Dagboek Raphaël Waterschoot
 Gesetz- und Verordnungsblatt fur die okkupierten Gebiete Belgiens.
Bulletin officiel des Lois et Arrêtés pour le territoire belge occupé.
Wet en Verordeningsblad voor de bezette strekenvan België.

(TEXTES OFFICIELS door mij aangepast na omzetting)

RÉDIGÉE PAR CHARLES HENRY HUBERICH

DOCTEUR EN DROIT, ANCIEN PROFESSEUR DE DROIT À L'UNIVERSITÉ STANFORD (CALIFORNIE).
MEMBRE DU BARREAU DE LA COURSUPRÊME DES ÉTATS UNIS DE L'AMÉRIQUE,
AVOCATLA HAYE • PARIS - BERLIN - HAMBOURG
ET
ALEXANDER NICOL-SPEYER
DOCTEUR EN DROIT, AVOCAT À LA COUR DE CASSATION DES PAYS-BAS
LA HAYE - ROTTERDAM
Nr 6      01 Januari 1916- 01 april 1916

LA HAYE    MARTINUS NIJHOF 1916

NUMMER. 162

6. JANUARI 1916.

Met goedkeuring des Heren Generaalsgouverneurs in België heb ik overeenkomstig de verordeningen van 17 Februari en 26 Augustus 1915 het huis Compagnie Juco, Brussel- nord 25127, Voorstadstraat, onder dwangbeheer geplaatst. Tot dwangbeheerder heb ik Mr. rechtsanwalt E. Kleefeld benoemd. Brussel, den 31 December 1915. IV B 254.

Met goedkeuring des Heren Generaalsgouverneurs m België heb ik overeenkomstig de verordeningen van 17 Februari en 26 Augustus 1915 het huis avier Faguer, Brussel, 59 St.-Jansstraat en de gezamenlijke hij- huizen ervan in België onder dwangbeheer geplaatst. Tot dwangbeheerder heb ik Mr. Rechtsanwalt E. Kleefeld henoemd. Brussel, den 31n December 1915. IV B 233.

NUMMER. 163

8. JANUARI 1916.

Verordening betreffend beveiliging van plet- materiaal, plaatijzer, spoorstaven en ander materiaal voor veld- en buurtspoorwegen. Alle pletmateriaal (halffabricaten allerhande, zoals metaalstaven, staafijzer, billettes, platen, enz.), verder ijzer- en staalplaten van meer dan 1 mm. dikte, evenals spoorstaven en ander materiaal voor veld- en buurtspoorwegen worden ter beschikking van den Generaal van het Ingenieur- en Pionierkorps gesteld.

Dienvolgens worden koopverdragen, wegvoeren, afstaan en ander rechtszakelijk beschikken, evenals beschikken onder vorm van dwangbevel zonder zijne toestemming verboden; dit slaat niet op stapels onder 10 ton. Wie de voorschriften dezer Verordening overtreedt, wordt met ten hoogste twee jaar gevangenis en met ten hoogste een boete van vijftigvoud de waarde der dingen, welke het voorwerp van het misdrijf uitmaken,

of met een van beide gestraft. De poging tot de overtreding is strafbaar. Naast de straf kan ook verbeurdverklaring van de waren uitgesproken worden, welke het voorwerp van het misdrijf uitmaken, zonder onderscheid of zij den veroordeelde toebehoren of niet. Tot oordeelvellen zijn de. krijgsrechtbanken bevoegd. Brussel, den 31n December 1915. J. 16055115. 6

NUMMER. 165

13. JANUARI 1916

Verordening betreffend de trapsgewijze opheffing van het moratorium.

Art. 1. De hij Verordening van 17n December 1915

(Wet- en Verordeningblad voor de bezette streken van België nr. 156) bepaalde termijnen voor protestopmaken en andere noodwendige handelingen tot vrijwaring van verhaal, worden voor wissels, die voor den 3n Augustus 1914 getrokken werden en van 31 Juli 1914 tot 31 Januari 1916 inbegrepen binnen het gebied des Generaal-Gouvernement België betaalbaar zijn, tot den afloop van negentien maand en zeven dagen na den vervaldag, echter niet langer dan tot den 8n Augustus 1916 verlengd, zoverre de wissels binnen het gebied van het Generaal-Gouvernement België getrokken werden en het bedrag twee honderd frank te boven gaat. Werden zulke wissels buiten het Generaal-Gouvernement getrokken, of is het bedrag van den wissel twee honderd frank of minder, dan worden de aangeduide termijnen tot den afloop van twee en twintig maand en zeven dagen na den vervaldag, evenwel niet langer dan tot 8n verlengd. Voor den afloop der in lid 1 aangeduide termijnen kan tegen den indossant en de andere aansprakelijke personen betaling niet gevorderd worden. Het protestopmaken is van af de afkondiging dezer Verordening alleen binnen de laatste zeven dagen voor afloop der in lid 1 bepaalde termijnen toegelaten. Betrekkelijk de interesten blijven de tot nu bestaande voorschriften van kracht.

Art. 2. De in het handelswetboek, boek 1, titel 8, art. 53, lid 1 voorziene termijn voor protestopmaken wordt voor alle wissels, die van af In Februari 1916 binnen het gebied van het Generaal-Gouvernement België betaalbaar worden, met vijf dagen verlengd

Art. 3. De in het handelswetboek, hoek I, titel S, art. 56 en 58 voorziene termijnen voor verhaal worden met veertien dagen verlengd. Voor de onder art. 1 vermelde wissels worden deze termijnen van den dag af berekend waarop verhaal toegelaten wordt. 7

Art. 4. De in het handelswetboek, boek 3, titel I, art. 443 voorgeschreven inzending van de lijst der geprotesteerde wissels aan den Voorzitter der handelsrechtbank geschiedt in plaats van binnen de eerste tien dagen der maand volgend op de opmaking van het protest binnen de eerste tien dagen der eerstvolgende maand.

Art. 5. De voorschriften der art. 1-4 zijn op alle andere door endossement overdraagbare papieren insgelijks van toepassing.

Art. 6. Voor de terugbetaling van banktegoed, voor den 3n Augustus 1914 bestaande, gelden volgende bepalingen:

1. De banken zijn verplicht, op banktegoed uitbetalingen van één duizend frank per veertien dagen toe te staan, zoverre niet volgens nr. 2 en 3 van dit artikel hogere uitbetalingen opgelegd worden. Het uitbetalen van bedragen, die op de bepaalde termijnen niet afgehaald werden, kan naderhand niet geëist worden.

2. Tot gelijk welk bedrag kunnen terugbetaling en uit banktegoed te allen tijde geëist worden, zoverre ontwijfelbaar bewezen wordt, dat het uit te betalen bedrag

a) tot het betalen van schulden of vervallende verplichtingen allerhande,

b) tot het aanschaffen van stoffen of waren tot handels-, nijverheids-, land- of bosbouwbedrijf bestemd, dienen moet.

3. De dwangbeheerders hebben het recht, zonder beperking over banktegoed van onder hun bekeer staande ondernemingen te beschikken. Evenzo moeten de beschikkingen der onder toezicht geplaatste ondernemingen over haar banktegoed zonder nageleefd worden, zodra de beschikkingen door de toezichthoudende personen goedgekeurd zijn. Het terugeisen van banktegoed dat van den 3n Augustus ontstaan is, ondergaat geen beperking.

Art. 7. Het besluit van den Koning der Belgen van 18n Augustus 1914 betreffend het uit kracht treden van vernietigingsbedingen (Moniteur Belge, nr. 231 van 19 Aug. 1914) wordt opgeheven. Onbeschadigd zijne bevoegdheid betalingsuitstelleen toe te staan, kan het gerecht, op verzoek des schuldenaars, in zijn vonnis heslissen, dat de bijzondere rechtsgevolgen die, wegens niet-betaling of niet stipte betaling een voor den 4 den Augustus 1914 geboren schuldvordering, volgens wet of verdrag ontstaan zijn of ontstaan, als niet ontstaan zijnde gelden. Het gerecht kan ook heslissen, dat de rechtsgevolgen slechts onder zekere voorwaarden, inzonderheid na den vruchteloze afloop van een uitstel van ten hoogste drie maanden, zullen ontstaan. Zulke beslissing is niet toegelaten indien de rechtsgevolgen reeds op 4 den Augustus ontstaan waren.

Art. 8. De in het Wet- en Verordeningblad voor de bezette streken van België nr. 10 van 7n November 1914, nr. 17 van In December 1914, nr. 109 van 26n Augustus 1915 en nr. 136 van 3n november 1915 afgekondigde Verordeningen van 3n November 1914, 28n November 1914, 12n Augustus 1915 en 29n Oktober 1915 betreffend betalingsverbod ten voordele van Engeland, Frankrijk, Rusland, Finland, het Britse bezettingsgebied in Egypte en de onder Frans Protectoraat staande streken van Marokko blijven van kracht.

Art. 9. Deze Verordening wordt op 1n Februari 1916 van kracht. Zij geldt niet voor het Frans gedeelte van het Generaal-Gouvernement. Brussel,

den 5n Januari 1916

Verordening over het postprotest.

Naast de deurwaarders, die zoals vroeger, krachtens de bestaande wetten daartoe bevoegd blijven, zijn voortaan de beambten van het Duits postbeheer en de terug in dienst getreden beambten van het voormalig Belgisch postbeheer, in de grenzen der volgende bepalingen tot het opnemen van wisselprotesten bevoegd. Van af In Maart 1916 neemt het postbeheer op zich, wanneer hem te dien einde een afgiftebulletin van te protesteren wissels overgelegd wordt, het opmaken van protesten wegens niet-betaling .

het opmaken door de post van protesten wegens niet-betaling blijft uitgesloten:

1. voor wissels bij welke protest voor een hoger bedrag dan eenduizend frank moet opgemaakt worden;

2. voor wissels, die in andere taal dan Duits, Vlaams of Frans opgesteld zijn;

3. voor wissels, bij welke het bedrag in een andere dan Duitse of Belgische munt aangeduid is, in zoverre de trekker uitdrukkelijk op den wissel de betaling in de aangeduide munt bevolen heeft;

4. voor wissels, die met een noodadres of met een ter ereacceptatie voorzien zijn;

5. voor wissels, die bij vertoning van verscheidene exemplaren van dezelfden, of bij vertonen van het oorspronkelijke en van een afschrift te protesteren zijn.

Protesten, met een ander doel dan betaling, worden door de post niet opgemaakt. Alle protesten wegens niet-betaling, die bij verhandeling van een regelmatig afgiftebulletin van te protesteren wissels geëist zijn, worden door de postbeambten opgemaakt. Daartoe worden uitsluitend gebezigd borderellen in Duitse taal met Vlaamse en Franse vertaling, door het postbeheer uitgegeven.

Het postbeheer is verantwoordelijk voor het nakomen der voorgeschreven vormen tot opmaken van het protest, en dit tot het bedrag der som voor dewelke protest moet opgemaakt worden. Voor het overige verwaarborgt het postbeheer, bij alle afgiftebulletins, de vertoning der wissels op gepaste tijd, en hun terug- of verder zending niet, noch het nakomen der bijzondere voorschriften van het wisselrecht. Aanspraak op schadevergoeding tegenover het postbeheer vervalt na afloop van zes maanden, te rekenen van den dag der afgifte van het afgiftebulletin. De opdrachtgever van een afgiftebulletin van te protesteren wissels is verplicht, alle hieruit voortvloeiende kosten en rechten te betalen. Brussel, den 7n Januari 1916

NUMMER. 166a

16. JANUAR 1916.
Verordening betreffend den arbeidsduur in spinnerijen, weverijen enz.

Art. 1. In spinnerijen, weverijen, kousenweverijen en breiwerkfabrieken wordt het spinnen, weven, kousen weven en breien ten hoogste gedurende vierentwintig uur in elke kalenderweek toegelaten. De voorschriften over de beperking van vrouwen en kinderarbeid blijven hier buiten.

Art. 2. De „Verwaltungschef" hij den Generaalgouverneur in België is gemachtigd, uitsonderingen op de bepaling van art 1. lid 1 toegestaan; daarbij mag echter de arbeidsduur binnen Eén maand geen 105 uur te boven gaan. De aanvragen om uitzonderingen moeten vergezeld gaan van een uurrooster, waaruit de aard van den arbeid, de verdeling van den arbeidsduur en het aantal der werklieden voor de tijdruimte, voor welke de uitzondering moet gelden, blijkt.

Art. 3. Nijveraars (houders van een zaak, werkbestuurders enz.) die de beperkende voorschriften op

den arbeidsduur dezer Verordening overtreden, worden met ten hoogste één jaar gevangenis en met ten hoogste twintigduizend mark boete of met één van beide gestraft.

Bevoegd zijn de Duitse krijgsrechtbanken. 24

Art. 4. Deze Verordening wordt op 17 n Januari 1916 van kracht.

Brussel, den 16 Januari 1916. C. C. IVB 250116.

NUMMER. 166b

Met toestemming des Heren Generaalsgouverneurs in België heb ik overeenkomstig de Verordening en van 17 n Februari en 26n Augustus 1915 het hulphuis der in Rijsel gevestigde Firma „Société Anonyme des Manufactures de Produits chimiques du Etablissements Kuhlmann te Rieme-Ertvelde, onder dwangbeheer geplaatst en den Heer Dr. E. Lepsius tot dwangbeheerder benoemd. Brussel, den 10en Januari 1916. C. C. IVB 414.

NUMMER. 166c

Verordening tegen het bedreigen der openbare veiligheid. »

Art. 1. Wie binnen het gebied des Generaal-Gouvernement zich schuldig maakt aan voorbedachte brandstichting , met voorbedachten rade overstroming veroorzaakt, met geweld, met wapens of gevaarlijke werktuigen voorzien, een aanval pleegt op of weerstand biedt aan de gewapende macht of aan de vertegenwoordigers der Duitse burgerlijke- of krijgsoverheid wordt met den dood gestraft. Indien er verzachtende omstandigheden bestaan, kan, in plaats van doodstraf, een straf van tien tot twintig jaar dwangarbeid uitgesproken worden.

Art. 2. Wie binnen het gebied des Generaal-Gouvernement:

a) wetens en willens valse geruchten uitstrooit of verspreidt betrekkelijk het getal, marsrichting of zoogezegde overwinningen van den vijand die van aard zijn de burgerlijke- en krijgsoverheden aangaande de door haar te treffen maatregelen te misleiden, of

b) al ware het ook zonder gevolg tot oproer, tot handtastelijke opstand, tot bevrijding van een gevangene of tot andere onder art. 1 voorziene misdaden aanzet of ophitst, of

c) soldaten tot misdaden tegen de dienstgehoorzaamheid of wanbedrijven tegen de krijgstucht en -orde poogt te verleiden, zal, indien de bestaande wetten en Verordeningen geen hogere gevangenisstraffen bepalen, met tot vijf jaar gevangenis gestraft worden.

Art. 3. Bevoegd zijn de Duitse Krijgsrechtbanken. Brussel, den 19 Januari 1916. G. G. III 3071.

NUMMER. 167a

19. JANUAR 1916. Pag. 1517

Verordening betreffend vlas en werk (klodden). /.

Art. 1. Wie stapels bewerkt vlas of werk in bewaring heeft, is verplicht, de op den eersten van elke maand voorhanden hoeveelheden, gescheiden volgens vlas en werk, en onder aangifte van de eigenaars en de stapelplaats, hij de overheid der gemeente (burgemeester) waar de stapelplaats zich bevindt tot den 8n van elke maand aan te geven. De burgemeesters der gemeenten moeten de stapels vlas en werk, die in hun gemeenteomschrijving voorhanden zijn, gescheiden volgens vlas en werk, en onderaangifte van de eigenaars en de stapelplaats hij de burgerlijke commissarissen tot den 5n van elke maand aangeven. De plicht van aangifte slaat niet op ruwe of stengelvlas.

Art. 2. Wie zijne vlas- of werkstapels hij de gemeenteoverheden niet of vals aangeeft, wordt met ten hoogste één jaar gevangenis en met ten hoogste 20.000 (twintig duizend) mark boete of met ene van heide straffen gestraft. Meteen kan de verbeurdverklaring van de stapels uitgesproken worden. Dezelfde straf treft de burgemeesters, die de in hunne gemeenteomschrijving voorhanden stapels vlas en werk, welke hun bekend waren of naar de omstandigheden bekend moesten zijn, hij den burgerlijken commissaris niet of vals aangeven. Bevoegd zijn de Duitse krijgsrechtbanken. II.

Art. 3. Binnen het gebied des Generaal-Gouvernement worden voor bewerkt vlas en werk volgende

hoogste prijzen vastgesteld:

1. Vlas. 180 frank voor 100 kilo gezwingeld, op gras geroot vlas, 't is gelijk van welke herkomst, van beste hoedanigheid en volkomen zuivere bewerking; 110 tot 170 frank voor 100 kilo van mindere hoedanigheid of slechte bewerking.

2. Werk (klodden). a) 60 tot 80 frank volgens de hoedanigheid voor gezwingeld b) 80 tot 100 „ , „ „ „ zuivernatuur gew. beste c) 105 tot 120 snutjes. gew. beste e

Verkoop van vlas of werk is alleen toegelaten aan: de vlaskantoren Kortrijk en Lokeren, grondstofafdeling te Gent, Gouvernementsstraat 18 of „ tot aankoop gemachtigde Belgische vlasspinnerijen.

Art. 4. Met ten hoogste één jaar gevangenis en ten hoogste 20.000 (twintig duizend) mark boete of met een van beide wordt gestraft: 1. wie de vastgestelde hoogste prijzen te boven gaat 2. wie van iemand anders het sluiten van een verdrag vordert, waardoor de hoogste prijzen overtroffen worden, of wie zich tot zulk verdrag aanbiedt, 3. wie vlas of werk aan andere dan de onder art. 3 aangeduide afnemers verkoopt of van de hand doet, 4. Wie stapels vlas of werk vernietigt of onbruikbaar maakt. Buitendien kan de verbeurdverklaring van het vlas of het werk uitgesproken worden. Bevoegd zijn de Duitse krijgsrechtbanken. Brussel den 19n Januari 1916.

NUMMER. 167b.

19. JANUAR 1916. 35

Op verhaal van den President van het Burgerlijk

Bestuur te Luik van 2 In 1915 , waarvan de Bestendige Afvaardiging den zelf den dag kennis werd

gegeven, wordt het besluit van 14n December 1915 der Bestendige Afvaardiging te Luik, houdende goedkeuring van het sluiten tot het aangaan een lening van den gemeenteraad te Spa van 16n November 1915 en van het schepencollege te Spa van 18n November 1915, overeenkomstig artikel 89, 116 en 125 der provinciale wet en de Verordening van 3n December 1914 (Wet- en Verordeningblad voor de bezette streken van België, hls. 61), hierbij ongeldig verklaard, daar de Bestendige Afvaardiging met deze goedkeuring hare bevoegdheid is te buiten gegaan. Deze ongeldigheidverklaring zal in het register der besluiten der Bestendige Afvaardiging van Luik in den rand van het ongeldig verklaarde besluit aangetekend worden. Brussel den l9n Januari 1916.

NUMMER. 168a

21. JANUAR 1916. Pag. 1525

Verordening betreffend regeling van de aardappelbevoorrading.

Art. 1. Voor het gebied des Generaal-Gouvernement wordt een „aardappel bevoorradingskantoor" te Brussel opgericht, dat onder den „Verwaltungschef' bij den General gouverneur staat.

Art. 2. H et aardappelbevoorrading kantoor moet voor de verdeling van de aardappelvoorraden ter voeding van de Belgische bevolking zorgen. Het is bevoegd, te dien einde, ook het verbruik van aardappelen te regelen.

Art. 3. Zoverre er binnen een gemeente niet de nodige aardappelen voor de voeding der bevolking

voorhanden zijn, moet de gemeente door bemiddeling van den bevoegden burgerlijken Commissaris de ontbrekende hoeveelheid bij het aardappelbevoorradingskantoor aangeven.

Art. 4. Om het aangegeven tekort te bezorgen (Art. 3), kan het aardappelbevoorradingskantoor bepalen, welke hoeveelheden aardappelen uit de voortbrengstgebieden te betrekken zijn. De gemeenten binnen dit gebied zijn gehouden deze hoeveelheden te bezorgen.

De burgemeester bepaalt hoeveel aardappelen ieder voortbrenger te leveren heeft.

Art. 5. Weigert een voortbrenger ze af te staan, zoo kan de „Kreischef' bevelen, dat de aardappelen tot 20 % onder den geldende hoogste prijs, desnoods met behulp van krijgsmacht, onteigend worden en het eigendom over de aardappelen op de in het bevel aan te duiden gemeente of persoon overgedragen wordt. Het bevel moet den bezitter opleggen, de te onteigenen hoeveelheid binnen een gestelde termijn af te zonderen. Komt hij dezen eis niet na, zoo kan de „Kreischef de afzondering op diens kosten laten doen. Bij het bepalen van de te onteigenen hoeveelheden moet in aanmerking genomen worden wat de voortbrenger tot het voortzetten van zijn bedrijf nodig heeft, inzonderheid aan plantgoed.

Regelt de „Verwaltungschef' de aardappelbevoorrading voor de gemeenten zonder tussenkomst van het aardappelbevoorradingskantoor (Art. 10), zoo zijn, in geval van weigering om aardappelen te leveren, de bepalingen van dit artikel insgelijks van toepassing.

Art. 6. Alle gemeenteoverheden moeten de nodige maatregelen nemen tot het voorzien van de bevolking met aardappelen. Zij hebben vooral te zorgen, dat voldoende hoeveelheden aardappelen voor de voeding der bevolking ter beschikking staan.

Art. 7. De gemeenteoverheden moeten den verkoopprijs voor de van haar betrokken aardappelen, die zij rechtstreeks of door bemiddeling van den handel afstaan, volgens de bepalingen der Verordening van 28n September 1915 (Wet- en Verordeningblad bz. 1090)

vaststellen.

Art. 8. De gemeenteoverheden kunnen in hare omschrijving stapelplaatsen voor het bergen van haren aardappelvoorraad opeisen. Bij gebreke ene overeenkomst stelt de ,,Kreischef" hiervoor de vergoeding vast.

Art. 9. De gemeenten mogen de aardappelvoorraden, die bij de kooplieden voorhanden zijn, overnemen, waarvoor de prijzen overeenkomstig de bepalingen der Verordening van 28n September 1915 berekend moeten worden. Weigeren kooplieden hun voorraden af te

staan, zoo is artikel 5 dienovereenkomstig toepasselijk.

Art. 10. Met de uitvoering van deze Verordening wordt de „Verwaltungschef" belast. Hij kan in 't bijzonder schikkingen nemen omtrent hoedanigheid der te leveren aardappelen, de aanvaarding van vervoerders, hunne vergoeding en het vervoer van de aardappelen. Hij is ook bevoegd, de bevoorrading van gemeenten zonder tussenkomst van het aardappelbevoorradingskantoor te regelen en alle andere naar aanleiding dezer Verordening nodig lijkende maatregelen te treffen om de aardappelbevoorrading mogelijk te maken.

Art. 11. Tot het beslechten van alle geschillen omtrent het leveren van aardappelen (Verordening van 28n September 1915, Wet- en verordeningblad bz. 1090 en onderhavige Verordening) is alleen een scheidsgerecht bevoegd, dat op aanvraag van een belanghebbende door het aardappelbevoorradingskantoor opgeroepen wordt.

leder belanghebbende heeft uit het aantal der hiertoe door het bevoorradingskantoor bij name aan te duiden personen een scheidsrechter te kiezen of het bevoorradingskantoor te verzoeken er een voor hem te kiezen. De uitgekozen scheidsrechters hebben terstond na hunne aanstelling te vergaderen, de feiten vast te stellen en indien zij tot een overeenstemmend oordeel geraken, elke belanghebbende de beslissing, waarin bij voorkomend geval een minderwaarde in cijfers moet

aangegeven zijn, onverwijld te laten toekomen. Worden zij het niet eens, dan wordt een derde scheidsrechter door het aardappelbevoorradingskantoor aangesteld, die alleen beslist, onder voorwaarde echter dat hij zich bij de mening van een van beide scheidsrechters moet

aansluiten. Het scheidsgerecht staat het vrij deskundigen en getuigen te raadplegen.

De art. 1005-1028 van het Belgisch Wetboek van burgerlijke rechtsvordering zijn op dit scheidsgerecht niet van toepassing. Het scheidsgerecht beslist over de kosten der rechtsverhandeling , de partijkosten er inbegrepen, naar eigen goedvinden. De vergoeding voor de leden van het

scheidsgerecht en de deskundigen voor hunne bemoeiing, evenals de vergoeding voor tijdverlies en reiskosten der getuigen wordt door het aardappelbevoorradingskantoor vastgesteld. De uitspraken van het scheidsgerecht zijn zonder beroep. In geval een betwisting tussen de leverende en

de ontvangende gemeente, moet de aanvraag om een

scheidsrechterlijke uitspraak binnen 48 uur na aankomst der aardappelen en zoo nodig telegrafisch ingediend worden.

Art. 12. Overtredingen van de op grond van art. 10 uitgevaardigde voorschriften worden met ten hoogste één jaar hechtenis of gevangenis, of met ten hoogste 10.000 mark. boete gestraft. Beide straffen kunnen te gelijk uitgesproken worden. Buitendien kan de ware verbeurd verklaard worden.

Art. 13. Bevoegd zijn de Duitse krijgsrechtbanken.

Art. 14. De Verordening van 28n September 191b blijft, zoverre niet onderhavige Verordening anders beschikt, van kracht. Brussel, den 17n Januari 1916.

NUMMER. 168b

21. JANUAR 1916. Uitvoeringsvoorschriften betreffend de regeling

der aardappelbevoorrading. In uitvoering van art. 2 en 10 der Verordening des Heren Generaalgouverneurs van 17n Januari 1916 betreffend de regeling der aardappelbevoorrading wordt

ter kennis gebracht:

1. Het bevoorraden van de burgerbevolking met aardappelen geschiedt voortaan alleen door bemiddeling van het aardappelbevoorradingskantoor (Kartoffelversorgungsstelle) (K. V. S.) of de gemeenteoverheid. Het aardappelbevoorradingskantoor begint zijne werkzaamheden op In Februari a.s.

2. De gemeenten zijn gehouden in den zin der haar medegedeelde algemeen grondbeginselen de nodige maatregelen tot het regelen van het verbruik te nemen.

3. Bijaldien gemeenten tot het dekken harre behoefte aan aardappelen het vervoer per spoor of schip nodig hebben, moeten zij de hoeveelheid door tussenkomst van den burgerlijken Commissaris hij het aardappelbevoorradingskantoor te Brussel aangeven, dat dan het nodige zal laten doen. De aardappelzendingen per spoor of schip mogen alleen op grond van vrachtbrieven of scheepscognossementen geschieden die de

stempel van den (K. V. S.) dragen.

h) Bijaldien gemeenten hare behoefte aan aardappelen in de eigen gemeente kunnen dekken, zijn zij gehouden, wat zij behoeven, rechtstreeks van de voortbrengers der gemeente te betrekken. Binnen de gemeenten mogen aardappelen per as alleen op grond van geleibrieven van den burgemeester geschieden.

a) Bijaldien gemeenten, wat zij aan aardappelen behoeven uit een naburige gemeente betrekken en per as kunnen aanvoeren, moeten zij, wat zij nodig hebben hij den bevoegden burgerlijken Commissaris aangeven, die de levering door de naburige gemeente bezorgt. Voor de verzendingen van aardappelen uit de naburige gemeenten zijn geleibrieven van den bevoegden burgerlijken Commissaris nodig.

4. Wie na den In Februari 1916 aardappelen zonder de hier voor onder nr, 5a, b en c voorgeschreven

geleibrieven vervoert, ondergaat de straf onder art. 12 der Verordening van 17n Januari 1916 vermeld.

5. Personen, die niet als vervoerders toegelaten zijn, stellen zich bloot aan de onder art. 12 der Verordening van 17n Januari 1916 voorgeschreven straffen, wanneer zij aardappelen vervoeren. Om als vervoerder toegelaten te worden heeft men een schriftelijk bewijs nodig van de burgerlijke Commissarissen bij de „Kreischefs" . Brussel, den 17 n Januari 1916.

NUMMER. 168c

Verordening over het straatverkeer.

Om het treinverkeer op de spoorhanen en het militairverkeer op de steenwegen meer dan tot nu tegen onveiligheid en onderbrekingen te beschermen, vaardig ik volgende Verordening uit:

Art. 1. Het gebruik van gekleurd licht wordt voor voertuigen, die niet op sporen lopen, verboden.

Art. 2. Voor militaire marscolonne en voertuigen moet de straat vrij gemaakt worden.

Art. 3. De voor- of onbedachte overtreding van deze schikkingen wordt met ten hoogste 1.000 mark boete of ten hoogste 3 maand gevangenis gestraft. Wordt door de overtreding een militair nadeel berokkend, zoo stijgt de boete tot ten hoogste 10.000 mark of ten hoogste 1 jaar gevangenis, waarbij nog verbeurdverklaring van het voertuig kan uitgesproken worden. Boete kan ook samen met de gevangenisstraf uitgesproken worden.

Art. 4. Bevoegd om te straffen zijn de Duitse krijgsrechtbanken en krijgsoverheden. Brussel, den 19n Januari 1916.

NUMMER. 168d

C. C. IV. A. 315. De mandaten van de leden van de Bestendige Commissie der maatschappijen van onderlinge bijstand (artikel 32 der wet van 23 Juni 1894), en deze van de leden der Beschermingscomiteiten der werkmanswoningen en der instellingen van vooruitzicht door de

Regering benoemd (artikel 1 der wet van 9 Augustus 1889), welke op 31 December 1915 eindigen, worden tot nader bericht verlengd. Brussel, den 31n December 1915.

NUMMER. 170a.

27. JANUAR 1916. Pag. 1539

Verordening over het aanslaan van wol.

Art. I. Binnen het gebied des Generaal-Gouvernement worden hierbij alle wol (ruwe, gewassen, kamwolf, kamsel, wolafval, wolgaren, kunstwol, evenals mengelingen dezer stoffen met andere), verder alle in den handel zijnde of komende, met voornoemde wol gevulde matrassen, aangeslagen. De beslaglegging omvat verder alle versgeschoren of op andere wijze van het vel gewonnen wol zodra deze geschoren is.

Art. II Elke bezitter is verplicht, de hij hem liggende stapels uiterlijk op 15 Februari 1916 versgeschoren of op andere wijze van het vel gewonnen wol binnen 3 dagen nadat zij beschikbaar is geworden, bij de naaste „Kommandantur" aan te geven en aan de Einkaufsstelle der Kriegswollbedarf - Aktiengesellschaft" te Brussel, Michel- Angelolaan 84, te verkopen.

Art. III. De „Einkaufsstelle der Kriegswollbedarf Aktiengesellschaft" koopt de hij haar aangegeven ware tegen prijzen, volgens soort en hoedanigheid vastgesteld.

Art. IV. Wordt met ten hoogste één jaar gevangenis en met ten hoogste 5000 mark boete of met één van beide gestraft:

a) wie de onder art. II opgelegde aangifte niet, te laat of onjuist doet;

b) wie de onder art. I vermelde waren aan de beslaglegging onttrekt, van de hand doet, ze voor eigen doeleinden bezigt of anderszins benuttigt;

c) wie weigert de onder art. I vermelde waren aan de „Einkaufsstelle der Kriegswollbedarf-Aktiengesellschaft te verkopen; à. wie als houder van schapen niet te gebruikelijker tijde en niet regelmatig scheert, de wol niet regelmatig behandelt of bewaart. Bovendien kunnen de waren, die het voorwerp der overtreding uitmaken, verbeurd verklaard worden.

Art. V. Bevoegd zijn de Duitse krijgsrechtbanken en krijgsoverheden. Brussel, den 8n Januari 1916.

NUMMER. 170b.

Verordening over het opnemen van de stapels koffie, thee en cacao.

Art. 1. Op In Februari a.s. wordt, ten einde vast te stellen welke voorraden voor de behoefte der burger- bevolking beschikhaar zijn, een opneming gedaan van de stapels koffie (koffiebonen en mengelingen van koffiebonen) ruw, gebrand en geroost, thee (van den theestruik) en, ruwe gebrand of geroost.

Art. 2. Wie op gezegden In Februari stapels van onder art. 1 opgesomde waren in bewaring heeft, moet die op dien dag hij de gemeenteoverheid in wier gebied zij zich bevinden, aangeven. Stapels, die in vreemde polders, bergplaatsen, scheepsruimen of dergelijk. liggen, moeten door hem die erover beschikken mag aangegeven worden, in geval hij ze onder eigen slot heeft. Is dit niet zoo, dan moet hij ze aangeven, die aan 't hoofd der bergplaatsen staat. De voorraad koffie, thee en cacao, die voor eigen gebruik in het huishouden bestemd is, moet maar aangegeven worden, wanneer er meer dan 10 kilo koffie en cacao of meer dan 25 kilo thee zijn.

Art. 3. Het opnemen der stapels geschiedt per gemeente. De opneming geschiedt door de zorgen der gemeenteoverheden, die hij openbare kennisgeving de voorgeschreven aangifte moeten aankondigen. Bij de opneming moet het aan deze Verordening toegevoegde borderel gebruikt worden. Door de gemeenteoverheden moeten de hij haar binnengekomen aangiften, naast een lijst der aangegeven stapels, uiterlijk op 10 Februari 1916 hij den bevoegden burgerlijken Commissaris, (in het district Maubeuge bij den President van het burgerlijk Bestuur) ingeleverd worden.

Art. 4. Ten einde een nauwkeurige opneming te bekomen, zijn buiten de Duitse krijgs- en burgerlijke

overheden, ook de gemeenteoverheden of de van haar opdrachthebbende personen bevoegd, berg- of bedrijfs of welk andere bewaarplaatsen, waar voorraden der onder art. 1 vermelde waren te vermoeden zijn, te onderzoeken en de boeken van hem die verplicht is aan te geven na te zien.

Art. 5. Wie de opgelegde aangifte niet doet, of onjuiste of onvolledige aangifte doet, wordt met ten hoogste 6 maand gevangenis of met ten hoogste 10.000 mark. boete gestraft. Ook kan verbeurdverklaring der stapels, die niet aangegeven werden, uitgesproken worden.

Art. 6. Bevoegd zijn de Duitse krijgsrechtbanken. Brussel, den 26 Januari 1916.

NUMMER. 170c.

Opneming van Koffie, Thee- en Cacaostapels op 15 Februari 1916.

Aangifte van (naam)(beroep) te (woonplaats) (straat, nr.).

Op 15 Februari 1916 bevonden zich ten mijnent volgende voorraden: in kilogram.

1) ruwe koffie (koffiebonen)

2) gebrande of gerooste (ook gemalen)

koffie (koffiebonen of mengelingen van koffiebonen)

3) thee (van den theestruik)

4) ruwe cacao

5) gebrande of gerooste cacao

Ik verklaar hierbij, bovenstaande aangifte in alle oprechtheid en te goeder trouw gedaan te hebben. (Plaats) , den 1916.

(Handtekening)

Opmerking: Stapels koffie, thee en cacao, die voor eigen gebruik in het huishouden bestemd zijn, moeten alleen aangegeven worden, wanneer zij hij koffie en cacao meer

dan 10 kilo, bij thee meer dan 25 kilo bedragen.

NUMMER. 170d.

Verordeningen van 30n Juni en 23n Juli 1915 (nr. 5) betreffend den korenoogst 1915 evenals mijner Verordening van 28n Augustus 1915 betreffend koren en meel uit vroegere oogstjaren, heb ik op voorstel der Zentral Ernte Kommission de hoogste prijzen voor den verkoop van gedorst koren, meel, zemelen en brood voorshands als volgt vastgesteld:

Per 100 kilogram

voor tarwe uit stapelplaats of molen geleverd fr. 38.21

Rogge fr. 26,47

ongepelde spelt fr24,10

masteluin fr. 28,69

tarwezemelen uit molen geleverd fr. 22

roggezemelen fr. 18

tarwemeel aan bakkers of gebruikers geleverd fr. 47,68

roggemeel aan bakkers of gebruikers geleverd fr. 38,10

Per kg

tarwebrood aan verbruikers geleverd . fr. 0,42

Deze hoogste prijzen worden van af 1 Februari 1916 van kracht.

Aan de Provincial Ernte Kommissionen wordt de bevoegdheid verleend:

1. den verkoopprijs voor tarwemeel te verlagen en wel in de provincie Antwerpen tot 46.16 fr., Brabant 46.76 fr., Henegouwen 46.29 fr., Limburg 47.13 fr., Namen 45.69 fr. en Luemburg 47.03 fr.;

2. of wel voor de gehele provincie of voor de omschrijving van enkele gemeenten, in dit laatste geval

op verzoek of na raadpleging van de burgemeesters, telkens een lagere hoogste prijs voor tarwebrood, evenals hoogste prijzen voor brood, waarin roggemeel verwerkt wordt, vast te stellen. Voor de verkopen der voortbrengers van tarwe en rogge aan het Nationaal Hulp- en Voedingskomiteit blijven de in mijne bekendmaking van 10n Augustus 1915 (nr. 4a) vastgestelde hoogste prijzen behouden.

Brussel, den 22n Januari 1916.

Z. E. K. Nr. 1615.

NUMMER. 170e.

27. JANUAR 1916. In uitvoering mijner verordeningen van 30n Juni

en 23n Juli 1915 (nr. 5 en 9) betreffend den korenoogst 1915 en mijner Verordening van 28n Augustus

1915 betreffend koren en meel uit voorgaande oogstjaren, evenals tot wijziging mijner bekendmaking van 9n Oktober 1915,

heb ik, op voorstel der Zentral Ernte Kommission van af In Februari de maalverhouding voor binnenlands zoowel als voor ingevoerd koren op 82 % bepaald. Deze maalverhouding moet derwijze

verstaan worden, dat uit 100 delen koren niet meer dan 82 delen meel mogen gewonnen worden. De vastgestelde maalverhouding geldt ook voor eigen gebruik.

Verantwoordelijk voor het nakomen van de maalverhouding is al wie koren tot meel maalt. Voor koren, dat naar den molen komt om gestampt te worden, moet het gestampt koren in hetzelfde gewicht, als het afleveringsbewijs voor het koren opgeeft, min 5 % maalstof ten hoogste, den molen weer verlaten. Brussel, den 22n Januari 1916.

Hierbij geef ik de toelating tot het verkopen van 75 loten der „Kriegslotterie' van den „Zentralausschuss des Preussischen Landesvereins vom Roten Kreuz' en

hare aankondiging in de pers voor het gebied des General gouvernement. Brussel, den 22n Januari 1916.

Op grond van art 3 der Verordening van 6n November 1915 betreffend het benuttigen van ajuin stel ik voorshands van af 28n Januari a.s. als hoogste prijs voor ajuin vast:

a) in 't groot per 100 kilo verpakking inbegrepen vrij uit stapelplaats . 28 frank

b) in t klein per kilogram 0.37 frank

Brussel, den 23n Januari 1916. C. C. VII 705.

NUMMER. 171

29 januari 1916

Hierbij geef ik de toelating loten des Bayerischen Wehrkraftvereins E. V. (Bayerische Wehrkraft-Geldlotterie)" te verkoopen en daartoe dienende aankondigingen in de pers te brengen binnen het gebied des Generaal-Gouvernement. Brussel, den 22n Januari 1916.

Het afstaan van voeding- en voedermiddelen aan de burgerbevolking uit legervoorraden is over het

algemeen niet toegelaten. Moest er in bijzonder dringende gevallen toch uitzondering nodig blijven, zoo moeten als vergoeding daarvoor de door den Generaalintendant voor het gehele veldleger in

het bijzonder vastgestelde prijzen worden betaald, ook in de gevallen, waarin de prijzen de binnen het gebied des Generaal-Gouvernement vastgestelde hoogste prijzen te boven gaan.

Brussel, den 24n Januari 1916.

NUMMER. 172

Verordening, betreffend het benuttigen van aardappelen tot beroeps- of nijverheidsdoeleinden. Art. 1. Het is verboden aardappelen tot beroeps of nijverheidsdoeleinden te gebruiken. De „Verwaltungschef" bij den Generalgouverneur is gemachtigd uitzonderingen op het verbod toe te

staan.

Art. 2. Overtredingen van deze Verordening worden met ten hoogste één jaar gevangenis of ten

hoogste 10.000 mark boete gestraft. Ook kunnen beide straffen tegelijk uitgesproken worden. Bovendien gaan de verbeurdverklaring van aardappelen uitgesproken worden.

Art. 3. Bevoegd zijn de Duitse krijgsrechtbanken. Brussel, den 26n Januari 1916.

NUMMER. 173a.

4. FEBRUAR 1916. Pag. 1563

Verordening, betreffend het verzekeren van de bevoorrading der burgerbevolking met aardappelen.

Art. 1. Het is verboden aardappelen aan andere dieren dan zwijnen op te voederen. De dagelijkse hoeveelheid voederaardappelen voor elk gespeend zwijn mag ten hoogste 3 kilo bedragen.

Art. 2. Voor zwijnenvoeder mogen alleen kleine of zieke tot mensenvoeding ongeschikte aardappelen

gebruikt worden.

Art. 3. Op één hektaar mogen niet meer dan 2.000 kilo aardappelen geplant worden.

Art. 4. Overtredingen van bovenstaand bepalingen worden met ten hoogste 1 jaar hechtenis of gevangenis of met ten hoogste 10.000 mark. boete gestraft. Beide straffen kunnen ook tegelijk uitgesproken worden.

Art. 5. Bevoegd zijn de Duitse krijgsrechtbanken. Brussel den 29n Januari 1916.

NUMMER. 173b

Verordening' betreffend de hoogste prijzen voor aardappelen.

Art. 1. In wijziging van art. 1 der Verordening van 28 September 1915 (Wet- en Verordeningblad blz. 1090), is de prijs per 100 kilo inlandsche aardappelen uit den oogst van 1915 bij verkoop door den voortbrenger vastgesteld: bij de soorten op:

Industrie, Bollen, Kruger Magnum bonum (Florenville-Virton) . . . 11 frank

Magnum bonum, Koning Edward . 10 frank „

Roode en blauwe, evenals alle andere soorten 9 frank

Art. 2. De hoogste prijzen (art. 1) zijn voor het hele gebied der Generaal-Gouvernement zonder onderscheid geldig.

Art. 3. De Verordening van 28n September 1915 (Wet- en Verordeningblad blz. 1090) blijft, zoverre deze Verordening of de. Verordening van 17 n Januari 1916 (Wet- en Verordeningblad blz. 1525) geen andere bepalingen bevat, van kracht. Brussel, den 29n Januari 1916.

NUMMER. 174.

6. FEBRUARI 1916.

Krachtens art. 86 en 87 van de provinciewet, worden

de door de provincieraden der Belgische provincies Antwerpen, Brabant, Henegouwen, Limburg, Luik, Luemburg en Namen, in de buitengewone zittingen van 4 en 5 Januari 1916 vastgestelde provinciale begrotingen voor het dienstjaar 1916, met uitzondering der op nieuw in te voeren belastingen slaande ontvangstposten, hierbij goedgekeurd. Het tijdsbestek voor het nemen een beslissing aangaande de op nieuw in te voeren belastingen slaande ontvangstposten, aangaande de daarop betrekking hebbende belastingsbepalingen, evenals aangaande al de overige door de provincieraden van hogergenoemde provincies in de buitengewone zittingen van 4 en 5

Januari 1916 genomen besluiten, wordt, daar een verder onderzoek nodig is, krachtens art. 88 van de provinciewet, tot 1 Juli 1916 verlengd. Brussel, den 2n Februari 1916.

NUMMER. 175.

9. FEBRUARI 1916.

Art. 1. De in 1916 te innen bijdrage ten laste der ondernemers, die op 31 December 1915 niet ontslagen waren van de verplichte storting in het waarborgfonds, voorzien hij art. 10 en 20 uit de wet van 2A December 1903, betrekkelijk de vergoeding voor werkongevallen, is vastgesteld op den grondslag een taks van 4 frank per onderneming, die onder de bepalingen van bedoelde

wet valt, en een taks van 1 frank voor iedereen in een dergelijke onderneming in dienst zijnde arbeider.

Art. 2. Deze Verordening zal vanaf hare bekendmaking bindend zijn.

Brussel, den 2n Februari 1916.

Art. 1. Het getal, de uitgestrektheid en de grenzen der omschrijvingen waarbinnen de afgevaardigden hij het toezicht van de steenkoolmijnen, krachtens de wet van 11 April 1897 benoemd, hun ambt uitoefenen, blijven vastgesteld zoals zij werden bepaald hij koninklijk besluit van 6 December 1912. Art. 2. De mandaten van de thans in bediening zijnde afgevaardigden bij het toezicht der mijnen worden, te rekenen van 28 Februari 1916, tot nader bericht verlengd.

Brussel, den 2n Februari 1916.

NUMMER. 175

9. FEBRUAR 1916.

BEKENDMAKING.

Met toestemming van den Heer Generaalgouverneur in België heb ik, overeenkomstig de Verordeningen van 17 Februari en 26 Augustus 1915, de in België bestaande hulphuizen der firma R. J. Dick, te Glasgow, onder dwangbeheer geplaatst en den Heer A, Dubbers ' tot dwangbeheerder benoemd,

Brussel, den 4n Februari 1916,

NUMMER. 176

12. FEBRUAR 1916

Verordening

Wie drukwerken bezit, die in strijd met de bestaande voorschriften, aan de censuur onttrokken werden, wordt met ten hoogste 3 jaar gevangenis en met ten hoogste 3000 mark boete of met één van beide gestraft, zoverre niet uit de omstandigheden blijkt, dat de bezitter aan het bezit van het drukwerk geen schuld heeft. De drukwerken zullen verbeurd verklaard worden.

Tot oordeelvellen zijn de krijgsrechtbanken en krijgsoverheden bevoegd.

Brussel, den 5n Februari 1916.

NUMMER. 177.

Met toestemming van den Heer Generalgoeverneur in België, heb ik, overeenkomstig de Verordeningen van 17 Februari en 26 Augustus 1915, de drie hierna vermelde ondernemingen onder dwangbeheer geplaatst:

a) de Compagnie de Carbonisation et de Récupération de Sous-ProduitSy Procédés Evence Coppée, (Société Anonyme)" , Waterloolaan, 103, te Brussel;

b) de baggerwerken tot het verkrijgen van kiezelsteen, bij Givet, die het eigendom zijn der Compagnie des Chemins de Fer de Veste te Parijs;

c)Les Grandes Carrières de l’est, Société Anonyme en Liquidation te Vireu.

Tot dwangbeheerders zijn henoemd, de Heer hestuurder Cari W. Scherer, voor de Compagnie de Carbonisation et de Récupération de Sous-Produits Procédés Evence Coppée, (Société Anonyme)", Waterloolaan 103, te Brussel; de Heer Bergrat Hasse voor de baggerwerken tot het verkrijgen van kiezelsteen, bij Givet, die het eigendom zijn der „Compagnie des Chemins de Fer de VEst", te Parijs, en voor „Les Grandes Carrières de VEst, Société Anonyme en Liquidation" , te Vireu.

Brussel, den 5n Februari 1916.

Met toestemming van den Heer Generalgouverneur in België heb ik, overeenkomstig de Verordeningen van februari en 26 Augustus 1915, het in België bestaande vermogen der firma „Liebigs Etract of Méat Company Ltd. London\ te Londen, onder dwangbeheer geplaatst en den Heer Rechtsanwalt Dr. J. M. Lappenberg tot dwangbeheerder benoemd.

Brussel, den 6n Februari 1916.

Met toestemming van den Heer Generalgouverneur in België, heb ik, vereenkomstig de Verordeningen van 17 Februari en 26 Augustus 1915, de firma N. Brabant, voor metaaluitvoer, 39d, Lombardstraat, te Brussel, onder dwangbeheer geplaatst en den Heer ingénieur Bernheim tot dwangbeheerder benoemd.

Brussel, den 10n Februari 1916.

NUMMER. 178a.

De koninklijke besluiten van 10 Augustus 1897 over de tuberculose bij rundvee en van 22 Augustus 1897 over de tuberculose bij varkens zijn voorshands buiten kracht verklaard. Van kracht blijven enkel volgende bepalingen:

1) Art. S, 4, 5 en 6 van het besluit van 10 Augustus 1897;

2) Art. 9 en 10 van het besluit van 10 Augustus 1897

en art. 3) en 5) van het besluit van 22 Augustus 1897,

zoverre deze artikelen de volstrekte beslaglegging op het vlees van door tuberculose aangetaste runderen en zwijnen betreffen. De schadeloosstellingen voor koeien tot de teelt gebruikt en voor drachtige vaarzen, die voor het van kracht worden van dit besluit aan de tuberculine gereageerd hebben, worden overeenkomstig art. 26 van het besluit van 10 Augustus 1897 ook verder betaald,

wanneer de eigenaar de dieren laat slachten. De bevoegde veearts moet den veearts-toeziener van

het slachten deser dieren verwittigen en alle maatregelen nemen voor het betalen van de schadeloosstellingen.

Brus sel, den 8n Februari 1916.

NUMMER. 178b.

17. FEBRUAR 1916.

Verordening betreffend de echtverklaring van handtekeningen en het legaliseren van openbare oorkonden.

Art. 1. In de gebieden van Belgje en Frankrijk, die deel uitmaken van het Generalgouvernement in België, zijn de voorzitters van het burgerlijk bestuur (Presidenten der Zivilverwaltung) bevoegd, naamtekeningen of handtekens echt te verklaren, wanneer de bepalingen een Duitse wet zulkdanige echtverklaring vereisen. De bepalingen van § 183 der Duitse wet:

Gesetz uber die Angelegenheiten der freiwilligen Gerichtsarbeit (Reichsgesetzblatt (Rijkswetblad) 1898, bl. 771) zijn toepasselijk op bovenbedoelde echtverklaring.

Art. 2. De voorzitters van het burgerlijk bestuur hebben eveneens het recht, oorkonden te legaliseren, die in hun rechtsgebied opgemaakt of echt verklaard

worden.

Art. 3. De „Verwaltungschef bij den General-gouverneur in Belgje is belast met het uitvaardigen der

nodige voorschriften voor de uitvoering dezer Verordening.

Brussel den 9n Februari 1916.

NUMMER. 178c.

De in Maart a.s. te houden verkiezingen voor de werkrechtersraden (art. 138 der wet van 15 Met 1910 op de werkrechtersraden) zullen niet plaats hebben. De mandaten der bijzitters en bijzitters-plaatsvervangers, die na voltrokken nieuwe verkiezing moesten uittreden, worden vooralsnog verlengd. Brussel, den 9n Februari 1916.

NUMMER. 178d

Ter wijziging der Verordeningen van 17 April 1915

(Wet- en Verordeningsblad, hls, 448) en van 28 Augustus 1915 (Wet- en Verordeningsblad, bh. 957) bepaal ik hierbij: De duur van den onder artikelen 5 en 7 der wet van 1 Februari 1844, herzien bij de wetten van 15 Augustus 1897 en 28 Met 1914, voorziene termijn voor het vaststellen van rooiingsplannen en het beginnen der onteigeningswerkzaamheden vangt aan, zonder aanzien van het tijdstip der indiening van de aanvragen tot bouwen, op 1 Februari 1916, wanneer deze aanvragen zulke openbare plaatsen en straten betreffen, waarvan tengevolge der krijgsgebeurtenissen een of meer huizen vernield werden. Brussel, den 12n Februari 1916.

NUMMER. 178e

17. FEBRUAR 1916.

Bekendmaking. Met toestemming van den Heer Generaal gouverneur in België, heb ik, overeenkomstig de Verordeningen van 17 Februari en 26 Augustus 1915, de firma Fischer

Frères, Koolstraat, 38, te Brussel, onder dwangbeheer geplaatst en den Heer J. Welker tot dwangbeheerder benoemd. Brussel, den 14n Februari 1916,

Lees op bladzijde 1453 van het Wet- en Verordeningsblad onder Nr. 2 „Budget de la justice'', 6e regel, 3e kolom, ,,5,300'' in plaats van ,,5,000" en in de 5e kolom ,,110,000" in plaats van ,,100,000".

Lees op bladzijde 1455 onder Nr. 6 „Budget de l'agriculture et des travau publics, tableau A (agriculture)", 2e regel, 4e kolom, „14" in plaats van „3".

C. C. 77a 1235.

NUMMER. 179.

20. FEBRUAR 1916.

Uitvoeringsbepaling betreffend het te betalen recht voor het afstaan van suiker voor het gebruik. Ter wijziging van de uitvoeringsbepaling van 15 December 1915 (Wet- en Verordeningsblad, bh. 1430),

stel ik de volgende rechten vast:

1) voor het afstaan van suiker voor het gebruik 1 frank (één frank) de 100 kilo;

2) voor het afstaan van mêlasse (46 % Clerget 40 % Bé) 0,02 frank voor elk percent suikergehalte van een kilo mêlasse;

3) voor het afstaan van melassevoeder 0,05 frank voor elk percent suikergehalte van een kilo melassevoeder.

Brussel, den 15n Februari 1916.

NUMMER. 180a.

22. FEBRUAR 1916.

Verordening betreffend wijziging en aanvulling der Verordening van 30n november 1915 over de regeling van den handel met boter.

Art. I. De prijs voor boter die de vervaardiger bijden verkoop in 't groot vrij te Brussel, de gebruikelijke verpakking inbegrepen, vragen kan (grondprijs) wordt tot 15n April a.s. per kilo als volgt vastgesteld:

1. Zoete roomboter. Zuivere boter (ten hoogste 18 % water inhoudend) (zoete roomboter Iste hoedanigheid): 6.50 frank. Boter meer dan 1850 % water inhoudend (zoete roomboter 2de hoedanigheid 4.„

2. Gezouten boter. Zuivere boter (ten hoogste 18 % water inhoudend) (gezouten boter Iste hoedanigheid) : 6.30 frank. Boter meer dan 1850 % water inhou- dend (gezouten boter 2de hoedanigheid 3.70 „

Art. II. Den boterhandel mogen van af 25 Fehruari 1916 alleen zulke personen uitoefenen, die

1.) voor den In Augustus 1914 als neringdoeners boter aan- en verkochten en als dusdanig ook patent betalen en

2.) van de burgerlijke commissarissen hij de Kreischefs een toelatingshewijs tot het voortzetten van hun boterhandel ontvangen hebben.

Bevoegd tot het afleveren van het toelatingsbewijs is de burgerlijke commissaris van het arrondissement, waarin de handelaar zijn handelszaak gevestigd heeft. Dit bewijs laat den handel in boter toe binnen de provincie, waarin de handelaar zijne handelszaak gevestigd heeft.

De „Verwaltungschef' hij den Generaal gouverneur in België is gemachtigd zekere boterhandelaars vergunning te geven hun hedrijf ook buiten de provincie uit te oefenen waarin zij hun handelszaak gevestigd hebben.

Art.III. Voor het overige blijven de bepalingen der verordeninng van 30n November 1915 (Wet- en Verordeningsblad bh. 1397) van kracht.

Art. IV. Overtredingen van deze Verordening vallen onder toepassing van artikel 9 der Verordening van 30n November 1915.

Art. V. Bevoegd zijn de Duitse krijgsrechtbanhen. Brussel, den 12n Februari 1916.

NUMMER. 180b.

22. FEBRUAR 1916

Met toestemming van den Heer Generalgouverneur in België, heb ik, overeenkomstig de

Verordeningen van 17 Fehruari 1915 en 26 Augustus 1915, het in België bestaande vermogen der Société Générale de Cinématographie, Société anonyme, Neuilly Paris, 14,

rue Chauveau", onder dwangbeheer geplaatst. De heer Theodor Ri is tot dwangbeheerder benoemd. Brussel, den 18n Fehruari 1916.

NUMMER. 181a.

25. FEBRUAR 1916

Het besluit van 12 Juli 1915 van den gemeenteraad te Doornik, waarbij de loonrooster voor de beambten van het Weldadigheidsbureel voortaan is gewijzigd wordt vernietigd, nadat de Voorzitter van het Burgerlijk bestuur der provincie Henegouw, hij besluit van 1 October 1915 het zelve geschorst had: dewijl aan het bestuur der burgerlijke godshuizen bij artikel 1 der wet van 16 Vendémiaire jaar F, uitdrukkelijk het recht wordt toegekend om zijn secretaris te kiezen en hij artikel 7 der wet van 16 Messidor jaar VII over het algemeen ook dat recht is toebedacht om zijne beambten te benoemen, zonder dat den gemeenteraad het recht tot goedkeuring voorbehouden zij; dewijl deze beschikkingen overdrachtelijk moeten toegepast worden op het Weldadigheidsbureel en zijn beambte; dewijl in het recht tot benoemen ook het recht tot het bepalen van de bezoldiging ingesloten ligt; dewijl de gemeenteraad zich in deze aan zijne bevoegdheid onttrokken aangelegenheid niet middelhaar inmengen van bij gelegenheid van de goedkeuring der begroting; dewijl alsdan het betrokken besluit in strijd is met de wet (Artikel een der wet van 16 Vendémiaire jaar F, artikel 7 der wet van 16 Messidor jaar VII, artikelen 86, 87 der gemeentewet). Van de vernietiging van het besluit zal melding worden gedaan op den rand van het register voor besluiten, Het Hoofd van de Burgerlijke Administratie bij den Generaal-Gouverneur in België is belast met de uitvoering van het tegenwoordig besluit.

Brussel, den 2n Februari 1916.

NUMMER. 181b.

25. FEBRUAR 1916.

Verordening betreffend het invoeren van scheepsbrieven.

Art. 1. leder schip, dat in het gebied van het Generaalgouvernement en van de „Etappen-Inspektion' van het 4e léger een Belgischen meethrief bezit, moet van af 1 Maart 1916 bovendien over een door het Generaalgouvernement of door de „Etappen-Inspektion" van het 4e léger afgeleverden scheepsbrief beschikken.

Art. 2. De naam van het schip mag alleen met de toestemming van het Generaal gouvernement veranderd worden. Elke verandering wordt door het Generalgouvernement in den scheepshrief aangeteekend. Nadat dit is geschied mag zij ook in den Belgischen meethrief overgedragen worden.

Art. 3. Overtredingen van artikelen 1 en 2 worden met ten minste 3 maand gevangenis en met ten hoogste 5000 Mark boete gestraft. Wie ongeoorloofde veranderingen aan den Duitsen scheepsbrief toekrengt, of, met het doel onjuiste opgaven in den scheepsbrief te doen inschrijven, voor de Duitse overheid valse verklaringen aflegt, wordt met dezelfde straf gestraft.

Art. 4. Bevoegd tot oordeelvellen zijn de Duitse krijgsrechtbanken.

Brussel, den 13n Februari 1916.

NUMMER. 181c.

25. FEBRUAR 1916. 117

Verordening tot wijziging van de Verordening van 17 Februari 1915 betreffend het dwangbeheer.

Art. 1. De Verordening van 17 Februari 1915 betref fend het dwangbeheer (Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België nr. 41) wordt als volgt gewijzigd:

Art, 1, lid 2 luidt voortaan aldus: Met een onderneming in den zin dezer Verordening worden hulphuizen agentschappen, stapelhuizen, grondstukken, evenals vermogen allerhand gelijk gesteld.

Lid 2 van Art. 3 wordt opgeheven.

Art. 4, lid 3 luidt voortaan aldus: „De beheerders kunnen volmacht en inzonderheid prokura voor de door hen beheerde onderneming toestaan."

Art. 2. Als onderdanen van vijandelijke staten in den zin der Verordening van 17 Februari 1915 betreffend dwangbeheer, tellen ook personen van Belgische nationaliteit, die zich buiten het Duitse Rijk, buiten de ermede verbonden staten of buiten de bezette streken van België bevinden.

Brussel, den 18n Februari 1916. BA. 1U5.

NUMMER. 181d.

25. Februari 1916

Verordening betreffend opheffing van het Frans handels- en betaalverbod in de Franse land streken des Generalgouvernements.

Eenig artikel. De voor de bezetting in Frankrijk uitgevaardigde bepalingen over het handels- en betaalverbod houden op van kracht te zijn van den dag af, waarop het Franse gebied door de Duitse troepen is bezet geworden. Voorschriften van gezegden aard, die na de bezetting in Frankrijk uitgevaardigd geworden zijn, hebben binnen het bezet gebied geen kracht van wet.

Brussel, den 18n Februari 1916.B. A. 1446.

NUMMER. 181.

25. FEBRUAR 1916. 123

Op grond mijner verordeningen van 30 Juni en 23 Juli 1915 (nr. 5) betreffend den korenoogst 1915,

evenals mijner Verordening van 28 Augustus 1915 betreffend horen en meel uit vroegere oogstjaren, heb ik, op voorstel der „Zentral Ernte Kommission\ de hoogste prijzen voor den verkoop van gedorscht koren, meel, zemelen en brood voorshands als volgt vastgesteld:

voortarwe uit stapelplaats of molen geleverd fr. 38.28 per 100 kg.

rogge fr.26.58 per 100 kg

ongepelde spelt fr.24.30 per100 kg

masteluin fr. 28.77 per 100 kg

tarwezemelen uit molen geleverd .fr. 22.per 100 kg

masteluinzemelen fr. 20 per 100 kg

roggezemelen fr.18. per 100 kg

tarwemeel aan bakkers of gebruikers geleverd fr.48.05 per 100 kg

roggemeel aan bakkers of gebruikers geleverd fr. 34.56 per 100 kg

masteluinmeel aan bakkers of gebruikers geleverd fr.36.29 per 100 kg

tarwemeel tot 60 % of fijner gemalen, aan de pasteibakkers geleverd fr.80 per 100 kg

roggemeel tot 60 % of fijner gemalen, aan de pasteibakkers geleverd fr. 65 per 100 kg

tarwebrood aan verbruikers geleverd .fr.0.42 per1 kilo

 

Deze hoogste prijzen worden van af 1 Maart van kracht. De „Provinzial Ernte Kommissionen" is de bevoegdheid verleend, voor de omschrijving van enkele gemeenten op aanvraag of na raadpleging van de burgemeesters, telkens een lageren hoogsten prijs voor tarwebrood, evenals hoogste prijzen voor brood, voor de vervaardiging waarvan roggemeel wordt gebruikt, vast te stellen.

Voor de verkoopen der voortbrengers van tarwe en rogge aan het Nationaal Hulp- en Voedingskomiteit, blijven de in mijn bekendmaking van 10 Augustus 1915 (nr. 4a) vastgestelde hoogste prijsen van kracht.

Brussel, den 23n Fehruari 1916.

NUMMER. 182

28. FEBRUAR 1916.

Verordening betreffend lucifers en andere dergelijke met fosfoor vervaardigde voorwerpen.

Art. 1. Het bezitten van witten of gelen fosfoor tot het vervaardigen van lucifers en andere dergelijke voorwerpen is verboden. Lucifers en andere dergelijke voorwerpen, die met witten of gelen fosfoor vervaardigd werden, mogen niet ingevoerd, te koop gesteld, verkocht of op andere wijze in omloop gebracht worden. Bovenstaande bepalingen zijn niet toepasselijk op reepen, die tot het aansteken van veiligheidsmijnlampen dienen.

Art. 2. Wie de bepalingen dezer Verordening overtreedt wordt met ten hoogste 2500 frank boete of met ten hoogste twee jaar gevangenis gestraft. Naast de straf kan ook verbeurdverklaring van de

in strijd met dit verbod vervaardigde, ingevoerde of in omloop gebrachte voorwerpen, evenals bij verboden vervaardiging , van het daartoe gebruikte gereedschap uitgesproken worden.

Art. 3. Bevoegd zijn de strafkamers der Belgische rechtbanken van eersten aanleg.

Art. 4. Deze

Verordening wordt op 1 Juni a.s. van kracht. Brussel, den 22n Februari 1916.

NUMMER. 182b.

28. FEBRUAR 1916

MINISTERIE VAN WETENSCHAPPEN EN KUNSTEN, AFDEELING LAGER ONDERWIJS.

Eamen voor onderwijzers overeenkomstig art. 24 ' der organieke wet. Voorschriften voor de kandidaten. Een kommissie zal in April 1916 te Brugge, overeenkomstig art. 24 der organieke wet tot regeling van het Belgisch lager onderwijs, eamens afnemen. Deze is alleen voor kandidaten uit West-Vlaanderen bestemd. De kandidaten moeten den 1 December 1916 ten volle negentien jaar oud zijn. Hierop wordt geen uitzondering toegestaan. Zij zijn gehouden voor I April 1916 op ongezegeld

papier hun aanvraag, volgens onderstaand model. Bij het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten in te zenden.

Bij de aanvraag behoren nog:

1. een afschrift der geboorteakte;

2. een getuigschrift van onbesproken gedrag door de gemeenteoverheid afgeleverd;

3. een geneeskundig getuigschrift, verklarende dat de kandidaat aan geen lichamelijk gebrek lijdt, van

aard het gezag, dat hij als onderwijzer moet hebben, afbreuk te doen;

4. een opsomming van getuigschrift en diplomas van den kandidaat, met aanduiding van de inrichtingen, die deze hebben afgeleverd.

N. B. Overeenkomstig de bepalingen van het Zegelwetboek van 25 Maart 1891 moeten het afschrift der geboorteakte en het getuigschrift van onbesproken gedrag op gezegeld papier worden ingezonden. De oproeping van de kandidaten geschiedt te gepaster tijd door den voorzitter der kommissie.

Model van aanvraag ter inschrijving voor het eamen voor onderwijzer.

Ondergetekende (naam, voornaam, beroep) wonende te (straat, nummer, zo nodig, provincie) geboren te 18 , wenst zich te laten inschrijven voor het in April 1916 te houden eamen voor onderwijzer, ingesteld overeenkomstig art. 24 der organieke wet tot regeling van het Belgisch lager onderwijs. Hij biedt zich aan voor de gemeenten van het Vlaams taalgebied.

(Datum.) (Handtekening.)

NUMMER. 182c

28. FEBRUAR 1916.

Model voor het geneeskundig getuigschrift.

Ondergetekende (naam, voornaam en adres), dokter in de geneeskunde, enz., getuigt, dat de Heer (naam, voornaam en adres van den kandidaat), aan geen der gebreken lijdt, die in het aanhangsel van het ministerieel besluit van 31n December 1897 (Beheer van het Lager Onderwijs, 2de afdeling, nr. 13-120 l) opgesomd zijn, en ook niet aan een lichamelijke kwaal onderhevig is, die van aard zou wezen, het gezag dat een onderwijzer over de scholieren behoort te hebben, in gevaar te brengen. , den 19. . C. C. III 529, (Handtekening.)

NUMMER. 183.

1. Maart 1916

Verordening betreffend den handel in rundvee en varkens.

Art. 1. Handel in rundvee en varkens mogen van af In Maart 1916 alleen zulke personen drijven

1) die voor den In Augustus 1914 als kooplieden rundvee en varkens aan en verkochten en als dusdanig patent betalen en

2) die van de burgerlijke commissarissen hij de „Kreischefs" een toelatingsbewijs tot het voortzetten van den handel in rundvee en varkens bekomen hebben.

Bevoegd tot het afleveren van het toelatingsbewijs is de burgerlijke commissaris van het arrondissement, waarin de handelaar zijn bedrijf gevestigd heeft. Dit bewijs laat het handeldrijven in rundvee en varkens toe binnen de provincie, waarin het bedrijf van den handelaar gevestigd is.

De Verwaltungschef bij den General gouverneur in België is gemachtigd zekere handelaars vergunning te geven hun bedrijf ook buiten deze provincie uit te oefenen.

Art. 2. Overtredingen van bovenstaande bepalingen worden met ten hoogste één jaar hechtenis of gevangenis of met ten hoogste 10.000 mark boete gestraft. Ook kunnen beide straffen tegelijk uitgesproken worden. Bovendien kan de ware verbeurdverklaard worden.

Art. 3. Bevoegd zijn de Duitse krijgsrechtbanken. Brussel,

den 22n Februari 1916.

NUMMER. 183.

1. Maart 1916

Verordening houdende wijziging en aanvulling der Verordening van 19 December 1915 betreffend de regeling van den verkoop van slachtzwijnen en zwijnenvlees.

Art. 1. H et slachten van zwijnen buiten de slachthuizen (het slachten aan huis) is voorshands verboden. Uitzonderingen kunnen in enkele gevallen, wanneer er een dringende economische reden toe bestaat, door den ter plaatse bevoegden burgerlijke commissaris worden toegestaan. Dit verbod is niet toepasselijk op noodslachtingen: d. w. z. zulke slachtingen, die ten gevolge van erge ziekte van een dier of ten gevolge van een ongeval overeenkomstig een veeartsgetuigschrift moeten geschieden.

Dergelijke slachtingen moeten door den burgemeester goedgekeurd worden, die er bij den bevoegden burgerlijke commissaris, met toevoeging van het veeartsgetuigschrift, ten laatste binnen drie dagen na de slachting aangifte van zal doen.

Art. II. Bij verkoop van zwijnen om te slachten mag de prijs voor 1 kilo levend gewicht op de slachtveemarkt te Brussel (Kuregem-Anderlecht) niet te boven gaan (grondprijs) voor zwijnen, levend gewogen: van 125 kilo en meer 3.00 frank.

van 80 tot 125 kgr 2.80 fr

beneden 80 kgr 2.00 fr

zeugen 2.20 fr

Art. III. Bij het afstaan aan den verbruiker mag de prijs voor 1 kilo vers (rauw) varkensvlees, evenals voor reuzel binnen het gebied des Gouvernements der stad Brussel, de volgende prijzen niet te boven gaan:

Iste klasse: rug, lendenbraadstuk en hesp 4.80 frank.

2e vers spek en reuzel 0,80 frank

3e karbonade schouder, benedenribben- stukken, buik 3.20 frank

4e schenkel, kop met vetkaak 1.70 frank

5e kop zonder vetkaak 1.20 frank

6e varkenspoot 0.70 frank

Bij het verkopen van Masse 1-3 mag geen bijzondere toeslag gegeven worden.

Art. IV. Voor 't overige blijven de bepalingen der Verordening van 19 december 1915 van kracht.

Art. V. Overtredingen van deze Verordening vallen onder toepassing der bij art. 7 der Verordening van 19 December 1915 voorziene straffen. Bevoegd zijn de Duitse krijgsrechtbanken.

Brussel, den 22n Februari 1916.C. C. VII 2246.

NUMMER. 184a

4. Maart 1916.

BEKENDMAKING

Met toestemming van den Heer Generaalgouverneur in België, heb ik, overeenkomstig de Verordeningen van 17 Februari en 26 Augustus 1915, de „Société Coloniale Anversoise te Antwerpen, onder dwangbeheer geplaatst en den Heer Rechtsanwalt Dr. J. M. Lappenberg tot dwangbeheerder benoemd. Brussel, den 20n Februari 1916.

NUMMER. 184b

Om de uitvoering van het betalingsverbod bij het innen van wissels in België te verzekeren, bepaal ik op grond der Verordening van 28n November 1914, lid II, het volgende:

Bij het innen van een wissel, die een vijandelijk endossement draagt, moeten de houder van den wissel en de schuldenaar onderzoeken, of de betaling in strijd zou zijn met een betalingsverbod.

Wordt als vijandelijk beschouwd, het endossement van een persoon of een firma, die woon- of verblijfplaats hebben in het vijandelijk buitenland, waarop het betalingsverbod toepasselijk is. Draagt een wissel een vijandelijk endossement is gelijk op welke plaats, zoo geldt het volgende:

1. De schuldenaar is tot betalen van den wissel met intrest slechts verplicht, indien het blijkt dat de navolgende van den vijandelijke endossant den wissel door discontering heeft verkregen, en wel, voor navolgen. den in Duitsland of in de bezette streken van België, voor den dag waarop het betreffend betalingsverbod in kracht is getreden, voor een anderen navolgende, voor den 31n Juli 1914. Een volgens het wisselrecht vereist protest moet worden opgemaakt. Het betalingsverbod is van kracht geworden: tegen Engeland, Frankrijk, hun koloniën, buitenlandse bezittingen en beschermgebieden op 7 november 1914, tegen Rusland en Finland op 1 December 1914, tegen Egypte en Frans Marokko op 3 november 1915,

2. In alle andere gevallen wordt den schuldenaar door het betalingsverbod de betaling van een wissel met vijandelijk indossement verboden. De betaling blijft zonder intrest geschorst. Protest wegens niet betaling wordt niet toegelaten. Evenwel sta ik hierbij voor de betaling van zulke wissels met vijandelijk indossement, die zich in het bezit een bank of bankfirma in België, Duitsland of de met dit land verbonden staten bevinden, den schuldenaars in 't algemeen een uitzondering op het betalingsverbod toe. Dienvolgens mogen de schuldenaars deze wissels betalen, maar zijn er niet toe verplicht. Wissels mogen aan andere bezitters dan banken allen betaald worden, wanneer de Commissaris-generaal voor de banken in België daartoe een bijzondere uitzondering op het betaalverbod toestaat. In beide gevallen kan de schuldenaar den wissel zonder intrest betalen.

3.Het overhandigen van geïnde wisselbedragen aan lastgevende banken is, binnen België of naar Duitsland zonder meer, voor het niet vijandelijk buitenland slechts dan toegelaten, wanneer het blijkt dat de opdrachtgever den wissel voor den 1en Juli 1914 door discontering bekomen heeft. Voor het overige behoeft mijne goedkeuring voor verder bestelling. In twijfelachtige gevallen ben ik tot het verstrekken van inlichtingen bereid. Brussel, den 22n Februari 1916.

NUMMER. 184c

Bekendmaking

Met toestemming van den Heer Generaalgouverneur in België heb ik, overeenkomstig de verordeningen van 17 Februari en 26 Augustus 1915, de firma's Baugnies Frères, te Peruivelz, en Gérard & Cie, te Zinnik, onder dwangbeheer geplaatst en den Heer Dr. Getz tot dwangbeheerder benoemd. Brussel, den 23n Februari 1916.

NUMMER. 184d

Verordening van 5 December 1915 (Wet- en verordeningsblad. 1405) had ik het opnemen van de ter voeding der burgerbevolking beschikbare voorraden aardappelen bevolen.

Het is ter mijner kennis gekomen, dat bezitters van aardappelen hun voorraad te laag hebben aangegeven, gedeeltelijk in de mening, dat de hoeveelheden voor eigen gebruik, namelijk voor de voeding van mensen en dieren, evenals voor plantgoed bestemd, niet onder de voorgeschreven aangifte vallen.

Deze opvatting is vals. De verplichte aangifte omvatte de gezamenlijke voorraden, zoverre zij in 't geheel 50 kilo te boven gingen. Dientengevolge heb ik onderstaande Verordening uitgevaardigd, die het allen bezitters van aardappelen mogelijk maakt, zich aan de onder art. A der Verordening van 5 December 1915 (Wet- en Verordeningsblad blz. 1405) bepaalde straffen te onttrekken, door nogmaals hun voorraad aardappelen, door volledig aan te geven.

Brussel, den 26n Februari 1916.

NUMMER. 184E

4. Maart 1916.

VERORDENING

Blijft vrij van de straf onder art. 4 der Verordening van 5 December 1915 (Wet- en verordeningsblad 1405) bepaald, al wie ten laatste op 18 Maart 1916, vroegere onjuiste of onvolledige aangiften van bij hem in bewaring zijnde aardappelstapels heeft verbeterd. In dit geval worden ook de stapels aardappelen, die vroeger niet aangegeven werden, niet verbeurd verklaard. De nieuwe, volledige aangifte moet hij de overheid der gemeente gedaan worden, in wier omschrijving de aardappelen voorhanden zijn.

Brussel, den 26n Fehruari 1916.

NUMMER. 184F

4. Maart 1916.

Verordening betreffend het gebruik van aardappelen in hotels en in spijshuizen.

Art. 1 Het is verboden, in hotels en in spijshuizen aardappelen die rauw geschild geworden zijn als hoofdschotel of als bijgerecht op te dienen.

Art. 2. Overtredingen van bovenstaande bepaling worden met ten hoogste zes maand hechtenis of gevangenis of met ten hoogste 500 mark boete gestraft. Ook kunnen beide straffen tegelijk uitgesproken worden.

Art. 3. Bevoegd zijn de Duitse Krijgsrechtbanken.

Brussel, den 26n Februari 1916.

NUMMER. 184G

4. Maart 1916

VERORDENING.

Art. 1. Het is verboden plantaardige en dierlijke oliën en vetten, die tot menselijke voeding geschikt zijn, of waaruit menselijke genotmiddelen kunnen vervaardigd worden, in ruwen of verwerkten toestand tot andere doeleinden, dan tot menselijke voeding te bezigen. Uitzonderingen kan de Oelcentrale in België toestaan.

Art. 2. Met ten hoogste 5000 mark. boete en met ten hoogste drie maand gevangenis of met een van beide wordt gestraft, al wie de bepalingen dezer Verordening overtreedt. Bovendien kan verbeurdverklaring der stoffen, die het voorwerp der overtreding uitmaken, uitgesproken worden. Bevoegd zijn de krijgsrechtbanken.

Brussel, den 26n Februari 1916.

 

NUMMER. 185a

7. MAART 1916

Verordening betreffend het verbeurdverklaren van koren bij overtredingen van de koren- verordeningen. In aanvulling mijner Verordening van 30 Juni 1915 betreffend den korenoogst van 1915, nr. 5, evenals mijner Verordening van 28 Augustus 1915 betreffend koren en meel uit vroegere oogstjaren, bepaal ik, dat volgens de door mij uitgevaardigde uitvoeringsbepaling, met elke boete en gevangenisstraf bovendien de verbeurdverklaring kan uitgesproken worden van het tot de strafbare handeling bestemde of gebruikte koren.

Brussel den 29n Februari 1916.

NUMMER. 185b

7. Maart 1916

Uitvoeringsbepaling bij de Verordening betreffend het verbeurdverklaren van koren bij overtredingen van de korenverordeningen van den 29n Februari 1916.

Het verbeurdverklaarde meel en brood, evenals de zemelen, moeten tegen betaling aan het Provinciaal Komiteit voor Hulp en Voeding afgestaan worden. Het verbeurdverklaarde koren moet door bemiddeling der Provinciaal Ernte Kommission aan het bevoegd Provinciaal Komiteit voor Hulp en Voeding tegen betaling worden overgemaakt en valt onder toepassing der verordeningen over het in beslag nemen. De betaling der verbeurdverklaarde waren moet tegen de door mij vastgestelde hoogste prijzen door het Komiteit geschieden. Het daaruit voortkomende geld moet niet aan de militaire schatkist, maar aan de bestendige kommissies ten bate van weldadigheidswerken binnen de provinciën afgeleverd worden. Boeten worden in de Rijkskas gestort.

Brussel, den 29n Februari 1916.

Z. E. K. 2225.

158

 

NUMMER. 185c

7. MAART 1916.

BEKENDMAKING

Op grond van art. 3 der Verordening van 17 Februari 1915 (Wet- en Verordeningblad voor de Bezette streken van België, nr. 41 van 20 Februari 1915), heb ik den Heer Adolf Sachs ter vervanging van den Heer konsul Ernst Regensburger, die op eigen verzoek afgetreden is tot dwangbeheerder der „Société Belge de Crédit Industriel et Commercial et de Dépots", te Brussel, benoemd.

Brussel, den 29n Februari 1916.

B. A. 1501.

NUMMER. 185d

7. MAART 1916. 159

Hierbij geef ik de toelating tot het verkopen van 10 000 loten der door de vereniging „Invalidendank" , Bijhuis te München ingerichte geldloterij en tot hare aankondiging in de pers voor het gebied des Generaal-Gouvernement.

Brussel den 29n Februari 1916.

NUMMER. 185e

7. Maart 1916.

Verordening waarbij het toltarief en zekere accijnsrechten gewijzigd worden.

Art. 1. De invoerrechten op de hiernagenoemde goederen worden als volgt gewijzigd:

Volgnummer toltarief

Goederen

Invoerrechten maatstaf

Invoerrechten FR.C.

 

5

Bier en andere gegiste dranken, niet afzonderlijk getarifeerd :

     
 

Op fust

hect

10

 
 

Op flessen.

hect

15

 

E8

Bereide cacao

100 kg

50

 

9

Koffie:

     
 

ongebrande *

100 kg

10

 
 

gebrande

100 kg

15

 

61

Tabak:

     

ongefabriceerde (gestroopte) . .

100 kg

130

(andere) . . .

100 kg

100

 

gefabriceerde [sigaren en sigaretten)

100 kg

1000

 
 

(andere)

100 kg

220

 

69

wijn

Vrij (a)

   

Wijn wordt onderworpen aan accijnsrechten vastgesteld als volgt: Fr. C.

Wijn [in flessen Hectol. 90 fr

anders ingevoerd {*) 30fr

(*) Met inbegrip, mits bewijslevering, van de gesteriliseerde alcohol vrije wijnmost {ongegist druivensap) zelfs in flessen vervat.

Art. 2. Alle tolrechten worden onderworpen aan een bijrecht van 10 t.h., te berekenen op het bedrag voortvloeiende uit de toepassing van het hoofdrecht.

Art. 3. Met wijziging in art. 3, § 1 der wet van 20 Augustus 1885, wordt het accijnsrecht op het vervaardigen van hier vastgesteld op 20 centiem per aangegeven kilogram meel.

Art. 4. Het bij art. 3, § 2 der wet van 17 April 1896 vastgesteld accijnsrecht van 15 fr. per 100 kilogram

tabak wordt op 30 fr. gebracht.

Art. 5. Het bijzonder accijnsrecht van 40 fr. per hectoliter waaraan in het land vervaardigde schuimwijn, krachtens art. 8 der wet van 30 December 1896, onderworpen is, wordt op 60 fr. per hectoliter gebracht.

Art. 6. Met wijziging in art. 1 van het koninklijk besluit van 22 Juli 1897, wordt het accijnsrecht op het

bereiden van wijn door middel van gedroogde vruchten vastgesteld op 47 fr. per 100 kilogram gebruikte gedroogde vruchten; dit recht mag evenwel niet minder bedragen dan 9.40 fr. per hectoliter van den bruto-inhoud der kuipen, die tot het bevochtigen en het weken der vruchten dienen.

Art. 7. Behalve het accijnsrecht op het bereiden van hier, vermeld onder art. 3 en hetwelk op 10 Maart a.s. van kracht wordt, worden de hij deze Verordening vastgestelde rechten toepasselijk te beginnen met den dag hare afkondiging in het Wet- en Verordeningblad voor de bezette streken van België.

Wat de invoerrechten betreft, is van toepassing het tarief hetwelk van kracht is op den datum waarop de goederen ten verbruik worden ingeklaard.

Wordt de waar per spoorweg ingevoerd en rechtstreeks aan den bestemmeling afgeleverd, dan wordt het tarief toegepast dat van kracht is op den datum van vorming, door den Duitse dienst, der invoerlijst opgemaakt voor het invorderen der rechten.

Art. 8. Het regime van het fictief stapelhuis wordt van toepassing gemaakt op de koffie.

Brussel, den 1n Maart 1916.

NUMMER. 185f

Bekendmaking
De krachtens art. 3 der Verordening van 6 November 1915 betreffend het benuttigen van ajuin, vervolgens bij bekendmaking van 23 Januari 1916 (Wet en Verordeningblad hh. 1547) vastgestelde hoogste prijzen voor ajuin zijn hierbij opgeheven.
Brussel, den 1n Maart 1916.

NUMMER. 186.

9. Maart 1916. 167

Verordening betreffend de voertaal van het onderwijs in de gemeentescholen aangenomen en aanneembare scholen van Groot Brussel.

Voor het gebied van Groot-Brussel wordt in uitvoering van artikel 20 van de wet van 15 Juni 1914 tot regeling van het lager onderwijs het volgende bepaald:

Art. 1. De gezinshoofden van de nieuw aangemelde scholieren zullen ten laatste binnen de acht dagen na de aanmelding, door het hoofd der school uitgenodigd worden een verklaring daarover af te leggen, welke de moedertaal of de gebruikelijke taal van hun kinderen is.

Voor de uitnodiging van het hoofd der school en voor de verklaring van het gezinshoofd moeten formulierenovereenkomstig bijlage 1 en 2worden gebruikt;

het hoofd der school mag den tekst niet wijzigen noch er iets aan toe voegen, Het formulier voor de verklaring moet bij de uitnodiging gevoegd worden,

Het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten moet de formulieren leveren en ze, door bemiddeling van de schoolopzieners, in voldoende aantal aan de gemeenten of schoolbesturen zenden. De verklaring van het gezinshoofd moet, zolang het kind schoolplichtig is, in het schoolarchief bewaard worden.

Art. 2. Het schoolhoofd moet onderzoeken of het kind in staat is, het onderwijs met vrucht te volgen in de door het gezinshoofd aangeduide taal. Tot grondslag van dit onderzoek zal dienen: de afkomst van het kind; de taal die gebruikt wordt in zijn naaste omgeving en in 't bijzonder de kennis van het kind zelf. Beslist het hoofd der school, dat het kind niet bekwaam is, in de aangeduide taal het onderwijs met vrucht te volgen, zo moet hij deze beslissing op de verklaring van het gezinshoofd vermelden, ze zonder uitstel aan den familievader mededelen, en er op wijzen, dat deze volgens art. 20 der wet hij het schooltoezicht in beroep kan komen. De beslissing van het schooltoezicht moet eveneens op de verklaring van het gezinshoofd aangetekend worden.

Art. 3. Geeft het gezinshoofd geen verklaring aangaande de moedertaal of de gebruikelijke taal van het kind, dan beslist het hoofd der school, in welke taal het kind zal worden onderwezen. Dit besluit wordt door het hoofd der school schriftelijk aan het gezinshoofd medegedeeld, dat hij het schooltoezicht in beroep kan komen.

Art. 4. Nader uit te vaardigen maatregelen betreffende de wijze waarop de nauwgezetheid van het onderzoek en de juistheid der beslissing van het hoofd der school (art. 2 en 3) zullen worden verzekerd en nagegaan, blijven voorbehouden.

Art. 5. Is eenmaal de taal van een kind volgens voorafgaande voorschriften vastgesteld, dan blijft deze beslissing geldig zolang het kind een der in den titel dezer Verordening aangeduide scholen bezoekt.

Art. 6. Bedraagt het aantal kinderen van een jaargang met dezelfde moedertaal ten minste twintig, dan moet voor hen een afzonderlijke klas met overeenkomstige voertaal ingericht worden. Bedraagt dit aantal minder dan twintig, doch ten minste tien, dan moeten, in zoverre voor hen geen afzonderlijke klas wordt ingericht, twee jaargangen in een klas met dezelfde voertaal (in afzonderlijke afdelingen) verenigd worden. Het is verboden, klassen of afdelingen met twee verschillende voertalen te vormen.

Uitzonderingen kunnen voor enkele scholen in bijzondere gevallen door een gemotiveerde beslissing van het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten worden toegestaan. De gemotiveerde toelating moet afgekondigd worden in het blad, voor de ambtelijke mededelingen bestemd.

Art. 7. Dadelijk na het begin van het schooljaar moet het hoofd der school aan den kantonalen schoolopziener overhandigen (daarbij gebruik makend van de als bijlage 3 en 4 hieraan toegevoegde formulieren):

1). een opgave van het aantal leerlingen, die in iedere jaargang voor elke taal in aanmerking komen;

2). een algemeen overzicht van de afzonderlijke klassen en afdelingen.

Art. 8. In alle eentalige klassen der gemeentescholen een gemeente moet voor de zelfden jaargang aan het onderricht in de moedertaal een gelijk aantal uren worden besteed. Er dient voor gezorgd, dat het beheer van aanneembare scholen voor al deze scholen de zelfden maatregel treft.

Art. 9. Het wordt aan de gemeente of aan het schoolbeheer overgelaten een tweede taal als onderwijsvak in het leerplan op te nemen. Opdat daardoor het grondige aanleren der moedertaal niet benadeligd worde, mag tot nader order dit onderwijs niet voor het der de schooljaar beginnen en slechts mondeling verstrekt worden.

Aan dit onderwijs mogen van het derde tot het vijfde schooljaar niet meer dan vier,

van het zesde tot het achtste schooljaar niet meer dan vijf uur per week besteed worden.

Bestaan er in een school volgens de moedertaal gescheiden klassen, dan moet daarin het onderwijs in de tweede taal gelijkmatig geregeld en verstrekt worden.

Art. 10. Het is ook aan de gemeenten of aan het schoolbeheer overgelaten, te bepalen dat, ten vroegste van het zesde schooljaar en ten hoogste drie door hen aan te duiden vakken door middel van de tweede taal als voertaal worden aangeleerd. Tezelfdertijd moet dan het getal uren, dat voor het aanleren der tweede taal is vastgesteld, met twee per week worden verminderd. Zodanige regeling moet door het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten worden goedgekeurd. De goedkeuring wordt niet verleend, indien deze maatregel het grondige aanleren der moedertaal zou schaden.

De goedgekeurde regeling en moeten verschijnen in het blad, voor de ambtelijke mededelingen bestemd. Bestaan er in een school volgens de moedertaal gescheiden klassen, dan moet daarvoor de regeling gelijkmatig worden ingevoerd.

Art. 11. Geen onderwijzer mag in een klas onderricht geven, indien hij de daarvoor vastgestelde voertaal en de taal waarin het betreffende vak moet worden aangeleerd (art. 10) niet volkomen machtig is.

Art. 12. Geen onderwijzer mag, waar het niet geldt het hij artikelen 9 en 10 voorziene bijzonder onderwijs, de scholieren beperken in het vrije gebruik hunner moedertaal.

Art. 13. De leerboeken moeten voor ieder vak in de taal zijn opgesteld, die als voertaal voor het vak is voorgeschreven. Diploma’s en getuigschriften moeten in de voertaal der klas opgesteld zijn, waartoe de scholier behoort. Hetzelfde geldt voor de bekendmakingen van het schoolbestuur en de schriftelijke mededelingen aan de ouders der scholieren.

Art. 14. Worden de bovenstaande bepalingen of de naar aanleiding daarvan door het schooltoezicht of het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten getroffen maatregelen niet nagekomen, dan stelt de gemeente of het schoolbestuur zich bloot aan de gehele of gedeeltelijke onttrekking van de staatstoelagen.

Art. 15. Van af 1 Met 1916 zijn voor den eersten (jongste) jaargang tweetalige klassen niet meer toegelaten; de leerlingen van dergelijke bestaande klassen vormen den grondslag voor de nieuwe Vlaamse of Franse klassen. De gezinshoofden van deze scholieren moeten dadelijk worden uitgenodigd de hij artikel 1 voorgeschreven verklaring af te leggen.

De verklaringen moeten overeenkomstig artikelen 2 en 4 worden onderzocht.

Bij het begin van het schooljaar 1916/17 moeten de gezinshoofden van alle overige scholieren, zowel van hen die de school reeds bezocht hebben als van de nieuw aangegeven, worden uitgenodigd de bij artikel

1 voorgeschreven verklaring af te leggen. Al de verklaring en moeten worden onderzocht. Op hetzelfde tijdstip worden de gezamenlijke voorschriften van deze verordening van kracht. De bepalingen betreffende de vorming van eentalige klassen en afdelingen (art. 6) zijn nochtans in het schooljaar 1916/17 enkel van toepassing op den eersten (jongste) jaargang van het schooljaar 1915/16 en op de voor de twee laagste klassen nieuw ingeschreven scholieren; voor ieder volgend schooljaar zullen zij ook op den volgende jaargang toepasselijk zijn. De nodige uitvoeringsmaatregelen moeten tijdig genomen worden.

Brussel, den 25en Februari 1916. Mijnheer,

Bijlage 1. Gij hebt uw kind voor een school aangemeld, die aan artikel 20 van de schoolwet van 15 Juni 1915 tot regeling van het lager onderwijs onderworpen is. Dit artikel bepaalt onder meer: „In alle gemeentescholen, aangenomen en aanneembare scholen wordt het onderwijs in de verschillende

graden van het onderricht in de moedertaal der kinderen gegeven. De moedertaal of omgangstaal van een kind wordt door de verklaring van den familievader bepaald. De tot uitvoering van de schoolwet uitgevaardigde Verordening van 25 Februari 1916 legt mij den plicht op II op de grote zedelijke en opvoedkundige betekenis van deze verklaring te wijzen.

Zoo de wetgever de moedertaal die onderwijstaal voorschrijft dan wil hij door dezen verstandige maatregel de ware belangen van het kind dienen.

Over heel de wereld, geldt het als een onbetreden opvoedkundig beginsel, dat een goede opvoeding en een vruchtbaar onderwijs den weg moet vinden tot den geest en het hart van het kind.

Om den toegang daartoe te verkrijgen is de moedertaal het zekerste en meest rechtstreekse middel. Het onderwijs in de moedertaal verstrekt, belemmert geenszins het aanleren van een tweede taal. De ondervinding leert echter, dat het lager onderwijs, dat in een voor het kind vreemde taal wordt verstrekt, de geestelijke en zedelijke vorming van het kind niet tot zijn volle ontwikkeling laat komen. Aan het aanleren van de tweede taal zal, welk ook de moedertaal van uw kind zij, bijzondere zorg besteed worden. De inrichting van het onderwijs, de leermethoden en het schoolbezoek tot veertienjarige leeftijd geven de verzekering, dat uw kind een voldoende kennis der tweede taal zal verwerven, die ruimschoots in de behoeften van het praktische leven zal voorzien.

Welke taal is de moedertaal? Het is de taal, die in den huiselijke omgang door ouders en kinderen gebruikt wordt; het is de omgangstaal in den schoot der familie; het is de taal, waarin het kind zijn innigste gedachten en gevoelens uitdrukt. Opdat de onderwijstaal voor uw kind kunnen bepaald worden, moet gij enkel het feit vaststellen, welke de moedertaal van uw kind is.

De wetgever moet verlangen, dat uwe vaststelling met de werkelijkheid overeenkomen. Hierin hebt gij maar uw geweten te volgen. Wie het opmaken van uwe verklaring tot aanleiding zou nemen, om u door daden, dwangmaatregelen of bedreigingen te dwingen, uw kind naar een bepaalde school te zenden of uit een bepaalde school weg te halen, zou zich volgens art. 12 van de schoolwet strafhaar maken. Gij wordt verzocht, op bijgevoegd formulier uwe verklaring op te maken en ze uiterlijk den aan het ondergetekende schoolhoofd te doen toekomen.

Het Schoolhoofd,

Bijlage 2.

VERKLARING. Ik ondergetekende, vader, moeder, voogd, verklaar hierbij, kennis te hebben genomen van de uitnodiging, overeenkomstig artikel 20 van de wet van 1914, welke de moedertaal of de gebruikelijke taal van mijn kind is. Dien ten gevolge verklaar ik hierbij dat de moedertaal of de gebruikelijke taal van mijn kind naam voornaam geboren te op wonende te straat, nr.

Vlaams \ Frans

geef de stellige verzekering dat deze verklaring met de waarheid overeenkomt, . . . ., den . . . .19. .

(Leesbare handtekening van het gezinshoofd.)

Bijlage 3 (zie hl. 175).

Schoolkanton bijlage3
Gemeente :
school :
Moedertaal van de kinderen

Ouderdom

Eerste jaargang

Tweede jaargang

Derde enz

Volgens de verklaring der ouders

Volgens de beslissing van het schoolhoofd

Volgens de verklaring der ouders

Volgens de beslissing van het schoolhoofd

 

Vlaams

Frans

Vlaams

Frans

Vlaams

Frans

Vlaams

Frans

 

6jaar

                 

6 -7 jaar

                 

7 -8 jaar

                 

8-9 jaar

                 

In het geheel

                 

Juist en waar verklaard het schoolhoofd

Bijlage 4 (zie hl. 176).

Bijlage 4

Schoolkanton bijlage3
Gemeente :
school :
Moedertaal van de kinderen

Tabel van de inrichting der klassen.

Studiejaar

Vlaamse klassen

Franse klassen

 

Aantal

Afdelingen

Bevolking

Aantal

Afdelingen

Bevolking

1st jaar a

           

1st jaar b

           

2de jaar a

           

2de jaar b

           

3de jaar a

           

3de jaar b

           

enz

           

NUMMER. 187a.

12. Maart 1916. Pag. 1725

Verordening betreffende het benoemen van plaatsvervangers voor afwezig zijnde notarissen. De General gouverneur in België benoemt de plaatsvervangers van afwezig zijnde notarissen voor de landstreken van Frankrijk, die tot het gebied van het Generaal-Gouvernement in België behoren. Al de wettelijke bepalingen die met deze Verordening in strijd zouden zijn, zijn hierbij opgeheven.

Brussel den 26 en Februari 1916.

C. C. Via. 1590.

NUMMER. 187b

12. Maart 1916

Verordening

Verordening betreffend het ter beschikking houden van cementzakken. Stapels cementzakken, die meer dan 1000 zakken omvatten, moeten aangeslagen en den Generaal van het Ingenieur- en pionierkorps ter beschikking gesteld worden. Dienvolgens zijn voor zulke stapels koopverdragen, wegvoeren en ander rechtszakelijk beschikken zonder toestemming van den Generaal van het Ingenieur- en Pionierkorps verboden. Met ten hoogste 2 jaar gevangenis en met een boete

van ten hoogste vijftigmaal de waarde der voorwerpen, waarop de strafbare handeling betrekking heeft, of met een van beide wordt gestraft, al wie de voorschriften dezer Verordening overtreedt. De poging tot overtreding is strafbaar. Naast de straf kan ook verbeurdverklaring der stapels uitgesproken worden, waarop de strafbare handeling betrekking heeft, onverschillig of ze den veroordeelde toebehoren of niet.

Tot oordeelvellen zijn de krijgsrechtbanken bevoegd.

Brussel, den 29n Februari 1916.

NUMMER. 187c

12.maart 1916.

Ter beschikking houden van plaatijzer. In aanvulling van het besluit (afd. J. Nr. 16055115

van 31. 12. 15 bepaal ik, dat het vervoer van plaatijzer uit bergplaatsen van tussenhandelaars (dus

niet uit fabrieken, die het plaatijzer vervaardigen) binnen het gebied van het Belgische gedeelte des Generaal-Gouvernement toegestaan is.

Brussel, den 29n Februari 1916.

NUMMER. 188a.

15. Maart 1916. Pag. 1737

Verordening over den invoer van goederen. Onder opheffing der verordeningen van 10 December 1914, 22 April 1915, 29 Mei 1915, 25 September 1915 en 11 Oktober 1915 betreffend het invoerverbod van keetzout, zee- en klipzout, van vetzuren en oliën en, van zepen en zeepachtige oliën en vetten, van Frans sigaretpapier en van fotografische platen en fonograafplaten (Wet- en Verordeningblad 78, 483, 655, 1079, 1180) en der Verordening van 10 Oktober 1915 betreffend bestraffing van overtredingen der invoerverboden (Wet- en Verordeningblad blz. 1181), wordt bepaald, wat volgt:

Art. 1. Het invoer en van de in het aanhangsel dezer Verordening opgesomde goederen binnen het gebied des General gouvernement (Bekendmaking des General gouverneurs in België van 19 December 1915, Wet- en Verordeningblad blz. 1436 is verboden).

Art. 2. Voor het invoer en van alle waren, in het aanhangsel niet opgesomd, binnen het gebied des General gouvernement is de toelating van den „Verwaltungschef" bij den General gouverneur in België, Afdeling voor Handel en Nijverheid, nodig. De aanvraag om een invoertoelating te bekomen moet hij de Afdeling voor Handel en Nijverheid (Buitenhandel-Kantoor (Brussel, Kunstherlevingslaan 30) ingediend worden.

De aanvraag moet in het bijzonder aangeven:

a) soort en hoeveelheid der in te voeren goederen,

b) uit welk land en voor wiens rekening de invoer geschiedt,

c) hoe hoog de inkoopprijs is en op welke wijze deze betaald wordt,

d) waar en lot welk doeleinde de goederen zullen gebruikt worden.

De aanvrager moet in zijne aanvraag de verklaring ondertekenen, dat de gedane aangiften juist zijn. De toelating wordt gegeven met den stempel van het Buitenhandel-Kantoor. Zij blijft te rekenen van den dag der stempeling drie week geldig; deze duur kan in den toelatingsbrief verkort of verlengd worden. Bij spoorverzendingen is het voldoende, dat de goederen binnen dezen tijd hij het spoor ingeleverd of verzonden zijn. Een invoer toelating is niet nodig voor den doorvoer van goederen over het gebied des General gouvernement naar het Etappen- en Operatiegebied in het Westen, wanneer de invoer binnen dit gebied door de aldaar bevoegde overheden goedgekeurd werd en de doorvoer op grond van een doorgaanden vrachtbrief geschiedt.

Art. 3. Goederen, in strijd met art. 1 en 2 ingevoerd, zullen verbeurd verklaard worden.

Art. 4. Met ten hoogste drie jaar gevangenis en ten hoogste 50.000 mark boete of met een van beide wordt gestraft:

a) wie een invoerverbod overtreedt

b) wie in de aanvraag om invoertoelating opzettelijk of uit grove nalatigheid valse aangiften doet,

c) wie goederen, voor den invoer waarvan een toelating nodig is, zonder toelating invoert,

d) wie goederen verkoopt of te koop stelt, waarvan hij weet, of volgens de omstandigheden aannemen moet, dat zij in strijd met het invoerverbod of zonder de vereiste toelating werden ingevoerd. De poging tot overtreding is strafbaar. Bevoegd zijn de Duitse krijgsrechtbanken.

Art. 5. De voorschriften der Verordening zijn op den invoer uit het gebied van het Duitse Rijk en uit de door de Duitse troepen bezette streken niet van toepassing. Zij gelden evenmin voor reisgoed, dat tot persoonlijk gebruik van den reiziger dient.

Art. 6. De voorschriften betreffend de voor de aanvraag voorgeschreven formulieren en den stempel van het Buitenhandel-Kantoor worden door den „Verwaltungschef uitgevaardigd.

Art. 7. De Verordening wordt bij het aflopen van den dag harre afkondiging van kracht. Waren, die op dezen dag reeds verzonden waren of binnen ene week na dezen dag verzonden worden en waarin de invoer tot dan toe geoorloofd was, mogen nog ingevoerd worden.

Brussel, den l Maart 1916.

AANHANGSEL BIJ DE VERORDENING OVER DEN GOEDERENINVOER.

Levensmiddelen: zout, sacharine.

Dierlijke stoffen: huiden, pelswerk en pelterijwaren, ruw, toebereid en verwerkt,

handschoenen en marokijnwaren, ruwivoor, vogelveren onder elke vorm,

Delfstoffen: steen, marmer en albast, ruw en verwerkt, cement en gips ruw en verwerkt.

Plantaardige stoffen: hout beneden 2 cm dikte tot het vervaardigen van weeldeartikelen. Verschillende stoffen. vlechten en andere artikelen voor het vervaardigen van hoeden, vlechten en allerlei andere artikelen in stro, biezen, spartogras, brem, schors, vezels en palmen of in paardenhaar, Reukwerk, alle reukwerk met en zonder alcoholgehalte, de reukzepen inbegrepen, scheikundige voortbrengselen, vloeibare koolzuren, soda carbonaat, sodasulfaat, sodasulfiet, benzol, houtgeest, sigaretpapier, behangpapier, papier,

Edelmetalen. Juwelen in goud, platina en zilver, voortbrengselen der goudsmidskunst in goud, platina en zilver,

Machines, mechanieken, voertuigen en gereedschappen, bouwmachines allerhande machines en mechanieken, de onderdelen inbegrepen, uitgenomen machines om hout en metaal te bewerken en motoren, motorwagens, motorwielen, wagens en voertuigen

Allerhande, instrumenten en uurwerken. muziekinstrumenten, uurwerken, horlogekassen, benodigdheden voor uurwerk fabricatie.

Tetielwaren, alle zijdeweefsels, passementwaren inbegrepen, linten, tullen, kanten en hlonden,

Passementwaren, linten, tulles en kanten in katoen, vlas, hennep en jute,

Spelwerkkanten, Ondergoed, Opgemaakte en niet opgemaakte hoeden klederen.

Allerlei. Lucifers, Gloeilampen, Gummihakken, Kramerij en ijzerkramerij, meubels, kunstvoorwerpen,

Geëmailleerde gereedschappen en voorwerpen van huisraad in gegoten ijzer, gesmeed ijzer of staal,

Ontplofstoffen.

NUMMER. 188b

Verordening betreffend opneming van elektrische machines, transformatoren en toestellen binnen het gebied des Generaal-Gouvernement in België.

Art. 1. Voor de aangifte dient de op 15 Maart 1916 voorhanden hoeveelheid tot maatstaf: De

Verordening slaat op volgende voorwerpen:

1. alle elektromotoren,

2. alle stroom verwekkers (dynamomachines, generatoren),

3. alle vervormers en motorgeneratoren,

4. alle transformatoren,

5. alle schakeltoestellen, automaten, veiligheids-, aanzet- en regeltoestellen, zover zij nog niet als onderdelen onder Masse 1-3 opgesomd werden, cellenschakelers, electriciteitstellers enz. alle 5 klassen met alle onderdelen voor elke stroomsoort en spanning.

Art. 2. De aangiften moeten bevatten:

Voor Masse 1 kracht in PS, spanning, aantal wentelingen en stroomsoort,

Voor Masse 2 kracht in KW of KVA., spanning , aantal wentelingen en stroomsoort,

Voor Masse 3 kracht in KW of KVA., spanning en stroomsoort,

Voor klasse 4 kracht in KVA overdrachtsverhouding van spanning, stroomsoort en schakeling,

Voor Masse 5 stroomsterkte, spanning, stroomsoort en bouw.

Uit de aangiften moet blijken, of de voorwerpen 1. in stapel of 2. ten dienste des bedrijfs opgesteld zijn en thans in of buiten werking zijn.

De aangiften moeten ten laatste den 25en Maart 1916 hij de Kreis-chefs en Kommandanturen ingediend zijn, die de lijsten over den dienstweg aan het Generaal-Gouvernement Afd. doen geworden.

Van den 15en Maart 1916 af mogen de aangegeven voorwerpen niet zonder toelating in ander bezit overgaan; deze moet door de Kreis-chefs of Kommandanturen hij de Machinenheschaffungsstelle der Koniglichen Feldzeugmeisterei te Brussel, Ruysbroeckstraat 74, aangevraagd worden.

Machines, transformatoren of toestellen, die na den 15en Maart afgewerkt worden, moeten binnen 8 dagen aangegeven worden.

Gehouden aan te geven zijn: Alle nijveraars en nijverheidsfirma's, alle personen, gemeenten, openbaar-rechtelijke lichamen en verenigingen, bij wie de opgesomde voorwerpen vervaardigd, versteld, gebruikt, verhandeld of verhuurd worden, of die van andere personen zulke voorwerpen tot

voortverkoop of verhuren in bewaring houden. Bij ontstentenis der eigenaars moeten de personen enz. aangifte doen, in wier zakengebied de voorwerpen liggen, of die ze onder bewaking hebben.

Art. 3. Wie de aangifte, waartoe hij krachtens deze Verordening verplicht is, binnen den voorgeschreven tijd niet doet, onjuiste of onvolledige aangiften doet, of op andere wijze de Verordening overtreedt, wordt met ten hoogste 6 maand gevangenis en met ten, hoogste 10.000 mark boete, of met één van beide gestraft.

Aan te geven voorraden, die opzettelijk niet aangegeven worden, zullen ten bate van het Duitse legerbestuur worden verbeurd verklaard. Bevoegd tot strafvordering zijn de Duitse krijgsrechtbanken en krijgsoverheden. Brussel, den 6 Maart 1916.

NUMMER. 188c

Verordening betreffend uitvoering der vleeskeuring. Met het oog op de uitvoering der vleeskeuring verorden ik, wat volgt:

Het vleeskeuren kan zowel door Duitse keurders volgens den maatstaf der door mij of de Gouverneurs en de met hen gelijk in rang staande bevelvoerders uitgevaardigde bepalingen of besluiten, alsook door Belgische keurders volgens de in België bestaande wetten en voorschriften uitgevoerd worden. Werd de vleeskeuring door een Duitse keurder gedaan en het vlees bruikbaar bevonden, zo kan het tot alle doeleinden benuttigd worden. Werd de keuring door een Belgische vleeskeurder gedaan en het vlees bruikbaar bevonden, zo mag het voor alle Duitsers, die tot het leger of het legergevolg behoren, maar gebruikt worden zover niet. door mij of den Gouverneur beperkingen opgelegd werden. Brussel, den 8en Maart 1916. G. G. IVc 2694.

NUMMER. 189a

17 Maart 1916. Pag. 1753

Bekendmaking

*** De met drie sterretjes gemerkte verordeningen worden ook door middel van aanplakbrieven bekend gemaakt. Alle andere verordeningen moeten door de gemeente-overheid volgens de gebruikelijke wijze van bekendmaken vooral aan de belanghebbenden medegedeeld worden.

Ter toelichting van de Verordening betreffend het verbod van 26n Februari 1916 (Wet- en Verordeningblad voor de bezette streken van België nr. 184) om oliën en vetten, die tot menselijke voeding geschikt zijn, tot bedrijfsdoeleinden te gebruiken, wordt het volgende ter kennis gebracht.

Als plantaardige en dierlijke oliën en vetten, die tot menselijke voeding geschikt zijn, of waaruit menselijke genotmiddelen kunnen vervaardigd worden, gelden:

olijfolie, lijnolie, raapolie, papaverolie, palmolie, sesamolie, aardnootolie, katoenzaadolie, zonnebloemolie, okkernootolie, cacaoboter, kokosnootboter; boter, smout, margarine, jeugd (premier jus) kunstvet, rundsvet, schapenvet, reuzel, smoutolie; verder alle plantaardige en dierlijke oliën en vetten, die in de plaats van hierboven vermelde soorten reeds in gebruik zijn. In alle twijfelachtige gevallen, of plantaardige of dierlijke olie of vet tot menselijke voeding deugt of daartoe bruikbaar gemaakt kan worden, beslist de „Oelzentrale” tot welke de bezitters van dergelijke stof zich wenden moeten. C. C. IV B. 1861,

NUMMER. 189b

Bekendmaking

Op grond van art. 3 der Verordening van 17 Februari 1915 (Wet- en Verordening sblad voor de bezette streken van België, no. 41 van 20 Fehruari 1915) heb ik den Heer George Behrens tot dwangbeheerder der ,, Société Française de Banque et de Dépots", te Antwerpen, benoemd.

Brussel, den 14n Maart 1916.

B. A. 1624. A.

NUMMER. 190a.

20. Maart 1916. Pag. 1765

VERORDENING, ***

De met drie sterretjes gemerkte verordeningen worden ook door middel van aanplakbrieven bekend gemaakt. Alle andere verordeningen moeten door de gemeente-overheid volgens de gebruikelijke wijze bekendmaken vooral aan de belanghebbenden medegedeeld worden.

Verordening *** betreffende het branden van bieten en stroop. In het belang der gerieving van de burgerbevolking met suiker en stroop, bepaal ik het volgende:

Art. I. Het verwerken van bieten allerhande en van stroop in branderijen is voorshands verboden,

Art. II Uitzonderingen kan de „Verwaltungschef" toestaan.

Art. III. Overtredingen van deze bepalingen worden met ten hoogste 6 maand gevangenis of met ten hoogste 20.000 mark boete gestraft. Beide straffen kunnen tegelijk uitgesproken worden.

Art. IV. Bevoegd zijn de Duitse krijgsrechtbanken. Brussel, den 15en Maart 1916. C. C. VIL Z. V. U03.

NUMMER. 190b.

Verordening *** betreffend het regelen der vervaardiging van zeep.

Art. 1. Van den 10en April 1916 af mogen alleen de personen of firma's zeep vervaardigen, die

1. voor den 1en Augustus 1914 zich beroepshalve met het vervaardigen van zeep hebben bezig gehouden en voor patent aangeslagen zijn, en

2. die van de „Oelzentrale" in België een toelatingsbewijs bekomen hebben om hun bedrijf voort te

zetten.

Art. 2. Als zeep in den zin dezer Verordening gelden alle met dierlijke of plantaardige oliën en vetten

vervaardigde vaste,weke,vloeibare of poedervormige was- en reinigingsmiddelen.

Art 3. Met ten hoogste 5000 mark boete en met ten hoogste drie maand gevangenis of met een van beide wordt gestraft, al wie de bepalingen dezer Verordening overtreedt. Buitendien kan de verbeurdverklaring der in strijd met deze voorschriften vervaardigde stoffen uitgesproken worden.

Art. 4. Bevoegd zijn de Duitse krijgsrechtbanken en krijgsoverheden. Brussel, den 15en Maart 1916.a c. IV. B. 1993.

 

NUMMER. 191a.

21. Maart 1916.

Verordening betreffend de voertaal van het onderwijs aan de hogeschool te Gent.

Ter wijziging van artikel 5 uit het koninklijk besluit van 9 December 1849, wordt bepaald: Aan de hogeschool te Gent worden de voorlezingen in de Vlaamse taal gehouden. De „Verwaltungschef bij den General- gouverneur in België is gemachtigd, voor het onderwijs in zekere vakken, bij wijze van uitzondering, het gebruik een andere taal toe te laten. Hij is belast met het uitvaardigen der voor de uitvoering deze Verordening nodige bepalingen.

Thielt, den 17 en Maart 1916.

Der Oberbefehlshaber der IV. Armée, Herzog Albrecht von Wurttemberg.

NUMMER. 191b.

21. Maart 1916.

Verordening betreffend het vleeskeuren.

Art. 10 uit het besluit van 23 Maart 1901 van den Koning der Belgen, inhoudende het reglement over de vleeskeuring wordt voorhands buiten kracht verklaard, zover het betrekking heeft op het onderzoek van ingevoerde vetten, dat door de veeartsen, belast met het toezicht van het vee in België ingevoerd, moet geschieden. Brussel, den 17 en Maart 1916

NUMMER. 191c.

21. Maart 1916.

Verordening betreffend het verzenden van licht vuurvatbare voorwerpen. Wie lucifers of andere bijtende of licht vuurvattende voorwerpen over de post verzendt of laat vervoeren, zoverre de post het verzenden van zulke voorwerpen niet uitdrukkelijk heeft toegelaten, wordt men ten hoogste 300 mark boete of men ten hoogste zes week hechtenis gestraft. De krijgsbevelvoerders en de krijgsrechtbanken zijn tot oordeelvelling bevoegd. Brussel, den 17 en Maart 1916,

G. G. 777. 3915.

NUMMER. 191d

21. maart 1916.

Bekendmaking. ***

De met drie sterretjes gemerkte verordeningen worden ook door middel van aanplakbrieven bekend gemaakt. Alle andere verordeningen moeten door de gemeenteoverheid volgens de gebruikelijke wijze van bekendmaken vooral aan de belanghebbenden medegedeeld worden.

Op grond mijner Verordeningen van 30 Juni en 23 Juli 1915 (nr. 5) betreffend den korenoogst van 1915 evenals mijner Verordening van 28 Augustus 1915 betreffend koren en meel uit vroegere oogstjaren, heb ik, op voorstel der ,,Zentral Erne Kommissie de hoogste prijzen voor den verkoop van gedorst koren, meel, zemelen en brood voorshands als volgt vastgesteld:

voor tarwe uit stapelplaats of molen geleverd fr42.95 per 100 kg,

rogge 26,77

masteluin 28,98

ongepelde spelt 24,42

tarwezemelen uit molen geleverd 22

masteluinzemelen 20

roggezemelen 18

tarwemeel aan bakkers of gebruikers geleverd, 53,58

roggemeel 34,43

masteluinmeel 36,69

tarwemeel op 60 % of fijner gemalen,aan pasteibakkers geleverd 80

roggemeel op 60 % of fijner gemalen, aan pasteibakkers geleverd 65

tarwebrood aan gebruikers geleverd 0,47 kg. Per kg

Deze hoogste prijzen worden van af Isten April van kracht. De „Provinsial Ernte Kommissionen' wordt de bevoegdheid verleend, voor de omschrijving van enkele gemeenten op aanvraag of na raadpleging van de burgemeesters, telkens een lagere hoogsten prijs voor tarwebrood evenals hoogste prijzen voor brood, tot de vervaardiging waarvan roggemeel wordt gebruikt, vast te stellen. Voor de verkopen der voortbrengers van tarwe en rogge aan het Nationaal Hulp- en Voedingskomiteit, blijven de in mijn bekendmaking van 10 Augustus 1915 (nr. ia,) vastgestelde hoogste prijzen van kracht. Brussel, den 19en Maart 1916.

NUMMER. 192a.

25. Maart 1916

Met het oog op de uitvoering der Verordening van 25 Februari 1916 betreffend de voertaal in de gemeentescholen, aangenomen en aanneembare scholen van Groot-Brussel (Wet- en Verordeningblad Nr. 186) wordt hierbij bepaald hetgeen volgt:

I Gebied Groot-Brussel. Overeenkomstig artikel 6 uit de wet van 12 Mei 1910 betreffend de studie der moderne talen in het middelbaar onderwijs van den hogere graad, omvat het gebied Groot-Brussel volgende gemeenten: Anderlecht, Brussel Etterbeek, Vorst, Elsene, Sint-Pieters Jette, Koekelberg, Laken, Sint-Jans-Molenbeek, Sint Gilles, Sint-Joost-tenode, Schaarbeek, Ukkel.

II Verklaring der Gezinshoofden. De eentalige klassen (artikel 6 der Verordening)

zullen bij het begin van het schooljaar 1916-1917 ingericht worden voor de scholieren van de twee eerste jaargangen

bij het begin van het schooljaar 1917-1918 voor de drie eerste jaargangen, en zo verder. De hoofdopziener zal voor den Isten Juli van ieder jaar het hoofdbeheer laten weten hoeveel formulieren

(bijlage 1 en 2 der Verordening) er voor elke school nodig zijn; dit laatste zal de formulieren aan de schoolhoofden laten geworden. Telkens een nieuwe scholier zich laat inschrijven, zal de bestuurder der school zonder uitstel de door hem te ondertekenen uitnodiging tot de vereiste verklaring aangaande de moedertaal van het kind (bijlage 1 der Verordening), alsook het formulier voor deze

verklaring (bijlage 2 der Verordening) aan het betrokken gezinshoofd zenden. Voor het opmaken dezer verklaring moet een termijn van acht dagen toegestaan worden, waarvan in de uitnodiging melding dient gemaakt.

III Onderzoek der verklaringen.

Om de gewetensvolle uitvoering van artikel 20 der wet tot regeling van het lager onderwijs mogelijk te maken moet, als eerste en voornaamste vereiste, de moedertaal of de gebruikelijke taal van het kind naar waarheid worden vastgesteld. In de eerste plaats dient de verklaring van het gezinshoofd daarbij tot maatstaf aangenomen zolang niet gebleken is dat zij met de waarheid niet overeenkomt, d. i. dat het kind onbekwaam is de lessen in de aangegeven taal met vrucht bij te wonen. De ondervinding heeft geleerd, dat de verklaringen van de gezinshoofden dikwijls aan een ernstig onderzoek moeten onderworpen worden. Zo dient bij voorbeeld de veel verbreide mening bestreden als zou de taal die in de bewaarschool gesproken wordt noodzakelijkerwijze de moedertaal der kinderen zijn. Om het onderzoek der verklaring van de gezinshoofden ten volle te waarborgen, is het raadzaam, twee Nederlands kennende onderwijzers aan het onderzoek te laten deelnemen. Deze maatregel wordt noodzakelijk, wanneer het schoolhoofd zelf deze taal niet of slechts op onvoldoende wijze machtig is. In dit geval moet het gemeentebestuur of het schoolbeheer de leden van het

onderwijzend personeel aanduiden, die met het schoolhoofd zullen deel uitmaken van de kommissie van onderzoek.

Wanneer het schoolhoofd door onderwijzers is bijgestaan, blijft het niettemin verantwoordelijk voor de gewetensvolle uitvoering van het onderzoek.

Tot grondslag van dit onderzoek zal dienen:

de afkomst van het kind

de taal die door de ouders en in de naaste omgeving van het kind gewoonlijk gesproken wordt,

en inzonderheid de taalkennis van het kind zelf.

Het gebeurt ook, dat het gezinshoofd als moedertaal of gebruikelijke taal van het kind zowel Vlaams als Frans opgeeft. In zulk geval heeft men te handelen alsof het gezinshoofd hoegenaamd geen verklaring had afgelegd (artikel 3 der Verordening).

IV. Het Beroep bij het Schooltoezicht. In de gevallen voorzien onder artikel 2, 2e alinea, en

onder artikel 3 der verordening, heeft het gezinshoofd het recht hij het schooltoezicht in beroep te gaan tegen de beslissing van het schoolhoofd. Ten einde met volle kennis van zaken een oordeel te kunnen vellen, zal de opziener zich naar de school begeven, om de verklaringen van het schoolhoofd te aanhoren en desnoods ten overstaan van het schoolhoofd den scholier opnieuw te ondervragen. De beslissing van den opziener moet op de verklaring van het gezinshoofd aangetekend worden.

V. Inrichting der Klassen. Zodra de moedertaal der scholieren is vastgesteld, zullen de klassen naar gelang van de noodwendigheden ingericht worden. Hierbij mag men niet uit het oog verliezen, dat de bij artikel 6 der Verordening vastgestelde getallen (20 voor een klas en 10 voor een afdeling) slechts minimum-getallen zijn, en dat de klassen en de afdelingen derhalve ook een groter aantal scholieren mogen bevatten.

In beginsel moet het gemiddeld aantal scholieren voor al de Vlaamse en al de Franse klassen van

een gemeente of van een schoolbeheer hetzelfde zijn. Waar dit thans nog niet mogelijk is, dient er naar gestreefd dit doel binnen een afzienbare tijd te verwezenlijken. Het schooltoezicht zal daar in 't bijzonder zijn aandacht aan wijden.

VI. Schooltoezicht. Ten einde het schooltoezicht in staat te stellen, de juistheid van de verklaringen der gezinshoofden, het onderzoek der schoolhoofden, evenals de uitvoering der voorschriften van artikel 6 betreffend de inrichting van klassen en afdelingen doelmatig te kunnen nagaan zal het schoolhoofd de overzichtstafels, aan de Verordening als bijlage S en 4 toegevoegd, binnen veertien dagen na het heropenen der school aan den kantonalen schoolopziener laten geworden. De opziener moet bij den aanvang van het schooljaar de scholen bezoeken, in dewelke volgens zijn mening het inrichten van Vlaamse en Franse klassen noodzakelijk is; hij zal onderzoeken hoe deze klassen

ingericht werden, of, in geval zulke klassen nog niet samengesteld zijn, de oorzaken vaststellen waarom daartoe nog niet werd overgegaan. Hij zal tijdens zijn schoolbezoeken inzonderheid moeten nagaan op welke wijze de indeling der kinderen is geschied, in hoeverre de hem, medegedeelde inlichtingen betrouwbaar zijn en of wellicht de een of de andere scholier niet onbekwaam is het onderricht in de taal der klas, waarin hij ingedeeld werd, met vrucht te volgen, Stelt hij dit laatste geval vast, dan moet hij van ambtswege ingrijpen, en den hoofdopziener onverwijld daarvan verwittigen. Hij zal eveneens verslag opmaken over alle onregelmatigheden, die hij zou kunnen waarnemen. De opziener zal verder letten op de bekwaamheden der

onderwijzers op taalkundig gebied (artikel 11 der Verordening). De hoofdopziener geeft voor Isten November van ieder jaar aan het Ministerie een volgens gemeenteschool beheren en scholen gerangschikt algemeen overzicht in te zenden, waarin de gegevens der heide hoger bedoelde tafels (zie bijlage 3 en 4 der Verordening) samengevat zijn.

Het Ministerie zal ten gepasten tijde een formulier voor deze statistiek beschikbaar stellen. De hoofdopziener zal daarenboven ook de onderwijzers aanduiden, die aan de vereiste voorwaarde van artikel 11 niet voldoen, evenals de scholen, waarin een of ander punt van de voorschriften der Verordening niet of op onnauwkeurige wijze ten uitvoer is gebracht. Is het schooltoezicht de mening toegedaan dat in een of ander geval een uitzondering op de voorschriften betreffend het inrichten van klassen op grond van artikel 6, 3e alinea, te rechtvaardigen zou zijn, dan moet de hoofdopziener het Ministerie met nauwkeurige aangifte der redenen daarvan kennis geven.

VII. Verandering van School der Kinderen.

De beslissing aangaande de moedertaal van een kind genomen, blijft geldig zoo lang dit kind een gemeenteschool, een aangenomen of aanneembare lagere school van Groot-Brussel bezoekt. Verandert het kind van school (artikel 5 der Verordening), dan geeft het schoolhoofd het gezinshoofd een bewijsschrift betreffend de taal, in dewelke het kind tot dan toe het onderwijs genoten heeft. Het hoofd der nieuwe school verplicht bij het inschrijven van den scholier te verlangen, dat dit bewijsschrift hem voorgelegd worde, Is dit geschiedt dan verzoekt hij het hoofd van de school, voorheen door het kind bezocht, hem de oorspronkelijke verklaring van het gezinshoofd te doen toekomen, en voegt dezelve hij het archief zijner school. Behoort de scholier tot een der klassen, die onder toepassing vallen van artikel 6 der Verordening, dan wordt hij overeenkomstig de verklaring nopens zijn moedertaal hij een Vlaamse of Franse klas ingedeeld, zover deze in de nieuwe school bestaan of ten gevolge van zijn inschrijving aldaar in te richten zijn; bestaan dergelijke klassen echter niet, dan kan hij zijn studies voortzetten in de taal waarin hij die begonnen heeft.

VIII. Eerbied voor de landstalen. De leden van het onderwijzend personeel zijn de landstalen eerbied verschuldigd. Het is hun streng verboden, zich tijdens de uitoefening van hun ambt met minachting over een dezer talen uit te laten. Overeenkomstig artikel 13, 2e alinea, der Verordening, zijn alle bepalingen uitgaande van het schoolbestuur en gericht tot verscheiden klassen met verschillende voertaal, in deze verschillende talen uit te vaardigen.

I. Verzachte toepassing. De gemeenten of de schoolbeheerder stellen naar gelang van de plaatselijke noodwendigheden de zogenaamde verzachte toepassing vast, die zij op grond van artikel 10 der Verordening voor hun scholen wensen aan te vragen. Zij moeten hun besluiten voor den 15n Juli van ieder jaar aan den kantonalen schoolopziener laten geworden. Deze zal de betreffende stukken, met zijn opmerkingen aan den hoofdopziener overhandigen, die op zijn beurt er zorg voor te dragen heeft, dat al de besluiten betreffende bedoelde verzachte toepassing, met de daarbij behorende stukken en zijn persoonlijke opmerkingen voor den 15n Augustus van ieder jaar op het Ministerie binnengekomen zijn.

. Overgangstijd. De bepalingen van artikel 6 der Verordening betreffend het inrichten der klassen zullen trapsgewijze toegepast worden. De scholieren van den eersten jaargang moeten van den In Mei van dit jaar af, overeenkomstig artikel 6 der Verordening, het onderricht in hun moedertaal ontvangen. De hoofdopziener zal uiterlijk op 30 Maart van dit jaar het Ministerie laten weten hoeveel exemplaren van de formulieren ieder kantonnale schoolopziener nodig heeft, ten einde te bewerken dat de uitnodiging tot de verklaring nopens de moedertaal der kinderen bijtijds aan het gezinshoofd en het ingevuld formulier voor deze verklaring (bijlagen 1 en 2 der Verordening) bijtijds aan het schoolhoofd kunne bezorgd worden. De schoolhoofden moeten zodanige maatregelen

treffen, dat het onderzoek van de verklaringen voor den 15n April kan gesloten zijn. Op dezen dag zullen zij de behoorlijk ingevulde labels, in overeenstemming met de bijlagen S en 4 der Verordening, aan den kantonalen schoolopziener zenden. Deze labels zijn voor de eerste toepassing der Verordening alleen met betrekking lot den eersten jaargang op te maken. Het schooltoezicht maakt zijn opmerkingen in het onder het Vie hoofdstuk bedoelde overzicht, dat ten laatste op 1 Mei

van dit jaar op het Ministerie moet binnengekomen zijn. Hoewel voor de indeling in klassen van scholieren, die thans het eerste studiejaar reeds achter den rug hebben, geen wijziging voorzien is, schrijft artikel 15, 17 2de alinea, der Verordening hij wijze van uitzondering dit jaar ook voor deze categorie de formaliteiten voor van de verklaring nopens de moedertaal, evenals het daaruit voortvloeiend onderzoek. Deze formaliteiten moeten dan ook hij het aanvangen van het eerstvolgend studiejaar terzelfdertijd als voor de nieuwe scholieren vervuld worden. De aangifte van het nodig aantal formulieren, bedoeld in het Ile hoofdstuk, 2e alinea, van deze bepalingen, zal dit jaar dienovereenkomstig aan te vullen zijn. In de scholen met het Frans als voertaal, die door

Vlaamse kinderen bezocht worden, alsook in de scholen met het Vlaams als voertaal die door Franssprekende kinderen bezocht worden, zijn de voorgeschreven bepalingen aangaande het inrichten der klassen hij het begin van het eerstkomend schooljaar voor de kinderen van de twee eerste jaargangen toepasselijk. De andere scholieren mogen hun studie in de vroeger gekozen taal voortzetten. In de scholen met Vlaamse lagere jaargangen, doch waarin de jaargang 3, 4 of 5 tot dusver een overgangsklas vormde terwijl de hogere klassen aan het Frans of het tweetalig stelsel waren onderworpen, wordt de overgangsklas afgeschaft en zullen de Vlaamse kinderen, die in September van dit jaar in deze klas zouden moeten overgaan, verder hun onderwijs in de Vlaamse taal genieten. Brussel, den 18n Maart 1916.

NUMMER. 192b.

25. Maart 1916

Uitvoeringsvoorschriften *** tot de Verordening van 1sten Maart 1916 over het invoeren van goederen.

Op grond van art. 6 der Verordening van 1sten Maart 1916 over het invoeren van goederen wordt het volgende bepaald:

§ 1. Voor de aanvragen om invoertoelating moeten formulieren volgens het aanhangsel gebezigd worden. De aanvragen moeten in twee exemplaren worden ingediend. Bij verzending per spoor of per schip moeten bovendien behoorlijk ingevulde vrachtbrieven worden overgelegd.

§ 2. Voor het verlenen van de invoertoelating moet een vierkante stempel van 6 op 10 centimeter gebezigd worden, die links den rijksadelaar met de woorden er rond „Generalgouvernement in Belgien Aussenhandelstelle' draagt. In den stempel moet de dagtekening der toelating en de handtekening van den afleverende beambte ingevuld worden. In twee exemplaren in te dienen. Aan de Afdeling voor Handel en Nijverheid Buitenhandelskantoor. Brussel, 30, Kunstherlevingslaan. Aanvraag om toelating tot invoeren uit:

1) Des aanvragers a) naam: b) woonplaats: c) straat:

2) Aard der in te voeren goederen: .

3) Hoeveelheid (ton, kilo, m., hhm., hl., liter, stuk):

4) Voor rekening van a) naam: b) woonplaats en straat: c) nationaliteit:

5) Bestemmingsplaats:

6) Doeleinde en gebruik:

7) Wijze van verzending (spoor, schip, wagen, post):

8) Inkoopprijs: a) gezamenlijk bedrag: frank. b) voor de eenheid: frank.

9) Wordt betaald: a) in welke munt: samen: b) hoe, waar of door welke bank c) wanneer Ik bevestig de juistheid der voorgaande verklaringen. den 1916. (Handtekening.)

Op onjuiste verklaringen staat straf.

NUMMER. 192c

25. Maart 1916.

Verordening *** betreffende het zenden van liefdegiften aan gevangenen. De in Duitsland geïnterneerde Belgische gevangenen worden goed en ruimschoots gevoed en behoeven de uit België toegezonden liefdegiften volstrekt niet tot hun levensonderhoud. Anderzijds is het stilaan

moeilijker geworden in het onderhoud der armere Belgische bevolking te voorzien, zodat een nodeloos uitvoeren van de onontbeerlijke levensmiddelen niet langer kan worden geduld. Ik bepaal daarom wat volgt:

I Van den Isten April 1916 af mogen niet meer dan één pak van 5 kilo en als brief een pakje van 500 gram per maand aan elke in Duitsland geïnterneerden Belgische gevangene uit het gebied des Generalgouvernements verzonden worden. Hetzelfde geldt voor de niet-Belgische gevangenen, die voor den oorlog hun vaste burgerlijke woonplaats binnen het gebied des General gouvernements hadden, of naaste verwanten aldaar hebben.

II De pakken en pakjes mogen geen vlees, vleespreparaten, vet en suiker, zomin als brood, koek en andere uit meel vervaardigde eetwaren inhouden.

Evenwel blijven groenten en verduurzaamd fruit, vispreparaten en chocolade, naast andere genotmiddelen, sigaren en dergelijke, ook verder toegelaten.

De voorwerpen, waarvan de verzending hij vroegere verordeningen verboden werd, blijven voor als na verboden, uitgenomen drukwerk, waarvan de verzending in brief- of vrachtpakjes voortaan toegelaten is, zover de inhoud ervan niet over den huidige oorlog handelt noch tegen Duitsland gericht is. (Het onderzoek geschiedt door de censuur in het kamp.)

III. Wie opzettelijk of uit nalatigheid in strijd met de bepalingen dezer Verordening handelt, wordt met ten hoogste 1000 mark. boete gestraft, die voor onbemiddelden door ten hoogste 2 maand gevangenzetting vervangen wordt. De plaatsvervangende Generalkommandos in Duitsland zijn verzocht geworden, de boventallige pakken en pakjes in beslag te nemen en naar eigen goedvinden te nutte te maken. Met pakken en pakjes, die verboden voorwerpen bevatten, wordt op de zelf de wijze te werk gegaan. Het verzenden van liefdegiften wordt voor als na door de „Agence Belge de Renseignements' en hare hulpkantoren bezorgd. Brussel, den 17 n Maart 1916.

NUMMER. 192d

Verordening *** betreffend het verzekeren van den gang der zaken in het beheer der gemeente Etterbeek. Gezien de stemmingen in de zittingen van den gemeenteraad van Etterbeek in den loop der laatste weken telkenmale staking der stemmen opleverde, ten gevolge waarvan de ter stemming gelegde ontwerpen van de gemeentewet telkens als verworpen gelden, gezien daardoor volkomen stilstand in den gang der zaken van het beheer der gemeente ingetreden is, gezien deze toestand, die een bedreiging voor de openbare veiligheid betekent, tussenkomst nodig maakt, verorden ik voorshands:

Wordt in den gemeenteraad van Etterbeek een door het college van burgemeester en schepenen ingediend ontwerp tweemaal achtereenvolgens door staking van stemmen verworpen, of wordt in zake van een ontwerp, ingediend door het college van burgemeester en schepenen, hoewel tweemaal door dit college ter beraadslaging voorgelegd, door den gemeenteraad, hetzij wegens ongeschiktheid tot het nemen van een besluit, hetzij wegens weigering erover te beraadslagen of te beslissen, geen geldig besluit genomen, dan beslist de bestendige deputatie van den provincieraad der provincie Brabant op voorstel van het college van burgemeester en schepenen over het ontwerp. zulkdanige beslissingen van de bestendige deputatie zijn aan de goedkeuring van den General gouverneur in België onderworpen. Brussel, den 21n Maart 1916.

NUMMER. 193a.

28. Maart 1916. Pag. 1811

Verordening over het houden van het register van teboekstelling der zee- en binnenschepen te Antwerpen. In aanvulling van art. 44 hoek II van het wetboek van hoophandel en het koninklijk besluit van 5n September 1908 verorden ik: Voor elke inschrijving in het register van teboekstelling der zee- en binnenschepen van den Hypotheekbewaarder te Antwerpen is de voorafgaande goedkeuring des „Verwaltungschefs" bij den Generaalgouverneur in België vereist. Deze vaardigt de ter uitvoering der Verordening nodige bepalingen uit. Brussel, den 15n Maart 1916.

NUMMER. 193b

Verordening*** betreffend de bestrijding van de schurft bij paarden en andere eenhoevigen.

Art. 1. Is een paard behept of verdacht behept te zijn met schurft, dan moet daarvan hij den burgemeester der gemeente waarin zich het besmette of verdachte dier bevindt, terstond aangifte gedaan worden. De aangifte is ook verplichtend wanneer paarden met schurftige dieren in aanraking gekomen zijn. De verplichting tot aangifte treft den bezitter of dezes lasthebber, verder de geraadpleegde veeartsen en aangenomen veeartsen.

Art. 2. De schurftige of verdachte paarden moeten door den bezitter of dezes lasthebber reeds voor het ingrijpen van den burgemeester zo afgezonderd worden, dat er geen gevaar voor verbreiding van de plaag bestaat.

Art. 3. Stelt de vanwege den burgemeester bijgeroepen veearts vast dat paarden de schurft hebben of er van verdacht zijn, zoo moet de bezitter de aangetaste of verdachte paarden aanstonds aan de behandeling van een veearts onderwerpen, tenware hij verkiest de dieren te laten afmaken. Samen met de behandeling moeten de stallingen, het tuig, het gereedschap en alle andere voorwerpen, die met de aangetaste of verdachte paarden in aanraking gekomen zijn, volgens de voorschriften van den bevoegden veeartstoeziener ontsmet worden.

Art. 4. De schurftige en de verdachte paarden mogen, zolang de voorbehoedende maatregelen niet opgeheven zijn, noch op vreemde stallen, noch op een weide gebracht worden, waarop gezonde paarden grazen. Voor afloop der behandeling mogen schurftige paarden binnen de veldgrens van de gemeenteomschrijving aan het werk gesteld, maar met gezonde paarden noch ingespannen noch anders in rechtstreekse aanraking gebracht worden. Getuig, dekens, roskammen, borstels, enz., die voor aangetaste paarden gebruikt werden, mogen alvorens ontsmet te zijn voor onverdachte paarden niet gebezigd worden. Zolang de voorbehoedende maatregelen niet opgeheven zijn, mogen de schurftige of verdachte paarden niet van hof veranderen.

Art. 5. Huiden van schurftige paarden mogen het besmette hof alleen in volkomen gedroogden toestand verlaten.

Art. 6. Is de behandeling binnen 2 maand na het vaststellen der plaag niet geëindigd, zo moet de burgemeester bevelen, dat de paarden op stal blijven. In grotere steden kan de burgemeester, terstond na het vaststellen van de plaag en zolang de behandeling duurt, de afzondering van de schurftige paarden binnen een stal opleggen.

Art. 7. Meldt de bezitter dat de behandeling geëindigd is, zo moet de burgemeester de paarden door den aangenomen veearts laten onderzoeken. De plaag geldt dus verdwenen en de opgelegde maatregelen houden op:

a) wanneer de schurftige of verdachte paarden gestorven of gedood zijn, en indien de ontsmetting

regelmatig werd uitgevoerd,

b) wanneer volgens de verklaring van den veeartstoeziener, binnen 6 week na afloop der behandeling na voltrokken ontsmetting, zich geen verdachte ziekteverschijnselen meer hebben vertoond.

Art. 8. Alle voor paarden voorgeschreven maatregelen gelden ook voor andere eenhoevige (ezels, muildieren en muilezels).

Art. 9. Overtredingen der bepalingen van art. 15 en der volgens art. 6 genomen schikkingen worden met 100 tot 1000 mk. boete of met ten hoogste 3 maand gevangenis gestraft. Beide straffen kunnen ook tegelijk uitgesproken worden. Bevoegd zijn de Duitse krijgsbevelvoerders en krijgsrechtbanken. Brussel, den 16n Maart 1916.

NUMMER. 193c

28. Maart 1916.

Bevattelijke onderrichting omtrent de schurft bij paarden en andere eenhoevige. ***

Het sterkere heersen der schurft hij paarden en andere eenhoevige binnen het gebied des General Gouvernements maakt het invoeren van de verplichting tot aangifte en andere afweermaatregelen nodig.

Met het oog hierop wordt hieronder een bevattelijke onderrichting omtrent deze plaag bekend gemaakt.

Wezen en verspreiding. De schurft van paarden en andere eenhoevige (ezels, muildieren, muilezels) is een aanstekelijke, door kleine met het blote oog niet of nauwelijks zichtbare diertjes (mijten) veroorzaakte, langzaam verlopende huidziekte. Het overdragen van de schurftmijten op gezonde dieren geschiedt ofwel onmiddelbaar van de besmette dieren of middelbaar door besmette voorwerpen (stalvoorwerpen, stalgereedschap, getuig, zadeltuig, poetsgereedschap, dekens, klederen der voer- of stallui, dissels, enz.)

De schurftmijten kunnen tot 8 week lang levenskrachtig en aanstekelijk omgedragen worden. Ziekteverschijnselen op de dieren. Al naar gelang er hij de besmetting vele of weinige schurftmijten op een gezond dier overgedragen werden, is de tijd, die tot het uitbreken der eerste ziekteverschijnselen verstrijkt, verschillend en wisselt tussen 2 en 3 week en meer.

Geregeld kenteken der schurft is geweldig jeuken, dat de dieren dwingt zich te schuren of te bijten aan de zieke plekken; verschijnen van bobbels of blaasjes evenals van korsten en kloven op de besmette huiddelen; in erge gevallen verliezen van het haar en verdikken en rimpelen der huid die aan de oppervlakte vochtig en bloedig of met schurftachtige uitslag kan bezet zijn. Aanleiding tot jeuken is stal- of zonnewarmte. Krabt men de zieke plekken, zo geven de dieren zichtbaar behagen te kennen, door aan te drukken, door intrekken van den rug en trillen en opkrullen van de lippen. De schurft kan het gehele lichaam aantasten. Zij begint geregeld aan den kop, aan den hals, aan de schouders, aan de zijkanten der borst of op den rug waar de zadel ligt, onder het vormen van kleine kale plekken, die later samenlopen en grotere, kale, met korsten en roven bezette plekken vormen kunnen. In andere gevallen verschijnt de plaag aan meer gedekte plaatsen, aan de wortelen der manen, onder het kuifhaar, aan den staart, in de keelgroeve en aan de binnenzijde der billen en begint met hier scherp afgetekende kale plekken te vormen, die zich allengs uitbreiden en geleidelijk echter ook tot grotere naakte, met korsten en roven bezette plekken samenlopen.

Meldingsplicht en maatregelen voor tussenkomst,

Wanneer paarden en andere eenhoevige onder schurftverschijnselen of andere kentekenen, die het uitbreken der schurft laten vrezen, ziek worden, moet de burgemeester zonder uitstel verwittigd worden en moeten de zieke of verdachte dieren van plaatsen, waar gevaar voor besmetting van andere dieren bestaat, verwijderd worden.

Behandeling. Het bestrijden van de schurft geschiedt door smeerzalven en baden, die door den veearts voorgeschreven worden. Behandeling door den veearts is onvermijdelijk nodig om een spoedige genezing der plaag te verzekeren, die anders weken en zelfs maanden kan duren,

NUMMER. 193d.

28. Maart 1916.

Bestrijding der schurft onder de paarden der burgerbevolking. ***

Bij uitbreiding van nr. II van het besluit des Generaals-Gouvernements in België, Sect. IVc nr. 1390

van 29n December 1914, wordt bepaald, dat bij elke onder nr. II aangegeven aanleiding, het onderzoek van den veearts zich voortaan ook tot schurft (sarkoptesen dermatokopte- schurft) moet uitstrekken. In de volgens § S nr. II, door de gemeenten hij de „Kreischefs' intezenden verslagen moet de uitkomst afzonderlijk vermeld worden. Brussel, den 21n Maart 1916. G. G. IV. c. 2991.

 

NUMMER. 194a

31. Maart 1916.

Verordening * * * betreffende de regeling der bierbevoorrading.

Om de geregelde voorziening van hier der burgerbevolking te verzekeren, bepaal ik het volgende:

Art. 1 Er wordt een Brouwerijtoezichtskantoor met Brussel tot zetelplaats opgericht, waarvoor de

Verwaltungschef de leden benoemt.

Art. II Het Brouwerijtoezichtskantoor heeft het recht, alle tot het regelen van een geschikte bierbevoorrading vereiste maatregelen te nemen, inzonderheid:

a) opneming van de voorhanden, evenals van andere tot brouwdoeleinden bruikbare grondstoffen te doen, de hiertoe vereiste inlichtingen te verlangen en er de juistheid van te toetsen;

h) aanwijzingen omtrent de hoeveelheid der door de brouwerijen te verwerken grondstoffen te geven;

c) bevelen uit te vaardigen omtrent de verdeling der voor de brouwerijen beschikbaar te stellen grondstoffen;

d) in het belang van een evenredig voorzien der brouwerijen van grondstoffen, het afstaan van grondstoffen door de een brouwerij aan de andere tegen passende vergoeding opteleggen en te dien einde de aftestane grondstoffen desnoods aan te slaan;

e) voorschriften omtrent het hoogste gehalte van het bier uit te vaardigen.

Art. III. De onder art. II aangeduide vergoedingssom door de overnemende aan de leverende brouwerij te betalen, wordt door het Brouwerijtoezichtskantoor vastgesteld. Tegen den vastgestelde prijs hebben de belanghebbenden het recht, de beslissing van een schattingskommissie in te roepen. De beslissing deze door den Verwaltungschef aan te stellen kommissie, waarin ook vakmannen van het brouwerijbedrijf zitting zullen hebben, is zonder beroep.

Art. IV, De voorschriften van art. III lid 2 der Verordening van 20 Juli 1915 worden opgeheven, zoverre zij met art. II. en c dezer Verordening in strijd zijn.

Art. V. Uitvoeringsvoorschriften worden door den Verwaltungschef uitgevaardigd.

Art. VI. Overtredingen van de op grond dezer Verordening door den „Verwaltungschef het Brouwerijtoezichtskantoor of dezer lasthebbers uitgevaardigde schikkingen, worden met ten hoogste één jaar gevangenis, of met ten hoogste 10.000 mark. boete gestraft.

Bovendien kan voor enigen tijd of voor goed het sluiten van het bedrijf uitgesproken worden.

Art. VII. Bevoegd zijn de Duitse krijgsrechtbanken en de Duitse Krijgsoverheden. Brussel. den 21n Maart 1916.

NUMMER. 194b

31. Maart 1916

Verordening over het aanslaan van woudbomen.

§ 1. De (Militaire) Gouverneurs en de Kommandanten van Maubeuge en Beverloo hebben het recht, volgens nadere aanwijzing het aanslaan van ongevelde, afzonderlijke of in wouden staande bomen te bevelen.

§ 2. De beslagneming moet elke bezitter en, indien dit niet doenlijk is, den burgemeester der gemeente door overhandigen van een beslagnemingsbewijs, worden ter kennis gebracht.

§ 3. Met de overhandiging van dit inbeslagnemingsbewijs verliest de bezitter het recht, over de inbeslaggenomen stapels te beschikken. Dit recht gaat over op de bevelvoerders, die de beslagneming bevolen hebben.

§ 4. De betaling wordt na het weghalen van het hout op grondslag van den vredesprijs van 25 Juli

1914 geregeld,

§ 5. Wie over het inbeslaggenomen hout door verkoop, verpanden of op andere wijze beschikt, of wie aan het aangeslagen hout zonder bijzondere toelating van den bevelvoerder, die de inbeslagneming bevolen heeft, wijzigingen toebrengt, wordt ongeminderd de andere in aanmerking komende strafbepalingen, met ten hoogste 5 jaar gevangenis of met ten hoogste 5 jaar gevangenis of met hoogste 20.000 mark. boete gestraft. Ook kunnen beide straffen tegelijk, evenals de verbeurdverklaring van het hout worden uitgesproken.

§ 6. Bevoegd zijn de Duitse krijgsbevelvoerders en de krijgsrechtbanken.

Brussel, den 22n Maart 1916.

NUMMER. 194c

31. Maart 1916

Verordening *** betreffend het opnemen van met vroege aardappelen beplante vlakten in de provinciën Brabant en Antwerpen.

Art. 1. Tussen 10 en 15 April 1916 worden in de provinciën Brabant en Antwerpen de met vroege aardappelen beplante akkervlakten van elke grootte opgenomen.

Art. 2. De opneming geschiedt per gemeente. De uitvoering ervan valt den gemeentebesturen ten laste, die daartoe de haar afgeleverde formulieren moeten gebruiken.

Art. 3. De bezitters van grondstukken waarop vroege aardappelen geplant zijn, of hun lasthebbers moeten, binnen het onder art. 1 aangegeven tijdsverloop, de met vroege aardappelen beplante akkervlakten op het gemeentekantoor aangeven en aldaar de voorgeschreven formulieren invullen.

Art. 4. De aangifte van de met vroege aardappelen beplante vlakten moet in de gemeente geschieden, vanwaar uit ze bebouwd worden.

Art. 5. De gemeenteoverheden of de van haar opdracht hebbende personen zijn bevoegd, tot het bekomen van juiste aangiften over de bebouwde vlakten, de grondstukken der tot aangifte verplichte personen te betreden en aftemeten,, evenals met het oog op de grootte van landbouwgronden bij het kadaster om inlichtingen te verzoeken.

Art. 6. De bezitters van grondstukken waarop vroege aardappelen geplant zijn, of hun lasthebbers, die opzettelijk of uit nalatigheid de aangiften, waartoe zij op grond dezer Verordening gehouden zijn, niet of onjuist of onvolledig doen, worden met ten hoogste 6 maand gevangenis of met ten hoogste 10,000 mark boete gestraft. Beide straffen kunnen tegelijk uitgesproken worden.

Art. 7. Bevoegd zijn de krijgsbevelvoerders en de krijgsrechtbanken.

Art. 8. De „Verwaltungschef' is met de uitvoering dezer Verordening belast,

Brussel, den 25n Maart 1916.

Volgende pagina    Indexpagina

OF GA TERUG MET DE BACKTOETS


Kent U de v.z.w. KONINKLIJKE OUDHEIDKUNDIGE KRING VAN HET LAND VAN WAAS
(afgekort K.O.K.W.)

niet, of wil je meer weten over de doelstelling
en werking van deze kring, klik dan
"hier voor Werking K.O.K.W".

DOCUMENTATIE CENTRUM
M.Z. Zamanstraat 49 9100 Sint-Niklaas
Zaterdagen 9u30 tot 12u30
Documentatie centrum
gesloten in juli en aug.