Dagboek Raphaël Waterschoot
 (TEXTES OFFICIELS door mij aangepast na omzetting)

Gesetz- und Verordnungsblatt fur die okkupierten Gebiete Belgiens
Bulletin officiel des Lois et Arrêtés pour le territoire belge occupé
Wet- en verordeningsblad voor de bezette streken van België
Législation Allemande pour le Territoire Belge Occupé
Textes officiels rédigée par
CHARLES HENRY HUBERICH docteur en droit, ancien professeur de droit a l’université Stanford Californie , membre du barreau de la cour supreme des Etats Unis de L’Amerique, avocat La Haye Paris Berlin Hambourg
ALEXANDER NICOL-SPEYER Docteur en doit, avocat a la cour de cassation des Pays Bas La Haye
ROTTERDAM

No. 90. — 2. juli 1915.
De bij artikel 4 der herziene Parijser overeenkomst tot bescherming van nijverheidseigendom van 2 juni (Belgisch Staatsblad: 6 augustus 1914) voorziene voorrechttermijnen worden, bijaldien zij voor den 31n juli 1914 niet vervallen waren, voordehand verlengd.
Brussel, den 23n juni 1915.
No. 90. — 2. juli 1915.
Verordening, betreffend onschadelijke wegruiming der krengen van pestzieke of pestverdachte dieren. Ter wijziging van artikel 37 § 1 der Koninklijke verordening van 31 december 1900 betreffend wijziging der artikels 34 tot 42 der regeling van 20 september 1883, bepaal ik, wat volgt: Tot het indelven moeten volgens aanwijzing van den bevoegden veearts zo veel mogelijk hoger gelegene plaatsen op voldoenden afstand van mensenwoningen, veestallen, bornputten, wateren, weiden en openbare wegen uitgezocht worden. Humushoudende gronden, leem- en kleigronden, bronnenrijke streken, ter uitbating bestemde of geschikte kies- of zandbeddingen evenals plekken, waar het welwater niet ten minste 2 meter onder de aardoppervlakte staat, moeten, waar dit volgens de plaatselijke toestanden doenlijk is, vermeden worden. De begravingplaatsen moeten zo afgesloten worden, dat si] voor paarden, herkauwers, zwijnen en honden ongenaakbaar zijn. Het is verboden op deze begravingplekken te laten grazen, aldaar groeiende planten als veevoeder of strooisel of tot het opstapelen van voeder of strooisel te gebruiken.
Brussel, den 27n juni 1915.
No. 90. — 2. juli 1915.

Art.1. Leden van het onderwijzend personeel, schoolhoofden en schoolopzieners, die gedurende den tijd der bezetting onder de lessen of anderszins in de school Duistvijandige drijverijen of uitlatingen dulden, bevorderen, bewerken of inrichten, worden met ten hoogste een jaar gevangenis gestraft.
Art.2. De Duitse overheid is bevoegd, tot het verhinderen van Duistvijandige drijverijen en uitlatingen, de lokalen van al de in België bestaande scholen te betreden en tot het zelfde doeleinde het onderwijs en de verdere werkzaamheden der scholen te bewaken.
Art.3. Wie het beproeft, de inlichtingen of onderzoekingen over de in artikel 1 aangeduide strafbare handelingen of de op grond van artikel 2 bevolen bewakingsmaatregelen te bemoeilijken of te beletten, wordt met een geldboete van tien tot vijftienhonderd frank of met ten hoogste zes maand gevangenis gestraft.
Art.4. Tot het oordeelvellen over strafbare handelingen in artikels 1 en 3 aangeduid zijn de krijgsrechtbanken bevoegd.
Brussel, den 26n juni 1915.

No. 91. — 5. juli 1915.

Verordening over het beslagleggen op graan, gerst en meel uit het oogstjaar 1915.
Ik heb er toe besloten, den graanoogst en de andere onder nr. 1 opgesomde akkervoortbrengselen. van dit jaar voor het uitsluitend gebruik der burgerbevolking in het gebied van het Generaalgouvernement, te bestemmen. Te dien einde verorden ik vooreerst het beslagleggen op de hierna aangeduide oogstvoorraden aan de hand der volgende bepalingen.
Door dit beslagleggen moet het opjagen van de prijzen belet worden, waardoor de prijs van het brood zou stijgen; tezelfdertijd maakt het beslagleggen ene billijke en alle behoeften des land tegemoet komende verdeling van den graanoogst en het meel mogelijk. Ik verwacht stellig, dat de Belgische bevolking, inzonderheid de landbouwende ondernemers, met het oog op de uitsluitend voor de welvaart van het land genomen maatregelen, bij de uitvoering ervan bereidwillig zal meehelpen.
1. Al het in België binnen het gebied van het Generaalgouvernement aangebouwde graan, zoals: rogge, tarwe, spelt, evenals gerst (voeder- en brouwgerst) wordt, zowel zuiver als wel met andere graansoorten vermengd, zodra gepikt, ten gunste der burgerbevolking binnen het gebied van het Generaalgouvernement hierbij aangeslagen. De beslaglegging strekt zich uit tot halm en tot uit het graan gewonnen meel (het kortmeel inbegrepen). Na het dorsen wordt het stro teruggegeven.
2. In de aangeslagen voorraden mogen, zoverre de volgende bepalingen niet anders luiden, noch wijzigingen gebracht noch bij overeenkomst of verdrag er over beschikt worden.
3. De bezitter van aangeslagen voorraden is gerechtigd en verplicht al het nodige te doen om de voorraden te bewaren; hij is gerechtigd en verplicht te dorsen.
4. Voert de bezitter van aangeslagen voorraden ene ter bewaring nodige bewerking binnen den hem door den Kreits-chef gestelde tijd niet uit, zo kan deze de bewerking op kosten van den bezitter door derden laten uitvoeren. Hetzelfde geldt, indien de bezitter van het graan niet binnen den hem gestelde tijd dorst.
5. Wordt met ten hoogste vijf jaar gevangenis of met ten hoogste 20,000 mark boete gestraft:
a) wie aangeslagen voorraden ongeoorloofd wegbergt, of buiten de gemeente, in welke ze aangeslagen werden, ongeoorloofd wegbrengt, wie ze beschadigt, vernietigt, ongeoorloofd verwerkt of verbruikt.
b) wie aangeslagen voorraden ongeoorloofd verkoopt, koopt of op een andere wijze weg- of zich aanschaft.
c) wie verzuimt het nodige te doen om de voorraden te bewaren of het graan niet binnen den gestelde tijd dorst. Als rechtbanken zijn de Duitse krijgsrechten bevoegd.
6. Het aangeslagen graan zal tegen gereed geld bij het overnemen, door ene door mij te benoemen Oogstkommissie aangekocht en voor de bevolking binnen het gebied van het Generaalgouvernement ter beschikking gehouden worden.
7. Het besluit ter uitvoerlegging blijft voorbehouden.
Brussel, den 10 juni 1915.
No. 91. — 5. juli 1915.
Volgens verordening van 22 mei betreffend den handel met goud, zilver- of nikkelmunt of Franse bankbrieven, afgekondigd in het Wet- en Verordeningsblad Nr. 77 van 29 mei 1915, werd buiten de in het Wet- en Verordeningsblad Nr. 88 van 2A juni 1915 opgenoemde huizen ook de Banque de Commerce, Societe anonijme, Antwerpen de ten allen tijde herroepelijke toelating tot het handelen met Franse bankbrieven tot een de noemwaarde te boven gaanden prijs geschonken.
Brussel, den 3n juli 1915.

No. 92. — 8. juli 1915.
1. Bij besluit van den Generaalgouverneur in België van den 28n april 1915, werd Karel Friard, dokter in de medicijnen, in plaats van den overleden G. Dequanter tot lid benoemd van den beheerraad der Staatsmiddelbare school voor jongens te Roeulx. 2. Bij besluit van den Generaalgouverneur in België van 12 juni 1915, werd E. Malissart, regentes aan de Staatsmiddelbare school voor meisjes te Elsene op haar verzoek eervol ontslag verleend. Zij mag hare rechten op pensioen doen gelden en den eretitel van haar ambt verder dragen.
3. Bij besluit van den Generaalgouverneur in België van 5 juni 1915, werd de advocaat August Du Bois in plaats van den overleden E. Keulemans tot lid van den beheerraad der Staatsmiddelbare scholen te Leuven benoemd.
4. Bij besluit van den Generaalgouverneur in België van 5 juni 1915, werden Omaar Plisnier en Achiel Bataille in plaats der overledenen L. Thiriar en A. Ducuroir tot leden van den beheerraad der Staatsmiddelbare school voor jongens te Houdeng-Aimeries benoemd.
No. 93. — 10. juli 1915.
Onder opheffing van alle hiermede strijdige voorschriften besluit ik: Het op 3n juli 1915 aflopende mandaat van den griffier der provincie Henegouwen, Alfred Langlois, wordt hierbij tot In juli 1916 verlengd. Het op 2n Fehruari 1915 afgelopen mandaat van den griffier der provincie West-Vlaanderen, A. Verougstraete, wordt met terugwerkende kracht van af 2n februari 1915 tot In juli 1916 verlengd.
Brussel, den 30n juni 1915.
No. 93. — 10. juli 1915.
Worden binnen het Belgisch tolgebied ingevoerde tolplichtige waren den bestemmeling voor uitbetaling van het tolrecht afgeleverd, zo moet het verschuldigd tolrecht op bevel der bevoegde toloverheid binnen den door haar in elk geval bepaalden tijd betaald worden. Is de gestelde tijd zonder betaling verstreken zo wordt de verschuldigde som bij dwangbevel door de toloverheid geïnd. Tegen de uitvoering van het dwangbevel is alleen beroep bij het Hoofd van Bestuur bij den Generaalgouverneur toegelaten. Dit beroep heeft gene schorsende kracht. De beslissing van het Hoofd van Bestuur is afdoend. Overeenkomstig bovenstaande verordening moet ook in zulke gevallen worden gehandeld, in welke sedert de afkondiging der bekendmaking van 12 november 1914 (Wet- en Verordeningsblad Nr. 12) binnen het Belgische tolgebied ingevoerde tolplichtige waren den bestemmeling zonder dat het tolrecht betaald werd, reeds ter hand gesteld zijn.
Brussel, den 2n juli 1915.
No. 93. — 10. juli 1915.
Staat voorshands nog niet vast wanneer en ten welken kantore de door de Duitse troepen in Groot- Brussel voor den 15. 10. 14 en binnen het overige Generaalgouvernements gebied voor den 15. 1. 1915 benodigde krijgsleveringen worden betaald, zo moeten toch, om de latere vereffening voor te bereiden, voor alle krijgsleveringen achterhand bewijzen, zoals bij plakbrief van 13. 1. 15 voorgeschreven, afgeleverd worden. Deze maatregel beoogt in allereerste plaats de belangen der bevolking, opdat een ieder voor de door hem gedane krijgslevering een volledig, met den dienststempel gemerkt krijgsleveringsbewijs bekomt. Tot den 20. 8. 15 moeten alle in omloop zijnde opvorderingbewijzen in oorspronkelijke vorm aan den burgemeester der gemeente, waar de krijgslevering geschiedde, ingeleverd worden. Evenzo moeten aldaar, voor gestelde datum, alle krijgsleveringen aangegeven worden, voor welke geen bewijs afgeleverd werd. Krijgsleveringen, die tot den 20. 8. 15 niet aangegeven werden, zullen niet in aanmerking komen.
Binnen de provincie Limburg hoeven de door de onderzoekscommissie reeds afgeleverde krijgsleveringsbewijzen niet nog eens voorgelegd te worden, evenmin als die in Groot-Brussel door de Armee-Intendantur, volgens bovenvermeld voorschrift afgeleverd. De burgemeesters moeten van de bij hen aangegeven krijgsleveringen in volgorde der aangifte lijsten opstellen, voor welke hun door de Kreischefs of andere bevoegde overheden formulieren zullen gezonden worden. Deze lijsten moeten in dubbel gehouden worden. De burgemeesters zijn voor het zorgvuldig bewaren van de hun afgeleverde krijgsleveringsbewijzen en bewijsoorkonden verantwoordelijk, moeten ze met de op de lijsten opgetekende, doorlopende nummers voorzien en daarnaar rangschikken. Een afschrift der afgesloten lijsten moet voor den 1. 9. aan den Kreischef ingeleverd, binnen het vestingsgebied Antwerpen, Luik, Namen even als in Groot-Brussel aan den Gouverneur.
Brussel, den 5n juli 1915.

No. 94. — 13. juli 1915.
Hierbij keur ik goed, dat het Rekenhof zijne hem wettig aangewezen werkzaamheden voor als na voortzet. De in januari 1915 afgelopen mandaten van den voorzitter, raadsheren en griffier worden, voor Tien die aanwezig zijn, met terugwerkende kracht van af den vervaldag hierbij voor de hand verlengd.
Brussel, den 30n juni 1915.

No. 94. — 13. juli 1915.
Allerhande zwarte- en bonte potloden, bloot of in hout gevat, ook zulke met metalen toppen, worden voor de hand in het Belgisch bezet gebied zonder invoerrecht binnen gelaten. Deze verordening wordt terstond van kracht.
Brussel, den 4n juli 1915.
No. 95. — 16. juli 1915.
Het afmaaien en opvoederen van groene haver is zonder toelating van den bevoegden Kreits-chef verboden. Overtredingen worden met een boete van ten hoogste 3,000 frank gestraft.
Brussel, den 6n juli 1915.

No. 95. — 16. juli 1915.
De Verordeningen van 1) 15 december 1914, betreffend het uitoefenen der veeartspolitie, 2) 22 december 1914, betreffend het tekeergaan van de hondsdolheid, 3) 30 maart 1915, betreffend de dolheid, 4) 27 juni 1915, betreffend het onschadelijk wegruimen der krengen van pestzieke of pestverdachte dieren, worden als volgt aangevuld: Overtredingen der in de 4 verordeningen vervatte geboden en verboden worden met een geldboete van ten hoogste 1,000 mark of met gevangenis gestraft. Beide straffen kunnen ook tegelijk uitgesproken worden. Bevoegd in deze zijn de krijgsgerechten en in lichtere gevallen de krijgsoverheden. De verordening wordt met de afkondiging van kracht.
Brussel, den 8n juli 1915.
No. 95. — 16. juli 1915.
Beslag of verzet
Art.557 en volg. der Belgische burgerlijke rechtspleging) mag onder handen der Duitse overheid niet gelegd worden. Wil een schuldeiser op ene vordering die een schuldenaar tegen ene Duitse overheid bezit, beslag leggen, dan hoeft hij, op grond een verlof, dat hem door den voorzitter der rechtbank van eersten aanleg der woonplaats des schuldenaars, na onderzoek van het geding, vergund wordt, een verzoek bij die overheid indienen. De Duitse overheid zal dan, in de door haar billijk bevonden gevallen, het voor beslag vatbaar bedrag der vordering in de Consignatiekas neerleggen. Daarna, is het bij deze kans dat, overeenkomstig de bepalingen der artikels 557 en volgende der Belgische burgerlijke rechtspleging, het beslag hoeft vervolgd te worden.
Brussel, den 10 juli 1915.
No. 95. — 16. juli 1915.
Ter aanvulling mijner bekendmaking van 26 januari 1915 over de gevolgen voor dienstplichtige Belgen van het ontwijken naar Nederland bepaal ik:
Art.1. Wie het beproeft, in den ouderdom van 16 tot 40 jaar België zonder de voorgeschreven toelating te verlaten en wie het beproeft, België te verlaten om in den dienst te treden van een het Duitse Rijk vijandige staat of van een onderneming in het buitenland, waarvan aan te nemen valt, dat ze voor staten, die in vijandschap zijn met het Duitse Rijk, krijgsbehoeften vervaardigt, wordt, zoverre door de wetten van het Duitse Rijk geen zwaardere straffen opgelegd worden, met ten hoogste 5 jaar gevangenis of met een geldboete van ten hoogste 10,000 mark of met beide straffen tegelijk gestraft.
Art.2. Dezelfde straf treft diegene, die tot een poging als bij Art.1 bepaald, aanspoort of deze begunstigt.
Art.3. Bevoegd in deze zijn de krijgsgerechten. De verordening wordt met de afkondiging van kracht.
Brussel, den 10 juli 1915.
No. 96. — 18. juli 1915.
Rechtsverhandelingen over staande koren zijn rechtsgeldig, wanneer zij met schriftelijke toestemming van den bevoegden Kreits-chef gesloten worden. Voor het overige blijft het bij de bestaande bepalingen.
Brussel, den 10 juli 1915.
No. 96. — 18. juli 1915.
Overeenkomstig de Verordening van 17 februari 1915 (Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België nr. 41 van 20 februari 1915) heb ik in de plaats van den als dwangbeheerder uittredende Heer Dr. ing. Frans Herzberg tot dwangbeheerder der Societe Française de Banque et de Depots te Antwerpen den Heer Richard von Lumm benoemd.
Brussel, den 10 juli 1915.
No. 96. — 18. juli 1915.
In vervanging van den uittredende bankbestuurder Dr. Schacht werd advocaat en notaris Cohnitz (Brussel) in het bestuur der Voorschootkas bij den Generaalgouverneur in België benoemd.
Brussel, den 14n juli 1915.
No. 97. — 21. juli 1915.
Met toestemming van den Heer Generaalgouverneur in België heb ik, overeenkomstig de Verordening van 17 februari 1915 (Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, Nr. 41 van den 20n februari 1915) de hierna vermelde ondernemingen onder dwangbeheer geplaatst: (Zie de namen in originele tekst ).
Brussel, den In juli 1915.
No. 97. — 21. juli 1915.
Verordening betreffend overtredingen van aanmeldingsplichtigen tegen hunne bewaking.
Art.1. Wie binnen het gebied van het Generaalgouvernement de voor den bewaking- en aanmeldingsdienst uitgevaardigde bevelen of de in uitvoering van deze hevelen hem gedane voorschriften overtreedt, wordt, zoverre niet volgens andere wetten of verordeningen zwaardere straf in toepassing Komt, met hechtenis of met gevangenis van ten hoogste een jaar, of met geldboete van ten hoogste 4000 mark. gestraft. Ook kan geldboete en opsluiting samen uitgesproken worden.
Art.2. De straf wordt door de krijgsrechtbanken of in lichtere gevallen door politievonnis der bevoegde krijgsoverheden opgelegd.
Art.3. De verordening wordt met hare afkondiging van kracht.
Brussel, den 14n juli 1915, 36
No. 97. — 21. juli 1915.
Krachtens artikel 2 der Verordening van 3 juni 1915 en in aansluiting aan de Bekendmaking in het Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, nr. 88, wordt hierbij ter kennis gebracht, dat buiten de reeds opgesomde huizen ook de volgende: Association Charbonniere des Bassins de Charleroi et de la Basse-Sambre te Charleroi, 23 Quai de Brabant, Association Charbonniere de la Province de Liege te Luik, 16 Quai de l'Universite, Association Houillere du Couchant de Mons te Bergen, Association Charbonniere du Centre te Brussel, 102 Waterloolaan gerechtigd zijn, in België smeeroliën aan verbruikers te leveren.
Antwerpen, den 15n juli 1915.
No. 97. — 21. juli 1915.

Volgens verordening van 22 mei jl. betreffend den handel in goud, zilver- of nikkelmunt of Franse bankbrieven, afgekondigd in het Wet- en Verordeningsblad nr. 88 van 24 juni en nr. 91 van 5 juli 1915 opgenoemde huizen ook het Agentschap der ij,Deutsche Effecten- und Wechselbank" N. V. Brussel, de te allen tijde herroepelijke toelating tot het handelen met Franse bankbrieven tot een de noemwaarde te boven gaande prijs geschonden.
Brussel, den 16n juli 1915.
No. 96. — 18. juli 1915.
Bij bekendmaking van 10 januari 1915, wordt elke vreemdeling met straf bedreigd, in wiens heit wapens of schietvoorraad van welken aard ook, gevonden worden. Deze straf wordt hierbij op gevangenis van ten hoogste een jaar en ten hoogste 1,000 mark of op ene van beide bepaald. Buitendien worden wapens en schietvoorraad aangeslagen. Bevoegd zijn de krijgsrechtbanken. Deze verordening wordt met den dag der afkondiging van kracht.
Brussel, den 16n juli 1915.
No. 98. — 24. juli 1915.
Alle onbevoegd betreden van het spoorweggebied door de bevolking, inzonderheid het gaan over de sporen op niet daartoe bepaalde plaatsen wordt hierbij verboden. Overtredingen worden, zoverre volgens de krijgswetten geen strengere straffen voorgeschreven zijn, met geldboete van ten hoogste 300 Mark of met gevangenis van ten hoogste 6 week gestraft. Deze verordening wordt van af heden van kracht.
Brussel, den 17n juli 1915.
No. 98. — 24. juli 1915.
De gemeenten zijn verplicht te zorgen, dat personen, die onder waakzaamheid der meldeambten staan, de volgens de meldevoorschriften veroorloofde omschrijving niet verlaten. Bij ongeoorloofd ontwijken van meldeplichtigen, heeft de gemeente met ene geldboete daarvoor in te staan. Moest het ongeoorloofd ontwijken desondanks voortduren, zo behoud ik me voor:
1. den meldeplicht en een verscherpte bewaking tot alle dienstgeschikte personen der gemeente van 17 tot 50 jaar uit te strekken.
2. het recht van reizen en zich elders te vestigen voor alle inwoners der gemeente op te heffen. Buitendien herinner ik eraan, dat volgens de verordening van den 26n januari 1915 naast de schuldigen, die tegen het verbod in beproeven te ontwijken, ook hun huisgenoten kunnen ter verantwoording geroepen worden.
Brussel, den 20n juli 1915.
No. 99. — 26. juli 1915.
De bij verordening van 23n juni 1915 (Nr. 88 van het Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België) tot 31n juli 1915 verlengde termijn voor protestopmaken en andere tot vrijwaring van verhaal bestemde rechtshandelingen, wordt hierbij tot 31n augustus verlengd.
Brussel, den 21n juli 1915.
No. 99. — 26. juli 1915.
De verordening van den Koning der Belgen van 3 augustus 1914, betreffend het terugtrekken van banktegoed, blijft met de beperking in de verordening des Konings der Belgen van 6 augustus 1914 en met de uitbreiding in de verordening van 23 september 1914 vervat (Nr. 4 van het Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België) tot den 31n augustus 1915 van kracht.
Brussel, den 21n juli 1915.

No. 100. — 29. juli 1915.
Verordening betreffend het gebruik van de gerst (zomer- en wintergerst) uit het oogstjaar 1915 binnen het gebied van het Generaalgouvernement. Gerstenzentrale.
Art.1. De Belgische Ernte Kommission (Oogstkommissie) fur Gerste (Gerstenzentrale) bestaat uit:
a) een lid van het Burgerlijk bestuur als voorzitter; \)) een lid van het Burgerlijk bestuur als voorzitterplaatsvervanger;
c) een lid van het Belgisch Ministerie van Landbouw;
d) een lid der Federation generale des Brasseurs belges;
e) enen vertegenwoordiger der Belgische gistfabrikanten;
f) enen vertegenwoordiger der Belgische graanhandelaars;
g) een lid van den Hogere Landbouwraad.
De leden onder a,) en h) worden door mij, de leden onder c) tot g) door het Hoofd van Bestuur, mits te allen stond herroepelijk, benoemd. Den vertegenwoordigden belangengroepen staat het vrij, voorstellen bij het Hoofd van Bestuur in te dienen. De zittingen der Gerstementrale worden door den voorzitter belegd. De leden ontvangen, de vertegenwoordigers door het Burgerlijk Bestuur uitgezonderd, voor elke zitdag een aanwezigheidspenning van telkens 10 frank naast hunne reiskosten. De Gerstenzentrale bezit de rechten ener rechtspersoonlijkheid, zij wordt door haren voorzitter of zijn plaatsvervanger of hunnen gevolmachtigde vertegenwoordigd.
Art.2. De Gerstenzentrale is gemachtigd over den ganse deesjarigen oogst aan zomer- en wintergerst binnen het gebied des Generaalgouvernement te beschikken. De vrije in- en verkoop zulke gerst is verboden. De Gerstenzentrale koopt de niet tot zaaigerst bestemde gerst naar gelang deugdelijkheid en bruikbaarheid, tegen den prijs van ten hoogste 36 frank de 100 kilo gerst, vrij spoor- of boot, plus 6 % intrest per jaar voor alle na den In september 1915 aangekochte gerst. De Gerstenzentrale laat elke bezitter van een landbouwbedrijf per hectare zijn met gerst gedurende het jaar 1915 naar luid zijner oogstboeken (Art.6 deze verordening) gestelde oppervlakte 150 kilo zaaigerst van eigen voortbrengst en beste hoedanigheid. Deze gersthoeveelheden blijven tot ze uitgezaaid worden de beslaglegging onderworpen (Verordening van 30 juni 1915, Wet- en Verordeningsblad nr. 91). Den eigenaars van zaaigerst kan een ruiling hunner zaaigerst door de Zivilkommissarissen bij de Kreischefs op aanvraag schriftelijk toegestaan worden. Het toelatingsbewijs geldt als geleibrief bij 't vervoer (zie Art.8).
Art.3. De Gerstenzentrale verdeelt de door haar aangekochte gerst naar de volgende grondregels: De Belgische gistfabrikanten kunnen door aankoop de volgens bewijs voor elk afzonderlijk bedrijf vereiste gerst ontvangen. De na dekking van de behoefte der gistfabrikanten overblijvende gerst wordt aan de Belgische brouwerijen in de verhouding der door elke brouwerij gedurende het kalenderjaar 1913 verancijnste grondstoffen (farines) verkocht. Aanspraak op toewijzing van gerst hebben enkel die brouwerijen en gistfabrikanten, die gedurende het eerste halfjaar 1915 hun bedrijf ten minste 3 maand lang aan den gang gehouden hebben. De Gerstenzentrale bepaalt vrij hare verkoopprijzen; zij zal zoveel als doenlijk hare verkoopprijzen maar zoveel boven den aankoopprijs stellen, als het haar nodig schijnt om hare onkosten te dekken. Mocht er een overschoot zijn, zo zal dit over de provinciën in verhouding der door elk opgeleverde gersthoeveelheden, voor liefdadige doeleinden verdeeld worden. De brouwer en de gistfabricatie leveren de nodige zakken voor de door hen gekochte gerst.
Provinzial-Gersten-Comite.
Art.4. In elke provincie wordt een Provinzial- Gersten-Comite gevormd bestaand uit: a.) den voorzitter van het Burgerlijk bestuur of diens plaatsvervanger als voorzitter; h) een lid der bestendige deputatie;
b) een tot de Federation generale des brasseurs Belgjes behorende der provincie;
c) enen vertegenwoordiger der gistfabrikanten der provincie, bijaldien er in de provincie ene gistfabriek bestaat;
d) een lid der provinciale landbouwmaatschappij.
De personen onder a), b), c) en d) worden door den voorzitter van het Burgerlijk bestuur der provincie, mits te allen stond herroepelijk, benoemd. Den vertegenwoordigden belangengroepen staat het vrij, voorstellen bij den voorzitter van het Burgerlijk Bestuur in te dienen. De leden van het Provinsial-Gersten-Comite ontvangen, de voorzitter en zijn plaatsvervanger uitgezonderd, voor hun deelnemen aan de zittingen een aanwezigheidspenning van telkens 10 frank per dag naast de vergoeding hunner reiskosten.
Het Provinzial-Gersten-Comite heeft voor taak:
1. het indelen van de Provincie in gerstkantons,
2. het benoemen van de gerstekommissionarissen ( Art.7),
3. het waarnemen van de hem door de Gerstenzentrale bijzonder opgedragen taken. De Gerstenzentrale draagt de kosten der Provinzial- Gersten-Comites. Kantonal-Gersten-Comite.
Art.5. In elk Gerstenkanton wordt een Kantonal- Gersten-Comite gevormd, bestaand uit:
a) den Zivilkommissar hij den Kreits-chef ah voorzitter,
b) een tot de Federation generale des brasseurs Belgjes behorende brouwer,
c) een lid van het landbouwcomitie des kantons. De onder h) en c) vermelde personen worden door den voorzitter van het Burgerlijk bestuur der provincie, mits herroepelijk, benoemd. De vertegenwoordigden belangengroepen staat het vrij, voorstellen bij den voorzitter van het Burgerlijk Bestuur in te dienen. De vergoedingen der leden van het Kantonal-Gerstencomite, de voorzitter uitgezonderd, worden door de Gerstenzentrale geregeld. Het Kantonal-Gerstencomite bewaakt de Gerstekommissionarissen en de gersthoeveelheden, evenals de aanwending van het gerstezaadgoed in het kanton. Het zorgt voor een geordend houden van de oogstboeken (Art.6} in de gemeenten. Verder voert het Kantonal-Gersten-comite de hem van de Gerstenzentrale of het Provindal-Gersten- comité toekomende bijzondere lastgevingen uit. De Gerstenzentrale draagt de kosten van het Kantonal- Gersten-comite. Oogstboeken.
Art.6. Elke gemeente moet een oogstboek naar het door de gerstenzentrale voorgeschreven model houden en alle vereiste gegevens voor een geordend oogstboekhouden bezorgen. Zij neemt dit oogstboek in bewaring.
Het oogstboek moet volgende aanduidingen bevatten:
1. Namen der gerstvoortbrengers;
2. Gerstenakkeroppervlakte;
3. Schatting van den gersthoogte.
4. Opbrengst aan gedorste gerst;
5. Aantekeningen over verkoop en vervoer van gerst afzonderlijk. Met het vaststellen van de gedorste opbrengst in het oogsthoek geldt de in de afzonderlijke bedrijven voorhanden gerst als bij de Gerstenzentrale tegen brandschade kosteloos verzekerd. De door brand veroorzaakte schade wordt tot het bedrag van 80 % der verbrande waarde of der door het vuur onbruikbaar geworden of in waarde verminderde gerst vergoed. Voor brandschade, door eigen schuld des eigenaars veroorzaakt, of die met krijgshandelingen samenhangen, wordt geen schadeloosstelling toegestaan. De Gerstenzentrale, het Provinzial-Gerstencomite en het Kantonal-Gerstencomite en hun vertegenwoordigers hebben het recht de oogstboeken in te zien.
Gerste-Kommissionarissen.
Art.7. De Gerstekommissionarissen worden door den voorzitter des Provinzial-Gersten-comites benoemd.
De Gerstekommissionarissen hebben voor taak:
1. het prijzen en vaststellen van de oogstopbrengst aan gerst bij de afzonderlijke eigenaars van landbouwbedrijven te bewaken;
2. het schatten en afwegen van de gerst;
3. het nemen van monsters; •4. het bewaken van het gerstevervoer;
5. het uitvoeren van de bijzondere opdrachten der Gerstenzentrale, van het Provinzial-Gersten-comite en het Kantonal-Gersten-comite. De Gerstekommissionaris ontvangt voor elke 100 kilo door zijn tussenkomst aangekochte gerst, die hij op de hem aangewezen plaats aflevert, vanwege de Gerstenzentrale ene vergoeding van 50 centiem.

Gerst- en moutvervoer.
Art.8. Het vervoeren van ongedorste of gedorste gerst, evenals van mout wordt alleen met geleibrief toegelaten. De geleibrieven worden door de Gerstenzentrale uitgevaardigd. Geleibrieven worden niet geëist: voor het vervoer van ongedorste gerst van 't veld naar de bewaarplaats; voor het vervoer van ongedorste gerst van de bewaarplaats naar de dorsmachine; voor het vervoer van gedorste gerst van de dorsmachine naar de bewaarplaats. Plichten der bezitters van landbouwbedrijven.
Art.9. Elke bezitter van een landbouwbedrijf , waar gedurende het kalenderjaar 1915 gerst werd voortgebracht, is verplicht: de Gerstenzentrale alle gerst zijner voortbrengst met de uitsluitelijke uitzondering der in Art.2 aangeduide zaaigerst te verkopen;
b) de gemeente de ter schatting van den gerstenoogst nodige aangiften te doen en het volledig bedrag der door hem gedorste gerst terstond na afgelopen dorsing ter aantekening in het oogstboek bij de gemeente aantegeven;
c) den gerstekommissionaris toegang tot alle plaatsen in zijn gebouwen toe te staan tot uitoefening zijner lastgeving.
d) den gerstekommissionaris zijne voorhanden bedrijfsboeken voor te leggen om hem in te lichten omtrent het verbruik der in zijn bedrijf voortgebrachte gerst;
e) de gerst met de zorgvuldigheid ordentelijke huisvaders te behandelen;
f) de gerst naar verlangen optijd te leveren en te verladen.
Art.10. Elke voorzitter van een landbouwbedrijf is verboden:
a) het opvoederen van ongedorste, gedorste, gestoten of gemalen gerst, inzonderheid het opvoederen van gerstenzaadgoed (verg. Art.2);
b) elke handeling in strijd met de bij verordening van 30 Juni 1915 (Wet- en Verordeningsblad nr. 91} bevolen beslaglegging op de gerst.
Plichten der mouters, brouwers en gistfabrikanten.
Art.11. Bij het verwerken van de gerst mag in de verschillende bedrijven gedurende elke kalendermaand de hoeveelheid gerst niet overschreden worden, die door de Gerstenzentrale voor de betreffende maand vastgesteld is. De toegang tot de fabrikatieplaatsen mag de lasthebbers der Gerstenzentrale, des Provincial-Gersten- Comites en des Kantonal-Gersten-comites niet ontzegd. De bedrijfsboeken moeten hun op verzoek worden voorgelegd. Het voortverkopen van gerst, de afvalgerst uitgezondert, is den brouwerijen, mouter en en gistfabrikanten verboden. Het benuttigen van haver tot brouwdoeleinden is verboden. Wordt een brouwerijbedrijf of gistfabriek in de tijdruimte tot den In Augustus 1916 stilgelegd, zo komen de bij het stilleggen van het bedrijf voorhanden gersthoeveelheden aan de Gerstensentrale terug. De door haar in dit geval toe te kennen vergoeding bestaat in 't algemeen in den koopprijs, dien het bedrijf der Gerstementrale betaald heeft, plus 6 % intrest van af den dag der betaling van deze koopsom herekend. Mogelijke waardeverminderingen der gerst moeten bij vaststelling van de overnamevergoeding in rekening gebracht worden.
Hoogste prijzen der bijprodukten.
Art.12. Als hoogste prijs voor den verkoop der bijprodukten der brouwerij- en mouterijbedrijven worden bepaald: voor moutkiemen 15 frank per 100 k. uit brouwerof mouterij; voor afvalgerst 20 frank per 100 k. uit brouwerij of mouterij; voor mouterijresten 7 frank per 100 k. drooggewicht der veraccijnsde voor de bierbrouwerij benuttigde grondstof (farines) uit brouwerij. Deze hoogste prijzen mogen niet overschreden worden.
Buitenlands graan en buitenlandsch mout.
Art.13. De Gerstementrale verkoopt de door haar uit het buitenland ingevoerde gerst en het door haar ingevoerd brouwmout volgens den maatstaf van het in Art.3 neergelegd verdelingsplan aan de brouwerijen en de gistfabrieken.
Scheidsgerecht.
Art.14. Alle betwistingen,
1. tussen de Gerstenzentrale en derde personen,
2. tussen de Gerstenzentrale en hare lasthehhers, worden door een te Brussel zetelend scheidsgerecht beslecht. De Art.1005 tot 1028 der Belgische burgerlijke procedure sijn op dit scheidsgerecht niet van toepassing.
Leden van het scheidsgerecht zijn:
a. een door het hoofd van Bestuur benoemde voorzitter,
b. een door de Federation generale des brasseurs belges verkozen medelid,
c. een door den Conseil superieur de Agriculture aangewezen medelid. Voor elk lid wordt een plaatsvervanger anngeduid. Het staat het scheidsgerecht vrij, deskundigen en getuigen te horen. Het scheidsgerecht regelt zijn werkzaamheid zelf. Van de gerst, aanleiding der betwisting, moet een vergezeld monster van ten minste een kilogram voorgelegd worden. Het scheidsgerecht bepaalt de kosten der rechtshandeling, de partijkosten inbegrepen, naar vrije schatting. De voorzitter stelt de verzending naast de reisen verplaatsingskosten vast voor de leden vafi het scheidsgerecht en de deskundigen, evenals voor de getuigen. De uitspraken van het scheidsgerecht zijn zonder beroep. De voorzitter verklaart het scheidsgerechtvonnis uitvoerbaar. Krachtens dit zijn voltrekkingsbesluit wordt dwangvoltrekking toegepast.
Strafbepalingen.
Art.15. Wie gerst in strijd met de bepalingen dezer verordening aan- of verkoopt, wordt met ten hoogste een jaar gevangenis of met ten hoogste 10,000 frank boete gestraft. Beide straffen kunnen tegelijk worden uitgesproken. Terzelfder tijd moet beslaglegging op de gerst ten bâte der Gerstensentrale worden uitgesproken. Beselfde straffen treffen den overtreder van de bebepalingen van Art.8. Wordt ene der voornoemde strafbare handelingen door een gerstenkommissionar begaan, zo moet gevangenisstraf van ten hoogste 5 jaar en een geldboete van ten hoogste 20,000 frank worden uitgesproken.
Art.16. Gerstenkommissionaren, die bij 't bewaken van de oogstvaststelling de opbrengst der gedorste gerst tegen beter weten onjuist vaststellen of bij het schatten en afwegen van de gerst of bij het nemen van monsters wetens valse aangiften doen, worden met ten hoogste 5 jaar gevangenis en met ten hoogste 20,000 frank boete gestraft.
Art.17. Wie in strijd handelt met de bepalingen van Art.9, 10, 11 litt. I, U, UI en IV en Art.12 dezer verordening, wordt met ten hoogste 6 maand gevangenis of met ten hoogste 2000 frank boete gestraft.
Art.18. Bevoegd tot oordeelvellen zijn de Duitse krijgsrechtbanken. Uitvoeringsvoorschriften .
Art.19. Het uitvaardigen van uitvoeringsvoor schriften blijft de Gerstenzentrale voorbehouden.
Brussel, den 20n juli 1915.
No. 101. — 1. augustus 1915.
Ter aanvulling der verordening van In juni 1915 voor den uitvoer van waren uit België (Wet- et Ver ordeningsblad nr. 84} wordt bepaald: Tot de onder nr. 1 dezer verordening opgesomd waren, waarvan de uitvoer in elk geval de goedkeuring van den Commissaris van het Krijgsministerie bij het Generaal-Gouvernement voor België behoeft, behoren nog de volgende: (Zie de namen in de originele tekst), Deze verordening wordt terstond van kracht.
Brussel, den 22n juli 1915.
No. 101. — 1. augustus 1915.
Filature & Filterie Reunies, Alost, Filterie de Buggenhout, Buggenhout, D. de Bodt & Co., Ninove, J. Stichelmans & fils, Ninove, La Ninovite, Ninove, Cie. Metallurgique de la Campine S. A., Antwerpen. Zu Zwangsverwaltern habe ich ernannt: 78
Hemi August Dubbers fur Filature & Filterie Reunies, Alost, „ August Dubbers fur Filterie de Buggenhout, Buggenhout, „ August Dubbers fur D. de Bodt & Co., Ninove, „ August Dubbers fur J. Stichelmans & fils, Ninove, ,, August Dubbers fur La Ninovite, Ninove, „ Emst Bernheim fur Cie. Metallurgique de la Campine S. A., Antwerpen.
Met toestemming van den Heer Generaalgouverneur in België heb ik, overeenkomstig de verordening van 17 februari 1915 (Wet- en Verordeningsblad voor de heette streken in België, Nr. 41 van 20 februari 1915), de hierna volgende ondernemingen onder dwangbeheer geplaatst: (Zie de namen hierboven).
Brussel, den 23n juli 1915.

No. 102. — 3. augustus 1915.
Verordening: betreffend den korenoogst 1915 in het gebied van het Generaal-Gouvernement. Nr. 6 der Verordening van den 30n juni 1915 (Wet- en Verordeningsblad voor België, blz. 747} bepaalt:
Ter gedeeltelijke wijziging verorden ik hierbij:
1. Ik verleen het „Nationale hulp- en voedingskomiteit het uitsluitgelijk recht tot aankoop van de aangeslagen voorraden en voorkomende overschotten aan koren tegen gerede betaling, mits enen eenheidsprijs, dien ik vaststellen zal. De beslaglegging wordt door dezen aankoop niet opgeheven.
2. Als onder mij staande diensten worden te Brussel ingesteld ene Zentral-Ernte-Kommission en in elke provinciehoofdplaats ene Ernte-Kommission voor de betreffende provincie.
3. De Zentral-Ernte-Kommission is ene onmiddellijk onder mij staande dienstinrichting, waarvan de voorzitter, leden en dezer bestendige plaatsvervangers, ik benoemen zal. Het voorzitterschap voert een vertegenwoordiger des Generaal-Gouvernement.
Tot leden dezer Kommissie zal ik benoemen enen vertegenwoordiger:
a) van het Burgerlijk bestuur, die tegelijk plaatsvervangende voorzitter is;
b) der politieke afdeling;
c) van den Generalkommissar voor de banken; •
d) de- Armee-Intendantur des Generaal-Gouvernement;
e) van het Nationaal Komiteit:
f) der Commission for Relief. B
ij gelijkheid van stemmen geeft de voorzitter den doorslag. De voorzitter heeft het recht deskundigen met raadplegende stem op de zittingen uitnodigen. De verhandelingstaal is Duits.
4. De Erntekommission voor elke provincie bestaat uit:
a)den voorzitter van het Burgerlijk bestuur desgevallend dezer vertegenwoordiger als voorzitter;
b) twee officieren of beambten, leden der economische kommissie der provincie;
c) een lid der bestendige deputatie;
d) een vertegenwoordigers van den graanhandel der provincie;
e) een vertegenwoordiger van den landbouw der provincie. De leden onder c) tot e) zullen door den band niet tegelijk leden van het Nationaal Hulp- en Voedingskomiteit zijn.
De leden der Kommissie, evenals voor elk lid enen bestendigen plaatsvervanger, benoemd de Gouverneur der Provincie. Bij gelijkheid van stemmen geeft de voorzitter den doorslag. De voorzitter is bevoegd om deskundigen met raadplegende stem op de zittingen uit te nodigen. De voorzitter heeft het recht, tegen besluiten der Kommissie op te spreken en daartegen door tussenkomst van het Hoofd van Bestuur en der Zentral-Ernte-Kommission mijn beslissing uitlokken.
5. De Zentral-Ernte-Kommission heeft te bepalen, welke hoeveelheden telkens van de beslaglegging vrijgelaten en de bevolking toegevoerd mogen worden. Zij bewaakt de broodverzorging der Belgische bevolking en moet inzonderheid er voor zorgen, dat van den volledige Belgische korenoogst 1915 na aftrekking van het vereiste zaadgoed niet meer dan 1/12 maandelijks verbruikt wordt. Zij moet mij buitendien voorstellen doen over den eenheidsvoet van het verbruik per kop der bevolking, over de inkoopprijzen van het gedorste koren, over het vermalen en de hoogste prijzen voor den verkoop van gedorst koren, van meel, zemelen en brood.
De Zentral-Ernte-Kommission voorziet de Provinz- Ernte-Kommissionen door bemiddeling der Hoofden van Bestuur met aanwijzing bij vragen van goedleggende betekenis nadat zij vooraf om mijne beslissing heeft gevraagd en bewaakt er de uitvoering van.
6. Het is taak der Ernte-Kommission uit elke provincie de maandelijkse uitdeling van koren aan het Nationaal Komiteit te doen. Deze uitdeling geschiedt op grond der door haar voorlopende te verzamelen en op de hoogte te houden statistische gegevens. Ze houdt toezicht op de eigene en op de uit andere provinciën toekomende voorraden, het vasthouden van den bepaalden koopprijs evenals in 't algemeen op alle zakenhandelingen der door het Komiteit in elke provincie wegen aankoop en verdeling van het binnenlands koren in te richten bijzondere zakenkantoor. Zij heeft de bevoegdheid, om de Belgische gemeenten te dezen einde aanwijzingen te geven. De rechten en plichten der bestendige kommissie overeenkomstig Art.121, 133 en 147 der gemeentewet gaan in dit geval op den voorzitter der Provinsial-Ernte-Kommission. over.
7. Wie de ter uitvoering dezer verordening uitgevaardigde bevelen en aanwijzingen niet volgt, wordt met ten hoogste 5 jaar gevangenis of met ten hoogste 20,000 Mark. boete gestraft; ook kan gevangenisstraf met boete tezamen uitgesproken worden. Ter oordeelvelling zijn de Duitse krijgsrechtbanken bevoegd. De strafbepalingen onder
Art.5 der verordening van 30 juni 1915 (Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, blz. 747\55) blijven onaangetast. 8. Deze verordening slaat niet op de gerst. 9. Het uitvaardigen van uitvoeringsbepalingen behoud ik me voor. Brussel, den 23n juli 1915.
No. 102. — 3. augustus 1915.
.
Art.1. Voor het toezicht op de gas -, water - en elektriciteitswerken en de met deze werken verband houdende aangelegenheden is het hoofdkantoor voor gas, water en elektriciteit te
Brussel, bevoegd.
Art.2. De gas, water en elektriciteitswerken zijn verplicht, het hoofdkantoor hunne voortbrengselen op verlangen geheel of gedeeltelijk tot het bewaarde maken ter beschikking te stellen. De opbrengst ervan komt den rechthebbenden toe. Zoverre het hoofdkantoor tot het ter waarde maken der voortbrengselen bijzondere inrichtingen nodig acht, moet het optrekken en verbinden van de nieuwe met de bestaande inrichting, evenals het in werking stellen ervan op den grond der werken, zonder enig recht daarvoor op vergoeding, geduld worden. De Werken zijn verplicht, aan de te dien einde uitgaande schikkingen van het hoofdkantoor gevolg te geven. Alle door het hoofdkantoor verlangde inlichtingen moeten verstrekt worden.
Art.3. Het uitvoeren van verdragen, betreffend voortbrengselen der gas, water- en elektriciteitswerken, wordt verboden, zoverre zij met besluiten door het hoofdkantoor genomen in strijd zijn.
Art.4. Vit de toepassing van deze verordening voortspruitende gevolgen kunnen geen aanspraken op
9S vergoeding wettigen, behoudens de voorschriften der
Art.1382-84 van het Belgisch Burgerlijk wethoek.
Art.5. Wie als lid van den beheerraad, bestuurder of bediende ener onderneming opzettelijke de voorschriften van
Art.1—3 overtreedt, inzonderheid, wie beproeft, voortbrengselen der in
Art.2 voorziene tewaardemaking te onttrekken, wordt met een boete van ten hoogste 10,000 frank gestraft. Hiertoe zijn de krijgsrechtbanken bevoegd. Naast die geldboete kan ook beslaglegging op de voortbrengselen uitgesproken worden. Is deze niet mogelijk, zo wordt tot het uitkeren van de waarde der voortbrengselen en kan deze niet worden vastgesteld, tot het storten van ene de waarschijnlijke waarde voorstellende geldsom, veroordeeld.
Art.6. Deze verordening wordt terstond van kracht.
Brussel, den 26n juli 1915.

Zoverre een voorrecht uit artikel 20 nrs. 4 en 5 der wet van 16 december 1851 met door aflopen van den aldaar bepaalden tweejarigen termijn voor den 31n juli 1914 vervallen was, wordt de loop aller dergelijke termijnen van voornoemden dag af aan voor den duur van den oorlog geschorst.

95 De verordening van 10 februari 1915, betreffend het oprichten van scheidsgerechten voor huuraangelegenheden en de verordening van 27 maart 1915, betreffend de uitlegging van artikel 1 der verordening van 10 februari 1915 over het oprichten van scheidsgerechten voor huuraangelegenheden wordt hierbij voor de omschrijving Doornik van kracht verklaard.
Brussel, den 28n juli 1915, C. C. Via. 3184.
Verordening, over het aanslaan van de haver uit het oogstjaar 1915 binnen het Belgisch gebied des Generaal-Gouvernement in België.
Art.1. De haveroogst uit het oogstjaar 1915 wordt binnen het gebied des Generaal gouvernement, zodra gemaaid, door het legerbeheer aangeslagen. De beslaglegging strekt zich ook tot den halm uit. Het stro wordt na het dorsen van de beslaglegging ontslagen. Elk ondernemer van een landbouwbedrijf en elke koper van staande haver is verplicht, voor ordentelijk binnenbrengen van den haveroogst te zorgen.
Art.2. Zoverre hierna niet anders beschikt wordt. mag aan de aangeslagen haver: a) gene wijziging gebracht worden;
b) bij overeenkomst of verdrag erover ten bate van derde personen niet beschikt worden. Als zulke herschikkingen worden geteld o. a.: lenen verkopen, verpanden, wegschenken of belenen.
Art.3. Elk ondernemer van een landbouwonderneming binnen het gebied des Generaal gouvernement in België, in welke gedurende het oogstjaar 1915, haver gewonnen werd, of elk ander bezitter van haver uit het oogstjaar 1915 is verplicht, alle maatregelen te nemen tot het bewaren van de aangeslagen voorraden, het dorsen inbegrepen en de haver met de zorgvuldigheid van een ordentelijk huisvader te behandelen. Hij moet: &) het legerbeheer op aanvraag alle haver met de enkele uitsondering der onder nr. 6a, en 6h aangeduide saaihaver en voederhaver tegen geld afstand, deze op tijd aanvoeren, leveren en verladen; h) den lasthebbers van het legerbeheer den toegang tot alle plaatsen zijner inrichting tot het uitoefenen van hun lastgeving toelaten, hun de mogelijke voorhanden zakenboeken voorleggen en hun alle inlichting omtrent het verblijf van de in zijn bedrijf geoogste haver verstrekken.
Art.4. Elke ondernemer van een landbouwbedrijf of welk anderen bezitter van haver uit het oogstjaar 1915 is verboden: â) het opvoederen van haverzaaigoed; h) alle vervoer van haver zonder geleibrief van het legerbeheer, uitgezonderd het vervoer van den akker tot de inrichting, van de inrichting naar de dorsmachine en van daar terug.
Art.5. Voert een ondernemer van een landbouwbedrijf of welk ander bezitter van haver uit het oogstjaar 1915 ene der in artikel 3. lid I en U&, voorgeschreven handelingen binnen den door het legerbeheer
103 of in dezes opdracht vastgestelde tijd, niet uit, zo laat dit deze handelingen door derden op kosten des ondernemers of bezitters uitvoeren.
Art.6. Van de beslaglegging blijven ten bate van den bezitter van een landbouwbedrijf, vrij:
a) met den zaaitijd, voor elke hectare der door hem in het jaar 1915 bestelde oppervlakte, telkens 170 kg. zaaihaver van beste hoedanigheid en van eigen voortbrengst;
b) bij het opvoederen, voor elke dag en voor elk paard in 't bezit des ondernemers, per kop 2,500 gr. haver, ongeveer 920 kg. haver per jaar en per paard. Onder jaar verstaat men de tijdruimte van 1 september 1915 tot 31 augustus 1916. Het legerbeheer zal voor elk paard, dat niet in 't bezit is van een ondernemer van een landbouwbedrijf, dat in 't jaar 1915 haver voortbracht, als jaarlijks aandeel telkens rond 920 kg. haver toelaten van de voortbrengers te kopen. Op verzoek van den Kreischefs kunnen in dringende gevallen en wel in de eerste plaats voor de in de mijnen gebezigde paarden, door het legerbeheer hogere maten, dan hiervoren bepaald, toegestaan worden.
Art.7. Het legerbeheer betaalt voor elke 100 kg. haver van goede marktgeschikte hoedanigheid, die het overneemt en optijd ter aangeduide plaats geleverd wordt met een minimum gewicht van 44 kg. per hectoliter, 33 frank. Den prijs voor mindere haver bepaalt het legerbeheer op voorstel van deskundigen, die het daartoe aanzoekt.
Art.8. Wie artikel 1, lid 2; artikels 2,3 of 4 dezer verordening overtreedt, wordt met ten hoogste 5 jaar gevangenis of met ten hoogste 20,000 frank boete gestraft. Ook kunnen beide straffen tezamen worden uitgesproken. Tegelijkertijd kan in gevallen der artikels 104 2, 5a of 4h beslagneming van de haver ten bate van het legerbeheer uitgesproken worden.
Art.9. Bevoegd tot oordeelvellen zijn de Duitse Krijgsrechtbanken.
Art.10. Het uitvaardigen van uitvoeringsvoorschriften blijft voorbehouden.
Brussel, den 27n juli 1915.
No. 103. — 6. augustus 1915.
Om alle speculeren en prijsopjagen voor te komen worden rechtelijke verhandelingen allerhande over de van het deesjarig herfstscheren voortkomende ruwe schaapswol voor ongeldig verklaard.
Brussel, den 28n juli 1915.
No. 103. — 6. augustus 1915.

Artikels 8 en 9 der Wet van 15 juni 1914 tot regeling van het lager onderwijs worden, voor het jaar 1915, door de volgende bepalingen vervangen: Artikel 8. In de tweede helft der maand augustus, wordt door de gemeentebesturen den kantonnale opziener de lijst der schoolplichtige kinderen overhandigd. Het tot hiertoe voorgeschreven model wordt hierbij aangewend. In de eerste helft van september wordt in elke gemeente, door de gemeenteoverheid, een door den bevoegden kantonnale opziener ondertekenden oproep aangeplakt, waarin de gezinshoofden aan de verplichtingen hun krachtens de wet opgelegd en op de gevolgen, welke het niet naleven ervan medebrengt, herinnerd worden. Dit bericht vermeldt uitdrukkelijk, dat het gezinshoofd vrij is zijn kinderen te zenden naar de school, welke hij verkiest en dat het verboden is enigen dwang op hem uit te oefenen, om hem een school op tedringen, welke niet de school zijner keuze mocht zijn. De tot hiertoe voorziene ontwrichtingen en meldingskaarten worden niet verzonden. Ter vervanging daarvan zenden de school hoofden den kantonnale opziener, acht dagen na het heropenen der klassen, een lijst toe met de namen der kinderen welke in hun school werden ingeschreven.
Artikel 9. De gezinshoofden, welke binnen acht dagen na het heropenen der gemeentescholen hunner woonplaats, hun kinderen niet in ene gemeente -, aangenomen of aanneembare school hebben laten inschrijven, of wel den kantonnale opziener niet hebben laten weten, waar gij hun kinderen laten onderwijzen, worden door dezen per aangetekende brief verzocht, binnen acht dagen het bewijs in te leveren, dat hij de verplichting, hun krachtens artikel 1 der wet opgelegd, nagekomen hebben. Wordt, na het bewuste uitstel, niet geantwoord, dan klaagt de kantonnale opziener de in gebreke gebleven gezinshoofden, wegens tekortkomen aan de hun krachtens artikel 1 opgelegde verplichting, bij den vrederechter aan.
Brussel, den 28n juli 1915.
No. 103. — 6. augustus 1915.
Bekendmaking. Provinciale Commissie voor pensioenen. Bij besluit van den heer Generaalgouverneur in België van 10 juli 1915, worden benoemd tot leden der provinciale Commissie van pensioenen, voor een tijdvak van drie jaren heginnende op 1 juli 1915, de hierna vermelde bestendige afgevaardigden der provinciale raden, magistraten en ambtenaren: (Zie de namen hierboven).
No. 104. — 11. augustus 1915.
A. J. Generaal. Gouverneur. Verordening over de beslaglegging op het hooi uit het oogstjaar 1915 binnen het gebied des Generaal-Gouvernement in België.
Art.1. De gezamenlijke oogst aan weide- en klaverhonig uit het oogstjaar 1915 en wel niet enkel die der eerste snee, maar ook nog de toemaat wordt binnen het gebied des Generaal-Gouvernement zodra af door het legerbeheer aangeslagen. Elke ondernemer van een landbouwbedrijf en elke koper van gras of klaver op halm is verplicht, voor ordentelijk opdoen te zorgen.
Art.2. Zoverre hierna niet anders bepaald wordt, mag door afspraak of verdrag over het aangeslagen hoi ten bate van derden niet beschikt worden. Als zulk beschikken, wordt o. a. beschouwd: aan en verkoop, verpanden, wegschenken, belenen. Uitsonderingen op dit verbod kunnen de Gouvernement- en de Kreischefs toestaan.

Art.3. Elk ondernemer van een landbouwbedrijf binnen het gebied des Generaal-Gouvernement in België welke gedurende het oogstjaar 1915 hoi voortgebracht werd, of elk ander bezitter van hoi uit het oogstjaar 1915 is verplicht, de tot het bewaren van de aangeslagen voorraden vereiste handelingen uittevoeren en het hoi met de zorgvuldigheid van een ordentelijk huisvader te behandelen. Hij moet:
a,) het legerbeheer op dezes verzoek zijn tot met de uitsluitelijke uitzondering van het onder Art.6 bepaalde tegen geld afstaan, het op tijd aanvoeren, leveren en verladen;
b) den lasthebbers van het legerbeheer den toegang tot alle plaatsen zijner bedrijf uitoefening van hun lastgeving vergunnen, hun mogelijke voorhanden zakenboeken voorleggen en hun bewijzen, waar het in hun bedrijf geoogste hooi verbleven is.
Art.4. Elke ondernemer van een landbouwbedrijf of welk anderen bezitter van hoi uit het oogstjaar 1915 is elk vervoer van hoi zonder geleibrief van het legerbeheer uitgezonderd het vervoer van den akker naar zijn hof, verboden.
Art.5. Voert een ondernemer van een landbouwbedrijf of welk ander bezitter van hoi uit het oogstjaar 1915 ene der onder Art.1, lid U, en Art.3, lid I en lid II, voorgeschreven handelingen binnen de door het legerbeheer of in dezes opdracht bepaalde tijdruimte niet uit, zo laat dit deze handelingen door derden op kosten van den ondernemer of bezitter uitvoeren.
Art.6. Van de beslaglegging blijven ten bate van den bezitter van landbouwbedrijven de tot voederen van zijn eigenen veestapel benodigde hoeveelheden vrij.
Art.7. Het legerbeheer betaalt het voor zijn rekening genomen en tijdig op de aangegeven plaats afgeleverde hoi, naar gelang de hoedanigheid binnen de perken der voor de verschillende provinciën vastgestelde hoogste prijzen.
Art.8. Wie de Art.1, Ile lid, Art.2, 3 of 4 dezer verordening overtreedt, wordt met ten hoogste 5 jaar gevangenis of met ten hoogste 20,000 frank boete gestraft. Ook beide straffen kunnen tegelijk uitgesproken worden. Tegelijkertijd kan in de gevallen der Art.2, 3a of 4 het aanslaan van het hooi ten bate van het legerbeheer uitgesproken worden.
Art.9. Bevoegd tot oordeelvellen zijn de Duitse krijgsrechtbanken.
Art.10. Het uitvaardigen van uitvoeringsvoorschriften blijft voorbehouden.
Brussel, den 6n Augustus 1915.
No. 105. — 14. augustus 1915.
De bepaling van artikel 44 der provinciale wet, volgens welke de provinciale raad van Brabant op 1 oktober voor een gewonen zittijd vergadert, wordt voor het jaar 1915 als niet van kracht verklaard.
Brussel. den 6n augustus 1915.
No. 106. — 17. augustus 1915.
In overeenstemming met de verordening van den Heer Generaalgouverneur in België van 17n februari 1915 (Wet- en Verordeningsblad nr. 41 van den 20n februari 1915) heb ik naast de reeds benoemde dwangbeheerders tot dwangbeheerder der volgende banken: (Zie de namen hierboven). B. A.J. Nr. 618.
No. 106. — 17. augustus 1915.
Bekendmaking, betreffend het vaststellen van het tijdstip voor de maandelijkse korenbedeling. Het afstaan van de maandelijkse hoeveelheid koren aan het Nationaal Hulp- en Voedingskomiteit geschiedt door de Provinsial-Ernte-Kommissionen overeenkomstig de aanwijzigingen der Zentral Ernte- Kommission op 15n van elke maand, voor de eerste maal op 15 Septemher 1915.
Brussel, den 9n Augnstus 1915.
No. 106. — 17. augustus 1915.
Bekendmaking, betreffend de afbakening van het gebied der Provinzial-Ernte-Kommissionen te Antwerpen en Mons.
De Zentral-Ernte-Konimission heeft met goedkeuring van zijne Excellentie, den Heer Generalgouverneur besloten. dat de 10 in Oost-Vlaanderen gelegen gemeenten: Bazel, Beveren-Waas, Burcht, Kaloo, Kruibeke, Haasdonk, Melsele, Rupelmonde, Steendorp en Zwijndrecht hij de Provinzial-Ernte-Kommission te Antwerpen en de 15 in West-Vlaanderen gelegen gemeenten: Aalbeke, Bossuit, Bellegem, Coijghem, Dottenijs, Spiere, Helkijn, Herseeuw, Lamve. Lmcingen, Marke, Rekkem, Moeskroen, Rollegem en St.-Denijs hij de Provimial-Ernte-Kommision te Mons ingedeeld worden.
Brussel, den 9n Augustus 1915.
No. 106. — 17. augustus 1915.
Verordening, betreffend den korenoogst 1915 in de omschrijving Maubeuge. Ter aanvulling mijner verordeningen van 30 juni en 23 juli. bepaal ik, dat deze verordeningen op de binnen het gebied des Generaal-Gouvernement liggende omschrijving Maubeuge toepasselijk zijn. Ter wijziging der § 4 en 6 mijner verordening van 23 juli . bepaal ik, dat de omschrijving Maubeuge bij de Provimial-Ernte-Kommission te Bergen ingedeeld werd. Als vertegenwoordiger der belangen der omschrijving Maubeuge neemt de President der Zivilverwaltung te Maubeuge, of diens plaatsvervanger in de Provincial-Ernte-Kommission te Bergen plaats. De Provinzial-Ernte-Kommission te Bergen heeft voor taak het toestaan van het koren en de tot grondslag daartoe dienende verzameling en behandeling der statistische stof voor de omschrijving Maubeuge.
De korenopneming, evenals het toezicht over de bij de landbouwers en stapelhouders in de omschrijving Maubeuge aangeslagen korenvoorraden wordt den President der Zivilverwaltung te Maubeuge opgedragen.
Brussel, den 10 n Augustus 1915.
No. 106. — 17. augustus 1915.
Bekendmaking, betreffend het afstaan van zaaigoed voor den aanbouw van koren, van koren voor eigen gebruik, van voederrogge en betreffend het vaststellen van hoogste prijzen voor den aankoop van koren.
In uitvoering van mijne Verordeningen van 20 Juni en 23 juli 1915 besluit ik op voorstel der Zentral-Ernte-Kommission:
Het zaaigoed, dat de landbouwers voor een behoorlijk bestellen hunner akkers nodig hebben, mag niet aangeslagen worden. Als onmisbare hoeveelheid zaaigoed per Ha. worden voor het hele land volgende eenheden vastgesteld:
Rogge 175 kg.
Wintertarwe 190 kg.
Zomertarwe .... 200 kg.
Spelt 250 kg.
Masteluin 185 kg.
De vastgestelde eenheden overtreffen gemiddeld om 10 t. h. de in den lande gebruikelijke hoeveelheden, om den landbouwers een grondig zuiveren van het zaaigoed toe te laten.
De Provinziale-Ernte-Kommissionen zullen elke landbouwer ene bijzondere mededeling omtrent soort en hoeveelheid van het voor zijn bedrijf afgestane zaaikoren laten geworden, voor de berekening waarvan de bebouwde oppervlakten van 1915, evenals deze bij de door mij bevolen korenopneming van 17 juli vastgesteld zijn, tot grondslag moeten dienen.
Wenst een landhouwer een grotere oppervlakte, dan die van 't voorgaande jaar te bebouwen, zo moet hij daartoe ene door zijnen burgemeester tegengeteekende aangifte met verzoek om een toemaat zaaigoed voor den In november aan de bevoegde Provinzial- Ernte-Kommission indienen.
2. De ondernemers van een landbouwbedrijf van meer dan 1 Ha. akkeroppervlakte mogen uit hunnen voorraad voor het onderhoud van hun gezin en de personen in dienst van het bedrijf per hoofd en per maand 10.2 kg. tarwe, rogge of masteluin of 13.6 kg. spelt overhouden en daartoe den overeenkomstigen jaarvoorraad in handen houden. Bij het toekennen van den voorraad aan koren, wat elken landbouwer door de Provinzial-Ernie-Kommission ter kennis wordt gebracht, moet in de eerste plaats en wel in deze volgorde spelt, masteluin en tarwe afgestaan worden. Waar bij voorkeur of uitsluitenà rogge gewonnen wordt, mag maar IJ van den voorraad voor eigen gebruik aan rogge afgestaan worden, het overschot wordt, in geval de eigen voortbrengst van tarwe, masteluin en spelt niet volstaat, door het Nationaal Hulp- en Voedingskomiteit onder vorm van tarwe nageleverd. Het afstaan van koren voor eigen gebruik, zoals dit door de Provinzial-Ernte-Kommission voor de tijdruimte van 15 September—15 October 1915 voor de eerste maal vastgesteld zal worden geschiedt, zolang geen wijziging ingevoerd ivordt, in gelijke kavels, zowel in opzicht van hoeveelheid als van soort, stilzwijgend op 15n van elke volgende maand. De ondernemers van een landbouwbedrijf met minder dan 1 Ha. akkeroppervlakte mogen de in hun bedrijf gewonnen korenhoeveelheden voor het uitsluitend gebruik in hun bedrijf bezigen, maar niet verkopen.
3. Elken landbouwer wordt van zijn roggenoogst voor de hand voor elk stuk rundvee een jaarhoeveelheid van 7.5 Kg. maandelijks afgestaan. Het aantal runderen wordt door de op 17.7. jl. door mij bevolen opneming vastgesteld. Elke landhouwer afzonderlijk zal door de Provimial-Ernte-Kommission kennis ontvangen, van de hoeveelheid voederrogge die hij mag behouden. Wat hij in zijn bedrijf boven de hem toegestane hoeveelheid aan zaai-, brood- en voederroge voortbrengt, moet hij aan het N. H. en V. K. verkopen.
4 . voor den handel in koren moeten volgende schikkingen in acht genomen worden: a,) de prijs voor 100 Kg. binnenlands koren uit den oogst van 1915 mag bij den verkoop door den voortbrenger niet hoger gaan dan voor:
Tarwe 27.50 frank. Spelt • . . 21.50 ,. Rogge 23.50 ,, Masteluin 25.50 ,,
b) het koren moet van goede hoedanigheid en droog zijn. Worden deze voorwaarden niet voldaan, zo kan de prijs door den koper verlaagd worden.
c) de hoogste prijzen gelden voor levering zonder zak. Het koren moet door den voortbrenger in, den spoorwagen op het voor hem naastbijgelegen spoorstation, of op de naastbijgelegen bewaarplaats van het N. H.- en V. K. afgeleverd worden.
d) als enigste koper mag alleen het N. H.- en V. K. optreden. De betaling geschiedt na behoorlijke levering met gereed geld.
e) alle handel of verkeer met koren van wege de voortbrengers, in strijd met deze bepalingen, is volgens § 5 der Verordening van 30 Juni 1915 strafbaar.
Brussel, den lOn Augustus 1915.
No. 107. — 19. augustus 1915.
Verordening, betreffend aangifte van rekgombanden, oude gom, gomafval en ruwe gom. Tegelijkertijd met de opheffing van de verordening imn 11 December 1914, zoverre zij op automohielbanden, ruwe gom en gomafval toepasselijk was, bepaal ik wat volgt:
Art.1. De verplichting der aangifte onderworpen zijn en wel zonder onderscheid, wat hoeveelheid of aantal hetreft:
a) nieuwe en gebruikte automohielbanden (buiten- en binnenbanden) zonder onderscheid, of zij reeds af- of nog onafgetverkt zijn en of zij aan 't rad zitten of los bewaard worden. Onder automobielbanden in den zin dezer verordening tellen ook de banden aller zelfbewegende vier- of driefwielen;
b) oude rekgom allerhande, waartoe alle uit rekgom vervaardigde, gebruikte voorwerpen geteld worden, die tot het aanvankelijk doeleinde niet meer in gebruik zijn. Zoverre het hierbij geen automobielbanden (zie a) betreft, bestaat de aangifteplicht slechts dan, wanneer de hoeveelheid 50 kg. te boven gaat. Worden hopen dezer soort nadien tot stapels van boven 50 kg. verzameld, of groeit het rekgombezit van een of meer eigenaars boven 50 kg. aan, zo zijn deze eveneens aan deze verplichting onderworpen:
c) rekgomafval d. i. al wat bij het verwerken van de rekgomwaren aan rekgom afvalt; d) ruwe gom, zonder onderscheid, of deze reeds verwerkt of met faktis of andere bijvoegsels vermengd is.
Art.2. De aangifteplicht bestaat ook dan voor de onder 1 opgesomde stoffen, wanneer deze binnen het gebied des General-Gouvernements ingevoerd worden, zonder onderscheid of de invoer uit Duitsland, uit de door Duitse troepen bezette gebieden van andere landen of uit het overige buitenïand geschiedt en of de invoer wel of niet geoorloofd is. Een reeds vroeger geschiede aangifte of beslaglegging ontslaat van deze verplichting niet. Daarvan ontslagen zijn uitsluitend de in 't bezit der Gesantschappen of Generalkonsuls verheerende, tot de toegelaten motorvoertuigen behorende batiden, zoverre deze uit het buitenland ingevoerd werden.
Art.3. De op het ogenblik der uitvaardiging dezer verordening reeds binnen het gebied des General-Gouvernement bestaande stoffen der onder 1 en 2 opgesomde soort moeten bij het voor de provincie bevoegde motorvoertuigkantoor voor den 15 en Augnstus 1915 schriftelijk aangegeven worden.
De aangifte moet bevatten:
a) den aard der ware (bij nog bruikbare banden ook aangeven: grootte, fabrikaat, nummer en otiderdom);
b) het gewicht (bij nog bruikbare banden niet voodig);
c) hare bewaarplaats;
d) den naam van hem, die de ware in bewaring heeft bezitter of stapelhouder :
e) den naam van den eigenaar der ware. Toegelaten is de aangifte van den prijs, waartegen de waren te kopen zijn. Worden stoffen der onder 1 en 2 aangeduide soort na afkondiging dezer verordening binnen het gebied des G. G. ingevoerd, zo moeten deze op de hiervoren beschreven wijze binnen ene week eveneens bij het bevoegde motorvoertuigkantoor aangegeven worden. Regelmatige nieedescheine kan men bij de kreischefs en de motorvoertuigkantoren Troosteloos bekomen. Voor elke aangifte levert het motorvoertuigkatoor een schriffelijk getuigschrift af.
Art.4. De onder 1 en. 2 opgesomde stoffen worden hierbij aangeslagen. Elke beschikking daarover, weze het door handel, verwerking, gebruik of vernietiging is verboden. zonder onderscheid. of reeds wel of niet aangegeven. Verzoeken om van de beslaglegging ontslage te worden. moeten, indien een dringend openbaar belang bestaat tot het voor de provincie bevoegd motorvoertuigkantoor gericht worden. Van deze beslaglegging en dit beschikkingsverbod kunnen op verzoek verder zulke stoffen van genoemde soort ontslagen worden, die uit het buitenlamd ingevoerd werden. Mogelijke verzoeken om ontslaging moeten bij het bestuur van het motorvoerwezen bij het Gênerai- Gouvernement in België, te Brussel, tegelijk met de onder 3 voorgeschreven aangifte ingedietid icorden. De invoer uit het buitenland moet daarbij door overleggen van den vrachtbrief, cognossement of tolpapieren bewezen worden. Als buitenland in den zin dezer verordening gelden de niet door Duitse troepen bezette streken van andere landen.
Art.5. De bezitters en eigenaars van voornoemde stoffen, uitgezonderd zulke stoffen, die uit het buitenland (zie Art.A, lid 3) ingevoerd werden, zijn verplicht deze het krijgsbeheer op dezes verzoek te verkopen. Wordt men het omtrent den koopprijs niet eens, zo moet de afstand desondanks aan het krijgsbeheer toch geschieden en de prijs wordt dan door ene telkens te bepalen onpartijdige kommissie, waarin deskundige zitting hebben, vastgesteld.
Art.6. Tot de opgelegde aangifte zijn insgelijks verplicht:
lo. de eigenaar:
2o. hij die de stoffen in bewaring heeft (bezitter of stapelhouder) : ,
3o. elkeen, die voor eigen of vreemde bate gerechtigd is over deze stoffen te beschikken. De aangifte door een der verplichten ontslaat de overigen van de verplichting der aangifte.
Art.7. Overtredingen van de bepalingen dezer verordening worden, wanneer zij met opzet begaan werden, met ten hoogste 10,000 Mk. geldboete en met ten hoogste een jaar gevangenisstraf of met ene van beide straffen.Indien onopzettelijk begaan, enkel met geldboete gestraft. Buiten de straf worden de achtergehouden stoffen aangeslagen. Zoverre deze zelve niet meer voorhanden zijn, wordt waardevergoeding uitgesproken.
Art.8. Tot vaststellen van de straffen en uitspreken van beslagneming zijn de krijgsrechtbanken bevoegd.
Art.9. Deze verordening wordt terstond van kracht. Brussel, den 10en augustus 1915.
No. 107. - 19. augustus 1915.
Met toestemming van den Heer Generaal gouverneur in België heb ik overeenkomstig de Verordening van 17 februari 1915 (Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België nr. 41 van 20 februari 1915): The Chinese Egineering and Mining Companij Ltd. te Brussel, 13 Brederodeslraat, onder dwangbeheer geplaatst. Tot dwangbeheerder heb ik den Heer Edmond Wilberg benoemd.
Brussel, den 10 en Augustus 1915,
No. 107. — 19. augustus 1915.
Verordening, betreffend het aanslaan aan suikerpeën:
I De in België binnen het gebied des Generalgouvernements voorhanden stapels aan suikerijpeën worden hierbij in beslag genomen.
II Aan de aangeslagen stapels mogen noch wijzegingen toegebracht, noch mag er bij overeenkomst of verdrag over beschikt worden. Uitzonderingen kan de Verwaltungschef bij den Generalgouverneur in Belgie toestaan. Over den aankoop van de aangeslagen voorraden zal bij bijzondere verordening beschikt worden. De hoogste prijs voor 100 kg. suiker peeen wordt hierbij op 25 frank vastgesteld.
III Overtredingen van deze verordening worden met ten hoogste vijf jaar gevangenis of met ten hoogste 20,000 mark boete gestraft. Tot het oordeelvellen zijn de Duitse krijgsrechtbanken bevoegd.
IV. Met de uitvoering van dese verordening wordt de ijerwaltungschef bij den Generalgouverneur in Belgïe belast.
Brussel, den 13n Augustus 1915.
No. 107. — 19. augustus 1915.
Verordening, betreffend de bevoegdheid der Oelzentrale.
Art.1. De bevoegdheid der hij verordening van 3 Jimi 1915 (Wet- en Verordenmgsblad voor de bezette streken in België m: met zetelplaats te Antiverpen opgerichte Schmierôhentrale wordt tot alle minerale, dier- en plantelijke olie- en vetstoffen (petroleum, aardoliepik, vetzuren, oleïn, glicerine, stearine, paraffine, iseresine, hars inbegrepen en uitgezonderd benzine en de uit teer gewonnen stoffen) uitgebreid. De dienstinrichting bekomt den naam: „Oelzentrale in België. Rare zetelplaats wordt van af 1 September 1915 naar Brussel overgebracht.
Art.2. Stapels van onder Art.1 opgenoemde stoffen, die in België nieuw gewonnen of naar België ingevoerd worden, moeten bij de Oelzentrale binnen twee weken na de vervaardiging of invoer schriftelijk worden aangegeven. Aangiften van de in België voorhanden stapels moeten, zoverre zij niet reeds op grond der Verordening van 11 December 1914 (Wet- en Verordeningsblad nr. 23) ingeleverd werden, bij de Oelzentrale voor 20 September 1915 schriftelijk gedaan worden. Bij tijdig indienen van deze laatste aangiften, wordt tot de krachtens het laatste lid der Verordening van 11 December 1914 opgelopen beslagneming der waren en bestraffing van de schuldigen niet overgegaan.
De aangifteplicht strekt zich niet uit:
a) op stapels in handen van dezelfden bezitter, die 100 Kg. niet te boven gaan; de stapels moeten worden aangegeven, zodra deze 100 Kg. overtreffen.
b) op stapels, die na vroeger geschiede beslaglegging door de bevoegde overheid weer vrij gegeven werden. Het bewijs dat aangifte gedaan werd, kan alleen door een bewijsstuk der Oelsentrale of van een lot nu daartoe bevoegd ambtenaar geleverd worden.
Art.3. Het toestaan van uitzonderingen op het bij verordeningen van 22 April en 29 Met 1915 (Wet- en Verordeningsblad nrs. 66 en 79) uitgevaardigd verbod van invoer van vetzuren, oleine, allerhande zeep, poederzeep evenals zeepachtige oliën en vetten inbegrepen, wordt op de Oelsentrale overgedragen.
Art.4. Verplicht tot de onder artikel 2 voorgeschreven aangifte zijn:
1. de eigenaar:
2. de bezitter of stapelhouder;
3. elk, die gerechtigd is, ter eigen of vreemde bate over de waren te beschikken. De aangifte door een deser personen gedaan ontslaat de andere van de verplichting der aangifte.
Art.5. De Oelzentrale beslist, of de aangegeven waren aangeslagen, aangekocht of voor den handel en het verkeer afgestaan worden. Tot het vallen dezer beslissing zijn de onder artikel 4 genoemde personen verplicht, zich van alle rechtelijk of daadmerkelijk beschikken over de aangegeven stapels te onthouden, daarbij echter voor het ongeschikte te bewaren van de stapels zorg te dragen. De uit het buitenland vers ingevoerde spijsoliën en -vetten zijn van de beslaglegging uitgesloten. Ze moeten, evenals de uit olievruchten van den deesjarigen Belgische oogst gewonnen spijsoliën uitsluitend voor de voeding der Belgische burgerbevolking dienen.
Art.6. Overtredingen van de voorschriften deser verordening worden met ten hoogste 10,000 Mark boete en met ten hoogste zes maand gevangenis of met ene van beide straffen gestraft. Terzelfdertijd moet de beslaglegging op de niet aangegeven warenstapels worden uitgesproken. Bevoegd zijn de Duitse krijgsrechtbanken en krijgsoverheden .
Art.7. De verordening wordt terstond van kracht. De verordening van 11 December 1914 wordt opgeheven, zoverre de beschikking over de daarin opgesomde stoffen, door deze verordening de Voedcentrale opgedragen wordt.
Brussel, den 14n Augustus 1915.
No. 108. — 22. augustus 1915.
Verordening, betreffend het verzekeren van werken van openbaar belang.
Art.1. Wie weigert zonder wettige redens werk te verrichten of voort te zetten, dat in 't openbaar belang ligt en door de Duitse overheid verlangt wordt, hoewel het met zijne beroepswerkzaamheid strookt wordt met hechtenis of met ten hoogste een jaar gevangenisgestraft. Als voldoend moet inzonderheid elke op het volkenrecht steunende grond beschooutvd worden.
Art.2 der Verordening van 19 November 1914 (Wet- en Verordeningsblad nr. 17, blz. 57) wordt door de volgende bepaling vervangen: Wie het beproeft, personen van het aanvaarden of voortzetten van een in 't openbaar belang liggend en door de Duitse overheid verlangd, met zijn beroepswerkzaamheid strokend werk of een werk voor de Duitse overheid of voor ondernemers, die voor de Duitse overheid werken door dwang, bedreiging, overreding of andere middelen af te houden wordt met ten hoogste vijf jaar gevangenis gestraft.
Art.3. Wie ene volgens artikel 1 strafbare werkstiking door verlenen van onderstand of op welke andere wijze wetens in de hand werkt, wordt met ten hoogste tienduizend mark gestraft, waarbij nog ten hoogste een jaar gevangenis kan gevoegd worden.
Art.4. Wordt de werkstaking door gemeenten, maatschappijen of andere inrichtingen volgens artikel 3 in de hand gewerkt, zo wordt de straf tegen de leidende personen uitgesproken.
Art.5. Geldsommen, waarvan bewezen ivordt, dat se tot onderstand der onder Art.1 vermelde personen moeten dienen, worden ten bate van het Belgisch Rode Kruis aangeslagen.
Art.6. Bevoegd zijn de Duitse krijgsrechtbanken en de Duitse krijgsoverheden.
Art.7. Onafhankelijk van hiervorenstaande bepalingen kunnen in passende gevallen dwangbelastingen door de hiertoe bevoegde overheden opgelegd worden.
Art.8. Deze vordering wordt met de afkondiging van kracht.
Brussel, den 14en Augustus 1915.
No. 108. — 22. augustus 1915.
Verordening tegen het leeglopen.
Art.1. Die hij navorsingen, voor doel hebbend zijn behoeftigheid vast te stellen. over zijne persoonlijke toestand wetens of nalatig valse aangiften doet, wordt, bijaldien volgens de bestaande wetten geen hogere straf bepaald wordt, met ten hoogste zes week gevangenis gestraft: daarbij kan ook nog lot twaalfhonderdvijftig frank geldboete uitgesproken worden.
Art.2. Wie een werk, dat hem aangeboden wordt en niet boven zijn vermogen gaat zonder wettige reden weigert te aanvaarden of voort te zetten, ofschoon hij tot openbare of bijzondere middelen ondersteund of dom zijn weigering behoeftig wordt, wordt met veertien dagen tot zes maand gevangenis gestraft. Als voldoend moet inzonderheid elk op het volkenrecht steunende grond worden beschouwd. Het gerecht kan bovendien den onder artikel 14 der Wet van 27 November 1891 (Moniteur belge, bz. 3531 vlg.) voorzienen maatregel uitspreken.
Art.3. Wie ene volgens Art.2 strafbare werkstaking door verlenen van onderstand of op andere wijze wetens in de hand werkt, wordt met ten hoogste twaalfduizend vijfhonderd frank gestraft, waarbij nog een jaar gevangenis kan gevoegd worden.
Art.4. Werken gemeenten, maatschappijen of andere inrichtingen de werkstaking volgens Art.3 in de hand, zo wordt de straf tegen de leidende personen uitgesproken.
Art.5. Geldsommen, waarvan bewezen wordt, dat zij tot onderstand der onder Art.2 vermelde personen moeten dienen, worden ten bate van het Belgische Rode Kruis aangeslagen.
Art.6. Bevoegd zijn de strafkamers der Belgische rechthanken van 1en aanleg.
Art.7. Deze verordening wordt met de afkondiging van kracht.
Brussel, den 15en Augustus 1915.
No. 109. — 26. augustus 1915.
Verordening, betreffend het slaan van zinkmunt. In verschillende streken des lands is er gebrek aau pasmunt ontstaan; om daarin te verhelpen heb ik besloten zinkmunt te laten slaan en bepaal het volgende:
1. Er wordt zinkmunt van 5, 10 en 25 centiem geslagen.
2. Deze stukken dragen op de ene zijde het opschrift: „Belgique-Belgie\ de waarde en het jaartal; op de andere zijde enen leeuw binnen enen krans. Deze muntstukken hebben enen gladden rand.
3. Het gewicht is vastgesteïd voor de 5 centiemstukken op 2.5 gram 10 4 „ 25 „ „ 0.5 „ De afwijking in het gewicht mag niet meer noch min bedragen dan 20 duizendste bij de 5 centiemstukken 15 „ „ 10 lif ,, ,, 45 ,, A. De doorsnede is vastgesteld voor de 5 centiemstukken op 19 millimieter „ 10 „ „ 44 ,, „ 40 ,, „ 4o ,,
5. Niemand is verplicht, voor meer dan 5 frank zinkmunt in betaling te aanvaarden.
6. De zinkmunt wordt bij de kassen, die de Generalkommissar voor de banken aanduiden zal, in een bedrag van ten minste 100 frank voor elke soort tegen wettelijke geldmiddelen ingewisseld.
7. De uitvoeringsbepalingen voor deze verordening worden door den Generalkontmissar voor de banken in België gegeven.
Brussel, den 7en Augustus 1915.
No. 109. — 26. augustus 1915.
§ 1. De verordeningen betreffend betaalverbod te- (tenover Engeland, Frankrijk, Rusland en Finland van 3 november 1914 (Wet- en Verordeningsblad hs. 172 28 31} en van 28 November 1914 (Wet- en Verordeningsblad hs. 58} worden derwijze gewijsigd, dat de Art.2, 6 en 7 der Verordening van 3 November 1914 als volgt luiden:
Art.2. Reeds ontstane of nog ontstaande vermorgensrechtelijke eisen van zulke natuurlijke of juristische personen, die in de onder Art.1 aangeduide gebieden haar woonplaats hebben of gevestigd zijn, gelden van af 31 juli 1914 of, indien hij eerst op een later datum kunnen voldaan worden, van dezen dag af voordehand als geschorst. Gedurende den tijd der schorsing kunnen geen intresten gevorderd worden. Rechtsgevolgen, die naar de bestaande wetten en verdragen in de tijdruimte van 31 juli 1914 tot aan het van kracht worden dezer verordening uit de met voldoening ontstaan zijn, gelden als niet bestaande. Het betaalverbod en de schorsing zijn ook van kracht tegenover elkeen, die den eis overneemt, ten ware, dat het overnemen voor den 31en juli 1914, of indien de overnemer in Duitsland of in de bezette streken van Belgie zijn woonplaats heeft of gevestigd is, voor het van kracht worden dezer verordening plaats gehad heeft. Met den overnemer van den eis staat gelijk wie door de voldoening ervan aanspraak op vergoeding bekomt."
Art.6. „Wie wetens het voorschrift onder Art.1 overtreedt of wie beproeft heeft zulke overtreding te begaan, wordt met ten hoogste 3 jaar gevangenis en met ten hoogste 50,000 Mark boete of met ene dezer straffen gestraft. Bevoegd tot oordeelvellen zijn de krijgsrechtbanken."
Art.7. „De Generalkommissar voor de banken in België kan uitzonderingen op het verbod van Art.1 toestaan." 2. Deze verordening wordt met den dag der afkondiging van kracht: zoverre ze echter bestraffing met een geldboete of een gevangenisstraf in plaats van enkel met gevangenisstraf toelaat heeft zij terugwerkende kracht voor alle reeds voorgenomen en nog niet gevonniste vergrijpen.
Brussel, den 12en Augustus 1915.
No. 109. — 26. augustus 1915.
De bij verordening van 21 juli 1915 (No. 99 van het Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België) tot 31 Augustus 1915 verlengde termijn voor protestopmaken en andere tot vrijwaring van verhaal bestemde rechtshandelingen wordt hierbij tot 30 September 1915 verlengd.
Brussel, den 20sten Augustus 1915.
No. 110. — 28. augustus 1915.
De verordening van den Koning der Belgen van 3 Augustus 1914, betreffend het terugtrekken van banktegoed, hlijft met de beperking, bij verordening van den Koning der Belgen van 6 Augustus 1914 en met de uitbreiding, bij verordening van 23 September 1914 (No. 4 van het Wet- en Verordeningsblad voor de besette streken van België) er aan toegebracht, tot den 30sten September 1915 van kracht.
Brussel, den 20en Augustus 1915.

No. 110. — 28. augustus 1915.
Jachtregeling voor het gebied des Generalgouvernements in België. (De verordening ivordt op den dag van haar verschijnen van Kracht. Terselfdertijd worden alle vroegere bepalingen over het uitoefenen van de jacht bidten Kracht verKlaard). Voorbericht. Daar de jachtgerechtigde hetvoners van het heset gehled door den krijgstoestand en het verbod vuurwapens te dragen, belet worden de jacht uit te oefenen, verorden ik, ten einde de icildschade te verminderen en het benuttigen van wild tot voedsel, het volgende:
1. — Vergoeding van wildschade. Wildschade wordt door de Duitse Krijgsoverheid niet vergoed. Betrekkelijk deze vergoeding blijft veeleer de verplichting van den jachtbezitter volgens de Belgische wetten, inzonderheid de tvetten van 28 februari 1882 en van 4 April 1900, met de door het Generaalgouvernement onder den 13n Mei 1915 en- aan toegehrachte tvijeiging, van kracht. (Wet- en Verordeningsblad nr. 74 van 20 Met 1915).
2. — Uitoefening der jacht.
A. Het jachtkuir telt van 1 MoMrt tot den laatsten dag van den volgenden Fehruari. Het schieten van het wild geschiedt uitsluitend door Duitse offtcieren, gezondheidsofficieren en beambten met officiersrang.
B. leder officier enz. die wil jagen verzoeht van den voor zijn standplaats bevoegden Kreischef — is zulke niet voorhanden, van den Gouverneur of Kmnmandant — om een kosteloosen Jagdschein (jachtverlof). Deee heeft telkens geldigheid tot het einde van den volgenden februari.
C. De Kreischefs zijn bevoegd, in bijzondere uitzonderingsgevallen Offizierstellvertreter, onderofficieren of manschappen die houtvesters of jagers van beroep en volstrekt vertrouwbare personen zijn, met het wegschieten van roofwild en konijnen te belasten. Deze personen ontvangen een bijzonderen schriftelijken uitwijs; voor het overige zijn zij niet gerechtigd de jacht uit te oefenen.
D. Het jagen is alleen bij middel van jachtvuurwapenen toegelaten.
E. Uitgezonderd is alleen de ja ht op wilde konijnen, die ook met fret en netten mogen gevangen worden.
F. Ook Belgen mogen ivilde konijnen vangen, wanneer zij in bezit zijn van een toelatingsbewijs, door den Kreischef of een door hem met het afleveren belasten beambte afgeleverd. Gevangen konijnen zijn het eigendom van den vanger.
G. De Kreischefs zijn bevoegd, bezitters van grootere woudjachten toe te laten, een in elk geval vast te stellen aantal fezanten te vangen mn die bij de kunstwatige fesmitenteelt aan te ivenden.
3. — Jachtgehieden.
A. De Kreise worden door de Kreischefs in jachtgebieden ingedeeld.
B. Elk gebied ivordt door den Kreischef enen geschikten officier als jachtbestuurder ter bewaking, evenals tot het leiden van klopjachten toegewezen.
C. De officieren enz. in 't bezit van een jachtverlof verzoeken den Kreischef, in wiens omschrijving zij wensen te jagen, om de aanwijzing van een bepaald gebied. De Kreischef geeft naar goeddunken een of meer gebieden op het jachtverlof aan. De houders van jachtverloven sijn alsdan gerechtigd, in deze gebieden op speur-, loer- en geweerjacht te gaan, volgens nadere voorschriften van den jachtbestuurder. Indien een officier cnz. zijne standplaats niet binnen de omschrijving heeft, waar hij wenscht te jagen, zo komen voor hem tivee kreischefs in aanmerking en wel:
a) degene, die volgens No. 2 B den Jagdschein aflevert;
b) degene, die het gebied bepaalt en op den Jagdschein aangeeft.
D. Bestendig en volkomen omtuinde jachtgronden behoren niet tot de jachtgebieden; in deze mag de jacht alleen met bijzondere toelating van den eigenaar uitgeoefend worden.
E. Klopjachten mogen alleen onder leiding van den jachtbestuurder gehouden worden.
4. — Geveld wild.
A, Het gevelde wild is het eigendoni van den Belgisen jachtbezitter, die daarvoor echter slechts den vastgestelden prijs verlangen mag.
B. De schutter is gercchtigd het door hem gevelde wild tegen den vastgestelden prijs over te ncmen. Jachttropeën (getvel en hornen, enz.) blijvcn sijn eigendom.
C. Het wild of het daarvoor te hetalett bedrag moet door den schutter sonder uitstel den jachtbestuurder afgeleverd worden.
D. De jachtbestuurder is gerechtigd, het door den schutter niet overgenmnen wild, naar lazaretten, troepen- of officierkeukens tegen den vastgestelden prijs te zenden. Dergelijke aanwending moet nagestreefd en tijdig voorbereid worden,
E. Wild, dat niet op de wijse, als onder B en D aangeduid, te gelde gemaakt werd, wordt door den jachtbestuurder a/in den Belgischeu jachtbezitter, is dese niet bekend of moeilijk te bereiken, te deees bâte aan den hurgenieester der gemeente afgeleverd. Aan elk stuk afgeleverd wild moet een tvildbrief vastgemaakt zijn.
F. Den schutter of jachtbestuurder, evenals welk anderen miUtairpersoon is het verboden, wild in den handel te brengen.
G. Het bedrag voor het door den schutter overgenomen of door den jachtbestuurder aan lazaretten, troepen- en officierskeukens afgeleverd ivild, evenals het wild, dat niet overgenomen en den Belgisen jachtbezitter niet overhandigd kon worden, moet onder verantwoording van den jachtbestuurder het gemeentekollegie ter overhandiging aan den jachtbezitter tegen ontvangstbewijs afgeleverd worden.
H. Burgers mogen geveld wild alleen weg en in den handel brengen, indien elk stuk met een wildbrief voorzien is.
Wildprijzen
Voor het van den schutter of jachtbestuurder overgenomen wild moeten volgende prijsen worden hetaald:
a) voor herten (geruimd en ongestroopt gewogen) per Kgr. 1 .—frank.
b) everzwijnen( , , ) hetieden 50 Kgr. . , 1. — , boven 50 „ , 0.80 .,
c) reebok per stitk 25. „
d) hazen , 3.— ,
e) fezanihanen , 2.50 „
f) fezantliennen „ 2. „
g) eetiden , 160 „ h) patrijzen . „ 1.— „ 6. —- Jachttijden en verkooptijden,
Jachttijden. Verkooptijden
a) mannelijk rood- en damwild 1(3. 8 tot 31. 1 17. 8 tot 10. 2
b) vrouwelijk rood- en damwild 16. 10 — 31. 1 17. 10 — 10. 2
c) reebok 16. 5 — 81, 12 17. 5 - 10. 1
d) v>rouwelijk reemld (reegeit) 1.11-31. 12 2. 11 — 10. 1
e) hazen. . . . \ . . 16. 9 — 15. 1 17. 9 - 2-5. 1
f) patrijzen en kwakkels . 20. 8 — 30.11 21. 8 — 10.12
g) fezanthennen . . . . 16. 9 — 28./29. 2. 17. 9 — 10. 3
h) herk- en JtazelJmtien. . 16. 9 — 31. 1 17. 9 — 10. 2
i) fezant-, herk- en hazelhennen 16. 10 - 30. 11 17. 10 — 10. 12
j) amrliamn 1.12 — 31. 5 2. 12 — 10. 6
k) wilde eenden . . . . 15. 7 — 28/29. 2. 16. 7 — 10. 3
m)sneppen 15. 7 — 15. 4 16. 7 — 25. 4
n) lijsters 15. 9 - 31. 12 16. 9 — 10. 1
o) zwarwild het heele jaar door.
p) Wilde konijnen .. « » „ » De Gouverneurs eijn bevoegd: Sk)
het openen der jacht op hasen, patrijsen en fesant hanen met het oog op den stand van de oogstiverksaamheden tot 14 dagen later te verschuiven;
h) het schieten van reewild geheel te verhieden, tot een bepaald aantal koppen te beperken of van een bijzondere toelating afhanhelijk te maken. 7. — Rood- en datmcild. De toelating tot het schieten van rood- en damwild behoud ik me voor.
8. — Bewaking. A. De Kreischefs zijn er voor verantwoordelijk, dat de jachtregeling en deaer uitvoeringsbepalingen in alle deelen stipt nageleefd worden en dat de jacht zorgsaam behandeld wordt.
B. Tot hel jachtbeivaken zijn in de eerste plaats de jachtbestuurders der afzonderlijke gebieden, het hun toegevoegd hulppersoneel enz., verder de gendarmeriepatroeljes bevoegd.
C. De Belgische Staatsboschbeambten, bosch- en veldivachters moeten tot het bewaken van de jachtgebieden en het te keer gaan van de tvildstrooperij op gepaste wijze mee in dienst gesteld worden.
9. — Franse gebiedstreken.
Binnen de Franse gebiedstreken des Generalgouvernements zijn de bepalingen dezer jachtregeling voor Belgische jachtbezitters, boschbeambten enz., eveneens fiaar den zin op de in aanmerking komende Franse staatsburgers van toepassing.
10. — Strafbepalingen. Overtredingen van vorenstaande jachtregeling tvor den met ten hoogste 6 maand gevangenis of met ten hoogste 6000 Mk. boete of met beide straffen tegelijk gestraft. Bevoegd tot oordeelvellen zijn de Duitse krijgsrechtbanKen. Tegen Duitse militairpersonen is ook tuchtstraf toegeiaten.
Brussel, den lin Augustus 1915.

No. 110. — 28. augustus 1915.
Eisen om schadeloosstelling, die op het Dekreet van 10 Vendemiaire van het jaar IV steunen, kunnen tegenover de gemeenten niet met beslag gelegd worden. Op het aanslaan van zulke eisen is de Verordening van 10 juli 1915 (Wet- en Verordeningsblad, hU. 776) derwijze van toepassing, dat de aldaar voorziene aanvraag bij den Voorzitter van het Burgerlijk Bestuur der Provincie, waartoe de gemeente behoort, moet ingediend worden en dat tot het toestaan der toelating om een aanvraag in te dienen, wanneer de schuldenaar in België niet meer gevestigd is, de voorzitter dier rechtbank bevoegd is, in wiens omschrijving de schuldenaar zijn laatste Belgische huisvesting gehad heeft.
Brussel, den 20n Augustus 1915.
No. 110. — 28. augustus 1915.
Verordening betreffend het beschadigen van draadgeleidingen.
Art.1. Het laten opgaan van draken (vliegers) en alle dergelijke handelingen, die ene beschadiging van de draadgeleidingen kiinnen medebrengen, worden verboden. Overtredingen worden, bijaldien niet naar de bestaande ivetten en verordeningen strengere straf bepaald wordt, met ten hoogste 300 Mk boete of met hechtenis, of met beide tegelijk gestraft.
Art.2. Zijn de daders nog niet strafbaar, zo worden de voor hunne opvoeding verantwoordelijke personen gestraft.
Art.3. Bevoegd zijn de krijgsrechtbanhen en krijgsoverheden.
Art.4. Deze verordening wordt met hare afkondiging van kracht.
Brussel, den 27n Augustus 1915.
No. 111. — 31. augustus 1915.

Woonplaats Woning Domicile Adresse 4. Geboren am (Datum) 6 Mai 1879 Geboren den (dagteekening) Ne le (date) Alter 35 ans ouderdom âge wo? Louvain waar? où 5. Grosse. .. 1 Meter. .. 76. . . . Centimeter. Grootte 1 meter centimeter Taille 1 metre centimetres 6. Beruf Mecanicien Beroep Profession
No. 111. — 31. augustus 1915.
251 7. Bescheinigung zweier Zeugen Bevestiging van twee getuigen Attestation de deux temoins 8. Verantwortlichkeitserkla- 8. Verantwortlichkeitserklàrung des Ausstellenden durch Unterschrift mit Ausstellungsort und Datum. IJerantwoordelijkheidsverklaring van den afleverenden beambte door onderteekening met woonplaats en datum der aflevering. Signature engageant la respondu fonctionnaire qui delivre le certificat; date; endroit où la piece a ete delivree. Timbre — Vermerk auf der Ruckseite be acbten. Wichtige opmerking op de keer zijde. Avis important au verso. Vilvorde, Vilvorde, le 10 mars 1915, Jean DE MEIJEIt, bourgmestre. Photographie. 252
No. 111. — 31. augustus 1915.
VERSO. Zu beachten. Die zur Ausstellung der Scheine verpflichtete Polizeibehôrde ubernimmt durcb die voUzogene Unterschrift die voile Verantwortung fur die Richtigkeit der Angaben. Falls der ausstellende Beamte die Identitât nicht zweifelsfrei feststellen kann, bat er diese ausserdem noeh durch das Zeugnis zweier einwandsfreier Zeugen bestâtigen zu lassen. Falls eine absolut sichere Feststellung der Persônlichkeit gegenuber der ausstellenden Bebôrde nicht erbracht werden kann, muss der Beamte den Schein nach der Angabe des Gesuchstellers ausfullen und dabei vermerken, dass ihm eine Prufung der Angabe nicht môglich war. Avis important. La signature du fonctionnaire rend l'administration (police) chargee de delivrer les certificats, responsable de l'exactitude des declarations. Si le fonctionnaire se trouve dans l'impossibilite d'etablir l'indentite de façon certaine, il reclamera le temoignage de deux temoins irreprochables. S'il n'est pas possible d'etablir l'identite d'une façon absolument certaine, l'emploije remplira le certificat en se conformant aux indications de l'interesse et ij ajoutera la remarque qu'il lui a ete impossible de verifier ces indications.
253 Wichtig. De tot afleiwren van Scheine verplichte politieoverheid aanvaardt met het zetten van de handteekening de voile verantwoording voor de nauwkeurigheid der verhlaringen. In geval de afleverende heambte de eenzelvigheid niet huiten allen twijfel han vaststellen, moet hij deze huitendien nog door getuigenis van twee onbesproken getuigen laten bevestigen. In geval ene volstrekt zekere vaststelling van de persoonlijkheid tegenover den afleverenden beambte niet kan verschaft worden, soo moet de beambte den Schein volgens de aangifte van den aanvrager invullen en daarbij aangeven, dat hem het onderzoeken van de aangifte niet mogelijk ivas. 254
No. 111. — 31. augustus 1915.
BEPALINGEN VOOR HET PASWEZEN. Herdrukt op In juli 1915.
ALGEMENE BEPALINGEN.
I. Bevoegd tot het afleveren van eenzelvigheidsbewijzen binnen het gebied des G. G. is de plaatselijke politieoverheid.
U. a) Bevoegd tot goedkeuren van passierscheine en motorwagenkaarten binnen het gebied des G. G. eijn enkel de heambten, die het recht tot stempelen hebben en die als pasbeambten met namenaangifte van het hoofd door de (Provins)- gouverneurs aan het G. G. hehendgemaaht zijn. Laagste rang: aanvoerder van een zelfstandig schadroen of bataljon (uitzonderingen alleen van wege het Generaal-Gouvernement) . Spoorivegbeambten en stationshommandanturmi . evenals de Keizerlijke postbeambten zijn niet bevoegd. De havenbeambten zijn alleen tot het afleveren van scheepspapieren, niet echter tot het afleveren van passierscheine voor reizigers op personenstoomibooten bevoegd. Voor deze zijn de onder b) of c) vermelde beambten bevoegd. Groote voorzichtigheid behort bij het afleveren van passierscheine aan zulke personen, die een eenzelvigheidsbewijs vertoonen met de opmerking, dat een onderzoek hunner persoonlijkheid niet mogelijk was. (Zie bz. 940: Keerzijde van het model van een eenzelvigheidsbewijs.)
b) Plaatselijke bevoegdheid tot het beslissen over goedkeuring van passierscheine. Lagere pasbeambten (tot den Kreits-chef): voor het gehied humier provincie en der aanpalende Kreitsen der huurprovincie. Kreits-chef en Gouverneur: (ook Kommandanten Maubeuge en Beverloo) onibeperkt voor het gebied hunner provincie en der buurprovinciën; en daarbuiten — evenwel slechts voor een enkele reis — naar een verdere provincie, miet echter voor het geheele onder het Generaal-Gouvernement staande gebied. Alleen de Generaal- Gouvemeur is bevoegd, voor het geheele onder het Generaal-Gouvernement staande gebied passierscheine afteleveren. Voor het buitenland en voor de operations- en etappengebieden mogen alleen de (Militair) Gouverneurs en het Generalgouvernement passierscheine afleveren. (Nadere bepalingen z. A., B., C.)
c) In die plaatsen, waar zich meer dan een der onder a) en b) vermelde, ter beslissing over goedkeuring "van passierscheine bevoegde beambten bevindt, wordt, in 't belang ener gelijke handhaving van het paswezen, het afleveren van passierscheine aan de daartoe ingerichte paszentralen onder verantwoording der voornoemide beambten opgedragen. (Verf. U b. 1872 en 2824- en U d 1518.) Ook in die plaatsen, waar een bijzonder paskantoor hestaat, hoewel zich aldaar slechts een der onder a) en b) vermelde beambten bevindt, is het paskantoor alleen het uitvoerend orgaan van dezen beambte. Paskantoren, inzonderheid paszentralen, moeten door officieren geleid worden, die de nodige ondervinding bezitten. De onder b) vermelde beambten zijn over 't algemeen alleen tot goedkeuren (en dienvolgens de onder c) "vermelde paszentralen en -kantoren alleen tot afleveren) van passierscheine aan de in hunne bestuursomschrijving gevestigde personen bevoegd. Voor het afleveren van een passierschein aan een buiten hun stuursomschrijving wonenden Belg, moeten jsij sooveel mogelijk de toestemming van den aldaar bevoegden heambte verkrijgen.
d) Oudersdomsgrens voor passierscheinplicht: Personen heneden 15 jaar behoeven geen passierschein, wanneer sij in geselschap van meerderjarige verwanten reizen.
e) Het bepalen van den geldigheidsduur der passierscheine blijft den pasbeambten met den nvaatstaf overgelaten, dat die steunend op het oordeel uit een ruggespraah met den aanvrager gewannen, zoveel mogelijk beperkt wordt. Deze geldigheidsduur van den passierschein moet sterk in het oog loopend op den passierschein aangegeven staan. Bij passierscheine van langeren duur over de grenzen (niet langer dan voor een maand geoorloofd) voor personen, die gedurende den bepaalden tijd nieermaals willen reizen ondernemen, zal men vaststellen, hoeveel reizen zij in de aangegeven tijdruimte van zin zijn te maken en alsdan het aantal der bedoelde reizen op den passierschein opteekenen.
f) Onderdanen van vijandelijke naties, zoverre zij onder toezicht der meldeambten staan (z. le. 5380) mogen passierscheine voor reizen in de „grensstreken' (Grenzzonegebiete) (Etappen- en Operationsgebiete) naar of door Duitsland, naar Luxemburg of Nederland alleen dan afgeleverd worden, wanneer zij hunne meldingskaart met het merk „afgeschreven" overleggen.
UI. Ongeldige passierscheine mpeten den bezitters afgenomen en vernietigd worden.
IV. Afgeloopen passierscheine moet de bezitter op het afgiftekantoor inleveren.
a) onmiddellijk na afloop van den geldigheidsduur, indien de passierschein voor heen- en terugreis afgelevera werd, bij vervroegden terugkecr terstond na aanhomst.
b) over de post binnen 10 dagen na afloop van den geldigheidsduur, indien hij slecJits voor een heenreis naar een andere plaats moest dienen (uitgenomen bij reizen naar het verdere buitenland, zoals Zwitserland, Spanje, Over-see, enz.}.
c) ingeval de passierschein alleen voor de afreis naar Nederiand moest dienen, bij een Kaiserlich Deutsch Konsidaat in Nederiand binnen 3 dagen na afloop van den geldigheidsduur. Overtredingen worden streng gestraft, desgevallende met gevangenis, evenals met weigering van alle verdere passierscheine. De straf wordt op aanklacht van het pasKantoor door den tot het uitsprehen van politiestraffen bevoegden beambte vastgesteld. Van alle afgeleverde en vernietigde passierscheine wordt door het pasKantoor een lijst opgemaaht.
V. Alle passierscheine, ook sulke met een geldigheidsduur van boven een dag, moeten de juiste beschrijving van den weg dragen. De passierscheine voor reizigers naar buiten het gebied des G. G. en naar binnen het gebied des G. G. moeten buiten de beschrijving van den weg ook nog de plaats aanduiden, waar de grens overschreden wordt.
VI. De voile waarde van een passierschein bekomt — zo telegrafisch als schriftelijk — een van den bevoegden beambte uitgaande en onderteekende beslissing.
VU. Verlichtende bepalingen voor het enger grensverkeer blijven den gouvernements en militairgouvernem- ents voorbehouden. (Z. bz. 938, nr. 1.) Geldt het een binnenkomen uit Duitsland, zo moeten zulke bepalingen door het naburig dienstdoend Generalkommando goedgekeurd worden.

VUI. In gevallen, waarin passierscheine door huitenlanders (ook Belgen) naar huiten het gehied des G. G. verlangd worden, inzonderheid, wanneer het dienstplichtige huitenlanders zijn, mag het storten ener waarborg, tot zekerheid tegen een vervoegen van de vijandelijke legers, evenals tegen het begaan van hoegenaamd welke Duitsvijandelijke handeling geëischt, ook de verplichting opgelegd worden, zich elken 3en dag hij den hpoegden Duitsen konsul derplaats te melden. Deze verplichting moet op den passierschein aangeduid worden. Omtrent de hogte der waarborg, evenals de wijze der nederlegging moet het bevoegde burgerlijk beheer worden gehord.
BIJZONDERE BEPALINGEN. A. — Voor het verkeer van uit en naar het gebied des G. G. I. In- en doorreis.
a) Duitse militairpersonen en burgerlijke beaml)- ten in uniform behoeven een uittvijs over hun persoon. (Als zulke geldt b. v. het soldijboek of ene door enen officier onderteekende, met dienststempel voorziene uitwijskaart.)
b) Privaatpersonen van elke nationaliteit behoeven een eenzelvigheidsbewijs, door de overheid uit hun land afgeleverd (Belgen en onderdanen uit vijandelijke Staten door een Duitse overheid) en een passierschein door een Duitsen beambte afgeleverd. Bevoegd tot goedkeuren desgev. afleveren van passierscheine zijn: Voor reizen uit Duitsland: het Oberkommando in de Marken, het krijgsndnisterie, de dienstd. Groote Generalstab; de dd. Generalkommandos; Voor reizen uit het Groothertogdom Luxemburg: de bevelhebber der troepen in Luxemburg; Voor reizen uit onzijdige en verbonden Staten: het Duits Gezantschap of Duitse Berufskonsulate (pasagenturen). (Onderdanen van vijandelijke Staten — uitgenomen de Belgen — ktmnen echter alleen met toestemming van den Generalquartiermeister naar België doorgelaten worden); Voor het afleveren van passierscheine uit Duitsland naar het gebied des G. G. over Nederland is de toestemming des G. G. noodig. De voornoemde Duitse beam,bten kunnen in ontwijfelbare gevallen den passierschein sonder voorafgaande goedkeuring des G. G. onder hunne verantwoording afleveren. De voornoemde Duitse beambten, uitgenomen de Konsulate, zijn ook gerechtigd tot afleveren van passierscheine voor heen- en terugreis. Voor de terugreis naar Nederland is de voorafgaande toestemming der G. G. noodig. Een Duitse reispas geldt alleen als eenzelvigheidsbewijs. Terugkeer van Belgen, inzonderheid van dienstplichtige, is van zelfsprekend, toetestaan, uitgezonderd voor misdadigers, hoerenbazen enz. Worden passierscheine wegens terugkeer naar verwoeste plaatsen verlangd, zo moet dit worden afgeraden. De terugreis van Belgen en onderdanen van onzijdige staten, die voor den oorlog België bewoonden, moet vergemakkelijkt worden door verschaffen desn. nieuwopnuiken van de nodige uitwijspapieren. c) Uit het vijandelijk buitenland wordt het binnenkomen slechts met bijzondere toestemming des G. G. toegelaten.
U. Verlaten van het gebied des G. G. 262
De benoodigde uitwijsstukken sijn dezelMe als voor het binnenkonien, de toestemming tot het afleveren van de passierscheine — ook voor heen- en terugreis — geschiedt steeds door het G. G. of (M) G. der woonplaats; het afleveren van de passierscheine in hunnen naam of opdracht door de bevoegde paskantoren. (Z. Algem. Bep. IL c.) Privaatpersonen van elke nationaliteit hehoeven voor de reis naar en door Luxemburg de toelating van den „bevelhebber der troepen" aldaar, naar Duitsland en door Duitsland naar verbonden en onzijdige staten de toelating van het d, d. Generalkommando van het Ville Armeekorps. Bezoeken van gevangenkampen in Duitsland door Belgen en Fransen is verboden. Onderdanen van vijandelijke staten moeten over 't algemeen in hun verblijfplaats teruggehouden worden. JJitsonderingen z. I c 5380. Voor het verkeer naar en uit Nederland, evenals naar en uit het Etappen- en Operationsgebied gelden buitendien de verdere bepalingen onder B en C.
Opmerkingen :
1. Verkortingen : B. v. P. = Bepaling voor het paswezen iti 't Gebied des G. G. G. G. = Generalgouvernement. G. = Vesting-Gouvernement. M. G. = Militair- Gouvernement.
2. Immediatbehôrden : zijn b.v. de Oberste Heeresleitung {Hoogste legerbeleid) het Kriegsnunisterium, het Oberlcommando in de Mat'ken, de dienstd. Grosse Generalstàb, de dienstd. Generalkommandos, de Armeeoberkommandos en het Generaal Gouvernement.
3. Als Operations- und Etappengebiet komen binnen Belgi'e voorshands de provinciën Oost- en Westvlaanderen (uitgezonderd het Zuidel.-deel van den kreits Kortrik) in aanmerking.
4. Passierscheine, z. bz, 941 moeten bevatten: namen, staatsburgerschap, geboortedatum en plaats, ouderdom, reisbestemming en reisweg en plaats der grensoverscheiding ; zij mogen niet algemeen luiden „naar België" of „naar het gebied des G. G." maar voor bepaalde wegen en naar bepaalde plaatsen. Voor het verkeer tussen het gebied des G. G. en Nederland. [Voor het grenshuurtverkeer gelden de bijsondere hepalingen (aanh. nr. 1.)] I. Van het gebied des G. G. naar Nederland. a) Bevoegd tot afleveren van passierscheine zijn alieen de paszeutralen te
Brussel, Antwerpen, Hasselt, Luili en 't pashantoor te Turnhout. Geen pashantoor mag pa sen voor hewoners ener grensprovincie afleveren, in welke een daartoe gerechtigd paskantoor voorhanden is. Voor personen, die uit ene provincie, in welk geen bevoegd paskantoor voor het afleveren van passierscheine naar Nederland bestaat, naar Nederland willen reizen, moet terzelfder tijd met den passierschein een verklaring over het geoorloofd- of ongeoorloofd zijn der aflevering van een passierschein naar Nederland aan een der voornoemde bevoegde paskantoren meegeven, ingezonden of verlangd worden.
b) Passierscheine naar Nederland en terug worden over 't algemeen alleen afgeleverd, bijaldien de reis ivichtige, openbare belangen dient of in dringende privaataangelegenheden voor vertrouwen verdien&nde personen noodzakelijk is. Deze onderstellingen moeten nauwgezet onderzocht worden. Steeds moet een korte geldigheidsduur, ten hoogste 14 dagen, bepaald worden. De geldigheidsduur moet bijzonder in 't oog loopend op den passierschein aangeduid staan. Omtrent borgstelling vergel. Algem. Bep. VUI.
c) Elke passierschein moet de aanduiding van de plaats der grensoverschrijding bevatten; hij geeft geen recht tot overschrijden op een andere plaats.
d) Geen wielrijder mag over de grens. 264
e) De plaatsen tot grensoverschrijding naar Nederland zijn (het grensbuurtverkeer daargelaten) uitsluitend: Putte, Esscken, Strijbeek, Weelde, Poppel, Arendonk, Hamont, Molen-Beersel, Kessenich, SmeermaaSf Vronhoven, Klein-Lanaken, Moelingen. f) De numm ers der in den loop van den dag afgeleverde passierscheine moeten door de paskantoren 's avonds na kantoorsluiten, moet de passierschein denzelfden dag benuttigd worden, terstond telegrafisch aan gene grensplaats medegedeeld worden, voor welke de passierscheine afgeleverd werden. g) Elkeen, die op het paskantoor ene passierschein aanvraagt, moet daar sijn fotografie (en wel dezelfde, die op zijn eenzelvigheidshewijs geplakt is) inleveren, die met het nummer van den passierschein op de keerzijde, naar de grensplaats moet gezonden worden, die als grensovergang aangeduid wordt. Het afleveren van den passierschein moet derwijze geschieden, dat de reiziger eerst aan de grensplaats na zijn fotografie aankomt. In dringende gevallen wordt de afgestempelde fotografie den reiziger meegegeven. h) Het is niet geoorloofd, zonder hijzondere toestemming der hevoegde heambten onrechtstreeksche passen over Duitsland of het Etappengebied naar Nederland of over Nederland naar Duitsland af te leveren. i) Voor het grensbuurtverkeer gelden bijzondere, door de Gouvernements uit te vaardigen voorschriften (z. nr. 1. bz. 938.) IL Uit Nederland naar het gebied des G. G.
a. Bevoegd zijn het Duits gezantschap in den Haag, de generaalkonsul te Amsterdam en de Duitse Berufskonsulate (pasagenturen) te Rotterdam, Vliss'mgen, Roosendaal, Maastricht en Terneuzen.
b) Passierscheine mogen alleen voor de heenreis naar Belgïe afgeleverd worden, niet voor heen- en terugreis. Reizigers moeten hierop bij aflevering van de passen in 't hijzonder aandachtig gemaaht worden. In uitzonderingsgevallen moet voor de aflevering van den passierschein ooh voor de terugreis de toelating des General-Gouvernements gevraagd worden.
c) Voor het gebruik van motorvoertuigen gelden de bepalingen aanhang nr. 5. C. — Bijzondere bepalingen voor het verkeer tussen het gebied des General-Gouvernements en de operations- en etappengebieden. I.
1) Aanvragen om aflevering van passierscheine in het Operations- en Etappengebied moeten schriftelijk aan de Gouverenements in welke de aanvrager gevestigd is of aan het General-Gouvernement ingezonden wordetn.
2) De aanvragen moeten vermelden:
a) Noodzakelijkheid en doelwit der reis;
b) De reisweg m et de onderstreepte plaatsen, waarover de reis tot bereiking van het doelwit, gaat;
c) Duur der reis onder aangifte van de nodige oponthouden; d) Dat de aanvrager zich aan alle in 't bijzonder opgelegde voorwaarden (b.v.: a/mmelding bij de militairoverheden) onderwerpt en den passierschein na afloop der geldigheid terstond persoonlijk of onder „aangeteekend" zich verplicht terug inteleveren. Met de aanvraag moet een eenzelvigheidsbetvijs (model zie bz. 940) of regelmatige passierschein ingediend worden.
3. Aanvragen, die de onder 2 aangegeven voorwaarden niet beantwoorden, moeten worden teruggegeven, evetnzo dis niet geoorloofd, aanvragen:
a) van privaatpersonen, die zich met enkele liefdegiften naar het front of in het Etappengehied hegeven of in uitrustingstukken, levens- en genotmiddelen willen handel drijvcn,
b) van buitenlanders, die liefdegiftentransporten willen vergezellen,
c) van vrouwelijke verwanten der in het Operationsof Etappengehied (België en Luxemburg inbegrepen) staande militairpersonen, indien niet bewezen is, dat sware verwonding of ziehte dezer de reis veroorzaaht,
d) van munitiefahrikanten, wanneer op hunne aanvragen om machinen overtebrengen, nog de toestemming van het Krijgsministerie of van de Feldseugmeisterei ontbreekt.
4. Bij de geoorloofde aanvragen moct worden nagegaan of:
a) zij de bepalingen der legerpolitie voor het motorvoertuigenverkeer en het standpunt van de grootst mogeiijke beperking beantwoorden;
b) een hetere weg mogelijk is tot het vermijden van onnodige aanraking met verschillende leger- enz. gebieden en grootst mogelijke inkorting der reis; c) huizen, die om enen passierschein vragen tot het oprichten van hulphuizen in het bezette gebied, ook ivel goeden naam hebben.
5. Voor de toestemming geschikte aanvragen moeten, zodra er haast bij is, telegrafisch, anders met alle bescheiden schriftelijk medegedeeld worden aan:
a) het bevoegde A. 0. K. of de bevoegde Etappen- Inspektion,
b) den Generalquartiermeister, wanneer het gebied van verscheidene Armeën in het Westen of het Groote Hauptquartier aangedaan wordt,
c) den Generalintendant van het Feldheer, wanneer er spraak is van deskundigen voor ekonomische vragen, die in opdracht van Reichs- of Staatsbeambten in het Operations- of Etappengebied reisen of van munitiefabrihanten, die wensen machinen uit dese gebieden overtebrengen.
6. Bij voorkomende toestemming wordt de passierschein overeenJwmstig de nadere bepalingen der door de voornoemde beambten genomen beslissing, afgeleverd.
U. Van de toegestane goedkeuring om te reisen uit het Operations- en Etappengebied naar het gebied des General-Gouvernements worden de gouvernements door het goedkeurende Armee-Oberkommando of de Etappen- inspection terstond in kennis gesteld. Van een voorafgaandelijke toestemming des General-Gouvernements wordt dan afgesien. Evenwel is vôâr aflevering van passierscheine door het gebied des G. G. naar of door het Groothertogdom, Luxemburg (en naar of door Duitsland) de toelating der voor het binnenkomen naar Luxemburg en Duitsland bevoegde beambte (sie A. Ib) weze het rechtstreeks, iveze het door bemiddeling des G. G. noodig. D. — Voor het verkeer binnen het gebied des G. G. I. Het dragen van het eenzelvigheidsbewijs (model 3, bz. 940} wordt voorgeschreven voor elk privaatpersoon alle nationaliteit na voleinding van het 15e levensjaar (Duitse militairpersonen en beambten in uniform uitgezonderd), die zich buiten sijn woonplaats bemndt. De eenzelvigheidsbewijsen der in de grensgebieden wonende personen moeten tot 15 juli het stempelmerk „G. Z." dragen. Tot, het toezicht gerechtigd zijn alle officieren en offizierstellvertreter en allen, die zich in de uitoefening van den wacht- en politiedienst bevinden. U. Passierschweindwang heersch (Duitse militairpersonen en burgerlijke heambten in uniform uUgezonderd):
1) in heel het gebied des G. G. voor het motorvoertui erkeer ( ) en rijwielverkeer (dese laatste huiten de omschrijving der gemeent&n),
2) in het grenszonegebied langs de Nederlandsche grens, eensdeels hegrensd door de Belgisch-Nederlandsche staathundige grens, andersdeels door ene van wegen de hevoegde Gouverneurs nader te hepalen lijn, die van de Schelde ten N. van Berendrecht aan de Belgisch- Nederlandsche grens tot aan het fort Ertbrand- Wildert-Terrijk wegscheiding ten N. van Minderliout- rrew tot aan 't station Weelde-Turnhoutsche vaart ten Z.-W. van Ravels-Maas-Scheldevaart tot Smeermaas — dan de draadafspanning om de Maastrichtspits tot Zuidwaarts Klein-Lanaken — vaartlijn naar 't Zuiden tot Lixhe-'s-Graven Voeren- La Planck-Teuven-Zippenaken-Terstraten-Gemmenich loopt, voor het spoorweg- ( ) buurtspoorweg- ( ) 1) Motorvoertuigenverkeer. z.
Aanhanqsel Nr. 5. 2) Breedspoorwegen : Ter aflevering van reisbewijzen naar en binnen het aan de passierscheinpUcht onderworpen gehied moet vertoonen van den passierschein, door den reishewijzenafieverenden heambte en de stationswachters verlangd wordcn. ) Smalspoorwegen : Het toezicht op de op huurtspoorwegen reizenden moet — uitgenomen aan de grens — gedurende de rets door patroeljes in den wagen geoefend worden. Voor het vervoeren van elken passierscheinpUchtige zonder passierschein wordt de spoortcegmaatschappij met ten minste 3 Mk. voor elk geval gestraft. Bij hervatting kan intrekken van de vergunninç het gevolq zijn. Buitendien wordt elke passierscheinpUchtige, die op het spoor zonder passierschein aangetroffen wordt, ter hestrafflng en tegelijkertijd, om wegens spioneerverdenking te worden onderhord, naar den bevoegden troepenhevelhebher of kreitschef gebracht worden. ïVijst het verhor op verdenkinçsgronden, zo hlijft hij tot verder gerechtelijk onderzoek in hechtenis, zoniet alleen wegens overtreding van de pasvoorschriften na oplegging van ten minste 10 mark en ten hoogste 200 mark boete, ontslagen. In geval van onvermogen komt gevangenisstraf. scheepvaart- ( ) en wagenverkeer, voor dit iaatste alleen, zoverre het tot personenvervoer dient. Het rijwielverkeer is dit gebied veriboden, evenzo het autoverkeer, zover het niet het onmiddellijk doorgangsverkeer naar en uit Nederland betreft.
3. uit het pasvrije in dit grenszonegebied en omgekeerd: voor alle verkeer (Duitse militairpersonen en hurgerlijke beambten in uniform uitgesonderd). Grensoverschrijdingsplaatsen, z. Besluit Zb 4500. Een dergelijk verkeer wordt echter slechts in heel bijzondere uitzonderingsgevallen en slechts voor volstrekt vertrouwbare personen onder persoonlijke verantwoording des Gouverneurs of der Kreits-chefs toegelaten. Over deze afgeleverde passierscheine moet ene bijzondere lijst gehouden en elken Isten der rrioand bij het G. G. ingeleverd worden.
4. in het „grenszonegebied langs de Etappengrens" : Dit gebied wordt begrensd naar de 4e Armee en naar het gebied des G.-Gouvernements door de Leie van Menen tot Kortrik, de vaart van Bossuit tot aan de Schelde, deze stroomopwaarts tot Antoing, verder door de vaart van Pommeroeul tot de vaart Mons-Conde, langs deze tot aan de Belgisch-Franse grens bij St.- Aijbert, van daar aan de Staatsgrens tot ten Z. van La Flam ngrie, alsdan de spoorlijn over St-Waast, Bavai, Maubeuge, Thuin, Beaumont, Chimaij, Mariembourg, Dinant, Houijet, Bertrix, Virton-Athem. Elke gemeente, die beiderzijds deze vaart- en spoorlijn ligt, behort tot het pasvrije gebied. *) Scheepvaartverkeer: Bevoegd voor reizigers isdepasbeambte. Bevoegd voor schippers en waren zijn de havenmeesters. Het invoeren van scheepvaart!ijnen voor personenverTceer bïijft algemeen het Generaal Gouvernement voorbehouden. Nadere hepalingen vgl. Besluit sektie Jb nr. 4301. 270
In de ruimte tussen de Etappengrens en de hiervoren beschrevep lijn is elk motorwagen-, rijwiel-, spoor (ook smal- en buurtspoor-) verkeer passierscheinpUchtig. 40,. Het overschrijden van de Etappengrens is voor elk verkeer, ook voor wagens en voetgangers, passierscheinplichtig. 4h. Buitendien is de overgang uit het Belgisch pasvrij in het grensgehied van Menen aan de Leie tot Kortrik, de vaart van Bossuit tot aan de Schelde, deze stroomopwaarts tot Antoing, verder de vaart van Pommeroeul tot de vaart Mons-Conde en deze tot aan de Belgisch-Franse grens bij Sint-Aijbert voorbij, voor alle verkeer passierscheinplichtig. In alle paskantoren moeten de van hier uitgegeven haarten en alphabetische lijsten over de binnen de Juervoren aangegeven grenszonen gelegen gemeenten uithangen. — Straffen wegens overschrijding van de passierscheingrenzen kan de Kreits-chef opleggen, zoverre niets de verdenking van krijgsverraderlijke inzichten het optreden Pan het gerecht vereischt.
AANHANGSEL. Nr. 1. Grensbuurtverkeer. Voor het grensbuurtverkeer wordt een algemene verordening van hier uit niet uitgevaardigd, niaar het regelen ervan den bevoegden Gouvernements overgelaten, daar het grensbuurtverkeer zich telkens naar de plaatselijke omstandigheden schikken moet. Als grondslag voor de bijzondere regeling volgen hieronder slechts eenige leiddraden.
1. Men zal goed doen de bevolking duideïijk te maken, dat de inrichting van het grensbuurtverkeer een tegemoetkoming beduidt, dat enkel de ekonomische belangen der armere bevolkingsklassen dienstig zijn moet. Elle misbruik sou het sluiten der grens voor de grcnsbevolidng voor gevolg hehben.
2. Zover het de arniere hevolhing betreft, sol het grensverkeer zoveel mogelijk onbelast blijven.
3. Beperking na zonsondergang is aantebevelen.
4. Over 't algemeen ivordt als wenschelijk geacht, het grensbuurtverkeer zoveel mpgelijk te beperken, doenlijkst alleen kleinen landbouwers toetelaten, niet diensplichtigen, buiten verdragwerklieden, desen echter tegen borgstelling: niet den geletterden standen (geestelijken, notarissen) .
5. Zeer te waardeeren schijnen volgende bij de Etappeninspektion IV ingevoerde maatregelen: De inwoners der aan de Nederlandsche grens palende gemeenten geven wekelijks tot Vrijdag avond hun behoefte aan levensmiddelen, lichtstoffen enz., hunnen burgemeester aan; deze brengt s Zaterdags de gezamenlijke bestellingen naar den naastbijwonenden Nederlandsen burgemeester. Deze bezorgt alles tot op een gestelden dag der volgende week en levert de waren enz. den Belgisen burgemeester af. Hierdoor wordt de kleininkoop en het verkeer van talrijke Belgen naar Nederland en terug belet. Persoonlijke inkoop kan verboden worden. De afspraak moet zuiver privaat geschieden, de Duitse krijgsoverheid mag daarmee niets te doen hebben.
Nr. 2. Het tijdstip is nog niet gekomen, om het verblijf van vrouwelijke verwanten van Duitse officieren, beambten, onderofficieren en manschappen binnen het Generaal Gouvernement in België toe te staan. De goedkeuring hiertoe mag derhalve over 't algemeen alleen door den Gouverneurs en Militairgouverneurs, bij levensgevaar door de hoofdgeneesheeren der lazarctten aan vrouwelijke naastverwanten van zieken en gewonden worden geschonken, zoverre en zolang deze in lazaretten ondergebracht zijn. Voor 't overige vn gen vrouwelijke verwanten van officieren en beambten alleen dan zich in het gebied des Generaxilgouvernements ophouden, wanneer zij als ziekenverpleegsters in krijgslazeretten werkzaam zijn.
Nr. 3. Terugkeerende Duitse vluchtelingen : Zover men met voldoend bemiddelde te doen heeft, die zich desnoods ook eenigen tijd zonder inkomen uit eigene middelen kunnen onderhouden, moet het terugkeeren door den band toegestaan worden. Voor vrouwen en kinderen is het beter natekomen. Onbemiddelden moet de terugkeer verboden worden.
Nr. 4. Passierscheine in het Etappen- en Operationsgebied mogen aan vertegenwoordigers der pers elker nationaliteit slechts dan afgeleverd worden, wanneer zij in 't bezit zijn van een uitwijs der Oberste Heeresleitung of van den dienstdoenden Generalstab te Berlijn.
Nr. 5. Gebruik van motorwagens.
I. Binnen het G. G. behoeven:
a) Militairpersonen met officiersrang, evenals burgerlijke ambtenaren en beambten in uniform alleen hun uitwijs omirent hun persoon (z. Bijz. Bep. A. la,). Burgerlijke beambten, zoverre zij geen uniform dragen, kan de beambte enen uitwijs afleveren, met het bijvoegsel: Moet door schild- en andere wachten als officier behandeld worden. Zo niet zijn de bepalingen voor burgerpersonen van kracht.
b) De niet onder a) vermelde militairpersonen en burgerlijke beambten enen uitwijs omtrent reden en doel der reis of een aanvullingsuitwijs; het afleveren van niet-tijdelijke uitwijzen, die omirent reden atoch doel der reis inlichien, is niet toegelaien.
c) Burgerpersonen voor reizen met motonvagens van bijisonderen buiten den passierschein een toelatingshewijs voor den te gehruiken wagen afteleveren door het voor de stalplaats van den motorwagen bevoegd motor- voertuigkcmtoor, met de juiste aanduiding der tot henutting gerechtigde personen un den juisten weg of omschrijving. Voor het afleveren van de foelatingsbewijzen moeten de bevoegde paskantoren geraadpieegd worden. — Op grond van dit toelatingsbewijs mpet buitendien de petssierschein van het bevoegd pashantoor de aanduiding dragen: „gerechtigd den motorwagen B, Nr ," te benuttigen. Voor reisen, die bij uitzondering voor andere wegrichtingen dan die op het toelatingsbewijs aangeteekend staan, verlangd worden, behoeven burgerpersonen een door het bevoegd paskantoor afteleveren passierschein. — Op het toelatingsbewijs niet welaangeduide personen behoeven insgelijks voor reisigers in militair- en bijsondere motorwagens, zoverre zij niet in gezelschap van een officier reisen, een overeenkomstige aanteekening van het bevoegd paskantoor op hunnen passierschein. De ivagenmenner behoeft ene door het bevoegd motdrvoertuigkantoor afteleveren „mennerkaart" .
IL Voor reizen naat binnen het gebied des G. G. treedt in de plaats van het toelatingsbewijs bij Duitschers de door ene Immediatbehôrde (ook M. Gouvernements) afgeleverde geleibrief; bij buitenlanders de verklaring van den bevoegden inheemsen Duitsen gezant of konsul. Nadere inlichtingen over het verkeer met bijzondere motorvoertuigen, z. de „Verordening over het verkeer met bijzondere motorvoertuigen in Belgie', van 26 Mei 1915, nr. Vlh 21391.
UI. Voor reizen naar buiten het gebied des G. G. Is een uitwijs ener Immediatbehôrde noodig. Ook de (M.) Gouvernements zijn hiertoe bevoegd.
Bij reizen van militair- en burgerpersonen in liet Operations- en Etappengebied is voor den menner van van een afzonderlijk rijdenden motorwagen een geleibrief noodig, af te leveren door het G. G. of het aan het Etappengebied palend gouvernement. De menner moet ene militaire- of politiemennerkaart bezitten. De geleibrief mag enkel op bepaalden tijd en afstanden spreken en moet door den Gen. Quartierm. of den Et. Insp. voor dat deel van het oorlogsveld bekrachtigd worden. Daartoe moet de motorwagen in de eerste betreden Et.- hoofdplaats voorgebracht worden. De inzittenden behoeven zover zij generaal of in hun gezegelschap zijn, genen uitwijs. Alle andere moeten een uitwijs van het zelfde kantoor bezitten, dat den uitwijs of geleibrief voor den motorwagen afgeleverd heeft. Militaire uitwijzen of geleibrieven zijn alleen geldig, wanneer zij de handteekening van een officier en enen dienststempel dragen. Nr. 6. Te betalen rechten. Personenijerkeer. /. Per rijwiel, schip of rijtuig. 1. Binnen het gebied des G. G.: M. 1,— (fr. 1.25) voor elken passierschein. 2. Buiten het gebied des G. G.: M. 3,— (fr. 3.75) voor elken passierschein. Deze rechten gelden kaarten, wier geldigheid geen maand te boven gaat. U. Per spoor- of smalspoor. Voor de heenreis ten hoogste 50 % der reiskosten. (Nauwere regeling wordt den Militairgouvernement overgelaten). Voor kaarten, die tot een maand geldig zijn. 1. Binnen het gebied des Generaal-Gouvernements: M. 1.— (fr. 1,25).
. Buitetn) het gehied des General-Gouvernements: M. 3,— (fr. 3.75). UI. Met motor-wagen en motor-wielen: Toelatingsbewijs: M. 20,— tot M. 300,— (Wagenmenner inhegrepen) voor elke 4 week geldigheid. Passierschein: M. 10,— voor de heenreis of voor elke 4 week geldigheid ener ka
Art.IV. Voetgangers: 10 centiem voor ene dagka
Art.1,-r- frank voor elke kaart meer dan een dag tot een maand geldig. Opmerkingen
1. Passierscheine slechts voor een heenreis geldig, hetalen hetselfde recht dis sulke, die voor henen terugreis geldig zijn.
2. Verlengingen van den geldigheidsduur zijn niet geoorloofd, d. w. z. de rechten voor elke verlenging zijn dezelfde als voor ene nieuwe ka
Art.3. Personen behorende tot de Duitse Armee en Marine, Duitse burgerlijke beambte, gezanten en hun personeel (konsuls niet ingebrepen), evenals de Spaansche en Amerikaansche konsuls in de Gouvernements
Brussel, Antwerpen, Luik, de Zwitsersche generaalkonsul te
Brussel en de Spaansche onderkonsul te Namen betalen voen zelfsprekend geen rechten.
4. Het blijft elken pasbeambte voorbehouden, in afzonderlijke gevallen uitzonderingen op deze rechtenregeling toetestaan, inzonderheid verminderingen of vrijstelling in geval van onbemiddeldheid, liefdadigheid, voor geneesheeren, leden van verplegingsbesturen, Belgische beambten, samenreizende gezinnen, enz. Elk afzonderlijk niet-naleven van de bepalingen wordt met hechtenis of gevangenis van ten hogte een jaar of met ten hoogste 4,000 mark geldboete gestraft. Naast gevangenisstraf kan ook nog geldboete uitgesproken worden. De straffen worden door de krijgsrechthanken en in lichtere gevallen door politievonnis der hevoegde Duitse heambten. Vorenstaande hepalingen worden op 1 juli 1915 van kracht in de plaats van alle tot nu op dit gehied uitgevaardigde besluiten.
Model van eenzelvigheidsbewjgs, VOORSTE BLADZIJDE. (Als voorbeeld ingevnld.) Identitâtsnachweis. Eenselvigheidshewijs. — Certificat d'identite. l.Name.. Charles Dunois.. StaatsangeJwrig- Keit. . . . Belgier. . . . Noam Nationaliteit Nom Nationalite 2. Eigenhàndige Unterschrift . . . Charles Dunois . . . Eigenhandige handteekening Signature 3. Wohnort.. Vilvoorde . . . . Wohnung. . . . 81, Waverstraat. . , . Kreis.. Brtissel. Woanpiaats Woning Domicile Adresse 4. Geboren am (Datum) 6. Mai 1879 Geboren den (dagteekening) Ne le (date) Alter 3'5 Jahre ouderdom âge wo? Lôwen waar où o. Grosse. . . . 1 Meter. .. 76. . . . Centimeter. Grootte 1 meter centimeter. Taille 1 metre centimetres. 6. Beruf Mechaniker Beroep. Profession. 278
Jan DE MEIJER, fcurgemeester. 7. Bescheinigung eweier Zeugen Bevestiging van twee getuigen. Attestation de deux temoins, 8. Verantwortlichkeiterklàrung Vilvoorde, des Ausstellenden durch den lOn maart 1915.
Unterschrift mit Ausstellungsort und Datum Verantwoordelijkheidsverklaring van den afleverenden beambte door onderteekening met woonplaats en datum der aflevering Signature engageant la responsabilite du functionnaire qui delivre le certificat; date; endroit où la piece a ete delivree. Stempele — Vermerk auf der Rûckseite beachten. Wichtige opmerking op de keerzijde. Avis important au verso. Photographie.
279 KEERZIJDE. Zu beacuten. Die zur Ausstellung der Scheine verpflichtete Polizeibehôrde libernimmt durch die voUzogene Unterschrift die voile Verantwortung fûr die Eichtigkeit der Angaben. Falls der ausstellende Beamte die Identitât nicht zweifeisfrei feststellen kann, hat er diese ausserdem noch durch das Zeugnis zweier einwandsfreier Zeugen bestâtigen zu lassen. Falls eine absolut sichere Feststellung der Persônlichkeit gegenuber der ausstellenden Behôrde nicht erbracht werden kann, muss der Beamte den Schein nach der Angabe des Gesuchstellers ausfullen und dabei vermerken, dass ihm eine Prûfung der Angabe nicht moglich war. Avis important. La signature du fonctionnaire rend l'administration (police) chargee de delivrer les certificats, responsable de l'exactitude des declarations. Si le fonctionnaire se trouve dans l'impossibilite d'etablir l'identite de façon certaine, il reclamera le temoignage de deux temoins irreprochables. S'il n'est pas possible d'etablir l'identite d'une façon absolument certaine, l'emploije remplira le certificat en se conformant aux indications de l'interesse et ij ajoutera la remarque qu'il lui a ete impossible de verifier ces indications. 280
Wfchtlg. De tot afleveren van Scheine verplichte politieoverheid aanvaardt met het zetten van de handteekening de voile verantwoording voor de nauwkeurigheid der verklaringen. In geval fie afleverende heambte de eenzelvigheid niet buiten allen twijfel kan va tstellen, W'Oet hij dese huitendien nog door getmgenis VQ,n twee onbesproken getuigen laten bevestigen. In geval ene volstrekt gekere vqststelling van de persoonlijkheid tegenover den afleperenden beambte niet kan verschaft worden, zo moet de beambte den Schefn volgens de aangifte van den qanvrager invullen en daxwhij (langeven, dut hem het onderzoekefi van de aangifte niet mQgelijk was.
281 Model van Passierschein. VOORSTE BLADZIJDE. Binnen het gebied van het Generaalgouvernement *). Pdss-Zentrale Brûssel Buissel, d 1915.
hei dem General-Gouvernenvent 11, Koninksplaats. in Belgien. 11, place Roijale. Nr Passierschein Frau fur Herrn aus (Wohnhort Strasse u. Nr Beruf , Staatsangerôrigkeit Gehoren am su Alter: .. Jahre mit jedem Verkehrmittel (vergl. jedoch Punkt 3 auf der Ruckseite). Zweck: von

Brussel uher nach gultig vom ,..,.. his vorbehaltlich jederzeitigen Widerrufs. Mark .... erhalten. Pass-Zentrale

Brussel. A. B. (Stempel.) Vermerk auf der Ruckseite beachten. *) Voor reizen buiten het gebied vanhetGeneraal-gouvemement hestaan hijzondere roode pasformules, die slechts een hepaling betreffende het oversehHjden der giens meer bepaiten. 282
KEERZIJDE. Opmerkingen.
1. De passierschein is alleen geldig, wanneer hij de handteekening draagt van een officier of officierstellvertreter en den stempel van den afleverenden beambte.
2. De drager van den passierschein moet terzelfdertijd enen ambtelijk bevestigden en gestempelden persoonsuitwijs met eigenhandige naamteekening en beeltenis hij zich hebben. De stempel moet gedeeltelijk den schein en de beeltenis dekken.
3. Voor het verkeer met motorwagens en motorwielen gelden de grondleggende hepalingen X. bz. 2.
4. Wie eigenmachtig den afgeloopen passierschein verlengt of er wijzigingen aan toebrengt, wie passen vervalscht of met vreemden pas reist, wordt voh gens het krijgsrecht gestraft.
5. Brieven en nieuwsbladen m ogen niet meegenomen worden.
6. Deze schein moet op de pass-zentrale
Brussel ingeleverd worden:
a) onmiddellijk na afloop van den geldigheidsduur, indien hij voor heen- en terugreis afgeleverd werd, bij vroegeren afloop der reis onmiddellijk na de terugkomst.
b) over de post binnen 10 dagen na afloop van den geldigheidsduur, indien hij alleen voor de heenreis naar een andere plaats moest dienen (uitgenomen bij reizen naar het verdere buitenland, zoals Zwitserland, Italie, Overzee enz.). Overtreders stellen zich bloot aan strenge straf, desnoods aan afw zing van elke verdere aanvraag om passierscheine.
No. 112. — 3. september 1915.
Be bevoegdheid van het krachtens
Art.14 der Verordening van 20 juli 1915 betreffend het gehruik van de gerst uit het oogstjaar 1915 hinnen het gehied des Generalgouvernements (Wet- en Verordeningsblad nr, 100) opgerichte scheidsgerecht wordt tot de beslechting van de onder
Art.13 der Verordening van den bevelvoerenden Admiraal des Marinekorps van 10 Augustus 1915 betreffend het gebruik van de gerst uit het oogstjaar 1915 hinnen het gehied des Marinekorps vermelde geschillen, uitgebreid.
Brussel, den 26n Augustus 1915'
No. 112. — 3. september 1915.
De hevoegdheid, die den Generalkommissar voor de banken in Belgi'e op grond der verordeningen van 26 Novemher 1914 en van 17 februari 1915 (Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België, bc. 49 en 178) toegekend werd, wordt op den Verwaltungschef bij den Generalgouverneur in België overgedragen, zover het ondernemingen betreft, die een nijverheidshedrijf in België onderhouden of warenhandel of verzekeringszaken voeren. IL De Spezialkowtmissare (nr. UI der verordening van 18 September 1914), opzichters en vertegenwoordigers (nrs. I en VI der verordening van 26 November 191 i) zijn voor de uitvoering van de hun opgedragen werkzaamheden uitsluitend tegenover den Generalgouverneur verantwoordelijk. UI. Deze verordening wordt met den dag der afkondiging van kracht.
Brussel, den 26n Augustus 1915.
No. 112. — 3. september 1915.
Volgens de Verordening van 16 Juni (Wet- en Verordeningsblad nr. 86, hl. 710) is het verKoopen of slijten van andere geestrijke dranKen dan wijn en bier, aan al wie toi het leger hehort, voor hôtels, spijs- en drankhuizen en andere openbare huizen, verboden. Er wordt op gewezen, dat als tot het leger behorend in bovenstaanden zin ook allen te beschoouwen zijn, die dienst doen bij de Duitse spoorwegen.
Brussel, den 27n Augustus 1915.
No. 112. — 3. september 1915.
Ter wijziging van Verordening van 17 April 1915 (Wet- en Verordeningsblad, hz. 448) hepaal ik hierhij: De duur van den onder artikelen 5 en 7 der wet van 1 februari 1844 in den vorm der wetten van 15 Augustus 1897 en 28 Met 1914 voorzienen termijn voor het vaststellen van rooilijnen en het beginnen der onteigeningswerkgaamheden vangt aan, zonder aanzien van het tijdstip der indiening van de bouwaanvragen, op 1 October 1915, wanneer deze aanvragen eulhe openhare plaafsen en strafen betreffen, waarvan door de krijgsgeheurtenissen een of meer huizen vernield werden.
Brussel, den 28n Augustus 1915.
No. 112. — 3. september 1915.
289 Met toestemming van den Heer Generalgouverneur in België heh ik overeenkomstig de Verordening van 17n februari 1915 (Wet- en Verordeningsblad voor de hezette strehen van België, Nr. 41 van den 20n februari 1915) de volgende ondernemingen onder dwangbeheer geplaatst: (Zie de namen hierboven).
Brussel, den 29n Augustus 1915.
No. 113. — 5. september 1915.
Verordening betreffend het gebruik van gerst (zomer- en wintergerst) uit het oogstjaar 1915 in het gebied van Maubeuge en Givet. De verordening van 20n juli 1915 betreffend het gebruik van gerst (somer- en wintergerst) uit het oogstjaar 1915, is voor het gebied van Maubeuge en van Givet toepasselijk gemaakt.
Brussel, den In September 1915.
No. 113. — 5. september 1915.
Inrichting van het motorvoertuigwezen van het C. R. B. en van het C. N. 7. Er Ment onderscheid gemaakt tussen:
1. de voertuigen van het C. R. B., die a) in gansch België (hezet gebied) h) in gansch België en over het grensstation Essen in Nederland mogen rijden en wier aantal, de onder V vermelde motorwagen niet inbegrepen, op 5 bepaald wordt;
2. a) de voertuigen van het C. N., die slechts telhens in ene provincie (daaronder Limburg met den kreits Tienen) desgev. in Groot-
Brussel mogen verkeeren, en waarvan telkens een per week des Donderdags, rijden mag naar
Brussel, voor de daar gehouden vergaderingen. De provincies Luik en Luxemburg kunnen echter reeds 's Woensdags namiddags gebruik maken van deze toelating. h) twee voertuigen voor de leden van het C. N., die een G, G.-pas besitten en in gansch België (bezet gebied) mogen rijden,
U. Al de motorvoertuigen moeten de vlag van het C. R. B. voeren; beide sijden der motorkap en de achterkant van het rijtuig moeten daarenboven, in witte verf, volgend opschrift dragen: Voor de voertuigen bedoeld onder I. 1. a. en I. 2. b. „C. R. B. in België"; Voor de voertuigen bedoeld onder I. 1. b. „C R. B, België-Nederland" ' ; Voor de voertuigen bedoeld onder I. 2. a. „gevolgd door den naam der betreffende provincie; b.v. C. R. B. Namen". Zover de motorvoertuigen in België thuis behoren, gelden de algemene bepalingen betreffend de merhen, ook voor de rijtuigen van het C. R. B. en van het C. N. (B met Nr.). Worden beschoouwd als in België thuis behorende motorvoertuigen, deze die zich sedert ten minste vier weken in België bevinden. De bepalingen betreffend vreemde motorvoertuigen (6) uit de verordening, zijn toepasselijk op de niet in België thuis behorende rijtuigen. UI. De menners van motorvoertuigen moeten om den rechterarm, als henteehen, een witten band dragen, tvaarop in 't rood de letters C. R. B. zijn genaaid. Deze armband moet den stempel dragen van het Motorvoertuigkantoor, dat de mennerkaart aflevert. De kaart van den menner is als volgt aan te vullen: aj voor den menner, die een wagen bedoeld onder I. 1. a en I. 2. b te mennen heeft: „gerechtigd om een C. R. B. België wagen te mennen"; h) voor den menner, die een wagen, bedoeld onder I. 1. b., te mennen heeft: „gerechtigd om een C. R. B. België- of een C. R. B. België-Nederland-wagen te mennen" ; c) voor den menner, die een wagen, bedoeld onder I. 2. a te mennen heeft: „gerechtigd om een provincieof Groot-
Brussel-wagen te mennen, bv. C. R. B. Namen". IV. Als uitwijspapieren worden vereischt ofwel een eenzelvigheidsbewijs of pas, met rijverlof (Fahrgenehmigung) van een Duitsen Konsul, ook een passierschein voor motorvoertuig of een G. G.-pas; voor de menners bovendien een mennerkaart; voor het voertuig een toelatingsbewijs. Op de toelatingshewijzen zullen dis gerechtigd tot meereizen vermeld staan: Onder I. 1. a. leden van het C. R. B. met G. G.-pas of een passierschein voor motorvoertuig voor Groot- Bnissel, of voor Groot-
Brussel en een of meer provincies van het hezet gehied; Onder I. 1. h. deselfde leden van het C. R. B. als hiervoren bij I. 1. a. en bovendien de leden van het <7. jR. B. met passen voor Nederland (over Essen); Onder I. 2. a. leden van het C. N. met G. G.-pas of met een voor de betreffende provincie of Groot-
Brussel geldigen passierschein voor motorvoertuig ; Onder I. 2. b. leden van het C. N. met G. G.-pas. V. a) Voor het motorvoertuig en voor de mennerhaart van den Amerihaansen hoofdafgevaardigde in de provincie Limburg is een uitsondering te mahen op voorafgaande bepalingen. Daar deze afgevaardigde het recht bezit nùar Maastricht te rijden, zal zijn motorrijtuig het opschrift „C. R. B. België-Maastricht" dragen. De mennerhaxirt voor den menner van dezen wagen moet spreken op de provincie Limburg en den afstand
Brussel-Hasselt- Maastricht.
h) De vertegenwoordigers der provinciale komiteiten mogen elken Donderdag naar
Brussel rijden, om de aldaar gehouden vergadering bij te wonen. Voor de vertegenwoordigers der provincie Luik en Luxemburg is dit verlof 's Woensdags 's namiddags reeds geldig.
VI. Zover voorafgaande bepalingen de verordening, betreffend het verkeer met niet-ambtelijke motorvoertuigen in België, niet wijzigen, blijft die van kracht. Alleen de Motorvoertuigkantoren, gevestigd te
Brussel, Luik, Namen, Antwerpen, Aarlen, Hasselt, Bergen eijn gemachtigd wijzigingen toe te hrengen aan de aanduidingen der motorvoertuigen, der mennerkaarten en der toelatingshewijzen. VU. Met geen enkel toelatingshewijs Jean men in België drijfstoffen of banden indoen noch aanhopen; daartoe hestaat de C. R. B., die alleen deze artïkelen mag invoeren. VUI. Deze verordening wordt op 10 Septemher 1915 in haren geheelen omvang van kracht.
Brussel, den 27n Augustus 1915.
No. 113. — 5. september 1915.
Verordening betreffend het aanslaan van koren en meel uit vroegere oogstjaren. 1. Mijne verordening van 30n Juni j.l. (Wet- en Verordeningsblad Nr. 91 van 3n juli j.l.) betreffend het beslagleggen op koren en meel uit het oogstjaar 1915 wordt op het koren en meel uit voorgaande oogstjaren uitgebreid. 2. Deze verordening ivordt terstond van kracht.
Brussel, den 28n Augustus 1915.
No. 113. — 5. september 1915.
Met toestemming van den heer Generaalgouverneur in Belgïe heb ih, overeenkomstig de Verordeningen van 17 Fehruari 1915 en 26 Augustus 1915 de hierna vermelde ondernemingen onder dwangheheer geplaatst: (Zie de namen hierhoven).
Brussel, den 2n September 1915.
No. 115. — 11. september 1915.
Verordening over het bestraffen van benadeeliging wegens Duitsgezinde houding.
Art.1. Al wie poogt, anderen door het opmaken van swarte lijsten of bedreigen met henadeeliging of dergelijke middelen in hun goed of broodwinning schade te berokkenen, omdat zij Duitsers zijn, met Duitsers betrekkingen onderhouden of ene Duitsgezinde houding aannemen, wordt met ten hoogste twee jaar gevangenis of met ten hoogste tienduizend miark boete gestraft. Boete kan ook met gevangenisstraf tegelijk uitgesproken worden. Ondergaat dezelfde straf diegene, die om ene der vermelde redenen iemand anders beleedigt of mishandelt, of door bedriegen met benadeeliging of dergelijke middelen anderen tracht te beletten, ene Duitsgezinde houding aan te nemen. Wordt ene der volgens lid 1 en 2 strafbare handelingen door verscheidene personen gemeenschappelijk begaan, die zich tot dat doel verbonden hebben, zo wordt elke deelnemer aan zul- Ken bond als dader gestraft. In dit geval kan de straf tot vijf jaar gevangenis verhogd worden.
Art.2. Bevoegd zijn de krijgsrechtbanken.
Brussel, den 4en September 1915.
No. 115. — 11. september 1915.
Nadat de Verordening van 27en februari jl. betreffend de verplichting om suiker en suikerbieten aantegeven (Wet- en Verordeningsblad van 2n maart jl., nr. 46) noodeloos geworden is, hoeft er voor het vervoer van suiker, suikerbieten, suikerbietenzaad, suikervoortbrengselen, suikersap en stroop binnen Belgi'e gene toelating m eer van wege den Kommissar des Kriegsministeriums.
Brussel, den An September 1915.
No. 116. — 13. september 1915.
De huidige dwangbeheerder voor de Societe Geologique et Minere Sambre-Belge, Bergassessor Dr. Scheffer (Wet- en Verordeningsblad voor de belette streken van België Nr. 97 van 2in juli 1915) werd op sijn versoeh uit dit anibt eervol ontslagen. In zijne plaats heh ih van af In September 1915, den Heer Joseph Welker tot dwangbeheerder benoemd.
Brussel, den 31n Augustus 1915.
No. 117. — 16. september 1915.
Verordening over het inrichten van bgzondere rechtbanken tegen nietbultenlanders. Zoverre de krijgsrechthanhen tot het heoordeelen overtredingen van ene verordening des Generalgouverneurs hevoegd verhlaard werden en gene bevoegdheid volgens het wethoek van strafrechtspleging voor het leger hestaat, moeten de voorschriften der Keizerlijke Verordening van 28 December 1899 over de buitengewone proceduur tegenover buitenlanders ooh dan aangewend worden, wanneer de beklaagde geen buitenlander is.
Brussel, den lOn September 1915,
No. 117. — 16. september 1915.
Bekendmaking, betreffend het afstaan van koren voor eigen gebruik. Ter wijsiging mijner hekendmaking van 10. 8 jl. (Wet- en Verordeningsblad nr. 106 van 17. 8 jl.) 6epaal ih, dat paragraaf 2, iid 2 als volgt moet luiden: „Waar meest of uitsluitend rogge gewonnen wordt, mag maar % van de behoefte voor eigen gebruik aan rogge worden afgestaan, het overige wordt, in geval de eigene voortbrengst, aan tarwe, masteluin en spelt niet voldoend is, door het Nationaal hulp- en voedingskomiteit onder den vorm van tarwe of van een andere korensoort, door den eigenverbruiker te bepalen, geleverd."
Brussel, den lOn September 1915.
No. 117. — 16. september 1915.
Bekendmaking betreffend het ruilen van zaaikoren. De Zentrai Ernte Kommission heeft met goedkeuring Zijner Excellentie des Heeren Generalgouverneurs hesloten, het Nationaal Komiteit toe te laten, uit de hem afgestane korenstapels in gevallen van dringenden nood, mindere hoeveelheden goed horen tegen het den landbouwers toegekende s;aaigoed te ruilen. Bij dit ruilen moeten heide te ruilen hoeveelheden stipt overeenkomen.
Brussel, den lOn September 1915.
No. 118. — 19. september 1915.
Met goedkeuring van den Heer Generaalgouverneur in Belgïe heb ik overeenkomstig de verordeningen van 17n februari 1915 en 26n Augustus 1915 volgende ondernemingen onder dwangbeheer geplaatst: (Zie de namen hierboven).
Brussel, den lin September 1915.
No. 119. — 21. september 1915.
BEKANNTMACHUNG. Herr Rechtsanwalt Dr. J. M. Lappenberg ist anstelle des abberufenen Herrn R. von Lumm fur die Firmen : The British Lianosoff White Oil Cij Ltd., Antwerpen, Societe française d'Exploitation des ProDuits Lianosoff, Antwerpen, H. W. Stevens, Antwerpen, anstelle des Herrn H. Schôneberg fur die Firma Depôt general des ProDuits Liebig S. A., Antwerpen, anstelle des Herrn Dr. Herzberg fur die Firma C. Duc et Co., Antwerpen zum Zwangsverwalter ernannt worden.
(Zie de namen hierboven).
Brussel, den 17n September 1915.
No. 119. — 21. september 1915.
Lid 1 der Verordening van 1 Juni j.l. betreffend den uitvoer van waren uit België (Wet- en Verordeningsblad nr. 84, hz. 689) wordt derwijse aangevuld, dat de goedkeuring ook voor den uitvoer van allerhand saad noodig is.
Brussel, den 18n September 1915.
No. 120. — 24. september 1915.
Verordening betreffend het verbod suikerbieten te voederen.
Art.1. Alle opvoederen van suikerhieten wordt hierhij verboden.
Art.2. Overtredingen worden met ten hoogste 5 jaar gevangenis of met ten hoogste 20,000 frank boete gestraft. Beide straffen kunnen tegelijk uitgesproken worden.
Art.3. Bevoegd tot oordeel vellen sijn de Duitse krijgsrechtbanken.
Brussel, den lin September 1915.
No. 120. — 24 september 1915.
Verordening over het gebruik van verschgewonnen suikerijpeën. De hepalingen der Verordening van 13 Augustus j.L (Wet- en Verordeningsblad van 19 Augustus j.l., nr. 107) betreffend de gedroogde suiKerijpeën, worden ook op de gedroogde suikerijpeën van den aanstaanden oogst 1915—1916 uitgebreid. Als suiKerijpeën gelden alleen die, welke voor koffiesuikerij gebruiht worden.
Brussel, den 16n Septemher 1915.
No. 121. — 25. september 1915.
Bekendmaking betreffend het uitwisselen van zinkmunt. Alle zinkmunt wordt door de kassen der Belgische Nationale Bank te
Brussel, evenals door hare agentschappen te Antwerpen, Charleroi en Luik ten bedrage van ten minste 100 frank voor elice soort, tegen wettige hetaalmiddelen overeenkomstig nr. 6 der Verordening over het slaan van zinhmunt van 7n Augustus 1915 (Wet- en Verordeningsblad nr. 109) uitgewisseld.
Brussel, den 18n Septemher 1915.De hij verordening van 20 Augustus 1915 (Nr. 109 van het Wet- en Verordeningsblad voor de besette streken van België) tot 30 September 1915 verlengde termijn voor protestopmaken en andere tot vrijwaring van verhaal bestemde rechtshandelingen wordt hierhij tot 31 Oktober 1915 verlengd.
Brussel, den 20n September 1915.
No. 121. — 25. september 1915.
De verordening van den Koning der Belgen van 3 Augustus 1914, betreffend het terugtrekken van banktegoed, hlijft met de beperking, bij verordening van den Koning der Belgen van 6 Augustus 1914 en met de uitbreiding, bij verordening van 23 September 1914 (Nr. 4 van het Wet- en Verordeningsblad voor de besette streken van België) er aan toegebracht, tot den 31n Oktober 1915 van kracht.
Brussel, den 20n September 1915.
No. 121. — 25. september 1915.
Overeenkomstig de Verordening van 17n februari 1915 (Wet- en Verordeningsblad voor de bezette streken van België nr. 41 van 20n februari 1915) heb ik in vervanging van den aftredende dwangbeheerder M. Ch. . Schulz tot dwangbeheerder der Societe Immobiliere d'Anvers te Antwerpen den Heer Hermann Schooeneberg benoemd.
Brussel, den 23n september 1915.
No. 122. — 27. september 1915.
Het invoeren van allerhande Frans sigaretpapier in den vorm van vel, bobijnen, boekjes, bladen, enz., is verboden. Deze verordening wordt terstond van kracht.
Brussel, den 25n.September 1915.
No. 123. — 29. september 1915.
De jachtregeling voor het gebied van het Generaal-Gouvernement in België van 11 augustus 1915 (Weten Verordeningsblad hs. 915 vg.) wordt in lit. 2 als volgt gewijzigd: lit. E.: Uitzondering wordt gemaakt voor de wilde konijnenjacht, die ook met fretten en netten geoorloofd wordt, evenals het vogelvangen, zover het de geldende Belgische wetten toelaten. Het blinden van vogels en het gebruik van geblinde vogels als lokvogels is echter verboden. lit. F, lid UI. Het vogelvangen wordt ook Belgen toegelaten, in zoverre deze bij Verordening des Konings der Belgen van 15n Augustus 1906 (Staatsblad bz. 5517) hiertoe gemachtigd zijn.
Brussel, den 17n september 1915.
No. 123. — 29. september 1915.
Art.1. Het vervaardigen van allerhande landkaarten die België, Duitsland, Frankrijk, Italië, Oostenrijk- Hongarije, Rusland, Servië of Turkije of gedeelten dezer landen, naar den maatstaf van 1/100.000 of minder weergeven en het vervaardigen van verheven kaarten naar welken maatstaf ook dezer landen wordt verboden.
Art.2. Alle groot- en kleinhandel, evenals alle van de hand doen tegen geld of niet of afstaan van zulke kaarten en de daartoe nodige platen enz. aan derden is verboden. Dit verbod slaat niet alleen op kaarten en platen enz. in boekwinkels, drukkerijen en dergelijke winkels, maar ook op kaarten en platen enz. die in 't bezit zijn van bijzondere personen.
Art.3. Alle in boekwinkels, drukkerijen en dergelijke winkels voorhanden kaarten en platen enz. der onder Art.1 vermelde soort worden hierbij aangeslagen.
Art.4. Allen die aan 't hoofd staan van boekwinkels, drukkerijen en dergelijke winkels, die zich met het vervaardigen of verkopen van kaarten bezig houden, moeten die voor 15 oktober 1915 den plaatselijke bevoegden Gouverneur of Kreischef onder aanduiding van aard en aantal aangeven, welke onder de beslaglegging vallende kaarten en platen enz. enz. zij in hun bezit hebben. Deze zullen door de Krijgsoverheid onder zegel gelegd en bewaard worden.
Art.5. Wie het verbod onder Art.1 en 2 overtreedt of wie de onder Art.4 opgelegde aangifte met opzet of uit nalatigheid niet tijdig of onnauwkeurig doet, wordt met ten hoogste 10,000 mark. of met ene week tot een jour gevangenis bestraft, bijaldien niet volgens andere wetten ene hogere straf bepaald wordt. Beide straffen kunnen tegelijk uitgesproken worden. Naast de geld- en lijfstraffen kan ook tot het aanslaan van kaarten en platen enz. enz. overgegaan worden.
Art.6. Bevoegd zijn de krijgsrechtbanken en krijgsoverheden.
Brussel, den 22n September 1915.
No. 123. — 29. september 1915.
Verordening betreffend verhandelen van aardappelen.
Art.1. Bij het verkopen van aardappelen uit den Belgisen oogst van 1915 mogen de voortbrengers geen hogere prijzen, dan de door de Militàrgouverneure vast te stellen hoogste prijzen, verlangen noch aannemen. Beze hoogste prijzen mogen niet hoger gaan dan, hij: Industrie, Bollen, Kruger Magnum bonum (Florenville- Virton) » 8 frk. de 100 kg. Magnum bonum, Koning Edward . 7 „ „ „ „ roode en blauwe, evenals voor de andere soorten 6 „ „ „ „
Art.2. Be hoogste prijzen tellen voor goede, gezonde aardappelen van zuivere soort.
Art.3. Be hoogste prijzen tellen voor levering zonder zah. Baarin zijn de vervoerKosten tot aan de naaste goederenstatie of bij watervervoer tot aan de nactëte aanlegplaats van schip of schuit en de kosten van verladen.
Art.4. Boven de eigen inkoopprijzen mogen hij 't verkopen ten hoogste meer vragen: 1. de eerste opkoper tot . . . OAO frk. per 100 k. 2. de groothandelaar „ . . . 1.00 „ „ „ 3. de kieinhandelaar „ . . . 0.03 „ „ 1 Als verdere onkosten mogen de groothandelaars en de kleinhandelaars de uitgaven voor spoor- of watervervoer, die sij werkelijk voor elk geval gedaan hehhen, bijrekenen. Deze hijslag mag zowel in den groot- als in den kleinhandel slechts eenmaal berekend worden, onverschillig of de ware hinnen dese groepen, meermaals in andere hand is overgegaan.
Art.5. De kleinhandelaars moeten de verschillende aardappelsoorten met den prijs er op, zichthaar te koop stellen.
Art.6. Alleen zulke personen mogen aardappelen te koop stellen, die zich voor den In Augustus 1915 met aan- en verkoop van aardappelen hehhen als beroep hezig gehouden en patent betalen.
Art.7. Bij het toeslaan van aardappelleveringen — buiten zulke tussen kieinhandelaar en verbruiker — moet een bewijsstuk in duhbel en door beide partijen onderteekend opgemaakt worden, waaruit hoeveelheid, soort, afkomst en prijs der ware evenals het tijdstip, waavop toegeslagen werd, hlijkt. Deze verkoophrieven moeten 6 maand bewaard worden.
Art.8. Werden bij aardappelkopen, die voor het verschijnen dezer Verordening toegeslagen werden, prijzen aangenomen, die de prijzen dezer verordening teboven gaan, zo tellen, bijaldien de leveringen nog niet gedaan zijn, in plaats van de overeengekomen prijzen, diegene, die volgens deze verordening in het hoogste geval mogen gevraagd en aanvaard worden. Aanspraken op schadevergoedering wegens dit verlagen van de leveringsprijsen kunnen niet gemaakt worden.
Art.9. Overtredingen tegen deze hepalingen, insonderheid ook valsche aangiften op de verkoopbrieven, worden met ten hoogste een jaar gevangenis of ten hoogste 10,000 mk. boete gestraft. Beide straffen kunnen tegelijk uitgesproken worden; daarhij kan ook tot het aanslaan der aardappelen hesloten worden.
Art.10. Bevoegd zijn de Duitse krijgsrechtbanken en krijgsoverheden.
Art.11. Met de uitvoering van deze verordening wordt de Verwaltungschef hij den Generalgouverneur helast, die ook voor bijzondere fijne tafelaardappelen uitzonderingen op de hoogste prijzen kan toestaan.
Brussel, den 28n Septemher 1915.
No. 123. — 29. september 1915.
Verordening over het bestraffen van overtredingen tegen de hoogste prqzen. Wie cet-, voeder- of andere waren, waarvoor een hoogste prijs vastgesteld werd, tegen hogeren prijs dan den
 

Vorige pagina   Indexpagina  Volgende pagina

OF GA TERUG MET DE BACKTOETS


Kent U de v.z.w. KONINKLIJKE OUDHEIDKUNDIGE KRING VAN HET LAND VAN WAAS
(afgekort K.O.K.W.)

niet, of wil je meer weten over de doelstelling
en werking van deze kring, klik dan
"hier voor Werking K.O.K.W".

DOCUMENTATIE CENTRUM
M.Z. Zamanstraat 49 9100 Sint-Niklaas
Zaterdagen 9u30 tot 12u30
Documentatie centrum
gesloten in juli en aug.