstkommissionarissen hebben voor taak:
1) het toezicht over het schatten en vaststellen van de oogstopbrengst aan gerst bij de afzonderlijke bezitters van landbouwbedrijven;
2) het prijzen en het afwegen van de gerst;
3) het nemen van monsters (stalen);
4) het bewaken van het gerstvervoer;
5) het uitvoeren van de bijzondere opdrachten der Gerstenzentrale, der voorzitters van de Zivilverwaltung en der Zivilkommissarissen bij de Kreischef.
De Gerstkommissionaris ontvangt voor elke 100 kilo door zijne tussenkomst aangekochte gerst, die hij op de hem aangewezen plaats aflevert, van wege de Gerstenzentrale een vergoeding van 50 centiem. In geval van bijzonder grote of bijzonder vruchtdragende werkzaamheid, kan de betaling een toelage naar het goeddunken der Gerstenzentrale geschieden.

Vervoer van gerst, mout en moutkiemen.

Art. 8. Het vervoer van ongedorste of gedorste gerst, evenals van mout en moutkiemen wordt alleen met geleibrief toegelaten. De geleibrieven worden door de Gerstenzentrale verleend. Geleibrieven worden niet geëist voor: het vervoer van ongedorste gerst van het veld naar de bewaarplaats; het vervoer van ongedorste gerst van de bewaarplaats naar de dorsmachine; het vervoer van gedorste gerst van de dorsmachine naar de bewaarplaats. Deze bepaling is ook toepasselijk op gerstemout of moutkiemen, die niet binnen het gebied van het General-Gouvernement voortgebracht of vervaardigd zijn, doch in dit gebied ingevoerd worden.

Plichten der bezitters van landbouwbedrijven.

Art. 9.
I. Elke bezitter van een landbouwbedrijf, waar gedurende het kalenderjaar 1916 gerst werd voortgebracht, is verplicht:
a) alle gerst zijner voortbrengst, met de uitsluitelijke uitzonderingen der onder art. 2 vermelde zaaigerst, aan de Gerstenzentrale tegen betaling af te staan;
b) alle maatregelen te nemen die tot het behoud der voorbanden stapels nodig zijn, en de vastgestelde dorstermijnen na te komen. Zo de bezitter de maatregelen niet neemt die tot het behoud der stapels nodig zijn, of zo hij de vastgestelde dorstermijnen niet nakomt, kan de Kreischef dese maatregelen op de kosten van den bezitter door een derde laten nemen.
c) de ter schatting van den gerstoogst nodige aangiften bij de gemeente in te dienen en het volledig bedrag der door hem gedorste gerst, onmiddellijk na de afgelopen dorsing, ter aantekening in het oogstboek hij de gemeente aan te geven;
d) den gerstkommissionaris of den anderen lasthebber der Gerstenzentrale toegang te verlenen tot alle plaatsen van zijn boerderij, opdat hij zich van zijn taak kunne kwijten;
e) den gerstkommissionaris of den anderen lasthebber der Gerstenzentrale zijne voorhanden bedrijfsboeken voor te leggen en hem te bewijzen waar de in zijn bedrijf voortgebrachte gerst gebleven is;
f) des verlangd, de gerst op tijd naar het aangewezen spoorweg- of scheepsstation, of hij den aangeduide afnemer of naar het aangewezen gerstmagazijn te brengen en te verladen. Bedraagt de af te leggen weg daarheen meer dan 15 kilometer, zo wordt de verdere afstand tegen den gewone plaatselijke voerprijs vergoed.

II. Elke bezitter of voortbrenger van moutkiemen is verplicht:
a) bij de Gerstenzentrale de bij hem liggende stapels moutkiemen aan te geven en deze stapels aan de Gerstenzentrale tegen betaling af te staan;
b) alle maatregelen te nemen die tot het behoud der voorhanden moutkiemen nodig zijn;
c) aan de lasthebbers der Gerstenzentrale toegang te verlenen tot alle plaatsen van zijn boerderij, opdat zij zich van hun taak kunnen kwijten;
d) aan de lasthebbers der Gerstenzentrale zijne voorhanden bedrijfshoeken voor te leggen en hun te bewijzen, waar de in zijn bedrijf voortgebrachte moutkiemen gebleven zijn;
e) des verlangd, de moutkiemen op tijd aan de door de Gerstenzentrale aan te duiden afnemers volgens opdracht te leveren;
i) voor elke 100 kilo der hij zijn bedrijf ingebrachte gerst ten minste 2 kilo goede, gezonde moutkiemen voort te brengen.

Art. 10. Het is verboden:
a) de staande gerst af te snijden en tot groenvoeder te gebruiken;
b) met gerst bezaaide stukken land om te ploegen;
c) aangeslagen gerst of moutkiemen onbevoegd weg te brengen, of ze onbevoegd te verwijderen uit de gemeente waarin zij aangeslagen zijn, ze te beschadigen, te vernietigen, onbevoegd te verwerken of te verbruiken; inzonderheid ongedorste, gedorste, gestoten of gemalen gerst en ook zaaigerst te vervoederen;
d) aangeslagen gerst en moutkiemen onbevoegd te verkopen, te kopen of op elk andere wijze te vervreemden of te verwerven.
Uitzonderingen op het verbod onder a en b kunnen in bijzondere omstandigheden door den Zivilkommissaren bij den Kreischef toegestaan worden. Plichten der mouters, brouwers, gistfabrikanten en moutkoffiebranderijen.

Art. 11. De toegang tot de fabricatieplaatsen mag aan de lasthebbers der Gerstenzentrale, aan den voorzitter der Zivilverwaltung en aan de Zivilkommissarissen hij den Kreischef niet ontzegd worden. Het voortverkopen van gerst, de afvalgerst uitgezonderd, wordt aan de brouwerijen, mouterijen, gistfabrikanten en moutkoffiebranderijen verboden. De bevoegdheid van het Brouwerijtoezichtskantoor, om grondstoffen van een brouwerij aan andere toe te wijzen (art. II der Verordening van 21 Maart 1916), wordt hierdoor niet geschaad.
Wordt een brouwerijbedrijf of een gistfabriek of een moutkoffiebranderij stilgelegd binnen de tijdruimte tot 1 Augustus 1917, zoo moeten de bij het stilleggen van het bedrijf voorhanden gerststapels aan de Gerstenzentrale worden teruggegeven. De door haar in dit geval toe te kennen vergoeding bestaat in 't algemeen in den koopprijs dien het bedrijf aan de Gerstenzentrale betaald heeft, vermeerderd met een intrest van 6 %, te rekenen van den dag waarop deze koopsom werd uitbetaald. Is de gerst in waarde verminderd, dan moet hij de vaststelling der overnamevergoeding daarmede rekening worden gehouden. Hoogste prijzen der bijproducten.

Art. 12, Als hoogste prijs voor den verkoop van de bijproducten der brouwerij- en mouterijbedrijven worden bepaald:
Voor afvalgerst: 20 frank per 100 kg., in de brouwerij of mouterij genomen:
Voor mouterijresten: 7 frank per 100 kg. droog gewicht der veraccijnsde, voor de bierbrouwerij benuttigde grondstof (farines), in de brouwerij genomen.
Dese hoogste prijzen mogen niet overschreden worden. Buitenlands graan en buitenlandse mout.

Art. 13. De Gerstenzentrale verkoopt de door haar uit het buitenland ingevoerde gerst en het door haar ingevoerde brouwmout aan de brouwerijen, gistfabrieken en moutkoffiebranderijen, volgens den maatstaf van den onder art. 3 bepaalden verdelingsrooster.

Scheidsgerecht.

Art. 14. Alle betwistingen,
1. tussen de Gerstenzentrale en derde personen,
2. tussen de Gerstenzentrale en hare lasthebbers, worden door een te Brussel zetelend scheidsgerecht beslecht. Artikels 1005 tot 1028 der Belgische burgerlijke rechtspleging zijn op dit scheidsgerecht niet van toepassing.
Leden van het scheidsgerecht zijn:
a) een voorzitter, benoemd door den Verwaltungschef;
b) een lid, verkozen door de Fédération Générale des Brasseurs Belges;
c) een lid, aangewezen door den Hogeren Landbouwraad.
Voor elk lid wordt een plaatsvervanger aangeduid.
Het staat het scheidsgerecht vrij, deskundigen en getuigen
te horen. Het scheidsgerecht regelt zijn werkzaamheid
zelf. Van de gerst of de moutkiemen, voorwerp der betwisting, moet een verzegeld monster van ten minste 1 kilogram worden voorgelegd.
Het scheidsgerecht bepaalt naar vrije schatting de hosten der rechtspleging, de partijkosten inbegrepen. De voorzitter stelt de vergoeding vast voor de leden van het scheidsgerecht en voor de deskundigen, evenals de vergoeding voor tijdverlet en reiskosten der getuigen.
De uitspraken van het scheidsgerecht zijn zonder beroep.
De voorzitter verklaart het vonnis van het scheidsgerecht uitvoerbaar. Krachtens dit zijn voltrekkingsbesluit wordt de dwangvoltrekking toegepast.

Strafbepalingen.

Art. 15. Overtredingen van artikels 8, 9, 10, 11 en 12 worden met ten hoogste 1 jaar of met ten hoogste 8000 mark. boete gestraft; beide straffen kunnen tegelijk uitgesproken worden. In geval van overtreding van art. 8 en art. 10, litt. e en d, kan naast de hiervore voorziene straffen de verbeurdverklaring der gerst en der moutkiemen ten bate der Gerstenzentrale en de verbeurdverklaring der overeengekomen tegenwaarde uitgesproken worden. Ook de poging tot overtreding van art. 10, c en à dezer verordening is strafbaar.

Art. 16. Wordt een overtreding van art. 8 en 10, lut. c en d, door een Gerstkommissionaris begaan, zoo moet ten hoogste 5 jaar gevangenisstraf en ten hoogste 16000 mark. boete worden uitgesproken. Ondergaan dezelfde straf: Gerstkommissionarissen die, hij 't bewaken van de oogstvaststelling , wetens en willens de opbrengst der gedorste gerst onjuist vaststellen of die, bij het schatten en afwegen van de gerst of bij het nemen van monsters, wetens valse aangiften doen.

Art. 17. Bevoegd zijn de Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers.

Uitvoeringsvoorschriften.

Art. 18. Het uitvaardigen van uitvoeringsvoorschriften blijft aan de Gerstensentrale voorbehouden.
Brussel, den 15n Juni 1916.
No. 226c
24. JUNI 1916,
Besluit betreffend de voertaal in de door den Staat ondersteunde bewaarscholen. In de op grond van het ministerieel besluit van 21 September 1898 (Moniteur belge nr. 265, bz. 4050) door den Staat ondersteunde bewaarscholen moet het onderwijs, naar grondslag van art. 20, lid 1, der wet van 15 Juni 1914 op het Lager onderwijs, gegeven worden in de moedertaal der kinderen, met inachtneming der volgende bepalingen.

Art. 1. Als moedertaal der kinderen geldt in het Vlaamse land de Vlaamse, in het Walenland de Franse en in het Duitse taalgebied de Duitse taal, zoo niet het gezinshoofd in een bijzondere, bij het aangeven van het hind over te leggen schriftelijke verklaring, eene andere taal als moedertaal van zijn kind opgeeft.
In Groot-Brussel en in de plaatsen aan de taalgrenzen moeten de gezinshoofden, ten laatste binnen 8 dagen na de aangifte, door het hoofd der bewaarschool verzocht worden, de verklaring omtrent de moedertaal van het kind te doen; wordt deze verklaring niet ingebracht, zoo beslist het schoolhoofd, welke taal als moedertaal van het kind zal gelden. Het gebied van Groot-Brussel, van het Vlaamse land, van het Duitse taalgebied, van de plaatsen aan de taalgrenzen en van het Walenland, wordt bepaald door de Verordeningen van den Verwaltungschef bij den Generalgouverneur in België van 18 Maart 1916 (Wet- en Verordeningsblad nr. 192 bz. 1791), van 22 April 1916 (id. nr. 206 bz. 2056), van 22 April 1916 (Id. nr. 206 bz. 2050), van 29 April 1916 (id. nr. 208 bz. 2089) en van 30 April 1916 (id. nr. 210 bz. 2113). De verklaring van het gezinshoofd moet worden bewaard en mag eerst één jaar, nadat het kind de bewaarschool verlaten heeft, vernietigd worden.

Art. 2. De verklaring van het gezinshoofd moet door het schoolhoofd worden getoetst, om te zien of het kind in staat is, in de aangegeven taal de lessen te volgen. Dit onderzoek moet steunen op: de afstamming van het kind, de omgangstaal zijner naaste omgeving en inzonderheid de kennissen van het kind zelf. Beslist het schoolhoofd, dat het kind niet in staat is, in de aangegeven taal de lessen te volgen, zo moet hij deze beslissing op de verklaring van het gezinshoofd neerschrijven, zonder verwijl het gezinshoofd daarvan kennis geven en er op wijzen, dat het dezen vrijstaat, binnen 14 dagen bij het schooltoezicht in beroep te komen; de beslissing van het schooltoezicht moet eveneens op de verklaring van het gezinshoofd worden aangetekend. Is het schoolhoofd de taal, waarover de beslissing moet vallen, niet of slechts onvoldoend machtig, zo laat hij zich door twee onderwijzers, die deze taal wel machtig zijn, bijstaan. In dit geval zal het gemeente of schoolbestuur de onderwijzers aanduiden, die samen met het schoolhoofd de toezichtskommissie uitmaken.

Art. 3. De schoolopziener moet, door het bezoeken der school en, zoverre dit nodig blijkt, door het horen van het schoolhoofd, het inzien van de verklaringen der ouders en het onderzoeken van de kinderen, zich er van overtuigen dat het schoolhoofd nauwgezet de verklaringen heeft getoetst en dat het vaststellen van de moedertaal nauwgezet is geschied. Komen er twijfelachtige gevallen voor, dan moet daarvan aan den hoofdopziener worden kennis gegeven.

Art. 4. De met het oog op de moedertaal gevallen beslissing blijft zolang geldig, als het kind, een door den Staat ondersteunde bewaarschool bezoekt.

Art. 5. Zijn er in een bewaarschool kinderen met verschillende moedertaal, zo zal het onderwijs in de taal der meerderheid worden gegeven. Het is verboden klassen en afdelingen met dubbele voertaal in te richten. In Groot-Brussel en in de plaatsen aan de taalgrenzen (art. 1, lid 3) met een bijzondere klas voor de minderheid ingericht worden, wanneer in een school
met 2 klassen ten minste 40 ten honderd,
met 3 klassen ten minste 30 ten honderd,
met A of 5 klassen ten minste 20 ten honderd,
met 6 of 7 klassen ten minste 15 ten honderd,
met 8 of meer klassen ten minste 10 ten honderd
der gezamenijke scholieren een andere moedertaal hebben als de voertaal van het onderwijs; binnen de bijzondere klassen kunnen voor de verschillende jaargangen gesplitste afdelingen gevormd worden. In de andere delen van het land, moet daarnaar gestreefd worden, dat onder dezelfde voorwaarden dezelfde regeling geschiedt.

Artikel 6. Zijn er in een school kinderen met verschillende moedertaal, zo zal het schoolhoofd, onmiddellijk na aanvang van het schooljaar, den kantonnale schoolopziener in een verslag mededelen, hoeveel der kinderen elke jaargang omvat en welke bijzondere klassen en afdelingen voor hen werden ingericht. De kantonnale schoolopziener zendt een lijst dezer verslagen aan den hoofdopziener.

Art. 7. Gaat een kind, naar een andere school over, zo overhandigt het schoolhoofd aan het gezinshoofd een getuigschrift betreffend de taal, in welke het kind tot dan toe onderwezen werd. Het schoolhoofd der nieuwe school is gehouden, bij het inschrijven van den scholier, het overleggen van dit getuigschrift te verlangen.

Art. 8. Geen onderwijzer mag in een klas onderwijzen, zo hij de voor deze klas voorgeschreven taal niet volkomen machtig is. Het schooltoezicht zou hierover bijzonder waken en over voorkomende twijfelachtige gevallen aan den hoofdopziener verslag doen.

Art. 9. Geen onderwijzer mag den scholieren het vrij gebruik hunner moedertaal beperken.

Art. 10. De getuigschriften betreffend het schoolbezoek moeten opgesteld zijn in de voertaal van de klas waartoe de leerling behoort. Hetzelfde geldt voor het schriftelijk verkeer met de ouders der scholieren.

Art. 11. Worden vorenstaande bepalingen of de op grond er van gegeven bevelen van het schooltoezicht of van het Ministerie voor Wetenschap en Kunst niet nageleefd, zoo kan aan de gemeente of aan het schoolbestuur de voor de bewaarschool verleende staatstoelage geheel of gedeeltelijk onttrokken worden.

Artikel 12. De voorschriften dezer Verordening worden met den aanvang van het schooljaar 1916/17 van kracht.
Het Ministerie voor Wetenschap en Kunst kan, in dringende gevallen, inzake toepassing van de verschillende bepalingen een passende uitstel verlenen.
Brussel, den 15n Juni 1916.

No. 226d
24. JUNI 1916,
Verordening, *** betreffend inbeslagneming van bewerkte suikerij (cichorei).

Art. 1. Alle in het gebied van het General-Gouvernement voorhanden stapels bewerkte suikerij, zoo zuiver als met andere voortbrengselen vermengd, worden hierbij voor benuttigen ten bate der burgerbevolking aangeslagen. Hoeveelheden beneden 100 kg. blijven van de beslaglegging uitgesloten.

Art. 2. Het uitsluitend beschikkings- en benuttigingsrecht over de aangeslagen stapels en over de voortaan uit het buitenland en uit de Etappe in te voeren hoeveelheden, welke eveneens aan de beslaglegging onderworpen zijn, wordt opgedragen aan de Suikerij-afdeling der Zentral-Einkaufs-Gesellschaft te Brussel, onder het oppertoezicht van den Verwaltungschef bij den Generalgouverneur. Aan de aangeslagen stapels mogen geen wijzigingen worden toegebracht; ook mag er door hoegenaamd geen overeenkomst over beschikt worden. Dergelijke overeenkomsten zijn ongeldig. Leveringsverplichtingen, die door levering nog niet vervallen zijn, verliezen met het van kracht worden dezer Verordening alle geldigheid.

Art. 3. Alle bezitters van aangeslagen suikerij zijn verplicht ten laatste den 5n Juli 1916 hunne stapels aan de Suikerijafdeling der Zentral-Einkaufsgesellschaft te Brussel, onder aanduiding der hoedanigheid, schriftelijk aan le geven en de nauwkeurigheid der aangiften te verzekeren. Stapels. die in vreemde zolders, bergplaatsen, scheepsruimten of dergelijke liggen moeten aangegeven worden door degene die het recht heeft er over te beschikken, zoo deze die stapels in eigen bewaring heeft. Is dit niet het geval, zoo moet de beheerder der vermelde bergplaatsen de aangifte doen.
De voornoemde personen moeten:
a) alle tot behoud der stapels vereiste maatregelen nemen,
b) aan de lasthebbers van de Duitse overheden, van de Suikerijafdeling der Zentral-Einkaufsgesellschaft en van de gemeenten toegang tot de bewaarplaatsen verlenen en hun de bedrijfsboeken tonen,
c) op verzoek, hun stapels tegen betaling afleveren aan de Suikerijafdeling der Zentral-Einkaufsgesellschaft of aan de door haar aangeduide kantoren.

Art. 4. Wordt het afstaan der stapels (art. 3, c) geweigerd, zoo kan de Kreischef op verzoek der Suikerijafdeling der Zentral-Einkaufsgesellschaft bevelen, dat de stapels tegen 20 % beneden den vastgestelde prijs van overname, desnoods met hulp der gewapende macht, afgenomen worden. In het bevel moet de bezitter of bewaarder verzocht worden, de weg te halen hoeveelheden binnen een bepaalde tijdruimte af te sonderen. Komt hij dit verzoek niet na, zoo kan de Kreischef de afzondering op diens kosten laten uitvoeren.

Art. 5. Voor de aangeslagen suikerijstapels zullen, zoo men tot geen akkoord geraakt, al naar gelang van hoedanigheid en verpakking overnameprijzen zonder beroep vastgesteld worden door een kommissie van ten minste 3 deskundigen. De Verwaltungschef bij den Generalgouverneur benoemt de leden dezer Kommissie en hun plaatsvervangers, door een keus onder de fabrikanten, handelaars en gebruikers.

Art. 6. Wie de bepalingen van art. 2, lid II, en vav art. 3 en 4, lid II, overtreedt of over de hoedanigheid zijner waar valse aangiften doet, wordt met ten hoogste 1 jaar gevangenis of met ten hoogste 10.000 mark boete gestraft. Ook kan boete samen met gevangenisstraf worden uitgesproken. Bovendien kan verbeurdverklaring van de waar, voorwerp der overtreding, uitgesproken worden. Bevoegd zijn de Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers.

Art. 7. Met de uitvoering der Verordening wordt de Verwaltungschef bij den Generalgouverneur belast. Hij is inzonderheid bevoegd, algemene aanwijzingen te geven over den aard en de wijze waarop de kommissie van deskundigen (art. 5) de prijzen heeft vast te stellen.
Brussel, den 16n Juni 1916.


No. 226e
24. JUNI 1916,
Verordening betreffend verlenging van de mandaten van de griffiers der provinciën Henegouwen en Namen.
In aansluiting aan mijn verordeningen van 30 Juni 1915 en 17 Januari 1916 (Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van Belgïé, hl. 759 en 1531), verorden ik hetgene volgt:
De mandaten van de griffiers der provinciën Henegouwen, A. Langlois, en Namen, X. Bribosia, worden verder tot 31 December 1916 verlengd.
Brussel, den 19n Juni 1916.
No. 227a
27. JUNI 1916. Pag. 2297
Verordening *** betreffend het gebruik van fruit en van uit fruit gewonnen voortbrengselen, voor het vervaardigen van brandewijn.

De met drie sterretjes gemerkte Verordeningen worden ook door middel van aanplakbrieven bekend gemaakt. Alle andere Verordeningen moeten door de gemeente-overheid volgens de gebruikelijke wijze van bekendmaken vooral aan de belanghebbenden medegedeeld worden.
Art. 1. Het verwerken van fruit evenals van alle uit fruit gewonnen voortbrengselen in de stokerijen is tot nader bericht verboden. Overeenkomsten betreffend levering van onder lid 1 vermelde grondstoffen tot het vervaardigen van brandewijn, verliezen, van den dag der vankrachtwording dezer Verordening af, alle geldigheid, zoverre zij door levering nog niet vervuld zijn.
Art. 2. Uitzonderingen kan de Verwaltungschef toestaan.
Art. 3. Overtredingen van de bepaling onder Art. 1 lid 1 worden met ten hoogste 6 maand gevangenis of met ten hoogste 20.000 mark boete gestraft. Beide straffen kunnen tegelijk uitgesproken worden.
Art. 4. Bevoegd zijn de Duitse krijgsrechtbanken en krijgsbevelhebbers.
Brussel, den 18n Juni 1916.

No. 227b
.27. JUNI 1916.

Verordening *** over het opnemen der stapels zeep.
Art. I. Op 10 Juli 1916 wordt een opneming gedaan van de stapels zeep, ten einde vast te stellen welke hoeveelheden voor de bevoorrading der burgerbevolking beschikbaar zijn. Onder zeep in den zin dezer Verordening moet men verstaan, alle uit vetten of vetzuren met alkaliën verkregen voortbrengselen dus harde en zachte zeep, zeeppoeder en andere vethoudende wasmiddelen.

Art. II Wie, met aanvang van 10 Juli 1916, stapels der onder art. I. vermelde soort in bewaring heeft, moet ze ten laatste den 15n Juli 1916 aangeven hij de Oelzentrale in België, afdeling zeep, Brussel, Koloniënstraat, 54. De aangifte moet volgens onderstaand model geschieden. Stapels, die in vreemde zolders, bergplaatsen, scheepsruimen of dergelijke liggen, moeten door den beschikkingsgerechtigde aangegeven worden, indien hij ze in eigen bewaring heeft. Is dit niet het geval, zoo zal de beheerder der bergplaatsen de aangifte doen. De bezitter moet geen aangifte doen, zo zijn gehele zeepstapel de 100 kgr. niet overtreft.

Art. III. Wie opzettelijk of uit nalatigheid de voorgeschreven aangifte niet of onjuist of onvolledig doet, wordt met ten hoogste zes maand gevangenis of met ten hoogste 10000 mark boete gestraft. Ook kan verbeurdverklaring der niet aangegeven stapels uitgesproken worden.
Bevoegd zijn de krijgsrechtbanken en de krijgsoverheden.

Opneming' van zeepstapels op 10 Juli 1916.
Aangifte
van naam beroep te
(woonplaats) (straat en nr)
Met aanvang van 10. 7. 16 bevonden zich te mijnent
volgende stapels:
1) Toiletzeep kg.
2) Kernzeep (harde zeep) „
3) Zachte zeep „
4) Zeeppoeder „
5) Andere vethoudende wasmiddelen ... „
Ik verzeker hierbij dat bovenstaande aangiften naar beste weten en rechtzinnig gedaan zijn.
Brussel, den Juli 1916.
No. 227c
27. JUNI 1916. 471
Verordening *** over het houden van duiven. Onder opheffing van mijne bekendmaking met gelijkluidende hoofding van 6. 10. 1915 (Wet- en Verordeningsblad nr. 130, blz. 1209) verorden ik hetgene volgt:
De bezitters van om 't even welke duiven zijn verplicht, hun duiven dagelijks tot 1 uur 's namiddags in de hokken opgesloten te houden.
Van 1 uur tot zonsondergang, mogen de duiven losgelaten worden.
Van 2 uur tot 5 uur 's namiddags, moeten alle hokken (tillen) open zijn en alle duiven kunnen uitvliegen.
Het is verboden, enkele duiven van het algemene hok afgezonderd te houden.
2. Over alle duiven, ook over die welke in den loop van het jaar geboren zijn, moeten volgens hokken opgestelde lijsten, naar het vroegere model en in dubbel afschrift, ten laatste den 15n Oktober van elk jaar, hij den burgemeester der gemeente ingeleverd worden. Deze lijsten moeten ten laatste den In November ingediend worden bij den Kreischef of, bij ontstentenis van deze, bij den Kommandant. Het ene afschrift er van wordt door de Duitse overheid na afstempeling aan den burgemeester teruggegeven, om aan de duivenhouders te worden overhandigd; voor dezen dient het als bewijs hunner aangifte. De lijsten moeten aan de deur van het hok bevestigd worden.
3. Alle duiven ook de jonge, zodra zij het nest verlaten moeten een gesloten, naadloze, ongesoldeerde en onafneembare voetring dragen. Uitgezonderd worden zulke duiven, die geboren worden van 15. Oktober tot 15 Februari van het daaropvolgende jaar: deze moet men doden zodra ze vlug zijn.
4. Maatschappijen en zulke personen, die aan duivenhouders voetringen verkopen of afleveren, moeten een lijst over het aantal der voor het jaar 1916 door hen aangeschafte voetringen, onder nauwkeurige aangifte der voetringmerken, bij den burgemeester hunner gemeente indienen, die ze ten laatste den 31n Juli aan den Kreischef of aan den Kommandant ter overlegging aan het General-Gouvernement zal overmaken. Verder moeten zij een nauwkeurige lijst houden over de verkochte of afgeleverde ringen. Door middel van den voetring, moet de eigenaar van elke duif gemakkelijk te vinden zijn.
Van 15 Oktober 1916 af, is het aanschaffen van voetringen door maatschappijen of duivenhouders verboden; van dan af zullen de voetringen uitsluitelijk door het General-Gouvernement bezorgd en afgeleverd worden,
Duiven, die binnen het jaar geboren zijn en dus eerst op 15 Oktober ter aangifte komen, moeten gekenmerkt worden door het roodverven van den rechter vleugel aan beide zijden,
5. Duiven die aan het hok niet gewend zijn, moeten bovendien, door sterke inkorting der 6 grootste slagpennen van enen vleugel, ongeschikt tot vliegen gemaakt zijn.
6. Op zwaarvliegende sier- of prachtduiven, zoals koppers, trommel- en pauwduiven enz. is de bepaling onder nr. 3 niet van toepassing. Zulke duiven zullen door de duivenbewakingskommandos, zoverre dit nog niet geschiedde, gestempeld worden.
7. Duivenhouders, bij wie duiven binnenvliegen, moeten deze aanstonds doden en daarvan bij den burgemeester hunner gemeente schriftelijke aangifte doen, onder inlevering van den voetring en beschrijving der duif.
Duivenhouders, uit wier hok duiven verloren vliegen en wegblijven, moeten daarvan binnen 4 dagen bij den burgemeester schriftelijke aangifte doen. Deze aangiften moeten aan de bevoegde krijgsoverheden (Kreischef, Kommandantur) overgemaakt worden.
8. Het is verboden levende duiven van de hand te doen, ze van het een hok naar het andere over te brengen of ze op enigerlei wijze te verhandelen of te verruilen. Daarom mogen alleen geslachte duiven op straat of op de markt gebracht worden. Als uitzondering kan bij een verhuizing, op verzoek bij den burgemeester ingediend, het overbrengen van de duiven naar de nieuwe woning toegestaan worden door den Kreischef of door den Kommandant, doch die overbrenging moet dan geschieden onder militaire bewaking en met inachtneming van de bepaling van nr. 5. 9. Worden, hij het toezicht door de krijgsoverheden, minder duiven gevonden dan er op de lijst van aangifte vermeld staan, zoo moet de duivenhouder, desgevallend door het vertonen van de ongeschonden voetringen, het verschil verklaren.
10. Zoverre geen andere straf bepalingen inzonderheid zulke over bespieding van toepassing zijn, worden overtredingen van deze Verordening gestraft met ten hoogste één jaar hechtenis of gevangenis of met ten hoogste 10.000 mark boete; daarnaast kan verbeurdverklaring van den gehele duivenstapel van den veroordeelde uitgesproken worden. Verbeurdverklaring van den gehelen duivenstapel moet uitgesproken worden, wanneer de dader het inzicht had, zich aan de bewaking der krijgsoverheden te onttrekken. Verder, wanneer duiven, die kunnen vliegen en niet aan het hok gewend zijn, ongekortwiekt gelaten of afgezonderd gehouden worden. Verder, wanneer gesoldeerde of op andere wijze naderhand bevestigde voetringen aangelegd werden.
11. Bevoegd tot oordeelvellen zijn de Duitse krijgsrechtbanken en krijgsoverheden.
12. Bijzondere bepalingen voor de tot het General-Gouvernement behorende streken der arrondissementen Kortrijk en Doornik. Voor de tot het
General-Gouvernement behorende streken der arrondissementen Kortrijk en Doornik, uitgenomen voor het kanton Ath, geldt in plaats van nr. 1 de volgende bijzondere bepaling:
De bezitters van om 't even welke duiven zijn verplicht hun duiven in de hokken bestendig opgesloten te houden. De uitvliegopeningen moeten vast gesloten of met een vast traliewerk omgeven zijn. Er mogen geen duiven afgezonderd gehouden worden,
Brussel, den 22n Juni 1916.
No. 228
30. JUNI 1916. Pag. 2309
De met drie sterretjes gemerkte Verordeningen worden ook door middel van aanplakbrieven bekend gemaakt. Alle andere Verordeningen moeten door de gemeente-overheid volgens de gebruikelijke wijze van bekendmaken vooral aan de belanghebbenden medegedeeld worden.

Op grond mijner Verordeningen van 30 Juni en 23 Juli 1915 (nr. 5) betreffend den korenoogst van 1915, evenals mijner Verordening van 28 Augustus 1915 betreffend koren en meel uit vroegere oogstjaren, heb ik, op voorstel der Centrale Oogstkommissie (Zentral Ernte Kommission) , de hoogste prijzen voor den verkoop van gedorst koren, meel, zemelen en brood voorshands als volgt vastgesteld
voor tarwe uit stapelplaats of molen geleverd fr. 40.96 per 100 kg.
Voor rogge uit stapelplaats of molen geleverd fr 27.35 per 100 kg.
„ masteluin uit stapelplaats of molen geleverd fr 29.68 per 100 kg.
„ ongepelde spelt uit stapelplaats of molen geleverd fr 26.29 per 100 kg.
„ tarwezemelen uit molen geleverd . . , 22 per 100 kg.
„ masteluinzemelen uit molen geleverd fr 20 per 100 kg.
„ roggezemelen uit molen geleverd, fr 18 per 100 kg.
„ tarwemeel aan bakkers of gebruikers geleverd fr 51.58 per 100 kg.
„ roggemeel aan bakkers of gebruikers geleverd fr 35.83 per 100 kg.
„ masteluinmeel aan bakkers of gebruikers geleverd fr 37.46 per 100 kg.
„ tarivemeel op 60 % of fijner gemalen, aan pasteibakkers geleverd fr 80. per 100 kg.
„ roggemeel op 60 % of fijner gemalen, aan pasteibakkers geleverd fr 65. per 100 kg.
„ tarwebrood aan gebruikers geleverd . . „ —.45 „ per 1 kgr.
Beze hoogste prijzen worden op 15 Juli van kracht. Den Provincialen Oogstkommissies (Provinzial Ernte Kommissionen) wordt de bevoegdheid verleend, voor de omschrijving van afzonderlijke gemeenten op verzoek of na raadpleging van de burgemeesters, telkens eenen lageren hoogsten prijs voor tarwebrood, evenals hoogste prijzen voor brood, tot het bereiden waarvan roggemeel wordt gebruikt, vast te stellen. Voor de verkoopen der voortbrengers van tarwe en rogge aan het Nationaal Hulp- en Voedingskomiteit, blijven de in mijne Bekendmaking van 10 Augustus 1915 (nr. 4a) vastgestelde hoogste prijn van kracht.
Brussel, den 23n Juni 1916.

No. 228b.
30. JUNI 1916. 485
Verordening *** betreffend het verbod om kalfsvlees in koel- of ijskamers te bewaren.
Art. 1. Het opstapelen van kalfsvlees in ijskamers is verboden. Kalfsvlees, dat reeds in dergelijke plaatsen bewaard ligt, moet er weer uitgenomen en voor den 15n Juli 1916 in den handel gebracht worden. Voor den 15n Juli 1916 moet ook het kalfsvlees, dat door kooplieden in koelkamers geborgen is, in den handel gebracht worden.
Art. 2. Overtredingen worden met ten hoogste 1 000 mark boete of met ten hoogste 6 maand hechtenis of gevangenis gestraft. Ook kan de verbeurdverklaring van het bewaarde kalfsvlees uitgesproken worden. Bevoegd zijn de krijgsopperbevelhebbers en de krijgsrechtbanken.
Brussel, den 24n Juni 1916.

No. 228b
30. JUNI 1916. 487
In wijziging der Verordening van 19 April 1916 (Wet- en Verordeningsblad, blz. 2048), bepaal ik hierbij:
De onder art. 5 en 7 der wet van 1 Februari 1844 in de bewoording der wetten van 15 Augustus 1897 en 488 van 28 Met 1914 voorziene termijn voor het vaststellen van rooilijnen en het inleiden der onteigening procedés neemt aanvang, zonder rekening te houden met het tijdstip waarop de aanvraag om te mogen bouwen ingediend werden In Juli 1916, indien deze aanvragen op zulke openbare plaatsen en straten slaan, waarvan door de oorlogsgebeurtenissen één of meer huizen verwoest werden.
Brussel, den 24n Juni 1916.

No. 228c
30 JUNI 1916. 491
Verordening waarbij het Toltarîef gewijzigd wordt.
Art. 1. De invoerrechten op de hiernagenoemde goederen, worden als volgt gewijzigd:

Volgnummer van het toltarief Goederen Invoerrechten (maatstaf en bedrag)
Ex 61 Gefabiceerde tabak
Sigaretten waarde 60% (a)
(a) Dit recht wordt toegepast zonder bijvoeging van het bijrecht van 10 t.h. vastgesteld bij artikel 2 der Verordening van 1 maart 1916 ( Wet en Verordeningsblad blz 1694
Ex 69 Schuimwijn in flessen vrij (b)
(b)Schuimwijn in flessen is onderworpen aan een accijnsrecht van 150 fr per hectoliter

Art. 2. Deze Verordening wordt met ingang van 1 Juli 1916 van kracht. Goederen, die na den 30n Juni nog volgens de vroegere voorschriften ten verbruik verzonden werden, zijn, op verlangen der toloverheid, bij navordering aan de tol- of accijnsrechten volgens het onder artikel 1 vastgestelde tarief te onderwerpen. Goederen, die per spoor ingevoerd en rechtstreeks aan de bestemmelingen afgeleverd worden, zijn aan het in artikel 1 voorgeschreven tarief onderworpen, wanneer de Duitse tolkantoren de invoerlijst voor het invorderen der rechten op 1 Juli 1916 of na dien datum opgemaakt hebben.
Brussel, den 28n Juni 1916.
 

Vorige pagina indexpagina Volgende pagina
OF GA TERUG MET DE BACKTOETS

Kent U de v.z.w. KONINKLIJKE OUDHEIDKUNDIGE KRING VAN HET LAND VAN WAAS
(afgekort K.O.K.W.)

niet, of wil je meer weten over de doelstelling
en werking van deze kring, klik dan
"hier voor Werking K.O.K.W".

DOCUMENTATIE CENTRUM
M.Z. Zamanstraat 49 9100 Sint-Niklaas
Zaterdagen 9u30 tot 12u30
Documentatie centrum
gesloten in juli en aug.